CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB 25 074 bijlage 1 Ontwerp Warmteprogramma 2025

Forum Stad 7 oktober 2025, gemeente RijswijkBij agendapunt: Lijst van ingekomen stukken: vaststelling wijze van afdoening19.399 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

9

PBL Startanalyse 2025, informatieblad netverzwaring en netcongestie: PBL rapporten sjabloon

28

warmteoplossing proberen we zoveel mogelijk te kiezen voor warmteoplossingen met de kleinste capaciteitsvraag voor het elektriciteitsnet. De warmtevraag van gebouwen per buurt Het bouwjaar, de mate van isolatie van gebouwen en de ruimte in een woning zijn in grote mate bepalend voor de geschiktheid van een warmteoplossing. Alleen indien er een grote warmtevraag per woning en per gebied is, kan een midden temperatuur warmtenet betaalbaar zijn. We noemen dit de warmtedichtheid. In dit Warmteprogramma zijn we ervan uitgegaan dat een midden temperatuur warmtenet alleen haalbaar is als de warmtedichtheid minimaal 600 GJ/HA is. De koelbehoefte De gevolgen van klimaatverandering worden steeds duidelijker: hittegolven nemen toe en de zomers worden warmer. Binnen de warmtetransitie ligt de focus vaak op het duurzaam verwarmen van gebouwen. In de winter is dat gunstig maar in de zomer is er in toenemende mate behoefte aan koeling. Dit vormt een opgave voor Rijswijk. Deze opgave is beschreven in de RAAK-strategie (Rijswijkse Adaptatiestrategie en Aanpak voor Klimaatverandering 2023–2030). Hitte en de bijbehorende koudevraag zijn een onderdeel van het Warmteprogramma. Preventieve maatregelen kunnen hitte uit gebouwen weren. Voorbeelden daarvan zijn zonwering, goede ventilatie en verkoelende gebiedsmaatregelen in de openbare ruimte (denk aan meer groen en schaduw).

Als er, ondanks preventieve maatregelen, toch nog sprake is van risico's op hitte, dan kunnen sommige warmteoplossingen voorzien in de vraag naar koeling. Voor de warmteoplossing in relatie tot de koelvraag bij woningen hanteren we de volgende uitgangspunten: - We geven prioriteit aan warmtenetten: hoewel de koudevraag vanwege klimaatopwarming toeneemt, blijft deze relatief beperkt ten opzichte van de totale energievraag. Daarom blijven warmtenetten een geschikte en maatschappelijk kosteneffectieve oplossing voor veel woningen in Rijswijk, mits aanvullende maatregelen worden getroffen om oververhitting te voorkomen. - We zetten in op het beperken van warmtelozing naar de buitenlucht, vooral bij hitte-eilanden: koelsystemen met buitenunits (zoals lucht-luchtwarmtepompen en airco’s) zijn onwenselijk in druk bebouwde gebieden. Ze verhogen het lokale hitte-eilandeffect. - We kiezen bij nieuwbouw voor systemen met koudevoorziening: bij nieuwe (her)ontwikkelingen adviseren we het toepassen van warmteoplossingen die zowel verwarmen als koelen. Voor de warmteoplossing in relatie tot de koelvraag bij utiliteitsgebouwen hanteren we de volgende uitgangspunten: - We beperken zoveel mogelijk de koelvraag bij utiliteitsfunctie: utiliteitsgebouwen hebben vaak een hogere en constantere koelvraag dan woningen, hier passen we de koelteladder toe.

- We geven de voorkeur aan bodemenergiesystemen (WKO): deze systemen leveren warmte en koeling zonder extra warmtelozing naar de buitenlucht en voorkomen een negatieve bijdrage aan hittestress. - We beperken de toepassing van systemen met buitenluchtwarmtelozing, vooral in hitte-eilanden. We vermijden systemen zoals split-airco’s en luchtwarmtepompen, tenzij er voldoende spreiding is. Onderstaande kaart is gebaseerd op basis van de hittestresskaarten vanuit de Rijswijkse Klimaatatlas 2025 en de gebouwgebonden koudevraag die door het PBL in beeld is gebracht in de PBL Startanalyse 29

2025. Deze kaart laat zien welke buurten zowel een hoge kans op hittestress vertonen als ook naar verwachting in de toekomst een relatief hoge koudevraag hebben.

Figuur 12: Hittestresskaart Rijswijk

Per buurt is aangegeven welk percentage van het energieverbruik wordt ingezet voor de koelvraag. Dit geeft een vertekend beeld voor gebieden waar weinig gebouwen zijn zoals Elsenburg, het Wilhelminapark en Spoorzicht. Van de gebieden met een hogere bebouwingsdichtheid zijn de 5 buurten met de hoogste koelvraag: Plaspoelpolder, Hoornwijck, Stationskwartier, Broekpolder, Artiestenbuurt. Voor de gebouwen in deze gebieden zou een warmteoplossing die ook kan koelen invulling kunnen geven aan de toekomstige koelvraag. Dat kan met een warmtepomp (eventueel gevoed vanuit een lage temperatuur warmtenet), maar dat stelt wel eisen aan de energetische staat en het warmteafgiftesysteem van het gebouw. Het is niet voor alle gebouwen haalbaar om hieraan te voldoen.

5.2 Warmteoplossingen in Rijswijk Warmteoplossingen In onderstaande kaart is in beeld gebracht welke warmteoplossing een goed alternatief is voor iedere buurt. De kleur op de kaart verbeeldt de warmteoplossing waarvan we verwachten dat die het meeste zal voorkomen in de aangegeven buurt. Dit betekent niet dat alle gebouwen in die buurt ook daadwerkelijk die warmteoplossing zullen gebruiken. Er blijft keuzevrijheid om de warmteoplossing te kiezen die het beste bij de woning of het pand past. In hoofdlijnen geldt dat de buurten met een hoge warmtevraag geschikt zijn voor een midden temperatuur warmtenet. Er is sprake van een hoge warmtevraag als er veel woningen op een kleine oppervlakte staan (bijvoorbeeld bij hoogbouw) en/of wanneer woningen minder goed geïsoleerd zijn. Dit betreft vooral de 30

woningen die voor 1980 gebouwd zijn. Voor de buurten waar de woningen een hogere isolatiegraad hebben, is een individuele warmtepomp of aansluiting op een laagtemperatuur warmtenet een goede oplossing. Dit geldt ook voor utiliteitsgebouwen, omdat daar vaak sprake is van een koelbehoefte. Om deze reden is een warmtepomp of een laagtemperatuur warmtenet voorzien voor de Plaspoelpolder en Bogaard stadscentrum.

Figuur 13: Warmtestrategiekaart

31

Bronnen Het middentemperatuur warmtenet kan gevoed worden vanuit verschillende bronnen. Voor de voeding van het warmtenet houden we rekening met minimaal één geothermische bron (15-20 MW) eventueel gekoppeld aan een hoge temperatuur opslag (HTO). Ook een aansluiting op de (rest)warmtetransportleiding WarmtelinQ is een optie. De overdracht van warmte uit WarmtelinQ of een geothermiebron op het warmtenet gebeurt in een warmteoverdrachtstation (WOS). De beoogde locatie voor de aansluiting van het lokale warmtenet op WarmtelinQ en de ontwikkeling van een lokale geothermiebron is het Kruisvaarderspark. Voor de aansluiting op WarmtelinQ staat deze locatie vast vanwege het zogenaamde T-stuk dat bij de aanleg van WarmtelinQ hier is geplaatst. Ondanks dat nog niet definitief bepaald is of en waar de geothermische bron komt, ligt de locatie in het Kruisvaarderspark of in de directe nabijheid daarvan wel voor de hand. Dit komt doordat de voeding van het warmtenet dan via één centraal warmteoverdrachtstation kan plaatsvinden wat bijdraagt aan de efficiëntie van het warmtesysteem. Een andere mogelijkheid is dat de buurten in Rijswijk west aansluiten op het Warmtesysteem Westland en warmte krijgen van een geothermiebron in Midden-Delfland. In dat geval is ook een warmteoverdrachtstation in de Hoekpolder aan de orde.

Op den duur zullen de andere buurten in Rijswijk aangesloten moeten worden op WarmtelinQ of een geothermiebron met een warmteoverdrachtstation in het Kruisvaarderspark. Nader onderzoek naar de meest geschikte locatie voor de bron in combinatie met onderzoek naar de inpassing is nog wel noodzakelijk.

Figuur 14: Warmtestrategiekaart met bronnen

32

Hoge temperatuur opslag is in feite geen warmtebron, maar kan wel een belangrijke bijdrage leveren aan het stabiliseren en vergroten van de beschikbaarheid van duurzame warmte in het systeem. We kijken daarom nadrukkelijk naar hoge temperatuur opslag, centraal nabij de bron en decentraal in de buurten en/of in de woning. De potentie en de voordelen van het toepassen van grootschalige hoge temperatuur opslag in de ondergrond in onze gemeente is groot. Het is echter nog een innovatieve techniek, die in de gebouwde omgeving nog niet eerder is toegepast. Opslag in de woningen is al wel een bewezen techniek. Opslag maakt het energiesysteem robuuster en duurzamer omdat het pieken in de vraag naar warmte beter kan opvangen. We zetten in Rijswijk duurzame bronnen in die binnen het regionaal warmtesysteem passen en beschikbaar zijn. De (regionale) ambitie is om voorkeur te geven aan lokale bronnen boven regionale bronnen. Dit doen we vanuit de gedachte dat ook transport energie kost. Echter moet dit niet leiden tot inefficiënt gebruik van bronnen die de maatschappelijke kosten van het systeem duurder maken. Daarom kijken we samen met gemeenten in de regio naar optimaal gebruik van bestaande bronnen en naar waar en wanneer bronnen ontwikkeld worden.

Dit betekent dat het warmtenet in Rijswijk in de beginjaren gevoed kan worden uit een regionale bron om in de toekomst, wanneer er voldoende afname is, over te schakelen op een andere, lokale bron. Een andere mogelijkheid is dat het warmtenet in de opstartfase gevoed wordt met warmte uit gasgestookte warmtecentrales om na de ontwikkeling van een duurzame bron over te schakelen op warmte uit de duurzame bron. Welke opties mogelijk en wenselijk zijn, is nog niet duidelijk en vraagt een verdere uitwerking.

5.3 Aanpak per gebied In dit hoofdstuk wordt per buurt dieper ingegaan op de keuze voor een warmteoplossing en de fasering. We leggen per buurt uit welke keuzes zijn gemaakt en we beschrijven op hoofdlijnen de aanpak in het gebied. Buurt

Toelichting ‘WAT’

Toelichting ‘WANNEER’

Start voor 2030: Stervoorde Ministerbuurt Hoekpolder

Deze buurten zijn overwegend in de jaren ’50 en ’60gebouwd. De buurten zijn een mix van portiekflats, galerijflats en eengezinswoningen. In sommige buurten is meer dan de helft van de woningen corporatiebezit. Ook zijn in deze buurten grote VvE-complexen aanwezig. Een warmtenet heeft hier de laagste maatschappelijke kosten. Daarom is deze wijk aangewezen om binnen nu en 10 jaar te starten met het aardgasvrij maken door middel van een midden temperatuur warmtenet.

Vanwege de bereidheid van de woningcorporaties om hier binnen 10 jaar aan te sluiten op een warmtenet, is dit voor de gemeente een startbuurt. De gemeente is van plan de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Daarmee wordt ook het vollooprisico voor het warmtenet beperkt. Dit werkt kostenverlagend voor het warmtebedrijf en dus ook voor de inwoners en bedrijven.

Start voor 2036 Muziekbuurt Artiestenbuurt (exclusief Bogaard stadscentrum) Presidentenbuurt Kleurenbuurt

De Artiestenbuurt hoort bij de 5 buurten met de hoogste koelvraag. Veel woningen in deze buurt beschikken niet over een afgiftesysteem waarmee de woning op lage tempratuur verwarmd en gekoeld kan worden. Door te verwarmen met een midden temperatuur warmtenet ontlasten we het elektriciteitsnetwerk in de wintermaanden wanneer de vraag naar elektriciteit hoog is en het aanbod van elektriciteit laag. Een

33

Start voor 2036 Bogaard stadscentrum en Plaspoelpolder

Start voor 2030 RijswijkBuiten

Start voor 2030 Eikelenburg

eventuele koelvraag wordt apart ingevuld. De impact hiervan op het elektriciteitsnet zal beperkt zijn, aangezien de koelvraag zich voordoet op momenten dat er veel opwek van zonne-energie is. De gebieden Bogaard stadscentrum en Plaspoelpolder zijn transformatiegebieden. De afgelopen jaren is veel nieuwbouw gebouwd en de komende jaren zal er ook nog veel worden gebouwd. De nieuwbouw is al aardgasvrij door middel van WKO’s. De oudbouw is matig geïsoleerd. Er is geen eenduidige, optimale warmteoptie voor de hele buurt. Wel geldt voor beide gebieden dat er sprake is van een hitte-eilandeffect en naar verwachting zal de koelvraag in de toekomst toenemen. Daarom zet de gemeente in op een mix van WKO-systemen voor kantoren en utiliteitsbouw en warmtepompen voor losstaande, kleinere, oudere gebouwen. De druk op de ondergrond is erg groot. Om deze reden is voor deze twee gebieden een bodemenergieplan van kracht. Deze buurt is al gasloos ontworpen. De bouw startte al voordat aardgasvrij bij nieuwbouw de norm werd. De aanwezige oude (tuinders) woningen zijn grotendeels nog niet gasloos. In de deelgebieden Sion en het Haantje (ParkRijk en Pasgeld West) zijn circa 100 woningen qua isolatiegraad niet direct geschikt voor een warmtepomp, maar gezien het beperkte aantal zijn collectieve warmtenetten als alternatief voor aardgas niet haalbaar.

Warmtepompen leveren de laagste maatschappelijke en eindgebruikerskosten op. De woningen in dit gebied zijn zeer verschillend. Per woning zal een maatwerkoplossing nodig zijn om deze aardgasvrij te maken.

Deze buurt is tussen 2012 en 2024 gebouwd. Een deel van de woningen in deze wijk zijn al aardgasvrij door middel van een warmtepomp. Voor deze wijk levert een lage temperatuur warmtenet of individuele warmtepomp de laagste maatschappelijke kosten. De twee varianten verschillen in kosten weinig van elkaar, maar een lage temperatuur warmtenet zorgt voor een lagere elektriciteitsvraag. De woningen verkeren in een goede energetische staat en kunnen zonder grote bouwkundige ingrepen omgezet worden naar verwarming door een (bodem/lucht/water-) warmtepomp. Daarom is een lage temperatuur warmtenet of een

Door de oudbouw kan het gasnet in deze buurt niet binnen 10 jaar worden afgekoppeld. Wel wil de gemeente de eigenaren van (kantoor) gebouwen en winkels stimuleren en ondersteunen om binnen 10 jaar hun gebouwen aardgasvrij te maken.

De dichtheid van woningen in deze nieuwbouwwijk die nog op het aardgas zitten is gering. Hiervoor moet het netwerkbedrijf wel een heel gasnet in stand houden. In samenwerking met de netbeheerder en de bewoners starten we met het opstellen vaneen uitvoeringsplan dat erop toeziet een overstap naar gasloos over 10-15 jaar te realiseren. De gemeente gaat te zijner tijd in overleg met de bewoners en het netwerkbedrijf om daarvoor de aanwijsbevoegdheid in te zetten. De eerste woningen moeten de komende jaren de CV-ketel vervangen. Dit is het moment om een keuze te maken. In samenwerking met de netbeheerder en de bewoners starten we om een uitvoeringsplan op te stellen dat erop toeziet een overstap naar gasloos over 10-15 jaar te realiseren De gemeente gaat te zijner tijd in overleg met de bewoners en het netwerkbedrijf om daarvoor de aanwijsbevoegdheid in te

34

Start voor 2040 De Strijp

Start na 2040 Oud Rijswijk Bomenbuurt Leeuwendaal Cromvliet

warmtepomp het eindbeeld. De Strijp is een wijk die grotendeels in de jaren ’90 is gebouwd. De woningen zijn redelijk geïsoleerd, maar onvoldoende om te verwarmen met een warmtepomp. De bebouwingsdichtheid is groot. Luchtwater warmtepompen zijn gezien het geluid niet direct overal toepasbaar zonder aanvullende geluid reducerende maatregelen. We zien nu al wel dat bij verbouwingen inwoners kiezen voor een (individuele) warmtepomp. Dit zal de komende tijd doorzetten. Een alternatief is verschillende kleine lage temperatuur warmtenetten.

zetten. Inwoners in de wijk hebben contact en willen aan de slag met het aardgasvrij maken van de woning. We geven deze initiatieven de tijd en ruimte en zullen inwoners hierbij ondersteunen en faciliteren.

In deze jaren ’30-buurten zijn de warmtevraag hoog. Een midden temperatuur warmtenet heeft de laagste maatschappelijke kosten, maar is evenwel kostbaar en veel woningen hebben nog een slechte energetische staat. We verwachten dat de woningen in deze buurten de komende jaren verder geïsoleerd worden, waardoor aansluiting op een midden temperatuur warmtenet mogelijk is. Daarom is een midden temperatuur warmtenet het eindbeeld maar zet de gemeente eerst de komende 10 jaar in op woningverbetering. Wel zien we een aantal ontwikkelingen die aandacht vragen bij een volgende actualisatie van het warmteprogramma:

Omdat de woningen in deze buurten bouwkundig nog niet klaar zijn voor de overstap naar aardgasvrij, gaan deze buurten de komende 10 jaar nog niet van het aardgas.

-

-

Start voor 2040 Te Werve Huis te Lande Stationskwartier

Met de kennis en ervaring uit die initiatieven kunnen we in een volgend Warmteprogramma meer duidelijkheid geven over de haalbaarheid van de verschillende alternatieven en het tempo van uitvoeren.

In deze buurten worden woningen bij een grootschalige verbouwing (bijvoorbeeld na aankoop) al aardgasvrij gemaakt. Deze buurten kennen een smal straatprofiel, dat uitdagingen met zich meebrengt voor de aanleg van een midden temperatuur warmtenet. Deze buurten bevinden zich in een hitte-eiland.

Deze buurten zijn overwegend in de jaren ’50 en ’60 gebouwd. Het is een mix van portiekflats, galerijflats en eengezinswoningen. In sommige buurten is meer dan de helft corporatiebezit. Ook zijn er in deze buurten grote VvE-complexen. Een warmtenet heeft hier de laagste maatschappelijke kosten. Daarom zijn deze buurten aangewezen om aardgasvrij te maken door middel van een warmtenet. Er wordt rekening mee gehouden dat een deel van de grondgebonden woningeigenaren kiest voor een warmtepomp in plaats van het

We kunnen niet overal beginnen met het aanleggen van warmtenetten. In deze buurten zetten we dus in op isolatie om de warmtevraag terug te dringen. In de volgende Warmteprogramma’s wordt exact bepaald wanneer in welke buurt wordt gestart met het aansluiten van woningen op een warmtenet.

35

warmtenet.

Start na 2040 Elsenburg Landgoederenzone Hoekpolder (buitengebied/stadsparkzone)

Start na 2040 Pasgeld Start in overleg met Delft Vrijenban

Het Stationskwartier hoort, net als de Artietsenbuurt, bij de 5 buurten met de hoogste koelvraag. Ook hier beschikken veel woningen niet over een afgiftesysteem waarmee de woning op lage tempratuur verwarmd en gekoeld kan worden. Door te verwarmen met een midden temperatuur warmtenet ontlasten we het elektriciteitsnetwerk in de wintermaanden wanneer de vraag naar elektriciteit hoog is en het aanbod van elektriciteit laag. Een eventuele koelvraag wordt apart ingevuld. De impact hiervan op het elektriciteitsnet zal beperkt zijn, aangezien de koelvraag zich voordoet op momenten dat er veel opwek van zonne-energie is. De aanwezige gebouwen zijn grotendeels nog aangesloten op het gasnet. Deels gaat het ook om monumenten. De meeste gebouwen zijn qua isolatiegraad niet direct geschikt voor een individuele warmtepomp. Gezien het beperkte aantal gebouwen zijn collectieve warmtenetten als alternatief voor aardgas niet haalbaar. Een individuele warmtepomp als oplossing levert de laagste maatschappelijke en eindgebruikerskosten op. Omdat de gebouwen in dit gebied zeer verschillend zijn, zal per gebouw een maatwerkoplossing nodig zijn om deze aardgasvrij te maken.

De bestaande bouw in Pasgeld is voor een groot deel gebouwd voor de jaren ’30. Gezien het beperkte aantal woningen in deze buurt en het ontbreken van een midden temperatuurbron in de buurt is het (financieel) niet aannemelijk om deze woningen aan te sluiten op een MT warmtenet. Daarom zijn een lokaal (z)lt-net of individuele warmtepompen de aangewezen oplossingen. Het RijnSchiekanaal of de bodem kan als warmtebron dienen voor een (z)lt-net.

Maatwerk is nodig om alle gebouwen in deze buurten van het aardgas te halen. Stap 1 is isoleren. Stap 2 is het gasverbruik aanzienlijk verlagen door middel van een hybride warmtepomp. Stap 3 is bouwkundige aanpassingen en een afgiftesysteem gebruiken om te komen tot individuele aardgasvrije oplossingen. Het zetten van de stappen kost tijd. De gemeente gaat gebouweigenaren stimuleren en faciliteren om stappen te zetten. In deze buurten zetten we in op het terugbrengen van de warmtevraag. Voor Vrijenban blijven we de ontwikkelingen van de aangrenzende buurten in Delft actief volgen.

Voor Vrijenban is aansluiten op een midden temperatuur warmtenet volgens het PBL de oplossing met de laagst maatschappelijke kosten. We zien echter dat de warmtedichtheidsvraag relatief laag is voor deze oplossing. Aansluiting op een midden temperatuur warmtenet is alleen een mogelijkheid door aan te sluiten bij de Delftse buurten nabij Vrijenban. De

36

gemeente blijft hierover in gesprek met de gemeente Delft.

Start na 2040 Hoornwijck en Broekpolder

Als aansluiting op een warmtenet van de gemeente Delft een optie is dan is dit vooral voor de gebouwen onder de Vrijenbanselaan een goede oplossing, omdat de warmtedichtheidsvraag daar het hoogste is. In Vrijenban Noord en West zijn vanwege een lagere warmtedichtheidsvraag, de aanwezigheid van utiliteit en de nabijheid van het Rijn-Schiekanaal een (z)lt-net of warmtepompen de voorkeursoplossingen. Hoornwijck en de Broekpolder zijn buurten met een groot aandeel utiliteit. Uit de PBLstartanalyse komt voor de Broekpolder een (z)lt-net als beste oplossing naar voren. Voor Hoornwijck is dat een midden temperatuur warmtenet. Gezien het beperkte aantal woningen in het gebied is de warmtevraag in beide gebieden echter te laag om aansluiting op een warmtenet mogelijk te maken. Ook een midden temperatuurwarmtebron in de buurt ontbreekt. Gezien de bedrijvigheid en de grote koelvraag zijn een (z)lt-net of warmtepompen de voorkeursoplossing.

Een groot deel van de woningen in de Broekpolder is bouwkundig nog niet klaar voor de overstap naar aardgasvrij. We zetten voor beide buurten eerst in op het terugbrengen van de warmtevraag.

5.4 Voorwaarden voor uitvoering De overstap van aardgas naar een duurzaam alternatief brengt grote veranderingen met zich mee die iedereen in de stad zal merken. De veranderingen hebben impact op de leefomgeving maar ook op het eigendom van onze inwoners en ondernemers. Dit vraagt om een zorgvuldige besluitvorming. De gemeente gaat alleen aan de slag als aan de volgende belangrijke voorwaarden is voldaan. Iedereen kan meedoen Iedereen moet mee kunnen doen met de overstap naar duurzame energiebronnen. Dit betreft niet alleen de kosten, maar ook de uitvoering. De overstap naar duurzame energie vraagt om technische aanpassingen in de woning. Het kost voor mensen tijd om te weten welke oplossing het beste past, wat voor deze oplossing moet gebeuren en wat nodig is om dit in gang te zetten. Niet iedereen kan alle technische en financiële keuzes direct overzien, terwijl die keuzes nodig zijn om actie te kunnen ondernemen. Daarnaast biedt de uitvoering van de energietransitie ook kansen om onderhoud van en comfort in woningen en gebouwen te verbeteren. Voor een geslaagde overstap is het belangrijk om inwoners te adviseren en ondersteunen en om tijd te nemen om aanpassingen door te voeren. Bij een geslaagde overstap worden kansen voor verbetering benut. Betaalbaar voor iedereen De overstap naar duurzame energiebronnen kan alleen plaatsvinden als deze betaalbaar is.

Dit uitgangspunt wordt gedeeld door het Rijk. De definitie van betaalbaar is niet door het Rijk nader gedefinieerd. Als richtlijn hanteert het Rijk vooralsnog het principe ‘niet meer dan anders’. Het ‘anders’ uit dit principe is gekoppeld aan de gasreferentie inclusief de kostenstijgingen van de komende jaren. 37

Het eerlijke verhaal is dat de overstap van aardgas naar een duurzame warmteoplossing de gebouweigenaar geld gaat kosten. Aanvullende financiering is nodig om de overstap voor iedereen betaalbaar te maken. Voor woningisolatie en het installeren van een warmtepomp zijn individuele financieringsregelingen beschikbaar. Voor de overstap naar warmtenetten zien we dat er nog een grote uitdaging ligt. Voor de buurten waar een midden temperatuur warmtenet de laagste maatschappelijke kosten met zich meebrengt, is er nog geen duidelijkheid over de betaalbaarheid voor bewoners. De betaalbaarheid voor bewoners is een belangrijke voorwaarde om aan de slag te gaan. Wetgeving is op orde In de afgelopen periode is vanuit het Rijk gewerkt aan nieuwe wet- en regelgeving die gemeenten instrumenten en kaders geven voor de overstap van aardgas naar een naar een duurzame warmteoplossing. Deze wet- en regelgeving is van belang omdat de energievoorziening een nutsvoorziening is. De energie-infrastructuur is duur en is daarom veelal in handen van publieke partijen. In enkele gevallen is een warmtenet in handen van een private partij of is een energiecollectief eigenaar van het net en de levering. In alle gevallen moeten de inwoners worden beschermd.

Om inwoners en ondernemers duidelijkheid te geven, plannen van de gemeenten democratisch te borgen en gemeenten bevoegdheden te geven om uiteindelijk door te kunnen pakken, is wetgeving nodig.

5.5 Wet- en regelgeving Hieronder volgt een toelichting op de nieuwe wet- en regelgeving. Wet collectieve warmte (Wcw) De Wet collectieve warmte (Wcw) stelt regels over de levering van warmte voor het verwarmen van gebouwen. De wet regelt de betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid van collectieve warmtelevering en geeft gemeenten meer regie over de warmtetransitie. Een belangrijk onderdeel van de Wcw is dat warmtebedrijven voor minimaal 50% in handen zijn van publieke partijen. Warmtebedrijven krijgen de taak om warmtenetten aan te leggen en warmte te leveren aan de gebouwen. Dit betekent dat het warmtebedrijf het aanspreekpunt is voor de inwoners als het gaat om de levering van warmte. Een grote zorg van inwoners is de leveringszekerheid van warmte. De wet stelt hoge eisen aan deze leveringszekerheid, net zoals dat nu is bij andere nutsvoorzieningen zoals bijvoorbeeld gas en elektriciteit. Doordat deze bedrijven in publieke handen moeten zijn, is er meer publieke sturing op de warmtetransitie. Daarnaast introduceert de Wcw transparante en kostengebaseerde tariefregulering voor inwoners en bedrijven die aangesloten zijn op een warmtenet. Transparante en kostengebaseerde tariefregulering betekent dat de kosten die het warmtebedrijf aan zijn klanten doorrekent niet meer mogen zijn dan de kosten die zij maken met een kleine opslag.

De kosten worden berekend op basis van door de ACM (autoriteit consument en markt) opgelegde rekenmethodes. Daarmee staat het warmtebedrijf onder toezicht en is de inwoner beschermd tegen te hoge kosten. Tot nu toe is de prijs van warmte veelal gekoppeld aan de gasprijs. De verwachting is dat de gasprijs, mede door de extra belastingen en verplichte bijmenging van groengas, de komende jaren duurder wordt. De insteek van de wet is dat de prijs van warmte uiteindelijk niet meer gekoppeld is aan de gasprijs, maar op de werkelijke kosten is gebaseerd. De verwachting is dat de kosten voor warmte daardoor op den duur goedkoper worden. Tot die tijd geldt het principe van Niet Meer Dan Anders (NMDA). Dit betekent dat de 38

warmte de komende jaren niet duurder zal zijn dan inwoners nu betalen voor aardgas. Let wel, dit betekent dat de prijs van warmte veelal gaat stijgen omdat ook de prijs van aardgas stijgt. Een ander belangrijk onderdeel dat de Wcw regelt, is het “aanwijzen” van het publiek warmtebedrijf. Een warmtekavel is een aaneengesloten gebied waar een collectief warmtenet als alternatief voor aardgas is voorzien. De gemeente stelt daarvoor een warmtekavel vast, waaraan vervolgens een warmtebedrijf wordt gekoppeld dat exclusief verantwoordelijk is voor de transport en levering van warmte in dat gebied. Deze aanwijzing geldt voor een periode van ten minste 20 en maximaal 30 jaar. Voor het bepalen van de omvang van de warmtekavel moet duidelijk zijn dat het financieel en technisch mogelijk is om duurzame, betaalbare en betrouwbare warmte te realiseren. De omvang van de warmtekavel moet waarborgen dat het aangewezen warmtebedrijf een warmtenet binnen de kavel op een doelmatige wijze kan aanleggen en exploiteren. Daarnaast wordt de grootte van de warmtekavel bepaald door de leveringszekerheid. De Wcw biedt ruimte aan andere (publieke) partijen en warmtegemeenschappen om als warmtebedrijf te opereren. Een warmtegemeenschap is een organisatievorm waarbij een groep inwoners zelf, of in samenwerking met andere partijen, een warmtenet ontwikkelt en exploiteert, zonder winstoogmerk.

Het eigendom en de zeggenschap liggen bij de eindgebruikers van het warmtenet, waardoor het een lokaal en democratisch initiatief is. Het gaat daarbij veelal om kleinere warmtenetten (minder dan 1500 woningen). De warmtegemeenschap is een nieuwe speler in het samenspel van overheid en markt.

Wet gemeentelijk instrumenten warmtetransitie (Wgiw) In de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) 10 is vastgelegd dat het Warmteprogramma een verplicht (beleids)programma is in het kader van de Omgevingswet. Gemeenten moeten een Warmteprogramma opstellen en dat iedere 5 jaar actualiseren. Het Warmteprogramma moet een terugblik bevatten met een beschrijving van de uitvoering en resultaten van het vorige Warmteprogramma (de Transitievisie Warmte Rijswijk) en een vooruitblik op de inrichting van de fysieke leefomgeving. De Wgiw geeft gemeenten ook de bevoegdheid om te bepalen op welk moment een buurt definitief van het aardgas af gaat. Die bevoegdheid wordt de aanwijsbevoegdheid genoemd. De aanwijsbevoegdheid zorgt ervoor dat er een datum wordt vastgesteld wanneer de levering van aardgas in een bepaalde wijk stopt. Hiermee wordt voorkomen dat de samenleving hoge kosten moet betalen voor het in stand houden van een aardgasnetwerk voor een klein aantal gebouwen. Het inzetten van de aanwijsbevoegdheid is een grote stap en vraagt om een zorgvuldig traject. In de Wgiw is vastgelegd wat de gemeente moet doen om de aanwijsbevoegdheid in te zetten. Dit wordt het planproces genoemd. Het Warmteprogramma is de eerste stap van het planproces, waarin gemeenten aangeven voor welke gebieden zij de aanwijsbevoegdheid willen inzetten en wat de aanpak voor deze gebieden zal zijn.

De Wgiw is op 3 juli 2025 vastgesteld in de Tweede Kamer. De verwachting is dat de Eerste Kamer in het najaar van 2025 de Wgiw vast stelt. Naar verwachting treedt de wet per 1 januari 2026 in werking. 10

39

6. Wat gaan we doen? De ambitie ‘aardgasvrije buurten in 2050’ lijkt ver weg, maar er is veel te doen. Dat betekent dat we nu aan de slag moeten om die doelstelling te halen. Dit hoofdstuk beschrijft hoe we aan de slag gaan.

6.1 Aanpak In Rijswijk zijn ruim 23.000 gebouwen die een overstap moeten maken naar een nieuwe warmteoplossing. We kunnen niet alle buurten tegelijk van het aardgas af halen. We doen dit buurt voor buurt, gebouw voor gebouw. De gemeente werkt in samenwerking met partners de plannen uit om buurten aan de sluiten op een nieuwe warmteoplossing. De gemeente heeft daarin een regierol. We vullen deze regierol in door: - Zoveel mogelijk duidelijkheid te geven welke warmteoplossingen we wanneer voorzien en daar actief op te sturen. - Een warmtebedrijf of -bedrijven aan te wijzen en daarmee afspraken te maken over de ontwikkeling en het beheer van een warmtenet. - Een goede samenwerking tussen de verschillende partijen te stimuleren en te faciliteren om ervoor te zorgen dat duurzame warmteoplossingen worden ontwikkeld. - Inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden te informeren en betrekken bij de ontwikkeling van plannen. Belangen en wensen van deze groep moeten zichtbaar zijn, zodat die een plek kunnen krijgen in de besluitvorming. - Inwoners en ondernemers te stimuleren om hun woningen en gebouwen te verduurzamen door aan de slag te gaan met passende isolatie en waar dat al mogelijk is de overstap te maken naar een duurzame warmteoplossing.

- Samen te werken met gemeenten en andere partijen in de regio aan een efficiënt en toekomstbestendig energiesysteem tegen de laagst maatschappelijke kosten. - De wettelijke instrumenten, zoals de aanwijsbevoegdheid zorgvuldig in te zetten en daarmee voor iedereen duidelijkheid te creëren over wanneer de aardgaslevering stopt. - Het faciliteren van ingrepen in de openbare ruimte vanuit onze verantwoordelijkheid voor de inrichting, het beheer en het onderhoud van de openbare ruimte. Onze aanpak richt zich op 3 thema’s: 1. Energiebesparing. 2. Een gefaseerde overstap naar een duurzame warmteoplossing. 3. Een doelmatige inrichting van het energiesysteem (in samenwerking met gemeenten in de regio).

6.2 Energiebesparing door passend isoleren Energie besparen draagt direct bij aan de doelstelling voor CO₂-reductie. De afgelopen jaren is ingezet op besparing van energie door kleine maatregelen te nemen. Deze maatregelen hebben ook geholpen de energierekening te verlagen en energiearmoede te bestrijden. Sinds 2024 stimuleert de gemeente ook inwoners om aan de slag te gaan met grotere isolatiemaatregelen. De kosten voor woningisolatie verschillen afhankelijk van de benodigde maatregelen en de uitgangspositie van woningen. De kosten voor de investering wegen niet altijd op tegen de besparing op de energierekening. Het is zinvol om te kijken welke mate van isoleren nodig is, om de woning in de toekomst goed te verwarmen en of de investering opweegt tegen de kosten. Dit noemen we passend isoleren. 40

Bij woningisolatie is het belangrijk om rekening te houden met goede ventilatie en de mogelijkheden voor koeling. Onvoldoende ventilatie veroorzaakt schimmels en huisstofmijt en kan leiden tot gezondheidsklachten. Voor koeling geldt dat woningen die in de toekomst gebruik zullen maken van een individuele warmtepomp of (lage temperatuur warmtenet) met die warmtetechniek kunnen koelen. Voor woningen die aansluiten op een middentemperatuur warmtenet is die mogelijkheid er niet. Bij deze woningen is passief koelen belangrijk. Met passief koelen wordt gebruik gemaakt van natuurlijke bronnen, bijvoorbeeld vergroening rond het gebouw, (nacht) ventilatie of zonwering. Vanaf 2024 biedt de gemeente advies en ondersteuning aan woningeigenaren om isolatiemaatregelen te treffen. We blijven hier de komende jaren op inzetten en hebben daarbij specifiek aandacht voor de extra ondersteuningsbehoefte van Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) om hiermee aan de slag te gaan. We bieden helder advies over isolatiemogelijkheden, geven praktische informatie over hoe deze maatregelen uitgevoerd moeten worden en welke (financiële) ondersteuning vanuit de gemeente en het Rijk beschikbaar is. Daarbij hebben we aandacht voor goede ventilatie en mogelijkheden voor het passief koelen van de woning in de zomer, specifiek voor gebouwen die zullen aansluiten op een midden temperatuur warmtenet.

6.3 Een gefaseerde overstap naar een duurzame warmteoplossing De overstap naar een duurzame warmteoplossing kan alleen plaatsvinden als deze voor iedereen haalbaar en betaalbaar is. Dit betekent dat wet- en regelgeving op orde moet zijn en de overstap voor iedereen financieel mogelijk moet zijn. De warmteoplossing met de laagste maatschappelijk kosten vertaalt zich nog niet altijd in de oplossing met de laagste kosten voor de eindgebruiker. Daarbij komt dat de warmteoplossing met de laagste kosten vraagt om een investering van de eigenaar. Niet elke eigenaar kan de investering betalen. Het Rijk zal hiervoor oplossingen moeten aandragen om de overstap voor iedereen mogelijk te maken. Naast Rijkssubsidies kunnen ook leningen helpen om de overgang betaalbaar te maken voor bewoners. Het Warmtefonds is nu al een van de mogelijkheden die in de praktijk steeds beter begint te werken. Uitvoeringsplannen We starten met het opstellen van uitvoeringsplannen als de wet- en regelgeving op orde is en de overstap voor iedereen betaalbaar is. In de uitvoeringsplannen werken we per buurt de overstap naar een duurzame warmteoplossing verder uit. We verwachten te starten met het opstellen van uitvoeringsplannen voor de buurten in Rijswijk West (Stervoorde, Ministerbuurt, Presidentenbuurt, Hoekpolder, Muziekbuurt, Artiestenbuurt, en de Kleurenbuurt) en voor Eikelenburg en RijswijkBuiten.

De gemeente onderzoekt op dit moment samen met Rijswijk Wonen, Vidomes en HVC de haalbaarheid van een midden temperatuur warmtenet in de buurten in Rijswijk West: Stervoorde, Ministerbuurt, Presidentenbuurt, Hoekpolder, Muziekbuurt, Artiestenbuurt en de Kleurenbuurt. We zien bij het haalbaarheidsonderzoek voor Rijswijk West dat het lastig is om te komen tot een warmtenet dat voor iedereen betaalbaar is. Dit komt onder andere door alsmaar wisselend Rijksbeleid. We blijven kijken hoe

41

het wel kan lukken. Voor het verbeteren van de wet- en regelgeving en de financiële instrumenten trekken we samen op met partijen in de RES Rotterdam-Den Haag, de WarmteAlliantie11 en het Rijk. In RijswijkBuiten (Sion, Haantje) is het overgrote deel van de woningen aardgasvrij. Deze woningen zijn gebouwd na 2013 of moeten, in het geval van Pasgeld, nog gebouwd worden. Tussen deze woningen staan circa 100 ‘oude’ woningen uit de periode dat dit gebied nog tuinbouwgebied was. Deze ‘oude’ woningen maken op dit moment veelal nog gebruik van aardgas en zijn deels nog niet voldoende aangepast om over te stappen op een individuele warmtepomp. Ook in Eikelenburg is een deel van de woningen aardgasvrij. Voor het overige deel van de woningen geldt dat deze woningen in een goede energetische staat en zonder grote bouwkundige ingrepen omgezet kunnen worden naar een (bodem/lucht/water) warmtepomp. Vanwege de lage warmtedichtheidsvraag in Eikelenburg en RijswijkBuiten is een middentemperatuur warmtenet niet haalbaar en zal een individuele warmtepomp de oplossing zijn. Het kleine aantal woningen biedt een mooie kans om in deze wijk te starten en ervaring op te doen met de overstap van aardgas naar een individuele warmtepomp. De extra opdracht is om dit wel netbewust te doen, zodat de belasting op het elektriciteitsnet zo minimaal mogelijk is.

We willen voor deze wijk dan ook in 2026 aan de slag om samen met de inwoners een uitvoeringsplan op te stellen. In het uitvoeringsplan wordt in beeld gebracht welke gebouwen (woningen en utiliteit) zich in de buurten bevinden die nog aangesloten zijn op aardgas. We brengen de kenmerken van de gebouwen in beeld, beschrijven de toekomstige warmtetechniek en werken uit welke maatregelen nodig zijn om deze gebouwen aan te sluiten op de nieuwe duurzame warmtetechniek. Samen met inwoners bepalen we welke maatregelen zij goed zelf uit kunnen voeren en waar behoefte is aan een gezamenlijke aanpak. Ook hier geldt opnieuw dat we pas aan de slag kunnen als de haalbaarheid en de betaalbaarheid is gewaarborgd. Het uitvoeringsplan moet duidelijk maken op welke manier aan beide voorwaarden wordt voldaan. Fasering Het is niet mogelijk om in alle buurten te starten. In de Transitievisie Warmte is een fasering opgenomen voor de buurten waarvoor aansluiting op een midden temperatuur warmtenet is voorzien. De fasering van deze wijken blijft in volgorde hetzelfde. Doordat de buurten in Oud-Rijswijk hieraan toe worden gevoegd, zijn de buurten Rembrandkwartier, Havenkwartier en Welgelegen naar voren gehaald. Deze fasering is daarnaast aangevuld met de buurten waar een lage temperatuur warmtenet en/of warmtepomp de oplossing is. Daarmee zijn er nu 4 fases:

o o

Start met opstellen uitvoeringsplan voor 2030: Stervoorde, Ministerbuurt, Hoekpolder, RijswijkBuiten, Eikelenburg. Start met opstellen uitvoeringsplan voor 2036: Muziekbuurt, Artiestenbuurt, Kleurenbuurt, Bogaard stadscentrum, Plaspoelpolder, Pasgeld.

De WarmteAlliantie bestaat uit meer dan honderd gemeenten, marktpartijen, koepelorganisaties en waterschappen. 11

42

o o

Start met opstellen uitvoeringsplan voor 2040: Stationkwartier, Huis te Lande, Te Werve, Rembrandtkwartier, Welgelegen, Havenkwartier, Strijp. Start met opstellen uitvoeringsplan na 2040: Oud-Rijswijk, Bomenbuurt, Leeuwendaal, Cromvliet, Landgoederenzonde, Broekpolder, Hoornwijck, Elsenburg, Kraayenburg, Vrijenban.

Figuur 15: Warmtestrategiekaart inclusief fasering

43

Lokale initiatieven Naast de ontwikkelingen in het kader van de energietransitie in Rijswijk West en RijswijkBuiten zien we ook buurten waar inwoners zelf plannen en ideeën hebben om aan de slag te gaan. We zien initiatieven vanuit buurten om zelf aan de slag te gaan als zeer waardevol en belangrijk voor een geslaagde energietransitie. Initiatieven kunnen zich van klein, bijvoorbeeld de gezamenlijk inkoop energieadvies, tot groot, het uitwerken van een collectieve warmteoplossing voor de wijk, aandienen. We gaan in overleg met deze initiatiefnemers bekijken hoe we ze kunnen ondersteunen en faciliteren. Hoe die ondersteuning eruitziet is sterk afhankelijk van het soort initiatief. Daarbij zetten we ook in op kennisdeling tussen initiatieven. Niet alleen binnen de gemeente Rijswijk, maar ook in de regio samen met de provincie Zuid-Holland en buurgemeenten.

6.4 Energiesystemen De overstap naar een duurzame manier van verwarmen vraagt om de inrichting van een nieuw energiesysteem. Rijswijk is voor zijn energievoorziening afhankelijk van regionale en landelijke systemen en netwerken. Dat is nu het geval en dat zal in de toekomst zo blijven. De overstap naar duurzame energie moet passen binnen een groter systeem. Onze regierol is erop gericht sturing te geven aan de systeemkeuzes die leiden tot een goed werkend robuust energiesysteem tegen de laagste maatschappelijke kosten. Voor Rijswijk gaat dat om het regionale warmtesysteem en elektriciteitsnetwerk die de functie van het aardgasnetwerk gaan overnemen. Keuzes die we lokaal maken hebben invloed op het regionale systemen en andersom. Dit vergt dus afstemming met gemeenten in de regio. Voor het energiesysteem werken we in de RES Rotterdam Den Haag met omliggende gemeenten en alle andere betrokkenen (zoals Stedin, WarmtelinQ, aardwarmtebedrijven, warmtebedrijven en provincie) samen aan een eindbeeld waarin de warmtevraag en het warmteaanbod op elkaar zijn afgestemd. Als we een gezamenlijk eindbeeld hebben, kunnen we daar in stappen naartoe werken. Het biedt houvast voor alle partijen in de warmte- en elektriciteitsketen om de komende jaren zo efficiënt en effectief mogelijk stappen te zetten.

Door op deze wijze met elkaar samen te werken, zijn knelpunten op te lossen en is een energiesysteem te realiseren tegen lagere maatschappelijke kosten. Omdat de wederzijdse afhankelijkheid in de regio zo groot is, wordt een aantal uitgangspunten over de ontwikkeling van een verbonden regionaal warmtesysteem bestuurlijk vastgelegd. Deze uitgangspunten zijn nog in ontwikkeling. Naast de regie op de energietransitie met de daarbij behorende sturingsinstrumenten, voert de gemeente ook regie op ruimtelijke ordening. Beide regiefuncties moeten worden ingezet om de belasting op het elektriciteitsnet zo laag mogelijk te houden. Dit gebeurt door ‘netbewuste nieuwbouw’, zodat de kosten voor het uitbreiden van het elektriciteitsnet zo laag mogelijk gehouden kunnen worden, de netcongestieproblematiek niet groter wordt en de andere maatschappelijke opgaven zoals het bouwen van woningen geen vertraging oplopen. We werken met Stedin aan uitbreiding van het lokale elektriciteitsnetwerk via de buurtaanpak. De samenwerking is erop gericht om het proces van inpassen, besluitvorming en uitvoering te versnellen, zodat de doorlooptijden worden verkort en overlast voor inwoners wordt beperkt. Ten aanzien van het regionale net werken we in de RES-regio en op provinciaal niveau samen aan de integrale oplossingen.

44

6.5 Aanwijsbevoegdheid We gaan aan de slag met het uitwerken van de aanwijsbevoegdheid, zodat we duidelijkheid kunnen geven over wanneer de levering van aardgas stopt. De aanwijsbevoegdheid wordt opgenomen in het Omgevingsplan. Om dit te doen moet de volgende zaken worden uitgewerkt: -

-

-

Een onderbouwing van de redelijke termijn waarop de levering van aardgas wordt beëindigd. In de toelichting van de wet is als richtlijn 8 jaar opgenomen. Dit betekent dat er minimaal 8 jaar tijd zit tussen het moment dat de aanwijsbevoegdheid wordt opgenomen in het Omgevingsplan en het stoppen met de levering van aardgas. Deze 8 jaar is een richtlijn. Daar mag van worden afgeweken als duidelijk is dat het sneller kan of dat er meer tijd nodig is. Voorop staat dat inwoners en ondernemers voldoende tijd moeten hebben om over te schakelen op een andere manier van verwarmen. Een onderbouwing van de haalbaarheid van de energie-infrastructuur en van de gekozen aanpak. Het moet zeker zijn dat de nieuwe infrastructuur voor de nieuwe warmteoplossing beschikbaar is voor alle woningen om de overstap te maken. Ook moeten inwoners en ondernemers de acties kunnen uitvoeren die nodig zijn voor de overstap, ook als er tegenslagen zijn. We werken uit op welke manier gebouwen kunnen aansluiten op de nieuwe warmteoplossing. De benodigde investering en de betaalbaarheid voor de bewoners, ondernemers en andere gebouweigenaren. Het installeren van de nieuwe warmteoplossing kost geld. Vooraf moet duidelijk zijn wat de kosten zijn voor gebouweigenaren om over te stappen op een nieuwe warmteoplossing. Deze kosten moeten voor iedereen betaalbaar zijn.

In hoofdstuk 4 staat per buurt aangegeven welke nieuwe warmteoplossing wordt uitgewerkt. Inwoners en ondernemers hoeven niet aan te sluiten op de nieuwe warmteoplossing die de gemeente voorstelt. Zij hebben altijd het recht om zelf te kiezen voor een andere warmteoplossing. Dat noemen we de opt-outregeling. De voorwaarde is wel dat de andere warmteoplossing minimaal even duurzaam is als de warmteoplossing die de gemeente voorstelt. In de uitwerking van het uitvoeringsplan gaat we het inzetten van de aanwijsbevoegdheid verder uitwerken. We streven ernaar om met de inzet van de aanwijsbevoegdheid de buurten die in tabel 16 staan genoemd, voor 2040 van het aardgas af te halen. Dit kan door één datum te stellen of stapsgewijs per buurt. In onderstaand overzicht is aangegeven voor welke buurten we aan de slag gaan met de uitwerking van de aanwijsbevoegdheid in het uitvoeringsplan. Voor iedere buurt is inzichtelijk gemaakt: - Welke warmteoplossing wordt voorzien voor de vervanging van aardgas. - Hoeveel gebouwen zich in het gebied bevinden en hoeveel daarvan geïsoleerd moeten worden voordat de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet. - Wat de totale kosten van de nieuwe warmteoplossing voor de maatschappij zijn. - Wat de verwachte gemiddelde warmtevraag is van de gebouwen waar de aanwijsbevoegdheid voor gaat gelden. De buurten zijn op alfabetische volgorde opgenomen in de tabel.

Dit zegt niets over de volgorde waarin de aanwijsbevoegdheid wordt ingezet.

45

Buurten

Voornemen tot aanwijzing

Aantal gebouwen

Waarvan te isoleren**

Infrastructuur

Artiestenbuurt

Ja

1.536

0

Eikelenburg

Ja

192

0

Haantje

Ja

49

Hoekpolder (gebouwde omgeving) Kleurenbuurt

Ja

231 (waarvan 49 met aardgasaansluiting) 373

MTwarmtenet Warmtepomp of bronnet Warmtepomp

0

Ja

1.573

0

Ministerbuurt

Ja

2.150

0

Muziekbuurt

Ja

2.256

0

Pasgeld Presidentenbuurt

Ja Ja

228 426

228 0

Sion

Ja

52

Stervoorde

Ja

1.1102 (waarvan 52 met aardgasaansluiting) 3.444

Wilhelminapark

ja

4

4

0

Gemiddelde warmtebehoefte GJ/ha * 2023 2035 2361 1491 156

104

247

156

MTwarmtenet

11

6

Mtwarmtenet Mtwarmtenet Mtwarmtenet Warmtepomp Mtwarmtenet Warmtepomp

2352

1857

1667

1257

1917

1570

1633

1174

115

75

MTwarmtenet Warmtepomp

1533

1176

2

1

Tabel 16 Aanwijsbevoegdheid

* In de gemiddelde warmtebehoefte na 2023 is rekening gehouden met de verduurzamingopgave van de woningcorporaties en de aanname dat de warmtevraag voor particulier bezit gemiddeld 1,4% per jaar afneemt door isolatie. ** Aanname is dat alle gebouwen die nu nog een aardgasaansluiting hebben en waar een warmtepomp de als toekomstige warmteoplossing is voorzien, enige mate van isolatie nodig hebben om over te stappen op verwarming met een warmtepomp. De mate waarin isoleren nodig is, verschilt per gebouw.

6.6 Kavelplan Om in 2050 alle gebouwen aardgasvrij te laten zijn, moeten we nu aan de slag met het aardgasvrij maken van de eerste buurten. In tabel 16 is aangegeven welke buurten we als eerste op een collectief warmtenet willen zetten om aardgasvrij te worden. Dit doen we stap voor stap. Een van de stappen in het proces is om een warmtekavel aan te wijzen. Een warmtekavel is een aaneengesloten gebied waar een collectief 46

warmtenet als alternatief voor aardgas is voorzien. Met de kennis van nu denken wij dat het gebied van Rijswijk-West (figuur 17) één warmtekavel is.

Figuur 17: Kavelkaart

Op dit moment zullen we niet toewerken naar het aanwijzen van één warmtekavel waar alle buurten in Rijswijk waar we nu een warmtenet voorzien, onder vallen. Hiervoor zijn een aantal redenen. Ten eerste willen we eerst ervaring op doen in de warmtekavel Rijswijk-West. Het toepassen van de wettelijke bepalingen uit de Wcw om een kavel aan te wijzen is nog nergens in Nederland toegepast. Dit betekent dat we nog geen kennis hebben. We willen de kennis die wij opdoen en de kennis elders in Nederland gebruiken voor de volgende fases in de warmtetransitie in Rijswijk. Daarnaast kunnen we nu niet overzien wat de gevolgen zijn van de keuze voor één warmtekavel. Daarbij zien we geen noodzaak om tot het aanwijzen van één kavel voor de gehele gemeente te komen. Een warmtenet in andere buurten van Rijswijk voorzien we pas na 2036. 47

Het beoogde kavel Rijswijk-West voldoet, met de kennis van nu, aan de criteria die de Wcw stelt aan een kavel: 1. Het warmtebedrijf moet het collectieve warmtesysteem doelmatig aanleggen en exploiteren. Dat betekent dat het warmtesysteem tegen zo laag mogelijke kosten moet worden gerealiseerd en beheerd. Situatie Rijswijk-West: het ontwikkelen van nieuwe warmtenetten in bestaand stedelijk gebied is nog zeer lastig. Om de risico’s ook voor het warmtebedrijf niet te groot te maken moet de opgave niet te groot zijn en in de tijd niet te lang duren. Dit blijkt ook uit de studies naar de haalbaarheid die we afgelopen jaren in samenwerking met het publiek warmtebedrijf HVC hebben opgesteld. Met 8.000-10.000 WEQ in Rijswijk-West is er voldoende volume om een warmtesysteem tegen zo laag mogelijke kosten aan te leggen en te beheren. 2. De leveringszekerheid moet worden geborgd. De warmtekavel moet voldoende omvang hebben om in de warmtevraag te voorzien, ook bij piekverbruik of als er sprake is van gedeelde bronnen of infrastructuur. Een bron kan immers in sommige gevallen worden gebruikt voor meerdere kavels, waardoor je de bron en de infrastructuur deelt. Situatie Rijswijk-West: het warmtenet van Rijswijk komt “te hangen” in een groot regionaal warmtenet met verschillende duurzame warmtebronnen.

De omvang van de kavel is groot genoeg om het warmtenet op de kavel op een rendabele manier door verschillende bronnen te laten voeden. 3. De omvang van de warmtekavel moet bijdragen aan een efficiënte warmtetransitie in één of meerdere gemeenten. Dit betekent dat de inzet van warmtebronnen en infrastructuur leidt tot de laagste maatschappelijke kosten en een efficiënter energiesysteem. Situatie Rijswijk-West: Hierover valt nu nog niet veel te zeggen. Hiervoor ontbreekt nog te veel praktijk kennis. De warmtekavel Rijswijk West maakt in de toekomst onderdeel uit van een regionaal systeem van warmtebronnen en infrastructuur. Door sterke sturing zal dit moeten leiden tot de laagste maatschappelijke kosten en een efficiënter energiesysteem Daarnaast is het op een later moment mogelijk om (gemotiveerd) de kavelindeling te wijzigen. De gemeente kan de kavel op een later moment vergroten als de warmtekavel blijft voldoen aan de wettelijke criteria zoals ze hierboven zijn beschreven. Ook kan de gemeente de kavel verkleinen. Ook dan blijven deze wettelijke criteria gelden, maar belangrijker is wellicht dat het warmtebedrijf voldoende rendement moet blijven behalen om zijn taken en verplichtingen uit te voeren. Ook vergt het verkleinen van de warmtekavel instemming van het warmtebedrijf. Uiteindelijk kan ook sprake zijn van het samenvoegen van twee of meerdere warmtekavels.

Het samenvoegen van kavels kan bijvoorbeeld wenselijk zijn vanwege een gezamenlijke aanpak of schaalvoordelen. Ook voor het samenvoegen van warmtekavels geldt dat de nieuwe warmtekavel moet voldoen aan de wettelijke criteria. Daarnaast mag slechts één warmtebedrijf per warmtekavel integraal verantwoordelijk zijn voor het transport en de levering van warmte. Daarom moeten beide warmtekavels hetzelfde warmtebedrijf hebben of moet er tot een nieuwe organisatie worden overgegaan. Kortom er zijn voldoende mogelijkheden om in Rijswijk nu niet alle warmtekavels te definiëren en op een later moment te komen tot een gedetailleerde kavelindeling.

6.7 Hoe betrekken we inwoners en ondernemers? De warmtetransitie heeft gevolgen voor alle woning- en pandeigenaren binnen de gemeente. Het succes van deze transitie hangt niet alleen af van technische oplossingen, maar ook van de betrokkenheid van de inwoners. De gemeente ziet communicatie (informeren) en participatie (betrekken) als belangrijke onderdelen om draagvlak te creëren en inwoners actief te betrekken bij dit proces. 48

We hebben als gemeente nog niet op alle vragen een antwoord. Dit komt doordat de transitie nog vol onzekerheden zit. De weg naar de overstap op een duurzame energiebron is continu in beweging en er zijn veel partijen betrokken. Onze stip op de horizon is: ‘Rijswijk aardgas vrij in 2050’ en stap voor stap proberen we de weg hiernaartoe duidelijk te krijgen. We doen dit samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners. Door gedurende het proces duidelijk te communiceren en in te zetten op het betrekken van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners, hopen we steeds dichter bij ons doel Rijswijk aardgasvrij in 2050 te komen. De gemeente vindt het belangrijk om inwoners goed te informeren over wat de energietransitie inhoudt. Dit doen wij door duidelijke en toegankelijke communicatiekanalen in te zetten, zoals nieuwsbrieven, sociale media en informatiebijeenkomsten. We vinden het belangrijk dat inwoners begrijpen waarom de warmtetransitie nodig is en welke gevolgen dit met zich meebrengt. De gemeente hecht er veel waarde aan dat inwoners de kans krijgen om hun stem te laten horen over de warmtetransitie in Rijswijk. Naarmate we dichter richting 2050 komen, gaan we steeds meer richting de uitvoering. De mate van communicatie en participatie zullen meebewegen en meer op wijkniveau plaats gaan vinden. Ook zal het aantal participatiemomenten toenemen.

Dit doen we door zowel digitale als reguliere participatiebijeenkomsten te organiseren waar inwoners hun ideeën en betrokkenheid kunnen delen. Door een open dialoog te creëren, is het de bedoeling dat inwoners zich betrokken voelen, informatie kunnen vinden, vragen kunnen stellen, hun mening kunnen geven en ideeën kunnen bespreken. Het gebruik van digitale platforms zien wij als een waardevolle aanvulling op onze communicatie- en participatiestrategieën. Op onze website Rijswijk schakelt over | Gemeente Rijswijk kunnen inwoners van Rijswijk informatie vinden, vragen stellen en zich inschrijven voor onze digitale nieuwsbrief. Door het zorgvuldig plannen en inzetten van alle communicatie- en participatiemomenten maken we deelname aan het energietransitieproces voor iedereen mogelijk. Het delen van successen is belangrijk om inwoners te laten zien wat hun betrokkenheid heeft opgeleverd. De gemeente Rijswijk blijft luisteren naar de feedback van inwoners en neemt deze serieus. Het proces van de warmtetransitie is dynamisch en kan zich ontwikkelen op basis van de input van inwoners. Door inwoners actief te betrekken en feedback te integreren in het vormgeven van beleid, kan de gemeente ervoor zorgen dat de warmtetransitie niet alleen een technisch project is, maar ook een gezamenlijke inspanning van de hele gemeenschap.

Communicatie en participatie versterken elkaar De gemeente Rijswijk ziet communicatie en participatie niet als twee losse trajecten, maar als een wederkerig en circulair proces dat elkaar voortdurend versterkt. Heldere communicatie vergroot de betrokkenheid, terwijl participatie waardevolle input oplevert die terugvloeit in de communicatie. Zo ontstaat een open en lerend proces waarin inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners zich niet alleen geïnformeerd voelen, maar ook daadwerkelijk gehoord en meegenomen. Communicatie gaat dus verder dan het zenden van informatie: het is een uitnodiging tot verbinding. Door eerlijk, helder en toegankelijk te communiceren ontstaat ruimte voor ontmoeting, uitwisseling en het delen van ideeën. Dit bevordert niet alleen transparantie, maar versterkt ook het onderlinge vertrouwen – zowel in het proces als in elkaar. Vier kernwaarden vormen hierbij het fundament: 1. Verbinding – We slaan bruggen tussen inwoners, gemeente en partners. Door actief te luisteren en ruimte te geven aan verschillende perspectieven, bevorderen we onderling begrip. 2. Toegankelijkheid – Iedereen moet kunnen meedoen. Informatie is begrijpelijk en participatiemomenten zijn laagdrempelig en uitnodigend. 49

3. Transparantie – We zijn open over wat we weten én over wat nog onzeker is. We maken duidelijk welke stappen nog volgen en waarom. 4. Vertrouwen – We investeren in duurzame relaties waarin mensen zich serieus genomen voelen. Vertrouwen vormt de basis voor gezamenlijke verandering. Door communicatie en participatie op deze manier met elkaar te verweven, wordt de warmtetransitie niet alleen een technisch traject, maar een gezamenlijke beweging van de hele gemeenschap – gedragen, verbonden en voortdurend in ontwikkeling. Daarvoor zetten we in op de ontwikkeling van een merk en de merkbeleving die daarbij hoort.

Merkbeleving De energietransitie raakt direct aan het dagelijks leven van inwoners. Het is een complexe en technische opgave die bij veel inwoners nog ver weg voelt. Begrippen als ‘aardgasvrij’, ‘bodemwarmte’, ‘warmtepomp’, of ‘hittestress’ zijn abstract of onbekend. Daarom zien we een sterke merkbeleving als een noodzakelijke communicatiestrategie. Het helpt om beleid te vertalen naar begrijpelijke, herkenbare en toegankelijke boodschappen die vertrouwen wekken en tot actie aanzetten. Met een merkbeleving voor programma’s en plannen op gebied van energie en klimaat, zetten we in op: o Het creëren van samenhang en overzicht: De uitvoering van programma’s en plannen bestaan uit uiteenlopende projecten die nu vaak als losse onderdelen worden gecommuniceerd. Een overkoepelende merkidentiteit verbindt deze onderdelen tot één samenhangend verhaal. Hierdoor ervaren inwoners overzicht in plaats van versnippering. o Herkenbaarheid en vertrouwen opbouwen: Een vaste visuele stijl, toon en boodschap zorgen voor herkenning. Inwoners herkennen: “Dit hoort bij het grotere verhaal van een duurzamer Rijswijk”. Die consistentie wekt vertrouwen, een essentiële voorwaarde bij ingrijpende veranderingen in huis of buurt. o Toegankelijkheid en aansluiting bij de leefwereld van inwoners: We kiezen voor merkbeleving met eenvoudige taal, menselijke verhalen en visuele communicatie.

Dat is essentieel om ook inwoners te bereiken die minder talig zijn of duurzaamheid nog als ‘ver van hun bed’ ervaren. Denk aan huurders, ouderen, mensen met een migratieachtergrond of lage energie in het onderwerp. o Verbinding stimuleren tussen beleid en participatie: We zetten niet alleen in op herkenbaarheid van de afzender, maar ook voor emotionele verbinding. Wanneer inwoners zich kunnen identificeren met het verhaal, ontstaat ruimte voor participatie. Niet omdat het moet, maar omdat ze zich uitgenodigd voelen om mee te doen. o De beweging van beleid naar actie: Uiteindelijk willen we niet alleen informeren, maar activeren. Inwoners helpen met het isoleren van hun woning, zich voorbereiden op hittestress, of kiezen voor een duurzame warmtebron. Een merkbeleving maakt van deze doelen een gedeeld project, niet van de gemeente, maar van de hele stad. Een goed merk is niet alleen een logo of campagne. Het is een gevoelde identiteit, die richting en samenhang geeft aan alle communicatie en de brug slaat tussen beleid en beleving. We gaan hiermee aan de slag, zodat onze plannen niet alleen technisch kloppen, maar ook gevoelsmatig landen bij de mensen om wie het gaat.

50

7. Monitoring Het Warmteprogramma wordt iedere 5 jaar herzien. In de periode daartussen wordt het programma uitgevoerd en jaarlijks gemonitord. Daarmee krijgen we inzicht in hoever we zijn in het aardgasvrij maken van Rijswijk, wat daarin goed werkt en wat verbetering vraagt. Op die manier willen we leren en tussentijds bijstellen als dat nodig is. Hieronder beschrijven we op welke wijze we aan de slag gaan met de monitoring. We maken onderscheid in twee vormen van monitoring: de procesmonitor en de voortgangsmonitor. De procesmonitor is gericht op de uitvoering van het Warmteprogramma in uitvoeringsplannen en kavelplannen. Met de voortgangsmonitor houden we bij hoeveel woningen zijn geïsoleerd (energieverbruik) en/of aardgasvrij zijn gemaakt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=81cc0a43-4137-46fd-9600-3145700c81e1