04 Bijlage 2: (Concept) ontwerp ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Beleid
Dit hoofdstuk gaat in op het beleid dat de verschillende overheden voor ruimtelijke ontwikkelingen hebben opgesteld. Ten eerste het Rijksbeleid, vervolgens het provinciale beleid en tot slot het gemeentelijke beleid. Achtereenvolgens zijn hieronder de relevante beleidsstukken weergegeven en is beschreven in hoeverre de voorliggende ontwikkeling past binnen deze beleidsstukken. 3.1
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie Nederland staat in de komende jaren voor een aantal opgaven van nationaal belang. De Nationale Omgevingsvisie (hierna: “NOVI”) stelt dat grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw Nederland flink zullen veranderen. Deze opgaven moeten benut worden om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden. De NOVI biedt perspectief om de grote opgaven aan te pakken. Hierbij is omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. In de NOVI wordt gesproken over een ‘omgevingsinclusief’ beleid. De NOVI 28
beschrijft enerzijds een toekomstperspectief met ambities en anderzijds de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Deze opgaven zijn het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten. Op deze vier prioriteiten zijn beleidskeuzes gemaakt: 1) 2) 3) 4)
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio’s Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Om de beleidskeuze weloverwogen te maken worden drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven, gehanteerd namelijk; 1) Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2) Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal en 3) Afwentelen wordt voorkomen. In de NOVI wordt gesteld dat de klimaatdoelstelling in lijn is met de Parijse klimaatdoelstelling: in 2050 vrijwel geheel klimaatneutraal. De ambitie is dat de omslag naar 100 procent circulair in 2050 gerealiseerd is en dat een zo goed mogelijke inpassing van duurzame energie in de leefomgeving is. In 2050 is Nederland erin geslaagd al deze ontwikkelingen zorgvuldig in te passen of nieuwe landschappen te creeren, met zo min mogelijk hinder of overlast voor mensen en het ecosysteem. De NOVI ziet het van nationaal belang om de internationale afgesproken doelen te behalen. De opgave is dan ook om de broeikasgassen ten opzichte van 1990 te reduceren met tenminste 49 procent in 2030 en met 95 procent in 2050. Een andere opgave is het vervangen van fossiele energiebronnen door duurzame bronnen. Deze opgaven manifesteren zich rond één van de vier prioriteiten, namelijk prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie energietransitie'.
In beleidskeuzes van deze prioriteit wordt benoemd dat overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties samenwerken aan het bijtijds halen van doelstellingen, die in het Klimaatakkoord zijn bepaald. Het Nationaal Programma RES vormt een platform voor onderling samenwerken, vergelijken, leren en uitdagen. De energietransitie kan een hefboom zijn voor kwaliteitsverbetering, zowel ruimtelijke als bijvoorbeeld voor ecologische, economische of sociale verbeteringen. Zonneparken kunnen bijvoorbeeld economische dragers voor het landelijk gebied worden. Daarnaast moeten zonneparken in het landschap worden ingepast. De afwegingprincipes van de NOVI leiden tot een voorkeur voor zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen. Vanuit diezelfde principes hebben daarna onbenutte terreinen in bebouwd gebied de voorkeur. Om aan de gestelde energiedoelen te voldoen, kan blijken dat ook locaties in het landelijk gebied nodig zijn. Gelet hierop past de ontwikkeling van het zonneparkproject binnen de uitgangspunten die door het Rijk zijn geformuleerd in de NOVI. In de beleidskeuze ‘1.3’ van NOVI heeft het Rijk aangegeven dat hij de energie-infrastructuur geschikt wil maken voor duurzame energiebronnen. Daarbij merkt het Rijk op dat de grotere weersafhankelijkheid van duurzame elektriciteitsproductie ertoe leidt dat er meer behoefte komt voor korte en lange termijn flexibiliteit (p.
82-84 van de NOVI). Deze zal moeten komen van alle mogelijke vormen van buffering in zowel tijd als omvang: opslag, vraagregulatie, regelbare productie en flexibiliteit uit het buitenland via interconnectie. Dat kan kleinschalig, bijvoorbeeld met ‘buurtbatterijen’. Daarvoor moet lokaal ruimte worden gevonden. Hierbij is onderscheid nodig in korte termijn (minder dan 48 uur) en lange termijn flexibiliteit (langer, seizoensopslag). Voor de korte termijnflexibiliteit zijn volgens de Rijksoverheid “vraagregulatie, grootschalige opslag in batterijen, opslag in cavernes en vloeibare luchtopslag van belang”. Gelet hierop past de 29
ontwikkeling van de batterij-opslag binnen de beleidskeuze 1.3 die door het Rijk is geformuleerd in de NOVI. Klimaatakkoord Op 28 juni 2019 heeft het kabinet- Rutte III het Klimaatakkoord gepresenteerd. Het Klimaatakkoord is een overeenkomst tussen veel organisaties en bedrijven in Nederland om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan. Daarmee wordt de opwarming van de aarde beperkt. Het belangrijkste doel van het Klimaatakkoord is de CO2-uitstoot in 2030 met 49% verminderen vergeleken met 1990. Deze doelstelling is inmiddels bijgesteld naar 55% CO2 reductie in 2030. In 2050 moet de uitstoot van broeikasgassen met 95% afgenomen zijn. Aan de hand van verschillende maatregelen en afspraken met diverse sectoren dienen deze doelen te worden gerealiseerd. Voor energie is de afspraak gemaakt dat in 2030 70% van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen dient te worden gegenereerd. Om dit te bewerkstelligen zijn dertig regio’s benoemd die de ruimte krijgen om te bepalen hoe zij aan de doelstellingen van het Klimaatakkoord kunnen voldoen. In het Klimaatakkoord (hoofdstuk C5.5) wordt zonne-energie, samen met wind op land, benoemd als één van de primaire manieren van duurzame elektriciteitsopwekking op land. Het voorliggend zonneparkproject met batterij-opslag is in lijn met de afspraken uit het Klimaatakkoord.
Het zonnepark voorziet in de productie van duurzame (hernieuwbare) elektriciteit door middel van zonneenergie. Het levert daarmee een bijdrage aan de landelijke doelstellingen om de CO2-uitstoot te verminderen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: “Barro”) is op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Binnen het Barro worden de volgende onderdelen besproken: • • • • • •
Project Mainportontwikkeling Rotterdam. Kustfundament. Grote rivieren. Waddenzee en waddengebied. Defensie. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde
In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijkswegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater, maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer en is het onderwerp duurzame verstedelijking in regelgeving opgenomen. Per 1 juli 2016 zijn er nog enkele wijzigingen van de Barro van kracht geworden. Deze wijzigingen hebben geen directe invloed op de voorgenomen ontwikkeling. Ladder voor duurzame verstedelijking In de – inmiddels vervallen – Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: “Bro”) opgenomen. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij ook 30
een nieuwe "Laddersystematiek" wordt toegepast. Deze nieuwe regeling is opgenomen in artikel 3.1.6 Bro. De ladder voor duurzame verstedelijking kan van toepassing zijn op omgevingsvergunningen waarbij ‘buitenplans’ wordt afgeweken (met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3° van de Wabo), indien sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking houdt in dat: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een zonneparkproject met batterijopslag betreft een nieuw element in landschap. Ondanks dat een dergelijke ontwikkeling wellicht over kan komen als een stedelijke ontwikkeling, is dat niet het geval. Dit is ook bevestigd door de bestuursrechter (ABRvS 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:359; ABRvS 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:178). Daarbij geldt dat het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking het tegengaan van leegstand is (bijvoorbeeld het ontwikkelen van nieuwe kantoren terwijl er nog voldoende braakliggende terreinen of leegstaande panden voorradig zijn).
In het voorliggend zonneparkproject is hiervan geen sprake. De voorgenomen ontwikkeling betreft daarom geen nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Dit laat overigens onverlet dat er wel degelijk sprake is van een aantoonbare behoefte aan het voorliggend zonneparkproject met batterij-opslag. Die behoefte blijkt uit de nationale, provinciale, regionale en gemeentelijke duurzaamheidsambities (zie hierover verder paragrafen 3.2, 3.3 en 3.4). Het initiatief zal een geschikte bijdrage leveren aan de energietransitie en de energiedoelstellingen van de gemeente Roerdalen. Conclusie Rijksbeleid De voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders benoemd in de NOVI, het Klimaatakkoord, het Barro en het Bro. Vanuit deze beleidsdocumenten en regelgeving zijn geen randvoorwaarden of uitgangspunten die rechtstreeks doorwerken op het voorgenomen project. 3.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg de Omgevingsvisie Limburg (hierna: “de provinciale Omgevingsvisie”) vastgesteld. De provinciale Omgevingsvisie is op 25 oktober 2021 in werking getreden. Limburgse principes: Volgens de beleidsuitgangspunten die door Provinciale Staten zijn geformuleerd als de ‘Limburgse principes’ behoort het besluitgebied tot het ‘Buitengebied’. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid-Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord- en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord- en Midden-Limburg zijn er in Zuid-Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord- en Midden-Limburg is, rekening houdend met de natuurlijke 31
omstandigheden en de ruimteclaims vanuit verschillende transitieopgaven, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk. In de provinciale Omgevingsvisie hebben Provinciale Staten als ambitie uitgesproken om “naar eigen vermogen” bij te dragen aan de Rijksdoelstellingen om te komen tot een duurzame energievoorziening. Gezien de ligging van de provincie en het grondgebruik zijn de mogelijkheden voor het komen tot een duurzame energievoorziening in Limburg beperkt. De provincie stelt geen eigen doelstellingen en plannen op ten aanzien van de energietransitie, maar neemt een ondersteunende rol aan bij nieuwe innovaties en ontwikkelingen. Dit doet zij onder andere bij de uitvoering van de Regionale Energiestrategie. De provincie baseert haar handelen bij nieuwe initiatieven op draagvlak en wil haar inwoners daarbij maximaal betrekken. In hoofdstuk 11 van de provinciale Omgevingsvisie is uitgelegd onder welke voorwaarden de realisering van zonneparkprojecten in het Buitengebied kan worden toegestaan. Dat mag alleen als zonneparkprojecten in overeenstemming zijn met ‘De Limburgse Zonneladder’. (Limburgse) Zonneladder: De zonneladder is als volgt: 1. 2. 3. 4. 5.
op daken en gevels van gebouwen; onbenutte terreinen in bebouwd gebied; gronden in buitengebied met een andere primaire functie dan landbouw of natuur; gronden in gebruik voor landbouw en gronden gelegen binnen de groenblauwe mantel; uitsluitingsgebieden (Natuurnetwerk Limburg, waterwingebieden en bestaande bos- en natuurgebieden gelegen in de groenblauwe mantel).
Dit betekent concreet dat “zon op landbouwgrond” een minder gewenste keuze is dan bijvoorbeeld “zon op dak”. Tegelijkertijd is het volgens de Limburgse Zonneladder wel degelijk een (gekozen) optie om zonnepanelen toe te staan op landbouwgrond, mits gemotiveerd wordt waarom de zonnepanelen niet elders kunnen worden toegestaan (Rechtbank Limburg 11 juli 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:5209, r.o. 9.5.). De Limburgse Zonneladder betreft een motiveringseis. Het gaat niet om een voorgeschreven uitkomst.
32
Figuur 26: Limburgse zonneladder (bron: POVI 2021) De zonneladder is niet volgtijdelijk. De essentie van de zonneladder is om bij de duurzame opwek van zonne-energie landbouwgronden en natuurgebieden zoveel mogelijk te ontzien. Inspanningen richten zich primair op zon op dak en op gevels én het benutten van andere mogelijkheden in bebouwd en onbebouwd gebied (meervoudig ruimtegebruik). Dit betekent dat in eerste instantie onderbouwd moet worden waarom het plan niet binnen de treden 1 tot en met 3 gerealiseerd kan worden. Daarnaast geldt voor realisatie van een zonnepark op landbouwgrond (trede 4) het ‘nee-tenzij principe’. Navolgend wordt eerst onderbouwd waarom de invulling van het plan binnen de treden 1 tot en met 3 niet haalbaar is. Vervolgens wordt het 'nee-tenzij principe’ onderbouwd. Uitgangspunten onderbouwing Limburgse zonneladder voor het voorliggende zonneparkproject
33
Onderbouwing trede 1: ZonPV op daken en gevels Randvoorwaarden bij trede 1 Bij de onderbouwing van trede 1 in relatie tot de te behalen doelen zijn drie randvoorwaarden relevant: a.
b.
c.
Ten eerste mogen de daken van woningen veelal niet meegeteld worden voor het 35 TWh/1,2 TWh-doel. Dit volgt uit het Klimaatakkoord. Hier is bepaald dat kleinschalige zon-op-dak installaties, die veelal op woningen liggen, tot 7 TWh niet meetellen. Bij het bepalen van de CO2-doelstelling tot 2030 (reductie CO2-uitstoot met 49%) is namelijk al rekening gehouden met een autonome groei van kleinschalig zon-op-dak (vermogen van 15 kWp en minder1) tot ongeveer 7 TWh. Het meetellen van deze installaties leidt tot dubbeltellingen en dat is niet de bedoeling. Gelet op het voorgaande kunnen voor de invulling van trede 1 (zon op dak) dus alleen de grote daken meegerekend worden. Ten tweede moet het 35TWh/1,2 TWh-doel vóór 2030 gerealiseerd zijn. De gemeente wil daarom de regie over haar duurzaamheidsdoelstellingen hebben. Een afhankelijkheidspositie is onwenselijk. Het plaatsen van zonnepanelen op het dak kan echter niet afgedwongen worden. Het plaatsen van zonnepanelen op het dak kan de gemeente alleen stimuleren. De duurzaamheidsdoelstellingen uitsluitend invullen met zon op dak (trede 1)leidt daarmee tot een afhankelijkheidspositie. Dit is niet wenselijk. Ten derde geldt dat een dak geschikt moet zijn voor het plaatsen van zonnepanelen. Feit is dat niet alle daken geschikt dan wel beperkt geschikt zijn om zonnepanelen te plaatsen.
Belemmeringen zijn onder andere de constructie van het dak, obstakels zoals schoorstenen en dakramen, schaduwvorming en teruglevercapaciteit.
Onderbouwing trede 1 Te weinig daken voor realisatie duurzaamheidsdoelstellingen Met alleen zon op dak zijn de gestelde duurzaamheidsdoelstellingen voor 2030 niet haalbaar. Dit blijkt uit het volgende. Uit het Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030 volgt dat het elektriciteitsverbruik in Roerdalen in 2020 is bepaald op 255 TJ (71,5 miljoen kWh) per jaar (bron: regionale klimaatmonitor 2021). Dit is ongeveer 14,5% van het totale jaarlijkse energieverbruik in Roerdalen. De verwachting is dat, ondanks besparingen en efficiënter gebruik van stroom, het elektriciteitsverbruik de komende jaren toeneemt tot 330 TJ in 2030. Dit als gevolg van elektrificatie van verwarming, vervoer en industrie. Om inzicht te krijgen hoeveel panden zonpotentie hebben, is voor het jaar 2020 de ‘Analyse zonnepotentie gemeente Roerdalen’ opgesteld (bijlage 4.1). Hieruit blijkt dat er in Roerdalen sprake is van in totaal 12.960 panden met zonpotentie. In potentie kunnen op deze daken 393.092 panelen geplaatst worden. Zoals uit de randvoorwaarden bij trede 1 blijkt, tellen de daken van de woningen niet mee voor de rijks/RES opgave. Op basis van de analyse betekent dit dat er zonder de woningen in totaal sprake is van
1
15 kWp komt overeen met circa 50 PV-panelen van 300 Wp en een netto benodigde geschikte dakoppervlakte van 80 - 100 m2, af-
hankelijk van de oppervlakte van de panelen. De bruto benodigde dakoppervlakte is echter veel groter.
34
4.401 panden met grote daken2. In totaal hebben deze panden een zonpotentie voor 202.776 panelen. Dit betekent dat alleen al voor het invullen van de huidige elektriciteitsvraag (jaar: 2020) binnen de gemeente Roerdalen onvoldoende grote daken met zonpotentie aanwezig zijn. In onderstaande berekening wordt dit nader inzichtelijk gemaakt. Elektriciteitsverbruik 2020 Elektriciteitsverbruik 2020 = 255 TJ Zon op dak potentie 2020 Potentie tekort op daken Verwacht elektriciteitsverbruik 2030 Elektriciteitsverbruik 2030 = 330 TJ Zon op dak potentie 2020 Potentie tekort op daken
: 285.090 panelen (285 Wp) 3 : 202.776 panelen -------------: 82.314 panelen
: 368.820 panelen (285 Wp)4 : 202.776 panelen -------------: 166.044 panelen
Figuur 27: Berekening zonpotentie gemeente Roerdalen. Kanttekening bij berekening Bij de berekening moet de volgende kanttekening geplaatst worden. In de berekening wordt uitgegaan van panden met zonpotentie. Zoals onder het kopje ‘Randvoorwaarde bij trede 1’ reeds aangegeven, zijn niet alle panden geschikt of beperkt geschikt om zonnepanelen te plaatsen. In de uitgevoerde ‘Analyse zonnepotentie gemeente Roerdalen’ is uitsluitend onderzocht of een pand zonnepotentie heeft. Niet is onderzocht of bij deze panden sprake is van andere belemmeringen waardoor de zonnepanelen niet geplaatst kunnen worden. Te denken valt aan de dakconstructie, obstakels zoals dakramen en schoorstenen en of er teruglevercapaciteit beschikbaar is. Ten slotte is ook niet onderzocht of de eigenaar van het pand bereid is om zonnepanelen op het dak te plaatsen. Omdat niet alle belemmeringen zijn onderzocht én niet duidelijk is of de eigenaar van de panden panelen willen plaatsen, is de berekening te rooskleurig. Dit betekent dus dat in werkelijkheid het potentie tekort op daken nog groter is. Immers, in de praktijk zullen bijvoorbeeld niet alle dakconstructies voldoen. Ook zullen niet alle eigenaren zonnepanelen willen plaatsen. Zon op dak alleen te stimuleren Het plaatsen van zonnepanelen kan alleen gestimuleerd worden. De gemeente kan dit niet afdwingen.
Bij de invulling van trede 1 is er daarom sprake van een RES-brede aanpak voor het stimuleren van de aanleg van zonnepanelen op daken. Dit plan richt zich naast de particuliere daken ook op daken van bedrijven en commercieel vastgoed. MKB-bedrijven die willen verduurzamen, worden hier vanuit de gemeente 2
In het onderzoek is bij de resterende bebouwing geen onderscheid gemaakt tussen grote en kleine daken. In de praktijk is er dus geen
sprake zijn van 4.401 grote daken. Dit zijn er minder. Voor de eenvoud wordt in de berekening echter uitgegaan van 4.401 grote daken. 3
285 Wp * 0,88 rendement * 1000 vollasturen p/j = 250,8 kWh per paneel p/j. 255 TJ = 71,5 miljoen kWh. 71,5 miljoen kWh/250,8 kWh = 285.090 panelen (285 Wp).
4
285 Wp * 0,88 rendement * 1000 vollasturen p/j = 250,8 kWh per paneel p/j. 330 TJ = 92,5 miljoen kWh. 92,5 miljoen kWh/25,8 kWh = 368.820 panelen (285 Wp).
35
in gestimuleerd. De gemeente wil de regie houden op haar duurzaamheidsdoelen. Omdat zon op dak alleen gestimuleerd kan worden, ontstaat er voor de gemeente een afhankelijkheidspositie. Daarom zet ze niet alleen in op trede 1: stimuleren zon op dak, maar ook op trede 4 (zon op landbouwgrond). Realisatie zon op dak bij realisatie zonneparkproject In verband met de toepassing van de zonneladder is het verder relevant dat Statkraft (als onderdeel van het zonneveld aan de Hobertsveldweg) twee scholen in Roerdalen gaat voorzien van zonnepanelen. Hierbij gaat het om ’t Kempke in St Odiliënberg en de Sint Martinusschool in de te bouwen MFA in Vlodrop. De zonnepanelen op de scholen passen binnen ‘trede 1’ van de zonneladder. Concreet zal de realisatie van het zonneveld – volgens de voorgenomen plannen – dus niet slechts leiden tot “zon op landbouwgrond”, maar ook tot “zon op dak”. Onderbouwing trede 2: ZonPV in gebouwd gebied Wat betreft de invulling van trede 2 moet in het oog worden gehouden dat er sprake moet zijn van mogelijkheden waarover beschikt kan worden, zoals bijvoorbeeld restruimten op bedrijventerreinen, niet courante lege bouwkavels of parkeerterreinen. In de gemeente Roerdalen is bijvoorbeeld geen sprake van restruimten op bedrijventerreinen of niet courante lege bouwkavels. De gemeente beschikt daarnaast wel over parkeerterreinen.
Deze hebben echter een beperkte oppervlakte en liggen verspreid door de gemeente. Voor het invullen van de duurzaamheidsdoelen vóór 2030 is 75 ha aan zonneparken noodzakelijk. Het te behalen doel vraagt dus om locaties met een behoorlijke omvang. De parkeerplaatsen voldoen hier niet aan. Om voorgaande redenen vallen de gebieden binnen trede 2 voor het kunnen behalen van de duurzaamheidsdoelen zo goed als af. Onderbouwing trede 3: ZonPV in landelijk gebied Net zoals bij de invulling van trede 3 moet ook bij deze trede in het oog worden gehouden dat er voor de gemeente mogelijkheden beschikbaar moeten zijn. Voor het behalen van de gemeentelijke duurzaamheidsdoelen vallen de gebieden binnen trede 3 zo goed als af. In de gemeente ligt bijvoorbeeld geen waterzuiveringsinstallatie. Verder heeft de gemeente geen agrarische bouwblokken in eigendom. Ook het inzetten van de bermen langs de A73 en het spoor zijn voor het behalen van de gemeentelijke duurzaamheidsdoelen geen optie. De bermen zijn immers eigendom van Rijkswaterstaat (RWS) en ProRail. De gemeente kan het plaatsen van de zonnepanelen op de voornoemde locaties alleen stimuleren, maar niet afdwingen. Bekend is verder dat zowel RWS als ProRail onderzoek doen naar het plaatsen van zonnepanelen op hun eigendommen. Op de gronden in de gemeente Roerdalen hebben beide partijen voor alsnog geen plannen om zonnepanelen te plaatsen.
De realisatie van zonnepanelen binnen trede 3 is veelal afhankelijk of de eigenaar van de gronden het initiatief wil nemen. Een voorbeeld is het zonnepark op de stortplaats in Montfort. Op 1 oktober 2020, verzonden 5 oktober 2020, is voor dit park door provincie Limburg een omgevingsvergunning verleend. Het betreft een initiatief van Deponie Zuid B.V. Dit betreft een zonnepark van +/- 15 ha. Zoals aangegeven in het Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030’ telt dit park niet mee voor de gemeentelijke opgave van 75 ha grootschalige opwek van zonne-energie. 36
Conclusie invulling treden 1 tot en met 3 Op basis van het voorgaande is de conclusie dat met het uitsluitend invullen van treden 1 tot en met 3 de omschreven duurzaamheidsdoelen vóór 2030 niet worden gehaald. Met het invullen van treden 1 tot en met 3 worden kleine stappen gezet. Het vergt immers tijd om particulieren/bedrijven te overtuigen om daadwerkelijk duurzaamheidsmaatregelen te treffen. Daarnaast is ook de inzet van alle in potentie geschikte grote daken voor zonne-installaties in de gemeente niet voldoende om de duurzaamheidsdoelstellingen te realiseren. Vanuit realistisch oogpunt moeten in Roerdalen dus ook landbouwgronden ingezet worden voor zonne-installaties. Onderbouwing trede 4: ZonPV landbouwgrond/Groenblauwe mantel De voorgenomen ontwikkeling betreft ZonPV op landbouwgrond. Dit betekent dat het ‘nee-tenzij principe’ van toepassing is. Dit principe is verwoord in het vijfde lid van artikel 2.17.2 ‘Instructieregels zonneparken’ van de Omgevingsverordening Limburg 2014. Een ruimtelijk plan laat geen zonnepark op landbouwgrond toe tenzij: a. b. c.
een zorgvuldige ruimtelijke afweging heeft plaatsgevonden ten aanzien van de locatie; voorzien wordt in een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing en beheer passend bij de aanwezige kernkwaliteiten van het landschap; de zonnepanelen in een opstelling worden geplaatst die aansluit op een bij het gebied passende bodemkwaliteit.
Ad sub a De locatie past binnen het gemeentelijk en provinciaal beleid over de geschiktheid van locaties. In het Beleidskader Zonne- en Windenergie Gemeente Roerdalen 2021-2030 heeft de raad bepaald welke gebieden niet geschikt zijn voor de realisering van zonneparken. Het gaat om “uitsluitingsgebieden”. De projectlocatie ligt niet binnen één van de uitsluitingsgebieden. Op basis van het gemeentelijk beleidskader ligt de locatie in een “potentiegebied”. Dit is nader toegelicht in paragraaf 3.4 van deze ruimtelijke onderbouwing. Het plangebied ligt verder niet binnen het ‘Natuurnetwerk Limburg’, een ‘waterwingebied’ of binnen een bestaand ‘bos- en natuurgebied’ gelegen in de groenblauwe mantel. Gelet daarop ligt de locatie ook niet binnen een “uitsluitingsgebied” op grond van het provinciaal beleid. De locatie past binnen de Handreiking Landschap van de RES. Op de geschiktheidskaart behorende bij de “Handreiking Landschap - RES Noord-en Midden-Limburg” (hierna: "de Handreiking") wordt de planlocatie grotendeels aangeduid als “zeer en grotendeels geschikt”. Dit komt omdat het besluitgebiedop de overgang ligt van het landschapstype ‘Bouwland, veld’ naar het landschapstype ‘Droge heide-ontginning’. Daarmee is het gebied – zo volgt uit paragraaf 1.5 van de Handreiking – geschikt voor de realisering van een zonneparkproject.
Verder geldt dat een gedeelte van het besluitgebied is gelegen in een beekdal dat als “nauwelijks geschikt” kwalificeert. Volgens de Handreiking is een zonnepark binnen dit gebiedstype mogelijk, mits de karakteristiek van het landschap herkenbaar blijft. Dat zal het geval zijn. Sterker zelfs, het zonneparkproject – in combinatie met de landschappelijke inpassing – zorgt voor de versterking van de aanwezige waarden en kenmerken van het 37
gebied en de omgeving. Daarover het volgende. Met het zonneparkproject worden de beleving van de aanwezige waarden en kenmerken van het gebied en de omgeving versterkt. Het besluitgebied en omgeving hebben een halfopen tot open karakter dat, beleefd van de Grote Bergerweg en Waarderweg, diepe uitzichten kent met als verste object de op circa 5 kilometer afstand gelegen Clauscentrale. Deze beleving wordt afgewisseld door de beslotenheid van een aantal bospercelen. De laanbeplanting aan de Bergerweg en de Waarderweg segmenteert de openheid van het gebied. Doordat de grondvorm van het zonneveld uit twee ten opzichte van elkaar verschoven vlakken bestaat, ligt het zonneveld niet als een massief blok in het landschap, maar draagt het bij aan de versterking van de dieptewerking in het landschap. Zo draagt het zonneveld – in combinatie met de landschappelijke inpassing – ook bij aan het herkenbaar maken van de nu in de openheid onzichtbare structuur van veldwegen en roermeanders. Dit maakt het open landschap van het Hobertsveld aantrekkelijker voor recreatie. Statkraft zal gezamenlijk met de betrokken partijen, waaronder de gemeente, bezien of de Landschappelijke Inpassing van het zonneparkproject behouden kan blijven.
Het is ook de uitdrukkelijke wens van Statkraft om de Landschappelijke Inpassing zoveel mogelijk te behouden, voor zover de ontmanteling ervan niet bijdraagt aan de toekomstig gewenste invulling van het besluitgebied. Het idee hierbij is dat de versterking van de beleving van de aanwezige waarden en kenmerken van het gebied en de omgeving zoveel mogelijk duurzaam plaatsvindt. Zie hierover verder paragraaf 2.2.4 van deze ruimtelijke onderbouwing. Ad sub b De (omvangrijke) Landschappelijke Inpassing is passend bij de aanwezige kernkwaliteiten van het landschap. Volgens de ‘Handreiking Landschap, Grootschalige energie opwerk ZON op LAND, RES Noord- en Midden-Limburg’ ligt het besluitgebied op de overgang van ‘zeer geschikt’ naar ‘nauwelijks geschikt’. Dit onderscheid is gebaseerd op de overgang van halfopen landschap naar open landschap, zoals opgenomen in het 'Landschapskader Noord- en Midden-Limburg’. Het zonneparkproject dient daarom een kwaliteitsimpuls te geven aan het landschap. Met de (omvangrijke) Landschappelijke Inpassing van het zonneparkproject wordt een kwaliteitsimpuls gegeven aan het landschap. De inpassing versterkt de aanwezige landschappelijke waarden, waaronder het zicht op de oude Roermeanders. Hiernaast is de inpassing mede gericht op het behoud van de openheid van het landschap (dit is ook een wens van omwonenden) en het verbeteren van de biodiversiteit.
Het idee achter de inrichting van de Landschappelijke Inpassing is verder toegelicht in paragraaf 2.2.4 van deze ruimtelijke onderbouwing. Hieronder is – in paragraaf 3.3 – nader ingegaan op de toepassing van de ‘Handreiking Landschap, Grootschalige energie opwerk ZON op LAND, RES Noord- en MiddenLimburg’ en – vanaf pagina 41 – op het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg Zoals aangegeven, is het een uitdrukkelijke wens van Statkraft om de Landschappelijke Inpassing zoveel 38
mogelijk te behouden, voor zover de ontmanteling ervan niet bijdraagt aan de toekomstig gewenste invulling van het besluitgebied. Het idee hierbij is dat de versterking van de beleving van de aanwezige waarden en kenmerken van het gebied en de omgeving zoveel mogelijk duurzaam plaatsvindt. Ad sub c De zonnepanelen worden in een opstelling geplaatst die aansluit op een bij het gebied passende bodemkwaliteit. De oriëntatie van de percelen binnen het besluitgebied is niet zodanig, dat een volledig oostwest georiënteerde opstelling wenselijk is. Om in de structuur van de kavels te blijven en om een nette afwerking naar de zijkanten van het zonneveld mogelijk te maken, is ervoor gekozen de rijen circa 18 graden te draaien ten opzichte van oost-west. Daarmee staan de rijen nu haaks op de Hobertsveldweg en de perceelgrens in het verlengde van de steilrand. De steilrand blijft daarbij vrij van panelen, zodat deze als klein landschapselement zichtbaar en herkenbaar blijft vanuit de omgeving. Dit is nader toegelicht in paragraaf 2.2.1. Door de vlinderopstelling en de onderlinge tussenruimtes tussen de panelen en de tafels is er voldoende ruimte voor het regenwater om de grond onder de tafels met panelen te vernatten (zie figuur 13.1). Door de vlinderopstelling komt meer zonlicht en hemelwater onder de panelen en de bodem terecht dan bij een traditionele “oost-west opstelling”.
De vlinderopstelling zorgt ervoor dat het waterbergend vermogen van het besluitgebied behouden blijft, dat de vegetatie onder de zonnepanelen goed groeit én de bodem met de daarin aanwezige biotoop zichzelf kan ontwikkelen. Conclusie Het zonneparkproject is volgens de provinciale Omgevingsvisie gelegen in het ‘buitengebied’. Gelet op de beleidsuitgangspunten die zijn opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie is het voorliggend zonneparkproject volgens deze visie toegestaan, indien het zonneparkproject past binnen de Limburgse zonneladder. Nu is voldaan aan de ‘tenzij-voorwaarden’, past het voorliggend zonneparkproject binnen de Limburgse zonneladder. De realisering van het voorliggend zonneparkproject op landbouwgronden is passend binnen de uitgangspunten over de geschiktheid van locaties, zoals deze zijn opgenomen in het gemeentelijk en provinciaal beleid. Verwezen wordt ook naar de als bijlage 4.2 bij deze ruimtelijke onderbouwing opgenomen ‘Notitie onderbouwing Limburgse Zonneladder ‘Zonnepark Hobertsveldweg’ en de bijlage 4.1 ‘Analyse zonnepotentie gemeente Roerdalen’. Omgevingsverordening Limburg 2014 en Omgevingsverordening Limburg 2021 In de Omgevingsverordening Limburg 2014 heeft de provincie regels van de belangen uit de Omgevingsvisie vastgelegd. Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Limburg (2021) in december 2021 vastgesteld.
De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2024. Deze aanvraag valt onder de toepassing van de Omgevingsverordening Limburg 2014 (geconsolideerde versie d.d. 16 december 2022), vanwege de toepassing van artikel 4.3, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, waarin is bepaald dat het ‘oude recht’ van toepassing blijft op aanvragen die vóór 1 januari 2024 zijn ingediend. 39
Instructieregels over zonneparken In de Omgevingsverordening Limburg 2014 zijn alvast de (instructie)regels opgenomen met betrekking tot te realiseren zonneparken, die eveneens onder de nieuwe Omgevingsverordening zullen gelden. De provincie stelt in aansluiting op trede 4 uit de zonneladder in artikel 2.17.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 (evenals in artikel 13.3 van provinciale Omgevingsverordening 2021) dat een zonneveld op landbouwgrond aan de volgende (instructie)regels is gebonden: 1. 2. 3.
4.
5.
6. 7.
8. 9.
Een ruimtelijk plan laat geen zonnepark toe binnen de Goudgroene natuurzone of binnen een waterwingebied. Een ruimtelijk plan laat geen zonnepark toe in een bestaand bos- of natuurgebied binnen de Zilvergroene natuurzone of de Bronsgroene landschapszone. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg of de regio Midden-Limburg laat een zonnepark alleen toe als dat in lijn is met de Limburgse principes van de provinciale omgevingsvisie en in afstemming met de regionale energiestrategie Noord- en Midden-Limburg. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg laat een zonnepark alleen toe als dat in lijn is met de Limburgse principes van de provinciale omgevingsvisie en in afstemming met de regionale energiestrategie Zuid-Limburg. Een ruimtelijk plan laat geen zonnepark op landbouwgrond toe tenzij: a. een zorgvuldige ruimtelijke afweging heeft plaatsgevonden ten aanzien van de locatie; b. voorzien wordt in een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing en beheer passend bij de aanwezige kernkwaliteiten van het landschap; en c. de zonnepanelen in een opstelling worden geplaatst die aansluit op een bij het gebied passende bodemkwaliteit. De toelichting bij een ruimtelijk plan voor een zonnepark bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het derde of het vierde lid en het vijfde lid.
Bij het vaststellen van een ruimtelijk plan dat voorziet in een bestemming die een zonnepark toestaat houdt het gemeentebestuur rekening met het betrekken van de omgeving bij de toekenning van de bestemming, het zorgdragen voor maatschappelijk draagvlak voor de toekenning van de bestemming en het maximaal gebruik van de mogelijkheden voor (financiële) participatie bij de exploitatie van het zonnepark. Een ruimtelijk plan dat een zonnepark toelaat bevat een verplichting tot het verwijderen van het zonnepark na beëindiging van de activiteit. Het tweede lid geldt niet voor een zonnepark op de locatie van de stortplaats in Schinnen, als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid. De voorwaarden bedoeld in het vijfde lid, onder a tot en met c, zijn van overeenkomstige toepassing.
Aan deze instructieregels wordt voldaan met het verlenen van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het voorliggend zonneparkproject. Daarover het volgende. 1. 2. 3.
Het besluitgebied is niet gelegen binnen de Goudgroene natuurzone of binnen een waterwingebied. Het besluitgebied ligt niet in een bestaand bos- of natuurgebied binnen de Zilvergroene natuurzone of de Bronsgroene landschapszone. Het zonneparkproject is in overeenstemming met de Limburgse principes, zoals deze zijn opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Dit is hierboven toegelicht onder de kop 40
4. 5. 6. 7. 8.
9.
“Omgevingsvisie Limburg” (pagina’s 31 tot en met 39 van deze ruimtelijke onderbouwing). Hiernaast is het zonneparkproject in overeenstemming met de regionale energiestrategie Noord en Midden-Limburg. Het project valt binnen het bod van de RES van 1,2 Mw. Dit is nader toegelicht in paragraaf 3.3 van deze ruimtelijke onderbouwing. Deze instructieregel is niet van toepassing op het besluitgebied. Op pagina’s 39-41 van deze ruimtelijke onderbouwing is gemotiveerd toegelicht dat aan deze instructieregel is voldaan. Zie hierboven. Aan deze eis is voldaan. De wijze waarop procesparticipatie en andere vormen van participatie plaatsvinden is nader toegelicht in paragraaf 4.14 van deze ruimtelijke onderbouwing. Aan deze eis is voldaan. Het zonneveld kan na afloop van deze termijn eenvoudig worden ontmanteld. De restmaterialen (staal, kabels, technische installaties en panelen) zullen volgens de dan geldende technieken worden hergebruikt en gerecycled. Een toelichting op de ontmanteling is opgenomen in paragraaf 2.2.6 van deze ruimtelijke onderbouwing. De amovering wordt zowel privaatrechtelijk (anterieure overeenkomst) als bestuursrechtelijk (voorschrift omgevingsvergunning) geborgd. In de anterieure overeenkomst wordt een bepaling opgenomen dat het zonnepark verwijderd moet worden na beëindiging van de exploitatie.
Ook wordt in de overeenkomst geborgd dat de financiële middelen beschikbaar zijn om het zonnepark te kunnen verwijderen. Daarnaast bevat de omgevingsvergunning, overeenkomstig artikel 2.17.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014, een voorschrift dat het zonnepark na beëindiging van de exploitatie verwijderd moet worden. Om aan het einde van de looptijd het zonnepark te kunnen amoveren dient er in de businesscase een reservering gemaakt te worden. Dit om aan het einde van de looptijd het risico af te dekken van de mogelijke kosten die daarvoor gemaakt moeten worden. In het “Amoveringsplan” (bijlage 2) wordt dit verder toegelicht. Deze instructieregel is niet van toepassing op het besluitgebied.
Andere verplichtingen vanuit de Omgevingsverordening Limburg 2014 Grondwateronttrekkingsgebied en boringsvrije zone Omdat het besluitgebied binnen het grondwateronttrekkingsgebied ‘Roerdalslenk’ en de ‘Boringsvrije zone Roerdalslenk Il’ is gelegen, is het verboden in dit gebied grondwater te onttrekken of water te infiltreren beneden de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei in het gebied Roerdalslenk en beneden 5 meter +NAP in het gebied Venloschol. Hier is geen sprake van. Daarom is het zonneproject met batterij-opslag in overeenstemming met de instructieregels met betrekking tot het grondwateronttrekkingsgebied en de boringsvrije zone. Conclusie ten aanzien van de provinciale instructieregels Het voorliggend initiatief voldoet aan de instructieregels die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg 2014 en Omgevingsverordening Limburg 2021. Deze aanvraag is daarom in overeenstemming met de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Limburg 2014 (d.d. 16 december 2022), Landschapskader Noord- en Midden-Limburg In het ‘Landschapskader Noord- en Midden-Limburg’ geeft de provincie handvatten ter verhoging van de verschillende in Limburg aanwezige landschappelijke kwaliteiten om daarmee de dagelijkse leefomgeving van vele mensen en ook van planten en dieren een kwaliteitsimpuls te geven.
Het landschapskader heeft tot doel op een beknopte wijze inzicht te geven in het hoe en waarom van het huidige landschap en daarmee grip te krijgen op de kansen die dat landschap biedt voor de toekomst. Het vormt hiermee een 41
inspiratiebron om tot kwaliteitsverbeteringen te komen voor het Noord- en Midden-Limburgse landschap. Op basis van het landschapskader ligt het projectgebied op de overgang van het landschapstype ‘Velden’ naar het landschapstype ‘Droge heideontginning’. Verder is aan een gedeelte van het besluitgebied het landschapstype ‘Beekdal’ toegekend (zie figuur 4). Droge heideontginning De heideontginningen zijn de eerste grootschalig georganiseerde ontginningen op de zandgronden en vormen tegenwoordig het grootste oppervlak landbouwgrond. Deze ontginningen vallen onder de categorie jonge–ontginningen. De heideontginningen zijn niet allemaal tegelijk ontstaan. Voor 1900 werden de droogste delen van de woeste grond ontgonnen. Dit betrof met name de hogere zandgronden en daarmee de droge heideontginningen. Na 1900 zijn ook de lagere zandgronden in gebruik genomen. Kenmerken In het landschapskader zijn de volgende landschapskenmerken aangegeven: • • • • • • • •
Reliëfvorm: Vlak (al dan niet geëgaliseerd), soms met lichte welvingen; Water: Kunstmatig lage grondwaterstanden; diepe sloten; Bodem: Zandgronden; Wegenpatroon: Rechte wegen; Verkavelingspatroon: Regelmatige blokverkaveling; Landbouwkundig gebruik: Overwegend bouwland; oorspronkelijk ook bosbouw; Beplanting: Lanen/bomenrijen (overwegend eiken); landschapselementen (kleine bosjes, singels, bomenrijen en heggen); Landschappelijke erfbeplanting: Bebouwing Losse boerderijen hier en daar aaneengeregen tot clusters en/of lintachtige bebouwing met open tussenruimten.
Kernkwaliteiten In het landschapskader zijn de kernkwaliteiten nader omschreven binnen de thema’s ‘natuurlijk’, ‘(cultuur)historie’ en ‘visueel-ruimtelijk’. Deze kernkwaliteiten zijn voor droge ontginningen als volgt beschreven: Natuurlijk Deze verder van de oude bebouwingskernen afgelegen landbouwgronden liggen veelal op dekzandvlakten en soms ook op terrassen en veenvlakten. Deze gronden werden pas ontgonnen toen de bevolking dusdanig in omvang toenam dat de oude graslanden en bouwlanden niet meer konden voldoen aan de vraag naar voedsel. Door de voornamelijk grootschalige landbouwkundige inrichting en het relatief fragmentarische karakter van de aanwezige landschapselementen is de huidige natuurwaarde beperkt. Cultuur(historie) Het halfopen landschap op de jonge ontginningen is vanuit cultuurhistorisch perspectief vooral waardevol als voorbeeld van de meer recente ontginningsperiode (1850-1950). Na de ruilverkavelingen van de jaren 50-60 van de vorige eeuw, hebben veel van de originele droge heideontginningen hun iets kleinschaliger en hoekiger patroon ingeruild voor meer openheid en rechtlijnigheid. Het groene raamwerk is sinds de ruilverkaveling ruimer van opzet geworden. Momenteel zijn deze gronden vaak in gebruik als bouwland voor diverse teelten. 42
Visueel-ruimtelijk Een typische droge heideontginning kenmerkt zich door afwisselend open en bebouwingsvrij tot halfopen door groen en verspreide gebouwen omgeven bouwlanden. Binnen deze jonge ontginningen zijn gebieden aan te wijzen waar nog zoveel (lineaire) landschapselementen te vinden zijn dat hierdoor een halfbesloten landschap ontstaat. Kenmerkend visueel-ruimtelijk aspect zijn de hoekverdraaiingen, waarbij binnen één blok het patroon wel recht is, maar de grote blokken onderling niet loodrecht op elkaar staan. De jonge bebouwingslinten zijn grootschaliger, rechter en minder verdicht dan die van de oude cultuurlandschappen. Ontwikkelvisie In de ontwikkelvisie voor de droge heideontginningen is in het landschapskader onder meer aangegeven dat het wenselijk is om het landschap te ontwikkelen tot een voor mensen aantrekkelijker en waardevoller landschap door een verdichting van het landschap met groene (lijn)elementen zoals transparante laanbeplanting. Het landschap is hierdoor niet in één keer te overzien en biedt gevoelsmatige beschutting tegen weer en wind, wat door mens en dier op prijs gesteld wordt. Hierdoor wordt tevens het verschil met de meer open natteontginningslandschappen vergroot.
Het doel voor dit landschapstype is om het agrarisch karakter van deze gebieden verder te ontwikkelen en tegelijk een landschap te ontwikkelen met een meerwaarde voor recreatie en natuur De voorkeur gaat uit naar lineaire landschapselementen (singels, lanen, kruidenrijke stroken), die samen een raamwerk vormen waarbinnen de landbouw goed uit de voeten kan. Kleinere bosjes zijn eveneens toepasbaar, enerzijds omdat hierbij toch (verre) doorkijken mogelijk zijn en er iets van de vroegere grootschaligheid behouden blijft, maar met name ook als overgang van de heideontginningen naar het mozaïeklandschap of het kampenlandschap. Velden Een veld is een relatief grote bolliggende akker, die al eeuwen door mensen in gebruik is en door toedoen van de mens voorzien is van een dikke humeuze bovenlaag. De velden zijn de oudste bouwlanden en daarom van groot cultuurhistorisch belang. De velden werden en worden slechts doorsneden door smalle zandpaden, zonder opgaande beplanting. In veel gevallen staat nu op een open veld nog een enkele solitaire boom, nabij de kruising van de zandpaden, al dan niet voorzien van een veldkruis. Langs de randen van de velden staan ook nu nog vaak de gebouwen. Deze onlosmakelijke combinatie van een open middengebied met daaromheen bebouwing (kern of lint) of bos is bijzonder kenmerkend voor dit landschapstype.
Kenmerken In het landschapskader zijn de volgende landschapskenmerken aangegeven: • • • • •
Reliëfvorm: Vaak bolle ligging; Water: Diepe grondwaterstanden; open water (poelen) alleen plaatselijk langs de randen; Bodem: Dikke humeuze bovenlaag (eerdgrond); zandige ondergrond; Wegenpatroon: (Hoofd)wegen rondom het veld; soms radiaal zandpad over het veld; Verkavelingspatroon: Onregelmatige grote percelen; 43
• • •
Landbouwkundig gebruik: Bouwland; Beplanting: Langs de randen in de vorm van bomenrijen langs de wegen; solitaire veldbomen; Landschappelijke erfbeplanting: Kleine gehuchten of lintbebouwing langs de rand.
Kernkwaliteiten De kernkwaliteiten zijn voor velden als volgt beschreven: Natuurlijk De velden zijn voornamelijk te vinden op dekzandruggen langs de beekdalen. Daarnaast zijn ze te vinden op terrassen en op opduikingen binnen de rivierdalen en een enkele keer op een voormalige stuifduin of een dekzandvlakte. De natuurwaarde van de velden is beperkt al zijn de voorkomende soorten vaak zeer zeldzaam; met name akkervogels. Vanwege de lange gebruiksgeschiedenis is er – evenals elders in Europa – een hechte relatie tussen de gebruiks- en bewerkingsmethode van de velden en de akkerorganismen. Er zijn dan ook nauwelijks andere, meer natuurlijke landschapstypen waar deze akkerorganismen zich thuisvoelen. Cultuur(historie) De open velden zijn de oudste landbouwgronden en vallen samen met de kampen en oude graslanden onder de oude cultuurlandschappen. Hier vonden de eerste landbouwontwikkelingen plaats. De eerste nederzettingen werden gesticht op de hogere gronden in de nabijheid van beekdalgronden. De landbouwgronden werden collectief ontgonnen en gebruikt. De velden zijn van oorsprong grote open akkerbouwgebieden. Bemesting vond plaats vanuit het potstalsysteem, waardoor dikke humusrijke enkeerdgronden zijn ontstaan. De cultuurhistorische kwaliteit van deze gebieden is dan ook groot mits de oorspronkelijke structuur nog herkenbaar aanwezig is.
Ook de archeologische verwachtingswaarde is hoog, vanwege de lange bewoningsgeschiedenis, die soms teruggaat tot de steentijd/ ijzertijd. Veel van deze bol liggende, vaak goed ontwaterde en rijke gronden zijn ook nu nog in gebruik als bouwland, terwijl andere door stedelijke uitbreidingen van de aanliggende dorpskernen in gebruik zijn genomen. Visueel-ruimtelijk Een typisch veld wordt gekenmerkt door een relatief grote maat van openheid zonder enige bebouwing welke in groot contrast staat met de kleinschaligere verdichte rand, waarin wel beplantingselementen en gebouwen staan. Het contrast in schaal en maat tussen dit open landschap en de omringende bebouwing en dorpen in de directe nabijheid maakt deze gebieden bijzonder waardevol. De oude bebouwingslinten zijn kleinschaliger, kronkeliger en meer verdicht dan de jongere bebouwingslinten van de jonge ontginningslandschappen. Ontwikkelvisie In de ontwikkelvisie voor de Velden is in het landschapskader onder meer aangegeven dat het wenselijk is om de karakteristieke openheid van dit resterende cultuurhistorisch waardevolle landschapstype (verdichte rand om een bol liggend open gebied) zoveel mogelijk te behouden, te versterken en te herstellen voor de toekomst. Naast de openheid is ook de krans van bebouwing om het veld karakteristiek en de moeite waard te behouden.
Er wordt dan ook ingezet op: - half verdichte rand en open midden; - (laan) beplanting langs de rand; - eventuele verdichting (gebouwen of beplanting) in de rand tot maximaal 1/6 deel van de breedte van het bouwland, om zodoende minimaal 4/6 van de openheid van het veld te behouden; 44
- zichten naar het middengebied vrij houden en zicht op oriëntatiepunten (kerktorens, watertorens, molens, beeldbepalende solitaire bomen) respecteren. Het doel voor dit landschapstype is om het agrarisch karakter van deze gebieden verder te ontwikkelen en tegelijk een landschap te ontwikkelen met een meerwaarde voor recreatie en natuur. De voorkeur gaat uit naar landschapselementen aan de rand rondom een velden. Beekdal Het beekdallandschap omvat die gronden die vanuit het natuurlijk fundament aangeduid worden als beekdal. Binnen deze kenmerkende beekdalen liggen verschillende soorten beken (beken met nog een natuurlijke loop, rechtgetrokken beken, aangelegd in moeraszones, in Maasmeanders, etc.). Daarnaast kan per beek een bovenloop, middenloop en een benedenloop onderscheiden worden. Belangrijker echter zijn de overeenkomsten tussen de verschillende beken in Noord- en Midden-Limburg. Dit is de bijzondere structurerende werking, met name binnen de dekzandgebieden tussen de Peel en de Maas. Hier liepen en lopen de belangrijkste beken met hun bijbehorende dalen en afzettingen. Kenmerken In het landschapskader zijn de volgende landschapskenmerken aangegeven: • • • • • • • •
Reliëfvorm: Langgerekte laagtes; Water: Min of meer centrale bredere waterloop en relatief hoge grondwaterstanden; Bodem: Kleiig materiaal afgezet door de beek; Wegenpatroon: Wegen parallel aan het beekdal op de hogere en drogere zandgrond; Verkavelingspatroon: Kleinschalig; Onregelmatig of strokenverkaveling loodrecht op de beek Landbouwkundig gebruik: Oorspronkelijk: hooiland of weide; tegenwoordig: rundveehouderij; Beplanting: Kleine landschapselementen (houtsingels, heggen, beekbegeleidende beplanting, knotbomen etc.); bosjes en populierenopstanden; Landschappelijke erfbeplanting: Geen of incidenteel bebouwing, wel langs de wegen op de rand van het beekdal op de hogere gronden.
Kernkwaliteiten De kernkwaliteiten zijn voor het beekdallandschap als volgt beschreven: Natuurlijk Het landschapstype wordt in het bijzonder gevormd door de doorgaande natte structuur, waardoor de beekdalen voor veel organismen functioneren als ecologische verbindingszone. Daarnaast vormen de vele gradiënten, bijvoorbeeld door de aanwezigheid van oude geulen, maar vooral het hoogteverschil loodrecht op de beek van de lage beek naar de verder weg gelegen hogere gronden, een belangrijke kwaliteit. Met name de beekbegeleidende – veelal – natte gronden zijn bijzonder. Hier treffen we hooilanden, diverse moerastypen en moerasbossen aan. Cultuur(historie) De delen waar weide, oude hooi- en graslanden en geriefhout (hout voor gebruik als brandstof of bouwmateriaal) voorkomen zijn zeer waardevol. Op dit moment komt relatief veel grasland voor. De randen van de beekdalen op de hogere gronden zijn cultuurhistorisch en archeologische zeer waardevol. Deze randen waren de eerste bewoningsplaatsen in het gebied. In het verleden werden de gronden door gecontroleerde bevloeiing vruchtbaar gemaakt. Deze oude bevloeiingssystemen zijn cultuurhistorisch zeer 45
waardevol. De beekdalen spelen vandaag de dag nog steeds een belangrijke rol bij de waterhuishouding van het gebied. Dit zijn dan ook de uitgelezen plekken om de verdrogingsproblematiek (deels) aan te pakken door hier water vast te houden en vertraagd af te voeren. Visueel-ruimtelijk De beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap, met name op de zandgronden. Als gevolg van latere egaliseringen, ontwateringen en ontginningen zijn de beekdalen echter in veel gevallen nog nauwelijks herkenbaar. Een typisch beekdal wordt gekenmerkt door een overwegend halfopen kleinschalig landschap met afwisselend hooilanden, weilanden, bosjes en kleine landschapselementen. In het beekdal bevindt zich meestal weinig tot geen bebouwing. Daar waar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard is gebleven, is het landschap visueel-ruimtelijk nog aantrekkelijk en waardevol. Er worden drie typen beekdalen onderscheiden. Het halfopen kamertjes type, het besloten bostype en het open grazige type. Ontwikkelvisie In de ontwikkelvisie voor het beekdallandschap is in het landschapskader onder meer aangegeven dat het wenselijk is om de Beekdalen te ontwikkelen tot herkenbare, structurerende elementen in het landschap.
Het ontwikkelen van lineaire landschapselementen loodrecht op de beek als houtwallen, singels, knotbomenrijen en heggen en met de beek mee als beekbegeleidende beplanting even als de aanleg van poelen en bosjes (< 5 ha) worden gestimuleerd als karakteristieke beekdalelementen. Bovendien wordt beekherstel, met de aanleg van natuurlijke oeverzones, en hermeandering aangemoedigd. Bij het plaatsen van nieuwe landschapselementen moet bij voorkeur aansluiting gezocht worden bij het aanwezige beekdaltype (half-open, bos en open). Midden in beekdalen liggen parallel aan de beekloop vaak rechte door mensen aangelegde bevloeiingssloten. Bij herinrichting verdient het landschappelijk de voorkeur een duidelijk onderscheid te maken tussen natuurlijke beeklopen en gegraven waterlopen. Dit kan door bij hermeandering van natuurlijke beken gebruik te maken van de oude beekbedding en oude meanderlussen en bij het zoeken naar ruimte voor het vertraagd afvoeren van regenwater in gegraven sloten dit te bereiken door middel van geometrische lussen. Afweging Landschapskader Noord- en Midden-Limburg Voor wat betreft de afweging van het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg wordt verwezen naar paragraaf 3.3, waarin is ingegaan op de ‘Handreiking Landschap – RES Noord- en Midden-Limburg’.
Deze handreiking vormt namelijk feitelijk een nadere uitwerking van het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, toegespitst op grootschalige energieopwekking op land. 3.3
Regionaal beleid
Regionale Energie Strategie De vijftien gemeenten in Noord- en Midden Limburg vormen met Provincie Limburg, Waterschap Limburg en Enexis de energieregio Noord- en Midden Limburg. Samen met inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden hebben zij de Regionale Energie Strategie 1.0 (hierna: “RES”) opgesteld. Deze is door de raad van Roerdalen vastgesteld op 3 juni 2021. Op hoofdlijnen zijn de volgende acties beschreven: 46
• • • •
Energie besparen zodat er minder behoeft te worden opgewerkt; Duurzame elektriciteit op te wekken uit zon en wind; Duurzame warmte te gebruiken zodat men stap voor stap van het aardgas af kan; Voordelen voor inwoners te vergroten.
De betrokken partijen in de energieregio hebben verder de onderstaande ambities met elkaar afgesproken. • • • • •
• •
De volgende drie pijler zijn van groot belang in een duurzamer Noord- en Midden-Limburg: iedereen kan meedoen, iedereen kan het betalen en iedereen kan meeprofiteren. Door energie te besparen en energie kleinschalig duurzaam op te wekken willen we in 2023 minimaal 25% minder CO2 uitstoten dan in 2015. We kiezen bewust om energiebesparing mee te nemen in de duurzame planen. Wat niet wordt verbruikt, hoeft ook niet opgewekt te worden. De partijen willen in totaal 1.200 GWh duurzame energie opwekken in 2030 (1.000-1.400 GWh). De kwaliteit van de leefomgeving dient daarbij goed bewaakt te worden. Er wordt rekening mee gehouden dat de behoefte aan duurzaam opgewekte energie blijft groeien. Daarbij wordt vooruitgekeken naar 2050 om tijdig in te spelen op ontwikkelingen en innovaties. Er wordt gestreefd naar 50% lokaal eigendom bij grootschalige zon- en windprojecten op regionaal niveau. En naar een vorm van lokaal medezeggenschap bij alle projecten. De energieregio wil 100% duurzame warmte in 2050 voor alle woningen/gebouwen.
Projecten die nodig zijn in verband met de ambitie om in totaal 1.200 GWh aan duurzame energie op te wekken in 2030, moeten in 2025 vergund zijn. Er zijn reeds projecten gerealiseerd en er zijn reeds veel projecten gepland, maar veel van deze projecten staan nog niet vast. Naast de gerealiseerd projecten en de projecten die in de planning staan, zijn er veel nieuwe initiatieven in ontwikkeling. Dit betreft de zogenoemde ‘ambitieprojecten’. Dit wordt in de RES benoemd als positieve ontwikkeling en dit vormt een grote bijdrage aan de regionale opgave. De vele lokale initiatieven vergroten de noodzaak tot (meer) afstemming tussen de RES-partners. Onder andere over netwerk (schaarste) en het borgen van RES uitgangspunten. Hiervoor wordt momenteel een grootschalige opwek aanpak uitgewerkt. Ook na 2025 zal de behoefte aan duurzaam opgewekte energie blijven groeien. Daar wordt nu alvast rekening mee gehouden. Conclusie ten aanzien van de RES Het voorliggend zonneparkproject draagt bij aan het doel voor het opwekken van in totaal 1.200 GWh aan duurzame energie 2030, waarbij de projecten in 2025 vergund moeten zijn. Het zonneparkproject maakt deel uit van de inbreng van de gemeente Roerdalen om dit doel daadwerkelijk te realiseren. Statkraft streeft naar 100% lokaal eigenaarschap.
Een realisatie waarbij de omgeving de mogelijkheid heeft om mee te beslissen en risicodragend te investeren. Hiervoor werken we in ieder geval samen met energiecoöperatie Duurzaam Roerdalen. Zij hebben aangegeven de intentie te hebben om 2,5 MW op zich te nemen. De eerste zogenoemde roadshow zal plaatsvinden tijdens de vergunningsprocedure. Instappen in deze fase betekent dat de lokale omgeving al vroeg zeggenschap heeft over de gehele verdere ontwikkeling van het zonneveld. Statkraft is afhankelijk van de interesse van de lokale omgeving voor lokaal eigenaarschap. Indien de lokale omgeving niet of slechts beperkt willen investeren, heeft de gemeente Roerdalen de mogelijkheid om de resterende financiering op haar te nemen. 47
Het zonneparkproject is doorgegeven aan de RES-regio als onderdeel van de 1,2 TWh opgave onder de RES. Binnen de RES geven de afzonderlijke gemeenten aan wat ze zullen bijdragen aan de RES opgave van 1,2 TWh. Binnen de RES wordt gemonitord maar hier is geen beslissings- of beoordelingsmechanisme aanwezig die iets inhoudelijk of op macro niveau gaat vinden van deze bijdrage. De RES kan alleen aansporen bij een dreigend onderpresteren. Mocht er meer gerealiseerd worden dan het RES bod dan is dit geen probleem en ook geen onderdeel van discussie. Handreiking Landschap – RES Noord- en Midden-Limburg De Handreiking Landschap – RES Noord- en Midden Limburg vormt feitelijk een nadere uitwerking van het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, toegespitst op grootschalige energieopwekking op land. Bij de uitwerking van de RES voor Noord- en Midden-Limburg is onderkend dat realisatie van grootschalige zonneprojecten in het landelijk gebied noodzakelijk is om de energieambities te halen. Het huidig landschap wordt hierdoor aangetast.
In de Handreiking Landschap ‘Grootschalige energie opwek ZON op Land RES Noord- en Midden-Limburg’ zijn handvatten opgenomen voor initiatiefnemers én gemeenten die voor de uitdaging staan om grootschalige zon-op-land projecten op een zorgvuldige wijze te realiseren, met het oog voor het unieke landschap, de natuur en de ruimtelijke kwaliteit in het algemeen, voor nu en voor de toekomst. Het doel van de handreiking is het bieden van een instrument om te bepalen of een grootschalig zonenpark past in het landschap. Droge heideontginning Zoals in het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg aangeven, maakt een deel van het besluitgebied deel uit van het gebiedstype ‘droge heideontginning’. In de handreiking wordt dit type landschap als “zeer geschikt” beoordeeld voor de realisatie van de grootschalige initiatieven voor de duurzame opwek van elektriciteit door een zonnepark. Op basis van de in het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg beschreven kenmerken en kernkwaliteiten, zoals omschreven in paragraaf 3.2.4, zijn in de handreiking de volgende ontwerpprincipes opgenomen voor zonneparken op droge ontginningsstructuren: 1.