CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage C Godfried Bomansstraat toelichting en bijlages

Raadsvergadering 27 juni 2023, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan Godfried Bomansstraat (RV 23 046)22.835 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Godfried Bomansstraat Rijswijk

DATUM IMRO IDN

09-09-2022 NL.IMRO.0603.bpgodfriedbomansst-VA01

PROJECT PROJECTLEIDER

Godfried Bomansstraat J. van Broekhoven

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Weboma 20210560

AUTEUR STATUS

E. Louwers, W.Timmermans vastgesteld

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging plangebied

6

1.3

Vigerend bestemmingsplan

7

1.4

Leeswijzer

9

Hoofdstuk 2

Beschrijving plangebied

10

2.1

Ontstaansgeschiedenis

10

2.2

Huidige situatie

11

2.3

De beoogde ontwikkeling

14

Hoofdstuk 3

Beleidskader

18

3.1

Rijksbeleid

18

3.2

Provinciaal beleid

22

3.3

Gemeentelijk beleid

25

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

31

4.1

M.e.r.-(beoordelings)plicht

31

4.2

Cultuurhistorie en archeologie

31

4.3

Bodem

33

4.4

Natuur en ecologie

34

4.5

Externe veiligheid

39

4.6

Lucht

41

4.7

Geluid

42

4.8

Milieuhinder bedrijven

43

4.9

Water

46

4.10

Verkeer en parkeren

50

4.11

Duurzaamheid

55

4.12

Kabels en leidingen

60

4.13

Bezonning

60

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid en handhaving

62

5.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

62

5.2

Economische uitvoerbaarheid

63

3/71

5.3

Handhaving

63

Hoofdstuk 6

Procedure

65

Vooroverleg en inspraak

65

Juridische planbeschrijving

67

7.1

Welke bestemmingen komen voor in dit plan?

67

7.2

Hoe ziet een bestemmingsplan er uit?

67

7.3

Wat regelt een bestemmingsplan?

68

7.4

Opzet van de planregels

68

7.5

Toelichting op de inleidende regels

68

7.6

Toelichting op de bestemmingsregels

69

6.1

Hoofdstuk 7

4/71

Toelichting

5/71

Hoofdstuk 1

1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Godfried Bomansstraat was voorheen de basisschool 'Wethouder Brederodeschool' gevestigd. Na de verhuizing naar de nieuwe locatie aan de Goedendorplaan kwam het pand leeg te staan. Het schoolgebouw is inmiddels gesloopt en het terrein is gereed voor herontwikkeling. Rijswijk Wonen wil hier woningen ontwikkelen. Na een gewonnen aanbesteding gaat Weboma op deze locatie een appartementencomplex realiseren met maximaal 34 woningen verdeeld over 4 bouwlagen. De tuin om het gebouw heen wordt groen ingericht met aandacht voor sociale duurzaamheid door het realiseren van verschillende ontmoetingsplekken. Hiermee sluit de ontwikkeling aan bij de speerpunten en ambities uit de woonvisie. Op basis van het bestemmingsplan 'Steenvoorde' is woningbouw ter plaatse niet toegestaan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan maakt de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt in een gebied omsloten door de Albert Schweitzerlaan, de Petronella Voutestraat, de Henri Dunantlaan en de Doctor H.J. van Mooklaan. De Godfried Bomansstraat steekt dit gebied in. Ten noorden van deze straat staat een appartementengebouw. De locatie wordt verder aan de west- en zuidzijde begrensd door perceelsgrenzen van woonkavels en aan de oostzijde door een basisschool. Rondom het plangebied liggen voetpaden.

6/71

Figuur 1.1: Luchtfoto met het plangebied rood omlijnd (bron: Luchtfoto) Het gebied is onderdeel van de wijk Steenvoorde met als deelgebied Stervoorde. Dit deel is gebouwd tussen 1968-1972. In de wijk wisselen midden- en laagbouw elkaar af. De wijk is ruim opgezet met veel openbare ruimte, zoals groen, speelplaatsen en parkeervoorzieningen.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Steenvoorde' (onherroepelijk 15-01-2013). De gronden hebben de bestemmingen 'Maatschappelijk', 'Groen', 'Verkeer - 3', 'Wonen - 2' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'.

Figuur 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'Steenvoorde', plangebied rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl) De gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen; b. erven, parkeren, groenvoorzieningen, natuurwaarden en water; c. speelvoorzieningen; d. straatmeubilair. Daarnaast mag de bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte', te weten 7 meter. De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen; b. bermen en beplanting; c. oevers en tijdelijke waterberging; d. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer – tram' tevens een tramlijn;

7/71

met daaraan ondergeschikt: e. speelvoorzieningen; f. paden en bruggen voor langzaam verkeer; g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; h. vlonders en steigers; i. geluidwerende voorzieningen; met de daarbij behorende: j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De gronden met de bestemming 'Verkeer - 3' zijn bestemd voor: a. erftoegangswegen en verblijfsgebieden; b. bruggen, viaducten en tunnels ten behoeve van kruisende infrastructuur; c. bermen en beplanting; met daaraan ondergeschikt: d. speelvoorzieningen; e. parkeervoorzieningen, al dan niet (half) ondergronds; f. paden; g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; h. geluidwerende voorzieningen; met de daarbij behorende: i. gebouwen; j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De gronden met de bestemming 'Wonen-2' zijn bestemd voor: a. wonen in de vorm van gestapelde woningen; b. op de begane grondlaag of tweede bouwlaag voor een maatschappelijke functie met een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 150 m2 per bouwvlak; c. beroepsuitoefening aan huis; d. tuinen en erven; e. parkeervoorzieningen (niet gebouwde), groenvoorzieningen en water. Daarbij geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. De voor 'Waarde Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aanwezige archeologische waarden.

Strijdigheid De beoogde ontwikkeling gaat uit van maximaal 34 woningen met een bouwhoogte van 14 meter. Zowel het gebruik als de gewenste bouw zijn strijdig met het vigerende bestemmingsplan. Daarnaast is het niet toegestaan om te bouwen ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. Tot slot wordt de bestemming 'Wonen - 2' naast/langs de Van Mookflat gewijzigd naar de bestemming 'Verkeer 3'. Deze wijziging is nodig ten behoeve van het optimaliseren van het openbaar gebied en het parkeren en staat. De bestemming 'Verkeer - 3' wordt ten behoeve van een maatschappelijke ruimte (terras) gewijzigd naar de

8/71

bestemming 'Wonen - 2'.

1.4

Leeswijzer

Aan de hand van de ruimtelijke en de functionele structuur wordt in hoofdstuk 2 de visie op het plangebied beschreven en wordt de gewenste ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het voor dit bestemmingsplan relevante beleid kort samengevat. In hoofdstuk 4 wordt het bestemmingsplan getoetst aan de diverse milieu- en andere sectorale aspecten. Hoofdstuk 5 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de procedure. In hoofdstuk 7 wordt een toelichting gegeven op de regels en worden de keuzes en gedachten die ten grondslag liggen aan de bestemmingsplanregeling toegelicht.

9/71

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving plangebied

Ontstaansgeschiedenis

Het landschap langs de kust onderging omstreeks 3.500 v Chr. een aantal veranderingen. Door de vorming van nieuwe strandwallen werden in de loop der eeuwen de open getijdegeulen afgesloten van de zee. Langs de kust ontstond toen een vrijwel gesloten barrière van strandwallen, waarop duinen tot zo’n 10 meter hoog ontstonden. De meeste van deze duinen, de zogenaamde Oude Duinen, zijn in de Middeleeuwen en later afgegraven. Op één van de weinige overgebleven duinen ligt de oude dorpskern van Rijswijk, waarbij het hoogste deel op drie meter boven NAP ligt. Het dorp Rijswijk ontstond rond de 12e eeuw, toen de klei- en veengronden vanaf de huidige Van Vredenburchweg (één van de oudste strandwallen van Nederland) werden ontgonnen. De laaggelegen gebiedsdelen tussen en achter de duinenrijen waren zeer geschikt voor weidegrond of akkerbouw. In deze gebieden ontstond met name vanaf de 16e eeuw een hoge concentratie aan kastelen en buitenplaatsen met bijbehorende landerijen en gebouwen. Ofschoon het merendeel van de buitenplaatsen inmiddels is verdwenen, drukt de landgoederenzone nog steeds een stempel op Rijswijk. Rondom de Oude Kerk groeide het dorp Rijswijk, als centrum van voorzieningen, verder uit.

Aanvankelijk was sprake van een natuurlijke groei met vrijliggende panden op diepe kavels, waarbij een min of meer aaneengesloten bebouwing ontstond aan weerszijden van de Herenstraat en aan de westzijde van de Kerklaan. Vanaf de 19e eeuw werd in verband met de opkomende industrialisatie de infrastructuur verbeterd. Voor het dekken van de kosten werden tollen ingericht, onder meer ter plaatse van de Van Vredenburchweg. De stedelijke uitbreiding van Rijswijk begint rond 1900 met onder andere de realisatie van Leeuwendaal, Cromvliet en de Bomenbuurt. Deze uitbreiding wordt slechts onderbroken door de Tweede Wereldoorlog en de eerste naoorlogse jaren. Na de Tweede Wereldoorlog was er in Rijswijk een groot te kort aan woningen. Onder leiding van burgemeester Bogaardt werden diverse stukken land aangekocht. Hierop werden nieuwe woonwijken gerealiseerd, zoals Ministerbuurt, Muziekbuurt, Artiestenbuurt, Kleurenbuurt en Spoorzicht. Maar ook parken, sportfaciliteiten en winkelcentra werden onder zijn leiding gerealiseerd. Het inwoneraantal van Rijswijk steeg tijdens de ambtsperiode van burgemeester Bogaardt daardoor van 23.000 tot 50.000 inwoners. Vanaf de tweede helft van de 20e eeuw werd er op meer plaatsen in Rijswijk hoogbouw toegepast. Hiermee nam de hoogte van de bebouwing toe. Hieraan lag de voortdurende vraag naar woningen en de hoge grondprijs ten grondslag.

Rijswijk kreeg een stedelijke uitstraling. Vanaf de jaren '70 en '80 van de vorige eeuw werden er veel eengezinswoningen gebouwd en daarmee ontstond een grotere diversiteit aan woningtypen. Vanaf de jaren '90 van de vorige eeuw vormt Rijswijk een onderdeel van het aaneengesloten stedelijk gebied van de agglomeratie van Den Haag.

10/71

2.2

Huidige situatie

Het plangebied ligt in het westen van Rijswijk, ten westen van de A4, in de wijk Steenvoorde. De wijk Steenvoorde is een naoorlogse wijk. De naoorlogse architectuur was gebaseerd op de Congrès Internationaux d'Architecture Moderne (CIAM) gedachte, waarbij functies gescheiden werden. Dit betekent dat er aparte wijken werden aangelegd voor wonen, werken en recreëren met daartussen brede ruime wegen met groenstroken. In de jaren '50 werden voornamelijk flats gebouwd bestaande uit twee, drie of vier verdiepingen. Door de nog steeds hoge woningnood in de jaren '60 werden hier hogere flats aan toegevoegd van zes verdiepingen. Deze worden afgewisseld met wat lagere bebouwing en eengezinswoningen. In de jaren '70 en '80 werden hier nog meer eengezinswoningen aan toegevoegd en ontstond er meer diversiteit in de wijk. De wijk Steenvoorde bestaat uit vier deelgebieden: Hoekpolder, Ministerbuurt, Stervoorde en Presidentenbuurt. Het plangebied ligt in het deelgebied Stervoorde, zie figuur 2.1.

11/71

Figuur 2.1: Wijkindeling Steenvoorde met plangebied rood omcirkeld (bron: bestemmingsplan 'Steenvoorde', ruimtelijkeplannen.nl) Stervoorde is gebouwd tussen 1968-1972. De ontwikkeling ligt ten zuiden van de Dr. H.J. van Mooklaan. Hier zijn middel- en laagbouw in stroken parallel aan of haaks op elkaar geplaatst afgewisseld door eengezinswoningen.

12/71

Aan de Dr. H.J. van Mooklaan zijn in de plint verschillende voorzieningen met hierboven woningen. Deze voorzieningen sluiten aan op een wijkwinkelcentrum aan de Henri Dunantlaan. Aan deze laan ligt ook basisschool Het Kristal, met ongeveer 240 leerlingen. De achterzijde van de basisschool grenst aan het plangebied.

Figuur 2.2: Omgeving van het plangebied, plangebied rood omlijnd (bron: GoogleMaps, 2022) Op de locatie van de beoogde ontwikkeling stond voorheen de Wethouder Brederodeschool. Deze school is verplaatst naar de Goedendorplaan. Het schoolgebouw is reeds gesloopt en het terrein is gereed voor herontwikkeling. In het gebied is samen met de buurt een pannaveld gemaakt waar kinderen kunnen spelen.

13/71

Figuur 2.3: Voormalige bebouwing van het schoolgebouw in 2010 (bron: GoogleStreetview, 2010)

Figuur 2.4: Huidige invulling van het plangebied (bron: Weboma)

2.3

De beoogde ontwikkeling

Op de locatie van de voormalige basisschool gaat Weboma in opdracht van Rijswijk Wonen een appartementencomplex ontwikkelen met maximaal 34 woningen. Het gebouw wordt op de langste zijde geplaatst, van oost naar west, zodat er aan de noord- en zuidzijde ruimte overblijft voor gemeenschappelijke en openbare ruimten. De gemeenschappelijke en openbare ruimten betreffen de groenvoorzieningen. Het parkeren vindt plaats in de openbare ruimte, hier zijn voldoende bestaande parkeervoorzieningen. Zie hiervoor ook paragraaf 4.10. De entree van het gebouw is aan de noordzijde. Aansluitend aan de entreehal is de berging, waar ook ruimte is voor scootmobiels en fietsen. Op de begane grond komen 4 appartementen van circa 75 m², 80 m² en twee van 105 m². De twee appartementen van 105 m2 kunnen in de toekomst gesplitst worden zodat er meer woningen (meer dan 31, maximaal 34) van gemaakt kunnen worden. Op de eerste, tweede en derde komen elk 9 appartementen van circa 50 m². De appartementen op de begane grond krijgen een eigen buitenruimte en alle bovengelegen appartementen beschikken over een eigen balkon. Alle buitenruimten zijn gericht op het zuiden. De galerij is aan de noordzijde. De appartementen zijn met name geschikt voor starters en alleenstaanden.

Daarnaast is er extra aandacht voor ouderen of minder mobiele personen, omdat het gebouw beschikt over een lift en genoeg bergingsruimte voor

14/71

scootmobiels. Twee van deze woningen worden aangeboden als Mindervaliden(MIVA) woningen voor grote gezinnen waarvan één of meer gezinsleden een lichamelijke beperking hebben. Deze woningen kunnen in de toekomst gesplitst worden zodat er meer woningen (meer dan 31, maximaal 34) van gemaakt kunnen worden. Er komt geen gemeenschappelijke ruimte aan de Godfried Bomansstraat 2 zelf, maar er zijn plannen om een gemeenschappelijke ruimte te maken in de plint van de flat van Rijswijk Wonen aan de dr. H.J. van Mooklaan, recht tegenover de toekomstige hoofdingang van de nieuwbouw aan de Godfried Bomanstraat 2. In het plan is veel aandacht voor duurzaamheid (zie hiervoor paragraaf 4.11). De duurzaamheidsstrategie bestaat uit drie delen: flexibiliteit, sociale duurzaamheid en duurzame materialen en klimaataanpassingen. 1. Flexibel wonen De woningen kunnen gemakkelijk aangepast worden op verschillende wensen en huishoudens. Zo kunnen de appartementen op de begane grond samengevoegd worden tot twee appartementen en kunnen in verticale richting het appartement op de begane grond samengevoegd worden met die daarboven. Zo ontstaan er meer mogelijkheden voor stellen en gezinnen met kinderen. 2.

Sociale duurzaamheid In het plan wordt een actief participatietraject ingezet waarin huidige en nieuwe bewoners worden betrokken bij het ontwerp proces van de tijdelijke en definitieve invulling van het terrein. Dit wordt gedaan zodat de ontwikkeling collectief gebruikt gaat worden en een plek kan zijn waar men elkaar ontmoet in een veilige en groene omgeving met sociale controle. 3. Duurzame materialen en klimaataanpassingen Op verschillende manieren wordt in het plan gebruik gemaakt van duurzame materialen en klimaataanpassingen. Zo komen er zonnepanelen op het dak gericht op het zuidoosten. Voor de parkeervoorzieningen wordt gebruik gemaakt van waterdoorlatende tegels. Op de luifel ter plaatse van de entree wordt een groen dak toegepast.

15/71

Figuur 2.5: Plattegrond van het plangebied (bron: Formhet, 2022)

Figuur 2.6: Impressie noordgevel (bron: Weboma, 2022)

16/71

Figuur 2.7: Impressie zuidgevel (bron: Weboma, 2022) Inpasbaarheid De beoogde ontwikkeling gaat uit van een appartementencomplex met 34 woningen. Dit sluit qua functie aan bij het woonmilieu in de omgeving. Qua architectuur is aansluiting gezocht met de omgeving, qua volume en uitstraling. Hierbij wordt het omliggende bestaande groen zoveel mogelijk behouden.

17/71

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De omgevingsvisie is één van de instrumenten van de Omgevingswet, die naar verwachting 2023 in werking treedt. Het is een verplicht onderdeel voor elk bestuursorgaan, zowel het rijk, de provincie als de gemeente. Hierin beschrijven ze hun lange termijn visie voor de hele fysieke leefomgeving en hun grondgebied. De nationale omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze samenleving' gaat ervan uit dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo worden in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes gemaakt. Vier prioriteiten staan hierin centraal: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen deze prioriteiten worden drie afwegingsprincipes gehanteerd, die helpen om beleidskeuzes te maken. Dit zijn: Combinaties van functies hebben voorrang op enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen. Tot het moment dat de Omgevingswet ingaat (verwacht 1 januari 2024) geldt de omgevingsvisie als structuurvisie en zijn ruimtelijke belangen geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het Rijksbelang opgenomen dat verstedelijking op duurzame wijze plaatsvindt. Wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt moet er getoetst worden aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2012) Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt niet alleen regels omtrent de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, maar stelt ook regels die in bestemmingsplannen moeten worden opgenomen. Toetsing De beoogde ontwikkeling heeft geen raakvlakken met beleid en de regels op Rijksniveau.

18/71

Figuur 3.1: Uitsnede Barro, plangebied bij punt (bron: ruimtelijkeplannen.nl) 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 2012, actualisering 2017) Ieder ruimtelijk plan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Voor projecten binnen bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Voor projecten buiten bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom niet binnenstedelijk in de behoefte kan worden voorzien. Dit is een locatie binnen bestaand stedelijk gebied. Wel of geen stedelijke ontwikkeling De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. De geldende bestemming is hierbij vertrekpunt. Uit jurisprudentie blijkt dat meer dan 11 woningen of een functiewijziging van meer dan 500 m2 kan worden gezien als stedelijke ontwikkeling. Met dit bestemmingplan worden maximaal 34 woningen mogelijk gemaakt. Binnen het plangebied geldt de bestemming 'Maatschappelijk'. Binnen deze bestemming zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan.

Er worden niet meer maatschappelijke voorzieningen mogelijk gemaakt, dan nu op basis van het bestemmingsplan is toegestaan. Dit onderdeel is daarom geen stedelijke ontwikkeling. Wel worden er meer dan 11 woningen mogelijk gemaakt. Hiermee is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. Beschrijving Woningbehoefte De woningbehoefte blijkt uit onderstaande rapporten en onderzoeken.

19/71

Woningbehoefteraming (WBR 2021) De behoefte blijkt uit de provinciale woningbehoefteraming (WBR). Bij de bepaling van de behoefte (gewenste woningvoorraadgroei) wordt gewerkt met twee demografisch gestuurde ramingen: 'binnenlands migratiesaldo nul' (WBR) en 'binnenlands migratiesaldo trendmatig' (TR). De provincie stelt eens in de drie jaren het hoogste aantal woningen per regio vast als standaard voor de onderbouwing van de woningbehoefte. De WBR 2019 ging nog uit van 57.420 woningen in de periode 2020 tot 2030. Uit de Woningbehoefteraming 2021 blijkt dat in de regio Haaglanden in de periode 2021 t/m 2030 nog 80.900 woningen nodig zijn. De regionale woningbehoefte komt circa 23.500 woningen (41%) hoger uit dan de prognose uit 2019.

Figuur 3.2: Prognose gewenste toename woningvoorraad (bron: WBR 2021 Provincie Zuid-Holland) Er moet ook rekening worden gehouden met planuitval. De provincie gaat ervan uit dat er 30% meer woningen moeten worden gepland om uiteindelijk in 100% van de behoefte te kunnen voorzien. Behoefte naar sociale huurwoningen In de gemeente Rijswijk duurt het gemiddeld 6 jaar en 10 maanden vanaf het moment van inschrijving tot het vinden van een sociale huurwoning. De actieve zoekperiode is korter, namelijk gemiddeld 4 jaar en 3 maanden (bron: NOS) Woonvisie Rijswijk 2015-2025, actualisatie 2021 Op 26 november 2015 is de nieuwe gemeentelijke woonvisie 'Vertrouwd Stedelijk Wonen in Rijswijk' vastgesteld. Hierin zijn de uitgangspunten en ambities voor het wonen tot 2025 beschreven. De woonvisie is in 2021 geactualiseerd gelet op de huidige woningmarktsituatie. De vraag naar woningen is groot en het aanbod blijft achter. De doorstroming stagneert. Voor veel mensen is het vinden van een (andere) woning erg lastig. Veel mensen wonen nu in niet ideale woonomstandigheden. Als gevolg van de woningtekorten ziet de gemeente almaar oplopende huur- en koopprijzen. Vooral in het segment van de lagere middenhuur (tot ca. € 1000,-) zijn grote tekorten. Ook de vraag naar huurwoningen in het sociale segment (< €752) blijft onverminderd

20/71

groot. De nieuwe ambities zijn: De komende jaren een fors aantal woningen toevoegen. Zorgen voor een woningvoorraad waarin alle doelgroepen voldoende aan bod komen. Prioriteit aan het toevoegen van middeldure huur- en koopwoningen. De doelgroepenvoorraad beperkt uitbreiden. Het aandeel in de totale voorraad neemt af. De leefbaarheid en sociale cohesie in wijken verbeteren en zorgen voor een meer gemêleerde woningvoorraad. Het streven om de woningvoorraad veelzijdiger te maken is in onderstaande tabel vertaald naar streefpercentages per prijssegment voor 2030.

Figuur 3.3: Streefpercentages woningvoorraad Alle appartementen worden verhuurd in het sociale huur segment. Op de begane grond komen 4 appartementen van circa 75 m², 80 m² en twee van 105 m². Op de eerste, tweede en derde komen elk 9 appartementen van circa 50 m². De appartementen zijn met name geschikt voor starters en alleenstaanden. Daarnaast is er extra aandacht voor ouderen of minder mobiele personen, omdat het gebouw beschikt over een lift en genoeg berging voor scootmobiels. Twee van deze woningen worden aangeboden als Mindervaliden(MIVA) woningen voor grote gezinnen waarvan één of meer gezinsleden een lichamelijke beperking hebben. Prestatie afspraken 2022-2025: Samenwerken aan wonen in Rijswijk In februari 2022 hebben de gemeente Rijswijk, Vidomes, Rijswijk Wonen en de huurdersorganisaties afspraken gemaakt voor de komende vier jaar over het toegankelijk houden van de woningmarkt voor alle Rijswijkers. In deze prestatieafspraken staat de locatie Godfried Bomansstraat met 24 á 32 appartementen opgenomen als gepland nieuwbouwproject. Woningmarktafspraken regio Haaglanden De gemeenten in Haaglanden hebben met de in Haaglanden opererende woningcorporaties en de Provincie Zuid-Holland afgesproken Nieuwe (regionale) woningmarktafspraken op te stellen.

Deze afspraken gaan over de woningbouwopgave van de afzonderlijke gemeenten in deze regio voor de periode 2019 t/m 2029 en specifiek over voldoende betaalbare woningvoorraad. De inzet van Rijswijk is om in de periode 2019 t/m 2029 ruim 5.700 woningen toe te voegen. Het regionale Tussenakkoord waarin de aantallen woningen voor alle gemeenten is vastgelegd is ondertekend in december 2021.

21/71

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerd 13 april 2022) Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Toekomstige beleidsvernieuwing biedt kansen voor verbeteringen in Zuid-Holland. De provincie heeft hiervoor 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten; 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor; 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen; 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland; 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving; 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit; 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

Voor de beoogde ontwikkeling zijn de volgende opgaven relevant: Verstedelijking De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen: Bouw naar behoefte; Bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied; Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelaties; houdt rekening met de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid; Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten; Bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving; Bouw voldoende betaalbare woningen. Toetsing Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied. De ontwikkeling betreft de ontwikkeling van maximaal 34 woningen. Sinds het verhuizen van de basisschool is de locatie niet in gebruik. De ontwikkeling maakt woningen mogelijk voor onder andere jongeren, ouderen en alleenstaanden. Dit zijn groepen die moeite hebben met het vinden van passende huisvesting.

Daarbij wordt de omgeving rondom het gebouw aantrekkelijk,

22/71

gebruiksvriendelijk en groen ingericht zodat niet alleen de nieuwe bewoners er gebruik van kunnen maken, maar ook de omwonenden. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerd 20 april 2019) De omgevingsvisie Zuid-Holland is vertaald in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Hierin staan regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving in de provincie. Artikel 6.9 betreffende de ruimtelijke kwaliteit is van toepassing. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c.

als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. 2.

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. 3. Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van een regionaal woningbouwprogramma, aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen,

23/71

mits het regionaal woningbouwprogramma past in de regionale woonvisie en de regionale woonvisie een uitwerking bevat van de in de provinciale omgevingsvisie genoemde doelstellingen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale woonvisie en het regionale woningbouwprogramma bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 4. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Als een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ doorlopen. Toepassing is ook van provinciaal belang. Toetsing Binnen de beoogde ontwikkeling is sprake van een vorm van aanpassen (sub b), omdat de ontwikkeling de ontwikkeling van een appartementencomplex met 34 woningen betreft. De huidige bestemming staat alleen maatschappelijke functies toe. Hiermee is er sprake van een wijziging op structuurniveau. De ontwikkeling vindt plaats in een woonwijk en de ontwikkeling past daarmee binnen de bestaande gebiedsidentiteit.

Derhalve voldoet de ontwikkeling aan de eisen voor ruimtelijke kwaliteit. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is doorlopen in paragraaf 3.1.3. 3.2.3 Kwaliteitskaart De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen. Toetsing Op het plangebied is de laag 'steden en dorpen' van toepassing (zie figuur 3.4). Bij steden en dorpen moeten ontwikkelingen bijdragen aan de karakteristieke kenmerken en identiteit van stad, kern of dorp.

24/71

Figuur 3.4: Uitsnede van de Kwaliteitskaart met plangebied rood omlijnd (bron: https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/ruimte/ruimtelijke/kwaliteitskaart/) Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van maximaal 34 woningen mogelijk. Dit sluit aan bij de woonfunctie van de wijk.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Stadsvisie Rijswijk 2030 (vastgesteld 27 september 2016) In de Stadsvisie staan de keuzes en ambities voor de gemeente Rijswijk voor de periode tot 2030. In deze Stadsvisie worden de veranderingen en ambities per pijler omschreven: Betrokken bewoners pakken kansen Groene buitenplaats voor stedelijk wonen Innovatieve katalysator van de regionale economie. De pijler 'Groene buitenplaats voor stedelijk wonen' gaat met name in op de ruimtelijke ordening. In Rijswijk is het stedelijk en ontspannen wonen. De inrichting is groen en er is diversiteit aan verschillende soorten woningen voor verschillende doelgroepen. Er is veel aandacht voor duurzaamheid en de openbare ruimte is aantrekkelijk en gericht op verblijven en ontmoeten. Met herontwikkeling van oude panden en nieuwbouw in het bebouwde gebied worden meer woningen gerealiseerd. Door in te zetten op verschillende woonmilieus kan zo een evenwichtige bevolking opgebouwd worden met verschillende leeftijden, achtergronden en inkomensniveaus. Toetsing Het pand aan de Godfried Bomansstraat verloor haar functie na het verhuizen van de basisschool die daar gevestigd was. Het gebouw is reeds gesloopt en klaar voor herontwikkeling. Op deze locatie wil Weboma samen met Rijswijk Wonen een appartementencomplex realiseren met maximaal 34 woningen.

De ruimte om het gebouw heen wordt groen inricht met veel aandacht voor sociale duurzaamheid. Zo komen er meerdere ontmoetingsplekken voor de bewoners en de omwonenden. Het gebouw kan flexibel worden ingericht,

25/71

waardoor het aantrekkelijk is voor verschillende groepen, zoals alleenstaanden, ouderen en jonge gezinnen. Hiermee sluit de ontwikkeling aan bij de ambitie om binnenstedelijk te ontwikkelen en verschillende woonmilieus toe te passen. 3.3.2 Woonvisie Rijswijk 2015-2025 , actualisatie 2021 Op 26 november 2015 is de gemeentelijke woonvisie 'Vertrouwd Stedelijk Wonen in Rijswijk' vastgesteld. Hierin zijn de uitgangspunten en ambities voor het wonen tot 2025 beschreven. De woonvisie is in 2021 geactualiseerd gelet op de huidige woningmarktsituatie. Het is crisis op de woningmarkt. De vraag naar woningen is groot en het aanbod blijft achter. De doorstroming stagneert. Voor veel mensen is het vinden van een (andere) woning erg lastig. Veel mensen wonen nu in niet ideale woonomstandigheden. Als gevolg van de woningtekorten ziet de gemeente almaar oplopende huur- en koopprijzen. Vooral in het segment van de lagere middenhuur (tot ca. € 1000,-) zijn er grote tekorten. De nieuwe ambities zijn: De komende jaren een fors aantal woningen toevoegen. Zorgen voor een woningvoorraad waarin alle doelgroepen voldoende aan bod komen. Prioriteit aan het toevoegen van middeldure huur- en koopwoningen. De doelgroepenvoorraad beperkt uitbreiden. Het aandeel in de totale voorraad neemt af. De leefbaarheid en sociale cohesie in wijken verbeteren en zorgen voor een meer gemêleerde woningvoorraad.

Het streven om de woningvoorraad veelzijdiger te maken is figuur 3.5 vertaald naar streefpercentages per prijssegment voor 2030.

Figuur 3.5: Streefpercentages woningvoorraad Toetsing Rijswijk wil de komende jaren haar woningvoorraad vergroten. Het plan voorziet in de ontwikkeling van maximaal 34 woningen in een woonwijk waar voorheen een basisschool stond. Sinds het verhuizen van de basisschool heeft de locatie geen nieuwe functie gekregen. Het gebouw wordt flexibel ingericht zodat er woningen ontstaan voor verschillende doelgroepen. De omgeving rondom het gebouw wordt ingericht met privé-, gedeelde- en gemeenschappelijke (openbare) ruimte. Hierbij wordt veel aandacht besteed aan sociale duurzaamheid door verschillende ontmoetingsplekken te realiseren. Hiermee sluit de ontwikkeling aan bij de speerpunten en ambities uit de woonvisie.

26/71

3.3.3 Meerjarenactieplan 2016-2018 bestuurlijke opgave duurzaamheid (augustus 2016) Rijswijk wil haar gemeente de komende jaren gaan verduurzamen. Hiervoor zijn vijf ambities opgesteld: 1. Energieverbruik verminderen 2. Biodiversiteit vergroten 3. Milieukwaliteit (lucht en geluid) verbeteren 4. Klimaatbestendig maken van de stad 5. Afvalstromen verminderen De gemeente wil inzetten op het gebruik van duurzame energiebronnen, het verbeteren van de kwaliteit van het openbaar groen en deze ook gebruiken om de stadsnatuur te ontwikkelen en te zoeken naar ruimte voor water volgens het principe vasthouden-bergen-afvoeren, zodat wateroverlast, watertekort en hittestress kunnen worden verminderd en het leefklimaat in de stad kan worden verbeterd. Toetsing De ontwikkeling houdt op verschillende manieren rekening met duurzaamheid. Er wordt gebruik gemaakt van duurzame materialen en klimaataanpassingen. Op het dak komen zonnepanelen en de rest van het dak krijgt een groene invulling. In en rondom het plangebied staan veel bomen. Deze worden zoveel mogelijk behouden om hittestress tegen te gaan en biodiversiteit te behouden. Daarnaast heeft in paragraaf 4.11 een uitgebreide toetsing plaatsgevonden. 3.3.4 Groenbeleidsplan (vastgesteld 16 februari 2010) Rijswijk heeft een groen imago en is een groene woon- en werkstad midden in Haaglanden.

Rijswijk is een stad met twee belangrijke parkgebieden: de landgoederenzone in het noorden en de stadsparkzone in het zuiden. Dit zijn gebieden met een eigen groene identiteit die door hun omvang ook belangrijk zijn in de regionale groenstructuur. Door de bebouwde kom van Rijswijk lopen meerdere groene aders die in vorm, omvang en uiterlijk sterk van elkaar verschillen. Deze groene aders verbinden de landgoederenzone en de stadsparkzone met elkaar. Dat groen is in Rijswijk belangrijk, want door groen krijgt de stad een prettig woon-, leef en werkgebied en zorgt groen voor een gezond klimaat in de stad. Toetsing Het plangebied is onderdeel van deelgebied N: Stervoorde, Hoekpolder. In het groenbeleid wordt niet ingegaan op de locatie en deze is niet aangemerkt als groenstructuur (zie figuur 3.5). Momenteel is er veel groen aanwezig op de locatie. Om de rand is een bomenstructuur en rondom het gesloopte gebouw ligt gras. Uit de stedenbouwkundige verkenning blijkt dat er veel open groengebieden zijn in de wijk en het gebied rondom de Godfried Bomansstraat. Echter bestaat het merendeel van de groenvoorzieningen uit kijkgroen en hebben omwonenden weinig mogelijkheden om actief gebruik te maken van het groen. Er zal in het project worden ingezet op het behouden van de bestaande bomen om de biodiversiteit en milieukwaliteit te behouden.

Daarbij wordt er gelet op het belang om de voordelen van het groene landschap uit te breiden door de groene open plekken in de buurt van de bomen een functioneel en recreatief karakter te geven.1

27/71

Figuur 3.6: Deelgebied N: Stervoorde en Hoekpolder, plangebied rood omcirkelt (bron: Groenbeleidsplan 2010-2020) 3.3.5 Mobiliteitsprogramma 2040 Economische groei leidt tot mobiliteit en mobiliteit leidt tot economische groei, tot een bepaald punt. In de Randstad en dus ook in Rijswijk is het punt bereikt dat dit geen vanzelfsprekendheid meer is. Het Mobiliteitsprogramma Rijswijk 2040 zet de lijnen uit waarlangs de mobiliteit in Rijswijk zich zou moeten ontwikkelen om in de toekomst als stad bereikbaar, leefbaar en verkeersveilig te zijn. De opgave binnen de gemeente is het volgende: Toenemende drukte en verstedelijking Negatieve effecten van mobiliteit: toenemende verkeersonveiligheid, slechte luchtkwaliteit en geluidshinder. Binnen de gemeente wordt er geprioriteerd volgens het STOMP-principe. (STOMP: S=stappen, lopen, T=trappen, fietsen, O=openbaar vervoer, M= Mobility as a service, deelmobiliteit en P=privéauto). Daarbij gaat de voetganger voor de fiets, de fiets voor het openbaar vervoer en het openbaar vervoer voor de auto. Bijvoorbeeld: als een hoofdnet fiets een hoofdnet auto kruist, heeft het hoofdnet fiets voorrang. Deelmobiliteit heeft bovendien de voorkeur boven eigen autobezit. Toetsing

28/71

In paragraaf 4.10 wordt ingegaan op het aspect mobiliteit. Voor de beoogde ontwikkeling hoeven geen parkeerplaatsen aangelegd te worden op eigen terrein. Aangezien er in de omgeving binnen een straal van 100 meter vanaf het plangebied voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn in de openbare ruimte. Hierdoor wordt aangesloten bij het gemeentelijk mobiliteitsprogramma. 3.3.6 Nota Parkeernormen gemeente Rijswijk 2011 (vastgesteld 8 februari 2011) Op 8 februari 2011 heeft de gemeenteraad de gemeentelijke Nota Parkeernormen vastgesteld. De nota is opgesteld om in de toekomst voldoende parkeergelegenheid te kunnen houden en duidelijkheid te krijgen over de implementatie van de parkeernormen. De nota is het toetsingskader voor de komende jaren. Het parkeerbeleid is tevens vastgelegd in het bestemmingsplan ‘Parapluherziening parkeernormering Rijswijk’ (vastgesteld op 12 juni 2018). Door herziening van de bijlagen bij de nota kan de komende jaren flexibel worden ingespeeld op bijvoorbeeld maatschappelijke trends of een gewijzigde beleidsvisie. Momenteel wordt gewerkt aan een nieuwe versie van de Nota Parkeernormen op basis van voortschrijdende inzichten. Het gebruik van parkeernormen heeft tot doel een zodanig aantal parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen (of bij uitbreidingen) voor te schrijven, dat de plaatsen voorzien in de vooraf in te schatten parkeervraag.

Daarmee moet worden voorkomen dat door aanleg van te weinig parkeerplaatsen een tekort en daarmee parkeeroverlast ontstaat. Tevens voorkomen de normen dat te veel parkeerplaatsen worden aangelegd, waardoor de automobiliteit gestimuleerd wordt en de leefbaarheid nadelig wordt beïnvloed. Toetsing In paragraaf 4.10 wordt verder ingegaan op het parkeerbeleid. Voor de beoogde ontwikkeling wordt in afstemming met de gemeente afgeweken van de parkeernormen. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is 31 parkeerplaatsen. 3.3.7 Structuurvisie mobiliteit (inwerkingtreding 14 juni 2011) In de Structuurvisie mobiliteit 2020 worden tien kernpunten benoemd die verdeeld zijn onder drie thema’s: ‘Bereikbaarheid’, ‘Verkeersveiligheid’, en ‘Leefbaarheid’. Deze zijn opgesteld aan de hand van de nieuwste inzichten over mobiliteit, interne beleidsplannen, het beleid van omliggende gemeenten en uitkomsten van de enquêtes die onder belanghebbenden, burgers en raadsleden zijn verspreid. Voor onderhavig initiatief zijn de thema’s bereikbaarheid en leefbaarheid van belang. Bereikbaarheid Bij programmatische ontwikkelingen, zoals nieuwe woningen, kantoren of winkelvoorzieningen, ontstaat nieuwe vraag naar mobiliteit en infrastructuur.

De structuurvisie mobiliteit legt de koppeling tussen deze ontwikkelingen en de benodigde extra infrastructuur om de mobiliteitseffecten van deze ontwikkelingen op te vangen. Daarnaast geeft de structuurvisie de gemeente ook bevoegdheden op grond van afdeling 6.4 van de Wro voor het verevenen van (bovenplanse) kosten c.q. het opleggen van een bijdrage. Leefbaarheid De parkeerdruk neemt de laatste decennia toe door groei van het autobezit en toename van het gebruik van de auto. Er worden meer locaties met de auto bezocht en er zijn meer parkeerplaatsen nodig om dit te faciliteren. Door de toenemende parkeerdruk komt het functioneren van gebieden en met name de economische centra, onder druk te staan. Het is daarom nodig om prioriteiten te stellen en maatregelen te nemen om de huidige situatie te verbeteren en in te springen op de toekomstige problemen. In dit licht is het parkeerbeleid

29/71

aangepast. Uitgangspunt is dat de geldende parkeereis op eigen terrein wordt voorzien. Toetsing Het plangebied is goed bereikbaar met de auto, fiets, te voet en met het openbaar vervoer. De inrichting van de openbare ruimte bevordert het gebruik van de locatie als door looproute door de wijk. De parkeerbehoefte wordt in de openbare ruimte opgelost.

30/71

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

M.e.r.-(beoordelings)plicht

Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op; een oppervlakte van 100 hectare of meer, of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling van maximaal 34 woningen. De ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Alhoewel de beoogde ontwikkeling onder de drempelwaarde blijft is middels een aanmeldingsnotitie onderzocht of sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten.

Het bevoegd gezag dient op basis hiervan een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is. Deze beslissing wordt als bijlage in dit bestemmingsplan opgenomen (bijlage 1).

4.2

Cultuurhistorie en archeologie

Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de

31/71

vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2024 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staan in de Erfgoedwet; De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komen in de Omgevingswet. Onderzoek Cultuurhistorie Het plangebied is niet aangemerkt als een cultuurlandschap, historische infrastructuur of monument op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart (Tussen oud en nieuw, Actualisering nota cultureel erfgoed gemeente Rijswijk), zie figuur 4.1.

Figuur 4.1: Uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart met plangebied rood omlijnd (bron: https://www.rijswijk.nl/sites/default/files/cultuurhistorische_waardenkaart_met_coordinaten.pdf) Archeologie Volgens het vigerende bestemmingsplan heeft het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 3'. Op deze gronden mag alleen worden gebouwd als de werkzaamheden geen onevenredige gevolgen hebben voor aanwezige archeologische waarden, of als er voldoende maatregelen worden getroffen om aanwezige archeologische waarden te beschermen. De beoogde nieuwbouw en (grond)werkzaamheden vormen mogelijk een bedreiging voor de aanwezige archeologische waarden. Door middel van een bureauonderzoek (Econsultancy, 18 februari 2021, nummer 13588.001) zijn de bekende en te verwachten archeologische waarden binnen het plangebied geïnventariseerd. Het rapport is toegevoegd als bijlage 2. Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft voor bewoningssporen en sporen van landgebruik uit de Romeinse tijd en late Middeleeuwen

32/71

en een hoge verwachtingswaarde voor sporen van landgebruik uit de Nieuwe tijd. Het archeologisch niveau betreft de top van de Gantel-geulafzettingen, op een diepte van 1,4 tot 1,6 m -mv. Bij de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied wordt niet dieper dan circa 1 m gegraven. Het archeologisch niveau wordt alleen geroerd door het aanbrengen van heipalen. Aanvullend is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd om de gespecificeerde archeologische verwachting zoals vermeld in het bureau- en booronderzoek aan te vullen en te toetsen. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Uit het onderzoek blijkt dat de bodemopbouw vergelijkbaar is met de verwachting op basis van het vooronderzoek. Er is een pakket recent opgebracht zand met klei- en veenbrokjes aangetroffen van 1,20 – 1,90 m dik met lokaal diepere insnijdingen in de natuurlijke lagen. Daaronder is een redelijk intacte bodemopbouw aangetroffen bestaande uit Gantelafzettingen waarbij in de bovenste ca. 20 -30 cm bodemvorming te zien is. Tussen deze lagen in nog een 20 cm dikke laag te zien met sporen van doorworteling. Er zijn tijdens het onderzoek geen archeologisch relevante sporen aangetroffen. Wel is een aantal sporen aangetroffen die direct als recent antropogeen konden worden aangemerkt (betonpalen, opgespoten zand). Conclusies Cultuurhistorie Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling niet in de weg.

Archeologie Volgens de waardering op KNA voorgeschreven wijze krijgt het plangebied een lage waardering en is niet behoudenswaardig. Het selectieadvies is daarom dan ook om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling en is vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Het definitieve selectiebesluit zal worden genomen door de bevoegde overheid, de gemeente Rijswijk.

4.3

Bodem

Toetsingskader Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (hierna: Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Wet bodembescherming De Wbb regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Vertrekpunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van plangebied of projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de

33/71

(im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan en de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van actuele risico's. Saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak. Onderzoek Bodemkwaliteit Het plangebied ligt in een gebied omsloten door de Albert Schweitzerlaan, de Petronella Voutestraat, de Henri Dunantlaan en de Doctor H.J. van Mooklaan. Het plangebied ligt in wijk Steenvoorde en is niet gelegen in een milieubeschermingsgebied voor grondwater. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Rijswijk blijkt dat het plangebied is gelegen in zone Woon west. De algemene bodemkwaliteit van de boven- en ondergrond zijn respectievelijk geclassificeerd als klasse Wonen en Achtergrondwaarde. Ten behoeve van de ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd (Inventerra, 7 september 2016, projectnummer 16-2200-R01AvH). Het onderzoek is opgenomen als bijlage 4.

Voor herontwikkeling of functiewijziging zal aanvullend/actualiserend (historisch) bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om alsnog voldoende inzicht in de bodemkwaliteit te verschaffen. Binnen het plangebied zijn geen ondergrondse tanks of gevallen van ernstige bodemverontreiniging bekend. Ten behoeve van de ontwikkeling is een aanvullend/actualiserend milieuhygiënisch vooronderzoek NEN 5725 uitgevoerd (Inventerra, 28 oktober 2022, projectnummer 22-2271-R01AvH). Het onderzoek is opgenomen als bijlage 5. De onderzoekslocatie is formeel verdacht op het voorkomen van lichte verontreinigingen in de ondergrond en het grondwater. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige- en de toekomstige bestemming. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.4

Natuur en ecologie

Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

34/71

Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling of voortoets de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied

35/71

opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Natura 2000/Natuurbeschermingswet Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Solleveld & Kapittelduinen en de Westduinpark & Wapendal. Deze gebieden bevinden zich op circa 6,5 kilometer afstand, zie figuur 4.2. Gezien de ontwikkeling en afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=ae588ebf-3631-4b1d-a576-ef6db72cd237