CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

RIB 25 074 bijlage 1 Ontwerp Warmteprogramma 2025

Forum Stad 7 oktober 2025, gemeente RijswijkBij agendapunt: Lijst van ingekomen stukken: vaststelling wijze van afdoening19.399 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ontwerp Warmteprogramma Rijswijk 2025 Rijswijk aardgasvrij

Versie: 1.0 (ontwerp) September 2025 Team Energie & klimaat Gemeente Rijswijk 1

Inhoudsopgave Rijswijk aardgasvrij ...............................................................................................................................1 Voorwoord .......................................................................................................................................4 Samenvatting ...................................................................................................................................5 Begrippenlijst ...................................................................................................................................9 1. Inleiding ..................................................................................................................................... 12 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................. 12 1.2 Doelstellingen ....................................................................................................................... 13 1.3 Wat wordt beschreven in dit Warmteprogramma? .................................................................... 13 2. De opgave ..................................................................................................................................

15 2.1 Energievraag ......................................................................................................................... 15 2.2 Warmtevraag 2023-2035 ........................................................................................................ 16 2.3 Warmtedichtheid per wijk ...................................................................................................... 17 2.4 Toenemende elektriciteitsvraag en netcongestie ..................................................................... 18 3. Kaders........................................................................................................................................ 20 3.1 Omgevingsvisie ..................................................................................................................... 20 3.2 Regionale ontwikkelingen ....................................................................................................... 20 3.3 Het elektriciteitsnet ............................................................................................................... 21 3.4 Klimaatneutraal gas ............................................................................................................... 23 4. Toekomstige warmteoplossingen .................................................................................................

24 4.1 Een warmtenet ...................................................................................................................... 24 4.2 Individuele warmtepomp ....................................................................................................... 26 5. Hoe gaan we Rijswijk in de toekomst verwarmen? ......................................................................... 28 5.1 Hoe maken we een keuze voor een warmteoplossing? ............................................................. 28 5.2 Warmteoplossingen in Rijswijk ............................................................................................... 30 5.3 Aanpak per gebied ................................................................................................................. 33 5.4 Voorwaarden voor uitvoering .................................................................................................. 37 5.5 Wet- en regelgeving ............................................................................................................... 38 6. Wat gaan we doen? ...................................................................................................................... 40 6.1 Aanpak .................................................................................................................................

40 6.2 Energiebesparing door passend isoleren ................................................................................. 40 6.3 Een gefaseerde overstap naar een duurzame warmteoplossing ................................................ 41 6.4 Energiesystemen ................................................................................................................... 44 6.5 Aanwijsbevoegdheid .............................................................................................................. 45 6.6 Kavelplan .............................................................................................................................. 46 6.7 Hoe betrekken we inwoners en ondernemers? ........................................................................ 48 7. Monitoring .................................................................................................................................. 51 7.1 Procesmonitoring .................................................................................................................. 51 7.2 Voortgangsmonitor ................................................................................................................ 51 8. Hoe is dit Warmteprogramma tot stand gekomen? ........................................................................

52 8.1 Terugblik Transitievisie Warmte ............................................................................................... 52 8.2 Participatie en communicatie ................................................................................................. 53 2

8.3 Milieueffectrapportage .......................................................................................................... 53 8.4 Wie hebben er meegedacht? .................................................................................................. 55 8.5 Bronnen ................................................................................................................................ 55

3

Voorwoord

Klimaatverandering raakt ons allemaal. De gevolgen zijn wereldwijd zichtbaar en ook in Nederland merken we steeds vaker de impact. Toegenomen hitte, droogte en wateroverlast zetten onze leefomgeving onder druk. In 2015 is wereldwijd in het Klimaatakkoord van Parijs afgesproken om de opwarming van de aarde te beperken. Nederland heeft deze afspraken wettelijk verankerd in de Klimaatwet. Daarin staat dat we de CO₂-uitstoot fors verminderen. Een onderdeel hiervan is het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Ook in Rijswijk zijn we hiermee aan de slag. Het Warmteprogramma Rijswijk 2025 laat zien hoe we stap voor stap toewerken naar een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050. Dat lijkt nog ver weg, maar de opgave is groot en vraagt nu om actie. Alleen als we nu keuzes maken en voorbereidingen treffen, kunnen we de doelstelling halen en zorgen voor een betaalbare, betrouwbare en duurzame warmtevoorziening. Voor alle inwoners en ondernemers in Rijswijk. De energietransitie is geen simpele route met één oplossing. Iedere buurt, ieder gebouw is anders. Technische mogelijkheden verschillen, net als bewonerswensen, draagvlak en tempo. Tegelijkertijd moet er rekening worden gehouden met regionale en landelijke ontwikkelingen, zoals het overvolle elektriciteitsnet, toenemende hittestress en veranderende politieke landschappen.

Dit programma is gebaseerd op actuele inzichten en een zorgvuldige afweging van technische mogelijkheden en de maatschappelijke kosten. Vanuit de participatiebijeenkomsten met inwoners is duidelijk geworden dat de haalbaarheid en de betaalbaarheid belangrijk is voor inwoners om de overstap te maken naar aardgasvrij verwarmen. Deze voorwaarden zijn daarom in dit Warmteprogramma benoemd als randvoorwaarden om aan de slag te gaan. De komende jaren doen we steeds meer ervaring op en daarom herijken we dit programma elke vijf jaar. Zo blijven we leren en verbeteren. Dit programma voeren we niet alleen uit. Rijk, regio, gemeente, inwoners, maatschappelijke organisaties én ondernemers moeten samen optrekken. Ook werken we intensief samen met onze buurgemeenten en de provincie Zuid-Holland. Want warmte en elektriciteit stopt niet bij de gemeentegrens. Alleen met een gezamenlijke blik op de toekomst kunnen we een efficiënt en betrouwbaar energiesysteem bouwen. We zijn van elkaar afhankelijk en kunnen elkaar verstreken. Laten we daarom gezamenlijk werken aan toekomstbestendig en duurzaam energiesysteem voor het verwarmen van onze gebouwen. Het Warmteprogramma Rijswijk 2025 is meer dan een technisch document. Het is een uitnodiging aan iedereen om mee te denken, mee te doen en verantwoordelijkheid te nemen. Voor een toekomstbestendig, duurzaam en eerlijk Rijswijk.

Want we moeten zorgdragen voor de aarde waarop we leven, voor onszelf en voor toekomstige generaties. Mark Wit Wethouder Energie en Klimaat

4

Samenvatting Het Warmteprogramma 2025 is de uitwerking van de Transitievisie Warmte 2021 en vormt de lokale invulling van de wettelijke verplichting onder de Omgevingswet en de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw). Het is de routekaart naar een aardgasvrije gebouwde omgeving in Rijswijk in 2050. Dit programma geeft richting aan welke warmteoplossingen de meest passende duurzame warmteoplossing is per wijk, op welk moment de overstap naar aardgasvrij gepland is, en op welke wijze we daarnaartoe werken. De belangrijkste drijvende krachten achter dit programma zijn de klimaatdoelstellingen uit het Klimaatakkoord uit 2019 en de Klimaatwet uit 2023 waarin staat dat in 2050 de gebouwde omgeving volledig aardgasvrij moet zijn. In het klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten de regie voeren op de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. Ook de versterkte urgentie die is ontstaan door geopolitieke instabiliteit (bijv. de oorlog in Oekraïne) en de stijgende energieprijzen; energie-onafhankelijkheid zijn belangrijke redenen om aan de slag te gaan met de overstap naar een aardgasvrij verwarmen. Met dit Warmteprogramma informeren we inwoners en ondernemers over alternatieve oplossingen voor het verwarmen van gebouwen en tapwater in de toekomst en het verwachte tijdpad dat daar per gebied bij hoort.

We geven inzicht in de afwegingen die zijn gemaakt in de keuze voor een warmteoplossing per buurt en welke stappen er in de komende jaren volgen om uitvoering te geven aan dit programma. Doel van het Warmteprogramma In 2050 moeten alle circa 23.000 gebouwen in Rijswijk die nu nog gebruik maken van aardgas voor het verwarmen van het gebouw en het tapwater, zijn overgestapt op een duurzame warmteoplossing. Het Warmteprogramma beschrijft per buurt de meest passende duurzame warmteoplossing. We voorzien 3 toekomstige warmteoplossingen: 1. Een midden temperatuur warmtenet. 2. Een (zeer) lage temperatuur warmtenet. 3. Of een individuele warmtepomp. Op basis van de verwachte toekomstige warmte- en koelvraag, de kenmerken van gebouwen (zoals ligging en bouwjaar) en belangrijke uitgangspunten, is bekeken welke warmteoplossing per buurt het best passend is. Dit betekent niet dal alle gebouwen in die buurt ook daadwerkelijk die warmteoplossing zullen gebruiken. Er blijft keuzevrijheid om de warmteoplossing te kiezen die hebt beste bij de woning of het pand past. In het onderstaande kaartje is inzichtelijk gemaakt welke warmteoplossing we voor iedere buurt voorzien als alternatief voor aardgas.

5

Figuur 1: Warmtestrategiekaart

Uitganspunten Voor het opstellen van dit Warmteprogramma zijn een aantal uitgangspunten opgesteld die richting geven aan de keuzes voor een warmteoplossing per buurt. Deze uitgangspunten zijn: -

De warmteoplossing moet bijdragen aan de reductie van CO₂-uitstoot. Vanwege de beperkte beschikbaarheid van klimaat neutrale gassen, rekenen we hier niet op als toekomstige warmteoplossing voor de gebouwde omgeving. We kiezen zoveel mogelijk voor de warmteoplossing met de laagste maatschappelijke kosten. We maken gebruik van lokale energiebronnen die passen in het regionale warmtesysteem. We proberen de belasting we het elektriciteitsnet zoveel mogelijk te beperken.

De energietransitie vraagt om een nieuwe (warmte) infrastructuur en uitbreiding van bestaande elektriciteitsnetten. De druk op het elektriciteitsnet neemt toe. Tot 2050 moeten er vele tientallen 6

miljarden euro’s 1 in het elektriciteitssysteem worden geïnvesteerd om de stijgende elektriciteitsvraag, met name in de pieken, op te vangen. Eind 2024 heeft TenneT netcongestie afgekondigd voor het hoogspanningsnet in bijna heel Zuid-Holland. Begin 2025 heeft Stedin netcongestie afgekondigd voor het midden en laagspanningsnet dat ook delen van Rijswijk bediend. Door te kiezen voor oplossingen met een kleine capaciteitsvraag voor het elektriciteitsnet, houden we de benodigde investeringen voor uitbreiding van het elektriciteitsnet zo laag mogelijk. Randvoorwaarden De overstap van aardgas naar een duurzaam alternatief brengt grote veranderingen met zich mee die iedereen in de stad zal merken. De veranderingen hebben impact om de leefomgeving maar ook op eigendom van onze inwoners en ondernemers. Dit vraagt om een zorgvuldig proces. De gemeente gaat alleen aan de slag als aan de volgende belangrijke voorwaarden is voldaan: -

-

-

Iedereen moet mee kunnen doen in de overstap naar duurzame energie. De overstap vraagt om technische aanpassingen. Het vraagt kennis, tijd en ruimte om alle keuzes die inwoners daarvoor moeten maken te overzien. Hier moet rekening mee worden gehouden in de planvorming. De overstap naar duurzame energie kan alleen plaatsvinden als deze betaalbaar is. Wat de definitie van betaalbaar is, is nog niet duidelijk. Het Rijk is bezig met een uitwerking. Wel is nu al duidelijk dat de overstap geld kost en dat niet iedereen dat kan betalen. Aanvullende financiering vanuit het Rijk is voor deze inwoners nodig om de overstap te maken. Wetgeving is nodig om aan de slag te gaan. Wet- en regelgeving is van belang omdat de energievoorziening een nutsvoorziening is. Om inwoners en ondernemers duidelijkheid te geven en bescherming te bieden, plannen van de gemeenten democratisch te borgen en gemeenten bevoegdheden te geven om uiteindelijk door te kunnen pakken, is wetgeving nodig.

Aanpak en uitvoering Om de ambitie aardgasvrije buurten in 2050 te halen, moet er veel gebeuren. Dat betekent dat we nu aan de slag moeten om die doelstelling te halen. De gemeente werkt de komende jaren via drie sporen: 1. Energiebesparing We zetten in op energiebesparing met kleine maatregelen, zoals bewustwording en gedrag, en grote maatregelen, zoals woningisolatie. De gemeente biedt advies en ondersteuning aan inwoners en VvE’s om aan de slag te gaan met isolatiemaatregelen. Daarin is er aandacht voor goede ventilatie en mogelijkheden voor het passief koelen van de woning in de zomer. 2. Een gefaseerde overstap naar een duurzame warmteoplossing We gaan aan de slag met het opstellen van uitvoeringsplannen. In de uitvoeringsplannen werken we per buurt de overstap naar een duurzame warmteoplossing verder uit. We verwachten te starten met het opstellen van uitvoeringsplannen voor de buurten in Rijswijk West (Stervoorde, Ministerbuurt, Presidentenbuurt, Hoekpolder, Muziekbuurt, Artiestenbuurt, en de Kleurenbuurt), RijswijkBuiten en

1

Schakelen naar de toekomst – IBO bekostiging elektriciteitsinfrastructuur, Rijksoverheid

7

Eikelenburg. Met het opstellen van het uitvoeringsplan gaan we ook aan de slag met het uitwerken van de aanwijsbevoegdheid. De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) geeft gemeenten de bevoegdheid om in het Omgevingsplan te bepalen op welk moment een buurt definitief van het aardgas af gaat. Die bevoegdheid wordt de aanwijsbevoegdheid genoemd. De aanwijsbevoegdheid is een grote stap en vraagt om zorgvuldige uitwerking. De inzet ervan is belangrijk om te voorkomen dat de samenleving hoge kosten moet betalen voor het in stand houden van een aardgasnetwerk voor een klein aantal gebouwen. Voor de buurten waar een midden temperatuur warmtenet als oplossing is voorzien, gaan we aan de slag met het aanwijzen van een warmtekavel. Vanuit de Wet collectieve warmte krijgen gemeente de bevoegdheid om gebieden aan te wijzen waar een warmtebedrijf het warmtenet aanlegt en exploiteert. Dit gebied heet een warmtekavel. De verwachting is dat het gebied van Rijswijk-West één warmtekavel is (rode gebied op onderstaande kaartje).

Figuur 2: kavelkaart

3. Doelmatige inrichting van het energiesysteem Voor de inrichting van een doelmatig energiesysteem werken we in de Regionale Energiestrategie (RES) Rotterdam Den Haag met omliggende gemeenten en alle andere betrokkenen (zoals Stedin, WarmtelinQ, aardwarmtebedrijven, warmtebedrijven en provincie), samen aan een eindbeeld waarin de warmtevraag en het warmteaanbod op elkaar is afgestemd.

8

Begrippenlijst Begrip

Toelichting

Aanwijsbevoegdheid

De bevoegdheid van gemeenten om vanuit hun regierol gebieden aan te wijzen die binnen een bepaalde termijn aardgasvrij moeten worden en overgaan op een duurzame warmtevoorziening.

Aquathermie

Aquathermie is het verwarmen en koelen van gebouwen door gebruik te maken van warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater (riothermie) of drinkwater.

Bodemenergie

Bodemenergie is het gebruiken van de bodem om warmte en koude te onttrekken en in op te slaan. Bodemenergie vindt plaats in de ondiepe ondergrond, tot 500 meter.

Duurzaam gas

Duurzaam gas is een verzamelnaam voor groengas en waterstof.

Energiehub

Een energiehub is een lokale samenwerking tussen gebruikers en producenten van energie, die gezamenlijk energieopwek, -transport, opslag en -verbruik op elkaar afstemmen

Geothermie of aardwarmte

Geothermie is warmte in de diepe ondergrond, vanaf 500 meter en dieper. Afhankelijk van de diepte kan aardwarmte een warmtenet voorzien van warmte met een temperatuur van 70° tot 90° C.

Groengas

Groengas is hernieuwbaar gas dat gemaakt wordt uit resten van biologisch materiaal en is opgewerkt tot aardgaskwaliteit. Het wordt gebruikt in onder andere het bestaande gasnet.

HTO (Hoge temperatuur opslag)

Hoge Temperatuur Opslag (HTO) is een techniek voor energieopslag waarbij warmte van een hoge temperatuur (meer dan 70 graden) in de ondiepe ondergrond (tot 500 meter) wordt opgeslagen. De warmte kan afkomstig zijn uit bronnen die het hele jaar door warmte leveren, zoals aardwarmte of restwarmte. Een warmtepomp in combinatie met een gasketel. De warmtepomp gebruikt elektriciteit om de warmte van de bron naar de bruikbare temperatuur voor verwarming en warm tapwater te verhogen. Op de koudste dagen van het jaar helpt de gasketel (op aardgas) mee met het verhogen van de temperatuur. De hoeveelheid energie die nodig is om de temperatuur in een gebouw omlaag te brengen naar de gewenste temperatuur. Dit wordt ook welke koeltevraag genoemd.

Hybride warmtepomp

Koudevraag

KWh (kilowattuur)

Lage temperatuur warmtenet Maatschappelijke kosten

Een eenheid om energieverbruik te meten. Het is de hoeveelheid energie die een apparaat met een vermogen van 1 kilowatt (1000 watt) gebruikt gedurende 1 uur. Een leidingnetwerk dat water met een temperatuur van circa 40° - 50° Celsius van een bron naar woningen/gebouwen brengt. De maatschappelijke kosten zijn de kosten die we als samenleving betalen voor de toepassing van een duurzame warmteoplossing. Dit wordt ook wel de nationale kosten genoemd (bijvoorbeeld in de PBLstartanalyse). Kosten die onder de maatschappelijke kosten vallen zijn bijvoorbeeld: de aanleg van warmtenetten, uitbreiding van het elektriciteitsnet, isolatiemaatregelen, aanschafkosten van warmtepompen, etc. 9

MER

Het milieueffectrapport.

mer

De milieueffectrapportage: de procedure voor het opstellen van het milieueffectrapport.

Midden temperatuur warmtenet

Een leidingnetwerk dat water met een temperatuur tussen de 50 en 70° Celsius van een bron naar woningen/gebouwen brengt.

MWh (megawattuur)

Een eenheid om het energieverbruik te meten. Een megawattuur is gelijk aan 1000 kilowattuur. (Zie begrip Kilowattuur)

Netcongestie

nMIEK

Netcongestie is een situatie in het elektriciteitsnetwerk waarbij de capaciteit van het netwerk onvoldoende is om de gevraagde hoeveelheid elektriciteit te transporteren. Dit kan bij te veel vraag (afname) of opwek (invoeden). Nationaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat

pMIEK

Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat

RES Rotterdam -Den Haag (RESregio)

RES staat voor Regionale EnergieStrategie. De RES Rotterdam Den Haag is een samenwerking van 21 gemeenten, 4 waterschappen, de provincie Zuid-Holland, de netbeheerder Stedin en Natuur en milieufederatie Zuid-Holland. De gemeente Rijswijk is onderdeel van deze samenwerking. Restwarmte is warmte die ontstaat bij een productieproces. Deze warmte wordt afgevangen en via een warmtenet naar gebouwen gebracht om gebouwen en tapwater te verwarmen.

Restwarmte

Uitvoeringsplan

Een uitvoeringsplan is een plan om de gebouwde omgeving in een bepaald gebied en tijd aardgasvrij te maken.

VvE's

VvE staat voor vereniging van eigenaren. De vereniging is eigenaar van één of meer gebouwen en voert het beheer over het gemeenschappelijke gebouw uit. De leden van de vereniging hebben het recht om in een bepaalde niet grondgebonden woning die onderdeel uitmaakt van dat gebouw te wonen. Een warmtegemeenschap is een organisatievorm waarbij een groep inwoners zelf een warmtenet ontwikkelt en exploiteert, zonder winstoogmerk. Het eigendom en de zeggenschap liggen bij de eindgebruikers van het warmtenet, waardoor het een lokaal en democratisch initiatief is. Een aaneengesloten gebied binnen een of meerdere gemeenten waar een warmtenet als alternatief voor aardgas is beoogd en waarvoor een warmtebedrijf is of kan worden aangewezen.

Warmtegemeenschap

Warmtekavel

Warmtenet

Warmtepomp

Waterstof

Een leidingnetwerk dat water van een bron naar woningen/gebouwen brengt voor de verwarming van het gebouw en tapwater. Dit wordt ook wel stadsverwarming of stadswarmte genoemd. Warmtenetten kunnen verschillende aanvoertempraturen hebben (zie lage en midden temperatuur warmtenet). Een warmtepomp verhoogt de warmte van een bron naar een bruikbare temperatuur voor het gebruik van de verwarming en warm tapwater. Een warmtepomp doet dit met gebruik van elektriciteit en dus geen aardgas. De meest gebruikte bronnen zijn buitenlucht (luchtwarmtepomp) en de bodem (waterwarmtepomp). Waterstof is een brandbaar gas dat aardgas kan vervangen. De duurzaamheid van waterstof hangt af van de productie.

Wcw

Wet collectieve warmte.

Wgiw

Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (in werking 1 januari 10

2026). Warmte koude opslag (WKO)

Warmteoverdrachtstation (WOS) Zeer lage temperatuur warmtenet

Warmte koude opslag is een andere term voor een open bodemenergiesysteem. In een open bodemenergiesysteem wordt warmte en koude opgeslagen in watervoerende lagen in de bodem. In een warmteoverdracht-station wordt warmte van het ene leidingnetwerk overdragen op een ander leidingnetwerk. Bijvoorbeeld van een transportleiding naar het leidingnetwerk in de buurt. Een leidingnetwerk dat water met een temperatuur tot 40° Celsius van een bron naar woningen/gebouwen brengt.

11

1. Inleiding Dit is het Warmteprogramma Rijswijk 2025. Dit Warmteprogramma volgt de Transitievisie Warmte Rijswijk 2021 op. Het Warmteprogramma beschrijft op welke manier de gemeente, samen met de inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners, werkt aan het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving in Rijswijk. Het programma gaat in op de wijze, de volgorde en in welk tempo wordt toegewerkt naar een aardgasvrije gebouwde omgeving.

1.1 Aanleiding In het klimaatverdrag van Parijs (2015) is afgesproken dat 197 landen zich inzetten om de opwarming van de aarde te beperken met 1,5 tot maximaal 2 °C. Nederland heeft de doelen van het klimaatverdrag vertaald in een Klimaatakkoord (2019)2 en de Klimaatwet (2023)3. De klimaatdoelen zijn wettelijk geborgd. Dit geeft een verplichting. Het belangrijkste doel van het Klimaatakkoord is om de CO₂-uitstoot terug te brengen. De doelen zijn verdeeld over 5 sectoren: mobiliteit, elektriciteit, landbouw, industrie en de gebouwde omgeving.

Figuur 3: Het Klimaatakkoord

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/klimaatverandering/documenten/rapporten/2019/06/28/klim aatakkoord 3 https://wetten.overheid.nl/BWBR0042394/2020-01-01 2

12

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat in 2050 alle woningen en gebouwen in Nederland van het aardgas af moeten zijn. Als tussentijds doel is gesteld dat in 2030 de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd moeten zijn. In het Klimaatakkoord is vastgelegd dat gemeenten de regie hebben in de overstap naar aardgasvrije buurten. In het Warmteprogramma beschrijven gemeenten hoe ze werken aan het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Een geheel andere aanleiding is dat we minder energie afhankelijk willen zijn van andere landen. Sinds het sterk verminderen van de gaswinning in Groningen is onze afhankelijkheid van import de laatste jaren opgelopen. Door de oorlog in Oekraïne (2022) en de daarmee stijgende energieprijzen is ook het thema energieonafhankelijkheid van belang geworden binnen de opgave van de energietransitie. Een betrouwbare en betaalbare energievoorziening is cruciaal voor inwoners en bedrijven. Het is van groot belang om voldoende zekerheid te hebben over de beschikbaarheid van energie. Nu en in de toekomst. Juist in een onzekere wereld waarin geopolitieke ontwikkelingen elkaar snel opvolgen. Nederland is voor energie bijna 80% afhankelijk van import. Dat is in historische zin hoog4. Tegelijkertijd weten we ook dat we als Nederland niet zelfvoorzienend kunnen zijn. Import blijft nodig.

De kern van energieonafhankelijkheid is dan ook het voorkomen van risicovolle afhankelijkheden van andere landen.

1.2 Doelstellingen Het Warmteprogramma wordt opgesteld om: -

-

-

Een stappenplan vast te stellen, zodat het voor de gemeentelijke organisatie, woningcorporaties, de netbeheerder, regiogemeenten, ondernemers en inwoners duidelijk is wat de route is voor verdere uitvoering. Het Warmteprogramma biedt een helder (handelings)perspectief. Inzicht te geven in de afwegingen die tot bepaalde keuzes of besluiten hebben geleid en daarmee de besluitvorming transparant maken. De borging van een zorgvuldige en transparante besluitvorming is een juridische verplichting (vanuit de Omgevingswet en de Bgiw), maar ook belangrijk voor het draagvlak en het vertrouwen in de overheid. Inwoners en ondernemers te informeren over hoe het overstappen van gas naar een duurzame energiebron voor het verwarmen van gebouwen er mogelijk, met de kennis van nu, uit gaat zien. Het laat ook zien welke alternatieve warmtebronnen beschikbaar zijn en het best passend zijn voor iedere wijk en wanneer wij verwachten per gebied te starten.

1.3 Wat wordt beschreven in dit Warmteprogramma? In 2021 hebben we de voorloper van dit Warmteprogramma geschreven: ‘De Transitievisie Warmte Rijswijk 2021’. De Transitievisie Warmte (TvW) beschrijft in grote lijnen de route naar een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050. Dit Warmteprogramma beschrijft wat de verwachtingen zijn voor het realiseren van een aardgasvrije omgeving in 2050 en wat we gaan doen om dit doel te bereiken: -

We beschrijven de uitgangspunten en ontwikkelingen voor warmte en elektriciteit binnen Rijswijk.

Bron: https://www.ebn.nl/wp-content/uploads/2025/01/EBN-Infographic-2025.pdf, geraadpleegd 22-042025 4

13

-

-

-

We beschrijven de uitdaging en vergelijken hierin de huidige situatie met de verwachte ontwikkelingen rondom warmte en elektriciteit om aan te geven hoe we tot een passende warmteoplossing komen. We beschrijven per buurt welke alternatieve warmteoplossing we voorzien. Dit is de warmteoplossing met de laagst maatschappelijke kosten. Bewoners houden het recht voor om een eigen individuele warmteoplossing aan te leggen, mits deze minimaal even duurzaam is. We beschrijven voor elke buurt in Rijswijk binnen welke periode we welke stappen willen gaan zetten en welke gevolgen dit gaat hebben. Ten slotte beschrijven we het proces van hoe we tot de totstandkoming van het warmteprogramma zijn gekomen.

14

2. De opgave De ambitie is dat in 2050 alle gebouwen in Rijswijk aardgasvrij zijn. In Rijswijk is nu ruim 80% van de woningen en bedrijven (circa 23.000 gebouwen5) nog aangesloten op het aardgasnet voor verwarming van het gebouw. Slechts enkele gebouwen gebruiken aardgas voor een ander doel dan verwarmen van dit gebouw. In dit hoofdstuk schetsen we de energievraag in Rijswijk. We hebben in beeld gebracht welke en hoeveel energie gebruikt wordt voor het verwarmen van gebouwen. Dit noemen we de warmtevraag. Het verwarmen van gebouwen gebeurt nu nog hoofdzakelijk met aardgas, maar zal in de toekomst steeds meer met andere energiebronnen zijn. In dit hoofdstuk kijken we daarom naar de energievraag, waaronder de vraag naar aardgas en elektriciteit. We brengen in kaart hoe de energievraag in de gebouwde omgeving zich ontwikkelt en wat dat betekent voor de opdracht om de gebouwde omgeving aardgasvrij te maken.

2.1 Energievraag Als we kijken naar het energieverbruik van gebouwen dan maken we een onderscheid in woningen en utiliteitsgebouwen (alle panden die geen woonfunctie hebben). Voor beide is op basis van CBS-data een analyse gedaan naar het energieverbruik en de verduurzamingsmaatregelen van de afgelopen jaren (20142023).

Cijfers op een rij In 2023 had Rijswijk circa 28.000 woningen die in totaal een warmtevraag hadden van circa 761.000 GJ. De elektriciteitsvraag geleverd van het elektriciteitsnet aan alle woningen was circa 63.800 MWh. Circa 23.000 gebouwen gebruiken aardgas. De bruto vloeroppervlakte van de utiliteit in 2023 in Rijswijk was circa 2.505.000 hectare. De elektriciteitsvraag geleverd van het elektriciteitsnet aan utiliteit was circa 125.000 MWh. De energievraag van woningen en utiliteitsgebouwen is de afgelopen jaren gedaald. o Voor woningen is er sprake van een daling van de energievraag voor ruimteverwarming met ongeveer 15% in de periode 2014 -2023. Het gebruik van aardgas is gedaald met circa 22%. Het elektriciteitsgebruik van woningen is vrijwel gelijk gebleven. o De afname van de vraag naar aardgas bij utiliteit is circa 29% in de periode 2014-2023. Deze afname is groter dan de landelijke afname. In 2023 en 2024 heeft 1 op de 59 woningen in Rijswijk een warmtepomp geïnstalleerd. In Nederland was dat 1 op de 32 woningen. Een verklaring hiervoor is dat Rijswijk veel appartementen heeft. Appartementen bieden vaak geen ruimte voor de installatie van een warmtepomp. In Rijswijk bestaat 71% van de woningen uit appartementen. Voor heel Nederland is dat 37%. De snelheid waarmee woningen worden geïsoleerd in Rijswijk ligt in lijn met het landelijke gemiddelde.

De opwek van zonne-energie op utiliteitsgebouwen in Rijswijk is minder dan het gemiddelde voor Nederland. Verhoudingsgewijs liggen er per M² tien keer minder zonnepanelen in Rijswijk in vergelijking met Nederland. Verklaring hiervoor is dat Rijswijk veel huurpanden en veel hoogbouw heeft met

5

Aantallen aardgasaansluitingen op wijk- en buurtniveau, 2022 | CBS

15

bijbehorende schaduwwerking. Uit de analyse blijkt dat de energievraag van gebouwen de afgelopen tijd is gedaald. De verwachting is dat de energievraag ook in de komende jaren blijft dalen. Dit komt door met name door: - isolatie; - gedrag; - stijging van de buiten temperatuur. De ontwikkeling van de energievraag is van belang om te weten welke alternatieve warmteoplossing tegen de minst maatschappelijke kosten mogelijk is in een wijk. Isolatie Isolatie is een goede manier om de warmtevraag op een duurzame manieram te verminderen. We zien dat steeds meer woningen in Rijswijk beter geïsoleerd zijn. De snelheid waarmee woningen in de afgelopen jaren zijn geïsoleerd in Rijswijk, ligt in lijn met het landelijke gemiddelde. De verwachting is dat ook de komende jaren de mate van isolatie in de pas blijft lopen met het landelijke gemiddelde. Gedrag Inwoners zijn, met name door stijgende kosten, bewuster geworden van hun verbruik van energie. We zien dat inwoners hun gedrag aanpassen om het verbruik van energie te verminderen. Voorbeelden hiervan zijn alleen het verwarmen van ruimtes waar ook daadwerkelijk iemand aanwezig is, de verwarming minder hoog zetten of ‘s avonds eerder uitzetten. Ook korter douchen heeft een direct verlagend effect op het aardgasverbuik. Het aardgasverbruik is in 2022 en 2023 sterk gedaald, met name door bewuster gedrag.

De hoge energieprijzen leiden in sommige gevallen tot energiearmoede, waardoor inwoners niet stoken of tot slechts 15°C. Een deel van de daling van de energievraag zal permanent zijn. We verwachten echter wel dat een terugvallende beweging in gedrag in de loop van de tijd te zien. Dit effect is sterk afhankelijk van de prijsontwikkeling van energie. Stijging buitentemperatuur De jaarrond gemiddelde temperatuur in Nederland neemt, volgens het KNMI 6, ieder decennium toe met 0,4°C. Met name de winters zijn minder koud. Dit zorgt er volgens het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) voor dat de warmtevraag tussen 2024-2030 gemiddeld met 3% zal afnemen. De verwachting is dat ook na 2030 de buitentemperatuur blijft stijgen. We houden doen in onze modellen een conservatieve aanname van een daling van de energievraag met 2,25% tot 2050 door klimaatverandering.

2.2 Warmtevraag 2023-2035 Het komende (ruime) decennium (2024-2035) zal de warmtevraag afnemen. De verwachting is dat de vraag naar aardgas door energiebesparende maatregelen, een hogere buitentemperatuur, herontwikkeling van gebieden en door elektrificatie van de aardgasvraag en de daaraan gekoppelde warmtevraag zal afnemen. De verwachting is dat de warmtevraag in Rijswijk daalt van 1.218 TJ in 2023 naar 1.062 TJ in 2030 en 1.000 TJ in 2035. Dit staat gelijk aan een daling van circa 19%.

6

KNMI - Klimaat van Nederland, via URL https://www.knmi.nl/klimaat.

16

Hiermee lopen we iets voor op de landelijke trend. Dit komt onder andere door de herontwikkeling van de Boogaard Stadscentrum en de Plaspoelpolder waar veel oudere gebouwen compleet gerenoveerd worden en worden geëlektrificeerd. Als we specifiek kijken naar de bestaande woningbouw dan daalt de vraag van 761 TJ in 2023 naar 643 TJ in 2035. Dit staat gelijk aan een daling van 15,5% (een afname van 1,4% per jaar), wat in lijn ligt met de landelijke warmtevraagdaling in de gebouwde omgeving, volgens de Klimaat- en Energieverkenning 2024 van het PBL. De daling van de warmtevraag is wel mede afhankelijk van de prijs van energie. Als de energieprijs relatief goedkoper wordt, zal dit het gedrag van inwoners beïnvloeden.

WARMTEVRAAG IN TJ

O NT WIKKELING WARMT EV RAAG RIJ SWIJ K IN TJ (AARD GAS - EN WARMT EV RAAG )

457 385

357 Warmtevraag utiliteit Warmtevraag woningen

761

2023

677

643

2030

2035

Figuur 4: daling warmtevraag in Rijswijk in TJ

2.3 Warmtedichtheid per wijk In deze paragraaf brengen we de warmtedichtheid is per buurt in beeld 7. De warmtedichtheid laat zien hoeveel vraag er naar warmte is per hectare. De warmtedichtheid wordt hoger als de warmtevraag per woning groot is en als er veel woningen op één hectare staan. In de onderstaande kaarten is te zien hoe de warmtedichtheid zich ontwikkelt van 2023 naar 2035. In deze kaarten is de toekomstige warmtevraag waarvoor een alternatieve warmteoplossing nodig is, meegenomen. Dat wil zeggen dat we rekening hebben gehouden met de herontwikkeling van gebieden zoals de gebiedsontwikkeling Havenkwartier (in de Plaspoelpolder), gebiedsontwikkeling Kessler Park (in de Plaspoelpolder en gebiedsontwikkeling Bogaard stadscentrum (in de Artiestenbuurt). De toekomstige

Onderbouwing huidige en toekomstige warmte- en elektriciteitsvraag Rijswijk, Mentink Procesmanagement, 2025. 7

17

warmtevraag van deze gebieden is niet meegenomen omdat de warmtevraag met de herontwikkeling al wordt ingevuld.

Figuur 5: Warmtedichtheidskaarten 2023-2035

In alle buurten is er sprake van een daling van de warmtevraag alleen al doordat winters minder streng worden. In buurten met oude woningen die slecht geïsoleerd zijn, is met isolatiemaatregelen nog veel winst te behalen in het verminderen van de warmtevraag. De verwachting is dat de daling van de warmtevraag in deze buurten groter zal zijn in vergelijking met andere buurten. Dat is te zien bij Cromvliet, Oud-Rijswijk en Leeuwendaal. Ook in buurten waar veel woningen op een klein oppervlakte staan, is de daling relatief groot. In deze buurten kunnen we ook aan de hand van de isolatieplanning van de corporaties een goede inschatting maken van de verwachte daling. Dit is bijvoorbeeld te zien in de Artiestenbuurt en Stervoorde.

2.4 Toenemende elektriciteitsvraag en netcongestie De dalende warmtevraag betekent wel dat de elektriciteitsvraag in Rijswijk toeneemt. Deze toename wordt veroorzaakt door de groei van elektrische voertuigen en de daarbij behorende laadinfrastructuur, de toename van warmtepompen om de warmtevraag in te vullen, koken op inductie en de aanzienlijke toename van het aantal woningen in Rijswijk. Tussen 2023 en 2035 stijgt de vraag naar elektriciteit voor huishoudens in zijn totaliteit met circa 33%. De groei van de elektriciteitsvraag zorgt nu al voor toenemende druk op het elektriciteitsnet, met name in de piekuren (16:00–21:00 uur) en ook in de wintermaanden wanneer de vraag groot is en er geen eigen of lokale opwek van duurzame elektriciteit plaatsvindt. De gemeente Rijswijk wordt, net als de rest van Zuid-Holland, geconfronteerd met netcongestie. Stedin 18

(regionaal netbeheerder) en TenneT (landelijk elektriciteitsnetwerk) hebben beide aangegeven dat er onvoldoende capaciteit is om nieuwe grote aansluitingen of verzwaringen van bestaande grote aansluitingen te realiseren. Deze situatie belemmert de voortgang van de energietransitie. Zonder forse investeringen en slimmere oplossingen zoals energiemanagement, energiehubs, lokale opslag of vraagsturing zullen veel plannen vertraging oplopen. Ook nieuwe wet- en regelgeving en tarifering is noodzakelijk om het gebruik van het elektriciteitsnetwerk in met name de pieken (afname en invoeden) niet over te belasten. In onderstaand figuur is een inschatting gemaakt voor de ontwikkelingen van het elektriciteitsverbruik richting de toekomst bij ongewijzigd beleid. Daaruit komt het onderstaande beeld naar voren.

Stijging totale elektriciteitsvraag (inclusief zelflevering zonne-energie) 140%

120%

Astitel

100%

128%132% 100%

125% 100%

89%

96%

109% 100%103%

107% 100%

80%

60% 40% 20%

0% Elektriciteitsgebruik woningen

Elektriciteitsgebruik utiliteit 2023

2030

Elektriciteitsgebruik gebouwen

Elektriciteitsgebruik gebouwen en voertuigen

2035

Figuur 6: Stijging totale elektriciteitsvraag Rijswijk

De groei van het elektriciteitsverbruik door woningen komt vooral door nieuwbouw en deels doordat woningen een warmtepomp installeren. De groei wordt nog enigszins geremd omdat huishoudelijke apparaten steeds energiezuiniger worden. Het verbruik door de utiliteit daalt met name doordat apparatuur energiezuiniger wordt. De inschatting is dat deze daling sterker is dan de groei van warmtepompen bij utiliteit. Zoals eerder gesteld houden we wel rekening met een sterke groei van elektrisch vervoer en de daar bijbehorende laadinfrastructuur. Dit maakt dat de totale vraag naar elektriciteit stijgt.

19

3. Kaders In dit hoofdstuk beschrijven we de kaders voor het Warmteprogramma. Eerst schetsen we het beleidskader vanuit de Omgevingsvisie Rijswijk, de regionale ontwikkelingen en vervolgens de landelijke ontwikkelingen.

3.1 Omgevingsvisie In maart 2025 is de Omgevingsvisie Rijswijk vastgesteld. De Omgevingsvisie is een vooruitblik naar het Rijswijk in de toekomst (2050). Het beschrijft op welke wijze we de fysieke leefomgeving willen inrichten om de kostbare ruimte goed te benutten met aandacht voor de kwaliteit. De Omgevingsvisie Rijswijk stelt kaders voor het Warmteprogramma. In de Omgevingsvisie Rijswijk staat het volgende opgenomen:

-

We werken aan een aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050. We zetten enerzijds in op het besparen van energie en anderzijds op de overstap naar duurzame energie voor het verwarmen van gebouwen. We streven naar een efficiënt energiesysteem om de ruimtevraag boven en onder de grond zo klein mogelijk te houden. Bij de keuze voor nieuwe manieren van verwarmen houden we rekening met de beschikbare warmtebronnen, de druk op het elektriciteitsnet en de toekomstige vraag naar koeling. We gaan alleen in buurten aan de slag met een warmtenet wanneer dit betaalbaar is voor inwoners. De beoogde locatie voor aansluiting van het lokale warmtenet op WarmtelinQ, een geothermiebron en het hoge temperatuur opslag (HTO) is het Kruisvaarderspark.

3.2 Regionale ontwikkelingen RES Rotterdam – Den Haag Rijswijk werkt samen aan de energietransitie in de Energieregio Rotterdam-Den Haag. In 2021 hebben we de Regionale EnergieStrategie Rotterdam-Den Haag 1.0 (RES 1.0) vastgesteld. De energieregio RotterdamDen Haag is een dichtbevolkte regio met een grote warmte- en elektriciteitsvraag. In de regio wonen meer dan 2,3 miljoen mensen. Daarnaast heeft de regio veel glastuinbouw en de Rotterdamse haven. Door deze hoge dichtheid is er beperkt ruimte voor het opwekken van duurzame energie. De energietransitie kost ruimte. Niet alleen boven de grond maar ook in de (diepe) ondergrond. Ruimte is in onze regio schaars en de ruimtelijke claims vanuit andere beleidsvelden zijn groot. In onze energieregio voorzien we een regionaal warmtesysteem waarin warmte van geothermiebronnen en restwarmte uit het havengebied worden ontsloten voor gemeenten. In de regio werken we aan een Toekomstbeeld Warmte. We doen dit omdat het mogelijk is om warmtenetten in deze hoog verstedelijkte regio met veel tuinbouw tegen de laagste maatschappelijk kosten te realiseren. We hebben ook voldoende duurzame warmtebronnen in de regio.

Daar komt bij dat het grootschalig elektrificeren van de warmtevraag in onze regio niet voor de hand ligt, omdat er weinig ruimte is om grootschalig elektriciteit op te wekken en te transporteren, en het elektriciteitsnet zit nu al vol. Vanuit de Regionale EnergieStrategie 1.0 zijn de volgende kaders meegegeven om uit te werken binnen de gemeentelijke programma's: -

Inzetten op energiebesparing, isoleren en verwarmen met lage(re) temperatuur. Benut de beschikbare rest- en aardwarmte en een toekomstbestendige energiemix. 20

-

-

Samenwerken aan een optimale regionale warmtestructuur met de laagste maatschappelijk kosten. Gezamenlijk werken aan een regionaal warmtesysteem waarin warmte van geothermiebronnen en restwarmte uit het havengebied worden ontsloten voor gemeenten om zo optimaal mogelijk te profiteren van een robuust en toekomstbestendig regionaal warmtesysteem. Dit is het Toekomstbeeld Warmte. Gezamenlijk optrekken om te komen tot passende wet- en regelgeving en financiële instrumenten om de randvoorwaarden voor de overstap op een duurzame warmteoplossing te borgen.

We werken actief met onze buurgemeenten samen om het toekomstbeeld verder uit te werken. Om deze reden is bij het opstellen van dit warmteprogramma tussentijds contact gezocht met de buurgemeenten zodat onze plannen elkaar versterken en niet onbedoeld tegenwerken. Nationaal en provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (nMIEK en pMIEK) De energietransitie vraagt om grootschalige uitbreiding van het elektriciteitsnet en een nieuwe energieinfrastructuur. Deze ontwikkelingen vragen niet alleen afstemming op regio niveau maar zelfs op provinciaal en landelijk niveau. De Meerjarenprogramma’s Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK), op nationaal (nMIEK) en provinciaal niveau (pMIEK) bieden inzicht in welke projecten moeten gebeuren om de energietransitie vorm te geven. De MIEKen zijn overigens geen visie, maar een opsomming van lopende projecten met een nationaal of provinciaal belang. Het warmtesysteem Zuid-Holland heeft een nMIEK (nationaal belang) status waardoor ook landelijke partijen een bijdrage moeten leveren aan de uitrol van het hoofdtransportleidingnet (bijvoorbeeld WarmtelinQ) in Zuid-Holland. Zowel het nMIEK als het pMIEK leggen keuzes vast over belangrijke energie-infrastructuurprojecten, zoals warmtetransportleidingen, hoogspanningsleidingen, waterstofleidingen en transformatorstations.

Deze projecten zijn essentieel voor de verduurzaming van de energievoorziening. De programma’s zijn ontworpen om projecten te integreren die van maatschappelijk belang zijn. Dit houdt in dat gemeenten, provincies en netbeheerders samenwerken om de energie-infrastructuur af te stemmen op lokale en regionale behoeften. We zijn actief betrokken bij het vormgeven van het pMIEK en nMIEK. We leveren input en zorgen ervoor dat lokale belangen worden meegenomen in de besluitvorming.

3.3 Het elektriciteitsnet De energietransitie vraagt om een nieuwe (warmte) infrastructuur en uitbreiding van bestaande elektriciteitsnetten. Tot 2050 moeten er vele tientallen miljarden euro’s 8 in het elektriciteitssysteem worden geïnvesteerd om de stijgende elektriciteitsvraag, met name in de pieken, op te vangen. Het elektriciteitsnet bestaat grofweg uit drie niveaus: het hoogspanningsnet, het middenspanningsnet en het laagspanningsnet. Deze niveaus kan je vergelijken met het wegennet dat bestaat uit rijkswegen, provinciale wegen en lokale wegen. De verschillende niveaus worden met elkaar verbonden via een station of een transformatorhuisje. In onderstaande afbeelding is dit in beeld gebracht. Voor de oplossing van de overbelasting van het elektriciteitsnet moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden van de verschillende niveaus.

8

Schakelen naar de toekomst – IBO bekostiging elektriciteitsinfrastructuur, Rijksoverheid

21

Afbeelding 7: Vereenvoudigde weergave van het elektriciteitsnet Bron: Kennisplatform Elektromagnetische velden, https://www.kennisplatform.nl/uit-welke-onderdelen-bestaat-hetelektriciteitsnetwerk/.

Zowel het regionale elektriciteitsnet van onze regionale netbeheerder Stedin als ook het landelijke hoogspanningsnet van Tennet worden op dit moment maximaal belast. Dit leidt tot netcongestie. Netcongestie betekent letterlijk: file op het elektriciteitsnet. Het treedt op als de volledige capaciteit van het net is bereikt. Netbeheerders kunnen hierdoor niet meer altijd de groeiende vraag naar stroom blijven leveren. Tennet heeft eind 2024 netcongestie afgekondigd voor bijna geheel Zuid-Holland en aangegeven dat dit minimaal tot 2032 duurt. Begin 2025 is ook netcongestie afgekondigd op het midden- en laagspanningsnet van Stedin in delen van Rijswijk, met name in en rondom Oud Rijswijk. De verwachting is dat de komende decennia netcongestie daarom een grote uitdaging blijft. Het PBL heeft in samenwerking met Netbeheer Nederland een beeld opgesteld van de capaciteitsvraag van de verschillende warmteopties. Daarin is de gevraagde capaciteit van een woning die verwarmd wordt met een elektrische warmtepomp meer dan twee keer zo groot als die van een woning die verwarmd wordt met warmte uit een middentemperatuur warmtenet. Dit beeld kan op lokaal niveau veranderen, maar geeft wel een algemeen beeld van het verschil in de capaciteitsvraag die verschillende warmteopties met zich meebrengen.

22 Figuur 8: Aansluitwaarde elektriciteitsnet per warmteoplossing

Door gebouwen te isoleren neemt de warmtevraag af. In gebouwen met een hoger energielabel is de temperatuur meer constant. Het verwarmen of koelen van deze gebouwen vraagt minder energie. Omdat iedereen veelal op de delfde momenten hun huis verwarmt of koelt, namelijk in de ochtend en aan het einde van de dag, is er sprake van piekmomenten in de vraag naar energie. Dit geldt zowel voor warmtebronnen als elektriciteit van het net. Vooral deze piekmomenten leveren problemen op. Met isolatie en een meer constante temperatuur worden piekmomenten verminderd. (Lokale) energieopslag kan de piekvraag op de dag ook verminderen. Seizoensopslag is belangrijk om de piekvraag en het aanbod van energie over de dag en het jaar heen met elkaar in balans te brengen. Ook slimme aansturing van apparaten kan daarbij helpen. Bijvoorbeeld met ‘slim laden’ waarbij elektriciteit voertuigen opladen op het moment dat er veel stroom beschikbaar is en afschalen met laden wanneer er veel vraag is.

Figuur 9: Netbewuste ontwerpprincipes

3.4 Klimaatneutraal gas In de vorige versie van het Warmteprogramma (Transitievisie Warmte Rijswijk 2021) werd groen gas of waterstof nog als optie genoemd voor het verwarmen van de gebouwde omgeving. Daarbij werd al aangegeven dat groengas en waterstof een kleine rol zouden spelen. In de brief van 20 juli 2023 heeft de toenmalig minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening gemeenten verzocht om groen gas en waterstof niet als toekomstige warmteoplossing op te nemen in het Warmteprogramma. De reden hiervoor is de beperkte beschikbaarheid van beide gassen. In dit Warmteprogramma volgen we deze lijn.

23

4. Toekomstige warmteoplossingen Het verwarmen van gebouwen zonder gebruik te maken van aardgas kan met verschillende technieken. Er bestaat niet één warmteoplossing die passend is voor alle gebouwen. De manier waarop gebouwen in Rijswijk in de toekomst worden verwarmd zal een combinatie zijn van verschillende warmteoplossingen en warmtebronnen. Hieronder volgt een toelichting op de verschillende warmteoplossingen. Daarin onderscheiden we twee vormen: 1. Een oplossing waarbij het gebouw is aangesloten op een collectief warmtenet. 2. Een individuele oplossing.

4.1 Een warmtenet Een warmtenet is een ondergronds leidingnetwerk waarmee warm water van een warmtebron naar woningen wordt gebracht. Het netwerk bestaat uit een aanvoerleiding met warm water en een retourleiding die het afgekoelde water weer terugbrengt. In de woning wordt de warmte via een afleverset overgedragen op het centrale verwarmingssysteem (voor radiatoren, convectoren en vloerverwarming) en het tapwater (voor de kraan en douche). Om een bestaande woning op een warmtenet aan te sluiten, moet je een aantal aanpassingen in de woning doen. Zo staat de cv-ketel nu meestal op zolder, maar komen de warmtenetleidingen binnen op de begane grond. Ook moet in de woningruimte zijn voor het plaatsen van een afleverset.

Figuur 10: Overzicht warmtenet Afbeelding afkomstig van: Greenvis

Warmtenetten kunnen op meerder temperaturen warmte leveren: • Hoge temperatuur warmtenetten bevatten water met een temperatuur boven de 70° Celsius. Deze warmtenetten worden gebruikt voor gebouwen die een hoge temperatuur warmte nodig hebben, bijvoorbeeld in bedrijven voor een productieproces of zeer slecht geïsoleerde gebouwen. • Een midden temperatuur warmtenet bevat water met een temperatuur van 50° tot 70° Celsius. Vrijwel alle woningen kunnen met een temperatuur van 70° Celsius goed verwarmd worden. Met deze temperatuur kan ook direct het tapwater verwarmd worden. Tapwater moet verwarmd worden tot minimaal 60° Celsius, om legionella in tapwater te voorkomen. • Warmtenetten met een lage temperatuur (20° - 50° Celsius) of zeer lage temperatuur (<20° Celsius) zijn geschikt voor woningen of panden die goed geïsoleerd zijn en waar het 24

verwarmingssysteem zo is ingericht dat de ruimte verwarmd kan worden met een lage temperatuur. Om het tapwater te verwarmen naar een hoge temperatuur is een warmtepomp of elektrische boiler nodig. Een laagtemperatuur warmtenet wordt vaak gebruikt in nieuwbouwbuurten of op bedrijventerreinen, omdat deze gebouwen naast de vraag naar warmte in de winter ook behoefte hebben aan koeling in de zomer. Een warmtenet kan gevoed worden vanuit verschillende bronnen. Hieronder volgt een toelichting over de verschillende bronnen voor een warmtenet. Restwarmte vanuit WarmtelinQ WarmtelinQ is een transportleiding die loopt van de Rotterdamse haven, door Rijswijk, naar Den Haag. In de Rotterdamse haven komt bij productieprocessen veel warmte vrij die niet gebruikt wordt. Zonder aansluiting op een warmtenet wordt deze warmte geloosd. Deze warmte wordt afgevangen en via WarmtelinQ naar gemeenten in de regio gebracht om woningen en bedrijven te verwarmen. WarmtelinQ heeft in Rijswijk een zogenoemd T-stuk. Op dat stuk kan de warmte via een hoofdafnamepunt worden overgebracht op lokale transportleidingen die de warmte naar de wijk vervoert. Met een warmeoverdrachtstation in de wijk wordt de warmte vervolgens overgedragen op het warmtenet waar de woningen op zijn aangesloten.

Geothermie Geothermie is aardwarmte uit de diepe ondergrond vanaf 500 meter. Afhankelijk van de diepte kan aardwarmte een warmtenet voorzien van warmte met een temperatuur van ongeveer 70-90 °C. In Rijswijk is op een diepte van 2200 meter ongeveer 85°C te halen. Een geothermiebron bestaat uit twee putten, een invoerleiding en een retourleiding. De invoerleiding pompt warm water uit de bodem omhoog. De warmte uit dit water wordt via een warmteoverdrachtstation overgezet naar de lokale transportleiding die de warmte naar de wijk vervoert. Het (afgekoelde) water dat terugkomt uit de wijk wordt met de retourleiding in de aarde teruggebracht. In Rijswijk is voldoende aardwarmte beschikbaar om een bron aan te boren die ongeveer 12.500-15.000 woningen kan voorzien van duurzame warmte.

Bodemenergie Bodemenergie komt uit de ondiepe ondergrond tot 500 meter diep. Bodemenergie kent twee varianten: een open systeem en een gesloten systeem (zie onderstaande afbeelding). Het open systeem wordt ook wel warmte-koude-opslagsysteem (WKO) genoemd. In het open systeem wordt grondwater uit de bodem omhoog gepompt. Via een warmtewisselaar wordt de warmte uitgewisseld met het lokale warmtenet of direct met het verwarmingssysteem van het gebouw. Als het grondwater zijn warmte heeft afgegeven dan wordt het teruggebracht in de bodem. Bij een gesloten bodemenergiesysteem stroomt er water via een gesloten leidingstelsel door de bodem. De leiding en het water dat daardoor heen stroomt worden in de bodem opgewarmd, zonder dat er grondwater omhoog wordt gepompt.

25

Figuur 11: Overzicht WKO systemen

De warmte uit het grondwater wordt via een warmtewisselaar in de woning overgedragen op het verwarmingssysteem. De warmtewisselaar is vaak onderdeel van de warmtepomp omdat een warmtepomp nodig is om het tapwater te verwarmen tot minimaal 55° - 60° C. De ondergrond in Rijswijk is geschikt voor het gebruik van bodemenergiesystemen. De verwachting is dat in twee gebieden in Rijswijk de vraag naar bodemenergie in de toekomst groot zal zijn: Bogaard stadscentrum en de Plaspoelpolder. Als bodemenergiesystemen te dicht op elkaar staan, dan kunnen ze een negatief effect hebben op elkaar. Bijvoorbeeld omdat er te veel warm water wordt opgepompt en te veel koud water teruggebracht in een klein gebied. Om dit te voorkomen heeft de gemeente samen met de provincie Zuid-Holland regels opgesteld over de installatie van open bodemenergiesystemen. Deze regels zijn opgenomen in het Omgevingsplan. Aquathermie Bij aquathermie wordt warmte of koude gehaald uit oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA), riool (RIOthermie) of drinkwater (TED). Deze bron heeft een lage temperatuur, vaak onder de 20° C. De warmte van deze bron moet in het gebouw daarom met een warmtepomp worden verhoogd tot de geschikte temperatuur voor ruimteverwarming en verwarming van het tapwater. Door de lage temperatuur biedt deze bron ook de mogelijkheid om gebouwen in de zomer te koelen.

4.2 Individuele warmtepomp Woningen en gebouwen kunnen ook zelfstandig verduurzaamd worden met een warmtepomp. Er zijn drie verschillende warmtepompen: lucht-lucht warmtepomp, lucht-water warmtepomp, water-water warmtepomp. Een warmtepomp maakt gebruik van bronnen (de buitenlucht of bodemenergie) met een lage temperatuur. Daarom zijn deze systemen geschikt voor woningen en bedrijfspanden die goed geïsoleerd zijn en waarvan het verwarmingssysteem een groot oppervlakte heeft voor de afgifte van warmte. Een lucht-lucht warmtepomp is vergelijkbaar met een aircosysteem, alleen werkt het proces andersom. De warmtepomp onttrekt warmte of koeling uit de buitenlucht en draagt dit over aan de lucht in het gebouw. Er zijn lucht-lucht warmtepompen en airco’s die het proces beide kanten op kunnen, dus zowel kunnen verwarmen in de winter, als koelen in de zomer. Het afgiftesysteem (de lucht) heeft een groot oppervlakte en daarom kan dit systeem effectief koelen en verwarmen. Daartegenover staat dat dit beperkt blijft tot de ruimte waar de warmte/koeling aan de lucht wordt afgegeven. De lucht-water warmtepomp onttrekt warmte of koeling uit de lucht en draagt dit over op het water in het verwarmingssysteem en tapwater. Dit maakt de warmtepomp interessant voor woningen, omdat dit 26

aansluit bij het huidige verwarmingssysteem van veel woningen dat de warmte afgeeft via radiatoren of vloerverwarming. Daarbij geldt dat de afgifte effectiever wordt naarmate de oppervlakte groter is. Een water-water warmtepomp onttrekt warmte of koeling uit water. Dat kan zijn vanuit een collectieve bron of een eigen individuele bron. Meestal is de bron in Rijswijk de ondergrond. De water-water warmtepomp heeft in dat geval een pijp die circa 100 meter diep de bodem in gaat en waar water doorheen loopt dat opwarmt of afkoelt in de bodem. Dit noemen we ook wel een WKO-systeem (warmtekoude-opslag). De lucht-water en de water-water warmtepomp kennen ook een hybride variant die samenwerkt met een CV-ketel op gas. Deze variant is een tussenstap naar een volledige warmtepomp en kan gebruikt worden in woningen die minder goed zijn geïsoleerd of radiatoren heeft die niet geschikt zijn voor lagere temperaturen. De warmtepomp kan de woningen zelfstandig verwarmen buiten de wintermaanden. De CV-ketel ondersteunt in het verwarmen van de woning in de wintermaanden en bij de verwarming van het tapwater.

27

5. Hoe gaan we Rijswijk in de toekomst verwarmen? In dit hoofdstuk staat welke warmteoplossing de meest passende duurzame warmteoplossing is voor iedere buurt. Eerst volgt een toelichting op de belangrijkste uitgangspunten voor de keuze tussen de verschillende oplossingen. Daarna volgt een toelichting op de verschillende buurten.

5.1 Hoe maken we een keuze voor een warmteoplossing? Een aantal criteria is bepalend voor de afweging welke warmteoplossing een goed alternatief is voor een buurt. Hieronder lichten we deze criteria toe. Reductie van CO₂ De energietransitie wordt ingezet om de uitstoot van CO₂ te verminderen en daarmee een bijdrage te leveren aan het afremmen van de klimaatverandering. Nieuwe warmteoplossingen moeten bijdragen aan een aanzienlijk lagere CO₂- uitstoot in vergelijking met aardgas. De reductie-eisen van de alternatieve warmteoplossing is vastgelegd in de besluiten van de wet. De laagste maatschappelijke kosten De overgang naar een nieuw energiesysteem vraagt om grote investeringen op verschillende niveaus. Denk daarbij aan de uitbreiding van het hoogspanningsnet, het toevoegen van nieuwe transformatorhuisjes in de wijk of het aanleggen van een lokaal warmtenet. Bij de keuze voor een nieuwe warmteoptie kijken we naar het energiesysteem waarbij de totale maatschappelijke kosten het laagste zijn. Benutten van lokale bronnen binnen regionaal systeem Alle energie die we in de toekomst willen gebruiken voor het verwarmen en koelen van onze gebouwen moet ergens vandaan komen. Voor warmtetransport is energie nodig, daarom willen we zo min mogelijk warmte over grote afstanden transporteren en zoveel mogelijk gebruik maken van lokale bronnen.

Het aanleggen van een transportnetwerk is kostbaar en vraagt ruimte in en boven de grond. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van warmtebronnen. In sommige gevallen is het transporteren van warmte goedkoper dan lokaal een bron ontwikkelen. In de regio werken we samen om te komen tot een regionaal warmtesysteem die warmte vraag aan warmtebronnen koppelt. Rijswijk kan beschikken over verschillende duurzame warmtebronnen die midden temperatuur (70° C) warmte kunnen leveren aan warmtenetten. WarmtelinQ en lokale of regionale geothermiebronnen zijn binnen afzienbare tijd beschikbaar. Ook heeft de afvalzuiveringsinstallatie (AWZI) van het Hoogheemraadschap Delfland in de effluentleiding, die door Rijswijk loopt, duurzame warmte beschikbaar om woningen te verwarmen. Benodigde capaciteit elektriciteitsnet Alle warmteoplossingen hebben een elektriciteitsaansluiting. De mate waarin de warmteoplossingen elektriciteit nodig hebben, verschilt. In algemene zin geldt dat de warmteoptie die gevoed wordt door een bron met een hogere temperatuur en een constantere temperatuur minder (piek)capaciteit vraagt op het elektriciteitsnet. Een warmtenet vraagt minder capaciteit dan een warmtepomp. En een bodemwarmtepomp vraagt minder capaciteit dan een luchtwarmtepomp 9. In de keuze voor een

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=81cc0a43-4137-46fd-9600-3145700c81e1