Bijlage B Ontwerpbestemmingsplan Pasgeld-West incl. bijlagen (gewijzigd)
Tekst van het document
9 m³) en de matig met lood verontreinigde Spot III (circa 120 m³) bevinden zich binnen deze saneringslocatie. Het PvA is opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
38
Afbeelding 4.2: Ligging ‘vlek 82E' (bron: VanderHelm Milieubeheer, 19 april 2019).
Aanvullend waterbodemonderzoek m.b.t. PFAS Naar aanleiding van het ‘Milieukundig waterbodemonderzoek achterzijde ’t Haantje deelgebied Pasgeld te Rijswijk’ (zie tabel 4.1, onder 6) is een aanvullend milieukundig waterbodemonderzoek met betrekking tot PFAS ter plaatse van watergang ‘MV10’ uitgevoerd. Het briefrapport is opgenomen in bijlage 5. Afbeelding 4.3 toont de ligging van deze watergang. Het monstervak ‘MV10’ is één van de watergangen die in het eerdere waterbodemonderzoek zijn onderzocht. Daarin werd geconcludeerd dat de baggerspecie ter plaatse van monstervak MV10 niet verspreidbaar is op het aangrenzend perceel. Uit de toetsing aan het Bbk volgt dat de baggerspecie toepasbaar is op of in de landbodem als klasse ‘Industrie’. De baggerspecie is in oppervlaktewater toepasbaar als ‘klasse A’. Vanwege de voorgenomen werkzaamheden, demping van de sloot en de afzet van de baggerspecie, dient de baggerspecie aanvullend geanalyseerd te worden op PFAS. Voor de overige monstervakken uit het eerdere waterbodemonderzoek met niet verspreidbare baggerspecie geldt dat baggeren/dempen niet aan de orde is (MV03, MV09) of dat baggeren al is uitgevoerd (MV07).
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
39
Afbeelding 4.3: Ligging watergang ‘MV10’ (bron: VanderHelm Milieubeheer, 27 oktober 2020).
Op basis van de onderzoeksresultaten uit het aanvullende waterbodemonderzoek wordt geconcludeerd dat het hoogst gemeten PFAS gehalte 1,3 μg/kg d.s. bedraagt. Er is geen PFOA en/of GenX verhoogd gemeten. Conform het Tijdelijk Handelingskader valt de baggerspecie in de categorie ‘landbouw/natuur’. Op basis van deze gegevens kan een afzetlocatie worden geselecteerd voor de afzet van de niet verspreidbare baggerspecie. Groenzone / slagenlandschap Voor de gronden ter plaatse van de groenzone in het oostelijk deel van het plangebied, wordt nog onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit ter plaatse. Vooruitlopend op de resultaten is in dit bestemmingsplan een aanduiding opgenomen met daaraan gekoppeld een voorwaardelijke verplichting. Daarin is bepaald dat op deze gronden bouwen en uitvoeren van werk(zaamhed)en niet is toegestaan voordat uit onderzoek is gebleken dat dat bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Langs de slootkanten en de waterbodems is inmiddels onderzoek uitgevoerd. Hier zijn geen belemmeringen geconstateerd. Voor de overige gronden, zoals de weilanden, is nog geen onderzoek gereed. Dit onderzoek wordt nog uitgevoerd.
4.5.3 Conclusie Met betrekking tot de bodemkwaliteit zijn in het plangebied diverse onderzoeken uitgevoerd. Voor de meeste deellocaties zijn geen bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Enkele verdachte deellocaties zijn nader analytisch onderzocht. Voor enkele deellocaties zijn wel bijmengingen aangetroffen maar geen matige tot sterke verontreinigingen en zijn nader onderzoek en/of sanering niet benodigd. Voor enkele deellocaties zijn aanvullende sanerings- of civieltechnische maatregelen nodig gebleken. Ter plaatse van deellocaties 20 en 15A-1 is sprake van één ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’. Hoewel nader onderzoek niet zinvol wordt geacht geldt hiervoor wel een saneringsnoodzaak, waarvoor de vergunning inmiddels is verleend en de BUS-melding is goedgekeurd. Voor het verwijderen van bodemvreemde bijmengingen en daaraan gerelateerde loodverontreiniging (‘vlek 82E’) is een PvA opgesteld; gezien de omvang is hier geen sprake van een ‘geval van ernstige Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
40 bodemverontreiniging’. Daarnaast is op basis van een waterbodemonderzoek een watergang (MV10) aanvullend geanalyseerd op PFAS; op basis daarvan kan een locatie worden geselecteerd voor de afzet van de niet verspreidbare baggerspecie. Tot slot is voor de groenzone in het oostelijk deel van het plangebied het onderzoek naar de bodemkwaliteit momenteel nog in uitvoering.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. 4.6.2 Onderzoek Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. In de omgeving van de locatie zijn een aantal risicobronnen aanwezig, zoals weergegeven in afbeelding 4.4. Door AVIV is in dit kader een onderzoek naar het aspect externe veiligheid uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 6, de resultaten zijn in deze paragraaf beknopt samengevat.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
41
Afbeelding 4.4: Risicobronnen in de omgeving van het plangebied (bron: AVIV, 2 maart 2022).
In het onderzoek zijn in verband met de voorgenomen ontwikkeling de externe veiligheidsrisico’s van de nabij gelegen hogedruk aardgasleidingen in beeld gebracht. Voor de risicobronnen A4 en A13 geldt dat het plangebied buiten het verantwoordingsgebied voor het groepsrisico ligt. Wel bevindt het zich binnen het invloedsgebied van toxische vloeistoffen (A4) en toxische gassen (A13), waardoor de veiligheidsregio in gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen over de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De risicobronnen DSM Delft Permit BV en TNO-PML vormen geen belemmering en hoeven daarom niet nader te worden beschouwd. Het plaatsgebonden risico in relatie tot de aardgastransportleidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het groepsrisico overschrijdt de oriëntatiewaarde niet, en neemt niet toe of blijft kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Zodoende kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In het onderzoek zijn de onderdelen waaruit deze verantwoording dient te bestaan nader beschreven. Hiernaast doorsnijdt de belemmeringenstrook rond aardgasleiding W-514-07 het plangebied. Binnen deze strook mag geen bebouwing worden opgericht. In dit bestemmingsplan is deze strook ook als zodanig planologisch bestemd, middels de dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’.
4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
42
4.7
Bedrijven en milieuzonering
4.7.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 4.7.2 Onderzoek Met dit bestemmingsplan worden zowel milieugevoelige functies (woningen, school) als potentieel milieuhinderlijke functies (bedrijven) mogelijk gemaakt. In de directe omgeving van het plangebied zijn verschillende functies aanwezig. Naast de woongebieden aan de west- en oostkant, onder meer een spoorlijn, sportcomplex, de TNO-locatie met aangrenzende bedrijvigheid, en het bedrijventerrein ten zuiden van het plangebied. Vanwege deze functiemenging kan het plangebied worden beschouwd als gebiedstype ‘gemengd gebied’. Dat betekent dat de VNG-richtafstanden met één stap kunnen worden verkleind. In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende (bedrijfs)bestemmingen en functies. Deze worden hieronder nader beschouwd.
mogelijk
relevante
Bedrijvigheid oostzijde: TNO, BPRC Ten oosten van het plangebied bevinden zich op en rondom de TNO-locatie verschillende bedrijven. In de vigerende beheersverordening ‘Elsenburgerbos-TNO/Pasgeld’ geldt ter plaatse van de TNO-locatie het besluitsubvlak ‘TNO’. Deze gronden zijn tevens bedoeld voor een onderzoeksinstituut, met enkele bijbehorende voorzieningen. Hier is de inrichting TNO (voorheen TNO-PML) gevestigd. Dit is een organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek. Tot voor kort werd hier onder andere munitie opgeslagen en was dit een risicovolle inrichting. De onderzoeksactiviteiten van TNO op het gebied van explosieven en munitie zijn geleidelijk verplaatst van de locatie Rijswijk naar de locatie Ypenburg (Den Haag). Deze verplaatsing is per 1 januari 2021 afgerond. Daarmee is de risicovolle inrichting met de bijbehorende veiligheidszone verdwenen. De locatie is wel in gebruik gebleven als onderzoekscentrum. Aan de zuidwestkant van de TNO-locatie is daarnaast BPRC gevestigd. Dit betreft een primaten onderzoekscentrum. Deze gronden vallen eveneens binnen het besluitsubvlak ‘TNO’. Onderzoekscentra zijn niet als zodanig in de VNG-lijst opgenomen. In het onderzoek van Witteveen + Box voor bedrijventerrein Heulweg (zie verderop) zijn TNO en BPRC aangemerkt als categorie 3.1bedrijven. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 30 m.
Deze afstand reikt vanaf de grens van het besluitsubvlak niet tot het nieuwe woongebied, en leidt zodoende niet tot belemmeringen. In een afzonderlijk onderzoek heeft Witteveen + Bos de geursituatie in relatie tot de activiteiten van BPRC geanalyseerd, inclusief een onderbouwing voor een acceptabel geurniveau in het licht van een goede leefkwaliteit. Daarbij is gezien de ligging met name gefocust op ontwikkelgebied Pasgeld-Oost, maar de resultaten zijn ook toepasbaar op Pasgeld-West. Deze notitie is opgenomen in bijlage 7. In dit onderzoek is een eerder uitgevoerd geuronderzoek (LBP Sight, 2019) gecontroleerd en geactualiseerd. Daarbij is ook een nieuwe berekening uitgevoerd met een lagere emissie, op basis van reëler geachte uitgangspunten wat betreft bezetting van gebouwen. Aan de hand van beide modelleringen is vervolgens beoordeeld of sprake is van een ‘aanvaardbaar geurhinderniveau’ en daarmee een goed woon- en leefklimaat.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
43 Uit de beoordeling van de geurcontouren volgt dat het plangebied van Pasgeld-West, op basis van zeer ruime uitgangspunten, voor een deel tussen de 0,5 en 1,0 ouE/m³ (98-percentiel) ligt. Bij aangepaste (meer reële) uitgangspunten valt het geheel buiten de 1,0 ouE/m³ contour en ligt alleen een klein deel aan de noordoostkant binnen de 0,5 ouE/m³ (98-percentiel). Uit de waarden die genoemd zijn in het provinciaal beleid blijkt dat een concentratie van rond de 1,0 ouE/m³ (98-percentiel) ruim aan de omschrijving (geurkwaliteitsklasse) ‘redelijk’ voldoet, en zich dus tussen ‘goed’ en ‘redelijk’ bevindt. Deze kwaliteit wordt een aanvaardbaar geurhinderniveau voor de locatie geacht, mede gezien de goede leefkwaliteit op andere aspecten zoals natuur en geluid. Verder is het meer dan aannemelijk dat de werkelijke geurbelasting onder 0,5 ouE/m³ (als 98-percentiel) zal liggen, gezien de werkelijke activiteiten. Bedrijvigheid oostzijde: bedrijventerrein Heulweg Ten noordoosten en grenzend aan de TNO-locatie bevindt zich een bedrijventerrein met verschillende bedrijven aan de Heulweg. Voor deze locatie is in de vigerende beheersverordening het besluitsubvlak ‘Bedrijventerrein’ opgenomen. Deze gronden zijn tevens bedoeld voor bedrijven tot en met ten hoogste categorie 2.
In het kader van de beoogde woningbouw zijn door Witteveen + Bos de milieucontouren in beeld gebracht voor het bedrijventerrein aan de Heulweg. Daarbij zijn verschillende scenario’s onderzocht, bezien in samenhang met de locaties van TNO en BPRC. De bijbehorende notitie is opgenomen in bijlage 8. Op het bedrijventerrein zijn enkele bedrijven aanwezig die de maximaal toegestane milieucategorie 2 overschrijden. Momenteel wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn voor maatwerk en/of het integraal toestaan van een hogere milieucategorie. Vooralsnog is handhaven van milieucategorie 2 het uitgangspunt. Het toestaan van een hogere milieucategorie is uitsluitend mogelijk wanneer dit geen belemmeringen oplevert voor woningbouw op Pasgeld-West. Daarvoor wordt een aparte bestemmingsplan-/ omgevingsplanprocedure doorlopen. De keuze voor de definitieve ontwikkelrichting hangt onder meer af van stedenbouwkundige en economische overwegingen en de bredere ontwikkelvisie voor het gebied TNO en omgeving. Bedrijvigheid zuidzijde (bedrijvenstrook) Ten zuiden van de Laan van het Haantje ligt een bedrijvenstrook. Ter hoogte van het plangebied kent deze in het vigerende bestemmingsplan grotendeels de bestemming ‘Bedrijventerrein – Uit te werken’. Deze gronden zijn bestemd voor bedrijfsactiviteiten tot categorie 3.2.
Daarbij geldt een bouwverbod, waarmee het bouwen van bouwwerken uitsluitend is toegestaan overeenkomstig een nog op te stellen uitwerkingsplan. Deze gronden zijn in voorliggend bestemmingsplan meegenomen. Op de nieuwe bedrijvigheid binnen het plangebied, wordt verderop nader ingegaan. Aan de zuidkant van deze bedrijvenstrook ter hoogte van het plangebied, bevindt zich aan het Haantje de bestemming ‘Bedrijf – Garagebedrijf’. Deze gronden zijn bestemd voor een garagebedrijf, met ondergeschikte en bijbehorende voorzieningen. Op grond van de VNG-lijst betreft een autogarage maximaal milieucategorie 3.2. Aan de bijbehorende richtafstand van 50 m wordt tot aan de nieuwe woningen voldaan. Industrieterrein zuidzijde (DSM-/Calvéterrein) Ten zuiden van de Kerstanjewetering en het Haantje, in de gemeente Delft, bevindt zich een bedrijventerrein met onder meer het terrein van DSM en het voormalige Calvé-terrein. Het DSM/Calvéterrein is een (geluid)gezoneerd industrieterrein met activiteiten uit hogere milieucategorieën (een zogenaamd 'HMC-terrein'), op relatief korte afstand van woningen. Deze situatie is historisch gegroeid. Er is sprake van een hoge vergunde milieubelasting, met name ten aanzien van geluid en geur. In het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen Delft Noord (DSM)” van de gemeente Delft is voor dit terrein grotendeels de bestemming ‘Bedrijventerrein – 1’ opgenomen.
Daarbij is onder meer middels Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
44 aanduidingen een inwaartse zonering aangebracht, ten opzichte van bestaande woningen in de omgeving. Daarmee is een voldoende afstand tot bestaande woningen planologisch geborgd. Ter hoogte van het voorliggende plangebied betreft dit de woningen aan het Haantje, die tussen het bedrijventerrein en het nieuwe woongebied liggen. De richtafstanden van het bedrijventerrein vormen dan ook geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Wel zijn er vanuit het gezoneerde industrieterrein geluid- en geurcontouren die tot in dit plangebied reiken. Deze zijn in het vigerende bestemmingsplan “Sion – ’t Haantje, tweede herziening” opgenomen als de gebiedsaanduidingen ‘geluidzone – industrie 1’, ‘geluidzone – industrie 2’ en ‘milieuzone – geurzone’. De bouw van geluidsgevoelige objecten, zoals woningen, is ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie 2' niet toegestaan, en ter plaatse van de aanduiding ‘geluidzone – industrie 1’ uitsluitend indien voldaan kan worden aan de in de Wet geluidhinder gestelde grenswaarden of verleende hogere waarden. Dit bestemmingsplan maakt binnen de ‘geluidzone – industrie 2’ geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk. Hierbinnen bevindt zich alleen een deel van de ontwikkellocatie voor bedrijven. Een deel van het nieuwe woongebied ligt wel binnen de ‘geluidzone – industrie 1’.
Voor het aspect industrielawaai is akoestisch onderzoek uitgevoerd; hierop wordt in paragraaf 4.4 nader ingegaan. Voor wat betreft het aspect geur, zijn door PRA Odournet de gevolgen van het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen Delft Noord (DSM)” voor geur ten gevolge van DSM onderzocht in het rapport ‘Consequenties van mogelijke ontwikkelingen op het terrein van DSM Gist op de geurbelasting van de omgeving’ (kenmerk DSMG11C10, december 2012). Daarbij is zowel onderzoek gedaan naar de op dat moment huidige (vergunde) geursituatie, als naar de gevolgen voor de geursituatie van de nieuwe ontwikkelingen die binnen de bestemmingsregeling mogelijk zijn. Uit dit rapport blijkt dat de bijdrage van de nieuwe bronnen zeer beperkt en niet significant is. Er is geen extra geurhinder te verwachten als gevolg van de mogelijke ontwikkelingen op het terrein van DSM. Ook de cumulatie van de vergunde bronnen met de mogelijke ontwikkelingen leidt niet tot een significante toename van de geurhinder in de woon- en leefomgeving. De uitkomst van de gemaakte modelberekening geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de nieuwe ontwikkelingen zullen leiden tot een toename van de geurhinder ten opzichte van de al vergunde situatie. Daarmee is gegeven dat de nieuwe activiteiten/ontwikkelingen wat betreft het aspect geur geen afbreuk zullen doen aan het bestaande woon- en leefklimaat.
Voor de (bestaande) woonbebouwing is in de vigerende Wm-vergunning van DSM de grens voor het acceptabel hinderniveau op 5 ge/m3 gelegd. Uit het rapport van Odournet blijkt dat de geurcontouren 3 ge/m3 en 5 ge/m3 (als 98-percentiel) in de huidige (vergunde) situatie deels over geurgevoelige objecten liggen. Daarbij wordt echter geconcludeerd de bestaande geursituatie aanvaardbaar is, en in de omgeving van het terrein geen onaanvaardbare geurhinder optreedt. Voor nieuwe woningen geldt echter dat deze in beginsel zijn uitgesloten in het gebied tussen 3 en 5 ge/m3. Hiertoe is in het vigerende bestemmingsplan “Sion – ’t Haantje, tweede herziening” dan ook de aanduiding ‘milieuzone – geurzone’ opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding zijn geen geurgevoelige objecten toegestaan. Hierbinnen zijn uitsluitend type 2- en type 3-functies toegelaten, type 1 functies (zoals woningen) zijn expliciet uitgesloten. De nieuwe geurgevoelige objecten die het voorliggende bestemmingsplan mogelijk maakt, de woningen binnen de bestemming ‘Woongebied’, vallen niet binnen de aangeduide geurzone. De aanduiding overlapt alleen een deel van het plangebied ten zuiden van de Laan van het Haantje. De hier opgenomen bestemming ‘Bedrijventerrein’ maakt alleen nieuw type 2- en 3-functies mogelijk. Daarbij is de geurzone uit het vigerende bestemmingsplan onverminderd overgenomen.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
45
Bedrijvigheid binnen het plangebied Dit bestemmingsplan maakt ook nieuwe bedrijvigheid mogelijk. Ten zuiden van de Laan van het Haantje wordt de bestaande bedrijvenstrook uitgebreid met de bestemming ‘Bedrijventerrein’. In lijn met de al uitgewerkte bedrijventerreinbestemming ten westen van het plangebied, is hierin middels functieaanduidingen een inwaartse zonering aangebracht. Daarmee is de maximaal toegestane milieucategorie afgestemd op de afstand tot milieugevoelige functies in de omgeving, zoals woningen. Zodoende is op basis van de VNG-richtafstanden een voldoende afstand geborgd ten opzichte van de nieuwe woningen binnen het plangebied, en de bestaande woningen ten zuiden van het plangebied.
4.7.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering leidt niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Ter plaatse van de nieuwe woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, en bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.
4.8
Water
4.8.1 Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet. Europees en Rijksbeleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
46 Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.
In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid.
Hierin staat hoe de provincie samen met haar partners werken aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Er zijn diverse Europese richtlijnen rondom water, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. In de Waterwet is bepaald wat de provincie moet doen om uitvoering te geven aan deze richtlijnen. Dit staat dus in het regionaal waterprogramma van de provincie. De provincie Zuid-Holland gaat in het regionaal waterprogramma - naast deze verplichte onderwerpen - ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Op deze manier komt al provinciaal beleid dat te maken heeft met water samen in 1 document. Dit geeft een helder beeld van de aanpak van de provincie en laat de samenhang tussen de verschillende
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
47 onderwerpen duidelijk zien. Provinciale Staten waren onder de indruk hiervan en hebben het regionaal waterprogramma unaniem vastgesteld. Bij de uitwerking van het regionaal waterprogramma is intensief samengewerkt met een groot aantal belanghebbende partijen, waaronder de 7 Zuid-Hollandse waterschappen, drinkwaterbedrijven, omgevingsdiensten en gemeenten. Daarnaast hebben 23 partijen een zienswijze ingediend op het ontwerp-regionaal waterprogramma. Het regionaal waterprogramma wordt iedere 6 jaar geactualiseerd en als het nodig is vaker. Beleid waterbeheerder Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 Op 10 maart 2022 heeft het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld. Dit is de opvolger van het Waterbeheerplan 2016-2021. Hiermee geeft Delfland invulling aan de verplichting voor waterschappen onder de Omgevingswet om een waterbeheerprogramma op te stellen. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland haar strategie voor de uitvoering van kerntaken voor de aankomende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap in de periode 2022-2027. Daarbij vormt het een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen.
Bij de uitvoering staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering. Naast een aantal verplichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn zwemwater en Natura 2000), zijn er voor het waterbeheerprogramma geen vormvereisten. Delfland heeft voor het WBP6 gekozen voor een opzet met drie verschillende niveaus: WBP6 op hoofdlijnen, een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, en een kennisbank. Handreiking watertoets Delfland heeft een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor elk van de volgende ruimtelijke planvormen: stedenbouwkundige plan; structuurvisie; bestemmingsplan; beheersverordening; omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing; en tot slot de planfiguren van de Crisis- en herstelwet, zoals het projectuitvoeringsbesluit.
Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin. Keur en legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen, waterkeringen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het hoogheemraadschap van Delfland zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het hoogheemraadschap. De Legger Oppervlaktewater is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. Gemeentelijk beleid Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan Rijswijk (2021-2025) In juni 2021 heeft de gemeente Rijswijk een nieuw gemeentelijk riolerings- en waterplan vastgesteld, dat is opgesteld gezamenlijk met het Hoogheemraadschap van Delfland. De voorgaande jaren waren Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
48 er op het gebied van water in Rijswijk twee plannen: het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) en het Waterplan. Deze plannen zijn samengevoegd in een overkoepelend plan met een looptijd van 5 jaar. Dit gemeentelijk Riolerings- en Waterplan beschrijft hoe de gemeente samen met het hoogheemraadschap de aankomende jaren (2021-2025) invulling geven aan hun watertaken en hoe dit bijdraagt aan het realiseren van de gestelde ambities. Het gaat over de zorgplichten met betrekking tot afvalwater, hemelwater en grondwater, maar ook over oppervlaktewater in de stad. De gemeente Rijswijk en het Hoogheemraadschap van Delfland werken daarnaast al jaren nauw samen aan het stedelijk waterbeheer. Met een gezamenlijk waterplan, de wateragenda en het bijhorende uitvoeringsprogramma willen zij een duurzaam, schoon, gezond en veilig watersysteem en een vitale aantrekkelijke leefomgeving realiseren. De komende jaren wil de gemeente blijven investeren in het vervangen van de bestaande riolering, maar ook aparte hemelwaterriolering aanleggen om te anticiperen op de klimaatverandering en de toename van afvalwater door de toename van woningen. Waterkwaliteit is belangrijk voor de biodiversiteit. De gemeente wil daarom gezamenlijk met Delfland de komende jaren ambities bepalen en kansen voor verbetering uitvoeren.
Daarbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan ecologisch baggeren, foutaansluitingen van de riolering opsporen en inrichten van natuurvriendelijke oevers.
4.8.2 Onderzoek In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente/ontwikkelaar en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Huidige situatie Oppervlaktewatersysteem Pasgeld-West ligt in het zuidwesten van de Plaspoel- en Schaapweipolder en heeft een polderpeil van NAP-1,25 m. Voorheen bestond het plangebied voornamelijk uit glastuinbouw en graslanden. Met name aan de zuidkant was een aanzienlijk deel verhard met glastuinbouwkassen. De grote kassencomplexen zijn in de huidige situatie (na eind 2019) niet meer aanwezig. In de bestaande situatie zijn de gronden grotendeels onverhard, waarbij een gedeelte al is voorbelast.
In en rondom het plangebied zijn in de huidige situatie verschillende watergangen en andere oppervlaktewateren aanwezig. Alle watergangen zijn secundair en parallel aan elkaar gelegen vanwege de oorspronkelijke kavelstructuur waarbinnen de voormalige glastuinbouw was ingepast. Het betreft in ieder geval de Vliet en de Kerstanjewetering, die het gebied globaal aan de oost- en zuidkant begrenzen. Op dit moment is enkel aan de noordzijde van Pasgeld een primaire watergang aanwezig. Binnen het plangebied liggen daarnaast nog verschillende secundaire watergangen. Midden in Pasgeld-West ligt het complex van tuinvereniging De Schoffel. Een deel van De Schoffel ligt als onderbemaling in de Plaspoel- en Schaapweipolder. In een onderbemaling wordt het oppervlaktewaterpeil door middel van pompen lager gehouden dan het omliggende peil.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
49 Wat betreft het watersysteem vormt Pasgeld een redelijk geïsoleerd gebied, met de bestaande bebouwing aan ’t Haantje, de omringende wegen en het spoor. Het grootste deel van het water voert af naar het noordelijke gemaal. Een deel van het water voert ook via een duiker onder het spoor naar Parkrijk en het zuidwestelijke gemaal af. Uit de watersysteemanalyse van de Plaspoel- en Schaapweipolder (april 2022) blijkt dat er in de huidige situatie, zonder de ontwikkeling van Pasgeld-West, twee knelpunten in het gebied van Pasgeld-West aanwezig zijn: de laagste delen van De Schoffel en ’t Haantje 11. Deze locaties kunnen bij extreme neerslag door peilstijging in de watergangen wateroverlast krijgen. Het initiatief voor de aanpak van deze knelpunten ligt bij Delfland. Delfland is hierover in gesprek met deze twee partijen. Afbeelding 4.5 toont een uitsnede van de leggerkaart van het hoogheemraadschap.
Afbeelding 4.2: Uitsnede legger Hoogheemraadschap van Delfland.
Toekomstige situatie Door Arcadis is in samenspraak met de gemeente Rijswijk en het Hoogheemraadschap van Delfland integraal de waterhuishouding van het bredere gebied beschouwd. Een analyse van de wateropgave en peilstijging bij de inrichting van Pasgeld-West is opgenomen in bijlage 9. Voor de inrichting van Pasgeld-West zijn tussen de gemeente en het hoogheemraadschap afspraken gemaakt over waar het toekomstige oppervlaktewatersysteem in Pasgeld-West aan moet voldoen. Hierbij is de gemeente de initiatiefnemer en Delfland het bevoegd gezag op het gebied van oppervlaktewater. Grondgebruik Pasgeld-West wordt ontwikkeld tot nieuw stedelijk gebied, waarin naast groen en water de ontwikkeling Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
50 van duurzaam gebouwde woningen en het aanleggen van bedrijventerrein is voorzien. Bij de ontwikkeling van Pasgeld-West wordt het verhard oppervlak groter dan in de oorspronkelijke situatie. Het groen-blauwe raamwerk zoals dat in het Schetsboek Pasgeld is uitgewerkt, vormt de basis voor de waterstructuur in het gebied. Daarmee wordt in Pasgeld één samenhangend en klimaatrobuust watersysteem gerealiseerd. Zo is het systeem voorbereid op stevige piekbuien, die in de toekomst vaker zullen voorkomen. Ook helpt een robuust watersysteem om beter te reageren op langere periodes van droogte en dan de waterkwaliteit goed te houden. De Zweth blijft voor Pasgeld de hoofdafvoer, zoals deze dat nu ook is. Vanuit de verschillende delen in Pasgeld wordt het overtollige regenwater via (hoofd) watergangen hier naartoe getransporteerd. Via het gemaal naast Vlietzigt loost de Zweth op de Vliet (de boezem). Vanaf daar kan het naar zee stromen. Het uitgangspunt is om het water zo lang mogelijk in Pasgeld vast te houden, om de druk op de boezem te beperken. Dit vasthouden en vertraagd afvoeren van het water gebeurt door middel van een soort ‘cascade-systeem’, waarbij regen eerst op de daken en in de tuinen wordt opgevangen, vervolgens vertraagd afgevoerd naar de straatjes en het water en groen in de buurten.
Als er veel regenwater is, wordt het ook naar het wijkgroen en -water afgevoerd en pas als laatste via het gemaal. Hoe deze ‘watercascade’ precies per deelgebied vorm krijgt, wordt nog verder uitgewerkt. In principe wordt voor ieder deelgebied het water afgevoerd via een eigen watergang richting de Zweth. Tussen de primaire en secundaire watergangen liggen diverse verbindingen, die maken dat er sprake is van een robuust watersysteem dat uitwisseling tussen de deelgebieden mogelijk maakt. Dit maakt het watersysteem flexibeler en toekomstbestendiger, zeker in het licht van klimaatverandering. Het zorgt er bovendien voor dat het water in het gebied kan doorstromen, wat de waterkwaliteit ten goede komt. Het watersysteem voor Pasgeld en de deelgebieden wordt in nauw overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland vormgegeven. Waterkwantiteit Eén van de onderdelen van de ontwikkeling is het realiseren van een robuust en beheersbaar watersysteem. Om dat te realiseren wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de peilstijging die eens in de 100 jaar kan optreden, niet door de ontwikkeling van Pasgeld-West en door klimaatverandering verslechtert. Er wordt uitgegaan van de maximaal toegestane peilstijging in het gebied van 36 cm. Dit is de uitkomst uit de watersysteemanalyse Plaspoel- en Schaapweipolder uit 2021 (WSA).
Als uitgangssituatie is de oorspronkelijke situatie van 2015 gebruikt, voordat de kassen in het gebied werden gesloopt. De Watersleutel is niet geschikt voor toepassing voor grootschalige ontwikkelingen. Er wordt bijvoorbeeld geen rekening gehouden met verlies van onverhard oppervlak door toevoeging van extra oppervlaktewater, met maaiveldberging in de oorspronkelijke situatie (situatie 2015) of met ander gedrag van buien bij andere oppervlaktes verhard en open water. Daarom is voor het gebied van Pasgeld-West en de omgeving een hydrologisch model gemaakt om het effect van de ontwikkeling op de waterstanden te berekenen bij diverse intensiteiten van neerslag, dat beter inzichtelijk te maken en de benodigde hoeveelheid waterberging nauwkeuriger te bepalen. Het voorlopige stedenbouwkundige ontwerp van november 2022 is met dit model doorgerekend. In het voorlopig ontwerp is uitgegaan van de onderstaande oppervlakten:
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
51 Oppervlak Oorspronkelijke situatie Verhard (m2) 66.175 Onverhard (m2) 131.155 Open water (m2) 13.770 2 Onverhard PG Oost t.b.v. PG West (m ) 4.000 Open water PG Oost t.b.v. PG West (m2) 0 Totaal 215.096
Voorlopig ontwerp 108.503 79.082 23.511 0 4.0000 215.096
Voor de berekening van het verhard oppervlak is uitgegaan van een verhardingsgraad van 52%, met inachtneming van de volgende percentages: ▪ 100% voor ondoorlatende verharding, zoals de verkeersstructuur en uitgeefbaar gebied van appartementen; ▪ 85% voor uitgeefbaar gebied van grondgebonden woningen (representatieve invulling); ▪ 50% voor halfverhardingen, zoals grasbetontegels; ▪ 0% voor waterdoorlatende oppervlakten, zoals groenvoorzieningen. Bovenstaande percentages zijn afgestemd met het hoogheemraadschap en zijn gebaseerd op ervaringscijfers uit vergelijkbare woongebieden. Om de verhardingsgraad van tuinen ook in de toekomst beperkt te houden, wordt geadviseerd om deze al groen (en dus onverhard) aan te leggen. Wanneer nieuwe bewoners een tuin met groen in plaats van een zandbak of tegelvlak aantreffen of minstens aarde waarin groen makkelijk aan te brengen is, dan is de kans groter dat deze tuinen ook groen blijven. Toetsing watercompensatie Nieuwe verharding wordt met de eerder genoemde uitgangspunten gecompenseerd met meer dan 32% open water. Bij deze berekening is rekening gehouden met berging van 4.000 m2 ten oosten van de Lange Kleiweg ten behoeve van Pasgeld-West.
De volgende bandbreedte in te realiseren wateroppervlak wordt gehanteerd: minimaal 20.000 m2 aan open water in Pasgeld-West en in totaal maximaal 22.500 m2 + 1.800 m3, waarvan maximaal 5.000 m2 ten oosten van de Lange Kleiweg. Met Delfland is afgesproken dat de compensatie voor het huidige klimaat in eerste instantie gezocht moet worden in de realisatie van (extra) oppervlaktewater. Bij voorkeur binnen het plangebied, of binnen hetzelfde peilvak. Het effect van klimaatverandering mag ook worden opgevangen met bergingsmaatregelen op het land, het liefst op publieke grond. Vanwege het belang voor de waterhuishouding hanteert Delfland richtlijnen bij de beoordeling van vasthoudmaatregelen ter compensatie van verharding. In het voorlopig ontwerp is binnen Pasgeld-West een aanzienlijk deel (2,3 ha) van de waterbergingsopgave voorzien. Het overige deel van de opgave zal worden gerealiseerd in de vorm van vasthoudmaatregelen, en ten oosten van de Lange Kleiweg in de vorm van open water. In de modelberekeningen zijn de uitgangspunten voor de aan te leggen profielen van de watergangen gehanteerd conform de beleidsregels. Hier gelden minimale breedtes en dieptes voor watergangen, bodems en het talud.
Uit de berekeningen is gebleken dat het voorlopige ontwerp voor Pasgeld-West van november 2022 voorziet in voldoende compensatie in open water voor de nieuwe verharding gepland in Pasgeld-West. Dit geldt zowel voor het huidige als het toekomstige klimaat. Als een deel van het bergingsvolume op alternatieve wijze geborgen wordt, kan het benodigde wateroppervlak afnemen. De waterbergingsopgave is in de regels van dit bestemmingsplan geborgd. Toetsing watersysteem Het uitgangspunt bij de ontwikkeling is om het water zo lang mogelijk in Pasgeld-West vast te houden, om de druk op de rest van de polder en de boezem te beperken. Dit vasthouden en vertraagd afvoeren Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
52 van het water gebeurt door middel van een zogenaamd ‘cascade-systeem’, waarbij regen eerst op de daken en in de tuinen wordt opgevangen, vervolgens vertraagd afgevoerd naar de straatjes en het water en groen in de buurten. Als er veel regenwater is, wordt het ook naar het wijkgroen en -water afgevoerd en pas als laatste via watergangen naar het gemaal. Hoe deze ‘watercascade’ precies per deelgebied vorm krijgt, wordt nog verder uitgewerkt. Tussen Pasgeld-West en Pasgeld-Oost worden onder de Lange Kleiweg duikerverbindingen gerealiseerd. Deze verbindingen maken dat er sprake is van een robuust watersysteem dat uitwisseling tussen de deelgebieden mogelijk maakt. Het maakt het watersysteem flexibeler en toekomstbestendiger, zeker in het licht van klimaatverandering. Het zorgt er bovendien voor dat het water straks in Pasgeld Oost beter kan doorstromen, wat de waterkwaliteit ten goede komt. Veiligheid Zoals te zien in afbeelding 4.2, bevindt zich een regionale waterkering langs de Vliet (Rijn-Schiekanaal) ten oosten van het plangebied, en de Kerstanjewetering in het zuiden. Deze watergangen liggen buiten het plangebied; de bijbehorende waterstaatswerk- en beschermingszone vallen voor een deel binnen de plangrenzen. Corresponderend met deze zone is in het vigerende bestemmingsplan c.q. de beheersverordening een beschermende regeling opgenomen.
Op deze gronden mogen in principe alleen bouwwerken ten dienste van de waterkering, -huishouding en -berging worden gebouwd. Daarvan kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken wanneer geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de waterkering en waterhuishouding, en een vergunning is verkregen van de beheerder van de waterkering. Binnen deze zone zijn geen nieuwe ontwikkelingen voorzien, die onevenredige afbreuk aan de waterstaatsbelangen opleveren. De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is onverminderd overgenomen in dit bestemmingsplan. Grondwater De drooglegging en ontwateringsdiepte binnen het te ontwikkelen gebied Pasgeld-West wordt groter door het ophogen van het gebied. Vooral wanneer er verharding komt kan het water niet direct in de grond infiltreren waardoor de grondwaterstand lager wordt en de drooglegging groter. Bij onverharde delen is dit andersom. Delfland adviseert rekening te houden met een drooglegging van 1,2 m, met een minimum van 1 m. De drooglegging in Pasgeld-West ligt tussen 1,2 en 1,3 m. De gronden van de bestaande bebouwing langs ’t Haantje vormen geen onderdeel van de herinrichting en worden niet opgehoogd. Er wordt een watergang aangelegd als scheiding tussen de bestaande bebouwing en het bedrijventerrein dat is gepland. De drooglegging bij de bestaande bebouwing zal hierdoor worden beïnvloed.
Rond de nieuwe watergang kan de grondwaterstand lager komen te staan. De bestaande bebouwing, voor zover die niet is onderheid, ligt in de invloedsfeer van de effecten van deze nieuwe watergang. Daarom worden maatregelen genomen om het effect van de watergang op de grondwaterstanden te voorkomen. Als mitigerende maatregel wordt bij de aanleg van de waterpartij een kleilaag aangebracht als bodem en wand. Op deze manier wordt het effect van de watergang op de grondwaterstanden geminimaliseerd. Waterkwaliteit Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater komt de waterkwaliteit ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen.
Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
53 loodslabben). Ook wordt samen met Delfland onderzocht of er voor extra doorspoeling van de wijk een inlaat moet komen en/of opgewaardeerd moet worden. Volksgezondheid Doordat regenwater gescheiden wordt afgevoerd van het afvalwater, worden (gemengde) riooloverstorten voorkomen en zullen bestaande gemengde overstorten niet verergeren. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Inlaten Momenteel zitten er twee inlaten langs ’t Haantje. Het doel is om één van deze inlaten op te waarderen zodat water in het gebied kan doorstromen ten behoeve van de waterkwaliteit. De andere inlaat wordt dan buiten gebruik gesteld. Afvalwaterketen Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater, het beheer en onderhoud aan de waterkering en de hoofdwatergangen. De onderhoudsplicht voor overige watergangen ligt bij de kadastrale eigenaar. Activiteiten binnen de onderhoudsstroken zijn vergunningplichtig op grond van de Keur. Onderhoudsstroken dienen (zwaar) onderhoudsmaterieel te kunnen dragen. Er mogen zich geen obstakels bevinden in de onderhoudsstroken.
In voorkomende gevallen kan van bovengenoemde maten worden afgeweken met een ontheffing van het hoogheemraadschap, mits het onderhoud gewaarborgd is en op een reguliere manier kan worden uitgevoerd. Beheer en onderhoud Er mogen zich geen obstakels in de onderhoudsstroken bevinden. Afhankelijk van de breedte van de watergangen worden deze varend of rijdend onderhouden. De breedte van de onderhoudsstroken aan weerszijde van de watergang is afhankelijk van de breedte van de watergang en het soort onderhoud. Binnen het plangebied is tevens een persleiding van Delfland aanwezig. Een strook van 5 meter aan weerszijden van de persleiding dient vrij te blijven van onder andere gebouwen, wegen, diep wortelende bomen en zwaar verkeer.
4.8.3 Conclusie Het toekomstige watersysteem van het plangebied en de te realiseren wateropgave worden nader uitgewerkt in een integraal waterhuishoudkundig plan. Wat betreft waterveiligheid is voor de regionale waterkeringen die binnen het plangebied vallen een beschermende dubbelbestemming opgenomen. De overige waterthema’s leiden niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is, conform artikel 3.1.1 van het Bro, aan het Hoogheemraadschap van Delfland voorgelegd.
4.9
Natuur en ecologie
4.9.1 Kader Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
54 van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties.
Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.
4.9.2 Onderzoek Soortenbescherming Ecologische quickscan (december 2020) De kans bestaat dat in het plangebied beschermde planten- en/of diersoorten voorkomen. In het licht van de voorgekomen ontwikkelingen is daarom onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Door VanderHelm Milieubeheer zijn diverse ecologische quickscans uitgevoerd, waarvan de eerste in 2017. Vanwege het verlopen van deze quickscan en de nog uit te voeren werkzaamheden is in 2020 een actualiserende quickscan uitgevoerd. De volledige rapportage van deze actualisatie is opgenomen in bijlage 10, de bevindingen zijn hieronder samengevat. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. In de actualiserende ecologische quickscan is daarbij onderscheid gemaakt tussen beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden. Uit de quickscan bleek dat de aanwezigheid van zwaarder beschermde soorten in het plangebied niet kon worden uitgesloten. Voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden ter plaatse van volkstuinencomplex de Schoffel dient te worden bepaald of zwaarder beschermde soorten binnen de Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
55 invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn, middels een soortgericht onderzoek. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden in 2021, en wordt verderop besproken. Tabel 4.2 toont een overzicht van de soorten waarvoor vervolgonderzoek noodzakelijk is.
Tabel 4.2: Overzicht beschermde soort(groep)en voor actualiserend vervolgonderzoek (bron: VanderHelm Milieubeheer, 11 december 2020).
Uit de quickscan blijkt verder dat de bomen in het plangebied geen deel uitmaken van beschermde houtopstanden. Voor het kappen van de bomen is dan ook geen melding noodzakelijk in het kader van artikel 4.2 van de Wnb. Mogelijk dient voor het kappen van de bomen wel een omgevingsvergunning te worden aangevraagd bij gemeente Rijswijk. Ecologisch werkprotocol (februari 2021) Uit de actualiserende quickscan is gebleken dat vervolgonderzoek naar vleermuizen en vogels uit categorie 4 (ransuil, sperwer en boomvalk) noodzakelijk is ter plaatse van De Schoffel. Dit onderzoek is gestart in 2021, en wordt verderop besproken. Tot het afronden van dit soortgericht onderzoek en eventuele vervolgstappen bekend zijn mogen ter plaatse van het onderzoeksgebied geen werkzaamheden plaatsvinden. Om te voorkomen dat ook daarbuiten de zorgplicht niet wordt overtreden, is een ecologisch werkprotocol opgesteld (zie bijlage 11). Doordat de geplande werkzaamheden in het plangebied verschillen en grofweg bestaan uit het slopen van een deel van het tuinencomplex en het bouwrijp maken van de woonvelden, is daarbij onderscheid gemaakt in twee gebieden. Zolang de werkzaamheden volgens dit werkprotocol worden uitgevoerd, wordt overtreding van de Wnb voorkomen.
In dit werkprotocol is aangegeven met welke soorten bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening dient te worden gehouden, en welke ecologische maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden de Wnb wordt overschreden. Ecologische quickscan m.b.t. voorbelasting (september 2021) Naar aanleiding van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied, is door VanderHelm nogmaals een ecologische quickscan uitgevoerd. In tegenstelling tot de quickscan van december 2020, is deze specifiek gericht op het deel binnen dit gebied waar reeds voorbelasting is geplaatst en waar nog voorbelasting aangebracht zal worden. Het onderzoeksgebied betreft de gronden tussen De Schoffel en de Laan van het Haantje. De al aangebrachte voorbelasting is geplaatst rekening houdend met de resultaten van de eerdere quickscan. De beoogde werkzaamheden zien op het aanbrengen van voorbelasting in het hele (resterende) gebied, waarvoor de aanvullende quickscan is uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 12. Uit de quickscan blijkt dat, met uitzondering van algemene broedvogels, vogels uit categorie 5 (voldoende alternatief), vleermuizen (geen beschermde elementen), en algemene en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vissen, geen zwaarder beschermde soorten in het projectgebied worden verwacht.
Daarbij is in de quickscan aangegeven welke soorten in het plangebied worden verwacht, en welke (mitigerende) maatregelen per soort noodzakelijk zijn om overtreding van Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023
56 de Wnb te voorkomen. Soortgericht onderzoek naar vleermuizen, vogels en eikelmuis (november 2021) Naar aanleiding van de bevindingen uit de quickscan uit 2020 is door VanderHelm ter plaatse van De Schoffel een soortgericht onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, enkele vogels met een jaarrond beschermd nest uit categorie 4 en de eikelmuis. Doel van het onderzoek is het uitsluiten dan wel aantonen van nesten, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van voorgenoemde soorten in het plangebied. Vervolgens is bepaald of door de werkzaamheden sprake kan zijn van het overtreden van de Wnb en welke vervolgstappen mogelijk noodzakelijk zijn. De rapportage is opgenomen in bijlage 13. Hieronder zijn per soortgroep de resultaten samengevat. Vleermuizen - In het projectgebied zijn geen beschermde elementen van de onderzochte soorten vleermuizen aanwezig. - Het projectgebied is mogelijk onderdeel van een vliegroute (stapsteen) van watervleermuizen. Dit staat mogelijk in relatie tot de nieuwe verlichting van de ten noorden gelegen sportvelden. Nadere analyse van de omgeving en mogelijk onderzoek naar watervleermuizen is nodig, om te bepalen hoe belangrijk de Schoffel is voor de watervleermuis. Ransuil (categorie 4) - In het plangebied zijn één nestlocatie en meerdere roestplaatsen van de ransuil aanwezig.
- Een deel van het plangebied is onderdeel van de essentiële leefomgeving van de ransuil of valt binnen de invloedssfeer van werkzaamheden. Het kappen van bomen en verwijderen van struiken en/of slopen van tuinhuisjes op bepaalde delen binnen het plangebied kan (mogelijk) leiden tot overtreding van de Wnb in relatie tot de ransuil. - Onderzoek naar roestplaatsen van de ransuil dient plaats te vinden in de winter van 2021-2022; de resultaten van dit onderzoek worden separaat gerapporteerd. - Voor het overtreden van de Wnb in relatie tot de ransuil is een ontheffing benodigd. Voor het verkrijgen van een ontheffing dient sprake te zijn van één of meer van de volgende belangen uit de Vogelrichtlijn: de bescherming van flora en fauna; de veiligheid van het luchtverkeer; de volksgezondheid of openbare veiligheid. - Gezien bovenstaande belangen dient de haalbaarheid van een ontheffing nader te worden bekeken. Sperwer en boomvalk (categorie 4) - In het plangebied zijn geen beschermde elementen van de sperwer of boomvalk aanwezig. - In de toekomst kunnen sperwer en boomvalk zich wel vestigen in het plangebied. Geadviseerd wordt om jaarlijks, gedurende de werkzaamheden in het broedseizoen, te monitoren of de aanwezige en nieuwe nesten in gebruik zijn door sperwer of boomvalk.
Eikelmuis - Er zijn geen eikelmuizen aangetroffen of aanwijzingen dat de eikelmuis aanwezig is gedurende het onderzoek. Overige waarnemingen en aanbevelingen - In het plangebied kunnen tijdens het broedseizoen nesten of roestplaatsen van algemene broedvogels en algemene grondgebonden zoogdieren, geleedpotigen en amfibieën aanwezig zijn. In de uitgevoerde quickscan is reeds geadviseerd op welke manier hier rekening mee gehouden dient te worden gedurende de werkzaamheden. - De verlichting van de ten noorden gelegen sportvelden betreffen mogelijk een overtreding op de Wnb in relatie tot de ransuil, en de zorgplicht (vleermuizen). Het is zeer aannemelijk dat het broedpaar van de ransuil hinder ondervindt van de verlichting. Daarnaast nemen watervleermuizen mogelijk door de verlichting een andere vliegroute, en kunnen vleermuizen die in de omgeving van de sportvelden vliegen hinder ondervinden van de verlichting (zorgplicht). Geadviseerd wordt de felle verlichting af te schermen zodat enkel de velden worden verlicht en niet de groenstructuren rondom de velden. Bestemmingsplan ‘Pasgeld-West’ Toelichting Ontwerp – 28 februari 2023