Bijlage 3hMotivering - Voortoets Stikstof Havenkwartier fase 2
Tekst van het document
(A)
(B)
blad 22 van 56
(C)
ZGH2130A In Meijendel & Berkheide is voor het zoekgebied van habitattype Grijze duinen (kalkrijk) sprake van een overschrijding van de KDW op 57,6% van het totale oppervlak (2020) (AERIUS Monitor, 2025). In 2035 wordt verwacht dat er nog sprake is van een overschrijding van de KDW op 3,9%. De depositietrend is daarbij ook dalende. In 2020 was er een stikstofdepositie van gemiddeld van 16,1 kg/ha/jr en in 2035 wordt verwacht dat deze gezakt is naar gemiddeld 12,2 kg/ha/jr (AERIUS Monitor, 2025). Uit de AERIUS berekening voor dit project blijkt dat op het zoekgebied van habitattype Grijze duinen (kalkrijk) maximaal 0,01 mol/ha/jr neerslaat in Meijendel & Berkheide (aanleg- en gebruiksfase). De gemiddelde berekende depositie op dit habitattype is tevens 0,01 mol/ha/jr. Als de maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr wordt afgezet tegen de verwachte afname van de depositie blijkt dat dit maar een klein percentage is. De verwachte afname van 0,26 kg N/ha/jr staat gelijk aan 18,2 mol/ha/jr (1 kg stikstof staat gelijk aan 70 mol) (AERIUS Calculator, 2015). De maximale planbijdrage is dus 0,05% in van de verwachte afname per jaar. figuur 6: stikstofbelasting (ZGH2130A) in Meijendel & Berkheide met in paars het percentage overbelaste hexagonen in licht groen de bijna overbelaste hexagonen en in donker groen meer dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW (AERIUS Monitor, 2025).
Knelpunten en oorzaken In Meijendel & Berkheide zijn de kalkrijke grijze duinen (H2130A) vooral te vinden in aaneengesloten complexen in het buitenduin en middenduin; waar de habitat goed ontwikkeld is, bestaat deze uit soortenrijke gras- en kruidenvegetaties, maar veel delen zijn kwetsbaar door stijgende successie en gebrek aan natuurlijke verstuiving. Het beheerplan en de gebiedsanalyse signaleren daarom wisselende kwaliteit; enkele kernvakken scoren goed, maar veel randvakken zijn matig door toe- of dichtgroei en lokale vergrassing. In Solleveld & Kapittelduinen komt H2130A versnipperd voor in kleinere eenheden; enkele beheerde locaties tonen een goede soortenrijkdom, maar het algemene beeld is dat veel kalkrijke grijze duinen kwaliteitsproblemen hebben door vergrassing en opslag, waardoor het open, soortenrijke karakter afneemt tenzij actief herstel plaatsvindt. Het beheerplan noemt daarom gericht maaien, begrazing en verstuivingsherstel als noodzakelijke maatregelen. In Westduinpark & Wapendal zijn de H2130A-eenheden kleiner en verspreid; veel deelvakken kampen met beperkte verstuivingsdynamiek en lokale achteruitgang van kwaliteit en worden in de gebiedsrapportage
blad 23 van 56
expliciet genoemd als knelpunten, met plekken waar kwaliteit als “slecht” is beoordeeld. Beheerdoelen richten zich hier op herstel van openheid en het terugdringen van opslag om kwaliteit te stabiliseren of te verbeteren. De rol van stikstof is in alle drie de gebieden cruciaal; extra stikstofbevordering verhoogt de productiviteit van grassen en mossen, versnelt vergrassing en bevordert stabilisatie van het zand, waardoor pioniersvegetaties verdringen en de kenmerkende soorten van kalkrijke grijze duinen verdwijnen. Daardoor werkt stikstof zowel direct (via eutrofiëring van de bodem) als indirect (door het remmen van verstuiving en het stimuleren van successie) verontrustend voor H2130A, en veel beheerdocumenten noemen overschrijding van kritische depositiewaarden als een belangrijke oorzaak van kwaliteitsschade (Sweco Nederland B.V., 2018), (Sweco Nederland B.V., 2018), (ARCADIS Nederland bv, 2017). Conclusie Teruggrijpend op de criteria genoemd in de Handreiking Voortoets Stikstof kan worden bepaald dat er geen sprake is van criteria 2 en 4. Immers, het betreft een habitattype en geen leefgebied. Bovendien zijn er geen doelsoorten voor dit habitattype aangewezen. Voor Grijze duinen (kalkrijk) vormt stikstof een knelpunt. De bijdrage van het projectplan is echter in alle Natura 2000-gebieden dermate klein dat dit in het niet valt bij de verwachtte afname.
Stikstof vormt derhalve geen knelpunt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype Grijze duinen (kalkrijk) (criterium 5). Voor ZGH2130A zijn geen instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld. Onduidelijk is of H2130A binnen dit zoekgebied aanwezig is. Indien ervan uitgegaan wordt dat H2130A inderdaad binnen ZGH2130A aanwezig is, wordt verwacht dat stikstof ook geen knelpunt vorm voor tenminste het in stand houden van dit habitattype.
5.4.3
H2130B en ZGH2130B Grijze duinen (kalkarm)
H2130B, oftewel Grijze Duinen (kalkarm), zijn droge graslanden in duingebieden met een van nature kalkarme bodem of bodems waarvan de bovenlaag door verzuring is ontkalkt. Dit habitattype wordt gekenmerkt door een soortenrijke vegetatie met laagblijvende grassen, kruiden, mossen en korstmossen. In vergelijking met de kalkrijke variant (H2130A) spelen korstmossen een grotere rol in de vegetatiestructuur. Kalkarme Grijze duinen ontstaan op plekken waar de zanddynamiek is afgenomen en de bodemvorming zich verder heeft ontwikkeld. Ze komen voor in zowel jonge kalkarme duinen als in oudere ontkalkte duinen (Smits & Kooijman, Herstelstrategie H2130B: Grijze duinen (kalkarm), 2016). Er zijn geen doelsoorten op dit habitattype aangeschreven. ZGH2130B verwijst naar het zoekgebied voor H2130B – Grijze Duinen (kalkarm). Dit betekent dat binnen dit zoekgebied mogelijk uitbreiding of herstel van het habitattype kan plaatsvinden. In Natura 2000-beheerplannen worden dergelijke zoekgebieden aangewezen om te bepalen waar maatregelen kunnen worden getroffen om de kwaliteit en oppervlakte van een habitattype te verbeteren of uit te breiden (Sweco Nederland B.V., 2018) (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017).
blad 24 van 56
Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstellingen van Grijze duinen (kalkarm) in Meijendel & Berkheide zijn uitbreiding van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. In Solleveld & Kapittelduinen zijn de instandhoudingsdoelstellingen het behoud van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. In Westduinpark & Wapendal zijn de instandhoudingsdoelstellingen het behouden van het oppervlak en de kwaliteit (Sweco Nederland B.V., 2018) (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017). Voor ZGH2130B in Meijendel & Berkheide en Solleveld & Kapittelduinen zijn geen instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld. Actuele verspreiding en kwaliteit In Meijendel & Berkheide beslaat H2130B ongeveer 300 ha, waarvan circa 158 ha zuiver kalkarm grijs duin en de rest in mozaïek met andere habitattype-vlakken. De kwaliteit is wisselend: er zijn aaneengesloten delen met goede vegetatietypen, maar ook veel matige stukken. Typische soorten zijn redelijk aanwezig, maar in structuur en functie zijn er knelpunten door onvoldoende begrazing en vergrassing (Sweco Nederland B.V., 2018). In Solleveld & Kapittelduinen heeft H2130B een oppervlakte van ongeveer 116 ha volgens de passende beoordeling.
De vegetatie daar wordt overwegend als goed beoordeeld, met veel typische soortengemeenschappen zoals buntgras (Carynephorus canescens), kleverige reigersbek (Erodium lebelii), en ook diergroepen die gunstig zijn voor dit subtype. Desondanks is vergrassing aangetoond en vormt stikstofdepositie een bedreiging voor het open, schrale karakter dat voor H2130B kenmerkend is (Sweco Nederland B.V., 2018). In Westduinpark & Wapendal komt H2130B zeer beperkt voor (tot ± 4,3 ha), vooral in de deelgebieden De Plak, Wapendal en de Natte Pan. De kwaliteit is overwegend matig; in De Plak is vegetatie “goed” in te delen, maar in Wapendal en de Natte Pan domineren ruigere, weinig soortenrijke, vaak gras- en kruidenrijke begroeiing (ARCADIS Nederland bv, 2017). Voor ZGH2130B in Meijendel & Berkheide en Solleveld & Kapittelduinen is geen actuele verspreiding en kwaliteit beschreven. Trend In Meijendel & Berkheide is de trend gemengd: er zijn herstelmaatregelen (maaien, begrazing, verwijderen struikopslag), maar vergrassing en stagnatie van natuurlijke dynamiek remmen het herstel op sommige plekken (Sweco Nederland B.V., 2018). Voor Solleveld & Kapittelduinen is de trend positief in de delen waar actief beheer wordt toegepast.
Volgens veldonderzoek was er in de vorige beheerperiode sprake van achteruitgang in kwaliteit door vergrassing, maar met herstelmaatregelen zoals extra maaien worden weer goede, soortenrijke schrale vegetaties nagestreefd (Sweco Nederland B.V., 2018). In Westduinpark & Wapendal is de trend voor H2130B relatief stabiel: het huidige beleid zet in op behoud van de bestaande oppervlakte en kwaliteit. De kleine fragmenten zijn kwetsbaar en herstelmaatregelen zijn beperkt van schaal; er is weinig ruimte voor significante uitbreiding, en verbeteringen gebeuren vooral lokaal daar waar beheer (zoals maaien of begrazing) wordt gehandhaafd (ARCADIS Nederland bv, 2017). Voor ZGH2130B in Meijendel & Berkheide en Solleveld & Kapittelduinen is geen trend beschreven. Stikstof H2130B In Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapittelduinen en Westduinpark & Wapendal is voor het habitattype Grijze duinen (kalkarm) sprake van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 86,5%, 76,0% en 97,1% van het totale oppervlak (2020) (AERIUS Monitor, 2025). In 2035 wordt verwacht dat er nog sprake is van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 24,4%, 3,7% en 64,9%. De depositietrend is daarbij ook dalende.
In 2020 was er een stikstofdepositie van gemiddeld van 15,7 kg/ha/jr (Meijendel & Berkheide), 13,7 kg/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 17,4 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) en in 2035 wordt verwacht dat deze gezakt is naar gemiddeld 12,0 kg/ha/jr (Meijendel & Berkheide), 10,3 kg/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 13,8 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) (AERIUS Monitor, 2025).
blad 25 van 56
Uit de AERIUS berekening voor dit project blijkt dat op het habitattype Grijze duinen (kalkarm) maximaal 0,01 mol/ha/jr neerslaat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase in Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapittelduinen als Westduinpark & Wapendal. De gemiddelde berekende depositie op dit habitattype is tevens 0,01 mol/ha/jr. Als de maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr wordt afgezet tegen de verwachte afname van depositie blijkt dat dit maar een klein percentage is. De verwachte afname van 0,25 kg N/ha/jr (Meijendel & Berkheide), 0,23 kg N/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 0,24 kg N/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) staat gelijk aan respectievelijk 17,27, 15,87 en 16,80 mol/ha/jr (1 kg stikstof staat gelijk aan 70 mol) (AERIUS Calculator, 2015). De maximale planbijdrage is dus 0,06% in van de verwachte afname per jaar in Meijendel & Berkheide, 0,06% in Solleveld & Kapittelduinen en 0,06% in Westduinpark & Wapendal. figuur 7: stikstofbelasting (H2130B) in Meijendel & Berkheide (A), Solleveld & Kapittelduinen (B) en Westduinpark & Wapendal (C) met in paars het percentage overbelaste hexagonen in licht groen de bijna overbelaste hexagonen en in donker groen meer dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW (AERIUS Monitor, 2025).
(A)
(B)
(C)
blad 26 van 56
ZGH2130B In Meijendel & Berkheide en Solleveld & Kapittelduinen is voor het zoekgebied van habitattype Grijze duinen (kalkrijk) sprake van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 100% en 92,9% van het totale oppervlak (2020) (AERIUS Monitor, 2025). In 2035 wordt verwacht dat er nog sprake is van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 100% en 14,3%. De depositietrend is daarbij ook dalende. In 2020 was er een stikstofdepositie van gemiddeld van respectievelijk 18,2 kg/ha/jr en 14,8 kg/ha/jr en in 2035 wordt verwacht dat deze gezakt is naar gemiddeld 14,2 kg/ha/jr en 11,3 kg/ha/jr (AERIUS Monitor, 2025). Uit de AERIUS berekening voor dit project blijkt dat op het zoekgebied van habitattype Grijze duinen (kalkrijk) maximaal 0,01 mol/ha/jr neerslaat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase in Meijendel & Berkheide en Solleveld & Kapittelduinen. De gemiddelde berekende depositie op dit habitattype is tevens 0,01 mol/ha/jr. Als de maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr wordt afgezet tegen de verwachte afname van de depositie blijkt dat dit maar een klein percentage is. De verwachte afname van respectievelijk 0,27 kg N/ha/jr en 0,23 kg N/ha/jr staat gelijk aan respectievelijk 18,7 mol/ha/jr en 16,3 mol/ha/jr (1 kg stikstof staat gelijk aan 70 mol) (AERIUS Calculator, 2015).
De maximale planbijdrage is dus respectievelijk 0,05% en 0,06% in van de verwachte afname per jaar. figuur 8: stikstofbelasting (ZGH2130B) in Meijendel & Berkheide (links) en Solleveld & Kapittelduinen (rechts) met in paars het percentage overbelaste hexagonen in licht groen de bijna overbelaste hexagonen en in donker groen meer dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW (AERIUS Monitor, 2025).
Knelpunten en oorzaken In Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapittelduinen en Westduinpark & Wapendal zijn de kalkarme grijze duinen (H2130B) vooral kwetsbaar door hetzelfde samenspel van ontwrichtende factoren, maar met lokale accenten. In Meijendel & Berkheide gaat het vooral om grootschalige stabilisatie van het duin (kustverdediging, beplanting en afgenomen verstuiving), hoge recreatiedruk en versnippering door paden en infrastructuur; daarnaast begrenst waterwinning en lokale bodembewerking sommige valleien, waardoor open, schrale grijze duinen plaatselijk geïsoleerd raken of overgroeien. In Solleveld & Kapittelduinen is H2130B versnipperd aanwezig en lijden veel fragmenten aan vergrassing en opslag door langdurig uitgebleven verstuiving en beperkte beheercapaciteit; historische inrichting en omliggende landbouw/tuinbouw vergroten de kans op vermesting en verstoring. In Westduinpark & Wapendal zijn de oppervlakten klein en geïsoleerd, waardoor natuurlijke herstelprocessen zwak zijn; hier versterkt intensief recreatief gebruik, beperkte ruimte voor beheermaatregelen en invasieve of snel groeiende opslagsoorten de achteruitgang. Overal spelen daarnaast algemene oorzaken mee zoals gebrek aan regulier openhoudend beheer (begrazing/maaien), successie naar struik- en bosvegetatie en lokale hydrologische veranderingen die schrale bodemcondities aantasten.
Stikstof speelt bij al deze knelpunten een belangrijke, vaak versterkende rol. Extra stikstof verhoogt de bodemproductiviteit en bevoordeelt snelgroeiende grassen, mossen en struikopslag die het open, schrale karakter van kalkarme grijsduinen verdringen; daardoor neemt zowel soortenrijkdom als de typische pioniersvegetatie af. Verder werkt eutrofiëring indirect door het zand en de bodem steviger te laten ingroeien, wat verstuiving en de dynamiek die grijze duinen nodig hebben belemmert. In gebieden met kleine, versnipperde fragmenten (zoals Westduinpark) is de impact van stikstof relatief groter omdat herstelkansen beperkt zijn; in grotere gebieden (Meijendel & Berkheide) remt stikstof tegelijk herstelmaatregelen als plaggen of begrazing omdat het aanwezige zaadbank- en bodemmilieu al verarmd of omgevormd is. Kortom: stikstof verergert de bestaande knelpunten (vergrassing, successie, stabilisatie) en maakt beheer en herstel van H2130B zowel lastiger als urgenter (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017).
blad 27 van 56
Conclusie Teruggrijpend op de criteria genoemd in de Handreiking Voortoets Stikstof kan worden bepaald dat er geen sprake is van criteria 2 en 4. Immers, het betreft een habitattype en geen leefgebied. Bovendien zijn er geen doelsoorten voor dit habitattype aangewezen. Voor Grijze duinen (kalkarm) vormt stikstof over het algemeen een knelpunt. Echter is de bijdrage van het projectplan dermate klein dat dit in het niet valt bij de verwachtte afname in alle betreffende Natura 2000gebieden. Bovendien zijn er andere factoren die een groter knelpunt lijken te vormen voor dit habitattype. Stikstof voortkomend uit het planvoornemen vormt derhalve geen knelpunt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype Grijze duinen (kalkarm) (criterium 5). Voor ZGH2130B zijn geen instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld. Onduidelijk is of H2130B binnen dit zoekgebied aanwezig is. Indien ervan uitgegaan wordt dat H2130B inderdaad binnen ZGH2130B aanwezig is, wordt verwacht dat de stikstof voortkomend uit het projectvoornemen ook geen knelpunt vorm voor dit habitattype.
5.4.4
H2150 Duinheiden met struikhei
Dit habitattype omvat droge tot matig vochtige duinheiden met struikhei (Calluna vulgaris) als dominante soort. De vegetatie ontwikkelt zich op ontkalkte, zure bodems van oudere duinen en vormt een overgang tussen open duingraslanden en duinbossen. Kenmerkend zijn lage heidevegetaties met soorten als brem (Cytisus scoparius), zandblauwtje (Jasione montana), muizenoortje (Hieracium pilosella) en diverse korstmossen. Het habitattype dankt zijn karakter aan een lage voedselrijkdom, voldoende licht en beperkte successie. Verstoring door wind, begrazing of beheer (maaien, plaggen) is noodzakelijk om vergrassing en verbossing tegen te gaan (Sweco Nederland B.V., 2018) (Sweco Nederland B.V., 2018). Er zijn geen doelsoorten op dit habitattype aangeschreven. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen voor Duinheiden met struikhei in Meijendel & Berkheide zijn uitbreiding van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. In Westduinpark & Wapendal zijn de instandhoudingsdoelstellingen het behoud van het oppervlak en de kwaliteit (Sweco Nederland B.V., 2018) (Sweco Nederland B.V., 2018). Actuele verspreiding en kwaliteit In Solleveld & Kapittelduinen komt H2150 slechts fragmentarisch voor; het betreft kleine heideterreintjes (ruwweg 3 hectare) op locaties zoals Polanenduin en rond het Hyacintenbos.
De kwaliteit van deze duinheiden wordt beoordeeld als matig, met relatief soortenarme begroeiingen en beperkte typische heidesoorten (Sweco Nederland B.V., 2018). In Westduinpark & Wapendal is H2150 nog beperkter aanwezig, specifiek in Wapendal over ongeveer 0,6 hectare. De vegetatiekwaliteit daar wordt omschreven als matig tot slecht: er is weinig jonge heistruik-opslag, korstmossen ontbreken vrijwel, en de geïsoleerde, kleine fragmenten dragen bij aan de lage ecologische draagkracht (Sweco Nederland B.V., 2018). Trend In Solleveld & Kapittelduinen is de trend voor H2150 relatief stabiel wat betreft oppervlakte, maar de kwaliteit vertoont een wisselend beeld: er zijn positieve beheerintenties (beheerplan noemt “verbetering kwaliteit”), maar knelpunten zoals stikstofdepositie en vergrassing spelen nog (Sweco Nederland B.V., 2018). In Westduinpark & Wapendal is de trend vooral behoud; zowel de oppervlakte als de kwaliteit van H2150 staan onder beheer met als instandhoudingsdoel “behoud van oppervlakte en kwaliteit” volgens het beheerplan. De kleine omvang en fragmentering beperken echter het potentieel voor sterke kwaliteitsverbetering op grote schaal (Sweco Nederland B.V., 2018). Stikstof H2120 Witte Duinen zijn open duingebieden die worden gedomineerd door helm (Ammophila arenaria), Noordse helm (Calamagrostis x Calammophila baltica) of duinzwenkgras (Festuca arenaria).
blad 28 van 56
De naam "Witte duinen" verwijst naar de lichte kleur van het zand, dat nog geen bodemontwikkeling heeft ondergaan. Dit habitat ontstaat waar embryonale duinen (H2110) verder aanstuiven en de vegetatie buiten het bereik van zeewater komt. De duinen bevinden zich meestal in de zeereep, waar ze blootstaan aan sterke invloed van de zee, zoals zoutnevel en zandverstuiving. De dynamiek van stuivend zand is essentieel voor het voortbestaan van dit habitat, omdat het de vitaliteit van helm bevordert. Bij onvoldoende verstuiving raakt de vegetatie verouderd en neemt de biodiversiteit af. Witte duinen vormen een leefgebied voor specifieke vogelsoorten, zoals de tapuit (Oenanthe oenanthe) en de scholekster (Haematopus ostralegus) en voor insecten zoals de duinsabelsprinkhaan (Playcleis albopunctata) (Smits, Melman, & Arens, Herstelstrategie H2120: Witte duinen, 2016). Er zijn geen doelsoorten op dit habitattype aangeschreven (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017). Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstellingen voor Witte duinen in Meijendel & Berkeide zijn het behouden van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. In Westduinpark & Wapendal zijn de instandhoudingsdoelstellingen het behouden van zowel het oppervlak en de kwaliteit (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017).
Actuele verspreiding en kwaliteit In het gebied Meijendel & Berkheide is het habitattype H2150 naar schatting circa 96,4 hectare groot: ongeveer 39,1 ha in Meijendel en circa 57,3 ha in Berkheide. Aan de verspreiding is toegevoegd dat het habitattype vooral voorkomt in de buitenduinzone (de zeereep) en in sommige gevallen aansluit op embryonale duinen; in de zeereep van Berkheide en in delen van Meijendel zijn duidelijke H2120-complexen aanwezig. Kwalitatief is het beeld uiteenlopend: de vegetaties binnen Meijendel en Berkheide zijn volgens de analyse “overwegend van goede kwaliteit”, vooral in de hoofdlocaties waar de helmvegetaties en zandzegge‐gemeenschappen nog goed ontwikkeld zijn. Echter geldt dit niet voor alle delen; in met name de westelijke zeereep van Berkheide ontbreken gedegen vegetatiegegevens en is de kwaliteit als “onbekend” aangemerkt. Bovendien wijst de onafhankelijke Ecologische Autoriteit er in een advies van april 2023 op dat de natuur hier onder aanzienlijke druk staat (Sweco Nederland B.V., 2018). Voor het gebied Westduinpark & Wapendal geldt dat het habitattype H2120 een meer beperkte oppervlakte beslaat; in het beheerplan wordt circa 12,9 ha genoemd verdeeld over deelgebieden zoals Radio Scheveningen (6,1 ha), De Plak (2,9 ha) en Zeereep Kijkduin (3,9 ha). De instandhoudingsdoelstelling luidt hier “behoud van oppervlakte en kwaliteit”.
De vegetatie‐opbouw is in vrijwel alle vakken voor H2120 als “goed” beoordeeld; de vegetatietypen scoren voor 100% goed in onder meer Radio Scheveningen. Echter is in sommige deelgebieden de typische fauna slechts beperkt aanwezig en is sprake van relatief weinig open zandige plekken en wat meer struikopslag (bijvoorbeeld in De Plak en Zeereep Kijkduin). De landelijke staat van instandhouding voor H2120 in dit gebied wordt aangemerkt als “matig gunstig” (ARCADIS Nederland bv, 2017). Trend De trend van H2120 met betrekking tot oppervlak en kwaliteit in Meijendel & Berkheide is negatief tot stabiel. In Westduinpark & Wapendal is de trend stabiel tot licht positief (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017). Stikstof In zowel Solleveld & Kapittelduinen als Westduinpark & Wapendal is voor het habitattype Duinheiden met struikhei sprake van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 100% van het totale oppervlak (2020). In 2035 wordt verwacht dat er nog een overschrijding van de KDW op respectievelijk 94,8% en 100% van het totale oppervlak. De depositietrend is daarbij dalende.
In 2020 was er een depositie van gemiddeld van 20,2 kg/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 22,2 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) en in 2035 wordt verwacht dat deze gezakt is naar gemiddeld 15,8 kg/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 18,3 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) (AERIUS Monitor, 2025). Uit de AERIUS berekening voor dit project blijkt dat op het habitattype Duinheiden met struikhei maximaal 0,01 mol/ha/jr neerslaat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase in Solleveld & Kapittelduinen en Westduinpark & Wapendal. De gemiddelde berekende depositie op dit habitattype is ook 0,01 mol/ha/jr. Als de maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr wordt afgezet tegen de verwachte afname van depositie blijkt dat dit maar een klein percentage is. De verwachte afname van 0,29 kg N/ha/jr (Solleveld &
blad 29 van 56
Kapittelduinen) en 0,26 kg N/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) staat gelijk aan respectievelijk 20,5 en 18,20 mol/ha/jr (1 kg stikstof staat gelijk aan 70 mol (AERIUS Calculator, 2015). De maximale planbijdrage is dus 0,05% in van de verwachte afname per jaar in Solleveld & Kapittelduinen en 0,05% in Westduinpark & Wapendal. figuur 9: stikstofbelasting (H2150) in Solleveld & Kapittelduinen (links) en Westduinpark & Wapendal (rechts) met in paars het percentage overbelaste hexagonen in licht groen de bijna overbelaste hexagonen en in donker groen meer dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW (AERIUS Monitor, 2025).
Knelpunten en oorzaken In Solleveld & Kapittelduinen heeft het habitattype H2150 (duinheiden met struikhei) vooral te maken met verdroging, vergrassing en het dichtgroeien van open heideplekken door opslag van onder meer duindoorn en jonge bomen. De vocht- en bodemcondities die nodig zijn voor een stabiele struikhei-vegetatie zijn hier gevoelig voor hydrologische veranderingen, bijvoorbeeld door waterwinning en veranderingen in infiltratie. Daarnaast leidt het ontbreken van natuurlijke dynamiek, zoals kleinschalige verstuiving of incidentele verstoring, tot een monotone, verouderende heide die gevoelig wordt voor mossen en grasdominantie. Recreatie en padenstructuren dragen lokaal bij aan verstoring, waardoor delen van de heide verslechteren of versnipperen. In Westduinpark & Wapendal spelen veel vergelijkbare factoren, maar hier is de kwetsbaarheid groter door de kleine schaal van het gebied. De heidefragmenten zijn klein, geïsoleerd en liggen midden in een recreatief intensief stedelijk duingebied. Daardoor krijgen successie (met name opslag van duindoorn en kruipwilg), betreding, verstoring en vergrassing sneller de overhand. De beperkte ruimte maakt het bovendien moeilijk om effectief heidebeheer, zoals chopperen, plaggen of gecontroleerde begrazing, op grotere schaal toe te passen.
Hierdoor is de kwaliteit van de heideplekken vaak wisselend en neemt het aandeel open, soortenrijke heide in de loop der tijd af. Stikstof speelt in beide gebieden een centrale en versnellende rol. Door verhoogde stikstofdepositie neemt de bodemvoedselrijkdom toe, waardoor grassen zoals pijpenstrootje en helm profiteren en zich snel uitbreiden ten koste van struikhei. Ook mossen en algen ontwikkelen zich sneller, waardoor de bodem als het ware “verstikt” raakt en verjonging van heide wordt belemmerd. Extra stikstof versnelt de successie naar struweel of jong duinbos en vermindert de concurrentiekracht van heide in toch al kwetsbare, droge duinsystemen. In kleinere en meer geïsoleerde gebieden zoals Westduinpark & Wapendal werkt dit effect nog sterker, omdat herstelmogelijkheden beperkter zijn en verstoring van het bodemmilieu sneller tot onomkeerbare kwaliteitsverlies leidt (Sweco Nederland B.V., 2018). Conclusie Teruggrijpend op de criteria genoemd in de Handreiking Voortoets Stikstof kan worden bepaald dat er geen sprake is van criteria 2 en 4. Immers, het betreft een habitattype en geen leefgebied. Bovendien zijn er geen doelsoorten voor dit habitattype aangewezen. Voor Duinheiden met struikhei vormt stikstof een knelpunt. De bijdrage van het projectplan is dermate klein dat dit in het niet valt bij de verwachtte afname.
Echter zal de overschrijding van de KDW in zowel het Solleveld & Kapittelduinen als het Westduinpark & Wapendal in de komende vijftien jaar nauwelijks afnemen. Stikstofdepositie, ook met de minimale bijdrage voortkomend uit het projectvoornemen, vormt derhalve een knelpunt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype Grijze duinen (kalkarm) (criterium 5).
blad 30 van 56
5.4.5
H2160 Duindoornstruwelen
H2160 Duindoornstruwelen zijn struweelgemeenschappen die gedomineerd worden door duindoorn. Ze komen vooral voor in kalkrijke duingebieden, waar ze zich vestigen na een fase van stuivend zand en begroeide duinen (zoals H2120 Witte Duinen). Naast duindoorn kunnen ook andere struiken zoals gewone vlier (Sambucus nigra), wilde liguster (Ligustrum vulgare) en eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) in dit habitattype voorkomen. Duindoornstruwelen ontwikkelen zich op bodems met weinig humus en een hoog kalkgehalte. De soort kan stikstof binden via wortelknolletjes met actinomyceten, wat leidt tot een geleidelijke verrijking van de bodem. Hierdoor kunnen op termijn andere struweelsoorten zich vestigen, wat leidt tot natuurlijke successie richting duinbos of verruigde graslanden. Dit habitattype biedt voedsel en beschutting voor diverse vogelsoorten, waaronder de nachtegaal ( Luscinia megarhynchos) (Huiskes, et al., 2016) (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017). Er zijn geen doelsoorten op dit habitattype aangeschreven. Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstellingen voor Duindoornstruwelen in zowel Meijendel & Berkheide als Westduinpark & Wapendal zijn behoud van het oppervlak en de kwaliteit (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017).
Actuele verspreiding en kwaliteit In Meijendel & Berkheide komt H2160 vrij algemeen voor door het hele gebied, bijvoorbeeld rond de Drie Plassen en in Klein Berkheide. De kwaliteit van deze struweelvegetaties wordt beschreven als matig tot matig goed; veel van de vaste duindoornstruwelen tonen tekenen van gestage successie, vergrassing en afgenomen verstuiving, waardoor de ontwikkeling beperkt is (Sweco Nederland B.V., 2018). In Westduinpark & Wapendal komt H2160 beperkt voor; het subtype duindoornstruwelen is aanwezig in de middenduinzones, maar de oppervlakten zijn relatief klein in vergelijking met andere habitattypegebieden. De kwaliteit van deze struweelvormen is in het beheerplan omschreven als matig; sommige locaties vertonen verslechtering door opname van exoten, verminderde natuurlijke dynamiek en successie richting dichte opslag (ARCADIS Nederland bv, 2017). Trend De trend voor H2160 in Meijendel & Berkheide is overwegend stabiel tot licht achteruitgaand. Oppervlakte-uitbreiding is niet sterk aanwezig, en kwaliteitsverbetering verloopt traag door de knelpunten (zoals verminderde dynamiek en stikstofdepositie). Beheermaatregelen zijn ingezet, maar een duidelijke positieve kwaliteitsontwikkeling is nog niet uniform aangetoond (Sweco Nederland B.V., 2018).
Voor Westduinpark & Wapendal geldt dat zowel de oppervlakte als de kwaliteit van H2160 grotendeels stabiel zijn gebleven, maar met duidelijke risico’s voor achteruitgang indien beheermaatregelen niet doorzetten. Het advies van de Ecologische Autoriteit suggereert dat de natuurkwaliteit in dit gebied mogelijk al is afgenomen, waardoor verdere achteruitgang moet worden voorkomen (ARCADIS Nederland bv, 2017). Stikstof In Meijendel & Berkheide en Westduinpark & Wapendal is voor het habitattype Duindoornstruwelen sprake van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 0,0% en 1,8% van het totale oppervlak (2020). In 2035 wordt verwacht dat er in beide natuurgebieden geen sprake meer is van overschrijding van de KDW. De depositietrend is daarbij ook dalende. In 2020 was er een depositie van gemiddeld van 13,9 kg/ha/jr (Meijendel & Berkheide) en 15,0 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) en in 2035 wordt verwacht dat deze gezakt is naar gemiddeld 10,5 kg/ha/jr (Meijendel & Berkheide) en 11,8 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) (AERIUS Monitor, 2025). Uit de AERIUS berekening voor dit project blijkt dat op het habitattype Duindoornstruwelen maximaal 0,01 mol/ha/jr neerslaat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase in Meijendel & Berkheide en Westduinpark & Wapendal. De gemiddelde berekende depositie op dit habitattype is ook 0,01 mol/ha/jr.
blad 31 van 56
Als de maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr wordt afgezet tegen de verwachte afname van depositie blijkt dat dit maar een klein percentage is. De verwachte afname van 0,23 kg N/ha/jr (Meijendel & Berkheide) en 0,21 kg N/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) staat gelijk aan respectievelijk 15,87 en 14,93 mol/ha/jr (1 kg stikstof staat gelijk aan 70 mol (AERIUS Calculator, 2015). De maximale planbijdrage is dus 0,06% in van de verwachte afname per jaar in Meijendel & Berkheide en 0,07% in Westduinpark & Wapendal. figuur 10: stikstofbelasting (H2160) in Meijendel & Berkheide (links) en Westduinpark & Wapendal (rechts) met in paars het percentage overbelaste hexagonen in licht groen de bijna overbelaste hexagonen en in donker groen meer dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW (AERIUS Monitor, 2025).
Knelpunten en oorzaken In Meijendel & Berkheide bestaan er verschillende knelpunten die de instandhoudingsdoelstellingen belemmeren. Een eerste cruciale druk komt van stikstofdepositie: hoewel de kritische depositiewaarde (KDW) voor H2160 volgens het beheerplan nergens wordt overschreden, wordt stikstof wel als potentieel vertragende factor herkend in verband met eutrofiëring en vergrassing. Door extra stikstof kunnen sneller concurrerende grassen en ruigere vegetatie toenemen, waardoor open, schrale of jong-duinachtige plekken, essentieel voor de ontwikkeling van robuuste duindoornstruwelen, verloren gaan. Daarnaast speelt de successie een rol: zonder voldoende natuurlijke dynamiek (zoals verstuiving) vervallen jonge duindoornstandplaatsen geleidelijk naar dicht struweel of bos, wat de typische structuur van H2160 verstoort. Deze afname van dynamiek wordt mede veroorzaakt door verminderde stuiving, verzachting van het duinreliëf en historisch beheer. Een ander belangrijk knelpunt is de vestiging van invasieve of snelgroeiende struiken en bomen die de duindoornstruwelen kunnen verdringen. In de gebiedsanalyse en het beheerplan wordt gewezen op de noodzaak van actief beheer om exoten of niet-karakteristieke soorten terug te dringen.
Recreatiedruk draagt ook bij aan achteruitgang: paden, bezoekers, verstoringen kunnen de delicate balans van jonge struiklagen verstoren, wat herstelmaatregelen bemoeilijkt. Verder beïnvloeden hydrologie en verdroging de standplaats; grondwaterpeilveranderingen, mogelijk door waterwinning of infiltratiebeheer, kunnen de bodemcondities veranderen en daarmee de geschiktheid voor duindoorn verstoren. In sommige valleien is historisch infiltratiewater aangelegd, wat het vochtniveau beïnvloedt (ARCADIS Nederland bv, 2017). Een prominent knelpunt in het Westduinpark & Wapendal is het gebrek aan natuurlijke dynamiek, vooral zandverstuiving. Uit de gebiedsanalyse blijkt dat de wind onvoldoende invloed heeft in delen van het duin, waardoor er te weinig open zandplekken ontstaan. Deze open plekken zijn cruciaal voor het ontstaan en behouden van jonge duindoornvegetaties (na verstuivingfase met helm) zoals beschreven in het habitatprofiel van H2160. Wanneer verstuiving uitblijft, slaat vegetatie om naar dichte struweel of bosachtige structuur, wat de karakteristieke kwaliteit van H2160 ondermijnt. Invasieve of snelgroeiende soorten vormen een tweede knelpunt. Het beheerplan wijst op de aanwezigheid van struiken en exoten (zoals Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina)) die het inheemse struweel verdringen.
Deze vegetatieve druk wordt versterkt door stikstofdepositie, doordat extra voedingsstoffen de groei van concurrerende soorten bevordert. De Ecologische Autoriteit heeft in haar advies expliciet gewezen op de combinatie van stikstof, gebrek aan verstuiving en invasieve soorten als belangrijke oorzaak van de verslechtering van open duin. Ook recreatie is een significante druk: Westduinpark ligt dicht bij de stad Den Haag en kent intensief gebruik, wat verstoring en versnippering van struweel kan veroorzaken. Het beheerplan benoemt de noodzaak van zorgvuldig inpassen van bezoekersfuncties om kwetsbare vegetatie te beschermen. Verder beinvloedt de beperkte oppervlakte en isolatie van de duindoornstruwelen (relatief kleine fragmenten) de veerkracht van dit habitattype, zeker wanneer jonge stadia ontbreken of onvoldoende behouden blijven. Het beheerplan onderstreept dat alle successiestadia (van jonge tot oudere duindoornstruwelen) in het
blad 32 van 56
gebied aanwezig moeten zijn om de kwaliteit te behouden. Ten slotte werkt hydrologie mee: hoewel Westduinpark geen grote moerassige valleien kent, kan de milieudynamiek (zoals verdroging of peilfluctuaties) de standplaatscondities wijzigen, wat samen met successiedruk en verstuivingstekort de stabiliteit van duindoornstruwelen onder druk zet (Sweco Nederland B.V., 2018). Conclusie Teruggrijpend op de criteria genoemd in de Handreiking Voortoets Stikstof kan worden bepaald dat er geen sprake is van criteria 2 en 4. Immers, het betreft een habitattype en geen leefgebied. Bovendien zijn er geen doelsoorten voor dit habitattype aangewezen. Voor Duindoornstruwelen vormt stikstof een mogelijk knelpunt. Echter is de bijdrage van het projectplan dermate klein dat dit in het niet valt bij de verwachtte afname. Bovendien zijn er andere factoren die een groter knelpunt zijn voor dit habitattype. Voor zowel Meijendel & Berkheide als Westduinpark & Wapendal is er zelfs bijna geen sprake van overbelasting (AERIUS monitor). Stikstof voortkomend uit het projectvoornemen is derhalve geen knelpunt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype Duindoornstruwelen (criterium 5).
5.4.6
H2180A, H2180Abe, ZGH2180Abe, H2180Ao en ZGH2180Ao Duinbossen (droog), Berken-Eikenbos en Overig
H2180A – Duinbossen (droog) omvat natuurlijke en half-natuurlijke loofbossen in de kustduinen, voornamelijk bestaande uit Berken-Eikenbossen en bossen met beuk (Fagus sylvatica). Dit habitattype komt voor op de oudere, voedselarme en droge duinbodems, vaak op de hogere delen van de strandwallen en in de binnenduinrand. Het zijn vaak de oudste bossen in het duingebied, soms met een verleden als hakhoutbos. De vegetatie in deze bossen is overwegend zuur en kan lokaal zeer soortenrijk zijn, vooral op de iets lemige zandgronden van de strandwallen (Huiskes, et al., 2016). Een belangrijk verschil tussen de subtypen en zoekgebieden binnen H2180A is: • H2180Abe: Dit verwijst naar de variant van Berken-Eikenbossen binnen de droge duinbossen. Dit bostype kenmerkt zich door een dominante aanwezigheid van zomereik (Quercus robur) en ruwe berk, vaak vergezeld door struiken zoals eenstijlige meidoorn en wilde lijsterbes (Sorbus aucuparia). • ZGH2180Abe: Dit is het zoekgebied voor H2180Abe. Binnen dit gebied wordt gezocht naar mogelijkheden om het habitattype te herstellen of uit te breiden door bijvoorbeeld omvorming van bestaande bossen of natuurlijk herstel van voormalige boslocaties. • H2180Ao: Dit staat voor de overige droge duinbossen, waarin andere boomsoorten zoals beuk een belangrijkere rol spelen.
Deze bossen zijn vaak iets rijker aan voedingsstoffen en hebben een andere structuur dan de Berken-Eikenbossen. • ZGH2180Ao: Dit is het zoekgebied voor H2180Ao. Binnen dit gebied wordt gezocht naar mogelijkheden om het habitattype te herstellen of uit te breiden door bijvoorbeeld omvorming van bestaande bossen of natuurlijk herstel van voormalige boslocaties. Er zijn geen specifieke doelsoorten aan H2180A toegeschreven (Sweco Nederland B.V., 2018) (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017). Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstellingen voor Duinbossen (droog) in Solleveld & Kapittelduinen zijn uitbreiding van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. In Westduinpark & Wapendal zijn de instandhoudingsdoelstellingen het behoud van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. Voor H2180Abe in Meijendel & Berkheide en Solleveld & Kapittelduinen, ZGH2180Abe in Meijendel & Berkheide, H2180Ao in Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapittelduinen en Westduinpark & Wapendal, en ZGH2180Ao in Meijendel & Berkheide zijn geen specifieke instandhoudingsdoelstellingen toegeschreven (Sweco Nederland B.V., 2018) (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017). Actuele verspreiding en kwaliteit In Solleveld & Kapittelduinen komt het subtype H2180A “Duinbossen (droog)” (kalkarm) voor in de droge duinbossen-zone.
Volgens de gebiedsrapportage is de staat van instandhouding voor dit type geformuleerd als “behoud van oppervlakte en verbetering van kwaliteit”. De kwaliteit wordt in de beheerplan-documenten beschreven als redelijk tot goed in de kernlocaties waar beheermaatregelen worden toegepast, maar het type is wel gevoelig voor stikstofdepositie en dynamiekverlies.
blad 33 van 56
In Westduinpark & Wapendal is H2180A slechts beperkt aanwezig. De kwaliteit wordt aangemerkt als “matig” tot “matig goed”, waarbij de beheerplannen aangeven dat huidig bosbeheer geen negatieve maar eerder lichte positieve effecten heeft op het habitattype. Voor H2180Abe in Meijendel & Berkheide en Solleveld & Kapittelduinen, ZGH2180Abe in Meijendel & Berkheide, H2180Ao in Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapittelduinen en Westduinpark & Wapendal, en ZGH2180Ao in Meijendel & Berkheide zijn geen specifieke omschrijvingen van de actuele verspreiding en kwaliteit beschreven (Sweco Nederland B.V., 2018) (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017). Trend De trend voor oppervlakte en kwaliteit van H2180A in Solleveld & Kapittelduinen is overwegend stabiel tot licht positief. Er is actief bosbeheer toegepast waardoor kwaliteit in beheerde delen verbetert, maar de verbetering is niet sterk of uniform over het hele oppervlak. Het behoud van oppervlakte is realistisch, uitbreiding nauwelijks. De trend voor H2180A in Westduinpark & Wapendal is stabiel, met behoud van oppervlakte als hoofddoel en enige verbetering van kwaliteit in plekken met goed bosbeheer. Echter, door de kleine omvang en versnippering is de kans op grote kwaliteitsstappen beperkt.
Voor H2180Abe in Meijendel & Berkheide en Solleveld & Kapittelduinen, ZGH2180Abe in Meijendel & Berkheide, H2180Ao in Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapittelduinen en Westduinpark & Wapendal, en ZGH2180Ao in Meijendel & Berkheide zijn geen trends beschreven (Sweco Nederland B.V., 2018) (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017). Stikstof H2180A In Solleveld & Kapittelduinen en Westduinpark & Wapendal is voor het habitattype Duinbossen (droog), berken eikenbos sprake van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 43,0% en 98,6% van het totale oppervlak (2020) (AERIUS Monitor, 2025). In 2035 wordt verwacht dat er nog sprake is van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 43,0% en 78,7%. De depositietrend is daarbij dalende. In 2020 was er een stikstofdepositie van gemiddeld van 17,4 kg/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 23,4 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) en in 2035 wordt verwacht dat deze gezakt is naar gemiddeld 13,4 kg/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 19,1 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) (AERIUS Monitor, 2025). Uit de AERIUS berekening voor dit project blijkt dat op het habitattype Duinbossen (droog), berken eikenbos maximaal 0,01 mol/ha/jr neerslaat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase in Solleveld & Kapittelduinen en Westduinpark & Wapendal. De gemiddelde berekende depositie op dit habitattype is tevens 0,01 mol/ha/jr.
Als de maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr wordt afgezet tegen de verwachte afname van depositie blijkt dat dit maar een klein percentage is. De verwachte afname van 0,27 kg N/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 0,29 kg N/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) staat gelijk aan respectievelijk 18,67 en 20,07 mol/ha/jr (1 kg stikstof staat gelijk aan 70 mol) (AERIUS Calculator, 2015). De maximale planbijdrage is dus 0,05% in van de verwachte afname per jaar in Solleveld & Kapittelduinen en 0,05% in Westduinpark & Wapendal.
blad 34 van 56
figuur 11: stikstofbelasting (H2180A) in Solleveld & Kapittelduinen (links) en Westduinpark & Wapendal (rechts) met in paars het percentage overbelaste hexagonen in licht groen de bijna overbelaste hexagonen en in donker groen meer dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW (AERIUS Monitor, 2025).
H2180Abe In Meijendel & Berkheide en Solleveld & Kapittelduinen is voor het habitattype Duinbossen (droog), berken-eikenbos sprake van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 87,9% en 99,9% van het totale oppervlak (2020) (AERIUS Monitor, 2025). In 2035 wordt verwacht dat er nog sprake is van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 58,9% en 99,9%. De depositietrend is daarbij dalende. In 2020 was er een stikstofdepositie van gemiddeld van 19,5 kg/ha/jr (Meijendel & Berkheide) en 21,5 kg/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en in 2035 wordt verwacht dat deze gezakt is naar gemiddeld 14,9 kg/ha/jr (Meijendel & Berkheide) en 16,7 kg/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) (AERIUS Monitor, 2025). Uit de AERIUS berekening voor dit project blijkt dat op het habitattype Duinbossen (droog), berken-eikenbos maximaal 0,01 mol/ha/jr neerslaat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase in Meijendel & Berkheide en Solleveld & Kapittelduinen. De gemiddelde berekende depositie op dit habitattype is tevens 0,01 mol/ha/jr. Als de maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr wordt afgezet tegen de verwachte afname van depositie blijkt dat dit maar een klein percentage is.
De verwachte afname van 0,31 kg N/ha/jr (Meijendel & Berkheide) en 0,32 kg N/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) staat gelijk aan respectievelijk 21,47 en 22,40 mol/ha/jr (1 kg stikstof staat gelijk aan 70 mol) (AERIUS Calculator, 2015). De maximale planbijdrage is dus 0,05% in van de verwachte afname per jaar in Meijendel & Berkheide en 0,05% in Solleveld & Kapittelduinen. figuur 12: stikstofbelasting (H2180Abe) in Meijendel & Berkheide (A) en Solleveld & Kapittelduinen (B) met in paars het percentage overbelaste hexagonen in licht groen de bijna overbelaste hexagonen en in donker groen meer dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW (AERIUS Monitor, 2025).
ZGH2180Abe In Meijendel & Berkheide is voor het zoekgebied van habitattype Duinbossen (droog), berken-eikenbos sprake van een overschrijding van de KDW op 56,8% van het totale oppervlak (2020) (AERIUS Monitor, 2025). In 2035 wordt verwacht dat er geen sprake meer is van een overschrijding van de KDW. De depositietrend is daarbij ook dalende. In 2020 was er een stikstofdepositie van gemiddeld van 15,9 kg/ha/jr en in 2035 wordt verwacht dat deze gezakt is naar gemiddeld 12,2 kg/ha/jr (AERIUS Monitor, 2025). Uit de AERIUS berekening voor dit project blijkt dat op het zoekgebied van habitattype Duinbossen (droog), berken-eikenbos maximaal 0,01 mol/ha/jr neerslaat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase in Meijendel & Berkheide. De gemiddelde berekende depositie op dit habitattype is tevens 0,01 mol/ha/jr.
blad 35 van 56
Als de maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr wordt afgezet tegen de verwachte afname van de depositie blijkt dat dit maar een klein percentage is. De verwachte afname van 0,25 kg N/ha/jr staat gelijk aan 17,27 mol/ha/jr (1 kg stikstof staat gelijk aan 70 mol) (AERIUS Calculator, 2015). De maximale planbijdrage is dus 0,06% in van de verwachte afname per jaar. figuur 13: stikstofbelasting (ZGH2180Abe) in Meijendel & Berkheide met in paars het percentage overbelaste hexagonen in licht groen de bijna overbelaste hexagonen en in donker groen meer dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW (AERIUS Monitor, 2025).
H2180Ao In Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapittelduinen en Westduinpark & Wapendal is voor het habitattype Duinbossen (droog), overig sprake van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 76,1%, 88,4% en 100% van het totale oppervlak (2020) (AERIUS Monitor, 2025). In 2035 wordt verwacht dat er nog sprake is van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 37,7%, 84,0% en 87,1%. De depositietrend is daarbij ook dalende. In 2020 was er een stikstofdepositie van gemiddeld van 17,9 kg/ha/jr (Meijendel & Berkheide), 21,5 kg/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 19,9 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) en in 2035 wordt verwacht dat deze gezakt is naar gemiddeld 13,8 kg/ha/jr (Meijendel & Berkheide), 17,0 kg/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 16,0 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) (AERIUS Monitor, 2025). Uit de AERIUS berekening voor dit project blijkt dat op het habitattype Duinbossen (droog), overig maximaal 0,01 mol/ha/jr neerslaat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase in Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapittelduinen als Westduinpark & Wapendal. De gemiddelde berekende depositie op dit habitattype is tevens 0,01 mol/ha/jr. Als de maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr wordt afgezet tegen de verwachte afname van depositie blijkt dat dit maar een klein percentage is.
De verwachte afname van 0,27 kg N/ha/jr (Meijendel & Berkheide), 0,30 kg N/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 0,26 kg N/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) staat gelijk aan respectievelijk 19,13, 21,0 en 18,2 mol/ha/jr (1 kg stikstof staat gelijk aan 70 mol) (AERIUS Calculator, 2015). De maximale planbijdrage is dus 0,05% in van de verwachte afname per jaar in Meijendel & Berkheide, 0,05% in Solleveld & Kapittelduinen en 0,05% in Westduinpark & Wapendal.
blad 36 van 56
figuur 14: stikstofbelasting (H2180Ao) in Meijendel & Berkheide (A), Solleveld & Kapittelduinen (B) en Westduinpark & Wapendal (C) met in paars het percentage overbelaste hexagonen in licht groen de bijna overbelaste hexagonen en in donker groen meer dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW (AERIUS Monitor, 2025).
(A)
(B)
(C)
ZGH2180Ao In Meijendel & Berkheide is voor het zoekgebied van habitattype Duinbossen (droog), overig sprake van een overschrijding van de KDW op 99,1% van het totale oppervlak (2020) (AERIUS Monitor, 2025). In 2035 wordt verwacht dat er geen sprake meer is van een overschrijding van de KDW. De depositietrend is daarbij ook dalende. In 2020 was er een stikstofdepositie van gemiddeld van 17,6 kg/ha/jr en in 2035 wordt verwacht dat deze gezakt is naar gemiddeld 13,3 kg/ha/jr (AERIUS Monitor, 2025). Uit de AERIUS berekening voor dit project blijkt dat op het zoekgebied van habitattype Duinbossen (droog), overig maximaal 0,01 mol/ha/jr neerslaat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase in Meijendel & Berkheide. De gemiddelde berekende depositie op dit habitattype is tevens 0,01 mol/ha/jr.
blad 37 van 56
Als de maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr wordt afgezet tegen de verwachte afname van de depositie blijkt dat dit maar een klein percentage is. De verwachte afname van 0,29 kg N/ha/jr staat gelijk 20,07 mol/ha/jr (1 kg stikstof staat gelijk aan 70 mol) (AERIUS Calculator, 2015). De maximale planbijdrage is dus 0,05% in van de verwachte afname per jaar. figuur 15: stikstofbelasting (ZGH2180Ao) in Meijendel & Berkheide met in paars het percentage overbelaste hexagonen in licht groen de bijna overbelaste hexagonen en in donker groen meer dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW (AERIUS Monitor, 2025).
Knelpunten en oorzaken In Solleveld & Kapittelduinen wordt het behalen van de instandhoudingsdoelen voor H2180A vooral beperkt door gebrek aan natuurlijke dynamiek, doordat verstuiving en windwerking sterk zijn afgenomen. Hierdoor ontstaan te weinig open plekken voor verjonging, waardoor het duinbos veroudert en dichtgroeit. Daarnaast vormt opslag van snelgroeiende of invasieve soorten, zoals Amerikaanse vogelkers, een belangrijk knelpunt: deze soorten versnellen het dichtgroeien van open structuren die voor H2180A juist essentieel zijn. Ook de lage variatie in leeftijdsfasen, beperkte lichtinval en teruglopende graasdruk (minder konijnen) zorgen voor verdere verstoring van natuurlijke structuren. Stikstof is in dit gebied geen acuut probleem op basis van overschrijding van de KDW, maar vormt wel degelijk een knelpunt in combinatie met andere processen. Door verhoogde stikstofbeschikbaarheid neemt verruiging en vergrassing toe, waardoor verjongingsplekken sneller dichtgroeien en concurrerende soorten voordeel krijgen. Stikstof versterkt zo het al aanwezige probleem van verminderde dynamiek en invasieve soorten, waardoor het steeds moeilijker wordt een gevarieerd, halfopen duinbos te behouden (Sweco Nederland B.V., 2018).
In Westduinpark & Wapendal liggen de grootste knelpunten voor H2180A bij het gebrek aan open plekken en natuurlijke verjonging, omdat zanddynamiek en stuivende processen nauwelijks meer optreden. Hierdoor ontwikkelt het duinbos zich richting een gesloten, uniform struweel- of boscomplex. Invasieve soorten zoals Amerikaanse vogelkers versterken dit proces en verdringen inheemse struiken en jonge bosstadia. Daarnaast speelt intensieve recreatiedruk een belangrijke rol: betreding, padvorming en verstoring maken het moeilijk om kwetsbare verjongingsplekken te behouden. Ook de geringe omvang van het gebied en de gefragmenteerde ligging beperken de veerkracht van het habitattype. Stikstof is in dit gebied wél een duidelijk knelpunt; de achtergronddepositie ligt voor delen van het gebied boven de kritische waarden. Dit leidt tot vergrassing, snellere dichtgroei en concurrentievoordeel voor snelgroeiende soorten, waardoor open plekken en jongere bosstructuren verdwijnen. De effecten van stikstof versterken de negatieve invloed van verminderde stuiving en invasieve soorten, wat maakt dat het habitattype zonder actief herstelbeheer verder achteruitgaat (Sweco Nederland B.V., 2018). Conclusie Teruggrijpend op de criteria genoemd in de Handreiking Voortoets Stikstof kan worden bepaald dat er geen sprake is van criteria 2 en 4, immers, het betreffen (sub)habitattypen en geen leefgebied.
Bovendien zijn er geen doelsoorten voor deze (sub)habitattypen aangewezen. Voor H2180A en de bijbehorende subtypen en zoekgebied vormt stikstof een knelpunt. De bijdrage van het projectplan is dermate klein dat dit in het niet valt bij de verwachtte afname. Echter zal de overschrijding van de KDW in alle betreffende Natura 2000-gebieden in de komende vijftien jaar, met uitzonderingen van de zoekgebieden in Meijendel & Berkheide, nauwelijks afnemen.
blad 38 van 56
Stikstofdepositie, ook met de minimale bijdrage voortkomend uit het projectvoornemen, vormt derhalve een knelpunt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype Grijze duinen (kalkarm) voor habitattype H2180A, H2180Abe en H2180Ao (criterium 5). Voor zoekgebieden ZGH2180Abe en ZGH2180Ao kunnen negatief significante effecten van stikstofdepositie voortkomend uit het projectvoornemen worden uitgesloten.
5.4.7
H2180C en ZGH2180C Duinbossen (binnenduinrand)
H2180C – Duinbossen (binnenduinrand) omvat bossen die voornamelijk gelegen zijn aan de overgang van de duinen naar het achterland. Deze bossen zijn vaak historisch beïnvloed en maken in veel gevallen deel uit van landgoederen die in de 18e eeuw in de binnenduinrand werden aangelegd. Door het afgraven van duinen en het ophogen met kalkrijk zand of klei zijn de bodems van deze bossen vaak rijker aan voedingsstoffen en vochtiger dan de typische droge duinbossen (H2180A). Kenmerkend voor deze bossen is de aanwezigheid van zomereik (Quercus robur) als dominante boomsoort, maar ook andere soorten zoals iep (Ulmus spec.), gewone es (Fraxinus excelsior) en witte abeel (Populus alba) spelen een belangrijke rol. Door de matig voedselrijke en vochtige omstandigheden ontwikkelen zich soortenrijke kruidlagen, vaak met typische stinzenplanten zoals gewoon sneeuwklokje (Galanthus nivalis), bosanemoon (Anemone nemorosa) en wilde hyacint (Hyacinthoides non-scripta). Door de historische ontginning en beheervormen, zoals hakhoutbeheer en bemesting, zijn de bodemgesteldheid en waterhuishouding van deze bossen sterk beïnvloed. Hierdoor hebben ze een relatief hoge bufferende capaciteit tegen verzuring (Beije, van Haperen, Huiskes, Schotsman, & Smits, 2016). ZGH2180C verwijst naar het zoekgebied voor H2180C Duinbossen (binnenduinrand).
Dit betekent dat binnen dit zoekgebied mogelijk uitbreiding of herstel van het habitattype kan plaatsvinden. In Natura 2000beheerplannen worden dergelijke zoekgebieden aangewezen om te bepalen waar maatregelen kunnen worden getroffen om de kwaliteit en oppervlakte van een habitattype te verbeteren of uit te breiden. Er zijn geen doelsoorten aan dit habitattype toegeschreven (Sweco Nederland B.V., 2018) (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017). Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstellingen voor Duinbossen (binnenduinrand) in zowel Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapittelduinen en Westduinpark & Wapendal zijn het behoud van het oppervlak en uitbreiding van de kwaliteit (Sweco Nederland B.V., 2018) (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017). Voor ZGH2130A in Meijendel & Berkheide zijn geen instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld. Actuele verspreiding en kwaliteit H2180C komt in totaal op ongeveer 124,5 ha voor in Meijendel & Berkheide, met het zwaartepunt in Berkheide (82,8 ha). De vegetatiesamenstelling wordt op basis van vegetatietypen overwegend als goed beoordeeld, vooral in veel deelgebieden. Voor typische soorten scoren veel delen echter matig tot slecht, met name door beperkte aanwezigheid van karakteristieke bossoorten.
De abiotische condities (zoals zuurgraad en bodem) zijn voldoende gunstig, volgens de beheerplananalyse (Sweco Nederland B.V., 2018). In Solleveld & Kapittelduinen ligt de H2180C-bossenverspreiding grotendeels in het Staelduinse Bos, Ockenburgh en de binnenduinrand van Hillduin en andere deelgebieden. Het totale oppervlak is ongeveer 107,93 ha. De vegetatiekartering wijst op een goede kwaliteit in alle deelgebieden voor de vegetatielaag, maar de kwaliteit qua typische soorten en structuur/functie is vaak matig vanwege exoten en weinig verjonging (Sweco Nederland B.V., 2018). In Westduinpark & Wapendal komt het subtype H2180C vooral voor in De Plak, Natte Pan en Bosjes van Poot, met in totaal circa 67,8 ha. De kwaliteit van de vegetatietypen is grotendeels matig, omdat veel vegetaties worden gedomineerd door typen met weinig kenmerkende bos-of stinzenflora (ARCADIS Nederland bv, 2017). Voor ZGH2130A in Meijendel & Berkheide is geen actuele verspreiding en kwaliteit beschreven.
blad 39 van 56
Trend De trend van H2180C in Meijendel & Berkheide is gemengd: er is geen sterke afname van oppervlak, maar ook geen duidelijke algemene kwaliteitsverbetering. Lokale beheermaatregelen zijn ingezet, doch successie wordt deels beperkt door veroudering van bos, gebrek aan verjonging en het hoge aandeel exotische of opslagsoorten (Sweco Nederland B.V., 2018). De trend in oppervlakte van H2180C in Solleveld & Kapittelduinen wijst volgens de natuurdoelanalyse mogelijk op een lichte afname, maar die kan samenhangen met herkwalificatie (delen van bos worden mogelijk anders gekarteerd) en niet per se met bosverlies. De trend in kwaliteit is onzeker, omdat hoewel de vegetatielaag grotendeels goed blijft, typische soorten en structuuraspecten verzwakken door beperkte verjonging en invloeden van stikstof en exoten (Sweco Nederland B.V., 2018). De trend van H2180C in Westduinpark & Wapendal is relatief stabiel qua oppervlak; wat betreft kwaliteit wordt erkend dat veel bosvlakken matig scoren en dat verbetering mogelijk is via herstel van stinzenflora en verjonging, maar zwaardere kwaliteitsverbetering is uitdagend gezien de omvang en versnippering van het bos (ARCADIS Nederland bv, 2017). Voor ZGH2130A in Meijendel & Berkheide is geen trend beschreven.
Stikstof H2180C In Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapittelduinen en Westduinpark & Wapendal is voor het habitattype Duinbossen (binnenduinrand) sprake van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 0,0%, 38,7% en 17,1% van het totale oppervlak (2020) (AERIUS Monitor, 2025). In 2035 wordt verwacht dat er geen sprake meer is van een overschrijding van de KDW. De depositietrend is daarbij ook dalende. In 2020 was er een stikstofdepositie van gemiddeld van 16,2 kg/ha/jr (Meijendel & Berkheide), 23,7 kg/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 20,7 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) en in 2035 wordt verwacht dat deze gezakt is naar gemiddeld 12,5 kg/ha/jr (Meijendel & Berkheide), 19,0 kg/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 16,8 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) (AERIUS Monitor, 2025). Uit de AERIUS berekening voor dit project blijkt dat op het habitattype Duinbossen (binnenduinrand) maximaal 0,01 mol/ha/jr neerslaat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase in Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapittelduinen als Westduinpark & Wapendal. De gemiddelde berekende depositie op dit habitattype is tevens 0,01 mol/ha/jr. Als de maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr wordt afgezet tegen de verwachte afname van depositie blijkt dat dit maar een klein percentage is.
De verwachte afname van 0,25 kg N/ha/jr (Meijendel & Berkheide), 0,31 kg N/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 0,26 kg N/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) staat gelijk aan respectievelijk 17,27, 21,9 en 18,2 mol/ha/jr (1 kg stikstof staat gelijk aan 70 mol) (AERIUS Calculator, 2015). De maximale planbijdrage is dus 0,06% in van de verwachte afname per jaar in Meijendel & Berkheide, 0,05% in Solleveld & Kapittelduinen en 0,05% in Westduinpark & Wapendal. figuur 16: stikstofbelasting (H2180C) in Meijendel & Berkheide (A), Solleveld & Kapittelduinen (B) en Westduinpark & Wapendal (C) met in paars het percentage overbelaste hexagonen in licht groen de bijna overbelaste hexagonen en in donker groen meer dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW (AERIUS Monitor, 2025).