CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A Basisregeling Omgevingsplan Rijswijk

Raadsvergadering 16 december 2025, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Wijziging Omgevingsplan gemeente Rijswijk basisregeling (RV 25 103)44.591 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

3 Het is verboden zonder omgevingsvergunning: a. een weg aan te leggen of te veranderen; of b. de aard of breedte van de wegverharding te veranderen.

4 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een uitrit naar de openbare weg aan te leggen of een bestaande uitrit te veranderen.

5 De verboden, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, gelden niet voor activiteiten van een overheidsorgaan voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak.

6 Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor activiteiten vanwege een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening, waarvan uitstel redelijkerwijs niet mogelijk of niet gewenst is.

7 Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt ook niet voor het aanleggen, in stand houden of verwijderen van een kabel of leiding: a. in een reeds aanwezige voorziening, zonder dat er een sleuf wordt gegraven; b. over een lengte van minder dan 25 m en met een sleufbreedte van minder dan 0,60 m; of c. voor een of meer huisaansluitingen, met een gezamenlijke lengte van minder dan 25 m.

8 Het zevende lid geldt niet als: a. de activiteit langer duurt dan een dag; b. de openbare weg wordt gekruist; c. een boring of persing wordt toegepast; d. bovengrondse voorzieningen worden aangebracht of vervangen; of e. handholes worden aangebracht.

Artikel 5.190 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning 1 Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opbreken van of graven in openbaar gebied en het aanleggen of veranderen van een weg worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit; b. de reden voor de activiteit; en c. het tijdstip en de duur van de activiteit.

2 Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen, in stand houden of verwijderen van een kabel of leiding in openbaar gebied worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, contactgegevens en factuuradres van de aanvrager; b. het Autoriteit Consument & Markt-registratienummer; c. het adres, de ligging en de kadastrale aanduiding; d. een omschrijving van de aard en omvang van het project; e. naam, adres en contactgegevens van een derde als het project wordt uitgevoerd door die derde; en f. een verslag dat er overeenstemming is tussen de aanvrager en de netbeheerder als de activiteit plaatsvindt op een locatie waar al kabels en leidingen van andere netbeheerders zijn aangelegd.

3

68

Bij het toepassen van een boring of een persing wordt ook een werkplan verstrekt dat bestaat uit: a. een tekening van de indeling van het werkterrein; b. een tekening van de plaats van de op te stellen apparatuur en voertuigen; c. een tekening van de plaats waar de leiding(en) wordt uitgelegd; d. een beschrijving van de wijze van de aan- en afvoer van materiaal; e. een verkeersplan; f. een boorplan; g. een communicatieplan; en h. een bereikbaarheidsplan.

4 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf; b. de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan; c. de te gebruiken materialen; en d. de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.

Artikel 5.191 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1 De omgevingsvergunning voor het opbreken van of graven in openbaar gebied wordt alleen geweigerd als: a. het veilige en doelmatige gebruik van het openbaar gebied onevenredig wordt gehinderd; b. de bereikbaarheid van de gronden of gebouwen onevenredig wordt belemmerd; of c. het doelmatig beheer van het openbaar gebied onevenredig wordt gehinderd.

2 De omgevingsvergunning voor het aanleggen, in stand houden of verwijderen van een kabel of leiding in het openbaar gebied wordt alleen geweigerd als: a. het veilige en doelmatige gebruik van het openbaar gebied onevenredig wordt gehinderd; b. de bereikbaarheid van de gronden of gebouwen onevenredig wordt belemmerd; c. het doelmatig beheer van het openbaar gebied onevenredig wordt gehinderd; of d. de doelmatige verdeling van de ondergrondse ruimte wordt belemmerd.

3 De omgevingsvergunning voor het veranderen van een weg in het openbaar gebied wordt alleen geweigerd als: a. de verkeersveiligheid van de weg wordt aangetast; b. de toegankelijkheid van de openbare ruimte wordt gehinderd, beoordeeld volgens het Handboek beheer openbare ruimte; of c. het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast.

4 De omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitrit naar de openbare weg of het veranderen van een bestaande uitrit wordt alleen geweigerd als: a. door de uitrit een verkeersonveilige situatie kan ontstaan; b. de aanleg van de uitrit zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. het openbaar groen door de uitrit op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; d. het perceel al door een andere uitrit wordt ontsloten, en de aanleg van de tweede uitrit ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; of e. op het perceel ten dienste waarvan de vergunning wordt aangevraagd, parkeren op grond van dit omgevingsplan niet is toegestaan.

Artikel 5.192 Wijziging en intrekking omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken als: a. er niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de vergunning is begonnen met de werkzaamheden; b. de werkzaamheden langer dan zes maanden stilliggen; c. de werkzaamheden onaanvaardbare gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving; of d. de leiding buiten gebruik is gesteld.

Artikel 5.193 Meldingsplicht kabels en leidingen 1 Het is verboden een kabel of leiding te verwijderen, in stand te houden of aan te leggen zonder dit ten minste 5 werkdagen voor het begin ervan te melden.

2 De melding bevat: a. de naam, adres, contactgegevens en factuuradres van de aanvrager;

69

b. het Autoriteit Consument & Markt-registratienummer; c. het adres, de ligging en kadestrale aanduiding; d. een omschrijving van de aard en omvang van het project; e. naam, adres en contactgegevens van een derde als het project wordt uitgevoerd door die derde; f. een verslag dat er overeenstemming is tussen de aanvrager en de netbeheerder als de activiteit plaatsvindt op een locatie waar al kabels en leidingen van andere netbeheerders zijn aangelegd; en g. een motivering, mede aan de hand van een tekening, onder welke categorie als bedoeld in Artikel 5.189, zevende lid , de activiteit valt.

3 In spoedeisende gevallen waarbij de gezondheid of veiligheid gevaar loopt, is het verboden een kabel of leiding aan te leggen, in stand te houden en te verwijderen zonder dit onverwijld te melden aan de meldkamer van de hulpdiensten.

4 Bij spoedeisende gevallen waarbij de gezondheid of veiligheid geen gevaar loopt, is het verboden om een kabel of leiding aan te leggen, in stand te houden en te verwijderen zonder dit voorafgaand aan de meldkamer van de hulpdiensten te melden.

5 Dit artikel geldt niet als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in Artikel 5.189.

Artikel 5.194 Informatieplicht spoedeisende gevallen 1 Het college van burgemeesters en wethouders wordt bij spoedeisende gevallen uiterlijk vijf dagen na afloop door de netbeheerder geïnformeerd over de aanleg of wijziging van een kabel of leiding.

2 In spoedeisende gevallen, waarbij de gezondheid of veiligheid gevaar loopt, wordt de meldkamer van de hulpdiensten onverwijld geïnformeerd.

3 In spoedeisende gevallen, waarbij de gezondheid of veiligheid geen gevaar loopt, wordt de meldkamer van de hulpdiensten voorafgaand aan de werkzaamheden geïnformeerd.

Artikel 5.195 Informatieplicht start werkzaamheden kabels en leidingen 1 Ten minste 5 werkdagen voor de start wordt het college van burgemeesters en wethouders geïnformeerd over: a. de contactgegevens van de netbeheerder; b. de contactgegevens van de uitvoerende partij; c. de start- en einddatum van de werkzaamheden; en d. een omschrijving van de werkzaamheden.

2 Het eerste lid is ook van toepassing bij werkzaamheden van niet ingrijpende aard als bedoeld in Artikel 5.189, zevende lid.

Artikel 5.196 Informatieplicht wijzigen beheer, eigendom, gebruik of exploitatie Binnen vijf dagen na een wijziging van het beheer, het eigendom, het gebruik of de exploitatie van de kabel of leiding wordt het college van burgemeester en wethouders hierover geïnformeerd.

Artikel 5.197 Informatieplicht gereedmelding Het college van burgemeesters en wethouders wordt binnen vijf dagen na afloop van het werk geïnformeerd over het beëindigen van de werkzaamheden.

Artikel 5.198 Voorschriften en algemene regels voorschouw 1 Het college van burgemeesters en wethouders kan de netbeheerder bij vergunningvoorschrift of maatwerkvoorschrift verplichten een rapport op te maken van de bestaande toestand van het openbaar gebied.

2 Als geen toepassing is gegeven aan het eerste lid, kan de netbeheerder het college van burgemeesters en wethouders vragen om een voorschouw op te stellen, waarbij de bestaande toestand wordt vastgelegd.

3 Bij het uitblijven van een voorschouw wordt schade aan het openbaar gebied geacht te zijn veroorzaakt door de netbeheerder, tenzij de netbeheerder aantoont dat dit niet het geval is.

70

Artikel 5.199 Algemene regels afstemming en verzoek tot aanpassing 1 De netbeheerder voert vooroverleg met het college van burgemeesters en wethouders om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor te bereiden.

2 Het vooroverleg wordt door of vanwege het college van burgemeesters en wethouders geïnitieerd.

3 In het vooroverleg inventariseert het college van burgemeesters en wethouders de bestaande situatie en oplossingen voor eventuele maatregelen in samenspraak met de netbeheerder.

4 Na het horen van de netbeheerder zendt het college van burgemeesters en wethouders een verzoek tot aanpassing aan de netbeheerder in het geval van noodzakelijke maatregelen aan kabels en leidingen.

Artikel 5.200 Algemene regels uitvoering 1 Tijdens de uitvoering is de omgevingsvergunning met alle gegevens en bescheiden aanwezig.

2 De netbeheerder voert het aanleggen, in stand houden en verwijderen van een kabel uit volgens de omgevingsvergunning en het werkplan.

3 De netbeheerder waarborgt de veiligheid op de werklocatie.

4 Het werk wordt uitgevoerd op werkdagen tussen 07:00 en 17:00 uur.

5 Het aanleggen, in stand houden en verwijderen van een kabel of leiding wordt verricht volgens de meest recente versie van de volgende CROW-publicaties: a. richtlijn zorgvuldig graafproces; b. kabels en leidingen in verontreinidgde bodem; c. kabels en leidingen rond wateren en waterkering; d. combineren van onder- en bovengrondse infrastructuur met bomen; e. maatregelen op niet-autosnelwegen; en f. standaard RAW bepalingen.

Artikel 5.201 Herstraat- en degeneratiekosten 1 Als werkzaamheden aan kabels of leidingen in het openbaar gebied worden uitgevoerd, brengt het college de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van het openbaar gebied die het rechtstreekse gevolg zijn van de uitgevoerde werkzaamheden in rekening.

2 Het uitgangspunt bij het herstel van gronden is dat de grond wordt teruggebracht in de oude staat.

Artikel 5.202 Bijzondere omstandigheden 1 Extreme weersomstandigheden en onvoorziene omstandigheden die leiden tot gevaar voor de openbare orde of de veiligheid zijn een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet.

2 Het college van burgemeesters en wethouders kan bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de wet bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet en dat een graafen breekverbod geldt.

3 Als ten tijde van het opbreken van de verharding of het graven in openbaar toegankelijk gebied of het aanleggen of verwijderen van kabels of leidingen in openbaar toegankelijk gebied een graaf- en breekverbod geldt:

71

a. wordt op plaatsen waar de wegverharding is opgebroken tijdelijke bestrating aangebracht en wordt losliggend puin en overtollig zand afgevoerd; en b. worden materialen achter deugdelijk afgesloten bouwhekken geplaatst.

Paragraaf 5.2.27 Activiteiten in beperkingengebied leidingen Artikel 5.203 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in het Beperkingengebied leidingen.

Artikel 5.204 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van de in de grond aanwezige kabels, leidingen en ondersteunende werken.

Artikel 5.205 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het beperkingengebied leidingen: a. te graven; b. diepwortelende beplanting aan te brengen of te verwijderen; c. voorwerpen in te drijven; d. de grond op te hogen; of e. verharding aan te brengen.

2 Het verbod geldt niet voor graafwerkzaamheden bij normaal onderhoud aan bouwwerken of andere werken.

Artikel 5.206 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de activiteit; b. een beschrijving van de aard en de omvang van de activiteit; c. de reden voor de activiteit; en d. een beschrijving van de maatregelen die worden genomen om de kans op schade aan de kabels of leidingen, waarvoor het beperkingengebied is aangewezen, te beperken.

Artikel 5.207 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1 De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de leiding; en b. maatregelen worden getroffen om eventuele schade aan de leidingen te beperken.

2 Als de aanvraag betrekking heeft op het beperkingengebied voor een transportleiding voor stedelijk afvalwater, is het dagelijks bestuur van Hoogheemraadschap van Delfland adviseur voor de omgevingsvergunning.

Paragraaf 5.2.28 Opslag van voer- en vaartuigen, bromfietsen, motorvoertuigen, kampeermiddelen etc. Artikel 5.208 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het in de openlucht en buiten een weg opslaan van de volgende goederen bij het uitvoeren van activiteiten die geen milieubelastende activiteit zijn als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving: a. een onbruikbaar of aan de oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuig of onderdelen daarvan; b. een bromfiets of motorvoertuig of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mest en gier; e. vuil; f. ingekuild gras, loof of pulp ingekuilde afbraakmaterialen; of g. oude materialen.

Artikel 5.209 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het voorkomen of beëindigen van overlast; b. het voorkomen van schade aan de volksgezondheid; en c. het voorkomen van schade aan het uiterlijk aanzien van de omgeving.

Artikel 5.210 Verbod opslaan van voorwerpen en stoffen Het is verboden om de volgende voorwerpen en stoffen op te slaan:

72

a. een onbruikbaar of aan de oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuig of onderdelen daarvan; b. een bromfiets of motorvoertuig of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mest en gier; e. vuil; f. ingekuild gras, loof of pulp ingekuilde afbraakmaterialen; of g. oude materialen.

Paragraaf 5.2.29 Ligplaats innemen Paragraaf 5.2.30 Evenement organiseren Paragraaf 5.2.31 Activiteit in, bij of aan een gemeentelijk monument Artikel 5.211 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in, bij of aan een Gemeentelijk monument.

Artikel 5.212 Oogmerken Deze regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van gemeentelijke monumenten; en b. het bevorderen van de gebruiksmogelijkheden van gemeentelijke monumenten.

Artikel 5.213 Verbod Het is verboden een beschermd Gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding noodzakelijk is.

Artikel 5.214 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een Gemeentelijk monument te slopen, te verstoren, te wijzigen of te herstellen.

2 Het verbod geldt niet voor het verrichten van activiteiten met betrekking tot gemeentelijke monumenten voor zover het gaat om: a. de uitvoering van normaal onderhoud dat is gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; b. inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; of c. een monument dat als begraafplaats in gebruik is, met inachtneming van de monumentale waarden, voor zover het gaat om: 1. het plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; 2. het doen van begravingen of asbijzettingen; of 3. het ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument.

Artikel 5.215 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: algemeen 1 Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een bouw- of cultuurhistorisch onderzoeksrapport; b. het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument of het te verwachten archeologisch monument; c. de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en d. de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.

2 In aanvulling op het eerste lid, onder a, vindt overleg plaats als de kosten van het bouw- of cultuurhistorisch onderzoekrapport niet evenredig zijn met de bouwkosten.

Artikel 5.216 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: slopen monument 1 Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop: 1. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 2. foto’s van de bestaande toestand; b. de volgende tekeningen: 1. als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie; 2. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; 3. slooptekeningen; en

73

c. een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

2 Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; en c. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.

Artikel 5.217 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: verplaatsen monument 1 Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; b. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing: 1. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; 2. foto’s van de bestaande toestand; en 3. overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie; c. de volgende tekeningen: 1. situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie; 2. opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 3. plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; d. een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en e. als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

2 Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving; b. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; c. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; en d. een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

Artikel 5.218 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: wijzigen monument 1 Bij de aanvraag worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit: 1. overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en 2. detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht; b. de volgende tekeningen: 1. een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie; 2. opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; 3. als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen; 4. plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag: i. plattegronden; ii. doorsneden; iii. gevelaanzichten; of iv. een dakaanzicht; en 5.

als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en c. een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met: 1. de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en 2. als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

74

2 Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie; b. als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; c. een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; d. een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten; e. aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; f. voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; en g. als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

Artikel 5.219 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: door gebruik ontsieren of in gevaar brengen Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 22.287 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 5.220 Eisen aan tekeningen 1 Tekeningen, bedoeld in Artikel 5.216 tot en met Artikel 5.218, hebben een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:1000, als het gaat om een situatietekening; b. 1:100, als het gaat om een algemene geveltekening; c. 1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en d. 1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

2 Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing, de maatvoering en het kleurgebruik.

3 Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

4 Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens: a. balklagen: 1. gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en 2. getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen; b. geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden; c. houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en d. bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.

Artikel 5.221 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gemeentelijke monumentenactiviteit De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als de belangen, bedoeld in Artikel 5.212, niet onevenredig worden geschaad.

Paragraaf 5.2.32 Slopen van bouwwerken in stads- en dorpsgezichten Artikel 5.222 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het slopen van bouwwerken in een beschermd stads- of dorpsgezicht.

Artikel 5.223 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het behoud van cultureel erfgoed; en b. het behoud van het karakter van het beschermde stads- of dorpsgezicht.

Artikel 5.224 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht.

Artikel 5.225 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning 1 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, waaruit duidelijk blijkt de te slopen onderdelen van het bouwwerk;

75

b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het te slopen bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een situatietekening van de bestaande toestanden een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak, en de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde.

2 Bij de aanvraag wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 5.226 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1 Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

2 Bij vergunningvoorschrift kan een plicht worden opgelegd over de wijze van slopen van een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht.

Paragraaf 5.2.33 Activiteit in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde Artikel 5.227 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van activiteiten in, op of aan een archeologisch monument of een archeologisch verwachtingengebied.

Artikel 5.228 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de bescherming van archeologische waarden.

Artikel 5.229 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te verstoren in het gebied Archeologische verwachtingswaarde vrijstelling 100 m2, als de verstoring een oppervlakte heeft van meer dan 100 m2.

2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te verstoren in het gebied Archeologische verwachtingswaarde vrijstelling 50 cm, als de verstoring een diepte heeft van meer dan 50 cm.

3 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te verstoren in het gebied Archeologische verwachtingswaarde vrijstelling 50 cm 100 m2, als de verstoring: a. een oppervlakte heeft van meer dan 100 m2; of b. een diepte heeft van meer dan 50 cm.

4 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de bodem te verstoren in het gebied Archeologische verwachtingswaarde geen vrijstelling.

5 De verboden, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, gelden niet voor activiteiten die het normale onderhoud of gebruik betreffen.

Artikel 5.230 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning 1 Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de werkzaamheden; b. een rapport waarin de archeologische waarde van die locatie is vastgesteld; en c. een binnen het grondgebied van de gemeente Rijswijk uitgevoerd onderzoek in het kader van de archeologische monumentenzorg, in de zin van de Erfgoedwet, dat voldoet aan de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

2 Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten in, op of aan een gebied met een archeologische verwachtingswaarde worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van: 1. de omvang in vierkante meters; en 2. de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld; b. een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit; c. doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld; d. als sprake is van een opgraving: een programma van eisen voor de opgraving;

76

e. als sprake is van een booronderzoek: een plan van aanpak voor een booronderzoek; f. als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en g. voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.

Artikel 5.231 Eisen aan tekeningen Tekeningen als bedoeld in Artikel 5.230 hebben een schaal die niet kleiner is dan: a. 1:2000, als het gaat om een topografische kaart; b. 1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en c. 1:50, als het gaat om een detailtekening.

Artikel 5.232 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1 Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden; b. als er geen archeologische waarden aanwezig zijn: een vooronderzoek waarin dat is aangetoond dat; en c. als er wel archeologische waarden aanwezig zijn: onevenredige schade voor deze archeologische waarden wordt voorkomen.

2 Bij vergunningvoorschrift kan een plicht worden opgelegd tot: a. het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden; b. het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; c. het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en d. het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.

3 Gedeputeerde staten zijn adviseur voor de omgevingsvergunning, als de aanvraag betrekking heeft op het gebied Archeologie PZH.

Paragraaf 5.2.34 Activiteiten in de landgoedbiotoop Artikel 5.233 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het bouwen en slopen van bouwwerken in de Landgoedbiotoop.

Artikel 5.234 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Landgoedbiotoop Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of te slopen in de Landgoedbiotoop.

Artikel 5.235 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Landgoedbiotoop 1 Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen van een bouwwerk in de Landgoedbiotoop wordt een beeldkwaliteitsplan verstrekt.

2 Het beeldkwaliteitsplan beschrijft het effect van de ontwikkeling op de Landgoedbiotoop. Naast de analyse van de cultuurhistorische kwaliteiten en waarden van het landgoed gaat het beeldkwaliteitsplan in op de wijze waarop de kenmerken en waarden van de landgoedbiotoop beschermd of versterkt worden.

Artikel 5.236 Beoordelingsregel omgevingsvergunning Landgoedbiotoop 1 De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. geen aantasting plaatsvindt van de waarden van de Landgoedbiotoop; of b. de ontwikkeling is gericht op verbetering en versterking van de waarden van de Landgoedbiotoop.

2 Gedeputeerde staten zijn adviseur voor de omgevingsvergunning.

Paragraaf 5.2.35 Boom kappen en beschadigen Artikel 5.237 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf gaat over het kappen van bomen en het verrichten van andere handelingen die de dood van een boom kunnen veroorzaken of een boom ernstig kunnen ontsieren.

77

2 Deze paragraaf gaat niet over: a. het vellen van houtopstanden waarop afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is; b. het dunnen van houtopstanden; en c. het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten.

Artikel 5.238 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het op: a. de natuurwaarde van de boom; b. de landschappelijke waarde van de boom; c. de waarde van de boom voor stads- en dorpsschoon; d. de beeldbepalende waarde van de boom; e. de cultuurhistorische waarde van de boom; en f. de waarde voor de leefbaarheid van de boom.

Artikel 5.239 Meetbepalingen De diameter van de boom wordt gemeten op 1,30 meter boven het maaiveld.

Artikel 5.240 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boom te kappen of een andere handeling te verrichten die de dood van een boom kan veroorzaken of een boom ernstig kan ontsieren.

2 Het verbod geldt niet voor: a. bomen met een diameter van minder dan 15 cm; b. bomen gelegen in een voortuin kleiner dan 20 m2; c. bomen gelegen in een achtertuin kleiner dan 50 m2; d. schubconiferen; e. dode bomen; f. bomen die een onmiddellijk dreigend gevaar voor de omgeving vormen; en g. bomen met een besmettelijke boomziekte of bomen die een gevaar vormen voor verspreiding van een besmettelijke boomziekte.

3 Het verbod geldt ook niet voor noodkap bij houtopstanden die een onmiddellijk dreigend gevaar voor de omgeving vormen, of houtopstanden met een besmettelijke (boom) ziekte.

4 Het tweede lid, onder a, geldt niet voor bomen in openbaar toegankelijk gebied, tenzij het kappen gebeurt door of in opdracht van de gemeente.

Artikel 5.241 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning 1 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een boom, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere boom waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.

2 Per genummerde boom worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de soort boom; b. een foto van de boom; c. de locatie van de boom; d. de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; e. een onderzoeksrapportage, als de boom wordt gekapt vanwege ziekte; en f. de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.

Artikel 5.242 Beoordelingsregels omgevingsvergunning 1 De omgevingsvergunning kan worden geweigerd als de belangen, bedoeld in Artikel 5.238, onevenredig worden geschaad.

2 Bij vergunningvoorschrift kan een herbeplantingsplicht worden opgelegd.

78

Artikel 5.243 Algemene regels boom kappen en beschadigen De afstand tot de perceelsgrens, bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek, is 0,5 m voor bomen en 0,0 m voor heggen en heesters.

Paragraaf 5.2.36 Kamperen buiten kampeerterrein Artikel 5.244 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het kamperen buiten een kampeerterrein.

Artikel 5.245 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van cultuurhistorische en landschappelijke waarden; b. het in stand houden van de natuur; en c. het waarborgen van de veiligheid.

Artikel 5.246 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning te kamperen buiten een kampeerterrein.

2 Het verbod in het eerste lid geldt niet voor kamperen door de rechthebbende op eigen terrein.

3 Het verbod in het eerste lid geldt niet voor kamperen buiten een kampeerterrein gedurende twee of minder overnachtingen, wanneer de rechthebbende van het terrein daartoe toestemming verleent.

Artikel 5.247 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een tekening of ingetekende luchtfoto met daarop de locatie van de kampeermiddelen; b. een tekening of duidelijke omschrijving van het aantal en uiterlijk van de kampeermiddelen; en c. de voorgenomen tijdsduur van de activiteit.

Artikel 5.248 Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. de activiteit geen nadelige gevolgen heeft voor de natuur en landschappelijke elementen; en b. het uiterlijk aanzien van de omgeving niet onevenredig wordt geschaad, voor zover de activiteit zichtbaar is vanuit het openbaar toegankelijk gebied.

Paragraaf 5.2.37 Bodemgevoelig gebouw bouwen en in gebruik nemen en wijzigen van gebruik naar bodemgevoelig gebruik Artikel 5.249 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf gaat over het bouwen en in gebruik nemen van een bodemgevoelig gebouw en het wijzigen van gebruik van een locatie naar bodemgevoelig gebruik.

2 Een bodemgevoelig gebouw is: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of b. een woonschip of woonwagen.

3 Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m2 wordt niet beschouwd als een bodemgevoelig gebouw.

4 Als bodemgevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd: a. de locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; b. een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein; of c. een onmiddellijk aan een op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein.

Artikel 5.250 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

79

a. het beschermen van de gezondheid; en b. het verbeteren van de kwaliteit van de bodem.

Artikel 5.251 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen bodemgevoelige gebouwen en gebruik Het is verboden zonder een omgevingsvergunning: a. een bodemgevoelig gebouw te bouwen of in gebruik te nemen; of b. het gebruik van een locatie te wijzigen naar bodemgevoelig gebruik.

Artikel 5.252 Bijzondere aanvraagvereisten bodemgevoelige gebouwen en gebruik 1 Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de resultaten van een voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; c. het adres waarop de activiteit wordt verricht; d. bij wijzigen van gebruik: welk nieuw gebruik wordt voorzien; en e. bij overschrijding van een waarde als bedoeld in Artikel 5.254: de gegevens en bescheiden over sanerende of andere beschermende maatregelen die worden getroffen.

2 De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML volgens SIKB 0101.

3 Het bevoegd gezag kan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingstermijn een afwijking van het eerste lid, onder a, toestaan als uit het vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is of de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740 niet rechtvaardigen.

4 Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, vindt het bodemonderzoek plaats nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen.

Artikel 5.253 Beoordelingsregels bodemgevoelige gebouwen en gebruik 1 De omgevingsvergunning voor het bouwen of in gebruik nemen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en voor het wijzigen van gebruik naar bodemgevoelig gebruik wordt alleen verleend als: a. de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 5.254, ter plaatse van het gebouw, het woonschip, de woonwagen, en de onmiddellijk daaraan grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein, of ter plaatse van de locatie waarvan het gebruik wijzigt, niet worden overschreden; en b. bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

2 Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

3 Het bevoegd gezag kan, met het oog op het voorkomen van risico's voor de gezondheid, voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen of in gebruik nemen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie of voor het wijzigen van het gebruik van een locatie naar bodemgevoelig gebruik, als het van oordeel is dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, maar door het stellen van voorschriften nog geschikt kan worden gemaakt.

Artikel 5.254 Toelaatbare bodemkwaliteit 1 De waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit zijn de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

2 In afwijking van en in aanvulling op het eerste lid, zijn voor de stoffen lood en PFAS de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor verschillende bodemgevoelige gebruiksfuncties opgenomen in onderstaande tabel, waarbij het voor lood gaat om de gemeten waarden zonder bodemtypecorrectie: Waarden PFOS en

Bodemgevoelige gebruiksfunctie

Waarden lood (in mg/kg droge stof)

Waarden PFOA (in ug/kg droge stof)

Woning met tuin

370

60

59

370

60

59

Kinderdagverblijf met buitenruimte

overige PFAS (in ug/kg droge stof)

80

School met buitenruimte Winkel, kantoor en overige bodemgevoelige gebouwen

370

60

59

60

59

Interventiewaarde conform bijlage IIA Bal

Kinderspeelplaats

100

Moestuin

60

3 Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de waarden, bedoeld in het eerste en tweede lid.

4 Het zinsdeel “in meer dan 25 m3 bodemvolume” in het derde lid is niet van toepassing op asbest.

Artikel 5.255 Maatregelen bij overschrijding waarde toelaatbare kwaliteit 1 Als de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit worden overschreden, wordt een bodemgevoelig gebouw alleen gebouwd, of wordt het gebruik van een locatie alleen gewijzigd naar bodemgevoelig gebruik, als een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.

2 Een sanerende maatregel is in ieder geval een sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.256 Ingebruikname na maatregelen op verontreinigde bodem Als de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit worden overschreden, wordt een bodemgevoelig gebouw alleen in gebruik genomen, of wordt het gebruik van een locatie alleen gewijzigd naar bodemgevoelig gebruik, als de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in Artikel 5.255, zijn getroffen.

Artikel 5.257 Informatieplicht maatregelen op verontreinigde bodem Als de waarden voor de toelaatbare bodemkwaliteit worden overschreden, worden het college van burgemeester en wethouders ten minste 4 weken voordat een bodemgevoelig gebouw in gebruik wordt genomen, of voordat het gebruik van een locatie wordt gewijzigd in bodemgevoelig gebruik, geïnformeerd over de wijze waarop de maatregelen, bedoeld in Artikel 5.255, zijn getroffen.

Paragraaf 5.2.38 Grondwatergevoelig gebouw bouwen en in gebruik nemen Artikel 5.258 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf gaat over het bouwen en in gebruik nemen van een grondwatergevoelig gebouw.

2 Een grondwatergevoelig gebouw is: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; b. een woonschip of woonwagen; of c. elk ander gebouw of gedeelte van een gebouw dat geheel of gedeeltelijk de bodem raakt, voor zover de oppervlakte van het gedeelte van het gebouw dat de bodem raakt ten minste 50 m2 bedraagt.

3 Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m2 wordt niet beschouwd als een grondwatergevoelig gebouw.

4 Als grondwatergevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd: a. de locatie waarop een grondwatergevoelig gebouw is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of b. een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein.

5 Voor de toepassing van deze paragraaf is er sprake van verontreiniging van het grondwater als voor tenminste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 100 m 3 poriënverzadigd bodemvolume de waarde, bedoeld in artikel 7.30 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, wordt overschreden.

Artikel 5.259 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

81

a. het beschermen van de gezondheid; en b. het verbeteren van de kwaliteit van het grondwater.

Artikel 5.260 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen grondwatergevoelig gebouw Het is verboden zonder een omgevingsvergunning een grondwatergevoelig gebouw te bouwen of in gebruik te nemen.

Artikel 5.261 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning grondwatergevoelig gebouw 1 Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; b. het adres waarop de activiteit wordt verricht; c. een voorafgaand onderzoek, waaruit blijkt of er sprake is van verontreiniging van het grondwater, bestaande uit een voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving of het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, er geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier zodat spoedige sanering noodzakelijk is; d. als er sprake is van verontreiniging van grondwater: een afschrift van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die ten minste vier weken daarvoor aan gedeputeerde staten verstrekt zijn na het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit; e.

als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als sanerende maatregel wordt getroffen; f. als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als sanerende maatregel wordt getroffen.

2 De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML volgens SIKB 0101.

Artikel 5.262 Beoordelingsregel omgevingsvergunning grondwatergevoelig gebouw De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als: a. er geen sprake is van verontreiniging van het grondwater; b. bij verontreiniging van het grondwater: als voldaan wordt aan de criteria, bedoeld in artikel 7.31, tweede en derde lid van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, zodat er geen risicobeoordeling grondwaterkwaliteit verricht hoeft te worden; of c. bij verontreiniging van het grondwater: als na het verrichten van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat: 1. er geen sprake is van een significante grondwaterverontreiniging; 2. er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: als aannemelijk is dat een bronaanpak als sanerende maatregel wordt getroffen; of 3. er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: als aannemelijk is dat een grondwatersanering overeenkomstig paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening als sanerende maatregel wordt getroffen, voor zover er geen sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.

Artikel 5.263 Voorschriften omgevingsvergunning grondwatergevoelig gebouw Aan een omgevingsvergunning voor een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie, die is verleend met toepassing van Artikel 5.262, aanhef en onder c, aanhef en onder 2 en 3, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er één of meer sanerende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in die onderdelen.

Artikel 5.264 Maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging 1 Als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in Artikel 5.262, onder c, onder 2 of 3, wordt een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen gebouwd als de volgende sanerende maatregelen worden getroffen: a. een bronaanpak overeenkomstig de regels voor het saneren van de bodem in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. een grondwatersanering overeenkomstig paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld als bedoeld in Artikel 5.262, onder c, onder 3.

2 Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing indien er sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.

Artikel 5.265 Algemene regel saneren bij bronaanpak De saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is niet toegestaan bij het saneren van de bodem in de vorm van een bronaanpak als bedoeld in Artikel 5.262, aanhef en onder c, onder 2, tenzij: a. de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en b. aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Artikel 5.266 Afbakening maatwerkvoorschrift andere saneringsaanpak

82

Met een maatwerkvoorschrift kan, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een andere saneringsaanpak worden toegestaan als die andere saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Artikel 5.267 Informatieplicht ingebruikname grondwatergevoelig gebouw Bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in Artikel 5.262, onder b of c, wordt een grondwatergevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende maatregelen, bedoeld in Artikel 5.264, zijn getroffen of, als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert.

Artikel 5.268 Informatieplicht: voor het begin van een bronaanpak Gelijktijdig met de aanvraag, bedoeld in Artikel 5.261, worden aan gedeputeerde staten dezelfde gegevens en bescheiden verstrekt die aan het bevoegd gezag worden verstrekt.

Artikel 5.269 Informatieplicht: bij beëindiging van de bronaanpak Gelijktijdig met het verstrekken van het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij beëindiging van de sanerende maatregel, bedoeld in Artikel 5.264, aan het bevoegd gezag, worden aan gedeputeerde staten dezelfde gegevens en bescheiden verstrekt die aan het bevoegd gezag worden verstrekt.

Paragraaf 5.2.39 Nazorg verrichten na saneren van de bodem Artikel 5.270 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf gaat over het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

2 Deze paragraaf gaat ook over het verrichten van nazorg als tijdelijke beschermingsmaatregelen zijn getroffen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de wet.

Artikel 5.271 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; c. het voorkomen van verspreiding van verontreinigde grond; d. het behoud van gebruiksmogelijkheden van grond en de bodem; en e. het doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 5.272 Nazorg na afloop van saneren van de bodem 1 De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.

2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de wet.

Paragraaf 5.2.40 Kleinschalig graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde Artikel 5.273 Toepassingsbereik 1 Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner is dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de wet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

2 Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook: a. het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie; b. het tijdelijk opslaan van grond; en c. het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

3 Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.

83

Artikel 5.274 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de gezondheid; b. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; en c. het doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 5.275 Informatieplicht: voor het begin van de activiteit 1 Ten minste een week voor het begin van de activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over: a. de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; b. de verwachte datum van het begin van de activiteit; en c. de verwachte duur ervan.

2 Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

3 Het eerste lid is niet van toepassing: a. als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of b. op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 5.276 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Artikel 5.277 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.

Paragraaf 5.2.41 Activiteit verrichten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico Artikel 5.278 Toepassingsbereik Deze paragraaf gaat over het verrichten van een activiteit op een ‘locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico’.

Artikel 5.279 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van de kwaliteit van de bodem; en b. het voorkomen of beperken van verontreinig van de bodem.

Artikel 5.280 Specifieke zorgplicht De specifieke zorgplicht, bedoeld in Artikel 5.4, houdt voor het verrichten van een activiteit als bedoeld in Artikel 5.278 in ieder geval in dat degene die de activiteit verricht in het belang van het beschermen van de bodem, het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen, maatregelen neemt die redelijkerwijs van diegene kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem of het grondwater te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=fc276661-49de-4e01-90f1-445ed5b78e39