CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage C Godfried Bomansstraat toelichting en bijlages

Raadsvergadering 27 juni 2023, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan Godfried Bomansstraat (RV 23 046)22.835 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Om de toename van de depositie op de Natura 2000-gebieden te bepalen is met het programma AERIUS Calculator een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. De memo stikstofberekening is opgenomen in bijlage 6. Uit de berekeningen met AERIUS Calculator blijkt dat voor de aanleg- en gebruiksfase er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Op basis van de berekeningen zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de aanleg- en gebruiksfase uitgesloten. De beoogde herontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

36/71

Figuur 4.2: Locatie beoogde ontwikkeling (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS calculator) Natuurnetwerk Zuid-Holland Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zuid-Holland. Het dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Zuid-Holland ligt op ongeveer 1.800 meter. Dit is het gebied 'Landgoed te Werve', op de kaart is dit gebied aangeduid als 'Natuurnetwerk Nederland: 97C4005A-237F-4B76-BDA9-477B3BFC8E4F'. De beoogde ontwikkeling heeft vanwege de afstand en de ligging geen negatief effect op de natuurwaarden van het gebied die begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zuid-Holland.

37/71

Figuur 4.3: Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natuurnetwerk Zuid-Holland (bron: Provincie Zuid-Holland, bewerking Rho adviseurs) Soortenbescherming Op 8 november 2019 is een ontheffing als bedoeld in artikel 3.8 eerste lid, van de Wet natuurbescherming aangevraagd bij de Omgevingsdienst Haaglanden (bijlage 7). De aanvraag heeft betrekking op het slopen van het schoolgebouw en het realiseren van de appartementen. Het betreft het opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis alsmede het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Onder leiding van een ecoloog met kennis van de gewone dwergvleermuis zijn er maatregelen genomen om de bebouwing ongeschikt te maken en zijn er compenserende en mitigerende maatregelen getroffen. Alle werkzaamheden zijn opgenomen en geborgd in een ecologisch werkprotocol. De gevraagde ontheffing op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Wnb is verleend. Het schoolgebouw is inmiddels gesloopt. Met de gemeente is afgestemd dat geen nader onderzoek nodig is. Wel dient rekening te worden gehouden met de essentiële groenstructuur die aanwezig is. Deze geniet wettelijke bescherming en mag dus niet gekapt worden, ook geen delen daarvan, tenzij blijkt dat de functionaliteit niet wordt aangetast. De initiatiefnemer houdt hier rekening mee bij de uitvoering.

Door de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels dient tijdens werkzaamheden rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. Verder zijn in het gebied voor

38/71

zover bekend geen beschermde soorten aanwezig. Wel geldt voor alle soorten (beschermd en onbeschermd) de zorgplicht op basis van de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan dient, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, schade aan soorten te worden voorkomen. Hiermee kan een significant negatief effect op beschermde soorten uitgesloten worden. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.5

Externe veiligheid

Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.

Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

39/71

Onderzoek Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, liggen in de omgeving geen relevante risicovolle inrichtingen aanwezig. Op een afstand van 550 meter ligt de A4 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contour van deze weg. Het invloedsgebied van de A4 is 880 meter (stofcategorie LT2; toxische vloeistof) waar het plangebied binnen ligt. Het invloedsgebied voor GF3 (LPG) is 355 meter waar het plangebied buiten valt. Omdat het plangebied op grotere afstand dan 200 meter van de weg ligt is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. Wel dient een beknopte verantwoording gegeven te worden. Ten oosten van het plangebied ligt op circa 2,7 kilometer de A13 waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Het invloedsgebied is > 4 kilometer op basis van de stofcategoriën GT4 (toxisch gas) en LT3 (toxische vloeistof). Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied. Omdat het plangebied op grotere afstand dan 200 meter van de weg ligt is een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk. Wel dient een beknopte verantwoording gegeven te worden. In de omgeving van het projectgebied wordt verder geen gevaarlijke stoffen vervoerd over het spoor, water of door buisleidingen.

Beknopte verantwoording van het groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg zal voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio. Dit loopt samen met de ter inzage legging van het bestemmingsplan (is afgestemd met de gemeente). Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om zijn taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Het plangebied wordt ontsloten via de Albert Schweitzerlaan op verschillende wegen waaronder de Doctor H.J. van Mooklaan. De Doctor H.J. van Mooklaan is een doorgaande weg waarmee het plangebied aangesloten is op het regionale wegennet. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand geblust worden.

Daarnaast kan via de Albert Schweitzerlaan van de bron af worden gevlucht. Zelfredzaamheid Ter plaatse van het plangebied wordt woningbouw mogelijk gemaakt. De aanwezige personen zullen over het algemeen dan ook zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als

40/71

verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A4. Vanwege de afstand tot de A4 vormt het groepsrisico geen beperkingen voor het bestemmingsplan. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd.

Verder zijn in de omgeving geen relevante risicobronnen aanwezig voor het plangebied. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering.

4.6

Lucht

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings- praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Tabel 4.1: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ Uurgemiddelde concentratie Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³ Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:

41/71

een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek De ontwikkeling betreft de bouw van maximaal 34 woningen. Het plan is daardoor vrijgesteld van verdere toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan met behulp van de NSL-monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Monseigneur Bekkerslaan. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruim onder de grenswaarden liggen. De concentraties langs deze weg bedragen; 24.1 µg/m3 voor NO2, 18.9 µg/m3 voor PM10 en 11.1 µg/m3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 6.8 dagen.

Aangezien direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt.

Figuur 4.4: Luchtkwaliteit ter plaatse (bron: NSL-monitoring) Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.7

Geluid

Toetsingskader

42/71

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) gelden geluidszones langs spoorlijnen, wegen en rondom industrieterreinen. Binnen een geluidszone zijn de geluidsnormen van de Wgh van toepassing. Deze normen gelden alleen voor geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen) gelegen binnen de geluidszone. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidzones (Wet geluidhinder) van de A4, de Doctor H.J. van Mooklaan, de Florence Nightingalestraat (inclusief tram) en de vrijliggende trambaan. Om die reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Het doel van het onderzoek is om na te gaan in hoeverre de nieuwe woningen kunnen worden gerealiseerd binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidhinder. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Resultaten Ten gevolge van het wegverkeer wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB door geen enkele weg overschreden. Ook ten gevolge van de vrijliggende trambaan wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. De geluidbelasting van de A4 bedraagt ten hoogste Lden = 44 dB, van de Doctor H.J. Mooklaan Lden = 39 dB en van de Florence Nightingalestraat (incl tram) en de vrijliggende trambaan ten hoogste Lden = 29 dB na aftrek art. 110g Wgh. Het is niet noodzakelijk om voor deze wegen en de trambaan een hogere waarde aan te vragen. Er wordt voldaan aan de Wet geluidhinder.

Ook ten gevolge van de niet gezoneerde Albert Schweitzerlaan wordt voldaan aan de richtwaarde van 48 dB. De hoogst berekende geluidbelasting vanwege deze weg bedraagt 38 dB. Gecumuleerde geluidbelasting Het is op basis van de Wet geluidhinder niet nodig om de gecumuleerde geluidbelasting in beeld te brengen. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de gecumuleerde geluidbelasting berekend en beoordeeld. Dit betreft de geluidbelasting van alle wegen (inclusief tram) samen, zonder aftrek voor het stiller worden van het verkeer. De gecumuleerde geluidbelasting op de appartementen bedraagt ten hoogste Lcum = 48 dB. De geluidkwaliteit wordt derhalve als goed tot zeer goed beoordeeld. Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting ten gevolge van de onderzochte geluidbronnen lager is dan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. Het laten vaststellen van hogere waarden is niet nodig. Er wordt voldaan aan de Wet geluidhinder. Verder is gebleken dat de geluidkwaliteit op de appartementen als goed tot zeer goed wordt beoordeeld. Geconcludeerd wordt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.

4.8

Milieuhinder bedrijven

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

43/71

Om een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek Het plangebied ligt in een woonwijk met naast woningen verschillende maatschappelijke en gemengde functies. De omgevingstype van het plangebied kan het best beschreven worden als gemengd gebied. Rond het plangebied liggen voornamelijk woningen. Alleen ten oosten van het plangebied ligt de basisschool 'Het Kristal'. Planologisch mogen hier maatschappelijke voorzieningen komen (maximaal milieucategorie 2). Een basisschool heeft milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter in een 'rustige woonwijk' en 10 meter in gemengd gebied. Tussen het plangebied en de maatschappelijke bestemming ligt een groen strook van 12 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter.

Tevens bevinden zich aangrenzend en op korte afstand (6 meter) van de basisschool reeds woningen. Het nieuwe woongebouw wordt globaal oost-west gericht, parallel aan de bestaande hoogbouw en ter hoogte van het bestaande schoolgebouw. Enige mate van geluid vanwege een basisschool kan optreden als gevolg van stemgeluid op de schoolpleinen. De beide schoolpleinen zijn gelegen aan de noord- en zuidzijde van de schoolgebouwen. Dat betekent dat het nieuwe woongebouw het meest gunstig is gesitueerd ten opzichte van de schoolpleinen, zie ook onderstaande situatietekening. De afstand tot beide schoolpleinen bedraagt 20-25 meter.

44/71

Figuur 4.5: Situatietekening plangebied (Bron: Formhet) Verder geldt dat door de oost-west oriëntatie de kopgevel als doof kan worden beschouwd. De slaapkamer heeft in de kopgevel wel een te openen raam, maar het gebruik van een slaapkamer is in het algemeen niet tijdens de basisschooltijden. De gevel van de woonkamer aan die zijde is geheel gesloten.

45/71

Figuur 4.6: Doorsnede plangebied (Bron: Formhet) Binnen het plangebied is de situering van het nieuwe woongebouw en de indeling optimaal, wanneer wordt gekeken naar de mogelijke geluidemissie. De bestaande woonbebouwing ligt minder gunstig. Klachten met betrekking tot geluid zijn niet aan orde in de bestaande situatie en om die reden kan worden aangenomen worden dat ter plaatse van de beoogde woningbouw een aanvaardbaar woon- en leefmilieu zal heersen. Conclusie Doordat de beoordeling van stemgeluid afkomstig van schoolpleinen in het Activiteitenbesluit buiten beoordeling word gelaten, wordt de basisschool niet in haar bedrijfsvoering beperkt.

4.9

Water

Inleiding Op grond van de Wet ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie dient de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan te worden aangetoond en dient in het plan te worden onderbouwd dat er sprake is van een

46/71

goede ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk zijn de sectorale aspecten beschreven die voor dit plan relevant zijn. De resultaten en conclusies van eventuele onderzoeken zijn per aspect opgenomen in de betreffende paragraaf. Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Delfland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld.

Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Hoogheemraadschapsbeleid Het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) van het Hoogheemraadschap van Delfland is op 10 maart 2022 vastgesteld en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen Delfland neemt om met uitdagingen als klimaatverandering, verstedelijking, energietransitie, arbeidsmarkt en digitalisering om te gaan en zo het gebied veilig en leefbaar te houden. Deze uitdagingen zorgen ervoor dat ze flexibel moeten blijven, moeten innoveren, samenwerken en anticiperen op de veranderende omgeving. Delfland wil bijvoorbeeld wateroverlast als gevolg van extreem weer zoveel mogelijk voorkomen en de invloed van droogte op de hoeveelheid zoetwater verminderen. In het waterbeheerprogramma staat de missie van het Hoogheemraadschap van Delfland centraal, deze is: ‘droge voeten, voldoende water, schoon water en gezuiverd afvalwater’. Hierbij zijn de aspecten duurzaam circulair, waterkwaliteit, samenwerken en financiën leidend. In het waterbeheerprogramma zijn 32 thema’s opgesteld met de doelen, ambities en maatregelen. Het programma is te vinden op https://wbp6.dpipreview.nl/. Gemeentelijk beleid Het Hoogheemraadschap van Delfland en de gemeente Rijswijk hebben een gedeelde verantwoordelijkheid in het waterbeheer.

Gezamenlijk hebben zij de "Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan Rijswijk 2021-2025" opgesteld. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het goed functioneren van het watersysteem en draagt zorg voor een goede waterkwaliteit en de veiligheid van dijken en kades en bergen van overtollig water. De gemeente Rijswijk is verantwoordelijk voor een goed functionerend rioolsysteem om afvalwater te kunnen

47/71

inzamelen en transporteren, het goed onderhouden van constructies in en langs het water en van de openbare ruimte en stedelijke inrichting daaromheen. Onderzoek Huidige situatie Het plangebied ligt langs de Godfried Bomansstraat in Rijswijk. Het plangebied bestond uit een schoolgebouw met een schoolplein en is nagenoeg volledig verhard. Ter voorbereiding van de beoogde woningbouw is de school reeds gesloopt. Rond het plangebied ligt een groenstrook. Bodem en grondwater Omdat het plangebied in de bebouwde kom van Rijswijk ligt is het plangebied niet gekarteerd. Het plangebied ligt in peilgebied GPG2006PSH I noord (maatgevend peil -1,19 NAP m). De gemiddelde maaiveldhoogte in het plangebied is 0,4 NAP m. Waterkwantiteit Binnen het plangebied en in de omgeving zijn geen watergangen aanwezig. Wel ligt rond het plangebied een groenstrook. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in de kern- of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van woningen op de plek van een voormalig basis school. Bodem en grondwater De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de bodem of grondwater. Zie hiervoor ook paragraaf 4.3. Daarnaast worden er geen ondergrondse constructies gerealiseerd.

Waterkwantiteit Conform de Handreiking watertoets van het Hoogheemraadschap Delfland (2020) geldt als richtlijn voor het watersysteem het 'standstill beginsel'. Dit betekent dat de ontwikkeling niet tot een verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie mag leiden en bij voorkeur ook zo wordt ingericht dat schade en overlast bij hevigere buien en droogte wordt voorkomen. Daarnaast is het van belang dat de drooglegging voldoende is. De drooglegging is het verschil tussen maaiveld en het waterpeil onder normale omstandigheden (streefpeil). Bij nieuwbouw adviseert Delfland een drooglegging van 120 cm (met een minimum van 100 cm) te hanteren om grondwaterproblemen en wateroverlast nu maar ook voor de toekomst te voorkomen. De gemeente Rijswijk heeft een eigen eis van 130 cm. Ten behoeve van de nieuwbouw zal rekening worden gehouden in het bepalen van de peilhoogtes.

48/71

Het plangebied heeft een oppervlakte van 3.000 m2. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit 2.115 m² bebouwd en verhard oppervlak. In de toekomstige situatie is dat 1.800 m². Hierdoor is er een afname aan verhard oppervlak (zie figuur 4.7). Op basis van het huidige ontwerp is de watersleutel ingevuld (bijlage 9). Op basis van de watersleutel is watercompensatie niet noodzakelijk. De beoogde ontwikkeling heeft dan ook geen negatief effect op het watersysteem.

Figuur 4.7: Tabel oppervlaktes oude- en nieuwe situatie Veiligheid en waterkeringen De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid. Ook ligt het plangebied niet in de kern- of beschermingszone van een waterkering. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem wordt gebruik gemaakt van duurzame, niet-uitloogbare materialen, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering De beoogde woningen worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Conform de Leidraad Riolering en het Gemeentelijk Rioleringsplan wordt voor nieuwbouw een gescheiden rioleringsstelsel aangelegd zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Overig afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in-) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Verordening afvoer hemelwater Rijswijk 2022 De Verordening afvoer hemelwater Rijswijk 2022 is opgesteld met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater regels te stellen over een verplichte waterbergingscapaciteit bij nieuwbouw.

Op basis van de verordening geldt een verplichting tot waterberging bij nieuwbouw en afkoppelen bij functiewijziging. Hemelwater wordt alleen in een openbaar riool of in de openbare ruimte geloosd, als een hemelwaterberging is aangebracht en in stand gehouden op het betreffende perceel of ander particulier terrein. Hierbij geldt dat de minimale capaciteit van de hemelwaterberging op het perceel 50 liter per m2 bebouwd oppervlak is plus 50% va het onbebouwde oppervlak van het perceel. De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze weer voor 100% beschikbaar is: a. binnen een ledigingstijd van 1 tot 2 dagen als het opgevangen hemelwater niet is bedoeld voor hergebruik; b. binnen een ledigingstijd van 3 tot 4 dagen als het opgevangen hemelwater is bedoeld voor hergebruik en de

49/71

hemelwaterberging niet is voorzien van een geautomatiseerd systeem; of c. tijdig voor de eerstvolgende bui, als het opgevangen hemelwater is bedoeld voor hergebruik en de hemelwaterberging is voorzien van een geautomatiseerd systeem. Op basis van de rekenregels uit de Verordening Afvoer Hemelwater van Rijswijk dient er een waterberging van 55m³ gerealiseerd te worden. Dit zal gedaan worden middels een ondergrondse waterberging met kratjes, conform optie 5a uit de verordening. Klimaatadaptatie De ontwikkeling voorziet in minder verharding om regenwater vertraagd af te voeren. Hierdoor draagt de ontwikkeling bij aan de klimaatadaptatie tegen verdroging, wateroverlast. Verder nemen de risico's op rampen door klimaatverandering niet toe door het plan. Verder liggen in het gebied kansen door energie neutraal te bouwen het toepassen van groene daken of het toepassen van hernieuwbare energie (zoals zonnepanelen) en het gebruik van duurzame bouwmaterialen. De luifel van de entree wordt voorzien van een groen dak van circa 20 m². Verder wordt het terrein grotendeels vergroend. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.10 Verkeer en parkeren Inleiding en uitgangspunten Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte berekend op basis van de Nota Parkeernormen Gemeente Rijswijk d.d. 8-2-2011, hierna parkeernormenbeleid te noemen. Voor het te hanteren kencijfer wordt uitgegaan van een stedelijkheidsgraad van ''zeer sterk stedelijk gebied''. Het projectgebied valt volgens het parkeernormenbeleid in het ''Bestaand stedelijk gebied''. Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid wordt getoetst aan de wegencategorisering en de daarin bepaalde grenswaarde voor de verkeersintensiteit per wegcategorie en expert judgement. Verkeersstructuur Gemotoriseerd verkeer De planontwikkeling ligt aan de Godfried Bomansstraat. Een doodlopende erftoegangsweg doet dienst doet als parkeerplaats voor het aanliggende appartementencomplex. De Godfried Bomansstraat ontsluit op de Albert Schweitzerlaan.

Dit is een erftoegangsweg binnen een 30 km/uur zone. In noordelijk richting sluit deze aan op de gebiedsontsluitingsweg Doctor H.J. van Mooklaan waar een maximum snelheid van 50 km/uur geldt. Deze weg verbindt in noordelijke richting via de gebiedsontsluitingsweg Sir Winston Churchillaan de wijk met het centrum van Rijswijk en het hooggelegen netwerk de Pr. Beatrixlaan (S106) en Rijksweg A4. In figuur 4.8 wordt de

50/71

ontsluiting van het plangebied weergegeven. Openbaar vervoer Het projectgebied is te bereiken met het openbaar vervoer. De dichtstbijzijnde bushalte ligt binnen 100 meter loopafstand aan de Doctor H.J. van Mooklaan. Hier halteert lijn 22 voor de richting Rijswijk de Schilp en Den Haag Duindorp. Deze buslijn halteert 2x in het uur. Op 700 meter afstand ligt de bushalte van Doctor H.J. van Mooklaan van lijn 30. Lijn 30 halteert daar in de spits 4x per uur en anders 2x per uur. Daarnaast ligt binnen 400 meter tramhalte Rijswijk Weidedreef. Hier halteert tramlijn 17 voor de richting station Den Haag centraal en Wateringen. Deze halteert ongeveer 5x in het uur in beide richtingen. Langzaam verkeer De beoogde ontwikkeling ligt in een 30 km/uur zone. Hier deelt de fietser de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer. Langs de gebiedsontsluitingswegen (o.a. Doctor H.J. van Mooklaan en Sir Winston Churchillaan) liggen aan weerszijde fietsstroken en vrijliggende fietspaden. Voor voetgangers zijn voetpaden aanwezig.

Figuur 4.8: Ontsluiting plangebied met plangebied rood omlijnd Verkeersgeneratie Verkeersintensiteit huidig en toekomstig In de bestaande situatie is er geen functie aanwezig, voorheen stond hier een schoolgebouw maar deze is in 2020 gesloopt en het terrein is gereed voor herontwikkeling. In de huidige situatie genereert de locatie dus geen verkeer. De toekomstige beoogde ontwikkeling betreft de bouw van maximaal 34 huurappartementen. Alhoewel de groottes van de appartementen variëren, bestaat de volledige ontwikkeling uit sociale huur

51/71

appartementen. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt aangesloten bij de kencijfers van CROW 381. In de beleidsregel van het parkeernormenbeleid wordt aangegeven dat de stedelijkheidsgraad van de gemeente Rijswijk behoort tot ''zeer sterk stedelijk gebied''. In de gemeente Rijswijk hebben huishoudens een gemiddeld autobezit (CBS). De beoogde ontwikkeling valt in het deelgebied bestaand stedelijk welke in de kencijfers van het CROW vertaald wordt naar ''rest bebouwde kom''. Voor het te hanteren kencijfer wordt daarom uitgegaan van de gemiddelde kencijfer binnen de bandbreedte “zeer sterk stedelijk gebied" en “rest bebouwde kom”. De omrekeningsfactor van weekdag naar werkdag voor de functie wonen is 1,11 (publicatie 381, CROW 2018). Tabel 4.2 toon de totale verkeersgeneratie van de planontwikkeling voor week en werkdag. Tabel 4.2: totale verkeersgeneratie planontwikkeling per mvt/etmaal Functie Aantal Kencijfer Gemiddelde weekdag Gemiddelde werkdag mvt/etmaal mvt/etmaal Huur, appartement, 34 3,2 per woning 100 mvt/etmaal 111 mvt/etmaal midden/goedkoop (incl. sociale huur) De planontwikkeling zorgt voor een verkeersgeneratie van 100 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Omrekening naar een gemiddelde werkdag voor de functie wonen vindt plaats met de standaard factor 1,11. Op een gemiddelde werkdag genereert de ontwikkeling circa 111 mvt/etmaal.

Dit is een verkeerstoename van ongeveer 111 mvt/etmaal ten opzichte van de huidige situatie op een gemiddelde werkdag. Om de verkeersafwikkeling te beoordelen is de afwikkeling in een spitsuur maatgevend, waarin doorgaans maximaal 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. In een gemiddeld spitsuur betekent dit een extra verkeersgeneratie van 11 mvt/uur. Verkeersafwikkeling Door de beoogde ontwikkeling zal de hoeveelheid verkeersbewegingen gering toenemen en voornamelijk afwikkelen op de Albert Schweitzerlaan en de Doctor H.J. van Mooklaan. De Albert Schweitzerlaan is ingericht als een erftoegangsweg-type I binnen de bebouwde kom, terwijl de Doctor H.J. van Mooklaan is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg-type II binnen de bebouwde kom. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt op basis van Duurzaam Veilig voor ETW-type I aangehouden dat een verkeersomvang van 5.000 à 6.000 mvt/etmaal zonder problemen vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Insgelijks wordt op basis van Duurzaam Veilig voor GOW-type II gehanteerd dat een verkeersomvang van 6.000 à 15.000 mvt/etmaal probleemloos kan worden afgewikkeld. Uitgaande dat het plangebied volledig over de desbetreffende wegen zal worden ontsloten, zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 111 mvt/etmaal.

Voor beide wegen geldt dat de beoogde verkeerstoename ten opzichte van de capaciteit dermate laag is, dat de gevolgen voor de verkeersdoorstroming verwaarloosbaar zijn. Hieruit wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet zal leiden tot knelpunten op het omliggende wegennet. Verkeersveiligheid Omdat de verkeerstoename na het realiseren van het plan gering is en opgevangen kan worden op het omliggend wegennet, is het de verwachting dat de verkeersveiligheid, ook voor langzaam verkeer, op de omliggende wegen eveneens niet leidt tot knelpunten. Bij het beoordelen van de verkeersveiligheid zijn

52/71

verkeersintensiteiten echter niet het enige criterium waarnaar gekeken moet worden. Ook spelen de breedte van de rijbaan en het gebruik van de weg een rol in de verkeersveiligheid. De Albert Schweitzerlaan behoort tot een 30 km/uur zone. Om deze maximum snelheid te kunnen waarborgen zijn verkeersremmende maatregelen zoals kruispuntplateaus en drempels aangelegd. In en rondom de beoogde ontwikkeling liggen langzaam verkeerroutes door middel van voetpaden, fietsstroken en fietspaden. Aan de Doctor H..J. van Mooklaan met de kruising Albert Schweitzerlaan kan de voetganger veilig oversteken in twee fases. Deze oversteekplaats ligt op een plateau om het verkeer af te remmen en de verkeersveiligheid te kunnen waarborgen. Met deze maatregelen is de verkeersveiligheid gewaarborgd. Parkeren Parkeerbehoefte De gemeente heeft via een reactie van de gemeentelijke verkeerskundige op het ingediende principeverzoek voor deze ontwikkeling aangegeven dat voor de bepaling van de parkeerbehoefte uitgegaan mag worden van een aangepaste parkeernorm van 0,6 parkeerplaatsen voor bewoners en 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers, opgeteld 0,9 parkeerplaatsen. Deze norm is gebaseerd op vastgestelde kentallen omtrent autobeschikbaarheid die in 2019 zijn waargenomen door de gemeente Rijswijk.

Deze parkeerkentallen per huishouden zijn gerelateerd aan de specifieke locatie in de gemeente, de omvang van wooneenheden en eigenaarschap van de betreffende woningen. Op grond van de aangepaste parkeernorm voor het maximale aantal appartementen dat planologisch gezien mogelijk is op deze locatie (34x), is de parkeerbehoefte 30,6 en afgerond 31 parkeerplaatsen. Met deze berekening van de parkeerbehoefte wordt afgeweken van de bepalingen zoals opgenomen in de Nota parkeernormen gemeente Rijswijk 2011. Deze afwijking voldoet echter aan het criterium zoals opgenomen in de 'Parapluherziening parkeernormering Rijswijk', waarin wordt gesteld dat afwijken mogelijk is op basis van het advies van een verkeerskundige waaruit blijkt dat op een andere wijze is/wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Parkeeraanbod Uit de reguliere parkeertellingen die jaarlijks worden uitgevoerd in opdracht van de gemeente Rijswijk, is gebleken dat in de directe omgeving van deze ontwikkeling op alle momenten ruim voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn langs de openbare weg. Hierbij is gekeken naar parkeerplaatsen die zich bevinden op een hemelsbrede afstand van maximaal 100 meter vanaf deze ontwikkeling. Het gaat dan om parkeerplaatsen langs straatsecties in (delen van) de Henri Dunantlaan, Petronella Voûtestraat, Albert Schweitzerlaan, Doctor H.J. van Mooklaan en de Godfried Bomansstraat.

Langs deze straatsecties bevinden zich in totaal 158 parkeerplaatsen. De bezettingsgraad op verschillende momenten van de week varieert tussen de 65% en de 68%. Het hoogste percentage correspondeert met een bezetting van 107 parkeerplaatsen op het drukste moment van de week, dit is hier de zaterdagmiddag. Als hierbij wordt opgeteld de totale, normatieve parkeerbehoefte die wordt verwacht vanwege de realisatie van deze ontwikkeling (31 parkeerplaatsen) dan resulteert dit in een parkeerbehoefte van 138 parkeerplaatsen. Een bezetting van 138 parkeerplaatsen staat gelijk aan een bezettingsgraad van 87%. Dit percentage is lager dan de maximale 90% die in de Kadernota Parkeren 2015-2025 wordt aangehouden als maximaal gewenste bezettingsgraad van parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Overigens wordt verwacht dat de maximale bezettingsgraad van parkeerplaatsen in de praktijk lager zal zijn dan de hier berekende 87%,

53/71

aangezien de extra parkeerbehoefte van bewoners en bezoekers van de voorgenomen ontwikkeling op zaterdagmiddag lager is dan de normatieve parkeerbehoefte van 31 parkeerplaatsen. De reden is dat op zaterdagmiddag minder bewoners parkeren dan in de nachtelijke uren, wanneer de parkeerbehoefte het grootst is. De conclusie van deze berekening is dus dat in de directe omgeving voldoende parkeerplaatsen aanwezig en beschikbaar zijn in de openbare ruimte om de totale parkeerbehoefte van de voorgenomen ontwikkeling te faciliteren. De aanwezigheid van voldoende parkeerplaatsen in de openbare ruimte is tot op heden voor de gemeente geen argument geweest om bij vergelijkbare locatieontwikkelingen - dat wil zeggen bij nieuwbouwprojecten met voldoende ruimte op eigen perceel - een initiatiefnemer te gunnen dat geen parkeerplaatsen aangelegd hoeven te worden op eigen terrein. Bij deze locatie kiest de gemeente er echter expliciet voor om hiervan af te wijken. De argumenten daarbij zijn de volgende: De ruimte op eigen perceel die vrijkomt door geen parkeerplaatsen aan te leggen wordt ingericht als openbaar groen, hetgeen ten goede komt aan de gehele buurt. De aanleg van extra parkeerplaatsen waarmee de huidige overmaat aan parkeerplaatsen in stand wordt gehouden, is om redenen van waterberging en hittestress onwenselijk.

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maatschappelijk vastgoed, in dit geval sociale huurwoningen die worden beheerd door een woningbouwcorporatie. De uitgespaarde kosten door geen parkeerplaatsen aan te leggen, een hogere kwaliteit van het onroerend goed en/of de realisatie van andere woningbouwprojecten met een onrendabele top. Bewoners in het aanpalende appartementencomplex van de Doctor H.J. van Mooklaan hebben in de participatiefase geageerd tegen de aanleg van extra parkeerplaatsen. Belangrijkste reden hiervoor is de gevreesde overlast door haal- en brengverkeer van kinderen van de basisschool aan de Petronella Voûtestraat. Door geen extra parkeerplaatsen aan te leggen wordt aan de wens van omwonenden tegemoet gekomen. Hiermee wordt tevens de kans op een spoedige vergunningverlening vergroot. In de buurt van de voorgenomen ontwikkeling zijn geen andere ruimtelijke ontwikkelingen voorzien met een significante parkeerbehoefte, zodat de huidige overmaat van parkeerplaatsen in de openbare ruimte duurzaam beschikbaar is. Met de voorgestelde parkeeroplossing wordt afgeweken van de bepalingen zoals opgenomen in de Nota parkeernormen gemeente Rijswijk 2011.

Deze afwijking voldoet echter aan het criterium zoals opgenomen in de 'Parapluherziening parkeernormering Rijswijk', waarin wordt gesteld dat afwijken mogelijk is op basis van het advies van een verkeerskundige waaruit blijkt dat op een andere wijze is/wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

54/71

Figuur 4.9: Overzicht van de bestaande parkeerplaatsen (bron: Formhet, 2022) Conclusie Het plangebied is goed bereikbaar voor het gemotoriseerd verkeer en het langzaam verkeer. Ook per openbaar vervoer is de locatie te bereiken. De verkeersgeneratie en toename van de beoogde ontwikkeling is 111 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. De piek zal voornamelijk in de spitsen aanwezig zijn. Dit zijn ongeveer 11 extra mvt. Dit is een geringe verkeerstoename en kan binnen de huidige infrastructuur opgevangen worden waardoor dit niet leidt tot knelpunten op het omliggend wegennet. De wegen rondom de planontwikkeling zijn veilig ingericht voor langzaam verkeer en met de aangelegde verkeersremmende maatregelen is de verkeersveiligheid gewaarborgd. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is 31 parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers aan bewoners. Voor bewoners en bezoekers is voldoende parkeergelegenheid beschikbaar in de openbare ruimte. De aspecten verkeer en parkeren staan de ontwikkeling van de woningen dan ook niet in de weg.

4.11 Duurzaamheid Toetsingskader Nationaal klimaatbeleid Nederland heeft zich verbonden aan verschillende internationale afspraken. het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (VN) uit 1992 is het eerste klimaatverdrag.

55/71

het Kyoto-Protocol uit 1997. Hierin staat dat de emissiereducties van land tot land verschillen en onder elkaar verhandeld kunnen worden. VN-klimaattop in Parijs: de Conference of Parties (COP21). Nederland heeft ingestemd met een nieuw VN-klimaatakkoord, dat in 2020 is ingegaan. Doel van het akkoord: de opwarming van de aarde beperken tot ruim onder 2 graden Celsius. Met een duidelijk zicht op 1,5 graden Celsius. Nationale doelen voor terugdringen van broeikasgassen De Klimaatwet stelt vast met hoeveel procent ons land de CO2-uitstoot moet terugdringen. Klimaatwet moet burgers en bedrijven zekerheid geven over de klimaatdoelen: 49% minder CO2-uitstoot in 2030 ten opzichte van 1990. Om dit doel te halen, hebben de overheid, bedrijven en maatschappelijke organisaties een Klimaatakkoord gesloten. Er staan ook afspraken in die partijen onderling hebben gemaakt. 95% minder CO2 -uitstoot in 2050 ten opzichte van 1990. De Nederlandse staat moet eind 2020 ten minste 25% minder broeikasgassen uitstoten ten opzichte van 1990 (redactioneel: eind 2020 is 25,4% minder uitstoot behaald). Klimaatakkoord In het Klimaatakkoord staan afspraken met 5 sectoren over de maatregelen die deze sectoren de komende 10 jaar en in de jaren daarna gaan nemen om de klimaatdoelen te halen. Deze sectoren zijn gebouwde omgeving, landbouw en landgebruik, elektriciteit, industrie en mobiliteit.

Relevant voor het plan zijn: Gebouwde omgeving: In 2050 moeten 7 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen van het aardgas af zijn. Dat betekent isoleren en gebruikmaken van duurzame warmte en elektriciteit. Als eerste stap moeten in 2030 de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn. Mobiliteit: In 2050 stoot het Nederlands verkeer en alle transport geen schadelijke uitlaatgassen en CO2 meer uit. Verkeer en transport kunnen schoner, én ook slimmer. Zo wordt ook de bereikbaarheid en de toegankelijkheid voor iedereen beter. Dit kan door voertuigen en infrastructuur, zoals wegen, spoor en vaarwater, optimaal te gebruiken. Elektrisch vervoer en aandrijving met duurzame waterstof is daarbij belangrijk. Elektriciteit: In 2030 wil Nederland 70% van alle elektriciteit opwekken met windturbines op zee en op land en zonnepanelen op daken en in zonneparken. In 2050 wil Nederland helemaal geen fossiele brandstoffen, zoals aardgas en steenkool, gebruiken. Er is nog veel te doen om dat te bereiken, want in 2018 kwam nog maar 7,2% van alle elektriciteit uit duurzame bronnen. Tegelijk groeit de vraag naar elektriciteit. Gemeentelijk beleid Duurzaamheidsagenda 2020: Op weg naar een duurzaam Rijswijk Op 1 november 2011 is het duurzaamheidsplan: 'Duurzaamheidsagenda 2020: Op weg naar een duurzaam Rijswijk' vastgesteld door de raad.

In 2020 wil de gemeente Rijswijk een groene, schone en milieuvriendelijke gemeente zijn. In het duurzaamheidsplan wordt per thema aangegeven wat de ambitie is en wat daarvoor nodig is om het te bereiken. Alle doelstellingen per thema moeten leiden tot een duurzame gemeente, die schoner, groener en milieuvriendelijker is. Meerjarenactieplan Duurzaamheid 2016 In augustus 2016 stelde het college het Meerjarenactieplan 2016-2018 vast als aanvulling op de eerdere

56/71

duurzaamheidagenda 2020. Motto: “Duurzaamheid is geen keuze meer”. Duurzaamheid gaat over een aangename leefomgeving en de manieren waarop wij daar samen met onze inwoners, instellingen en bedrijven aan bouwen. Dit meerjarenactieplan dient dan ook als basis voor de dialoog met de omgeving. Om de duurzaamheidsprestaties te halen ligt de focus op vijf ambities: 1. Energieverbruik verminderen: Stimuleren energiebesparende maatregelen. Stimuleren gebruik van duurzame energie. Bevorderen duurzame mobiliteit. 2. Biodiversiteit vergroten: Zorgen voor meer variatie in het stedelijk groen (openbaar en privé) en rekening houden met de meerwaarde van groen voor vogels, insecten en andere dieren. Verbeteren kwaliteit openbaar groen + ontwikkelen stadsnatuur. Vergroten/behoud van de kwantiteit van het (openbaar) groen. 3. Milieukwaliteit (lucht en geluid) verbeteren: Verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving door geluidshinder terugdringen + bijdragen aan een schonere en gezondere lucht. Terugdringen van geluidhinder in woningen door geluidreducerende maatregelen aan de bron. Luchtkwaliteit verbeteren door vervuilende vrachtauto's uit de stad te weren en schone, zuinige en stille vervoerswijzen te bevorderen. 4. Klimaatbestendig maken van de stad: Aanpassingen doen in het watersysteem vanuit de gemeentelijke zorgtaken.

voor: inzamelen & transport van afvalwater; inzamelen & verwerking van hemelwater en aanpak/voorkomen van problemen met grondwater. Samen met het Hoogheemraadschap van Delfland de chemische en ecologische waterkwaliteit verbeteren. Zoeken naar ruimte voor water volgens het principe vasthouden-bergen-afvoeren. 5. Afvalstromen verminderen: Verbeteren van de huishoudelijke afvalscheiding door burgers. Te zorgen dat de inzamelvoorzieningen voor omgekeerd-afval-inzamelen op orde, voldoende aanwezig en laagdrempelig zijn. Door zwerfafval te voorkomen en op te ruimen. Duurzaamheid kan gegroepeerd worden onder drie pijlers: 1. Energietransitie 2. Klimaatadaptatie 3. Circulaire economie

57/71

1. Energietransitie De gemeente Rijswijk wil in 2050 energieneutraal zijn en volgt daarmee de landelijke afspraken. Het basisdocument Energietransitie Rijswijk bevat de kaders en uitgangspunten voor de gemeentelijke bijdrage aan de Regionale Energiestrategie. In december 2021 is de gemeentelijke Transitievisie Warmte vastgesteld. Dit is een belangrijke stap op weg naar het behalen van de doelstellingen uit het Nationaal Klimaatakkoord. In het klimaatakkoord is bepaald dat in 2030 70 procent van alle elektriciteit uit hernieuwde bronnen moet worden gewonnen en in 2050 alle woningen en gebouwen klimaatneutraal moeten zijn. Het betekent onder meer dat de hele gemeente dan aardgasvrij moet zijn. De impact op de samenleving is enorm. Op veel concrete vragen kan op dit moment nog geen antwoord worden gegeven. Wel zijn in het Basisdocument diverse kaders in beeld gebracht, op wettelijk, financieel, juridisch en economisch vlak. Daarnaast zijn de uitgangspunten bepaald, die de transitie de komende decennia in goede banen moeten leiden. Kern is dat bij de Rijswijkse energietransitie betaalbaarheid en comfort voor de inwoners voorop staat. Andere uitgangspunten zijn dat de gemeente inwoners intensief betrekt, open en transparant communiceert en nauw samenwerkt met alle relevante partijen.

Het basisdocument plaatst de energietransitie in een tijdpad, waarbij vooral is geredeneerd vanuit realisme en haalbaarheid. Energieprestatie - BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). 2. Klimaatadaptatie Het klimaat verandert. Niet alleen stijgt de zeespiegel, maar extremere weertypen komen steeds vaker voor zoals langdurige droogte of extreme regenval. We werken daarom hard om verdere verandering van het klimaat door de energietransitie te beperken. Tegelijkertijd is het nodig om ons aan te passen aan de versnelde klimaatverandering zodat we schade zoveel mogelijk beperken. Hittestress en droogte zijn onderwerpen die de komende jaren ook onze aandacht behoeven.

58/71

Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland wil voorop lopen op het gebied van klimaatadaptief bouwen. In 2018 is het Convenant Klimaatadaptief Bouwen opgesteld dat ondertekend is door diverse partijen, zoals bouwbedrijven, gemeenten (waaronder Rijswijk), de provincie, waterschappen, maatschappelijke organisaties, financiers en projectontwikkelaars. Vanuit het convenant wordt gezamenlijk opgetrokken om de Zuid-Hollandse delta zo adaptief mogelijk te maken. Het convenant stimuleert partijen om klimaatadaptief te bouwen en biedt daarvoor allerlei ondersteuning aan. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, droogte, hittestress, bodemdaling en overstromingen en het vergroten van de biodiversiteit bij bouwopgaven.

3. Circulaire economie De Rijksoverheid werkt via het programma 'Nederland Circulair in 2050' aan een volledig circulaire Nederlandse economie. Op weg daar naar toe, wil Nederland in 2030 het gebruik van primaire grondstoffen met 50% reduceren. Het programma bouwt voort op een programma als VANG (Van Afval Naar Grondstof). VANG richt zich op preventie (het voorkomen van afval), afvalscheiding en het terugdringen van restafval bij huishoudens en bedrijven. In 2017 hebben maatschappelijke partners (bedrijven en kennisinstellingen) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) het Grondstoffenakkoord ondertekend. Dit akkoord is gericht op het bereiken van een schaalsprong in de transitie van een lineaire naar een circulaire economie. Daarmee levert het een bijdrage aan het bereiken van de doelstelling van het klimaatakkoord. Bij circulaire economie gaat het over het hergebruiken van producten en het delen van eigendom. Het efficiënter gebruik maken van wat we al hebben helpt om minder grondstoffen te verbruiken. De deeleconomie, waar het delen van eigendommen centraal staat, heeft een vlucht genomen. Ook in Rijswijk groeit de deeleconomie (deelscooters, deelauto's). Het delen van eigendommen verbindt mensen en draagt bij aan sociale cohesie.

59/71

Beoordeling Aan de hand van de drie pijlers wordt ingegaan op de maatregelen binnen het plangebied: 1. Energietransitie (ambitie: energieverbruik verminderen) en 2. Klimaatadaptatie (ambities: klimaatbestendig maken van de stad, biodiversiteit vergroten, milieukwaliteit (lucht en geluid) verbeteren) Op verschillende manieren wordt in het plan gebruik gemaakt van duurzame materialen en klimaataanpassingen. Zo komen er zonnepanelen op het dak gericht op het zuidoosten. Regenwater wordt opgevangen en groene gevels zorgen voor schone lucht. Voor de parkeervoorzieningen wordt gebruik gemaakt van waterdoorlatende tegels. 3. Circulaire economie (ambitie: afvalstromen verminderen) Het plan geeft invulling aan de ambitie om circulariteit te bevorderen door het huidige gebouw zo optimaal mogelijk te hergebruiken door in plaats van te slopen het gebouw te oogsten. Hiermee wordt een groot gedeelte hergebruikt in het nieuwe gebouw. indien dit niet mogelijk is wordt er gekeken naar ontwikkelingen die de vrijgekomen materialen wel kunnen gebruiken.

4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: 1. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; 2. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; 3. defensiebrandstoffen; 4. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Onderzoek en conclusie In en nabij de planlocatie zijn geen planologisch relevante leidingen en/of telecommunicatieverbindingen aanwezig die een belemmering vormen voor de ontwikkeling of waarvoor de ontwikkeling een belemmering is. Dit aspect staat de uitvoering van de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.13 Bezonning Toetsingskader Als gevolg van de ontwikkeling ter plaatse van het voormalige schoolgebouw is d.d. 27 januari 2023 een bezonningsstudie uitgevoerd naar de beschaduwing c.q. bezonning ten gevolge van de ontwikkeling op de directe omgeving. Daarbij is gekeken naar hoeveel mogelijke bezonningsuren aanwezig zijn in de volgende situaties: situatie conform het huidige bestemmingsplan; situatie conform de voorgenomen aanpassing op het bestemmingsplan. Hierbij is rekening gehouden met de TNO-norm en Haagse bezonningsnorm. De bezonningsstudie is als bijlage

60/71

15 bij het plan opgenomen. Beoordeling Uit de toetsing blijkt dat de nieuwe bebouwing invloed heeft op het mogelijk aantal bezonningsuren ter plaatse van de bestaande appartementen gelegen aan de Dr. H.J. van Mooklaan. Op de zuidgevel is op 21 maart, 21 september en 21 december in de ochtend (9.00 uur) slagschaduw aanwezig. Ook op 21 december is er om 12.00 uur slagschaduw aanwezig. Verder blijkt uit de resultaten dat er voor de woningen aan de Albert Schweitzerlaan en de woningen aan de Petronella Voûtestraat geen afname is van het aantal bezonningsuren. Er wordt hierdoor voldaan aan de minimale eis van minimaal 2 bezonningsuren per dag. Conclusie De nieuwbouw heeft geen dusdanig schaduwwerkend effect dat de gestelde eisen voor bezonning worden overschreden.

61/71

Hoofdstuk 5

5.1

Uitvoerbaarheid en handhaving

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan wordt getoetst aan het vooroverleg met de reguliere overlegpartners en een zienswijzenperiode voor reacties van bewoners en andere belanghebbenden. Het voorontwerpbestemmingsplan wordt ex art. 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor advies voorgelegd aan Rijk, provincie, waterschap en andere overlegpartners. Binnengekomen reacties uit het wettelijk vooroverleg worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Tijdens de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan kan eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze kenbaar maken. De reacties uit zowel de zienswijzenperiode worden voorzien van een beantwoording en afgewogen in het bestemmingsplan. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt ter inzage gelegd. Tijdens deze terinzagelegging kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 5.1.1 Participatie Goede participatie maakt een plan of initiatief beter. Deze samenwerking tussen belanghebbenden, gemeente en initiatiefnemer kan het plan inhoudelijk verbeteren en verrijken, bijvoorbeeld door lokale kennis te benutten. Daarbij draagt het bij aan de besluitvorming, door alle belangen in beeld te brengen en hierdoor beter rekening te houden met deze belangen. Dit kan bijdragen aan het draagvlak van het plan.

Samen met de buurt heeft de initiatiefnemer gewerkt aan een tijdelijke en definitieve invulling van het terrein. Op 12 juli 2021 was een ontwerpsessie over de tijdelijke invulling. De voorlopige plannen van de nieuwbouw zijn op 11 september 2021 aan de buurt gepresenteerd tijdens de Expeditie. De uitnodiging is te vinden in bijlage 10 en het verslag met de resultaten in bijlage 11. Tijdens de Burendag op 25 september 2021 is het terrein geopend en is de initiatiefnemer samen met de omgeving aan de slag gegaan met de tijdelijke invulling. In juli 2022 hebben buurtbewoners een nieuwsbrief ontvangen over de laatste stand van zaken (bijlage 12). Verder zijn de omwonenden schriftelijk op de hoogte gesteld over de asbestsanering en sloop van het gebouw (zie bijlage 13 en 14). Daarnaast is er een projectpagina aangemaakt op rijswijkwonen.nl waarop informatie over het project te lezen is.

62/71

5.2

Economische uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening stelt verplicht dat de gemeenteraad tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vaststelt voor kostenverhaal in het geval het bestemmingsplan nieuwe, bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) aangewezen bouwplannen mogelijk maakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de bouw van één of meer woningen, de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen of de uitbreiding of verbouwing van gebouwen. In de wet is aangegeven welke kosten verhaald kunnen worden. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld door gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gronden zijn in eigendom van de gemeente en worden via een tender verkocht aan de woningcorporatie. Onderdeel van deze tender is het sluiten van een koop- en ontwikkelovereenkomst tussen de gemeente en de woningcorporatie, waarin afspraken worden gemaakt over het kostenverhaal en eventuele aanvullende regels en/of een fasering. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan niet nodig. Bovendien is er sprake van een economisch uitvoerbaar plan. Hiermee is de financiële uitvoerbaarheid van het plan aangetoond. Er is een anterieure overeenkomst opgesteld die door beide partijen is ondertekend op d.d. 14 februari 2023.

5.3

Handhaving

De gemeente Rijswijk heeft besloten om de handhaving te verbeteren en heeft daarom een integrale handhavingsnota opgesteld. De nota heeft betrekking op bouwen, ruimtelijke ordening, milieu, APV, openbare orde, de Drank- en Horecawet en de Brandweer. Het doel van de integrale handhavingsnota is enerzijds om meer eenheid en uniformiteit te bewerkstelligen. Anderzijds wil de gemeente transparanter beleid, waarbij programmatische handhaving middels een jaarprogramma voor de uitvoering een belangrijk onderdeel is. De integrale handhavingsnota geeft het ambitieniveau weer van de gemeente en beschrijf hoe dit gerealiseerd kan worden. De ambitie van de gemeente is dat zij zo effectief en efficiënt mogelijk handhaaft op de wet- en regelgeving waarvoor zij bevoegd gezag is. Men richt zich op het voorkomen van overtredingen. Daarnaast worden burgers en bedrijven geïnformeerd over het gewenst naleefgedrag en over de consequenties van ongewenst naleefgedrag. Voor het handhaven van regels heeft de gemeente de beschikking over een drietal instrumenten, de zogenoemde bestuurlijke, strafrechtelijke en privaatrechtelijke instrumenten. Het bestuursrechtelijke instrumentarium kan de gemeente zelfstandig toepassen. Het bestaat uit bestuursdwang en een bestuurlijke dwangsom. Bij strafrechtelijke handhaving heeft de gemeente de medewerking van politie en openbaar ministerie nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=ae588ebf-3631-4b1d-a576-ef6db72cd237