2. Regels & toelichting
Tekst van het document
4.1 Milieuaspecten 4.1.1
Bodem
Algemeen Formeel gezien dient in het kader van een bestemmingswijziging (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, wat gevoelige functies zijn, dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. Platanenlaan Ten tijde van de verantwoording van de totale woningbouwontwikkeling ’t Sittert’ heeft reeds verkennend bodemonderzoek plaats gevonden. Door Econsultancy is op 23 augustus 2018 een geactualiseerd vooronderzoek uitgevoerd eveneens voor de totale woningbouwontwikkeling. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat het gebruik of de functie van het gebied is gewijzigd. De locatie was destijds agrarisch gebruik en inmiddels is gestart met de bouw van de beoogde nieuwbouwwoningen. Op de locatie waar dit bestemmingsplan in voorziet kan op basis van het huidige bestemmingsplan een woning worden gerealiseerd. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van één extra woning mogelijk. Het uitgevoerde actualiserend vooronderzoek is nog recent genoeg om aan de onderhavige ontwikkeling medewerking te kunnen verlenen. Alle onderzoeken zijn middels een briefrapportage toegevoegd aan de bijlagen bij de toelichting van het thans vigerende bestemmingsplan ’T Sittert’.
3 Volledigheidshalve is deze briefrapportage als bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd. Kanunnik Willemsestraat Ten behoeve van deze locatie is door Econsultancy een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd. 4 Deze onderzoeksrapportage is als bijlage 2 aan deze toelichting toegevoegd. Hierna wordt volstaan met een samenvatting.
3 4
Aveco de Bondt, Actualiserend dossieronderzoek, referentie B-FK-111-182441, d.d. 21 september 2018 Econsultancy, Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Kanunnik Willemsestraat te Sint Odiliënberg, rapportnr. 14070.001, d.d. 23 november 2020
Hoofdstuk 4
31
Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Er zijn geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en de terreininspectie kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bouwplannen op de onderzoekslocatie. De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 4.1.2
Geluidhinder
Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Een nieuwe woning is een geluidsgevoelig object. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai en industrielawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengen voor de toekomstige bewoners van de woning. Onderhavig planvoornemen is niet gelegen in de nabijheid van spoorwegen of een industrieterrein. Toetsing Platanenlaan Onderhavige ontwikkeling is gelegen op de hoek van de Platanenlaan en de Reutjesweg. Beide wegen betreffen een 30km/u weg. Derhalve is het niet noodzakelijk om een akoestisch onderzoek ‘wegverkeerslawaai’ uit te voeren. Kanunnik Willemsestraat
Hoofdstuk 4
32
Onderhavige ontwikkeling is gelegen aan de gelijknamige Kanunnik Willemsestraat. Deze weg betreft een 30km/u weg. Derhalve is het niet noodzakelijk om een akoestisch onderzoek ‘wegverkeerslawaai’ uit te voeren. Conclusie Vanuit het aspect ‘geluidhinder’ bestaan er geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. 4.1.3
Luchtkwaliteit
Algemeen Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in het beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid; a) b) c) d)
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uit gegaan van de normen uit de interim-periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen: Minimaal 1 ontsluitingsweg
Hoofdstuk 4
minimaal 2 ontsluitingsweg
33
Woningen (maximaal)
3%-norm 1500
3%-norm 3000
Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van vier wooneenheden, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Achtergronden Platanenlaan In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving bedraagt de concentratie PM 10 ter plaatse tussen de 16 en 18 µg/m³, de concentratie PM2,5 tussen 10 en 12 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 13 en 15 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaar gemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse dus goed te noemen. Kanunnik Willemsestraat In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving bedraagt de concentratie PM 10 ter plaatse tussen de 16 en 18 µg/m³, de concentratie PM2,5 tussen 10 en 12 µg/m³ en de concentratie NO2 tussen 13 en 15 µg/m³.
In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 en NO2 40 µg/m³ en is de jaar gemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse dus goed te noemen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft geen significant negatieve invloed op de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.4
Externe veiligheid
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet
Hoofdstuk 4
34
voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Toetsing Platanenlaan Inrichtingen In de omgeving rond het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De meest dichtbij gelegen inrichting betreft een bedrijf met een bovengrondse propaantank aan Het Sittert.
Deze inrichting ligt op ruim 570 meter ten westen van de locatie. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze tank is 25 meter en reikt hiermee niet tot het plangebied. Gezien de grote tussenliggende afstand ligt de locatie niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Voor het overige zijn er in de omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor dit plan. Risicovol transport over wegen Op circa 260 meter ten oosten van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de N293. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg bedraagt 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De ligging ten opzichte van deze weg levert daarom geen belemmeringen op. Gezien de beperkte mate waarin vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de N293, in combinatie met de grote tussenliggende afstand, ligt het plangebied ook niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Risicovol transport over spoor- en vaarwegen In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen spoor- of vaarwegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen.
Hoofdstuk 4
35
Risicovol transport door buisleidingen Op circa 590 meter ten zuiden van het plangebied vindt transport van aardgas door twee buisleidingen plaats. Deze leidingen maken deel uit van de transportroute A-520 en hebben een 1% letaliteitsgrens van 310 meter. Het plangebied ligt hierdoor buiten het invloedsgebied van de aardgasleidingen. Kanunnik Willemsestraat Inrichtingen In de omgeving rond het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De meest dichtbij gelegen inrichting betreft een bedrijf met een bovengrondse propaantank aan Het Sittert. Deze inrichting ligt op ruim 850 meter ten zuiden van de locatie. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze tank is 25 meter en reikt hiermee niet tot het plangebied. Gezien de grote tussenliggende afstand ligt de locatie niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Voor het overige zijn er in de omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor dit plan. Risicovol transport over wegen Op circa 270 meter ten oosten van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de N293. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze weg bedraagt 0 meter en het groepsrisico is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De ligging ten opzichte van deze weg levert daarom geen belemmeringen op.
Gezien de beperkte mate waarin vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt over de N293, in combinatie met de grote tussenliggende afstand, ligt het plangebied ook niet binnen het invloedsgebied van deze weg. Risicovol transport over spoor- en vaarwegen In de wijde omgeving rond het plangebied zijn geen spoor- of vaarwegen gelegen waarover risicovol transport plaatsvindt. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. Risicovol transport door buisleidingen Op circa 1,4 kilometer ten zuiden van het plangebied vindt transport van aardgas door twee buisleidingen plaats. Deze leidingen maken deel uit van de transportroute A-520 en hebben een 1% letaliteitsgrens van 310 meter. Het plangebied ligt hierdoor buiten het invloedsgebied van de aardgasleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.5
Milieuzonering
Algemeen Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan goede ruimtelijke ordening gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en
Hoofdstuk 4
36
aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. In de onderstaande tabel zijn de richtafstanden van milieucategorie 1 tot en met 3.2 weergegeven, zoals deze gelden voor een rustige woonwijk en voor een gemengd gebied. Milieucategorie
Richtafstand tot gevoelige functies in
Richtafstand tot gevoelige
een rustige woonwijk
functies in gemengd gebied
1
10 meter
0 meter
2
30 meter
10 meter
3.1
50 meter
30 meter
3.2
100 meter
50 meter
Toetsing Platanenlaan In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De beoogde twee woningen zijn geen functies die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dienen te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. De wooneenheden betreffen daarentegen wel milieugevoelige functies. Medewerking aan het planvoornemen is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de zelfstandige woonruimte gegarandeerd is en de nieuwe woonfunctie bedrijven in de omgeving niet in hun activiteiten frustreert. De dichtstbijzijnde gelegen milieubelastende activiteit betreft een glastuinbouwbedrijf aan de Reutjesweg 49A tussen de kernen Sint Odiliënberg en Posterholt / Het Reutje. Deze milieucategorie 2 activiteit ligt op circa 240 meter ten zuiden van het plangebied. Formeel geldt de grootste richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid tot de milieugevoelige functie. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Het planvoornemen ligt op meer dan voldoende afstand ten opzichte van milieubelastende activiteiten in de omgeving. Daarnaast zijn er in de huidige situatie reeds diverse woningen dichter bij milieubelastende activiteiten gelegen, waardoor deze als maatgevend beschouwd kunnen worden. In de te realiseren woningen zal derhalve sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.
De twee woningen belemmeren bedrijven en inrichtingen in de omgeving niet. Kanunnik Willemsestraat In dit geval dient te worden uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De beoogde twee woningen zijn geen functies die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dienen te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. De wooneenheden betreffen daarentegen wel milieugevoelige functies. Medewerking aan het planvoornemen is pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de zelfstandige woonruimte gegarandeerd is en de nieuwe woonfunctie bedrijven in de omgeving niet in hun activiteiten frustreert.
Hoofdstuk 4
37
De dichtstbijzijnde gelegen milieubelastende activiteit betreft een horecagelegenheid aan de Molenweg 18 te Sint Odiliënberg. Deze milieucategorie 1 activiteit ligt op circa 210 meter ten oosten van het plangebied. Formeel geldt de grootste richtafstand van 10 meter voor de aspecten geur, geluid en gevaar, tot de milieugevoelige functie. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Het planvoornemen ligt op meer dan voldoende afstand ten opzichte van milieubelastende activiteiten in de omgeving. Daarnaast zijn er in de huidige situatie reeds diverse woningen dichter bij milieubelastende activiteiten gelegen, waardoor deze als maatgevend beschouwd kunnen worden. In de te realiseren woningen zal derhalve sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. De twee woningen belemmeren bedrijven en inrichtingen in de omgeving niet. Conclusie Op basis van het aspect milieuzonering bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het voorgenomen initiatief. 4.1.6 M.e.r.-plicht Beoordeling directe m.e.r.-plicht Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van woningbouw mogelijk. Dit kan leiden tot een m.e.r.-plicht. Ontwikkeling van woningen De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor.
Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is eveneens niet noodzakelijk Wet natuurbescherming (passende beoordeling en plan-m.e.r.-plicht) Naast het Besluit m.e.r. is de Wet natuurbescherming van belang om te bepalen of een plan-MER noodzakelijk is. In de Wet natuurbescherming is opgenomen dat wanneer significante effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten een plan-MER in procedure dient te worden gebracht. Wanneer aangetoond kan worden dat er geen significante effecten zijn te verwachten is een plan-MER niet noodzakelijk. Uit paragraaf 4.4 blijkt dat van significante effecten, die kunnen leiden tot een noodzaak tot het uitvoeren van een passende beoordeling of plan-m.e.r.-plicht, geen sprake is.
Conclusie Met de realisatie van in totaal vier woningen, ligt de omvang van de ontwikkeling ver onder de drempelwaarden die zijn opgenomen in kolom 2, namelijk een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen
Hoofdstuk 4
38
of meer. Er is voor de activiteit derhalve geen sprake van een directe m.e.r.-(beoordelings)plicht. Eveneens is een m.e.r.-beoordeling ook niet noodzakelijk.
4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Archeologie Algemeen Sinds de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) per 1 september 2007 is de gemeente verantwoordelijk voor het archeologiebeleid en heeft de provincie zich hiervan teruggetrokken. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect archeologie in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Een aantal onderdelen van de Monumentenwet 1988 gaat over naar de Omgevingswet. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven deze onderdelen van kracht binnen het overgangsrecht van de Erfgoedwet.
Voor archeologie gaat het onder meer om: het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen.
Hoofdstuk 4
39
Archeologische beleidskaart Ingevolge de Archeologische beleidskaart van de gemeente Roerdalen hebben beide locaties de aanduiding “hoog”. Deze categorie omvat gebieden met een hoge verwachting.
Uitsnede Archeologische beleidskaart met ligging locatie (zwart omlijnd)
Toetsing Op dit moment is er ter plaatse van beide locaties sprake van de bestemming ‘wonen’. Platanenlaan In het kader van de totale woningbouwontwikkeling ’t Sittert’ is in het verleden archeologisch onderzoek uitgevoerd. Vervolgens zijn voor deze locatie diverse bestemmingsplannen vastgesteld en is geconstateerd dat de hoge archeologische waarde uit de Archeologische beleidskaart voor deze locatie niet behoeft te worden opgenomen. Kanunnik Willemsestraat Voor de locatie aan de Kanunnik Willemsestraat geldt ingevolge het vigerende bestemmingsplan ‘1 e herziening Kernen Roerdalen’ de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. Voor deze bestemming geldt dat voor ontwikkelingen die een grotere oppervlakte hebben dan 1.000 m 2, een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Het perceel waarop de twee woningen gerealiseerd worden heeft een omvang van circa 577 m2 en dit is ruim minder dan de gestelde ondergrens van 1.000 m 2. Hierdoor is een archeologisch onderzoek op deze locatie niet noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
40
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.2 Cultuurhistorie Platanenlaan Conform de welstandnota van de gemeente Roerdalen zijn ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving geen rijks- en of gemeentelijkemonumenten aanwezig. Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn ter plaatse van het plangebied geen monumentale of andere cultuurhistorische waardevolle bouwwerken gelegen. De Reutjesweg is ter hoogte van de locatie ‘Platanenlaan’ aangewezen als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Met de onderhavige ontwikkeling wordt geen enkele invloed uitgeoefend op deze cultuurhistorische status. Vanuit de aanwezige cultuurhistorische waarden en de welstandnota van de gemeente Roerdalen zijn er dan ook geen belemmeringen voor dit initiatief. Kanunnik Willemsestraat Conform de welstandnota van de gemeente Roerdalen is enkel het Rijksmonument de ‘Molen van Verbeek’ in de directe omgeving gelegen. Op de locatie zelf zijn geen cultuurhistorische waarden van toepassing. Op ruim 80 meter is de ‘Molen van Verbeek’ gelegen. Het betreft hier een bergkorenmolen die in 1876 gebouwd werd en is aangewezen als rijksmonument. De onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op deze monumentale status.
Vanuit de aanwezige cultuurhistorische waarden en de welstandnota van de gemeente Roerdalen zijn er dan ook geen belemmeringen voor dit initiatief. Conclusie In het plangebied bestaan er voor de voorziene ontwikkeling geen belemmeringen in relatie tot cultuurhistorie.
4.3 Leidingen en infrastructuur Er zijn blijkens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland in of in de directe nabijheid van het plangebied geen leidingen gelegen die een zodanige bescherming behoeven dat zij voorzien zijn van een beschermingszone. Conclusie Leidingen en infrastructuur vormen geen belemmering voor het initiatief.
Hoofdstuk 4
41
4.4 Ecologie Natuurwetgeving De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de ‘Wet natuurbescherming’ (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming Platanenlaan De locatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Roerdal’, ‘Meinweg’ en ‘Grensmaas’ bevinden zich respectievelijk op 750 meter ten noorden, 5,6 kilometer ten noordoosten en 9,6 kilometer ten westen van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van woningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten, met name tijdens de aanlegfase maar ook door een toename aan verkeersbewegingen in de toekomstige situatie.
Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000gebied tijdens de sloop- en/of de aanlegfase is niet uit te sluiten. Derhalve is er een vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening uitgevoerd. 5 Uit het onderzoek en de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 3. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 290 meter ten oosten van de locatie aan de overzijde van de N293. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Kanunnik Willemsestraat De locatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.
De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, ‘Roerdal’, ‘Meinweg’ en ‘Grensmaas’ bevinden zich respectievelijk op 80 meter ten westen, 5,8 kilometer ten noordoosten en 9,2 kilometer ten westen van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als ge-
5
Vitaal Bouw BV, Platanenlaan St. Odiliënberg, Aeriuskenmerk RsLYqfWNtSE6, d.d. 9 december 2020
Hoofdstuk 4
42
volg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van woningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten, met name tijdens de aanlegfase maar ook door een toename aan verkeersbewegingen in de toekomstige situatie. Een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000gebied tijdens de sloop- en/of de aanlegfase is niet uit te sluiten. Derhalve is er een vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening uitgevoerd.6 Uit het onderzoek en de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura-2000 gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage in bijlage 4. Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene natuurzone. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de goudgroene natuurzone ligt ongeveer 80 meter ten westen van de locatie. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de goudgroene natuurzone niet worden aangetast.
Vervolgonderzoek in het kader van de goudgroene natuurzone wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Beschermde houtopstanden Platanenlaan Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling zijn geen bomen aanwezig. Het aspect beschermde houtopstanden vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Kanunnik Willemsestraat Ter plaatse van de beoogde ontwikkeling zijn bomen aanwezig. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Het aspect beschermde houtopstanden vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Soortenbescherming Ter plaatse van beide locaties is reeds de bestemming ‘Wonen’ aanwezig. De ontwikkeling op beide locaties betreft enkel het toevoegen van enkele woningen binnen een reeds verstoord gebied. Derhalve is het niet noodzakelijk om een quickscan flora en fauna te laten uitvoeren omdat er geen soorten worden aangetast met onderhavige ontwikkelingen. Volledigheidshalve volgt voor beide locaties nog een korte toelichting. Platanenlaan Op de planlocatie is sprake van een braakliggend terrein en er vinden in de nabije omgeving al geruime tijd bouw- en aanlegwerkzaamheden plaats. Het is dan ook zeer onwaarschijnlijk dat ter plaatse
6
Vitaal Bouw BV, Kanunnik Willemsestraat 8 +10 St. Odiliënberg, Aeriuskenmerk RWyGeoENHJVA, d.d. 9 december 2020
Hoofdstuk 4
43
beschermde soorten aanwezig zijn. Uiteraard wordt bij de bouw rekening gehouden met het broedseizoen en de algemene zorgplicht voor eventueel aanwezige individuen. Kanunnik Willemsestraat In tegenstelling tot de locatie ‘Platanenlaan’ is op deze locatie begroeiing aanwezig. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zal deze begroeiing gerooid worden. Om ervoor te zorgen dat bij de werkzaamheden de habitat mogelijk aanwezige soorten niet wordt aangetast zullen de volgende aspecten in acht worden genomen: Ten aanzien van broedvogels wordt, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen uitgevoerd, of er zal een controle plaatsvinden om de aanwezigheid van een broedgeval uit te sluiten; In het kader van de algemene zorgplicht zal voldoende zorg worden dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan zal worden om het doden van individuen te voorkomen. Conclusie Op basis van de uitgevoerde onderzoeken wordt vervolgonderzoek naar effecten op beschermde gebieden (Natura 2000/goudgroene zone) niet noodzakelijk geacht. Evenmin is er sprake van een noodzaak tot het indienen van een ontheffingsaanvraag ten aanzien van soorten dan wel een vergunningaanvraag in het kader van gebiedsbescherming.
Vanuit het aspect ecologie bestaan er kortom geen belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.
4.5 Verkeer en parkeren Verkeer Platanenlaan De locatie is bereikbaar via de Platanenlaan en is gelegen op de hoek van de Platanenlaan en de Reutjesweg. De Platanenlaan is verder weer (via de Reutjesweg en Schaapsweg) ontsloten op de Rijksweg (N293). De platanenlaan en de Reutjesweg betreffen een 30 km/uur-weg. Als gevolg van de woningbouw zal er sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Ter plaatse worden twee twee-onder-éénkap woningen gerealiseerd, overeenkomend met CROW-type: twee twee-onder-één-kap koopwoningen, in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ in de gemeente Roerdalen (niet stedelijk). In totaal worden maximaal achttien (negen per woning) verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd op een gemiddelde weekdag met de voorgenomen ontwikkeling.
Hoofdstuk 4
44
Wat betreft profiel en capaciteit zijn de wegen berekend op een toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de woningen. Het plangebied is verder ook goed ontsloten voor langzaam verkeer. Kanunnik Willemsestraat Het plangebied is bereikbaar via de Kanunnik Willemsestraat. De Kanunnik Willemsestraat is verder weer (via de Bernhardlaan) ontsloten op de Rijksweg (N293). De Kanunnik Willemsestraat betreft een 30 km/uur-weg. Als gevolg van de woningbouw zal er sprake zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen. De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Ter plaatse worden twee twee-onder-éénkap woningen gerealiseerd, overeenkomend met CROW-type: twee twee-onder-één-kap koopwoningen, in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ in de gemeente Roerdalen (niet stedelijk). In totaal worden maximaal achttien (negen per woning) verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd op een gemiddelde weekdag met de voorgenomen ontwikkeling. Wat betreft profiel en capaciteit zijn de wegen berekend op een toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de woningen. Het plangebied is verder ook goed ontsloten voor langzaam verkeer. Parkeren Platanenlaan De gemeente Roerdalen hanteert geen eigen parkeerbeleid.
Derhalve zijn parkeernormen berekend op basis van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Hierbij is uitgegaan van twee twee-onder-één-kap woningen, overeenkomend met CROW-type: twee twee-onder-één-kap koopwoningen, in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ in de gemeente Roerdalen (niet stedelijk). In totaal zijn er voor onderhavige ontwikkeling 5,2 parkeerplaatsen benodigd (2,6 per woning). In onderhavige ontwikkeling zal sprake zijn van parkeren op eigen terrein waarbij er plaats zal zijn voor twee parkeerplaatsen per woning. Kanunnik Willemsestraat De gemeente Roerdalen hanteert geen eigen parkeerbeleid. Derhalve zijn parkeernormen berekend op basis van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Hierbij is uitgegaan van twee twee-onder-één-kap woningen, overeenkomend met CROW-type: twee twee-onder-één-kap koopwoningen, in het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ in de gemeente Roerdalen (niet stedelijk). In totaal zijn er voor onderhavige ontwikkeling 5,2 parkeerplaatsen benodigd (2,6 per woning). In onderhavige ontwikkeling zal sprake zijn van parkeren op eigen terrein waarbij er plaats zal zijn voor twee parkeerplaatsen per woning. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het initiatief.
Hoofdstuk 4
45
4.6 Waterhuishouding In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Het Nationaal Waterplan 2016-2021 heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015. Met dit Nationaal Waterplan zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het Rijk streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving.
Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een water robuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties. Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater en waterkwaliteit, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater.
Hoofdstuk 4
46
Platanenlaan Grondwater en waterkwaliteit De locatie ligt niet binnen waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. De locatie is wel gelegen binnen de ‘boringsvrije zone Roerdalslenk II’. Ter plaatse van deze zone is het niet toegestaan om boorputten dieper dan 30 meter te graven of werken uit te voeren die schade kunnen toebrengen aan de ‘Bovenste Brunssumklei’. Onderhavige ontwikkeling voorziet enkel in de realisatie van twee woningen. Tevens is er ter plaatse sprake van de bestemming ‘Wonen’. Het is van belang in het plangebied verontreiniging als gevolg van afstromend hemelwater te voorkomen. Om de waterkwaliteit te garanderen wordt geadviseerd bij de aanleg van de in het plangebied te realiseren gebouwen geen gebruik te maken van uitlogende materialen. Daarnaast dient het gebruik van strooizout en chemische onkruidbestrijdingsmiddelen in het plangebied zoveel mogelijk te worden voorkomen. Oppervlaktewater In het plangebied zelf is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast wordt in de toekomstige situatie ook niet voorzien in nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied. Uit zowel de POL2014kaarten als de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijken geen belemmeringen voor het plangebied. Hemel- en afvalwater Het (huishoudelijk) afvalwater wordt aangesloten op de riolering.
Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld. Via daken en dakgoten wordt het hemelwater naar een infiltratievoorziening op eigen terrein geleid en geïnfiltreerd in de bodem. Conform de richtlijnen van het Waterschap Limburg dienen toekomstige hemelwatervoorzieningen in Noord- en Midden-Limburg gedimensioneerd te worden op een bui van 100 mm per vierkante meter verhard oppervlak met een leegloop/beschikbaarheid binnen 24 uur. Binnen het plangebied zal voorzien worden in een gescheiden rioleringsstelsel voor de gescheiden afvoer van afval- en hemelwater. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt dit nader uitgewerkt. Kanunnik Willemsestraat Grondwater en waterkwaliteit De locatie ligt niet binnen waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. De locatie is wel gelegen binnen de ‘boringsvrije zone Roerdalslenk II’. Ter plaatse van deze zone is het niet toegestaan om boorputten dieper dan 30 meter te graven of werken uit te voeren die schade kunnen toebrengen aan de ‘Bovenste Brunssumklei’. Onderhavige ontwikkeling voorziet enkel in de realisatie van twee woningen. Tevens is er ter plaatse sprake van de bestemming ‘Wonen’.
Hoofdstuk 4
47
Het is van belang in het plangebied verontreiniging als gevolg van afstromend hemelwater te voorkomen. Om de waterkwaliteit te garanderen wordt geadviseerd bij de aanleg van de in het plangebied te realiseren gebouwen geen gebruik te maken van uitlogende materialen. Daarnaast dient het gebruik van strooizout en chemische onkruidbestrijdingsmiddelen in het plangebied zoveel mogelijk te worden voorkomen. Oppervlaktewater In het plangebied zelf is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast wordt in de toekomstige situatie ook niet voorzien in nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied. Uit zowel de POL2014kaarten als de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijken geen belemmeringen voor het plangebied. Hemel- en afvalwater Het (huishoudelijk) afvalwater wordt aangesloten op de riolering. Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld. Via daken en dakgoten wordt het hemelwater naar een infiltratievoorziening op eigen terrein geleid en geïnfiltreerd in de bodem. Conform de richtlijnen van het Waterschap Limburg dienen toekomstige hemelwatervoorzieningen in Noord- en Midden-Limburg gedimensioneerd te worden op een bui van 100 mm per vierkante meter verhard oppervlak met een leegloop/beschikbaarheid binnen 24 uur.
Binnen het plangebied zal voorzien worden in een gescheiden rioleringsstelsel voor de gescheiden afvoer van afval- en hemelwater. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt dit nader uitgewerkt. Conclusies Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen.
4.7 Duurzaamheid Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). De BENG vervangt de sinds 1995 toegepaste energieprestatiecoëfficiënt (EPC).
Hoofdstuk 4
48
De energieprestatie bij BENG wordt bepaald aan de hand van 3 individueel te behalen eisen: 1. de maximale energiebehoefte in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m 2.jr) 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m 2 gebruiksoppervlak per jaar (kWh/m2.jr) 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten (%) De 3 BENG-eisen dienen allemaal te voldoen aan de grenswaarde en de BENG-eisen zijn verschillend voor ieder gebouwtype. Naast de BENG zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend.
Tot slot is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat nieuwe woningen niet zullen worden aangesloten op het gasnet. Toepassing De beoogde woningen worden nul-op-de-meter gerealiseerd en uitgevoerd en er wordt rekening gehouden met de BENG-eisen. Zodoende wordt voldaan aan de wettelijk vastgelegde duurzaamheidsdoelstellingen
Hoofdstuk 4
49
5.
JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen Het bestemmingsplan bestaat uit de toelichting, de regels en de verbeelding. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
5.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1: 500. Opgenomen is een woonbestemming met daarin een bouwvlak waar de nieuwe wooneenheden, alsmede verkeer-, parkeer- en groenvoorzieningen zijn toegestaan. Door middel van aanduidingen zijn aanvullende (bouw)regels, waaronder het maximum aantal woningen, de goothoogte, het achtererf en een bebouwingsvrije zone weergegeven.
5.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft welis-
Hoofdstuk 5
50
waar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1 Inleidende regels De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten. Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.
De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het
Hoofdstuk 5
51
bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemming nader toegelicht. ‘Tuin’ De voorzijde van het perceel aan de Kanunnik Willemsestraat is bestemd als ‘Tuin’. Ter plaatse zijn de gronden bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede paden en wegen. ‘Wonen’ De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor ‘wonen’. Binnen de enkelbestemming zijn, naast woningen binnen het bouwvlak, voorzieningen voor de infiltratie van hemelwater, paden, verhardingen en in- en uitritten toegestaan conform de regels uit het bestemmingsplan ‘1e herziening kernen Roerdalen’ (vastgesteld door de gemeenteraad van Roerdalen op 17 juni 2016) en bestemmingsplan ’T Sittert’ (vastgesteld door de gemeenteraad van Roerdalen op 23 mei 2019). Daarnaast zijn binnen de enkelbestemming gebouwen en daarbij behorende bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan.
Binnen deze bestemming is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, om het aantal te bouwen wooneenheden te wijzigen of te laten vervallen, indien niet binnen 3 jaar na het onherroepelijk worden van het plan met de bouw van de woningen is aangevangen, geen ontvankelijke aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend of een verleende omgevingsvergunning is ingetrokken. ‘Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ De voor Waarde - Archeologie - 5 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van een terrein met archeologische waarde. In de regels is een bouwverbod opgenomen. Dit bouwverbod is echter niet van toepassing indien de maximum oppervlakte van de bebouwing ten hoogste 1.000 m² bedraagt en de ondergrondse bouwdiepte ten hoogste 40 cm bedraagt. 5.3.3 Algemene regels In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Anti-dubbeltelregel In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze
Hoofdstuk 5
52
bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels zijn regels gesteld die gelden voor alle bestemmingen uit hoofdstuk 2. In dit geval zijn dit regels met betrekking tot ondergronds bouwen, bestaande afstanden en maten en infiltratie van hemelwater. Tevens is een regeling opgenomen ten aanzien van het aantal noodzakelijk aan te leggen parkeerplaatsen bij bouwen, uitbreiden of verbouwen van gebouwen. Algemene gebruiksregels In deze algemene gebruiksregels wordt gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijvingen uit de afzonderlijke bestemmingen als strijdig gebruik aangemerkt. Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen wat betreft de borging van de waterberging in onderhavig bestemmingsplan. Algemene aanduidingsregels Hierin is de ‘milieuzone – roerdalslenk II’ opgenomen die nadere regels stelt over bodemingrepen dieper dan 30 meter beneden maaiveld. Algemene afwijkingsregels In deze regels zijn algemene afwijkingsbepalingen opgenomen. Zo is opgenomen dat binnen alle bestemmingen kan worden afgeweken van opgenomen maten tot een maximum van 10%.
Ook zijn afwijkingsregels opgenomen die het mogelijk maken bij meetverschillen ontwikkelingen toe te staan en is bepaald dat kleine bouwwerken van openbaar nut, mits ze voldoen aan bepaalde voorwaarden, ook in afwijking van de bestemmingsregels vergund kunnen worden. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders een algemene bevoegdheid gegeven om kleinschalige wijzigingen aan te brengen in de bestemmingen van onderhavig plan. Algemene procedureregels In de algemene procedureregels zijn de procedures opgenomen die dienen te worden doorlopen bij een binnenplanse wijziging of het stellen van nadere eisen. Overige regels In deze regels zijn de voorrangsbepalingen voor bestemmingen opgenomen, wordt ingegaan op de consequenties van een overtreding van de gebruiksregels en wordt duidelijk gemaakt hoe overige wettelijke regelingen in relatie staan tot de regels in dit bestemmingsplan. 5.3.4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen.
Hoofdstuk 5
53
Overgangsrecht In deze regel wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.
Hoofdstuk 5
54
6.
HANDHAVING Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op eenzelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld.
Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op de lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen. Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging. Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan.
Hoofdstuk 6
55
7.
HAALBAARHEID 7.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). Als bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt onder andere aangewezen een bouwplan voor de bouw van een of meer woningen. Het voorliggende initiatief heeft betrekking op de bouw van vier wooneenheden en betreft daarmee een bouwplan.
Er is in dit geval dus sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor een verplichting tot kostenverhaal geldt. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente worden hiertoe een anterieure overeenkomst en een planschadeovereenkomst afgesloten.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Ingevolge artikel 1.3.1. van het Bro dienen Burgemeester en Wethouders te besluiten en te publiceren of er terinzagelegging van het bestemmingsplan plaatsvindt, of er zienswijzen kunnen worden ingediend en of er een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengt. Ook is in artikel 1.3.1. Bro bepaald dat het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan waarbij geen MER wordt opgesteld, dient te worden gepubliceerd conform artikel 3:12 lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en langs elektronische weg. Inspraak Er is geen sprake van inspraak. Het bestemmingsplan wordt meteen als ontwerp ter inzage gelegd. Vooroverleg Volgens artikel 3.1.1. Bro dient vooroverleg te worden gevoerd met diensten van het Rijk, provincie en het Waterschap. Deze instanties kunnen aangeven dat in bepaalde gevallen vooroverleg niet noodzakelijk is.
Hoofdstuk 7
56
In het kader van onderhavig plan zijn geen nationale belangen in het geding. Vooroverleg met de Rijksoverheid is dan ook niet noodzakelijk. Gezien de ligging binnen het stedelijk gebied en het gestelde in de Interim Belangenstaat van de provincie Limburg zijn er met dit plan ook geen provinciale belangen gemoeid en is vooroverleg met de provincie eveneens niet noodzakelijk. Verder zijn de waterbelangen van het Waterschap meegenomen en is vooroverleg met het Waterschap eveneens niet benodigd. Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan heeft vanaf 16 augustus 2021 tot en met 27 september voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is één zienswijze ingediend met betrekking tot het plandeel Platanenlaan. De gemeente heeft de zienswijze beoordeeld en dit vastgelegd in een Nota van Zienswijzen dat als bijlage 5 aan dit bestemmingsplan is toegevoegd.7 De zienswijze heeft niet geleid tot een aanpassing van het onderhavige bestemmingsplan. Wel zijn ambtshalve enkele tekstuele aanpassingen gedaan. Het provinciale beleid in deze toelichting is geactualiseerd gelet op de vaststelling van de Provinciale Omgevingsvisie en de terinzagelegging van de ontwerp-omgevingsverordening Limburg. Daarnaast zijn in de regels enkele foutieve verwijzingen naar regels en bijlagen hersteld. Inhoudelijk is in de regels niets aangepast.