CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Pasgeld-Oost

Forum Stad 4 juni 2024, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan ''Pasgeld-Oost'' (RV 24 028)37.554 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, dijken, het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht in wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.

De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

39

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.

Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat hoe de provincie samen met haar partners werken aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Er zijn diverse Europese richtlijnen rondom water, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. In de Waterwet is bepaald wat de provincie moet doen om uitvoering te geven aan deze richtlijnen. Dit staat dus in het regionaal waterprogramma van de provincie.

De provincie Zuid-Holland gaat in het regionaal waterprogramma - naast deze verplichte onderwerpen - ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Op deze manier komt al provinciaal beleid dat te maken heeft met water samen in 1 document. Dit geeft een helder beeld van de aanpak van de provincie en laat de samenhang tussen de verschillende onderwerpen duidelijk zien. Provinciale Staten waren onder de indruk hiervan en hebben het regionaal waterprogramma unaniem vastgesteld. Bij de uitwerking van het regionaal waterprogramma is intensief samengewerkt met een groot aantal belanghebbende partijen, waaronder de 7 Zuid-Hollandse waterschappen, drinkwaterbedrijven, omgevingsdiensten en gemeenten. Daarnaast hebben 23 partijen een zienswijze ingediend op het ontwerp-regionaal waterprogramma. Het regionaal waterprogramma wordt iedere 6 jaar geactualiseerd en als het nodig is vaker.

Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

40 Beleid waterbeheerder Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 Op 10 maart 2022 heeft het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld. Dit is de opvolger van het Waterbeheerplan 2016-2021. Hiermee geeft Delfland invulling aan de verplichting voor waterschappen onder de Omgevingswet om een waterbeheerprogramma op te stellen. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland haar strategie voor de uitvoering van kerntaken voor de aankomende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap in de periode 2022-2027. Daarbij vormt het een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering. Naast een aantal verplichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn zwemwater en Natura 2000), zijn er voor het waterbeheerprogramma geen vormvereisten. Delfland heeft voor het WBP6 gekozen voor een opzet met drie verschillende niveaus: WBP6 op hoofdlijnen, een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, en een kennisbank. Handreiking watertoets Delfland heeft een Handreiking watertoets voor gemeenten.

De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor elk van de volgende ruimtelijke planvormen: stedenbouwkundige plan; structuurvisie; bestemmingsplan; beheersverordening; omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing; en tot slot de planfiguren van de Crisis- en herstelwet, zoals het projectuitvoeringsbesluit. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin. Keur en legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen, waterkeringen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het hoogheemraadschap van Delfland zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het hoogheemraadschap.

De Legger Oppervlaktewater is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. Gemeentelijk beleid Gemeentelijk Riolerings- en Waterplan Rijswijk (2021-2025) In juni 2021 heeft de gemeente Rijswijk een nieuw gemeentelijk riolerings- en waterplan vastgesteld, dat is opgesteld gezamenlijk met het Hoogheemraadschap van Delfland. De voorgaande jaren waren er op het gebied van water in Rijswijk twee plannen: het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) en het Waterplan. Deze plannen zijn samengevoegd in een overkoepelend plan met een looptijd van 5 jaar. Dit gemeentelijk Riolerings- en Waterplan beschrijft hoe de gemeente samen met het hoogheemraadschap de aankomende jaren (2021-2025) invulling geven aan hun watertaken en hoe dit bijdraagt aan het realiseren van de gestelde ambities. Het gaat over de zorgplichten met betrekking tot afvalwater, hemelwater en grondwater, maar ook over oppervlaktewater in de stad. De gemeente Rijswijk en het Hoogheemraadschap van Delfland werken daarnaast al jaren nauw samen aan het stedelijk waterbeheer.

Met een gezamenlijk waterplan, de wateragenda en het bijhorende Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

41 uitvoeringsprogramma willen zij een duurzaam, schoon, gezond en veilig watersysteem en een vitale aantrekkelijke leefomgeving realiseren. De komende jaren wil de gemeente blijven investeren in het vervangen van de bestaande riolering, maar ook aparte hemelwaterriolering aanleggen om te anticiperen op de klimaatverandering en de toename van afvalwater door de toename van woningen. Waterkwaliteit is belangrijk voor de biodiversiteit. De gemeente wil daarom gezamenlijk met Delfland de komende jaren ambities bepalen en kansen voor verbetering uitvoeren. Daarbij wordt bijvoorbeeld gedacht aan ecologisch baggeren, foutaansluitingen van de riolering opsporen en inrichten van natuurvriendelijke oevers. Verordening afvoer hemelwater Rijswijk 2022 De verordening afvoer hemelwater Rijswijk 2022 is in september 2022 vastgesteld. De verordening is gesteld op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer. Deze verordening zal bij inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege onderdeel zijn van het omgevingsplan van de gemeente Rijswijk. Bij de instrumentkeuze in de verordening is alvast voorgesorteerd op het instrumentarium van de Omgevingswet. Dat uit zich in het gebruik van de omgevingsvergunning en maatwerkvoorschriften. De verordening omvat hoofdzakelijk een verplichting tot waterberging bij nieuwbouw en een verplichting tot afkoppelen bij functiewijziging.

4.8.2 Onderzoek In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente/ontwikkelaar en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Bestaande situatie oppervlaktewatersysteem Voorheen bestond het plangebied voornamelijk uit glastuinbouw en graslanden. Een aanzienlijk deel van het terrein was verhard met glastuinbouwkassen. De kassencomplexen zijn in de huidige situatie niet meer aanwezig. In de bestaande situatie bestaan de gronden grotendeels uit onverhard grasland.

In het waterhuishoudkundig plan dat wordt opgesteld (zie verderop in deze paragraaf), is de uitgangssituatie voor de ontwikkeling van Pasgeld-Oost vergelijkbaar met de situatie 2015 die voor Pasgeld-West als uitgangssituatie is gehanteerd. Binnen Pasgeld-Oost was in 2015 3,6% verhard, 93,6% onverhard en 2,8% open water. Afbeelding 4.3 toont een uitsnede van de leggerkaart van het hoogheemraadschap in de wijdere omgeving van het plangebied. Pasgeld-Oost ligt in de Plaspoel- en Schaapweipolder en heeft een polderpeil van NAP-1,25 m. In en rondom het plangebied zijn in de huidige situatie verschillende watergangen aanwezig. Ten oosten van het plangebied loopt de boezemwatergang de Vliet (RijnSchiekanaal), die globaal de oostgrens vormt van de Pasgeld-driehoek. Binnen het plangebied zijn in de huidige situatie alle watergangen secundair. In het midden aan de oostzijde van het gebied grenst een boezemtak. Deze vertakking van de Vliet loopt evenwijdig aan de Pasgeldlaan in westelijke richting tot aan het plangebied. De boezem hoort niet bij het te ontwikkelen gebied. Daarnaast liggen er binnen het plangebied nog enkele secundaire watergangen. Zo loopt in het verlengde van de boezemtak een geïsoleerde watergang. Deze is niet verbonden met het polder- of boezemsysteem. In afstemming met het waterschap wordt deze watergang niet beschouwd als open water maar als onverhard terrein. Al

Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

42 het water in het gebied wordt afgevoerd via de duiker aan de rand van de TNO-locatie. Het water wordt via het slagenlandschap afgevoerd naar het gemaal. Uit de watersysteemanalyse van de Plaspoel- en Schaapweipolder (april 2022) blijkt dat binnen Pasgeld-Oost geen knelpunten aanwezig zijn. In Pasgeld-West zijn twee knelpunten aanwezig. Deze locaties kunnen bij extreme neerslag door peilstijging in de watergangen wateroverlast krijgen. Door de ontwikkeling van Pasgeld-Oost mogen deze knelpunten niet verergeren. In zijn algemeenheid geldt dat het watersysteem als geheel niet mag verslechteren. Het initiatief voor de aanpak van de geconstateerde knelpunten ligt bij Delfland.

Afbeelding 4.3: Uitsnede legger Hoogheemraadschap van Delfland.

Toekomstige situatie oppervlaktewatersysteem Het groenblauwe raamwerk zoals dat in het Schetsboek Pasgeld is uitgewerkt, vormt ook de basis voor de waterstructuur in het gebied. Daarmee wordt in Pasgeld één samenhangend en klimaatrobuust watersysteem gerealiseerd. Zo is het systeem voorbereid op stevige piekbuien, die in de toekomst vaker zullen voorkomen. Ook helpt een robuust watersysteem om beter te reageren op langere periodes van droogte en dan de waterkwaliteit goed te houden. De Dwarsmolensloot blijft voor Pasgeld als geheel de hoofdafvoer, zoals deze dat nu ook is. Vanuit de verschillende delen in Pasgeld wordt het overtollige regenwater via (hoofd) watergangen hiernaartoe getransporteerd. Via het gemaal naast Vlietzigt wordt het water geloosd op de Vliet (de boezem). Pasgeld-Oost wordt ontwikkeld tot nieuw stedelijk gebied, waarin naast groen en water de ontwikkeling van woningen is voorzien. Bij de ontwikkeling van Pasgeld-Oost wordt het verhard oppervlak groter dan in de oorspronkelijke situatie. Voor de inrichting van Pasgeld-Oost worden tussen de ontwikkelaar, gemeente en het Hoogheemraadschap van Delfland afspraken gemaakt waar het toekomstige oppervlaktewatersysteem in Pasgeld-Oost aan moet voldoen. Arcadis stelt daarom voor het gebied een waterhuishoudkundig plan (WHP) op, in samenspraak met het hoogheemraadschap.

Hierin wordt integraal de waterhuishouding van het bredere gebied beschouwd. Doel is een robuust en beheersbaar watersysteem. Vooruitlopend op het definitieve waterhuishoudkundig plan heeft Arcadis een Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

43 samenvattende memo opgesteld, die is opgenomen in bijlage 9. In deze memo worden per onderdeel de afspraken samengevat, en is aangegeven waaraan nog een nadere invulling moet worden gegeven. Uiteindelijk worden deze afspraken in het waterhuishoudkundig plan Pasgeld-Oost opgenomen. Dit plan zal de inpassing van het watersysteem in het stedenbouwkundig ontwerp beschrijven, op hoofdlijnen een technische uitwerking geven en de te maken afspraken vastleggen. Wateropgave Om ongewenste vergroting van de peilstijgingen bij hevige neerslag te voorkomen, is compensatie in wateroppervlak voor de toename aan verhard oppervlak noodzakelijk. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van Pasgeld-West. Er is voor gekozen om een deel van de compensatie in open water voor Pasgeld-West in Pasgeld-Oost te realiseren. De wateropgave van Pasgeld-West en -Oost worden daarom uiteindelijk gezamenlijk beschouwd. Beide ontwikkelingen vinden in hetzelfde peilgebied plaats. Vanwege de fasering in ontwikkeling wordt voor deze gebieden wel eerst apart de opgave bepaald. In de eerste plaats is voor het bepalen van de benodigde waterberging gebruik gemaakt van de watersleutel van Delfland om een eerste inschatting te maken. Als uitgangspunt wordt hierbij gehanteerd dat de peilstijging die eens in de 100 jaar kan optreden, niet door de ontwikkeling en de klimaatverandering verslechterd.

Er wordt uitgegaan van de maximaal toegestane peilstijging in het gebied van 36 cm (uitkomst uit de watersysteemanalyse Plaspoel- en Schaapweipolder uit 2021), en als uitgangssituatie is de oorspronkelijke situatie van 2015 gebruikt. De watersleutel is echter in veel gevallen minder geschikt voor toepassing voor grootschalige ontwikkelingen. Er wordt bijvoorbeeld geen rekening gehouden met verlies van maaiveldberging in de oorspronkelijke situatie (situatie 2015), met verandering van de grondsoort bij ophogen of met ander gedrag van buien bij andere oppervlaktes verhard en open water. Daarom is voor het gebied van Pasgeld-Oost en de directe omgeving een hydrologisch model gemaakt om het effect van de ontwikkeling op de oppervlaktewaterstanden te berekenen bij diverse intensiteiten van neerslag. Met het model wordt nauwkeuriger inzichtelijk gemaakt wat de benodigde hoeveelheid waterberging voor de compensatie voor nieuwe verharding is. Arcadis heeft het voorlopige stedenbouwkundige ontwerp (maart 2023) met dit model doorgerekend. Daarbij hanteren zij de oppervlakten uit tabel 4.1 en de onderstaande uitgangspunten: - Compensatie voor nieuwe verharding en de klimaatopgave voor Pasgeld-West zijn hierbij niet opgenomen.

- Voor de berekening van het verhard oppervlak is uitgegaan van een verhardingsgraad van 44%, met inachtneming van de volgende verhardingspercentages: • 100% voor ondoorlatende verharding, zoals de verkeersstructuur en uitgeefbaar gebied van appartementen; • 85% voor uitgeefbaar gebied van grondgebonden woningen (representatieve invulling); • 50% voor halfverhardingen, zoals grasbetontegels; • 0% voor waterdoorlatende oppervlakten, zoals groenvoorzieningen.

Tabel 4.1: Oppervlakten bestaande en toekomstige situatie (bron: Arcadis, april 2023).

Uit tabel 4.1 blijkt dat de toename in verharding (16.772 m2) wordt gecompenseerd met de realisatie van 2.765 m2 extra open water. Met de gehanteerde uitgangspunten voldoet deze compensatie aan Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

44 open water voor nieuwe verharding in Pasgeld-Oost. Nieuwe verharding wordt met deze uitgangspunten in Pasgeld-Oost gecompenseerd met meer dan 16,5% open water. De definitieve berekening van de benodigde compensatie voor het verharde oppervlak om tot een robuust en beheersbaar watersysteem te komen, wordt opgenomen in het WHP. Met Delfland is afgesproken dat de compensatie voor het huidige klimaat gezocht moet worden in open water. Het effect van klimaatverandering mag ook worden opgevangen met bergingsmaatregelen op het land. Voor de klimaatopgave worden vasthoud- en bergingsmaatregelen in andere maatregelen dan open water gerealiseerd, in lijn met het Convenant klimaat adaptief bouwen. De klimaatopgave die Delfland vraagt is gelijk aan 8,9 mm over het oppervlak van het plangebied. Deze is voor het ontwikkelgebied van Pasgeld-Oost gelijk aan 326 m3 en voor Pasgeld-West 45 m3 (5.000 m2). Het uitgangspunt bij de ontwikkeling is om het water zo lang mogelijk in Pasgeld-Oost vast te houden, om de druk op de rest van de polder en de boezem te beperken. Dit vasthouden en vertraagd afvoeren van het water gebeurt door middel van een zogenaamd ‘cascade-systeem’, waarbij regen eerst zover mogelijk op particulierterrein wordt opgevangen, vervolgens vertraagd wordt afgevoerd naar de straten en het groen en het water.

Als er veel regenwater is, wordt het ook naar het wijkgroen en -water afgevoerd en pas als laatste via watergangen naar het gemaal. Hoe deze ‘watercascade’ precies vorm krijgt, wordt verder uitgewerkt. De geïsoleerde watergang zal als waterbuffer worden ingericht, waarbij het regenwater gestuwd wordt en vertraagd naar het polderoppervlaktewatersysteem wordt afgevoerd. Het conceptuele plan is momenteel dat de watergang onder normale omstandigheden onderdeel vormt van het omliggende watersysteem. Bij hevige neerslag zal de watergang gestuwd worden en kan het peil daar verder stijgen dan in het omliggende watersysteem. De watergang is een voormalige boezemwatergang. Na herstel van de oevers kan het peil in de watergang tot boezempeil stijgen. De peilstijging boven de peilstijging van het omliggende watersysteem kan als extra berging worden meegerekend. Tussen Pasgeld-West en Pasgeld-Oost worden onder de Lange Kleiweg twee duikerverbindingen gerealiseerd. Deze verbindingen maken dat er sprake is van een robuust watersysteem dat uitwisseling tussen de deelgebieden mogelijk maakt zowel in tijden van droogte als bij neerslagoverschot. Het maakt het watersysteem flexibeler en toekomstbestendiger, zeker in het licht van klimaatverandering. Het zorgt er bovendien voor dat het water straks in Pasgeld-Oost beter kan doorstromen, wat de waterkwaliteit ten goede komt.

De eisen ten aanzien van waterberging uit de gemeentelijke verordening afvoer hemelwater worden hier niet volledig toegepast, in afstemming tussen de gemeente en ontwikkelaar. Een anterieure overeenkomst tussen beide partijen was namelijk al gesloten voordat de verordening met bijbehorende eisen was vastgesteld. Watergangen en duikers De uitgangspunten bij de aanleg van nieuwe watergangen zijn gebaseerd op het beleidsdocument ‘Beleidsregels Dempen en graven’ opgesteld door het Hoogheemraadschap van Delfland en het gemeentelijke Programma van Eisen. In het gebied worden alleen nieuwe secundaire watergangen gerealiseerd. Voor Pasgeld-Oost worden binnen de gestelde eisen uit de beleidsregels de volgende uitgangspunten voor de aan te leggen profielen gehanteerd: - Minimale breedte watergangen: 6 meter breed; - Diepte watergangen: leggerdiepte van 1 meter ongeacht de breedte; - Bodembreedte: minimaal 0,5 meter; - Talud: bij watergangen breder dan 6,5 m: ten minste 1:3 of flauwer. Bij watergangen tussen 6,5 en 6 m breedte wordt het onderwater talud steiler tot maximaal 1:2 of wordt gewerkt met beschoeiing;

Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

45 -

-

Type vooroevers: vooroevers (geen officiële HHD nvo’s) ten minste 1:4 met doorlopend flauw onderwater talud; plasberm ten minste 0,5 m breed, 20-30 cm diep; officiële nvo’s conform beleid HHD. In voorkomende gevallen is maatwerk nodig. Dit zal vooraf worden afgesproken met Delfland.

De uitgangspunten voor het toetsen van het functioneren van de duikers zijn gebaseerd op het beleidsdocument ‘Beleidsregels Kunstwerken in wateren’ opgesteld door het Hoogheemraadschap van Delfland. Deze zijn nader uiteengezet in het WHP, en hebben onder meer betrekking op de minimale diameter, dimensionering, maximale toelaatbare stroomsnelheid en verval, en het aandeel lucht. Inlaten Volgens de legger van Delfland is er vanuit de boezemtak een inlaat voor het gebied de Drassige Driehoek ten zuiden van Pasgeld-Oost aanwezig. Deze inlaat is niet teruggevonden. Verder is er geen inlaat in het gebied aanwezig en zou het gebied alleen op peil kunnen worden gehouden via de enige afvoerroute, de duiker naar het slagenlandschap, die dus ook als inlaatroute fungeert. Door de twee nieuwe duikers onder de Lange Kleiweg wordt het aanvoersysteem robuuster en kan het gebied ook worden gevoed vanuit Pasgeld-West. Infiltratie In het Convenant klimaatadaptief bouwen zijn eisen gesteld voor infiltratie om de negatieve effecten van droogte te voorkomen/beperken: langdurige droogte mag niet tot schade leiden. Een belangrijk instrument kan hierbij het infiltreren van voldoende water zijn. In de Leidraad 2.0 bij het convenant wordt daarom voor Zuid-Holland gesteld dat in het plangebied 50% (450 mm) van de jaarlijkse neerslag geïnfiltreerd wordt.

Hierin wordt een bereik gegeven tussen 20% en 100% infiltratie. Bij het nu geplande verhardingspercentage is voor Pasgeld-West berekend dat ongeveer 37% van de neerslag zal infiltreren. Dat zit binnen de 20-100% die Zuid-Holland als eis heeft. Voor Pasgeld-Oost zal dat in dezelfde ‘range’ liggen. Vanwege last met hoge grondwaterstanden, een minder goed doorlatende bodem en een beperkte drooglegging wordt meer infiltreren niet wenselijk geacht. Grondwater en drooglegging De drooglegging binnen het te ontwikkelen gebied van Pasgeld-Oost wordt groter door het ophogen van het gebied. Vooral wanneer er verharding komt, kan het water niet direct in de grond infiltreren waardoor de grondwaterstand lager wordt. Bij onverharde delen is dit andersom. De gronden van de bestaande bebouwing langs het Jaagpad en de Van Hardenbroeklaan vormen geen onderdeel van de herinrichting en worden niet opgehoogd. Tussen de bestaande bebouwing en de nieuwe ontwikkelingen worden watergangen gerealiseerd als scheiding. De ontwatering bij de bestaande bebouwing zal hierdoor worden beïnvloed. De drooglegging in het plangebied zal vanwege het bovengronds afstromen van het hemelwaterwater variëren. Het laagste bodempeil zal NAP -0,05 m zijn. De minimale drooglegging bedraagt daarmee 1,20 m.

De ontwatering zal in lijn met het Gemeentelijk rioleringsplan (GRP) minimaal 70 cm voor wegen en 80 cm voor bebouwing bedragen. Onder de wegen in het plangebied wordt een drainage voorzien. In het WHP wordt aangetoond dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de grondwaterstanden bij de bestaande bebouwing. De gemeente heeft onderzoek gedaan naar de oorzaak van de grondwaterklachten bij de bestaande bebouwing. Als belangrijkste oorzaak van de hogere grondwaterstanden wordt de nieuwe damwand langs de Vliet gezien. Zodra er meer duidelijkheid is over hoe dat opgelost kan worden, wordt bekeken wat het effect wordt van de nieuwe ontwikkeling PasgeldOost. Indien nodig worden in het WHP mitigerende maatregelen opgenomen om de grondwaterstand vergelijkbaar te houden met de situatie voordat er grondwaterproblemen waren.

Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

46 Waterveiligheid Zoals te zien in afbeelding 4.3, bevindt zich een regionale waterkering langs de Vliet (Rijn-Schiekanaal) ten oosten van het plangebied. Deze watergang ligt buiten het plangebied; de bijbehorende waterstaatswerk- en beschermingszone valt aan de noordoostkant wel binnen de plangrenzen. Ook voor de vertakking van de Vliet evenwijdig aan de Pasgeldlaan is een waterkering en beschermingszone aangeduid. Corresponderend met deze zone is in het bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Op deze gronden mogen in principe alleen bouwwerken ten dienste van de waterkering, -huishouding en -berging worden gebouwd. Daarvan kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken wanneer geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van de waterkering en waterhuishouding, en een vergunning is verkregen van de beheerder van de waterkering. Binnen deze zone zijn geen nieuwe ontwikkelingen voorzien, die onevenredige afbreuk doen aan de waterstaatsbelangen. Voordat eventueel gegraven wordt binnen deze dubbelbestemming zal hierover met het hoogheemraadschap worden afgestemd. Indien nodig worden er nadere afspraken gemaakt om het belang van de waterhuishouding te waarborgen. Waterkwaliteit Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater komt de waterkwaliteit ten goede.

Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Ook wordt samen met Delfland onderzocht of er voor extra doorspoeling van de wijk een inlaat moet komen en/of opgewaardeerd moet worden. In het ontwerp zijn natuurvriendelijke oevers (nvo’s) voorzien. Nvo’s kunnen bijdragen aan een betere waterkwaliteit. Voor het aanleggen van nvo’s zal een melding worden gedaan of watervergunning worden aangevraagd bij Delfland indien nodig. Volksgezondheid Doordat regenwater gescheiden wordt afgevoerd van het afvalwater, worden (gemengde) riooloverstorten voorkomen en zullen bestaande gemengde overstorten niet verergeren. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd.

Afvalwaterketen Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater, het beheer en onderhoud aan de waterkering en de primaire watergangen. De onderhoudsplicht voor secundaire watergangen ligt bij de kadastrale eigenaar. Bruggen De nieuw aan te leggen bruggen liggen in watergangen die varend onderhouden moeten gaan worden. Dit vereist dat de bruggen een minimale waterdiepte hebben van 1,0 m, een minimale doorvaarbare hoogte hebben van 1,0 m boven het streefpeil (NAP -1,25 m) en een minimale doorvaartbreedte hebben van 3,1 m. Wordt er voor het onderhoud aan deze eisen voldaan, dan heeft het plaatsen van deze bruggen geen nadelige gevolgen voor de stroomsnelheid of het verhang in de watergang. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

47 ligt bij de gemeente. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater, het beheer en onderhoud aan de waterkering en de hoofdwatergangen. De onderhoudsplicht voor overige watergangen ligt bij de kadastrale eigenaar. Activiteiten binnen de onderhoudsstroken zijn vergunningplichtig op grond van de Keur. Onderhoudsstroken dienen (zwaar) onderhoudsmaterieel te kunnen dragen. Er mogen zich geen obstakels in de onderhoudsstroken bevinden. Afhankelijk van de breedte van de watergangen worden deze varend of rijdend onderhouden. De breedte van de onderhoudsstroken aan weerszijde van de watergang is afhankelijk van de breedte van de watergang en het soort onderhoud. Het merendeel van de nieuwe watergangen In Pasgeld-Oost zal varend worden onderhouden. Bij enkele watergangen die ingesloten worden door duikers wordt rekening gehouden met onderhoud vanaf de kant. Voor het varend onderhoud worden twee hellingen gerealiseerd waar een onderhoudsboot te water kan worden gelaten.

4.8.3 Conclusie Met het oog op het toekomstige watersysteem en de te realiseren wateropgave in relatie tot de ontwikkeling van Pasgeld-Oost wordt een integraal waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het WHP beschrijft de inpassing van het watersysteem in het stedenbouwkundig ontwerp, geeft op hoofdlijnen een technische uitwerking en legt de te maken afspraken vast. Het definitieve WHP wordt nog nader uitgewerkt, in samenspraak met het hoogheemraadschap van Delfland. Wat betreft waterveiligheid is voor de regionale waterkeringen die binnen het plangebied vallen een beschermende dubbelbestemming opgenomen. De overige waterthema’s leiden niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan wordt, conform artikel 3.1.1 van het Bro, nog aan het Hoogheemraadschap van Delfland voorgelegd.

4.9

Natuur en ecologie

4.9.1 Kader Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden).

Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

48 Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland en overige bos- en natuurgebieden Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

4.9.2 Onderzoek Soortenbescherming De kans bestaat dat in het plangebied beschermde planten- en/of diersoorten voorkomen. In het licht van de voorgekomen ontwikkelingen is daarom onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming benodigd. Ecologische quickscan VanderHelm Milieubeheer heeft voor de gehele Pasgeld-driehoek een gebiedsbrede ecologische quickscan uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 10. De belangrijkste bevindingen uit het onderzoek met betrekking tot Pasgeld-Oost zijn hieronder samengevat. Uit de ecologische quickscan blijkt dat de aanwezigheid van zwaarder beschermde soorten in het gehele onderzoeksgebied niet kan worden uitgesloten. Voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden dient te worden bepaald of zwaarder beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn, middels een soortgericht onderzoek. Binnen het deelgebied Pasgeld-Oost zijn geen elementen van zwaarder beschermde soorten aanwezig waarnaar vervolgonderzoek benodigd is. Gezien de nabijheid van bezette nesten in het verleden (o.a. 2021 – Schoffel en 2020 – omgeving Jaagpad) én de geschiktheid van het deelgebied als foerageergebied (door aanwezigheid open gras- en rietland in een rustige omgeving) maakt PasgeldOost deel uit van essentieel foerageergebied voor de ransuil.

Gedurende 2022 is reeds gebiedsbreed onderzoek uitgevoerd naar leefgebied van de ransuil binnen het hele onderzoeksgebied. Uit dit onderzoek (en de daarop volgende bureaustudie) is gebleken dat sprake is van een ruim foerageergebied als onderdeel van het essentieel leefgebied van de ransuil. Daardoor is ook voor de werkzaamheden in Pasgeld-Oost ontheffing van de Wnb benodigd in relatie tot de ransuil. Voor de ransuil is daarom op 31 juli 2023 een ontheffing op de Wet natuurbescherming aangevraagd bij de ODH (als toetser gemandateerd door de provincie Zuid-Holland). Onderdeel van de ontheffing is het opstellen van een activiteitenplan waarin de ontheffingsaanvraag wordt onderbouwd en de te nemen maatregelen worden beschreven. Het bestemmingsplan biedt voldoende ruimte voor het nemen van de benodigde maatregelen. Het is de verwachting dat de benodigde ontheffing bij het treffen van de juiste maatregelen en onderbouwing door het bevoegd gezag zal worden afgegeven. Het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Hiernaast worden ecologie en biodiversiteit in Pasgeld-Oost in een breder perspectief geplaatst. Naast Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

49 de uitkomst en eventuele maatregelen van sec de ecologische onderzoeken in het kader van de Wnb, wordt gekeken naar de aanwezige natuurwaarden2 in het gebied en de koppeling met de stedenbouwkundige uitwerking van de ecologische (groenblauwe) hoofdstructuur. Waar mogelijk worden koppelkansen benut om het gebied voor flora en fauna aantrekkelijk en divers in te richten, met als doel de biodiversiteit van het gebied optimaliseren. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet op gronden die zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN); het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 1,5 km. Er gaat dan ook geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Ook maakt het plangebied geen deel uit van andere beschermde natuurgebieden, zoals beschermd weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Westduinpark & Wapendal, ligt op circa 7 kilometer van het plangebied. Gezien deze afstand zijn directe nadelige effecten door de voorgenomen ontwikkelingen zoals optische verstoring, trillingen, licht- of geluidhinder uit te sluiten. Effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. In ieder geval is een stikstofdepositieberekening nodig om te bepalen of effecten op Natura 2000-gebieden kunnen optreden.

Indien hieruit blijkt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen niet kunnen worden uitgesloten, dan dient een passende beoordeling te worden opgesteld. Stikstof KuiperCompagnons heeft voor de ontwikkeling van Pasgeld-Oost een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. In dit onderzoek is de stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase van deze nieuwe woningen beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. De bijbehorende notitie is opgenomen in bijlage 12. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat met de gekozen uitgangspunten geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden gedurende de aanleg en de gebruiksfase van de nieuwe woningen in dit bestemmingsplan. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van de Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten en dat het aspect stikstofdepositie uit de Wnb niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit plan. Ecologische structuur Pasgeld Los van de wettelijk beschermde natuurgebieden, kent de Pasgeld-driehoek belangrijke natuurlijke en landschappelijke waarden.

Het gebied heeft een groen karakter, met onder meer het Elsenburgerbos, het slagenlandschap en de tuincomplexen De Schoffel, Lommerijck en De Volle Grond. Daarnaast bevinden zich in de directe omgeving het Wilhelminapark, de Vliet en het groen van de Rijswijkse Golfclub. De driehoek Pasgeld vormt in samenhang met deze groengebieden als het ware een groenblauwe buffer tussen Rijswijk en Delft. Als zodanig heeft het gebied een belangrijke ecologische en recreatieve functie, met betekenis voor de natuur en mensen die recreëren in die natuur. Zo draagt het ook voor een belangrijk deel bij aan de leefbaarheid van omliggende woon- en werkomgeving. De ruimtelijke ontwikkelingen die zijn voorzien, kunnen leiden tot toenemende druk op de natuur en het landschap in Pasgeld. Vanwege de diverse voorgenomen ontwikkelingen in Pasgeld, die zich in verschillende planstadia bevinden, bestaat de behoefte om integraal te kijken naar kansen voor natuur en landschap. De gemeente Rijswijk streeft naar een integrale gebiedsontwikkeling van de driehoek Pasgeld. Een gebied waar beschermwaardige natuur behouden blijft en natuurinclusiviteit de norm wordt bij nieuwe ontwikkelingen. Dit is mogelijk door essentiële natuurtypen te behouden en nieuwe kansen voor natuur en landschap te benutten.

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven kunnen 2 ‘Ecologische structuur Pasgeld Rijswijk’ (Tauw, 30 april 2021), opgenomen in bijlage 11 en beschreven verderop in deze paragraaf.

Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

50 pas doorgang vinden als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er geen sprake is van afbreuk van beschermwaardige natuur. Het accent moet liggen op het aangrijpen van kansen die de lokale biodiversiteit ten goede komen en bijdragen aan een robuuste ecologische samenhang. In dit kader is in 2021 door Tauw een visiedocument voor de ecologische structuur van Pasgeld opgesteld (zie bijlage 11). Dit is een objectieve verkenning van de huidige en potentiële natuurwaarden in de ‘driehoek Pasgeld’ en de ecologische samenhang van het gebied met de omgeving. De natuurwaarden en de ecologische samenhang daartussen zijn in een ecologische structuurkaart visueel weergegeven (zie afbeelding 4.4). Ook zijn ontbrekende schakels in beeld gebracht die opgelost moeten worden om de passeerbaarheid voor fauna te bevorderen. Om lokale en regionale kansen voor natuur en landschap kracht bij te zetten is per deelgebied een lijst van maatregelen ten gunste van natuur opgesteld.

Afbeelding 4.4: Natuurwaardenkaart Pasgeld (bron: Tauw, april 2021).

Met behulp van deze kaart en het achtergronddocument heeft de gemeente Rijswijk een instrument in handen dat bedoeld is als ecologische onderlegger en toetsingskader voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. Op die manier kan richting worden gegeven aan een robuuste ecologische samenhang en een natuurinclusief Pasgeld. Het rapport van Tauw en de daarin beschreven natuurwaarden dienen dan ook als basis voor het vormgeven van het groenblauwe raamwerk van Pasgeld. Natuurinclusief bouwen in Pasgeld is een breed gedragen wens; dit begint al bij de stedenbouwkundige en landschappelijke hoofdstructuur van het gebied. Met de beoogde invulling van het groenblauwe raamwerk is deze hoofdstructuur in het Schetsboek Pasgeld nader uitgewerkt.

Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

51 Er worden drie kansrijke natuurtypen in Pasgeld aangemerkt: bos- en parknatuur, water- en moerasnatuur en stadsnatuur. Daarbinnen zijn kern- en deelkerngebieden aangewezen. Hoe meer samenhang er tussen de verschillende gebieden is, hoe robuuster en gevarieerder de leefgebieden en hoe beter het is voor de flora en fauna en biodiversiteit. Daarom is het van belang om goede verbindingen met tussentijdse rustpunten (zogenaamde stapstenen) te realiseren tussen de verschillende kern- en deelkerngebieden. Zo zijn er verbindingen voorzien voor bos- en parknatuur en water- en moerasnatuur langs de Lange Kleiweg en voor water- en moerasnatuur langs het spoor. Dwars daarop komen nog twee belangrijke verbindingen; via de Zweth en via de zone ten zuiden van de TNO-locatie en De Schoffel. Deze twee verbindingen verknopen beide zijden van de Lange Kleiweg, maar leggen idealiter ook relaties over of onder het spoor met het Wilhelminapark. In Pasgeld-Oost en -West wordt gedacht aan het maken van stapstenen voor waternatuur, in de vorm van waterlopen en/of plassen met natuurlijke oevers. Op die manier ontstaat er samenhang tussen de waterrijke natuur van het Wilhelminapark en het slagenlandschap. Door meer natuurlijke oevers te maken in het slagenlandschap kan ook in het kerngebied een impuls aan deze natuurwaarden gegeven worden.

Dit wordt gecombineerd met ruimte voor de benodigde waterberging. Bij de verdere uitwerking van het ecologische raamwerk ligt de uitdaging om barrières te slechten en waterverbindingen te verknopen. Zo vormen het spoor, de Lange Kleiweg en TNO-locatie barrières met name voor water- en moerasnatuur. In het Schetsboek Pasgeld zijn twee robuuste groen- en waterverbindingen in het gebied als basis genomen voor het groenblauwe raamwerk: de ‘Bosloper’ en de ‘Parkloper’. Met de juiste inrichting verbinden deze twee ‘lopers’ alle bestaande waardevolle groene plekken, zowel ecologisch als recreatief. Ook vormt het de basis voor een meer robuuste waterstructuur, en een kapstok voor de ontsluitingsstructuur. Binnen dit raamwerk krijgen bestaande en nieuwe buurtschappen van Pasgeld (Oost en West) een duidelijke plek, genesteld in het groen. Het groenblauwe raamwerk is ook verwerkt in de hoofdplanstructuur voor Pasgeld, zoals te zien in afbeelding 2.4. De ontwikkeling van het nieuwe woongebied Pasgeld-Oost wordt hierbinnen ingepast. De groenblauwe structuren worden in het plangebied verweven door een fijnmaziger netwerk van groen en water binnen het plangebied, dat wordt uitgewerkt in het omgevingskwaliteitsplan en stedenbouwkundig ontwerp. Zo fungeert Pasgeld-Oost als stapsteen tussen verschillende groene gebieden.

In het ontwerp wordt ingezet op de gelaagdheid van de biodiversiteit van grassen, gewassen, struiken, struweelte tot hoge bomen. Zo is er veel biodivers groen en worden de bestaande waterlopen uitgebreid. Wateroppervlak kan worden aangevuld met ruigte waarin insecten en amfibieën kunnen broeden. Ook kan voorzien worden in nestmogelijkheden en veilige oversteekplaatsen voor inheemse diersoorten. Natuurinclusiviteit in Pasgeld-Oost Vanwege de ecologische en landschappelijke waarden in de omgeving van het plangebied, besteedt het ontwerp voor Pasgeld-Oost nadrukkelijk aandacht aan natuurinclusiviteit. Zoals benoemd in paragraaf 2.4, heeft Flux daartoe een natuurinclusief plan voor Pasgeld-Oost uitgewerkt (zie bijlage 19). Het onderzoek van Tauw zoals beschreven in de vorige paragraaf is hierin als basis genomen voor de groenblauwe hoofdstructuur van Pasgeld-Oost. De insteek is om met de inrichting van de groen- en waterstructuur en de uitwerking van de openbare ruimte de aanwezige natuurwaarden waar mogelijk te verbinden en te versterken: - Pasgeld-Oost heeft een inbedding in bos- en parknatuur. Belangrijk aandachtspunt voor de groenstructuur van Pasgeld-Oost is de aantakking met de robuuste groenzones gepland aan de west- (Lange Kleiweg) en noordzijde. - Voor de water- en moerasnatuur is het binnengebied de belangrijkste ader.

Hierin worden bestaande natte elementen verbonden en uitgebreid. - Behoud van het bosje langs de Lange Kleiweg kan mogelijk de ecologische verbindingszone langs de Lange Kleiweg versterken. Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

52 -

-

Drie stapstenen (0,5 – 2 ha) voor water- en moerasnatuur; stapstenen dienen binnen 100 m van elkaar te liggen en met elkaar en de groenblauwe hoofdverbinding verbonden te worden door wijkgroen en verbindingszones. Een groenblauwe verbinding (10 m) dient aanwezig te zijn, zodat migratie kan plaatsvinden van en naar andere gebieden, onder andere Pasgeld-West, het slagenlandschap en TNO-gebied.

Op basis hiervan zijn in het ontwerp de beoogde water- en groenstructuren voor Pasgeld-Oost uitgewerkt (zie afbeelding 4.5). Gezamenlijk vormen deze een rijk ecosysteem met verschillende typen natuur(waarden) in Pasgeld-Oost (zie afbeelding 4.6). Doel is om hiermee het moerassige karakter van het gebied te behouden, het landschap te verrijken en verschillende biotopen te integreren die een waardevolle bijdrage leveren aan de biodiversiteit en bestaande flora en fauna versterken. Extra oppervlaktewater, natuurlijke oevers (water- en moerasnatuur), bos (bos- en parknatuur) natte en droge hooilanden en kruidenrijk grasland (stadsnatuur) en vormen een natuurlijk en zelfvoorzienend landschap dat bijdraagt aan de biodiversiteit. Nieuwe leefgebieden bieden permanente rust- en broedplaatsen voor broedvogels, kleine zoogdieren en allerlei soorten ongewervelde dieren. Speciale aandacht wordt besteed aan icoonsoorten, nader bepaald per natuurtype. Om de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied in te passen in deze natuurwaarden, wordt op verschillende manieren toepassing gegeven aan natuurinclusief bouwen. De ontwikkelingen zullen onder meer op de volgende manieren bijdragen aan de ecologische waarde van het gebied: - Rondom de woningen en in het openbaar gebied zal er een impuls worden gegeven aan de groene kwaliteit.

- Er wordt een selectie van inheemse soorten in het park geplaatst, inheemse beplanting en beplantingsvormen waarin vogels kunnen foerageren en schuilen en kleine zoogdieren dekking kunnen zoeken. Er worden verschillende soorten aangeplant om de vegetatie te verreiken waardoor er verschillende bijen en vlinders worden aangetrokken. - Er worden groene erfafscheidingen gerealiseerd in de vorm van hagen en struiken, bijvoorbeeld de Zeeuwse haag, die aantrekkelijk zijn voor dieren. - Vogelhuisjes en insectenhotels in het park en in de architectuur vormen verblijfplaatsen voor verschillende dieren. De waterstructuur in Pasgeld Oost staat in verbinding met de Vliet, de hoofdader voor het water en de waterrijke natuur in het gebied. In lijn met de bredere ecologische visie vormt het gebied een belangrijke stapsteen voor de Waterloop, de verbinding tussen de Vliet en Pasgeld-West. Door hierop aan te sluiten wordt meer oppervlaktewater gecreëerd, maar worden ook de oevers verbreed en verbeterd qua ecologische waarde. De oevers van de bestaande watergang worden afgevlakt tot 1:3 zodat er meer water geborgen kan worden, natuurlijke oevervegetatie zich kan ontwikkelen en de beschoeiing verwijderd kan worden. Wanneer er ruimte is voor een helling van 1:7, zal een natuurlijke oever worden toegepast die aantrekkelijk is voor flora en fauna.

Het watersysteem in relatie tot klimaatadaptatie komt nader aan bod in paragraaf 4.11.2.

Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

53

Afbeelding 4.5: Blauw- en groennetwerken in Pasgeld-Oost (bron: Flux, 27 juni 2023).

Afbeelding 4.6: Voorlopig ontwerp en ecosysteem Pasgeld-Oost (bron: Flux, 27 juni 2023). Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

54

4.9.3 Conclusie Wat betreft flora en fauna is een ecologische quickscan uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat in PasgeldOost geen elementen van zwaarder beschermde soorten aanwezig zijn waarnaar vervolgonderzoek benodigd is. Wel is gebleken dat het plangebied mogelijk onderdeel vormt van essentieel leefgebied van de ransuil, en voor de beoogde werkzaamheden in het plangebied ontheffing van de Wnb benodigd is. Deze ontheffing is aangevraagd bij de ODH, in combinatie met een daartoe opgesteld activiteitenplan. Naar verwachting zal de benodigde ontheffing bij het treffen van de juiste maatregelen en onderbouwing worden afgegeven. Het soortenbeschermingsregime in de Wnb staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Ten aanzien van beschermde gebieden, blijkt uit een stikstofdepositie-onderzoek dat significant negatieve effecten op de instandhouding van Natura 2000gebieden kunnen worden uitgesloten en dat het aspect stikstofdepositie uit de Wnb niet leidt tot belemmeringen. Daarnaast is met het oog op de belangrijke natuurlijke en landschappelijke waarden van de Pasgelddriehoek, een visie voor de ecologische structuur van het gebied opgesteld. Hierin zijn de huidige én potentiële natuurwaarden van Pasgeld in kaart gebracht, en kansen voor natuur en landschap bij de toekomstige ontwikkeling van het gebied.

Dit heeft als basis gediend voor de stedenbouwkundige en landschappelijke hoofdstructuur van het gebied, uitgewerkt in het groenblauwe raamwerk.

4.10 Cultuurhistorie en archeologie 4.10.1 Kader Een aantal beleidsstukken en nota’s geeft richtlijnen en kaders voor de inrichting van gebieden in relatie tot cultuurhistorie en archeologie. Te noemen zijn de provinciale cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS) en de Erfgoedwet. Aanvullend op het beleid uit de Erfgoedwet geldt inzake ‘monumenten’ het volgende beleidskader. De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.

4.10.2 Onderzoek Archeologie Het beleid van de gemeente Rijswijk is om waardevolle archeologische resten zoveel mogelijk intact in hun originele positie in de bodem te bewaren. Als er geen of onvoldoende informatie over een gebied voorhanden is, wordt een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd om na te gaan, of het gebied van het bestemmingsplan behoudenswaardige (dat wil zeggen wetenschappelijk waardevolle) archeologische resten bevat. Percelen, die behoudenswaardige resten bevatten, worden gereserveerd voor behoud of voor een archeologisch vervolgonderzoek (opgraving). Opgravingen worden uitsluitend uitgevoerd, als behoud en bescherming van de resten in hun originele positie in de bodem niet mogelijk is. Deze gedragslijn zorgt voor bescherming van (mogelijk aanwezige) archeologische waarden in het gebied. Ten behoeve van de ontwikkeling van RijswijkBuiten als nieuwe woonwijk is bij aanvang van de gebiedsontwikkeling in 2010 gestart met het uitvoeren van archeologisch onderzoek. Het archeologisch onderzoek moet zoveel mogelijk uitgevoerd zijn vóór het voorbelasten en het ophogen van de percelen. Wanneer waardevolle archeologische resten redelijkerwijs in het plan ingepast kunnen worden door Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

55 wijziging van de planvorming, worden de onderzochte percelen na het vooronderzoek niet vrijgegeven, maar aangewezen voor bescherming. De gemeente Rijswijk zal percelen binnen het gebied RijswijkBuiten vrijgeven voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden: • ofwel na het archeologisch bureauonderzoek, als daaruit blijkt dat de kans op het voorkomen van waardevolle resten verwaarloosbaar klein is. • ofwel na het inventariserend veldonderzoek, als blijkt dat er binnen de percelen waarschijnlijk geen waardevolle archeologische resten in de bodem aanwezig zijn. Om de archeologische verwachting te kunnen verifiëren worden bij het veldonderzoek grondboringen en proefsleuven uitgevoerd. • ofwel na het afronden van het archeologische vervolgonderzoek, als gebleken is dat er ter plaatse waardevolle archeologische resten in de bodem aanwezig zijn, die niet behouden kunnen worden. Voor het ontwikkelgebied Pasgeld-Oost is door Vestigia een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 13. De bevindingen uit het onderzoek zijn hieronder samengevat. Door middel van het bureauonderzoek is in kaart gebracht of zich binnen het plangebied behoudenswaardige archeologische resten (zouden kunnen) bevinden, die tegen de achtergrond van de beoogde bodemingrepen gevaar lopen.

Op basis van het bureauonderzoek is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Hierbij werd een bouwvoor aangetroffen tot een diepte van 20 tot 60 centimeter beneden maaiveld. Deze bouwvoor kan worden gelinkt naar de bouw van kassen in de jaren 60 van de vorige eeuw. In vijf boringen is een grotere verstoring aangetroffen. Deze zijn te linken aan historische woningbouw en parkvorming. Onder de bouwvoor zijn getijdeafzettingen aangetroffen met een kleiige top. In de getijdeafzettingen zijn geen kenmerken van bodemvorming aangetroffen. Ook zijn de afzettingen niet ontkalkt. Verder zijn er geen kustduinen aangetroffen in de boringen. Vanwege de afwezigheid van natuurlijke bodemvorming (stilstand- en/of vegetatiehorizonten) in de top van de getijdeafzettingen, de afwezigheid van duinen in de wadafzettingen daaronder en de recent verstoorde bouwvoor kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen archeologische waarden worden verwacht. De archeologische verwachting voor het plangebied kan worden bijgesteld naar laag. Tijdens het verkennend booronderzoek is een bouwvoor uit de jaren 60 aangetroffen met daaronder getijdeafzettingen. De top van de getijdeafzettingen bestaat uit komklei met daaronder meer zandige getijdeafzettingen tot de einddiepte van de boringen.

In de boringen zijn geen duinen waargenomen, ook zijn er onder de bouwvoor geen kenmerken van bodemvorming aangetroffen. De kleiige afzettingen bovenop de wisselend kleiig en zandiger getijde-afzettingen bevestigen het beeld dat sprake is van een komgebiedachtige omgeving achter de kreekrug- en oeverafzettingen van de Gantel, die bijvoorbeeld verder westelijk in het Wilhelminapark wel zijn aangetroffen. Het ontbreken van gerijpte bovenlaag of vegetatiehorizon maakt het onwaarschijnlijk dat het gebied in de Romeinse tijd of Middeleeuwen geschikt was voor permanente bewoning. Bekende nederzettingsterreinen liggen in de omgeving vrijwel altijd op de geul- en oeverafzettingen van het Gantelsysteem zelf, of op smallere kreekruggen die vanuit het veengebied op het Gantelsysteem afwaterden danwel van daaruit zijn ingebroken. Ook voor die laatste zijn in de boringen geen aanwijzingen gevonden. Het is goed mogelijk dat het plangebied deel heeft uitgemaakt van het cultuurlandschap in de Romeinse tijd en van het ontginningslandsschap in de Volle Middeleeuwen. Daarmee samenhangende structuren als kavelsloten en andere verspreide offsite patronen kunnen in de ondergrond van het plangebied aanwezig zijn. Het gaat daarbij om zeer verspreide sporen, die zich ook nog eens lastig laten opsporen. Voor grotere goed geconserveerde behoudenswaardige vindplaatsen ontbreken concrete aanwijzingen.

Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023

56 Op basis van de resultaten van het gecombineerde bureau- en booronderzoek, dient naar oordeel van Vestigia de archeologische verwachting voor het plangebied te worden bijgesteld. De archeologische verwachting voor de (vroege) prehistorie is ‘laag’, die voor de Romeinse tijd is eveneens ‘laag’ voor wat betreft nederzettingsterreinen en grotere samendhangende vindplaatsen. Landschappelijk gezien is er een gematigde verwachting voor offsite sporen en kavelsloten. Ook voor de Late Middeleeuwen zijn geen aanwijzingen gevonden – noch historisch, noch landschappelijk voor vindplaatsen in het plangebied. Het opsporen van offsite patronen met een lage dichtheid vergt in deze landschappelijke situatie een aanzienlijke investering met naar alle waarschijnlijkheid een vrij geringe archeologische opbrengst als het gaat om kenniswinst over het verleden. Vestigia acht een dergelijke investering niet proportioneel, en adviseert daarom geen verdere onderzoekstappen in het kader van de archeologische monumentenzorg. Op basis van de bevindingen en conclusies uit het bureau- en inventariserend veldonderzoek, neemt het bevoegd gezag een besluit ten aanzien van het beëindigen dan wel voortzetten van het archeologisch onderzoeksproces. In reactie op het onderzoek heeft de gemeentelijk archeoloog aangegeven dat toch een proefsleuvenonderzoek gewenst is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=6a60baae-5fc8-40c4-803a-ec0f168d7050