CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3hMotivering - Voortoets Stikstof Havenkwartier fase 2

Raadsvergadering 28 mei 2026, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel wijziging Omgevingsplan gemeente Rijswijk, Havenkwartier fase 2, openbare ruimte en haven (RV 26 017)25.604 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Voortoets stikstof Havenkwartier fase 2 te Rijswijk Versie 1.0 Ecologie

blad 2 van 56

De uitkomst van uw rapport Projectnummer: 25Q0931 Locatie: Havenkwartier fase 2 te Rijswijk

28 november 2025

De uitkomsten De initiatiefnemer is voornemens om de locatie, Havenkwartier fase 2 te Rijswijk, te ontwikkelen. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er een NOx-uitstoot is van 513,4 kg/j met als resultaat een maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr in de aanlegfase en een NOx-uitstoot is van 450,6 kg/j met als resultaat een maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr in de aanlegfase.

Vervolg Op basis van deze voortoets kunnen significant negatieve effecten op Meijendel & Berkheide, Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen op sommige habitattypen niet worden uitgesloten. Derhalve is het opstellen van een passende beoordeling aan de orde.

Gevraagd is om een nadere ecologische beoordeling (voortoets) op te stellen. Uit de voortoets blijkt dat de berekende stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000- gebieden Meijendel & Berkheide, Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen op sommige habitattypen significant negatieve effecten veroorzaakt.

Melindy Dirks Adviseur Ecologie

Daltonstraat 30D 3316 GD Dordrecht 06-25273567 Melindy.Dirks@Equipe-adviseurs.nl www.equipe-adviseurs.nl

Controleur: A. (Annemijn) de Groot

blad 3 van 56

Inhoudsopgave

pagina

1 1.1 1.2 1.3

Inleiding ....................................................................................................................................................... 4 Aanleiding.................................................................................................................................................... 4 Doel van de voortoets ................................................................................................................................ 5 Leeswijzer ................................................................................................................................................... 5

2

Methode ...................................................................................................................................................... 6

3 3.1 3.2 3.3 3.4

Natura 2000-gebied....................................................................................................................................7 Afstand tot het Natura 2000-gebied .........................................................................................................7 Meijendel & Berkheide ................................................................................................................................7 Westduinpark & Wapendal ......................................................................................................................... 8 Solleveld & Kapittelduinen ......................................................................................................................... 8

4 4.1 4.1

Stikstofdepositie ........................................................................................................................................ 10 Aanlegfase ................................................................................................................................................. 10 Gebruiksfase .............................................................................................................................................. 10

5 Voortoets ................................................................................................................................................... 12 5.1 Kritische depositie waarde en overbelasting .......................................................................................... 12 5.1.1 Aanlegfase ................................................................................................................................................. 13 5.1.2 Gebruiksfase .............................................................................................................................................. 14 5.2 Oppervlakte beïnvloedt habitat door stikstofdepositie .......................................................................... 15 5.3 Tijdelijke bijdrage stikstofdepositie ......................................................................................................... 17 5.4 Effect stikstof op habitattype ................................................................................................................... 17 5.4.1 H2120 Witte duinen ................................................................................................................................... 17 5.4.2 H2130A en ZGH2130A Grijze duinen (kalkrijk) ........................................................................................

19 5.4.3 H2130B en ZGH2130B Grijze duinen (kalkarm) ...................................................................................... 23 5.4.4 H2150 Duinheiden met struikhei ............................................................................................................. 27 5.4.5 H2160 Duindoornstruwelen ..................................................................................................................... 30 5.4.6 H2180A, H2180Abe, ZGH2180Abe, H2180Ao en ZGH2180Ao Duinbossen (droog), Berken-Eikenbos en Overig ................................................................................................................................................... 32 5.4.7 H2180C en ZGH2180C Duinbossen (binnenduinrand) .......................................................................... 38 5.4.8 H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)................................................................................................... 41 5.4.9 H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt) ............................................................................................... 43 5.4.10 H3140 Kranswierwateren ........................................................................................................................

44 5.4.11 Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen ........................................................................... 46 6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6

Ecologische effectenbeoordeling ........................................................................................................... 48 Effect van stikstof op concurrentiepositie planten ................................................................................ 48 Natuurlijke fluctuatie stikstof ................................................................................................................... 48 Cumulatie/Tijdelijke depositie.................................................................................................................. 48 Depositie trend Meijenveld & Berkheide................................................................................................. 49 Depositie trend Solleveld & Kapittelduinen ............................................................................................ 49 Depositie trend Westduinpark & Wapendal ............................................................................................ 49

7

Conclusies ................................................................................................................................................. 50

8

Verwijzingen ............................................................................................................................................. 52

Bijlage 1:

Overzicht getoetste criteria ......................................................................................................... 54

blad 4 van 56

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Een initiatiefnemer is verplicht te onderzoeken of een ruimtelijke ontwikkeling strijdig is met de Omgevingswet (hierna Ow). Dit betekent dat voor nieuwe plannen beoordeeld moet worden of het project effect heeft op (beschermde) flora en fauna en (beschermde) gebieden. Daarom moet ook onderzocht worden of een project stikstofdepositie op (nabij gelegen) Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Wanneer sprake is van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is een voortoets benodigd. Het Havenkwartier fase 2 te Rijswijk wordt getransformeerd naar een gemengd gebied voor wonen en werken. Onderstaand (figuur 1) is de locatie van het project weergegeven. Volgens planning zal de transformatie circa 11 jaar duren waarbij de aanlegfase en gebruiksfase geleidelijk in elkaar overlopen. Voor de berekening voor de aanlegfase is daarom het meest belastende jaar, het laatste bouwjaar in 2037 met 90% gebruiksfase, gehanteerd als maatgevend jaar voor de aanlegfase. Uit de AERIUS berekening van november 2025 (AERIUS Calculator, 2025) blijkt dat door het projectvoornemen sprake is van stikstofdepositie 0,01 mol/ha/jr op de naastgelegen Natura 2000-gebieden Meijendel & Berkheide, Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen in zowel de aanleg- als de gebruiksfase. Voorliggende voortoets is opgesteld om de gevolgen van de depositietoename in kaart te brengen.

figuur 1: kaart met de projectlocatie (Qgis, 2022).

blad 5 van 56

1.2

Doel van de voortoets

In een ‘voortoets’ worden op globaal niveau beoordelingen uitgevoerd om het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten en habitats en mogelijke effecten van een project op de instandhoudingsdoelen te bepalen. In deze fase wordt dan ook bepaald of significante negatieve effecten van werkzaamheden op Natura 2000-gebied(en) kunnen worden uitgesloten. In het algemeen kunnen bouwactiviteiten en gebruik leiden tot meerdere negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Gezien de afstand tot de Natura 2000gebieden Meijendel & Berkheide, Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen zijn van deze effecten alleen vermesting en verzuring relevant (Broekmeyer, 2014). Een ecologische voortoets houdt in dat een specifieke onderbouwing wordt gegeven waarom de stikstoftoename wel of geen significant negatief effect heeft op de Natura 2000-gebieden. Als er sprake is van stikstofdepositie op reeds overbelaste natuur zal een voortoets niet in alle gevallen voldoende zijn omdat effecten niet bij voorbaat kunnen worden uitgesloten. Deze voortoets is opgesteld door een erkend ecoloog conform de definitie van het RVO. Aan de hand van de uitkomsten van de voortoets wordt beoordeeld of er een ‘passende beoordeling’ noodzakelijk is. Als dit het geval is, volgt een veldonderzoek en ecologisch oordeel. Het afwegingskader is in figuur 2 schematisch weergegeven.

figuur 2: schematische weergave van het stappenplan voor toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten conform de uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024 (Raad van State, 2024).

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 staat de methode van deze voortoets beschreven. In hoofdstuk 3 wordt een toelichting gegeven op de betrokken Natura 2000-gebieden Meijendel & Berkheide, Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen. In hoofdstuk 4 is een beschrijving gegeven van de uitgevoerde stikstofberekening en de uitkomsten hiervan. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 en 6 de voortoets uitgevoerd. Tot slot staan in hoofdstuk 7 de conclusies.

blad 6 van 56

2

Methode

Voor het maken van de voortoets is in de eerste plaats een stikstofdepositieberekening gemaakt om de depositie als gevolg van het projectvoornemen in kaart te brengen (hoofdstuk 3). Op basis van de uitkomsten van de stikstofberekening is een export gemaakt van de berekening als GML bestand. Vervolgens is dit bestand ingevoerd in QGIS (QGIS, 2009) en is de relevante laag met het rekenresultaat opgeslagen als CSV bestand. Dit CSV bestand is vervolgens omgezet in een Excel werkblad. De data uit de berekeningen zijn vervolgens, per hexagoon, gekoppeld aan de kenmerken van de hexagoon (Nationaal Georegister, 2022). Met de dataset kan vervolgens worden gerekend en eenvoudig en nauwkeurig worden bepaald wat de effecten zijn (bijvoorbeeld hoeveel hexagonen reeds overbelast zijn)1. Met de verkregen dataset is vervolgens een voortoets gemaakt (hoofdstuk 5) waarbij de Handreiking Voortoets Stikstof (BIJ12, 2021) is gebruikt. Het doel van de voortoets is het inzichtelijk maken wat de effecten van het projectvoornemen (in de vorm van stikstofdepositie) op de relevante Natura 2000-gebieden en daarbij onderbouwen of significante effecten van stikstofdepositie op voorhand uitgesloten kunnen worden, of niet.

Hierbij kunnen bijvoorbeeld habitattypen/leefgebieden worden uitgesloten, omdat de KDW (zie H5.1) niet wordt overschreden of er geen sprake is van een naderende overschrijding (KDW – 70 mol/ha/jr). Voor het maken van de voortoets is gebruik gemaakt van de gebiedsanalyses en beheerplannen van de betreffende Natura 2000-gebieden, de profieldocumenten/herstelstrategie documenten van de habitattypen en leefgebieden en de website Natura2000 voor de informatie van gebieden, habitattypen en soorten. Tevens is gebruik gemaakt van het GML bestand van de AERIUS berekening voor een gedetailleerder beeld van de deposities per Natura 2000-gebied, habitattype en hexagoon (Nationaal Georegister, 2022). Tot slot is de AERIUS monitor gebruikt voor de huidige instandhoudingsdoelstellingen, gebiedsinformatie en informatie over stikstofdepositie (AERIUS Monitor, 2025).

Voor de relevante habitattypes waar verder mee is gerekend zijn de hexagonen geselecteerd waarbij de totale depositie (NOx + NH3) groter of gelijk is aan 0,005 mol/ha/jaar. Door verschillen in afronding kunnen uitkomsten in deze voortoets iets afwijken van het AERIUS projectberekening. 1

blad 7 van 56

3

Natura 2000-gebied

3.1

Afstand tot het Natura 2000-gebied

In onderstaand figuur zijn de nabijgelegen Natura 2000-gebieden weergegeven. Het projectplan heeft invloed in de vorm van stikstofdepositie op Meijendel & Berkheide, Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen in de aanlegfase; dit is gelegen op respectievelijk circa 7.700, 6.980 en 7.200 meter afstand van de projectlocatie. figuur 3: afstand Natura 2000-gebieden tot het projectvoornemen (AERIUS, 2024).

3.2

Meijendel & Berkheide

Het natuurgebied Meijendel & Berkheide ligt in provincie Zuid-Holland en vormt samen met aangrenzende duingebieden een belangrijk onderdeel van de Hollandse duinen. Het gebied strekt zich uit tussen Scheveningen, Wassenaar en Katwijk en beslaat ongeveer 2.878 hectare. Het Natura 2000-gebied bestaat uit een gevarieerd duinlandschap met jonge en oude duinen, vochtige duinvalleien, duinheiden, duinbossen en open duingraslanden. Meijendel & Berkheide vormt een belangrijk waterwingebied en vervult tevens een cruciale ecologische functie in de kustzone tussen Zuid- en Noord-Holland. De duinen van Meijendel & Berkheide worden gekenmerkt door een sterke afwisseling in reliëf, vochtigheid en kalkgehalte, wat resulteert in een zeer hoge biodiversiteit. Langs de kust komen embryonale en witte duinen voor die verder landinwaarts overgaan in grijze duinen, met afwisselend kalkrijke en kalkarme vegetaties. In de nattere duinvalleien zijn soortenrijke graslanden, rietlanden en moerasvegetaties aanwezig, terwijl verder landinwaarts duindoornstruwelen en duinbossen het landschap domineren. Deze afwisseling biedt leefgebied aan tal van bijzondere soorten, waaronder de nauwe korfslak (Vertigo angustior), de groenknolorchis (Liparis loeselii) en de noordse woelmuis (Microtus oeconomus) (ARCADIS Nederland bv, 2017).

blad 8 van 56

In het beheerplan zijn voor Meijendel & Berkheide de volgende (sub)habitattypen aangewezen: • H2110 – Embryonale duinen; • H2120 – Witte duinen; • H2130A – Grijze duinen (kalkrijk); • H2130B – Grijze duinen (kalkarm); • H2160 – Duindoornstruwelen; • H2180A – Duinbossen (droog), berken-eikenbos; • H2180Abe – Duinbossen (droog), berken-eikenbos; • H2180Ao – Duinbossen (droog), overig; • H2180B – Duinbossen (vochtig); • H2180C – Duinbossen (binnenduinrand); • H2190A – Vochtige duinvalleien (open water); • H2190Ae – Vochtige duinvalleien (open water), (matig) eutrofe vormen; • H2190Aom – Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen; • H2190B – Vochtige duinvalleien (kalkrijk); • H2190C – Vochtige duinvalleien (ontkalkt); • H3140lv – Kranswierwateren, in laagveengebieden. In Meijendel & Berkheide heeft de AERIUS Monitor tevens zoekgebieden voor diverse habitats vastgesteld; aangegeven als ‘ZG’ voor het habitatnummer. Bij zoekgebieden zoals ZGH2180C is onzeker of het habitattype H2180C Duinbossen (binnenduinrand) aanwezig is, maar is voor de zekerheid wel met de berekening meegenomen. De zoekgebieden wordt echter niet meegenomen in het beheerplan van het Natura 2000-gebied. Andere aanwezige stikstofgevoelige habitats/leefgebieden zijn niet verder uitgewerkt (Lg12 – Zoom, mantel en droog struweel van de duinen).

Meijendel & Berkheide heeft ook een soort die op een stikstofgevoelig leefgebied is aangewezen: de nauwe korfslak (Vertigo angustior).

3.3

Westduinpark & Wapendal

Het Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal is gelegen in provincie Zuid-Holland, bij de rand van Den Haag. Het heeft een oppervlakte van circa 246 hectare en omvat de gevarieerde duinmilieus tussen Kijkduin, Scheveningen en de stadsrand. Wapendal is een kleiner, oud duingedeelte dat is ingeklemd door stad en bebouwing. Het landschap bestaat uit jonge, kalkrijke zeeduinen, witte duinen en binnenduinbossen, grijze duinen (zowel kalkrijk als kalkarm), duinheiden met struikhei, duindoornstruweel en droge duinbossen. In Wapendal zijn bovendien oude duinheide- en duingraslandvegetaties aanwezig, die in het verleden minder dynamisch zijn beheerd wat geleid heeft tot vergrassing en overwoekering. De nabijheid van de stad heeft gedrukt op de zoetwaterbel in het duin en sommige duinvalleien zijn deels verloren gegaan of zijn hun functie grotendeels verloren (Sweco Nederland B.V., 2018). In het beheerplan zijn voor Westduinpark & Wapendal de volgende zeven habitattypen aangewezen: • H2120 – Witte duinen; • H2130A – Grijze duinen (kalkrijk); • H2130B – Grijze duinen (kalkarm); • H2150 – Duinheiden met struikhei; • H2160 – Duindoornstruwelen; • H2180A – Droge duinbossen (droog), berken-eikenbos; • H2180Ao – Duinbossen (droog), overig; • H2180C – Duinbossen (binnenduinrand). Westduinpark & Wapendal heeft geen soorten die op een stikstofgevoelig leefgebied of habitattype zijn aangewezen.

3.4

Solleveld & Kapittelduinen

Het natuurgebied Solleveld & Kapittelduinen is gelegen in provincie Zuid-Holland en maakt deel uit van de reeks duingebieden langs de Hollandse kust. Het gebied ligt tussen Den Haag, het Westland en Hoek van

blad 9 van 56

Holland en beslaat circa 827 hectare. Het Natura 2000-gebied bestaat uit een afwisseling van jonge duinen, duinheiden, vochtige duinvalleien, duinbossen en open duingraslanden. In het zuidelijke deel ligt Spanjaards Duin, dat is toegevoegd als compensatiegebied voor de aanleg van Maasvlakte 2. De duinen van Solleveld & Kapittelduinen kenmerken zich door hun grote variatie aan microreliëf, vochtgradiënten en kalkgehalte, wat resulteert in een hoge biodiversiteit. Langs de zeereep komen embryonale en witte duinen voor, die landinwaarts overgaan in grijze duinen en duinheiden met struikhei. Verder naar binnen liggen duindoornstruwelen en duinbossen, terwijl in de lagere delen vochtige duinvalleien met open water en moerasvegetaties te vinden zijn. Deze afwisseling zorgt voor leefgebied van zeldzame soorten, waaronder de nauwe korfslak en de groenknolorchis (Sweco Nederland B.V., 2018).

In het beheerplan zijn voor Solleveld & Kapittelduinen de volgende tien habitattypen aangewezen: • H2110 – Embryonale duinen; • H2120 – Witte duinen; • H2130A – Grijze duinen (kalkrijk); • H2130B – Grijze duinen (kalkarm); • H2150 – Duinheiden met struikhei; • H2160 – Duindoornstruwelen; • H2180A – Duinbossen (droog), berken-eikenbos; • H2180Abe – Duinbossen (droog), berken-eikenbos; • H2180Ao – Duinbossen (droog), overig; • H2180C – Duinbossen (binnenduinrand); • H2190A – Vochtige duinvalleien (open water); • H2190Ae – Vochtige duinvalleien (open water), (matig) eutrofe vormen; • H2190Aom – Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen; • H2190B – Vochtige duinvalleien (kalkrijk); In Meijendel & Berkheide heeft de AERIUS Monitor tevens zoekgebieden voor diverse habitats vastgesteld; aangegeven als ‘ZG’ voor het habitatnummer. Bij zoekgebieden zoals ZGH2130B is onzeker of het habitattype H2130B aanwezig is, maar is voor de zekerheid wel met de berekening meegenomen. De zoekgebieden wordt echter niet meegenomen in het beheerplan van het Natura 2000-gebied. Andere aanwezige stikstofgevoelige habitats/leefgebieden zijn niet verder uitgewerkt (Lg12 – Zoom, mantel en droog struweel van de duinen).

Solleveld & Kapittelduinen heeft ook een aantal soorten die op een stikstofgevoelig leefgebied of habitattype zijn aangewezen: de nauwe korfslak (Vertigo angustior) en de groenknolorchis (Liparis loeselii).

blad 10 van 56

4 Stikstofdepositie Voor nieuwe plannen moet beoordeeld worden of het voornemen stikstofdepositie veroorzaakt op Natura 2000-gebied(en) met stikstofgevoelige habitats en of leefgebieden. Om inzichtelijk te maken wat de mogelijke stikstofdepositie is, zijn de stikstofbronnen geanalyseerd en is de stikstofdepositie berekend door middel van de AERIUS Calculator versie 2025 (AERIUS Calculator, 2025).

4.1

Aanlegfase

Voor de stikstofberekening van de aanlegfase zijn getallen gebruikt uit de rapportage van de stikstofberekening van Antea Group (Antea Nederland B.V., 2025). Uit de berekening voor de aanlegfase (2037) blijkt dat een stikstofuitstoot optreedt van 513,4 kg NOx/jr en 25,6 kg NH3/jr met als resultaat een maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr op zowel Meijendel & Berkheide, Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen. Dit heeft tot gevolg dat door de berekende stikstofdepositie in de aanlegfase maximaal (0,01 mol/ha/jr) neerslaat op 1.670 hexagonen in Meijendel & Berkheide, op 185 hexagonen in Westduinpark & Wapendal en op 165 hexagonen in Solleveld & Kapittelduinen (tabel 1).

4.1

Gebruiksfase

Voor de stikstofberekening van de gebruiksfase zijn tevens getallen gebruikt uit de rapportage van de stikstofberekening van Antea Group (Antea Nederland B.V., 2025). Uit de berekening voor de gebruiksfase (2038) blijkt dat een stikstofuitstoot optreedt van 450,6 kg NOx/jr en 23,6 kg NH3/jr met als resultaat een maximale depositie van 0,01 mol/ha/j op zowel Meijendel & Berkheide, Westduinpark & Wapendal en Solleveld & Kapittelduinen. Dit heeft tot gevolg dat door de berekende stikstofdepositie in de aanlegfase maximaal (0,01 mol/ha/jr) neerslaat op 1.334 hexagonen in Meijendel & Berkheide, op 151 hexagonen in Westduinpark & Wapendal en op 117 hexagonen in Solleveld & Kapittelduinen (tabel 1). tabel 1: maximale stikstof bijdrage voor de getroffen habitattypes/leefgebieden in Natura 2000-gebied in de aanlegfase (AF) en de gebruiksfase (GF). Habitattype

Hoogste bijdrage stikstof (mol/ha/jr)

Oppervlak (hectare)

AF

GF

AF

GF

Meijendel & Berkheide

0,01

0,01

1.734,86

1.414,34

H2180C – Duinbossen (binnenduinrand)

0,01

0,01

83,67

68,46

ZGH2180C – Zoekgebied duinbossen (binnenduinrand)

0,01

0,01

5,74

4,86

H2180Abe – Duinbossen (droog), berkeneikenbos

0,01

0,01

4,43

4,16

ZGH2180Abe – Zoekgebied duinbossen (droog), berken-eikenbos

0,01

0,01

0,94

0,94

H2180Ao – Duinbossen (droog), overig

0,01

0,01

436,66

409,35

ZGH2180Ao – Zoekgebied duinbossen (droog), overig

0,01

0,01

3,21

2,60

H2180B – Duinbossen (vochtig)

0,01

0,01

33,38

27,87

ZGH2180B – Zoekgebied duinbossen (vochtig)

0,01

0,01

0,13

0,13

H2160 – Duindoornstruwelen

0,01

0,01

470,65

360,74

ZGH2160 – Zoekgebied duindoornstruwelen

0,01

0,01

0,67

0,62

H2130B – Grijze duinen (kalkarm)

0,01

0,01

338,18

275,79

ZGH2130B – Zoekgebied grijze duinen (kalkarm)

0,01

0,01

2,69

2,69

H2130A – Grijze duinen (kalkrijk)

0,01

0,01

313,85

229,36

blad 11 van 56

ZGH2130A – Zoekgebied grijze duinen (kalkrijk)

0,01

0,01

2,02

1,98

H3140 – Kranswierwateren

0,01

0,01

0,41

0,31

H2190B – Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

0,01

0,01

4,16

1,29

H2190C – Vochtige duinvalleien (ontkalkt)

0,01

0,01

0,25

0,05

H2190Ae – Vochtige duinvalleien (open water), (matig) eutrofe vormen

0,01

0,01

4,67

1,44

H2190Aom – Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen

0,01

0,01

0,34

n.v.t.

H2120 – Witte duinen

0,01

0,01

4,87

2,11

Lg12 – Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

0,01

0,01

23,94

19,61

Solleveld & Kapittelduinen

0,01

0,01

138,85

93,69

H2180C – Duinbossen (binnenduinrand)

0,01

0,01

58,14

23,00

H2180A – Duinbossen (droog), berken-eikenbos

0,01

0,01

0,06

0,06

H2180Abe – Zoekgebied duinbossen (droog), berken-eikenbos

0,01

0,01

4,83

4,83

H2180Ao – Duinbossen (droog), overig

0,01

0,01

66,81

57,65

H2160 - Duindoornstruwelen

0,01

0,01

1,45

1,43

H2150 – Duinheiden met struikhei

0,01

0,01

2,15

2,15

H2130B – Grijze duinen (kalkarm)

0,01

0,01

3,56

3,32

ZGH2130B – Zoekgebied grijze duinen (kalkarm)

0,01

0,01

1,50

0,99

H2130A – Grijze duinen (kalkrijk)

0,01

0,01

0,07

n.v.t.

H2120 – Witte duinen

0,01

0,01

0,27

0,27

Westduinpark & Wapendal

0,01

0,01

150,33

117,40

H2180C – Duinbossen (binnenduinrand)

0,01

0,01

79,98

68,11

H2180A – Duinbossen (droog), berken-eikenbos

0,01

0,01

2,89

2,27

H2180Ao – Duinbossen (droog), overig

0,01

0,01

0,51

0,51

H2160 – Duindoornstruwelen

0,01

0,01

36,47

24,94

H2150 – Duinheiden met struikhei

0,01

0,01

1,62

1,62

H2130B – Grijze duinen (kalkarm)

0,01

0,01

7,35

5,32

H2130A – Grijze duinen (kalkrijk)

0,01

0,01

17,71

12,69

H2120 – Witte duinen

0,01

0,01

3,80

1,94

blad 12 van 56

5

Voortoets

In de Handreiking Voortoets Stikstof van BIJ12 zijn een aantal criteria/voorbeelden opgenomen waarbij significant negatieve effecten op Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten kunnen worden (BIJ12, 2021). Deze zijn: 1. Er is sprake van stikstofdepositie maar geen (naderende) overschrijding van de kritische depositiewaarde (KDW). 2. Er is sprake van stikstofdepositie op een leefgebied van een soort maar de soort komt niet voor en er gelden geen uitbreidingsdoelstellingen voor de soort. 3. Er is sprake van een overschrijding van de KDW op een zeer klein oppervlak. Dit oppervlak moet kleiner zijn dat het minimumoppervlak van de betreffende habitat. 4. Er is sprake van stikstofdepositie op alleen stikstofgevoelig leefgebied, maar stikstofdepositie is geen knelpunt voor dit leefgebied. 5. Er is sprake van stikstofdepositie maar er staat vast dat de instandhoudingsdoelstellingen van een soort/habitattype niet in het geding komt door stikstofdepositie2. 6. Er is sprake van stikstofdepositie maar dit is tijdelijk en binnen de norm (0,05 mol/hectare/jr gedurende twee jaar). 7. Er is stikstofdepositie maar het habitat- en/of leefgebied type komt feitelijk niet voor. Bovenstaande punten worden in hoofdstuk 5 besproken (voor zover relevant).

Uit de Handreiking Voortoets Stikstof blijkt dat om invulling te geven aan de voortoets ook andere onderdelen gebruikt kunnen worden, mits deze objectief zijn (BIJ12, 2021). Hier zal in hoofdstuk 6 invulling aan worden gegeven.

5.1

Kritische depositie waarde en overbelasting

De kritische depositiewaarde (hierna: KDW) en de achtergronddepositie van habitat (hexagoon) dat overbelast is, is van groot belang voor het beoordelen van de planbijdrage (criterium 1 van de Handreiking Voortoets Stikstof). KDW De KDW wordt in de begrippenlijst van BIJ12 (Natura 2000, sd) omschreven als: ”de grens waarboven het

risico bestaat dat de kwaliteit van de habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie”. Deze KDW verschilt per habitattype, afhankelijk van de stikstofgevoeligheid van dat habitattype. Habitattypen met een KDW lager dan 2.400 mol/ha/jr worden beschouwd als stikstofgevoelig (RIVM, 2020). Achtergronddepositie De achtergronddepositie wordt bepaald door het berekenen van de depositie vanuit de meest recente inzichten in emissies en geeft de huidige stikstofstatus van een bepaald hexagoon aan (RIVM, 2022). Als de (achtergrond)depositie van een hexagoon boven de kritische depositiewaarde komt, dan noemen wij deze overbelast. Overbelasting Er is dus sprake van overbelasting wanneer de achtergronddepositie (al dan met de berekende depositie van een project) groter is dan de KDW. Habitats (hexagonen) waarbij sprake is van een naderende overbelasting zijn eveneens relevant (RIVM, 2020). Er is sprake van een naderende overbelasting wanneer de achtergronddepositie minder dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW ligt. Op basis van de Handreiking Voortoets Stikstof geldt dat significante effecten kunnen worden uitgesloten als er geen sprake is van (een naderende) overbelasting (BIJ12, 2021).

De aanwezigheid van overbelaste hexagonen betekent niet dat het gebied zich in de praktijk in een slechte staat bevindt aangezien de KDW een risico-indicatie is. Wel laten overbelaste hexagonen zien dat er een kans is dat het habitat is, of wordt aangetast en verder moet worden gekeken naar de effecten van de extra stikstofdepositie op de habitattypes (Natura 2000, sd).

Voor dit criterium wordt in de Handreiking Stikstofdepositie van BIJ12 alleen gedoeld op soorten. Echter, wij gaan er bij dit criterium ook vanuit dat negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten als stikstof(depositie) geen knelpunt is voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype. 2

blad 13 van 56

Voor de hexagonen die voor dit project relevant zijn in de aanlegfase is circa 52,4% en in de gebruiksfase 58,1% overbelast of is sprake van een naderende overbelasting (tabel 2). Dubbele hexagonen zijn bij de berekening voor de overbelasting niet verwijderd omdat een hexagoon meerdere habitattypes kan hebben met verschillende KDW’s. De stikstofdepositie (maximaal 0,01 mol/ha/jr) als gevolg van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is een klein percentage van de huidige achtergronddepositie van de getroffen hexagonen (0,001%).

5.1.1

Aanlegfase

Uit tabel 3 blijkt dat voor habitattypen H2180, ZGH2180B, ZGH2160, H2190Ae, H2190Aom in Meijendel & Berkheide en H2160 en H2120 in Solleveld & Kapittelduinen de achtergronddepositie kleiner is dan de KDW en er geen sprake is van (een naderende) overbelasting. Voor de overige habitattypes en leefgebieden is dit echter niet het geval en is wel sprake van (een naderende) overbelasting. Op basis van criterium 1 van de Handreiking Voortoets Stikstof kunnen significant negatieve effecten op H2180, ZGH2180B, ZGH2160, H2190Ae, H2190Aom in Meijendel & Berkheide en H2160 en H2120 in Solleveld & Kapittelduinen daarom worden uitgesloten en voor de overige habitattypes en leefgebieden niet. tabel 2: overzicht overschrijding KDW in Natura 2000-gebied tijdens de aanlegfase en de gebruiksfase. Fase

Gemiddelde achtergronddepositie (mol/ha/jr)

KDW (mol/ha/jr)

Overbelasting? (# hexagonen)

Aanlegfase Gebruiksfase

1207,97 1246,91

857 - 2000 857 - 2000

Ja 2929 2628

Bijna 500 392

Gem. percentage depositie projectplan ten opzichte van huidige achtergronddepositie hexagoon Nee 3119 2177

0,001% 0,001%

tabel 3: overzicht overschrijding KDW per habitattype in Natura 2000-gebied tijdens de aanlegfase. Habitattype/leefgebied

Meijendel & Berkheide H2180C – Duinbossen (binnenduinrand) ZGH2180C – Zoekgebied duinbossen (binnenduinrand) H2180Abe – Duinbossen (droog), berken-eikenbos ZGH2180Abe – Zoekgebied duinbossen (droog), berken-eikenbos H2180Ao – Duinbossen (droog), overig ZGH2180Ao – Zoekgebied duinbossen (droog), overig H2180B – Duinbossen (vochtig) ZGH2180B – Zoekgebied duinbossen (vochtig) H2160 – Duindoornstruwelen ZGH2160 – Zoekgebied duindoornstruwelen H2130B – Grijze duinen (kalkarm) ZGH2130B – Zoekgebied grijze duinen (kalkarm) H2130A – Grijze duinen (kalkrijk) ZGH2130A – Zoekgebied grijze duinen (kalkrijk) H3140 – Kranswierwateren H2190B – Vochtige duinvalleien (kalkrijk) H2190C – Vochtige duinvalleien (ontkalkt) H2190Ae – Vochtige duinvalleien (open water), (matig) eutrofe vormen H2190Aom – Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen H2120 – Witte duinen Lg12 – Zoom, mantel en droog struweel van de duinen Solleveld & Kapittelduinen H2180C – Duinbossen (binnenduinrand) H2180A – Duinbossen (droog), berken-eikenbos H2180Abe – Zoekgebied duinbossen (droog), berken-eikenbos

Achtergronddepositie (mol/ha/jr) Gemiddeld – maximaal 1147,05 – 2014,91 1279,19 – 1932,95 1290,51 – 1753,60

KDW (mol/ha/jr) 2214 1786 1786

Overbelasting? (# hexagonen) Ja Nee 2455 2897 7 287 0 21

Bijna 484 13 1

1306,79 – 1833,99

1071

25

7

7

1123,49 – 1402,54

1071

5

0

2

1188,14 – 1983,30 1359,63 – 1753,60

1071 1071

725 13

272 0

170 0

1113,90 – 1855,48 1242,36 – 1242,36 1115,98 – 2014,91 1372,31 – 1690,94 1116,13 – 1983,30 1293,80 – 1383,39

2214 2214 2000 2000 929 929

0 0 1 0 1103 9

177 1 1328 12 19 0

0 0 4 0 76 0

1094,17 – 2014,91 1271,45 – 1588,78 1234,03 – 1425,01 1093,43 – 1415,76 1211,31 – 1504,65 1031,38 – 1313,42

1071 1071 571 1429 1071 2143

537 14 7 0 1 0

417 2 0 38 1 43

203 0 0 2 0 0

911,78 – 924,96

1000

0

2

0

1069,74 – 1947,50 1137,71 – 1898,52

1429 1643

4 4

57 213

2 4

1813,21 – 2444,71 1990,37 – 2444,71 1436,23 – 1436,80

2000 1786 1071

234 60 2

21 14 0

5 5 0

1680,84 – 1955,26

1071

12

0

0

blad 14 van 56

H2180Ao – Duinbossen (droog), overig H2160 - Duindoornstruwelen H2150 – Duinheiden met struikhei H2130B – Grijze duinen (kalkarm) ZGH2130B – Zoekgebied grijze duinen (kalkarm) H2130A – Grijze duinen (kalkrijk) H2120 – Witte duinen Westduinpark & Wapendal H2180C – Duinbossen (binnenduinrand) H2180A – Duinbossen (droog), berken-eikenbos H2180Ao – Duinbossen (droog), overig H2160 – Duindoornstruwelen H2150 – Duinheiden met struikhei H2130B – Grijze duinen (kalkarm) H2130A – Grijze duinen (kalkrijk) H2120 – Witte duinen

5.1.2

1825,75 – 2354,28 1440,69 – 1592,79 1629,28 – 2012,68 1491,14 – 1766,17 1447,73 – 1765,47

1071 2000 857 929 929

124 0 12 16 7

0 6 0 0 00

0 0 0 0 0

1464.99 – 1464,99 1103,21 – 1103,21 1646,32 – 2736,23 1690,63 – 2763,23 1780,54 – 2314,69

1071 1429 2000 1786 1071

1 0 240 63 9

0 1 201 105 0

0 0 11 6 0

1649,35 – 1991,94 1614,48 – 2698,72 1829,44 – 2258,12 1496,03 – 2314,69 1654,01 – 2698,72 1518,45 – 2603,99

1071 2000 857 929 1071 1429

6 21 6 31 97 7

0 83 0 0 0 13

0 4 0 0 0 1

Gebruiksfase

Uit tabel 4 blijkt dat voor habitattypen H2180, ZGH2180B, ZGH2160, H2190Ae, H2190Aom in Meijendel & Berkheide en H2160 en H2120 in Solleveld & Kapittelduinen de achtergronddepositie kleiner is dan de KDW en er geen sprake is van (een naderende) overbelasting. Voor de overige habitattypes en leefgebieden is dit echter niet het geval en is wel sprake van (een naderende) overbelasting. Op basis van criterium 1 van de Handreiking Voortoets Stikstof kunnen significant negatieve effecten op H2180, ZGH2180B, ZGH2160, H2190Ae, H2190Aom in Meijendel & Berkheide en H2160 en H2120 in Solleveld & Kapittelduinen daarom worden uitgesloten en voor de overige habitattypes en leefgebieden niet. tabel 4: overzicht overschrijding KDW per habitattype in Natura 2000-gebied tijdens de gebruiksfase. Habitattype/leefgebied

Meijendel & Berkheide H2180C – Duinbossen (binnenduinrand) ZGH2180C – Zoekgebied duinbossen (binnenduinrand) H2180Abe – Duinbossen (droog), berken-eikenbos ZGH2180Abe – Zoekgebied duinbossen (droog), berken-eikenbos H2180Ao – Duinbossen (droog), overig ZGH2180Ao – Zoekgebied duinbossen (droog), overig H2180B – Duinbossen (vochtig) ZGH2180B – Zoekgebied duinbossen (vochtig) H2160 – Duindoornstruwelen ZGH2160 – Zoekgebied duindoornstruwelen H2130B – Grijze duinen (kalkarm) ZGH2130B – Zoekgebied grijze duinen (kalkarm) H2130A – Grijze duinen (kalkrijk) ZGH2130A – Zoekgebied grijze duinen (kalkrijk) H3140 – Kranswierwateren H2190B – Vochtige duinvalleien (kalkrijk) H2190C – Vochtige duinvalleien (ontkalkt) H2190Ae – Vochtige duinvalleien (open water), (matig) eutrofe vormen H2120 – Witte duinen Lg12 – Zoom, mantel en droog struweel van de duinen Solleveld & Kapittelduinen H2180C – Duinbossen (binnenduinrand)

Achtergronddepositie (mol/ha/jr) Gemiddeld – maximaal 1188,49 – 2014,91 1308,77 – 1932,95 1342,37 – 1753,60

KDW (mol/ha/jr) 2214 1786 1786

Overbelasting? (# hexagonen) Ja Nee 2256 2028 7 231 0 16

Bijna 377 13 1

1349,09 – 1833,99

1071

24

6

4

1123,49 – 1402,54

1071

5

0

2

1222,14 – 1983,30 1398,75 – 1753,60

1071 1071

709 11

165 0

144 0

1163,71 – 1855,48 1242,36 – 1242,36 1158,11 – 2014,91 1413,59 – 1690,94 1192.02 - 1983.30

2214 2214 2000 2000 929

0 0 1 0 967

140 1 1029 10 7

0 0 4 0 40

1293.80 - 1383.39

929

9

0

0

1134.4 - 2014.91

1071

498

213

161

1297.52 - 1588.78 1380.84 - 1425.01 1255.30 - 1415.76 1504.65 - 1504.65 1139.07 - 1313.42

1071 571 1429 1071 2143

14 2 0 1 0

1 0 12 0 15

0 0 2 0 0

1173.41 - 1947.50 1180.92 - 1898.52

1429 1643

4 4

21 161

2 4

1774.65 - 2418.82 1966.91 - 2418.82

2000 1786

169 25

12 6

4 4

blad 15 van 56

H2180A – Duinbossen (droog), berken-eikenbos H2180Abe – Zoekgebied duinbossen (droog), berken-eikenbos H2180Ao – Duinbossen (droog), overig H2160 - Duindoornstruwelen H2150 – Duinheiden met struikhei H2130B – Grijze duinen (kalkarm) ZGH2130B – Zoekgebied grijze duinen (kalkarm) H2120 – Witte duinen Westduinpark & Wapendal H2180C – Duinbossen (binnenduinrand) H2180A – Duinbossen (droog), berken-eikenbos H2180Ao – Duinbossen (droog), overig H2160 – Duindoornstruwelen H2150 – Duinheiden met struikhei H2130B – Grijze duinen (kalkarm) H2130A – Grijze duinen (kalkrijk) H2120 – Witte duinen

5.2

1436.23 - 1436.80

1071

2

0

0

1680.84 - 1955.26

1071

12

0

0

1818.08 - 2354.28 1435.83 - 1592.79 1629.28 - 2012.68 1514.25 - 1766.17 1486.09 - 1765.47

1071 2000 857 929 929

99 0 12 13 6

0 5 0 0 0

0 0 0 0 0

1103.21 - 1103.21 1744.50 - 2736.23 1780.23 - 2736.23 1922.14 - 2314.69

1429 2000 1786 1071

0 203 61 7

1 137 74 0

0 11 6 0

1649.35 - 1991.94 1713.92 - 2698.72 1829.44 - 2258.12 1608.54 - 2314.69 1742.81 - 2698.72 1677.88 - 2603.99

1071 2000 857 929 1071 1429

6 21 6 20 76 6

0 57 0 0 0 6

0 4 0 0 0 1

Oppervlakte beïnvloedt habitat door stikstofdepositie

Het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide is circa 2.878 hectare groot. Uit de berekende depositie (maximaal 0,01 mol/ha/jr) in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase blijkt dat op circa 1.734,86 en 1.414,34 hectare van het Natura 2000-gebied stikstofdepositie neerslaat in respectievelijk de aanlegfase en de gebruiksfase. Dit betekent dat op maximaal 60,3% en 49,1% van dit Natura 2000-gebied sprake is van stikstofdepositie als resultaat van het projectvoornemen voor respectievelijk de aanlegfase en de gebruiksfase. Het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen is circa 827 hectare groot. Uit de berekende depositie (maximaal 0,01 mol/ha/jr) in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase blijkt dat op circa 138,85 en 93,69 hectare van het Natura 2000-gebied stikstofdepositie neerslaat in respectievelijk de aanlegfase en de gebruiksfase. Dit betekent dat op maximaal 16,8% en 11,3% van dit Natura 2000-gebied sprake is van stikstofdepositie als resultaat van het projectvoornemen voor respectievelijk de aanlegfase en de gebruiksfase. Het Natura 2000-gebied Westduinpark & Wapendal is circa 246 hectare groot. Uit de berekende depositie (maximaal 0,01 mol/ha/jr) in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase blijkt dat op circa 150,33 en 117,40 hectare van het Natura 2000-gebied stikstofdepositie neerslaat in respectievelijk de aanlegfase en de gebruiksfase.

Dit betekent dat op maximaal 61,1% en 47,7% van dit Natura 2000-gebied sprake is van stikstofdepositie als resultaat van het projectvoornemen voor respectievelijk de aanlegfase en de gebruiksfase. Op basis van de Handreiking Voortoets Stikstof geldt dat significante effecten kunnen worden uitgesloten als er sprake is van stikstofdepositie op een zeer klein oppervlak (BIJ12, 2021). Dit oppervlak moet kleiner zijn dan het minimumoppervlak van de betreffende habitat. Voor de meeste leefgebieden en habitattypen geldt een minimumoppervlak van 0,01 hectare en voor bossen (H2180, H9110 t/m H91F0) geldt een minimumoppervlak van 0,1 hectare (Bal, 2009). In tabel 5 zijn de getroffen habitattypen/leefgebieden weergegeven met bijbehorend oppervlaktes (minimum, ingetekend en relevant). Daaruit kan worden opgemaakt dat voor geen van de habitattypes en leefgebieden het oppervlak waar depositie op berekend is, kleiner is dan het minimumoppervlak. Concluderend, significante effecten kunnen, op basis van de relevante oppervlakte voor geen van de habitattypen/leefgebieden worden uitgesloten (voor criterium 3). Ook kan worden vastgesteld dat criterium 7 (er is stikstofdepositie maar het habitat- en/of leefgebied type komt feitelijk niet voor) kan worden uitgesloten.

De getroffen oppervlaktes zijn zodanig groot dat er geen sprake is van het feitelijk niet voorkomen van een habitattype of leefgebied. tabel 5: relevante oppervlak (oppervlak waarop depositie is berekend) en minimumoppervlak per getroffen habitattype/leefgebied in Natura 2000-gebied.

blad 16 van 56

Habitattype/leefgebied type

Minimumoppervlak (ha)

Ingetekend oppervlak 3 (ha)

Relevant oppervlak in de aanlegfase (ha)

Relevant oppervlak in de gebruiksfase (ha)

Meijendel & Berkheide

n.v.t.

2.878

1.734,86

1414,34

0,01

142,55

83,67

68,46

ZGH2180C – Zoekgebied duinbossen (binnenduinrand)

0,01

n.b.

5,74

4,86

H2180Abe – Duinbossen (droog), berken-eikenbos

0,01

n.b.

4,43

4,16

ZGH2180Abe – Zoekgebied duinbossen (droog), berken-eikenbos

0,01

n.b.

0,94

0,94

H2180Ao – Duinbossen (droog), overig

0,01

n.b.

436,66

409,35

ZGH2180Ao – Zoekgebied duinbossen (droog), overig

0,01

n.b.

3,21

2,60

H2180B – Duinbossen (vochtig)

0,01

34,33

33,38

27,87

ZGH2180B – Zoekgebied duinbossen (vochtig)

0,01

n.b.

0,13

0,13

H2160 – Duindoornstruwelen

0,1

820,10

470,65

360,74

ZGH2160 – Zoekgebied duindoornstruwelen

0,1

n.b.

0,67

0,62

H2130B – Grijze duinen (kalkarm)

0,1

416,26

338,18

275,79

ZGH2130B – Zoekgebied grijze duinen (kalkarm)

0,1

n.b.

2,69

2,69

H2130A – Grijze duinen (kalkrijk)

0,1

765,59

313,85

229,36

ZGH2130A – Zoekgebied grijze duinen (kalkrijk)

0,1

n.b.

2,02

1,98

H3140 – Kranswierwateren

0,1

16,00

0,41

0,31

H2190B – Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

0,01

26,60

4,16

1,29

H2190C – Vochtige duinvalleien (ontkalkt)

0,01

< 1,00

0,25

0,05

H2190Ae – Vochtige duinvalleien (open water), (matig) eutrofe vormen

0,01

n.b.

4,67

1,44

H2190Aom – Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen

0,01

n.b.

0,34

n.v.t.

H2120 – Witte duinen

0,1

121,38

4,87

2,11

Lg12 – Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

0,1

53,65

23,94

19,61

Solleveld & Kapittelduinen

n.v.t.

827

138,85

93,69

H2180C – Duinbossen (binnenduinrand)

0,01

114,95

58,14

23,00

H2180A – Duinbossen (droog), berken-eikenbos

0,01

83,88

0,06

0,06

H2180Abe – Zoekgebied duinbossen (droog), berken-eikenbos

0,01

n.b.

4,83

4,83

H2180Ao – Duinbossen (droog), overig

0,01

n.b.

66,81

57,65

H2160 - Duindoornstruwelen

0,1

147,91

1,45

1,43

H2150 – Duinheiden met struikhei

0,1

2,62

2,15

2,15

H2130B – Grijze duinen (kalkarm)

0,1

122,83

3,56

3,32

ZGH2130B – Zoekgebied grijze duinen (kalkarm)

0,1

n.b.

1,50

0,99

H2130A – Grijze duinen (kalkrijk)

0,1

115,60

0,07

n.v.t.

H2120 – Witte duinen

0,1

132,74

0,27

0,27

Westduinpark & Wapendal

n.v.t.

246

150,33

117,40

H2180C – Duinbossen (binnenduinrand)

0,01

91,99

79,98

68,11

H2180A – Duinbossen (droog), berken-eikenbos

0,01

3,40

2,89

2,27

H2180Ao – Duinbossen (droog), overig

0,01

n.b.

0,51

0,51

H2160 – Duindoornstruwelen

0,1

100,48

36,47

24,94

H2150 – Duinheiden met struikhei

0,1

1,62

1,62

1,62

H2130B – Grijze duinen (kalkarm)

0,1

11,29

7,35

5,32

H2130A – Grijze duinen (kalkrijk)

0,01

72,60

17,71

12,69

H2180C – Duinbossen (binnenduinrand)

Definitie: ‘’De ingetekende oppervlakte is de totale oppervlakte waar de varianten van het betreffende habitattype of leefgebied op doelstellingsniveau kunnen voorkomen. Dit oppervlakte wordt berekend op basis van de aangeleverde karteringen (begrenzingen). Dit is wat je op kaart kan laten zien.’’ (AERIUS Monitor, 2025). 3

blad 17 van 56

H2120 – Witte duinen

5.3

0,01

26,73

3,80

1,94

Tijdelijke bijdrage stikstofdepositie

Volgens de Handreiking Voortoets Stikstof kunnen significant negatieve effecten eveneens worden uitgesloten als er sprake is van een tijdelijke (gedurende maximaal twee jaar) depositie van maximaal 0,05 mol/ha/jaar op (naderend) overbelast stikstofgevoelig habitat, of een equivalent hiervan (BIJ12, 2021). Dit omdat de marginale toename, mede door het verspreidingseffect, onderdeel wordt van de al aanwezige landelijke achtergronddepositie. Echter wordt criterium 6 niet meer gehanteerd door het bevoegd gezag, waardoor dit criterium in deze voortoets niet behandeld zal worden.

5.4

Effect stikstof op habitattype

In deze paragraaf wordt per habitattype, waarbij een overschrijding van de KDW is als gevolg van het projectvoornemen of de al reeds verhoogde aanwezige achtergronddepositie, het habitattype beschreven en bezien of er een negatief effect ontstaat vanuit dit project op behoud en/of ontwikkeling van dit habitattype/leefgebied. Hierbij worden de criteria 2, 4 en 5 (voor zover relevant) getoetst. De volgende habitattypen in bijbehorende Natura 2000-gebieden zijn op voorhand niet meegenomen omdat daar geen sprake is van overschrijding van de KDW gedurende de aanlegfase (criterium 1), of omdat het relevante oppervlak kleiner is dan het minimumoppervlak (criterium 3): • H2180B in de aanlegfase en gebruiksfase in Meijendel & Berkheide; • ZGH2180B in de aanlegfase en gebruiksfase in Meijendel & Berkheide; • ZGH2160 in de aanlegfase en gebruiksfase in Meijendel & Berkheide; • H2190Ae in de aanlegfase en gebruiksfase in Meijendel & Berkheide; • H2190Aom in de aanlegfase in Meijendel & Berkheide; • H2160 in de aanlegfase en gebruiksfase in Solleveld & Kapittelduinen; • H2120 in de aanlegfase en gebruiksfase in Solleveld & Kapittelduinen.

5.4.1

H2120 Witte duinen

H2120 Witte Duinen zijn open duingebieden die worden gedomineerd door helm (Ammophila arenaria), Noordse helm (Calamagrostis x Calammophila baltica) of duinzwenkgras (Festuca arenaria). De naam "Witte duinen" verwijst naar de lichte kleur van het zand, dat nog geen bodemontwikkeling heeft ondergaan. Dit habitat ontstaat waar embryonale duinen (H2110) verder aanstuiven en de vegetatie buiten het bereik van zeewater komt. De duinen bevinden zich meestal in de zeereep, waar ze blootstaan aan sterke invloed van de zee, zoals zoutnevel en zandverstuiving. De dynamiek van stuivend zand is essentieel voor het voortbestaan van dit habitat, omdat het de vitaliteit van helm bevordert. Bij onvoldoende verstuiving raakt de vegetatie verouderd en neemt de biodiversiteit af. Witte duinen vormen een leefgebied voor specifieke vogelsoorten, zoals de tapuit (Oenanthe oenanthe) en de scholekster (Haematopus ostralegus) en voor insecten zoals de duinsabelsprinkhaan (Playcleis albopunctata) (Smits, Melman, & Arens, Herstelstrategie H2120: Witte duinen, 2016). Er zijn geen doelsoorten op dit habitattype aangeschreven (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017).

blad 18 van 56

Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstellingen voor Witte duinen in Meijendel & Berkeide zijn het behouden van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit. In Westduinpark & Wapendal zijn de instandhoudingsdoelstellingen het behouden van zowel het oppervlak en de kwaliteit (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017). Actuele verspreiding en kwaliteit In het gebied Meijendel & Berkheide is het habitattype H2120 naar schatting circa 96,4 hectare groot: ongeveer 39,1 ha in Meijendel en circa 57,3 ha in Berkheide. Aan de verspreiding is toegevoegd dat het habitattype vooral voorkomt in de buitenduinzone (de zeereep) en in sommige gevallen aansluit op embryonale duinen; in de zeereep van Berkheide en in delen van Meijendel zijn duidelijke H2120-complexen aanwezig. Kwalitatief is het beeld uiteenlopend: de vegetaties binnen Meijendel en Berkheide zijn volgens de analyse “overwegend van goede kwaliteit”, vooral in de hoofdlocaties waar de helmvegetaties en zandzegge‐gemeenschappen nog goed ontwikkeld zijn. Echter geldt dit niet voor alle delen; in met name de westelijke zeereep van Berkheide ontbreken gedegen vegetatiegegevens en is de kwaliteit als “onbekend” aangemerkt. Bovendien wijst de onafhankelijke Ecologische Autoriteit er in een advies van april 2023 op dat de natuur hier onder aanzienlijke druk staat (Sweco Nederland B.V., 2018).

Voor het gebied Westduinpark & Wapendal geldt dat het habitattype H2120 een meer beperkte oppervlakte beslaat; in het beheerplan wordt circa 12,9 ha genoemd verdeeld over deelgebieden zoals Radio Scheveningen (6,1 ha), De Plak (2,9 ha) en Zeereep Kijkduin (3,9 ha). De instandhoudingsdoelstelling luidt hier “behoud van oppervlakte en kwaliteit”. De vegetatie‐opbouw is in vrijwel alle vakken voor H2120 als “goed” beoordeeld; de vegetatietypen scoren voor 100% goed in onder meer Radio Scheveningen. Echter is in sommige deelgebieden de typische fauna slechts beperkt aanwezig en is sprake van relatief weinig open zandige plekken en wat meer struikopslag (bijvoorbeeld in De Plak en Zeereep Kijkduin). De landelijke staat van instandhouding voor H2120 in dit gebied wordt aangemerkt als “matig gunstig” (ARCADIS Nederland bv, 2017). Trend De trend van H2120 met betrekking tot oppervlak en kwaliteit in Meijendel & Berkheide is negatief tot stabiel. In Westduinpark & Wapendal is de trend stabiel tot licht positief (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017). Stikstof In Meijendel & Berkheide en Westduinpark & Wapendal is voor het habitattype Witte duinen sprake van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 0,5% en 0,4% van het totale oppervlak (2020).

In 2035 wordt verwacht dat er geen sprake meer is van overschrijding van de KDW in Meijendel & Berkheide en nog een overschrijding van de KDW op respectievelijk 0,4% van het totale oppervlak in Westduinpark & Wapendal. De depositietrend is daarbij ook dalende. In 2020 was er een depositie van gemiddeld van 11,4 kg/ha/jr (Meijendel & Berkheide) en 12,4 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) en in 2035 wordt verwacht dat deze gezakt is naar gemiddeld 8,5 kg/ha/jr (Meijendel & Berkheide) en 9,6 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) (AERIUS Monitor, 2025). Uit de AERIUS berekening voor dit project blijkt dat op het habitattype Witte duinen maximaal 0,01 mol/ha/jr neerslaat in zowel de aanleg- als de gebruiksfase in Meijendel & Berkheide en Westduinpark & Wapendal. De gemiddelde berekende depositie op dit habitattype is ook 0,01 mol/ha/jr. Als de maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr wordt afgezet tegen de verwachte afname van depositie blijkt dat dit maar een klein percentage is. De verwachte afname van 0,19 kg N/ha/jr (Meijendel & Berkheide) en 0,18 kg N/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) staat gelijk aan respectievelijk 13,53 en 13,07 mol/ha/jr (1 kg stikstof staat gelijk aan 70 mol (AERIUS Calculator, 2015). De maximale planbijdrage is dus 0,07% in van de verwachte afname per jaar in Meijendel & Berkheide en 0,08% in Westduinpark & Wapendal.

blad 19 van 56

figuur 4: stikstofbelasting (H2120) in Meijendel & Berkheide (links) en Westduinpark & Wapendal (rechts) met in paars het percentage overbelaste hexagonen in licht groen de bijna overbelaste hexagonen en in donker groen meer dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW (AERIUS Monitor, 2025).

Knelpunten en oorzaken In Meijendel & Berkheide vormen vooral de vastgelegde zeereep en het gebrek aan natuurlijke zandverstuivingsdynamiek een groot probleem voor de witte duinen. Volgens de gebiedsanalyse is de duinvoet en de zeereep sterk gestabiliseerd door kustverdediging, waardoor open, zandige helmvegetaties degraderen naar meer gesloten en minder soortenrijke vormen. Hierdoor ontbreekt de dynamiek die nodig is voor vitale witte duinen en typische pioniersflora. Daarnaast is er sprake van successie, waarbij grassen en andere snelgroeiende dominante planten de bodem laten dichtgroeien. In dit proces speelt stikstofdepositie een belangrijke rol; stikstof zorgt voor versnelde grasgroei (bijv. rood zwenkgras) en bevordert algengroei, beide remmen verstuiving en bevorderen stabilisatie van het zand. Door al deze factoren neemt de openheid en vitaliteit van de witte duinen af. In Westduinpark & Wapendal is een vergelijkbaar beeld; het beheerplan laat zien dat de grootste knelpunten beperkt dynamisme (weinig verstuiving), verstruweling door duindoorn en rimpelroos en een hoge stikstofdepositie zijn. Stikstof heeft daar een dubbele negatieve werking: het versnelt de groei van grassen en algen die het zand stevig “vastzetten”, waardoor de verstuiving tegengegaan wordt en het duin snel stabiliseert.

Daardoor verdwijnt het open, witte karakter van de duinen en schuift de vegetatiesamenstelling naar meer gesloten en minder dynamische vormen. Conclusie Teruggrijpend op de criteria genoemd in de Handreiking Voortoets Stikstof kan worden bepaald dat er geen sprake is van criteria 2 en 4. Immers, het betreft een habitattype en geen leefgebied. Bovendien zijn er geen doelsoorten voor dit habitattype aangewezen. Voor Witte duinen vormt stikstof een mogelijk knelpunt. Echter is de bijdrage van het projectplan dermate klein dat dit in het niet valt bij de verwachtte afname. Bovendien zijn er andere factoren die een groter knelpunt zijn voor dit habitattype. Voor zowel Meijendel & Berkheide als Westduinpark & Wapendal is er zelfs bijna geen sprake van overbelasting (AERIUS monitor). Stikstof voortkomend uit het projectvoornemen is derhalve geen knelpunt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het habitattype Witte duinen (criterium 5).

5.4.2

H2130A en ZGH2130A Grijze duinen (kalkrijk)

H2130A, oftewel Grijze Duinen (kalkrijk), is een habitattype dat voorkomt in kalkrijke duingebieden en wordt gekenmerkt door soortenrijke, schrale graslanden. Dit habitattype ontwikkelt zich op plekken waar de zanddynamiek is afgenomen, waardoor een stabiele vegetatie kan ontstaan. De bodems zijn meestal kalkrijk en hebben een kenmerkende grijze kleur door bodemvorming en humusopbouw. De vegetatie bestaat uit laagblijvende kruiden, grassen, mossen en korstmossen, zoals duinsterretje (Syntricia ruralis), sikkelklaver (Medicago falcata), kegelsilene (Silene conica) en gewoon reukgras (Anthoxanthum odoratum). Grijze Duinen (kalkrijk) zijn ecologisch waardevol vanwege hun hoge biodiversiteit. Ze bieden leefgebied aan typische duinsoorten zoals de tapuit, blauwvleugelsprinkhaan (Oedipoda caerulescens) en diverse dagvlinders (Smits & Kooijman, Herstelstrategie H2130A: Grijze duinen (kalkrijk), 2016). Er zijn geen doelsoorten op dit habitattype aangeschreven.

blad 20 van 56

ZGH2130A verwijst naar het zoekgebied voor H2130A – Grijze Duinen (kalkrijk). Dit betekent dat binnen dit zoekgebied mogelijk uitbreiding of herstel van het habitattype kan plaatsvinden. In Natura 2000-beheerplannen worden dergelijke zoekgebieden aangewezen om te bepalen waar maatregelen kunnen worden getroffen om de kwaliteit en oppervlakte van een habitattype te verbeteren of uit te breiden (Sweco Nederland B.V., 2018) (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017). Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstellingen voor Grijze duinen (kalkrijk) in zowel Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapittelduinen en Westduinpark & Wapendal zijn uitbreiding van het oppervlak en verbetering van de kwaliteit (Sweco Nederland B.V., 2018) (Sweco Nederland B.V., 2018) (ARCADIS Nederland bv, 2017). Voor ZGH2130A in Meijendel & Berkheide zijn geen instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld. Actuele verspreiding en kwaliteit In Meijendel & Berkheide komt het subtype H2130A op relatief ruime schaal voor; grote aaneengesloten oppervlakten bevinden zich met name in het buitenduin en het middenduin, en lokaal loopt het subtype door tot in overgangszones richting binnenduin. De gebiedsdocumenten en kaartlagen geven aan dat Grijze duinen (kalkrijk) één van de dominante habitattypegroepen zijn binnen het geheel van grijze duinen in dit Natura 2000-gebied.

De kwaliteit van deze kalkrijke grijze duinen is in de hoofdlocaties overwegend redelijk tot goed waar de typische soortenrijke gras- en kruidenzaaltjes nog aanwezig zijn, maar in meerdere delen is de kwaliteit kwetsbaar door afnemende verstuivingsdynamiek, successie (toenemende struik- en boomopslag) en de effecten van stikstofdepositie. Deze drukfactoren maken dat het beheer zich in Meijendel & Berkheide nadrukkelijk richt op het behoud en waar mogelijk herstel van kwaliteit en dynamiek van H2130A (Sweco Nederland B.V., 2018). In Solleveld & Kapittelduinen is H2130A eveneens aanwezig maar in een meer versnipperd patroon dan in Meijendel; de grootste oppervlakten liggen in met name de noordelijke helft van het gebied. In het beheerplan en de bijlagen wordt voor Solleveld & Kapittelduinen expliciet genoemd dat er ruim ±66 hectare kalkrijke grijze duinen aanwezig zijn en dat het doel voor dit subtype vaak is geformuleerd als uitbreiding van oppervlakte én verbetering van kwaliteit: het gebied moet waar mogelijk meer goed ontwikkelde, soortenrijke grijze duinen gaan herbergen.

De kwaliteit van H2130A in Solleveld & Kapittelduinen wordt in de documentatie als wisselend beschreven: er zijn kernlocaties met relatief soortenrijke, karakteristieke begroeiingen, maar veel plekken vragen actief herstel (verwijdering van opslag, herinvoering van dynamiek, herstel van schraaltes) om aan de instandhoudingsdoelen te voldoen. Ook hier worden dezelfde knelpunten genoemd: gebrek aan natuurlijke dynamiek, vermesting door stikstof en successie (Sweco Nederland B.V., 2018). In Westduinpark & Wapendal is H2130A aanwezig maar beslaat het subtype een kleinere en vaak meer verspreide oppervlakte in vergelijking met Meijendel; het komt vooral voor in het middenduin en in openingszones waar kalkhoudende ondergrond en voldoende open zandcondities het ontstaan van soortenrijke grijze duinen bevorderen. In de gebieds- en beheerdocumenten is de insteek voor H2130A helder: uitbreiding van oppervlakte en verbetering van kwaliteit waar mogelijk, bijvoorbeeld door herstel van open duin en het terugdringen van dennenopslag of andere successie.

Wat de kwaliteit betreft, tonen de analyses dat er op kernlocaties goede typen grijsduinvegetatie aanwezig zijn, maar dat de algehele staat kwetsbaar blijft door tekorten aan dynamiek en door vermesting/stikstofdruk; de meest recente beoordelingen en adviezen wijzen erop dat juist maatregelen die dennen verwijderen of verstuiving toestaan, bijdragen aan verbetering van oppervlakte én kwaliteit van H2130A (ARCADIS Nederland bv, 2017). Voor ZGH2130A in Meijendel & Berkheide is geen actuele verspreiding en kwaliteit vastgesteld. Trend De oppervlakte van H2130A in Meijendel & Berkheide is overwegend stabiel, maar lokaal vindt lichte afname plaats door successie en verminderde dynamiek. De kwaliteit staat onder druk door verstruweling en stikstof, waardoor de trend matig negatief is, met alleen verbetering waar actief herstelbeheer plaatsvindt (Sweco Nederland B.V., 2018). De oppervlakte van H2130A in Solleveld & Kapittelduinen is in beheerde kerngebieden stabiel tot licht toenemend, dankzij herstelmaatregelen. De kwaliteit laat in deze delen een positieve tot stabiele trend zien, maar in minder beheerde stukken is sprake van achteruitgang door vergrassing en opslag (Sweco Nederland B.V., 2018).

blad 21 van 56

De oppervlakte van H2130A in Westduinpark & Wapenveld is klein en versnipperd en laat tot nu toe vooral een stabiele trend zien, met kansen op uitbreiding door recent herstelbeheer. De kwaliteit verbetert plaatselijk, maar blijft gebiedsbreed kwetsbaar, waardoor de trend momenteel voorzichtig positief maar onzeker is (ARCADIS Nederland bv, 2017). Voor ZGH2130A in Meijendel & Berkheide is geen trend vastgesteld. Stikstof H2130A In Meijendel & Berkheide, Solleveld & Kapittelduinen en Westduinpark & Wapendal is voor het habitattype Grijze duinen (kalkrijk) sprake van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 18,7%, 5,0% en 39,8% van het totale oppervlak (2020) (AERIUS Monitor, 2025). In 2035 wordt verwacht dat er nog sprake is van een overschrijding van de KDW op respectievelijk 1,8%, 0,1% en 33,5%. De depositietrend is daarbij ook dalende. In 2020 was er een stikstofdepositie van gemiddeld van 13,4 kg/ha/jr (Meijendel & Berkheide), 12,8 kg/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 15,7 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) en in 2035 wordt verwacht dat deze gezakt is naar gemiddeld 10,0 kg/ha/jr (Meijendel & Berkheide), 9,6 kg/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 12,5 kg/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) (AERIUS Monitor, 2025).

Uit de AERIUS berekening voor dit project blijkt dat op het habitattype Grijze duinen (kalkrijk) maximaal 0,01 mol/ha/jr neerslaat in zowel Meijendel & Berkheide (aanleg- en gebruiksfase), Solleveld & Kapittelduinen (aanlegfase) als Westduinpark & Wapendal (aanlegfase- en gebruiksfase). De gemiddelde berekende depositie op dit habitattype is tevens 0,01 mol/ha/jr. Als de maximale depositie van 0,01 mol/ha/jr wordt afgezet tegen de verwachte afname van depositie blijkt dat dit maar een klein percentage is. De verwachte afname van 0,23 kg N/ha/jr (Meijendel & Berkheide), 0,21 kg N/ha/jr (Solleveld & Kapittelduinen) en 0,21 kg N/ha/jr (Westduinpark & Wapendal) staat gelijk aan respectievelijk 15,87, 14,93 en 14,93 mol/ha/jr (1 kg stikstof staat gelijk aan 70 mol) (AERIUS Calculator, 2015). De maximale planbijdrage is dus 0,06% in van de verwachte afname per jaar in Meijendel & Berkheide, 0,07% in Solleveld & Kapittelduinen en 0,07% in Westduinpark & Wapendal. figuur 5: stikstofbelasting (H2130A) in Meijendel & Berkheide (A), Solleveld & Kapittelduinen (B) en Westduinpark & Wapendal (C) met in paars het percentage overbelaste hexagonen in licht groen de bijna overbelaste hexagonen en in donker groen meer dan 70 mol/ha/jaar onder de KDW (AERIUS Monitor, 2025).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=ce8366e9-be34-4489-885f-7f79b6c0a4be