Bijlage B Ontwerpbestemmingsplan Pasgeld-West incl. bijlagen (gewijzigd)
Tekst van het document
Gemeenten krijgen onder de Omgevingswet namelijk meer ruimte voor lokaal maatwerk doordat taken worden gedecentraliseerd. Volgens het Rijk is een gezonde leefomgeving een omgeving waar inwoners zich prettig voelen, die uitnodigt tot gezond gedrag en zo min mogelijk negatieve invloed heeft op de gezondheid. Voor gemeenten is onder andere de 'Handreiking Gezonde Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
20 Gemeente' door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport opgesteld om te ondersteunen bij het sturen op een gezonde fysieke en sociale leefomgeving. De NOVI is zelfbindend voor het Rijk. De rijksoverheid zet er wel op in dat provincies en gemeenten bij het vaststellen van hun eigen omgevingsvisies rekening houden met wat er in de NOVI staat. Voorliggend plangebied wordt niet specifiek benoemd in de NOVI. Wel draagt de beoogde ontwikkeling van een nieuw woongebied, in een zorgvuldig en groen ingerichte omgeving in algemene zin bij aan de kwaliteit van leven in stad en dorp. Daarbij is de inrichting van het gebied integraal vormgegeven en gebaseerd op de bestaande karakteristieken van het gebied. Er worden daarin verschillende functies gecombineerd, waaronder wonen, werken, recreatie en landschappelijke en ecologische waarden. Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 juli 2017 is de nieuwe Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee en drie Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd. De laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken.
Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De ontwikkelingen in dit bestemmingsplan dienen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking gezamenlijk te worden beschouwd. In dit bestemmingsplan worden in totaal maximaal 1.000 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Voor woningbouwlocaties geldt volgens vaste jurisprudentie dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. De voorliggende ontwikkeling wordt gezien de omvang dan ook aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling, waarvoor een ladderonderbouwing benodigd is. Behoefte Voorliggend bestemmingsplan maakt onderdeel uit van uitbreidingslocatie RijswijkBuiten (deelgebied Pasgeld), dat wordt ontwikkeld tot woongebied.
Voor Pasgeld-West is in het vigerende bestemmingsplan “Sion – ’t Haantje, tweede herziening” al een uit te werken woonbestemming opgenomen. Op deze gronden geldt, samen met enkele delen van deelgebied ’t Haantje (Parkrijk), de bestemming ‘Wonen – Uit te werken 2’. Deze bestemming maakt (na uitwerking) de realisatie van 1.525 woningen mogelijk. Hieraan is in delen van ’t Haantje voor een deel al invulling gegeven. Het uitwerkingsplan “’t Haantje Noord” maakt de realisatie van maximaal 100 woningen mogelijk, uitwerkingsplan “’t Haantje Midden” voorziet in minimaal 650 en maximaal 850 woningen. Daarmee blijven van de woningaantallen uit het moederplan (“Sion – ’t Haantje, tweede herziening”) minimaal nog 575 woningen over. Van de woningen in ’t Haantje is inmiddels duidelijk geworden dat de circa 200 extra woningen die weliswaar mogelijk gemaakt zijn hier niet gerealiseerd zullen worden. Door het ‘resterende’ woningaantal hiermee op te plussen, kunnen op grond van het vigerende bestemmingsplan in Pasgeld ieder geval 775 woningen worden gerealiseerd. In aanvulling hierop, is met de provincie Zuid-Holland afgestemd over het toevoegen van extra wooneenheden aan het gebied. Door de provincie is verzocht om de woningaantallen binnen het ontwikkelgebied te verhogen, gezien de grote vraag naar (met name betaalbare) woningen.
De toevoeging van nog eens 225 woningen, waarmee het woningaantal voor Pasgeld-West op maximaal 1.000 komt, is zodoende met de provincie afgestemd. Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
21 De onderbouwing voor deze uitbreiding wordt gevormd door de grote woningbehoefte die er in de regio bestaat. In juni 2019 is de Woondeal voor de zuidelijke Randstad ondertekend. Het Rijk, de provincie Zuid-Holland en de gemeenten in de regio trekken samen op om (onder andere) de woningbouwproductie te versnellen. In de periode tot 2025 moeten er 100.000 woningen extra bijkomen, oplopend tot 230.000 in 2040. Het Rijk ondersteunt de opgave met geld voor pilots en mankracht. Bovenop 12 ontwikkellocaties die hiertoe zijn aangewezen, hebben Rijk en regio nog eens 6 projecten geselecteerd waar versneld kan worden gebouwd. RijswijkBuiten is hier één van. Het voorliggende plangebied bevindt zich op deze regionaal afgestemde ontwikkellocatie. In Zuid-Holland moeten er tot 2030 circa 220.000 woningen worden bij gebouwd. De verwachting is dat dan vraag en aanbod in balans zijn. De kwantitatieve behoefte aan woningen in Zuid-Holland wordt bepaald aan de hand van de ‘Zuid-Hollandse woningbehoefteraming’ (WBR). In de WBR wordt per regio inzichtelijk gemaakt wat de groei van de woningbehoefte per periode is. In juni 2021 heeft de provincie Zuid-Holland de actuele Woningbehoefteraming 2021 vastgesteld. Daarin is per regio en per periode onderzocht hoeveel extra woningen er in de provincie nodig zijn om in de verwachte vraag tot 2030 te kunnen voorzien.
Ten opzichte van de cijfers uit 2019 bleek dit nog eens beduidend meer te zijn. Voor de hele provincie is de toegestane woningvoorraadgroei bepaald op 221.800 tot en met 2030. Daarvan zijn 80.900 woningen toebedeeld aan de regio Haaglanden, waartoe Rijswijk behoort. Van dit aantal zijn 40.350 woningen voorzien voor de periode tot en met 2025. Met een overcapaciteit van 130% betekent het een maximale plancapaciteit van 105.170 woningen t/m 2030. Met het ‘Tussenakkoord Samenwerken aan een solide woningmarkt in Haaglanden – de eerste stap 2021-2030’ heeft de regio Haaglanden een woningbouwprogramma van circa 75.000 woningen voor de periode 2021-2030 bepaald, en met de provincie afgestemd. Voor Rijswijk is een groei voorzien van 26.670 woningen in 2019 tot circa 32.400 in 2030. De woningen in de voorliggende ontwikkeling zijn hier onderdeel van, en passen zodoende binnen het regionale en gemeentelijke woningprogramma. Met de actualisatie van de Woonvisie uit 2021 speelt de gemeente Rijswijk in op deze grote regionale behoefte en krapte op de woningmarkt. Daartoe wordt ingezet op een forse woningbouwproductie in de aankomende jaren. Hiervoor zijn RijswijkBuiten en deelgebied Pasgeld specifiek aangewezen als uitbreidingslocatie voor woningbouw.
Daarmee is het plangebied een van de locaties om te kunnen voorzien in de forse uitbreiding van de woningvoorraad die de gemeente zichzelf ten doel heeft gesteld. Met de voorgenomen ontwikkeling van maximaal 1.000 nieuwe woningen wordt invulling gegeven aan de uitbreidingslocatie Pasgeld-West. Daarmee levert de ontwikkeling een bijdrage aan de beoogde forse uitbreiding van de woningvoorraad in Rijswijk – als onderdeel van de 40.325 te realiseren woningen in de regio tot en met 2025. Met de realisatie van verschillende typen woningen wordt ook in kwalitatief opzicht aangesloten bij de vraag van de beoogde doelgroepen, zoals beschreven in de gemeentelijke Woonvisie. Hierop wordt in paragraaf 3.3 nader ingegaan. Locatie Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied van Rijswijk, en maakt onderdeel uit van het ontwikkelgebied RijswijkBuiten. Het wordt ingeklemd door het in ontwikkeling zijnde deelgebied ’t Haantje van RijswijkBuiten aan de westkant, de bebouwing langs de Vliet en de buurt Vrijenban aan de oostzijde en het bebouwd gebied van Delft in het zuiden. De nieuwe stedelijke ontwikkeling vindt zodoende plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Met de ontwikkeling van Pasgeld wordt invulling gegeven aan de laatste fase van uitbreidingslocatie RijswijkBuiten.
Er vindt verdichting plaats op de aangewezen ontwikkellocaties voor woningbouw – binnen een groen-blauw raamwerk en waarbij de bestaande groengebieden elders in Pasgeld behouden blijven. De locatiekeuze hoeft om deze reden niet verder onderbouwd te worden. Conclusie Uit bovenstaande afweging blijkt dat het plan voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte, en Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
22 past binnen het regionale en gemeentelijke woonbeleid. De locatiekeuze behoeft geen nadere onderbouwing, het betreft een binnenstedelijke ontwikkeling waarmee sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.
3.2
Provinciaal beleid
Omgevingsbeleid Zuid-Holland Oorspronkelijk op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland haar ‘Omgevingsbeleid’ vastgesteld. Het omgevingsbeleid omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. Het bestaat uit drie hoofdinstrumenten: de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en de omgevingsverordening. De omgevingsvisie schetst de beleidskaders; de strategische ambities, beleidsdoelen en -keuzes voor de toekomst van de fysieke leefomgeving van Zuid-Holland. In het omgevingsprogramma zijn deze nader uitgewerkt in maatregelen die de provincie treft. De omgevingsverordening stelt de juridische kaders; instructieregels voor andere overheden en direct werkende regels voor burgers en bedrijven. De provincie wijzigt de verschillende onderdelen wanneer daartoe aanleiding is; de laatste herziening is op 2 december 2022 geconsolideerd in werking getreden. Omgevingsvisie Zuid-Holland De omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid voor de gehele fysieke leefomgeving van de provincie Zuid-Holland. Ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland, schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities: 1.
Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid‐Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid‐Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid‐Holland. 5. Versterken natuur in Zuid‐Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid‐Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid‐Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in 18 beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. Ruimtelijke hoofdstructuur De essentie en samenhang van de verschillende ruimtelijke keuzes uit de omgevingsvisie, is gevat in de ruimtelijke hoofdstructuur. Opgebouwd uit verschillende kaartbeelden, vormt de ruimtelijke hoofdstructuur een integraal kaartbeeld dat inzichtelijk maakt hoe de strategische beleidskeuzes van de provincie ruimtelijk samenkomen. Afbeelding 3.1 geeft de ruimtelijke hoofdstructuur van Zuid-Holland weer.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
23
Afbeelding 3.1: Omgevingsvisie Zuid-Holland – ruimtelijke hoofdstructuur.
Uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving Bij het vormgeven en uitvoeren van de ambities hanteert de provincie de volgende uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving: Streven naar het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; Gebruik van een kwaliteitskaart met richtpunten en gebiedsprofielen, waarin is beschreven welke kwaliteiten in welke gebieden de provincie nastreeft; Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling, om te beoordelen of bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen wenselijk zijn. Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen De provincie Zuid-Holland geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en omgevingskwaliteit. Uitgangspunt van het kwaliteitsbeleid is een ‘ja, mits’-beleid: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van Zuid-Holland bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengebracht in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten, gebiedsprofielen en enkele bepalingen in de omgevingsverordening. De kwaliteitskaart toont de kwaliteitsambities van de provincie. De belangrijke gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland zijn weergegeven in vier lagen: de laag van de ondergrond, laag van de cultuur- en natuurlandschappen, laag van de stedelijke occupatie en laag van de beleving.
De integrale kwaliteitskaart vat de vier lagen in één kaartbeeld samen. Met behulp van de kwaliteitskaart houden betrokken partijen bij ruimtelijke ingrepen rekening met de gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde van een gebied. De kwaliteitskaart biedt randvoorwaarden voor het maken van integrale afwegingen, die nader zijn geconcretiseerd in richtpunten. De richtpunten beschrijven de bestaande kenmerken en waarden, en de wijze waarop ruimtelijke ontwikkelingen daarmee rekening kunnen houden. De kwaliteitskaart en bijbehorende richtpunten zijn regionaal vertaald in verschillende gebiedsprofielen. Deze gebiedsprofielen fungeren niet als toetsingskader maar als handreiking voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit. Passende ruimtelijke ontwikkeling Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
24 van het gebied speelt daarbij een rol. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is. In dit kader maakt de provincie onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing. Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening. Doorwerking in het plangebied Het voorliggende plangebied valt niet binnen een van de gebiedsprofielen. Wel is het aangeduid op twee van de kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als ‘Rivierdeltacomplex - Jonge zeeklei’. Ontwikkelingen hierbinnen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.
Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van zoet-zoutovergangen of specifieke dynamische natuurlijke processen, die door de voorgenomen ontwikkeling worden aangetast. In de laag van de stedelijk occupatie ligt het plangebied binnen de aanduiding ‘Steden en dorpen’. Relevante richtpunten voor voorgenomen ontwikkeling zijn: • ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. • hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. • ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. • een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). • cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Daarnaast valt een kleine strook aan de noordzijde van het plangebied binnen de aanduiding ‘stedelijke groen- en waterstructuur’. Richtpunt hierbij is: • ontwikkelingen dragen bij aan het behouden en versterken van de stedelijke groen- en waterstructuur. Daarbij gaat het om de recreatieve kwaliteit, de bijdrage aan klimaatbestendigheid en de verbinding tussen stad en land.
De beoogde ontwikkeling van Pasgeld-West vormt een verdere invulling van de uitbreidingswijk RijswijkBuiten, in lijn met het daarvoor opgestelde masterplan. In vervolg daarop is met het Schetsboek Pasgeld een integrale visie voor Pasgeld opgesteld, waarin op basis van de bestaande karakteristieken van het gebied opgaven, uitgangspunten en ontwerpvarianten zijn geschetst. Dit vormt de basis voor de verdere uitwerking van de hoofdplanstructuur en het stedenbouwkundig plan. De ontwikkeling sluit aan bij het bestaande stadsgebied van Rijswijk aan de noordkant en Delft aan de zuidkant, en aan de westkant deelgebieden Sion en ’t Haantje als eerdere fasen van RijswijkBuiten. Door een hoofdstructuur met groen-blauw raamwerk en behoud van de groengebieden in het noorden van Pasgeld, wordt gezorgd voor een goede overgangskwaliteit. Dit groen-blauwe raamwerk omkadert de ontwikkelgebieden en infrastructuur en verbindt groengebieden met elkaar en met de omgeving. Zodoende wordt de stedelijke groen- en waterstructuur in het gebied versterkt. Door concentratie van de ontwikkelgebieden aan de zuidkant, blijft de groen- en waterstructuur aan de noordkant van Pasgeld zoals aangeduid op de kwaliteitskaart behouden.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
25 In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen en de laag van de beleving ligt het plangebied niet binnen een aanduiding. Omgevingsverordening Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Sindsdien zijn verschillende (partiële) herzieningen doorgevoerd. De meest recente herziening is door Provinciale Staten op 2 december 2022 vastgesteld. De instructieregels hebben een directe doorwerking in bestemmingsplannen. Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende regels van belang. Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.9 van de omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft (lid 1). Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit (lid 2). Bij het beoordelen van de ruimtelijke kwaliteit bij een ontwikkeling wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd (lid 3). De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet wijzigingen op structuurniveau.
Hoewel de ontwikkeling van het nieuwe woongebied past binnen het vastgestelde masterplan voor RijswijkBuiten en de gronden in het vigerende bestemmingsplan al grotendeels voor een woonfunctie bestemd zijn, is ten opzichte van de voormalige invulling sprake van een transformatie van het gebied. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit (lid 5 sub c). Wanneer sprake is van aanpassen of transformeren moet daarnaast een zorgvuldige afweging over de locatiekeuze worden gemaakt. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop (lid 4). De voorgenomen ontwikkeling geeft invulling aan de ontwikkellocatie Pasgeld-West, als onderdeel van RijswijkBuiten en het daarvoor opgestelde masterplan. Voor de ontwikkeling van geheel Pasgeld is een integrale visie opgesteld in de vorm van het Schetsboek Pasgeld.
Hierin zijn op basis van een uitvoerig traject de uitgangspunten voor de ontwikkelrichting bepaald en ontwerpvarianten voor de hoofdstructuur en deelgebieden van Pasgeld uitgewerkt. Dit vormt de basis voor de hoofdplanstructuur van het gebied, en de nadere stedenbouwkundige invulling van Pasgeld-West. Naast het realiseren van de woningbouwopgave vormt de ruimtelijke kwaliteit hierbij een belangrijk element, met name in het versterken van de natuurlijke, landschappelijke en recreatieve waarde van het gebied. Dit komt onder meer tot uiting in de groen-blauwe hoofdstructuur, die de basis vormt voor de stedenbouwkundige opzet. Dit bestaat uit een bosloper en parkloper als hoofdelementen die verbindingen met de omgeving vormen, en een fijnmaziger netwerk van groenstructuren die de woonplots omringen en dooraderen. De hoofdstructuur met een robuust groen-blauw raamwerk, dat de woonvelden omlijst en verbindt met elkaar en omliggende (groen)gebieden, zorgt voor een samenhangende en hoogwaardige inrichting van de ruimte. Door hierbinnen het stedenbouwkundig ontwerp van de woonplots nader uit te werken ontstaan unieke woonmilieus en wordt de ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkeling gewaarborgd. In paragraaf 2.4 is een uitgebreidere beschrijving gegeven.
Stedelijke ontwikkelingen Volgens artikel 6.10 van de omgevingsverordening (Stedelijke ontwikkelingen) gaat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6 Bro (lid 1 sub a). Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
26 voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 ha nodig is, wordt gebruik gemaakt van de in de omgevingsverordening aangewezen bouwlocaties en criteria (lid 1 sub b). Wanneer het gaat om de functie wonen moet worden voorzien in voldoende sociale huurwoningen (lid 2). Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van een regionaal woningbouwprogramma aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie en het regionale woningbouwprogramma bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling (lid 3). In de omgevingsverordening is zodoende bepaald dat toepassing moet worden gegeven aan de Ladder voor duurzame verstedelijking conform het Bro. Daaraan is het aspect van regionale afstemming toegevoegd. Voor de voorgenomen ontwikkeling is op de Ladder als onderdeel van het Rijksbeleid nader ingegaan in paragraaf 3.1. Kantoren Artikel 6.11 van de omgevingsverordening bepaalt op welke gronden een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe kantoren (lid 1). Daarop gelden enkele uitzonderingen, waaronder bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf (lid 2 sub d).
Dit bestemmingsplan maakt binnen de bedrijvenstrook langs het Haantje (bestemming ‘Bedrijventerrein’) bedrijfsgebonden kantoren benodigd. Dit is gemaximeerd tot 50% van het bvo van het bedrijf, conform de omgevingsverordening. Detailhandel De omgevingsverordening bepaalt in artikel 6.13 op welke gronden een bestemmingsplan mag voorzien in nieuwe detailhandel (lid 1). Bepaalde vormen van detailhandel zijn daarvan uitgezonderd (lid 3). Binnen de bestemming ‘Bedrijventerrein’ maakt dit bestemmingsplan productiegebonden detailhandel van ter plaatse vervaardigde goederen mogelijk. Daarmee voorziet het bestemmingsplan in ondergeschikte detailhandel zoals bedoeld in artikel 6.13 lid 3 sub c onder 1 van de omgevingsverordening. Klimaatverandering De omgevingsverordening bepaalt (artikel 6.27a) dat een bestemmingsplan rekening moet houden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte, droogte en (de effecten hiervan op) bodemdaling. Bij de ontwikkeling van RijswijkBuiten en Pasgeld-West is duurzaamheid een leidend principe. Daartoe zijn verschillende ambities en maatregelen uitgewerkt op het gebied van energie, duurzaamheid en klimaatadaptatie. Paragraaf 4.11 gaat hier nader op in.
Als vertrekpunt voor het Schetsboek Pasgeld is bepaald dat in lijn met het Convenant Klimaatadaptief Bouwen een duurzame invulling van de ontwikkeling centraal staat. Zo dient het convenant als uitgangspunt bij concrete ontwikkelingen. Aan een klimaatadaptieve inrichting van het gebied wordt onder meer invulling gegeven door het realiseren van het groen-blauwe raamwerk. Daarmee is een stevig netwerk van onderling verbonden groengebieden voorzien, wat een positief effect heeft op de natuurwaarden en biodiversiteit in het gebied maar ook bijdraagt aan verkoeling en het tegengaan van hittestress. Het groen-blauwe raamwerk vormt ook de basis voor de waterstructuur in het gebied. Zo wordt er in Pasgeld één samenhangend en klimaatrobuust watersysteem gerealiseerd, dat voorbereid is op stevige piekbuien. Ook helpt een robuust watersysteem om beter te reageren op langere periodes van droogte en dan de waterkwaliteit goed te houden. Op het watersysteem in Pasgeld gaat paragraaf 4.8.2 uitgebreider in. Ook wordt daar de invulling van de benodigde watercompensatie door de toename in verharding beschreven.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
27
Omgevingsprogramma Zuid-Holland Het Omgevingsprogramma Zuid-Holland is parallel aan de omgevingsvisie en omgevingsverordening opgesteld. Het omgevingsprogramma bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het omgevingsprogramma. Conclusie Gezien het bovenstaande past de ontwikkeling binnen het beleid van de provincie Zuid-Holland. Het provinciale beleid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
3.3
Gemeentelijk beleid
Masterplan Rijswijk-Zuid In november 2009 is het Masterplan Rijswijk-Zuid vastgesteld door de gemeenteraad van Rijswijk. Het omschrijft de randvoorwaarden voor het bouwproject en geeft tegelijkertijd de gemeentelijke ambities voor het gebied weer. Na vaststelling van het plan is de gemeente begonnen met de verdere uitwerking van de toekomstige invulling van het gebied. De beschrijving van het plan in hoofdstuk 2 vloeit direct voort uit het Masterplan Rijswijk-Zuid. Daarom wordt hier niet uitgebreid ingegaan op de inhoud van het Masterplan. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de ambities voor Rijswijk-Zuid (RijswijkBuiten) zoals vastgelegd in het Masterplan. De ontwikkeling geeft verdere invulling aan de transformatie van deelgebied Pasgeld (-West) tot woongebied. De woonvelden worden ingebed in een stevig groen-blauw raamwerk, waarmee een groene en parkachtige woonomgeving wordt gerealiseerd. Ook wordt aandacht besteed aan het leidende principe van duurzaamheid, zoals beschreven in paragraaf 4.11. Vertrouwd stedelijk wonen in Rijswijk – Actualisatie van de woonvisie 2015-2025 Op 26 november 2015 is de gemeentelijke woonvisie ‘Vertrouwd stedelijk wonen in Rijswijk’ vastgesteld. Hierin zijn de uitgangspunten en ambities voor het wonen tot 2025 beschreven. De woonvisie vormt de basis voor de strategische afwegingen die de stad maakt op het gebied van wonen.
Centraal hierbij staat de vraag hoe Rijswijk het best kan inspelen op de woonbehoeften van de toekomst. De gemeente streeft naar kwalitatief goede woningen en onderscheidende woonmilieus voor huidige en toekomstige generaties. Het wensbeeld voor Rijswijk is uitgewerkt in vier pijlers: 1. de kwalitatieve en kwantitatieve groei van de woningvoorraad; 2. betaalbaar wonen in Rijswijk; 3. wonen in een duurzaam Rijswijk; 4. wonen met zorg, aandacht voor kwetsbare doelgroepen. Vanwege de verschillende ontwikkelingen in Rijswijk en op de woningmarkt sinds 2015, heeft de gemeente besloten de Woonvisie te actualiseren. Op 11 mei 2021 is de actualisatie van de woonvisie 2015-2025 door de gemeenteraad vastgesteld. Zo is het voornemen geformuleerd om de woningvoorraad in Rijswijk gevarieerder te maken, om meer te bouwen naar behoefte en om eenzijdige wijken te veranderen door het toevoegen van andere soorten woningen. Ook wordt ingegaan op de veranderde omstandigheden op de woningmarkt en aangegeven hoe de gemeente de grote behoefte aan nieuwe woningen in Rijswijk in de komende jaren wil realiseren, in zowel de bestaande stad als in de transformatiegebieden en de uitbreidingslocatie RijswijkBuiten. De speerpunten uit de Woonvisie uit 2015 blijven onverminderd gelden. Daarbij kent de actualisatie van de Woonvisie uit 2021 twee pijlers: 1. Doelgroepgericht woningbouwprogramma; 2.
Werken aan een toekomstbestendige stad. Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
28 In het kort stelt de gemeente hierbij de volgende ambities centraal: • We voegen de komende jaren een fors aantal woningen toe. • We zorgen voor een woningvoorraad waarin alle doelgroepen voldoende aan bod komen. • We geven daarbij prioriteit aan het toevoegen van middeldure huur- en koopwoningen. • We breiden de doelgroepenvoorraad beperkt uit. Het aandeel in de totale voorraad neemt af. • We verbeteren de leefbaarheid en sociale cohesie in wijken en zorgen voor een meer gemêleerde woningvoorraad. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in maximaal 1.000 nieuwe woningen, bestaande uit verschillende woningtypen. Het exacte woningprogramma wordt nog nader uitgewerkt. Het actuele programma bestaat uit circa 925 woningen, bestaande uit zowel grondgebonden woningen als appartementen. Zowel de grondgebonden woningen als de appartementen worden uitgevoerd in verschillende typen en maten. In paragraaf 2.4 zijn deze nog nader beschreven. Hiermee wordt verdere invulling gegeven aan de woonwijk Pasgeld, als deelgebied van RijswijkBuiten. In de Woonvisie geeft de gemeente aan de locatie RijswijkBuiten te willen ontwikkelen tot een gemêleerd, uniek en duurzaam woonmilieu; met betaalbare woningen voor het behouden en aantrekken van jonge gezinnen, naast het bouwen in het duurdere segment.
Deelgebied Pasgeld is op de kaart met woningbouw en doelgroepen aangeduid als uitleglocatie, met als doelgroepen gezinnen, midden- en hogere inkomens en algemene doelgroep. De beoogde nieuwe woningen worden in een afwisselend, aantrekkelijk en groen woonmilieu gerealiseerd, passend bij het karakter van RijswijkBuiten en Pasgeld. De ontwikkeling levert een bijdrage aan de forse woningbouwopgave van Rijswijk, en voorziet in een variatie aan woningtypen in lijn met de doelgroepen zoals aangegeven in de Woonvisie. De voorgenomen ontwikkeling sluit zodoende aan bij de gemeentelijke woonbeleid. Groenbeleidsplan 2010-2020 en Groenbeheerplan 2020-2023 Op 16 februari 2010 heeft de gemeenteraad van Rijswijk het Groenbeleidsplan 2010-2020 vastgesteld. Het groenbeleidsplan is een visie, die de groene ambities van de gemeente tot uitdrukking brengt. De groenstructuur van Rijswijk is de groene basis en dus het fundament van het groenbeleidsplan. Die groenstructuur bestaat uit de boomstructuur, natuurstructuur en recreatiestructuur. Duurzaam, verbinden en beleven zijn de sturende principes. Het groenbeleidsplan fungeert als de groene input en het groene toetsingskader voor alle (nieuwe) ontwikkelingen in Rijswijk. Ook geeft het richting aan: het denken over groen, prioritering bij uitvoering en keuzes in groenbeheer. In december 2019 is het Groenbeheerplan 2020-2023 vastgesteld.
De planperiode van het groenbeleidsplan was afgelopen, maar de uitgangspunten en inhoud zijn nog steeds van toepassing en aangescherpt in het beheerplan. Afbeelding 3.2 toont een uitsnede van de Rijswijkse Hoofd Groenstructuur. Hierop zijn in de omgeving van het plangebied onder meer de groenstructuren langs de Vliet, Lange Kleiweg en Haantje/ Kerstanjewetering te zien. Ook zijn het Elsenburgerbos en Wilhelminapark op de kaart opgenomen. Het plangebied ligt in het deelgebied ‘Sion, ’t Haantje, Pasgeld’. Voor het deelgebied zijn onder meer de sterke en zwakke punten, en kansen en aandachtspunten uitgewerkt. Zo geeft het groenbeleidsplan onder meer aan dat er in het deelgebied nog een groen raamwerk voor nieuwe ontwikkeling ontbreekt. Voor de toekomstige wijk in het gebied wordt gestreefd naar een voortzetting van de natuurlijke uitstraling en sfeer van de stadsparkzone. Als centraal element in de hoofdplanstructuur Pasgeld wordt een groen-blauw raamwerk gerealiseerd. Twee robuuste groen- en waterverbindingen in het gebied vormen de basis voor dit groen-blauwe raamwerk: de ‘Bosloper’ en de ‘Parkloper’. Deze twee ‘lopers’ verbinden alle bestaande waardevolle groene plekken, zowel ecologisch als recreatief. Ook vormt het de basis voor een robuuste waterstructuur en een kapstok voor de ontsluitingsstructuur.
Binnen dit raamwerk krijgen buurtschappen een duidelijke plek, genesteld in het groen. Daarbij is ook rekening gehouden met de huidige en potentiële natuurwaarden in de Pasgeld-driehoek, die in een apart visiedocument voor de ecologische Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
29 structuur van het gebied in kaart zijn gebracht (zie bijlage 14). Met dit groen-blauwe raamwerk wordt aangesloten bij, en nadere invulling gegeven aan de Rijswijkse Hoofd Groenstructuur zoals opgenomen in het groenbeleidsplan.
Afbeelding 3.2: Groenbeleidsplan: Rijswijkse Hoofd Groenstructuur.
Conclusie Zoals uit het voorgaande blijkt, past de ontwikkeling in het plangebied goed binnen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
30
4
Omgevingsaspecten
4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de diverse milieuaspecten die relevant zijn voor het plan. Per milieuaspect wordt het geldende wettelijk en/of het beleidskader beschreven. Daarnaast wordt het uitgevoerde onderzoek belicht waarbij de resultaten kort worden weergegeven. Ten slotte wordt op basis van het kader en het onderzoek de conclusie weergegeven.
4.2
Milieueffectrapportage
Voor de voorgenomen ontwikkeling dient gemotiveerd te worden of mogelijk sprake is van negatieve effecten op het milieu. Afhankelijk van de omvang van de ontwikkeling dient het bevoegd gezag de afweging te maken of een m.e.r.-procedure moet worden gevolgd. In het Besluit m.e.r. zijn categorieën van gevallen aangegeven die (mogelijk) m.e.r(beoordelings)plichtig zijn. Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 1.000 woningen, een school (met kinderopvang), sporthal en een uitbreiding van de bedrijvenstrook met enkele bedrijfspercelen. De ontwikkeling van de woningen, school en sporthal kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals voorkomt in de eerste kolom van de D-lijst behorende bij het Besluit m.e.r. (categorie 11.2). Voor ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’, gelden de volgende drempelwaarden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen ontwikkeling blijft ruim de aangegeven drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., waardoor het plan niet plan-m.e.r.-plichtig is. Ook de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein komt voor op de D-lijst bij het Besluit m.e.r. (categorie 11.3).
Daarin is opgenomen ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer’. De verdere invulling van de bedrijfslocaties in de bedrijvenstrook binnen het plangebied blijft ruimschoots onder de drempelwaarde van 75 hectare genoemd in het Besluit m.e.r.. Het plan is daarom niet plan-m.e.r.plichtig. De drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden. Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit m.e.r. is daarom wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Als hieruit blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide m.e.r.beoordeling of MER nodig. Sinds 16 mei 2017 moet voor elk ruimtelijk plan expliciet een besluit worden genomen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (MER), op een zo vroeg mogelijk moment. Voor de terinzagelegging van het ontwerpbesluit moet het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit nemen, waarin wordt aangegeven of er wel of niet een formele (uitgebreide) m.e.r.beoordeling of MER moet worden opgesteld.
Het besluit over de m.e.r.-beoordeling wordt opgenomen bij het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Omdat in dit geval de gemeente de initiatiefnemer is, kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.beoordeling in dit bestemmingsplan en is een separate aanmeldnotitie niet nodig. Bij de vormvrije m.e.r.-
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
31 beoordeling dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten. Deze worden hieronder behandeld Deze beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: • Kenmerken van het project; • Plaats van het project; • Kenmerken van de potentiële effecten. Kenmerken van het project Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van ontwikkelgebied Pasgeld-West, als onderdeel van RijswijkBuiten. Binnen een groen-blauw raamwerk van onderling verbonden groen- en waterstructuren worden hierbinnen maximaal 1.000 woningen, een school en enkele bedrijven toegevoegd. De Parkloper en de Laan van het Haantje doorsnijden het gebied en verdelen Pasgeld-West feitelijk op in drie deelgebieden. Ieder deelgebied krijgt een eigen invulling, omarmd door stevig groen. Het nieuwe woongebied ten noorden van de Laan van het Haantje is opgebouwd uit compacte buurtschappen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de zogenaamde ‘bosplots’ (noordelijk deel) en ‘livingplots’ (zuidelijk deel). Binnen de bosplots en livingplots wordt een gevarieerd programma van verschillende typen woningen gerealiseerd, bestaande uit zowel verschillende typen grondgebonden woningen als appartementen. De exacte aantallen (per woningtype) variëren nog, het definitieve programma wordt nog nader uitgewerkt.
Daarnaast wordt ruimte gereserveerd voor een school (inclusief kinderopvang) in het gebied. De precieze plot waar de school wordt ingepast moet nog worden bepaald, in samenhang met de definitieve stedenbouwkundige verkaveling. Qua programma zal deze vergelijkbaar zijn met IKCM Parkrijk (daar is sprake van 8 klassen, een sportzaal, BSO met 2 BSO-ruimtes en 4 opvanggroepen). Verder biedt het bestemmingsplan de mogelijkheid om in de toekomst een sporthal van circa 2000 m 2 in het gebied te realiseren. Aan de zuidkant van het plangebied biedt het bestemmingsplan ruimte voor de uitbreiding van de bedrijvenstrook tussen de Laan van het Haantje en de Kerstanjewetering. De nog niet ontwikkelde delen van de bedrijvenstrook worden verder ingevuld met bedrijvigheid. Op grond van dit bestemmingsplan is hier bedrijvigheid tot en met categorie 3.1 toegestaan. Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan zijn hieraan de percelen ten oosten en westen van de spoorlijn toegevoegd, waar voorheen een nog uit te werken bestemming gold. Plaats van het project De ontwikkellocatie bevindt zich globaal tussen de kernen Rijswijk en Delft, in het oosten van het ontwikkelgebied RijswijkBuiten.
Het maakt onderdeel uit van Pasgeld, dat ten oosten van deelgebied Parkrijk en het Wilhelminapark ligt en globaal het driehoekige gebied tussen de spoorlijn (Rijswijk – Delft), de A4 en de Vliet (Rijn-Schiekanaal) vormt. Pasgeld-West betreft de strook tussen de spoorlijn aan de westkant en de Lange Kleiweg aan de oostzijde. Deze strook is globaal verdeeld in drie delen: sportpark Elsenburg aan de noordkant, het te ontwikkelen woongebied tussen het sportpark en de doorgetrokken Laan van het Haantje, en ten zuiden daarvan een doortrekking van de bedrijvenstrook met lintbebouwing langs de Kerstanjewetering en ‘t Haantje. Dit plangebied heeft betrekking op de te ontwikkelen delen van Pasgeld-West; het middendeel dat wordt ontwikkeld als woongebied en de ontwikkellocatie voor bedrijvigheid aan de zuidkant. Daarbij wordt een deel van het groengebied rondom de naastgelegen TNO-locatie en het slagenlandschap ten noordoosten daarvan meegenomen. Tot slot is ook de direct omliggende infrastructuur – de spoorlijn, Lange Kleiweg en Laan van het Haantje – in het plangebied opgenomen. Ten oosten van Pasgeld-West en de Lange Kleiweg en ten zuiden van de TNO-locatie bevindt zich de ontwikkellocatie Pasgeld-Oost.
Voor beide delen van Pasgeld is met het Schetsboek Pasgeld een gezamenlijk participatieproces doorlopen, wat heeft geresulteerd in een integrale ontwikkelrichting en Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
32 hoofdplanstructuur voor het gebied. Op basis daarvan is voor beide deelgebieden een apart stedenbouwkundig plan uitgewerkt. Voor de ontwikkeling van Pasgeld-Oost wordt een afzonderlijke procedure doorlopen. Kenmerken van de potentiële effecten In het kader van dit bestemmingsplan is met betrekking tot stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd (zie hiervoor paragraaf 4.9.2). Daarbij is een Aerius-berekening uitgevoerd voor de bouw- en gebruiksfase. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de ontwikkelingen in het bestemmingsplan ten opzichte van de referentiesituatie leiden tot een afname aan stikstofdepositie in zowel de bouw- als gebruiksfase. Ook op de eigen rekenpunten die bij de nieuwe kartering van Natura 2000-gebied horen, wordt geen verschil in depositie berekend. Om die reden is er geen sprake van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Daarmee gelden er geen belemmeringen voor de bestemmingsplanprocedure vanuit stikstofdepositie, en is het uitvoeren van een passende beoordeling niet noodzakelijk. Daarnaast zijn in het kader van de beoogde ontwikkelingen in de hierop volgende paragrafen de diverse omgevings- en milieuaspecten zorgvuldig afgewogen.
Per aspect is bepaald wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn op het gebied van luchtkwaliteit, geluid, bodemkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, water, natuur en ecologie, cultuurhistorie en archeologie, duurzaamheid en mobiliteit. De afweging van de potentiële effecten vindt zodoende impliciet plaats in de paragrafen van deze toelichting. Uit de afweging van deze verschillende aspecten en de daarbij uitgevoerde onderzoeken blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling geen significante nadelige milieueffecten optreden. Nadelige effecten die eventueel optreden zijn te compenseren, en er is mogelijk ook sprake van positieve effecten. De geïnventariseerde effecten maken het opstellen van een MER of m.e.r.-beoordeling niet benodigd.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO 2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
33 Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m 3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling wordt aangemerkt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit worden niet overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.
4.3.2 Onderzoek Het plan voorzien in de bouw van circa 1.000 woningen en enkele voor een woonwijk aanverwante functies. Omdat de schaal van het project past binnen de Regeling NIBM is een luchtkwaliteitsonderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Omdat direct naast de nieuwe bestemming ‘Woongebied’ drukke lokale wegen aanwezig zijn, zijn op grond van een goede ruimtelijke ordening wel de concentraties luchtverontreinigende stoffen langs deze wegen in beeld gebracht. In het kader van de ontwikkelingen (nieuwe gevoelige functies) binnen dit bestemmingsplan is daartoe een onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport ‘Luchtkwaliteitonderzoek bestemmingsplan PasgeldWest’, dat is opgenomen in bijlage 1. Uit het onderzoek blijkt dat op de grens van het bouwvlak waarbinnen de gevoelige bestemmingen moeten worden gebouwd en op 10 meter uit de rand van de beschouwde wegen geen concentraties optreden die hoger zijn dan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit. Omdat de ontwikkelingen in het plan niet leiden tot concentraties die de grenswaarden overschrijden leidt de Wet luchtkwaliteit niet tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan. Verder blijkt uit het onderzoek dat de WHO-advieswaarden voor de onderzochte stoffen eveneens worden gerespecteerd.
4.3.3 Conclusie De ontwikkeling past qua omvang binnen de grenswaarden uit de Regeling NIBM, waardoor luchtkwaliteitsonderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Omdat de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden en ook de WHO-advieswaarden worden gerespecteerd, leidt het aspect luchtkwaliteit niet tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in het plan.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
34
4.4
Geluid
4.4.1 Kader De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals woningen. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van maximaal 1.000 nieuwe woningen en een school (met kinderdagverblijf) mogelijk gemaakt, waardoor akoestisch onderzoek benodigd is.
4.4.2 Onderzoek De nieuwe woningen en nieuwe geluidsgevoelige gebouwen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn (deels) gelegen binnen de onderzoekszone van de Lange Kleiweg, de Laan van ’t Haantje, de spoorlijn Den Haag-Rotterdam en de zone rond het industrieterrein DSM. Dit betekent dat akoestisch onderzoek op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk is. De zone langs de Rijksweg A4 is 600 m. Het uiterst noordelijke deel van de nieuwe woonbestemming ligt net binnen deze zone. Om deze reden dient ook het verkeer op de rijkswegen in het onderzoek te worden betrokken. In dit kader heeft KuiperCompagnons een akoestisch onderzoek wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai uitgevoerd. De uitgangspunten, resultaten en conclusies van het (concept) akoestisch onderzoek zijn verwoord in het rapport opgenomen in bijlage 2. In dit concept akoestisch onderzoek is uitgegaan van de (maximale) planologische situatie die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Zodra een definitieve verkaveling voorhanden is zal het akoestisch onderzoek daarop worden toegespitst. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat het verkeer op de Lange Kleiweg, de Laan van ’t Haantje, de Rijksweg A4, het spoorverkeer over de spoorlijn en de activiteiten op het industrieterrein DSM een geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan voorkeursgrenswaarde(n).
Het spoorverkeer over de spoorlijn en de activiteiten op het industrieterrein DSM veroorzaken daarnaast ook een geluidsbelasting die hoger is dan de maximale hogere waarde van respectievelijk 68 dB en 55 dB(A). Op die plaatsen moeten een dove gevel of gelijkwaardige bouwkundige maatregelen worden toegepast. Langs het spoor kunnen dove gevels worden voorkomen door de aanleg van een scherm met een hoogte van 1 à 1,5 meter. Het wegverkeer op de Lange Kleiweg veroorzaakt ook een geluidsbelasting die hoger is dan de maximale waarde van 63 dB op de grens van het bouwvlak binnen de woonbestemming, omdat deze grens direct naast de weg ligt. Omdat de woningen op grotere afstand van de Lange Kleiweg worden gebouwd, zijn langs de Lange Kleiweg geen dove gevels noodzakelijk. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden moet worden getoetst aan het gemeentelijk geluidbeleid. Dit betekent dat alle woningen waarvoor een hogere waarde noodzakelijk is een zijde hebben waar de cumulatieve geluidsbelasting 58 dB of lager is. Uit een berekening op basis van een actueel (voorlopig) verkavelingsplan blijkt dat langs de randen van het plan en ter plaatse van de buurtweggetjes ook dieper het plan in, niet overal sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Bij de verdere uitwerking van de bouwplannen moet ervoor gezorgd worden dat elke woning een geveldeel heeft waar sprake is van een cumulatieve geluidsbelasting van 58 dB of lager. Bij de verdere uitwerking van de gebouwen moet speciale aandacht worden besteed aan de hoeken van de gebouwen omdat deze niet altijd een geveldeel hebben dat grenst aan de geluidsluwe zijde. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden moeten hogere waarden worden vastgesteld. Een overzicht van de benodigde hogere waarden is opgenomen in het rapport in bijlage 2. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van de hogere waarden wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd (zie bijlage 22).
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
35 Zodra een definitief verkavelings- en bouwplan voorhanden is, kan het effect van geluidsreducerende maatregelen worden berekend en op basis daarvan worden beoordeeld of bij elk van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.4.3 Conclusie Uit het concept akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de voorkeursgrenswaarde(n) worden overschreden, waardoor hogere waarden benodigd zijn. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van de hogere waarden wordt tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Daar waar de maximale hogere waarde wordt overschreden dienen dove gevels of gelijkwaardige bouwkundige maatregelen te worden toegepast. Uit een berekening op basis van een voorlopige verkaveling blijkt dat op bepaalde plaatsen mogelijk aanvullende (bouwkundige) maatregelen noodzakelijk zijn of de verkaveling moet worden afgestemd op de akoestische situatie. Bij de verdere uitwerking van de bouwplannen moet ervoor gezorgd worden dat elke woning een geveldeel heeft waar sprake is van een cumulatieve geluidsbelasting van 58 dB of lager, waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan de hoeken van de gebouwen.
4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1 Kader Wet bodembescherming Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. 4.5.2 Onderzoek Voor het plangebied zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. De belangrijkste resultaten hieruit worden in deze paragraaf samengevat, per onderzoekslocatie. Ontwikkelgebied Pasgeld-West Nader milieukundig (asbest)bodemonderzoek Voor de ontwikkellocaties van Pasgeld-West – het nieuwe woongebied en de bedrijvenstrook aan de zuidkant – heeft VanderHelm Milieubeheer recent verschillende (verkennende) bodemonderzoeken uitgevoerd. Tabel 4.1 toont een overzicht van deze uitgevoerde onderzoeken. Naar aanleiding en op basis van deze eerdere onderzoeken, is vervolgens een nader milieukundig (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van verdachte deellocaties.
De rapportage van dit nader onderzoek is opgenomen in bijlage 3. De aanleidingen voor dit nader onderzoek waren de voorgenomen (grond)werkzaamheden, verwijdering van bouwwerken (zoals dammen, hekken, duikers, beschoeiing), en waarnemingen met betrekking tot het voorkomen van zintuiglijk bodemvreemde en (mogelijk) asbesthoudende materialen in de bodem. Doel was het in kaart brengen (incl. omvangbepaling) van de verdachte deellocaties, het (middels steekproef) bepalen van de algemene bodemkwaliteit ter plaatse van alle deellocaties met het oog op de voorgenomen werkzaamheden, en het in kaart brengen van mogelijke saneringen en afvoerwerkzaamheden. Alle betreffende deellocaties zijn tijdens de eerdere onderzoeken uit tabel 4.1 reeds onderzocht; deellocaties waar daarbij geen
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
36 bodemvreemde bijmengingen zijn aantroffen zijn in het nader milieukundig (asbest)bodemonderzoek niet nader analytisch onderzocht.
Tabel 4.1: Overzicht uitgevoerde onderzoeken (bron: VanderHelm Milieubeheer, 14 december 2020).
Voor de verdachte deellocaties, zijn in het nader milieukundig (asbest)bodemonderzoek per deellocatie conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan. Deze worden hieronder beknopt samengevat. Voor een groot deel van de deellocaties zijn geen bijmengingen aangetroffen, en is er geen aanleiding tot analytisch onderzoek. In andere deelgebieden zijn wel bijmengingen, maar geen matige tot sterke verontreinigingen aangetroffen. Deze locaties zijn voldoende onderzocht. Voor een deel daarvan worden geen verdere aanbevelingen voor nader onderzoek en/of saneringsmaatregelen gedaan. Ter plaatse van enkele deellocaties dienen aanvullende maatregelen te worden uitgevoerd, door middel van saneren of civieltechnische (grond)verbetering. Ook waar dat niet noodzakelijk maar vanuit civieltechnisch oogpunt mogelijk wenselijk is, worden daarvoor enkele aanbevelingen gedaan. Op basis van de resultaten, worden deellocatie 20 en deellocatie 15A-1 samen als één ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’ gezien. Het betreft boringen 20-1 en 20-3 die in het verlengde liggen van deellocatie 15A-1 langs de watergang richting de moestuinen van ‘De Schoffel’. De ligging van deze deellocaties is te zien in afbeelding 3.1. Langs de slootkant, is sprake van een heterogene matige tot sterke loodverontreiniging met een laagdikte van 30 tot 50 cm.
De breedte van de verontreinigde strook is circa 3 meter over een lengte van circa 200 meter. De hoeveelheid sterk verontreinigde grond bedraagt derhalve circa 300 m3. Hierdoor is sprake van ‘een geval van ernstige bodemverontreiniging’. De verontreinigde strook loopt van deellocatie 20 richting het noorden naar volkstuincomplex ‘De Schoffel’. Gelet op het heterogene karakter van de verontreiniging wordt het uitvoeren van aanvullend nader onderzoek niet zinvol geacht. Dit wordt bekrachtigd door de vergelijkbare situatie van de gesaneerde verontreiniging met zware metalen ter plaatse van de zuidelijk gelegen slootkant. Wel betekent dit dat sprake is van een saneringsnoodzaak in het kader van de Wet bodembescherming. Hieraan wordt bij omgevingsvergunning uitvoering gegeven. Inmiddels is voor het uitvoeren van sanering op deze locatie een omgevingsvergunning verleend (d.d. 26 november 2021), en de BUSmelding goedgekeurd (d.d. 10 maart 2022). Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
37
Afbeelding 4.1: Overzicht deellocaties 15a en 20 (bron: VanderHelm Milieubeheer, 14 december 2020).
Plan van aanpak verwijderen loodverontreiniging Naar aanleiding van het ‘Verkennend en nader milieukundig (asbest)bodemonderzoek ter plaatse van deelgebied 5.2 Pasgeld te Rijswijk’ (zie tabel 4.1, onder 5) is voor het verwijderen van bodemvreemde bijmengingen en een daaraan gerelateerde loodverontreiniging ter plaatse van ‘vlek 82E’ een Plan van Aanpak opgesteld. Deze locatie omvat een deel van het kadastrale perceel 1532. Vlek 82E betreft een strook grond langs een watergang met een lengte van ca. 255 m (zie afbeelding 4.2). Uit het onderzoek is gebleken dat ter plaatse de puin-, koolas-, baksteen- en/of glashoudende bovengrond (circa 0,00 0,30/0,50 m-mv) licht tot sterk verontreinigd is met lood. Er is sprake van twee spots van sterke loodverontreiniging en een matige loodverontreiniging. Aangezien de volumes van de Spots I en II kleiner zijn dan 25 m³ en Spot III geen sterke verontreiniging betreft, is geen sprake van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’. Uitgangspunt van het Plan van Aanpak is dat uiteindelijk alle grond met bodemvreemde bijmengingen ter plaatse van de gehele vlek 82E, inclusief de Spots I t/m III, gesaneerd en afgevoerd zal worden. Op basis van het onderzoek bedraagt de geschatte totale omvang van het te verwijderen bodemvreemd materiaal circa 310 m³. De sterk met lood verontreinigde Spots I (max. 15 m³) en II (max.