Bestemmingsplan Pasgeld-Oost
Tekst van het document
Deze gebiedsprofielen fungeren niet als toetsingskader maar als handreiking voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit. Passende ruimtelijke ontwikkeling Om te bepalen of een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling passend is, is de ruimtelijke impact van belang. In de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder deze raakt aan provinciale belangen. Ook de waarde en kwetsbaarheid van de kwaliteit van het gebied speelt daarbij een rol. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact van een ontwikkeling in een bepaald gebied is. In dit kader maakt de provincie onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Daarbij spelen de schaalniveaus van de kavel, de structuur en de gebiedsidentiteit een rol. Wanneer een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing.
Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening. Doorwerking in het plangebied Het voorliggende plangebied valt niet binnen een van de gebiedsprofielen. Wel is het aangeduid op twee van de kwaliteitskaarten. In de laag van de ondergrond is het plangebied aangeduid als ‘Rivierdeltacomplex - Jonge zeeklei’. Ontwikkelingen hierbinnen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van zoet-zoutovergangen of specifieke dynamische natuurlijke processen, die door de voorgenomen ontwikkeling worden aangetast. In de laag van de stedelijk occupatie ligt het plangebied binnen de aanduiding ‘Steden en dorpen’. Relevante richtpunten voor voorgenomen ontwikkeling zijn: • ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. • hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. • ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.
• een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
21 • cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Daarnaast valt een kleine strook aan de noordzijde van het plangebied binnen de aanduiding ‘stedelijke groen- en waterstructuur’. Richtpunt hierbij is: • ontwikkelingen dragen bij aan het behouden en versterken van de stedelijke groen- en waterstructuur. Daarbij gaat het om de recreatieve kwaliteit, de bijdrage aan klimaatbestendigheid en de verbinding tussen stad en land. De beoogde ontwikkeling van Pasgeld-Oost vormt een verdere invulling van de uitbreidingswijk RijswijkBuiten, in lijn met het daarvoor opgestelde masterplan. In vervolg daarop is met het Schetsboek Pasgeld een integrale visie voor Pasgeld opgesteld, waarin op basis van de bestaande karakteristieken van het gebied opgaven, uitgangspunten en ontwerpvarianten zijn geschetst. Dit vormt de basis voor de verdere uitwerking van de hoofdplanstructuur en het stedenbouwkundig plan. De ontwikkeling van Pasgeld-Oost sluit aan bij het bestaande stadsgebied van Rijswijk aan de noordkant en Delft aan de zuidkant, en aan de westkant deelgebieden Parkrijk en Pasgeld-West als eerdere fasen van RijswijkBuiten.
Door een hoofdstructuur met groenblauw raamwerk en behoud van de groengebieden in het noorden van Pasgeld, wordt gezorgd voor een goede overgangskwaliteit. Dit groenblauwe raamwerk omkadert de ontwikkelgebieden en verbindt groengebieden met elkaar en met de omgeving. Zodoende wordt de stedelijke groen- en waterstructuur in het gebied versterkt. In de laag van de cultuur- en natuurlandschappen en de laag van de beleving ligt het plangebied niet binnen een aanduiding. Omgevingsverordening Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Sindsdien zijn verschillende (partiële) herzieningen doorgevoerd. De meest recente herziening is door Provinciale Staten op 3 maart 2023 vastgesteld. De instructieregels hebben een directe doorwerking in bestemmingsplannen. Voor dit bestemmingsplan zijn de volgende regels van belang. Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.9 van de omgevingsverordening (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft (lid 1). Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit (lid 2).
Bij het beoordelen van de ruimtelijke kwaliteit bij een ontwikkeling wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd (lid 3). De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet wijzigingen op structuurniveau. Hoewel de ontwikkeling van het nieuwe woongebied past binnen het vastgestelde masterplan voor RijswijkBuiten en de gronden in het vigerende bestemmingsplan al grotendeels voor een woonfunctie bestemd zijn, is ten opzichte van de voormalige invulling sprake van een transformatie van het gebied. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit (lid 5 sub c). Wanneer sprake is van aanpassen of transformeren moet daarnaast een zorgvuldige afweging over de locatiekeuze worden gemaakt. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop (lid 4).
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
22 De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voorziet wijzigingen op structuurniveau. Hoewel de ontwikkeling van het nieuwe woongebied past binnen het vastgestelde masterplan voor RijswijkBuiten, is ten opzichte van de voormalige invulling wel sprake van een transformatie van het gebied. Voor de ontwikkeling van geheel Pasgeld is een integrale visie opgesteld in de vorm van het Schetsboek Pasgeld. Hierin zijn de uitgangspunten voor de ontwikkelrichting bepaald. Dit vormt de basis voor de hoofdplanstructuur van het gebied, en de nadere stedenbouwkundige invulling van Pasgeld-Oost. Naast het realiseren van de woningbouwopgave vormt de ruimtelijke kwaliteit hierbij een belangrijk element. In dit kader is voor de ontwikkeling een omgevingskwaliteitsplan opgesteld. Hierin zijn de ambities, uitgangspunten en omgevingskwaliteiten bepaald, die in het stedenbouwkundig ontwerp nader zijn uitgewerkt. De beoogde omgevingskwaliteit komt tot uiting in een relatief kleinschalig, groen stedelijk woongebied. Door de opbouw van het plan rondom verschillende ‘tuinen’ ontstaan kleinschalige, aantrekkelijke woonmilieus. Het plan wordt ingepast in en verweven met de groenblauwe hoofdstructuur van Pasgeld. Zo worden de omliggende bosloper, parkloper en Drassige Driehoek het gebied ‘ingetrokken’ door een fijnmaziger netwerk van groenstructuren, rondom en aansluitend op de tuinen.
In paragraaf 2.4 is hiervan een uitgebreidere beschrijving gegeven. Stedelijke ontwikkelingen Volgens artikel 6.10 van de omgevingsverordening (Stedelijke ontwikkelingen) gaat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6 Bro (lid 1 sub a). Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 ha nodig is, wordt gebruik gemaakt van de in de omgevingsverordening aangewezen bouwlocaties en criteria (lid 1 sub b). Wanneer het gaat om de functie wonen moet worden voorzien in voldoende sociale huurwoningen (lid 2). Gedeputeerde staten kunnen bij de vaststelling van een regionaal woningbouwprogramma aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie en het regionale woningbouwprogramma bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling (lid 3). In de omgevingsverordening is zodoende bepaald dat toepassing moet worden gegeven aan de Ladder voor duurzame verstedelijking conform het Bro. Daaraan is het aspect van regionale afstemming toegevoegd.
Voor de voorgenomen ontwikkeling is op de Ladder als onderdeel van het Rijksbeleid nader ingegaan in paragraaf 3.1. Omgevingsprogramma Zuid-Holland Het Omgevingsprogramma Zuid-Holland is parallel aan de omgevingsvisie en omgevingsverordening opgesteld. Het omgevingsprogramma bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de omgevingsvisie. Het is enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen, en anderzijds gericht op uitvoering. Ten aanzien van het voorliggende plangebied worden geen specifieke uitspraken gedaan in het omgevingsprogramma. Conclusie Gezien het bovenstaande past de ontwikkeling binnen het beleid van de provincie Zuid-Holland. Het provinciale beleid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
3.3
Gemeentelijk beleid
Masterplan Rijswijk-Zuid In november 2009 is het Masterplan Rijswijk-Zuid vastgesteld door de gemeenteraad van Rijswijk. Het omschrijft de randvoorwaarden voor het bouwproject en geeft tegelijkertijd de gemeentelijke ambities voor het gebied weer. Na vaststelling van het plan is de gemeente begonnen met de verdere uitwerking van de toekomstige invulling van het gebied. De beschrijving van het plan in hoofdstuk 2 vloeit direct Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
23 voort uit het Masterplan Rijswijk-Zuid. Daarom wordt hier niet uitgebreid ingegaan op de inhoud van het Masterplan. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de ambities voor Rijswijk-Zuid (RijswijkBuiten) zoals vastgelegd in het Masterplan. De ontwikkeling geeft verdere invulling aan de transformatie van deelgebied Pasgeld (-Oost) tot woongebied. De woonvelden worden ingebed in een stevig groenblauw raamwerk, waarmee een groene en parkachtige woonomgeving wordt gerealiseerd. Ook wordt aandacht besteed aan het leidende principe van duurzaamheid, zoals beschreven in paragraaf 4.11. Vertrouwd stedelijk wonen in Rijswijk – Actualisatie van de woonvisie 2015-2025 Op 26 november 2015 is de gemeentelijke woonvisie ‘Vertrouwd stedelijk wonen in Rijswijk’ vastgesteld. Hierin zijn de uitgangspunten en ambities voor het wonen tot 2025 beschreven. De woonvisie vormt de basis voor de strategische afwegingen die de stad maakt op het gebied van wonen. Centraal hierbij staat de vraag hoe Rijswijk het best kan inspelen op de woonbehoeften van de toekomst. De gemeente streeft naar kwalitatief goede woningen en onderscheidende woonmilieus voor huidige en toekomstige generaties. Het wensbeeld voor Rijswijk is uitgewerkt in vier pijlers: 1. de kwalitatieve en kwantitatieve groei van de woningvoorraad; 2. betaalbaar wonen in Rijswijk; 3. wonen in een duurzaam Rijswijk; 4.
wonen met zorg, aandacht voor kwetsbare doelgroepen. Vanwege de verschillende ontwikkelingen in Rijswijk en op de woningmarkt sinds 2015, heeft de gemeente besloten de Woonvisie te actualiseren. Op 11 mei 2021 is de actualisatie van de woonvisie 2015-2025 door de gemeenteraad vastgesteld. Zo is het voornemen geformuleerd om de woningvoorraad in Rijswijk gevarieerder te maken, om meer te bouwen naar behoefte en om eenzijdige wijken te veranderen door het toevoegen van andere soorten woningen. Ook wordt ingegaan op de veranderde omstandigheden op de woningmarkt en aangegeven hoe de gemeente de grote behoefte aan nieuwe woningen in Rijswijk in de komende jaren wil realiseren, in zowel de bestaande stad als in de transformatiegebieden en de uitbreidingslocatie RijswijkBuiten. De speerpunten uit de Woonvisie uit 2015 blijven onverminderd gelden. Daarbij kent de actualisatie van de Woonvisie uit 2021 twee pijlers: 1. Doelgroepgericht woningbouwprogramma; 2. Werken aan een toekomstbestendige stad. In het kort stelt de gemeente hierbij de volgende ambities centraal: • We voegen de komende jaren een fors aantal woningen toe. • We zorgen voor een woningvoorraad waarin alle doelgroepen voldoende aan bod komen. • We geven daarbij prioriteit aan het toevoegen van middeldure huur- en koopwoningen. • We breiden de doelgroepenvoorraad beperkt uit. Het aandeel in de totale voorraad neemt af.
• We verbeteren de leefbaarheid en sociale cohesie in wijken en zorgen voor een meer gemêleerde woningvoorraad. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in maximaal 110 grondgebonden woningen, bestaande uit verschillende woningtypen. Het woningprogramma bestaat in ieder geval uit een combinatie van rij-, dek-, twee-onder-een-kapwoningen en herenhuizen. Gesitueerd in kleinere clusters ontstaan verschillende woonmilieus. Met deze mix aan woningtypen wordt gericht op verschillende doelgroepen, waaronder (jonge) gezinnen, ouderen, startende stellen en ‘empty nesters’. De exacte verkaveling en verdeling van woningaantallen en -typen over de tuinen worden in het stedenbouwkundige ontwerp nog nader uitgewerkt. In paragraaf 2.4 wordt hierop nader ingegaan. Hiermee wordt verdere invulling gegeven aan de woonwijk Pasgeld, als deelgebied van RijswijkBuiten. In de Woonvisie geeft de gemeente aan de locatie RijswijkBuiten te willen ontwikkelen tot een gemêleerd, uniek en duurzaam woonmilieu; met betaalbare woningen voor het behouden en aantrekken van jonge gezinnen, naast het bouwen in het duurdere segment. Deelgebied Pasgeld is op de kaart met woningbouw en doelgroepen Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
24 aangeduid als uitleglocatie, met als doelgroepen gezinnen, midden- en hogere inkomens en algemene doelgroep. De beoogde nieuwe woningen worden in een afwisselend, aantrekkelijk en groen woonmilieu gerealiseerd, passend bij het karakter van RijswijkBuiten en Pasgeld. De ontwikkeling levert een bijdrage aan de forse woningbouwopgave van Rijswijk, en voorziet in een variatie aan woningtypen in lijn met de doelgroepen zoals aangegeven in de Woonvisie. De voorgenomen ontwikkeling sluit zodoende aan bij de gemeentelijke woonbeleid. Conclusie Zoals uit het voorgaande blijkt, past de ontwikkeling in het plangebied goed binnen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
25
4
Omgevingsaspecten
4.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de diverse milieuaspecten die relevant zijn voor het plan. Per milieuaspect wordt het geldende wettelijk en/of het beleidskader beschreven. Daarnaast wordt het uitgevoerde onderzoek belicht waarbij de resultaten kort worden weergegeven. Ten slotte wordt op basis van het kader en het onderzoek de conclusie weergegeven.
4.2
Milieueffectrapportage
Voor de voorgenomen ontwikkeling dient gemotiveerd te worden of mogelijk sprake is van negatieve effecten op het milieu. Afhankelijk van de omvang van de ontwikkeling dient het bevoegd gezag de afweging te maken of een m.e.r.-procedure moet worden gevolgd. In het Besluit m.e.r. zijn categorieën van gevallen aangegeven die (mogelijk) m.e.r(beoordelings)plichtig zijn. Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 110 woningen. De ontwikkeling van de woningen kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals voorkomt in de eerste kolom van de D-lijst behorende bij het Besluit m.e.r. (categorie 11.2). Voor ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’, gelden de volgende drempelwaarden: - een oppervlakte van 100 hectare of meer, - een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of - een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen ontwikkeling blijft ruim de aangegeven drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., waardoor het plan niet plan-m.e.r.-plichtig is. De drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden. Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben.
Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit m.e.r. is daarom wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Als hieruit blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide m.e.r.beoordeling of MER nodig. Sinds 16 mei 2017 moet voor elk ruimtelijk plan expliciet een besluit worden genomen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (MER), op een zo vroeg mogelijk moment. Voor de terinzagelegging van het ontwerpbesluit moet het bevoegd gezag een m.e.r.beoordelingsbesluit nemen, waarin wordt aangegeven of er wel of niet een MER moet worden opgesteld. Het besluit over de m.e.r.-beoordeling wordt opgenomen bij het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. In dit kader heeft KuiperCompagnons een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting. Hierin zijn de diverse omgevings- en milieuaspecten in relatie tot de ontwikkeling zorgvuldig afgewogen. Uit de afweging van deze verschillende aspecten en de daarbij uitgevoerde onderzoeken blijkt dat als gevolg van de ontwikkeling geen significante nadelige milieueffecten optreden. Nadelige effecten die eventueel optreden zijn te compenseren, en er is mogelijk ook sprake van positieve effecten. De geïnventariseerde effecten maken het opstellen van een MER niet benodigd.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
26
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.
Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling wordt aangemerkt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit worden niet overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren.
4.3.2 Onderzoek In de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van maximaal 110 woningen mogelijk gemaakt. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling in het bestemmingsplan is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daardoor is toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig. Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
27
Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn evenwel de concentraties van luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het plangebied bepaald. In de NSL-monitoringstool zijn langs de omliggende wegen Lange Kleiweg, Delftweg en Zuiderweg de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 4.1 zijn deze jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2021. Hieruit blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen respectievelijk 20,1 μg/m3, 17,0 μg/m3 en 8,8 μg/m3 zijn. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 μg/m3 (voor PM2,5) wordt niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Afbeelding 4.1: overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2021 (NSL monitoringstool).
4.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.4
Geluid
4.4.1 Kader De Wet geluidhinder (Wgh) verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals woningen. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van nieuwe woningen mogelijk gemaakt, waardoor akoestisch onderzoek benodigd is.
4.4.2 Onderzoek De nieuwe woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn gelegen binnen de onderzoekszone van de route Lange Kleiweg/Weteringseweg, de Laan van ’t Haantje, de spoorlijn Den Haag-Rotterdam en de tramlijn aan de overzijde van de Schie. Dit betekent dat akoestisch onderzoek op grond van de Wgh noodzakelijk is. Daarnaast zijn er enkele bronnen waardoor mogelijk ook geluidhinder wordt verwacht maar waarvan de geluidszone niet over dit plan ligt (wegverkeer op de Rijksweg A4/A13 en de activiteiten binnen industrieterrein DSM), of waarlangs geen geluidszone ligt (de 30 km-wegen, het Jaagpad en de nieuw aan te leggen ontsluitingsweg in het plan). Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dienen deze bronnen ook in het onderzoek te worden betrokken. Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
28
In dit kader heeft KuiperCompagnons een akoestisch onderzoek wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai uitgevoerd. De uitgangspunten, resultaten en conclusies van het akoestisch onderzoek zijn verwoord in het rapport in bijlage 2. In het onderzoek is uitgegaan van de (maximale) planologische situatie die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, en is daarnaast een actueel verkavelingsplan getoetst. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat het verkeer op de route Lange Kleiweg/Weteringseweg, de Rijksweg A4/A13, het verkeer op de 30 km-wegen en de activiteiten op het industrieterrein DSM een geluidsbelasting veroorzaakt die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. Voor geen van de bronnen wordt de maximale hogere waarde overschreden zodat geen dove gevels behoeven te worden toegepast. Het wegverkeer op de Lange Kleiweg veroorzaakt een geluidsbelasting van maximaal 53 dB op de grens van bestemming woongebied. Voor het verkeer op deze weg moet een hogere waarde worden vastgesteld omdat de zone van deze route over het plan is gelegen. Voor de andere geluidsbronnen die een geluidsbelasting boven de voorkeursgrenswaarde veroorzaken is geen hogere waarde noodzakelijk omdat de zone van deze bronnen niet over het plan is gelegen en de Wgh daarom niet van toepassing is.
Het verkeer op de Rijksweg A4/A13 veroorzaakt een geluidsbelasting van maximaal 53 dB en de activiteiten op het industrieterrein DSM maximaal 52 dB(A). Voor de 30 km-wegen wordt een geluidsbelasting verwacht van maximaal 51 dB door het verkeer op het Jaagpad op de grens van de woonbestemming. Het verkeer op de nieuwe ontsluitingsweg veroorzaakt een geluidsbelasting van maximaal 49 dB ter plaatse van de nieuwe woningen. Om de geluidsbelasting langs de Lange Kleiweg te reduceren kunnen maatregelen worden overwogen. Omdat deze weg wordt heringericht kunnen deze maatregelen bijvoorbeeld bestaan uit het instellen van een 30 km-zone in het geval de weg een overwegende verblijfsfunctie krijgt of de toepassing van een stil wegdek als deze weg een verkeersfunctie blijft vervullen. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden moet worden getoetst aan het geluidbeleid. Dit betekent dat alle woningen waarvoor een hogere waarde noodzakelijk is een zijde hebben waar de cumulatieve geluidsbelasting 58 dB of lager is. Omdat de maximale cumulatieve geluidsbelasting aan de zijde van de Lange Kleiweg 58 dB bedraagt is bij alle woningen sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Omdat de grondgebonden woningen in alle gevallen een andere gevel hebben die een (veel) lagere geluidsbelasting heeft kunnen alle woningen voldoen aan het beleid.
Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden door het verkeer op de route Lange Kleiweg/Weteringseweg moet een hogere waarde worden vastgesteld. Het ontwerpbesluit tot vaststelling van de hogere waarden wordt gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd, en is opgenomen als bijlage 22 bij deze toelichting.
4.4.3 Conclusie Uit akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden door de Lange Kleiweg/Weteringseweg, de Rijksweg A4/A13, het verkeer op de 30 km-wegen en de activiteiten op het industrieterrein DSM. De maximale hogere waarde wordt niet overschreden, zodat toepassing van dove gevels niet nodig is. Voor het verkeer op de Lange Kleiweg/Weteringseweg moet een hogere waarde worden vastgesteld. Aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid kan worden voldaan.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
29
4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1 Kader Wet bodembescherming Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. 4.5.2 Onderzoek Voor het plangebied zijn door Terra Milieu verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. De belangrijkste resultaten hieruit worden in deze paragraaf samengevat. Verkennend en nader bodemonderzoek (mei 2019) Terra Milieu heeft voor de locatie in 2019 een verkennend en nader bodemonderzoek conform NEN 5740 en een bodemonderzoek naar asbest in bodem conform NEN 5707 uitgevoerd, en aansluitend een NTA5755 onderzoek. Voor de uitvoer van het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd. Op basis van dit vooronderzoek is de onderzoeksstrategie bepaald.
Doel van het onderzoek was om aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarden en de streefwaarden. Aanleiding voor het asbest in bodemonderzoek (cf. NEN 5707) werd gevormd doordat op delen van de locatie puin in de bodem werd aangetroffen. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 3, de belangrijkste bevindingen zijn hieronder per ‘type’ onderzoek weergegeven. NEN 5740 Op basis van het verkennend onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de bodem verhogingen van diverse parameters ten opzichte van de achtergrondwaarde zijn aangetroffen. Tevens is centraal op de onderzoekslocatie (B9) een matige verontreiniging met zware metalen (koper en lood) in de bovenste meter van het terrein aangetroffen. De locatie kan daarom niet als onverdacht worden beschouwd. In het grondwater zijn enkel verhogingen ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. Verhogingen ten opzichte van de streef- of achtergrondwaarde worden vaker aangetroffen en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. In 2019 zijn, op verzoek van de omgevingsdienst (kenmerk: ODH-2018-00130135, d.d. 26/10/2018), de voormalige glastuinbouw en reeds verwijderde olietanks (2x) op de locatie aanvullend onderzocht.
De glastuinbouwlocatie is verdacht op OCB’s in de bovengrond en nabij de voormalige olietanks is de bovengrond op minerale olie onderzocht. - Glastuinbouw (OCB’s): In de bovengrond zijn enkele OCB’s verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde worden aangetroffen. - Tanks: Ter plaatse van de voormalige bovengrondse tanks zijn in de bodem geen verhoogde parameters aangetroffen. In het grondwater van beide peilbuizen is naftaleen verhoogd ten opzicht van de streefwaarde aangetroffen. Verhogingen ten opzichte van de streef- of achtergrondwaarde worden vaker aangetroffen en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. NEN 5707 Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat op de Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
30 onderzoekslocatie (zowel zintuigelijk als analytisch) geen asbest in de bodem wordt aangetroffen. NTA 5755 Op basis van de resultaten van het nader onderzoek is antwoord gegeven op onderstaande onderzoeksvragen: 1. Wat is de omvang van de verontreiniging met koper en lood in de grond in horizontale en verticale richting? 2. Is de verontreiniging te wijten aan bodemvreemde materialen in de bodem? De omvang van de (matige) verontreiniging met koper en lood is op basis van dit onderzoek vastgesteld, echter is nu op een andere locatie de parameter nikkel verhoogd ten opzichte van de tussenwaarde aangetroffen. Er blijft daarom sprake van een (matige) metalenverontreiniging op de onderzoekslocatie, waarvan de exacte omvang onbekend is. De verhogingen in de grond zijn niet direct te relateren aan de aanwezigheid van bodemvreemde bijmengingen. Het betreft een heterogeen verspreide, licht tot matige metalenverontreiniging die zich bevindt in de bovenste meter van het maaiveld. Het betreft geen ernstig geval van bodemverontreiniging en hij is immobiel, echter zijn er op basis van dit onderzoek belemmeringen met betrekking tot de geplande woningbouw. De mengmonsters van de bodem zijn indicatief getoetst aan het besluit bodemkwaliteit.
De bovengrond (0-50) valt volgens deze indicatieve toetsing in de klasse industrie, de ondergrond (met een uitzondering daargelaten) valt over het algemeen vanaf 50 cm-mv in de klasse achtergrondwaarde en is altijd toepasbaar. Advies Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geadviseerd nader te bepalen hoe er wordt omgegaan met graafwerkzaamheden en toekomstige woningbouw op de onderzoekslocatie. Mogelijk kan er worden volstaan met het verwijderen van de toplaag ter plaatse van openbaar groen en toekomstige tuinen. Ter plaatse van de wegen, parkeervoorzieningen en andere locaties waar de verontreiniging wordt ‘afgedekt’ en geen direct contact is, zouden geen maatregelen noodzakelijk zijn. Voor het afvoeren van de grond is een partijkeuring conform Besluit Bodemkwaliteit noodzakelijk en er moet rekening worden gehouden met extra stort- of afvoerkosten. Nader bodemonderzoek (januari 2020) Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend en nader bodemonderzoek, en een beoordeling van de Omgevingsdienst Haaglanden, heeft Terra Milieu in 2020 een nader onderzoek conform NTA 5755 uitgevoerd. Dit rapport is te vinden in bijlage 4. Het doel van dit onderzoek is om de ernst en omvang van de verontreiniging met metalen in de bodem (bovengrond) vast te leggen. Ten behoeve van de verontreiniging met metalen is een conceptueel model opgesteld.
Het conceptueel model is verplicht om de onderzoeksstrategie conform NTA 5755 vast te stellen. Het conceptueel model is gebaseerd op de beschikbare historische gegevens en de op de locatie uitgevoerde bodemonderzoeken. De volgende onderzoeksvragen zijn voorafgaand aan het onderzoek geformuleerd: 1. Wat is de omvang van de verontreiniging met metalen in de grond in horizontale en verticale richting? 2. Is hier sprake van een ernstige metalenverontreiniging in de bodem? De metalenverontreiniging bevindt zich in de (boven)grond tot maximaal 100 cm-mv. Het betreft een heterogeen verspreide, immobiele bodemverontreiniging van gemiddeld 0,75 cm dik. De oppervlakte van de matige verontreiniging is op basis van de inkadering ca. 105 m2, de omvang betreft 80 m³ (105 m² x gemiddeld 075 m dik). Terra Milieu verwacht op meer (deel)locaties op de onderzoekslocatie Pasgeld deze matige verontreiniging aan te treffen omdat op basis van een indicatieve toetsing aan het Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
31 Besluit Bodemkwaliteit, de bovengrond in Pasgeld wordt ingedeeld in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Ter plaatse van een deel van de matige verontreiniging (B9.15) wordt de interventiewaarde overschreden. Deze sterke verontreiniging heeft een oppervlakte van maximaal 30 m² waardoor de omvang uitkomt op 22,5 m3 (30 m2 x 0,75 m.). Omdat de omvang van de interventiewaarde contour onder de 25 m³ blijft is er geen sprake van een ernstige metalenverontreiniging. Aanbeveling De verontreinigde spot betreft geen ernstige bodemverontreiniging. In het rapport wordt aanbevolen de verontreinigde ‘Interventiewaarde-contour’ van de locatie te saneren zodra het terrein wordt heringericht. Daarbij wordt dan voorafgaand aan de (ontgravings)werkzaamheden een saneringsplan opgesteld en getoetst door het bevoegd gezag. Bij saneringswerkzaamheden moet rekening worden gehouden met extra stort- of afvoerkosten van de grond. Tijdens het voorgaande onderzoek van Terra Milieu is de bovengrond indicatief getoetst aan het Besluit Bodemkwaliteit. De bovengrond (0-50 cm-mv) van de gehele onderzoekslocatie ‘Pasgeld’ valt volgens deze indicatieve toetsing in de klasse industrie, de ondergrond valt over het algemeen vanaf 50 cm-mv in de klasse achtergrondwaarde. De verontreinigde spot is hierbij uitgesloten.
PFAS PFAS is in het mengmonster verhoogd (waarde PFOS > 0,9 μg/kg) ten opzichte van de toepassingsnorm (AW) aangetroffen waardoor hier de klasse Wonen/ Industrie van toepassing is. Wanneer er grond van de locatie wordt afgevoerd moet er voorafgaand een partijkeuring conform Besluit Bodemkwaliteit worden uitgevoerd. De grond mag dan (o.b.v. de PFOS verhoging) enkel als achtergrondwaarde worden toegepast indien op de toepassingslocatie eveneens een verhoogde achtergrondwaarde concentratie van PFOS wordt aangetroffen. Advies Omgevingsdienst Haaglanden (februari 2023) Naar aanleiding van de resultaten uit het nader bodemonderzoek en de daarin genoemde saneringsnoodzaak heeft de Omgevingsdienst Haaglanden op 28 februari 2023 advies gegeven. Daarbij geeft zij het volgende aan: - Aangezien het niet ernstige geval van bodemverontreiniging met koper (spot 1) geen geval van ernstige bodemverontreiniging betreft, kan er voor het saneren van deze verontreiniging geen saneringsplan worden ingediend. Zij adviseren hiervoor een plan van aanpak in te dienen en ter beoordeling voor te leggen. De overige verontreinigingen (spot 2-5), zijn niet bij ODH bekend en niet aangetoond in het verkennend onderzoek van 2019. - Voor het toepassen/hergebruiken van vrijgekomen grond dient te worden voldaan aan het Besluit Bodemkwaliteit.
De sterk verontreinigde ondergrond ter plaatse van spot 1 kan niet worden herschikt op de locatie. De niet ernstig verontreinigde grond hoeft niet te worden verwijderd en kan worden herschikt op de locatie. - Op de locatie is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met lood en daarmee is er geen noodzaak tot het treffen van maatregelen. De richtwaarden die de GGD voor lood heeft opgesteld zijn niet vastgelegd in beleid en zijn geen waarden waaraan getoetst wordt of gesaneerd moet worden. ODH beschouwt dit als advieswaarden. Plan van aanpak Naar aanleiding van de resultaten uit de uitgevoerde bodemonderzoeken en het advies van Omgevingsdienst Haaglanden (februari 2023) heeft ABO-Milieuconsult een plan van aanpak opgesteld. Dit PvA is opgenomen in bijlage 18. Doel van het plan van aanpak is om de te nemen uitvoeringsmaatregelen te beschrijven die nodig zijn om de saneringsdoelstelling te bereiken: dat de grond in de tuinen van de woningen voldoet aan bodemklasse Wonen. Het PvA wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Omgevingsdienst Haaglanden. Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
32 4.5.3 Conclusie De uitgevoerde verkennende en nadere bodemonderzoeken bieden voor dit bestemmingsplan voldoende inzicht in de bodemkwaliteit ter plaatse. Uit de onderzoeken blijkt wel dat er op een aantal plekken saneringen of maatregelen nodig zijn. Naar aanleiding van het advies van ODH is hiertoe een plan van aanpak opgesteld, dat ter goedkeuring aan de ODH wordt voorgelegd.
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting.
4.6.2 Onderzoek Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt, namelijk woningen. In de omgeving van de locatie zijn verschillende risicobronnen aanwezig. Het betreft de risicobronnen: - Hogedruk aardgastransportleidingen W-514-01 en W-514-07; - Vervoer gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A13 en Rijksweg A4; - Onderzoekscentrum TNO-PML Rijswijk; - Industrieel complex DSM Anti-Infectives. Door KuiperCompagnons is in 2022 voor deze locatie een uitgebreid onderzoek naar het aspect externe veiligheid en deze risicobronnen uitgevoerd. De volledige rapportage van het onderzoek is opgenomen in bijlage 5. Hierin zijn in relatie tot de relevante risicobronnen het plaatsgebonden risico, groepsrisico en de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
33 Aardgastransportleidingen Plaatsgebonden risico Voor de genoemde gasleidingen is het plaatsgebonden risico bepaald. Voor elk van de leidingen wordt het plaatsgebonden risico weergegeven als iso-risicocontouren op een achtergrondkaart. Daarop is de blauwe contour de PR 10-7 en de paarse de PR 10-8. Op de volgende afbeelding zijn de contouren van het plaatsgebonden risico langs de gasleidingen W-514-01 en W-514-07 weergegeven. Langs de gasleidingen is binnen het invloedsgebied geen PR 10-6 contour aanwezig.
Afbeelding 4.2: Plaatsgebonden risico voor gasleidingen W-514-01 en W-514-07.
Groepsrisico Uit de groepsrisicoberekeningen kan geconcludeerd worden dat het groepsrisico voor de leidingen W514-01 en W-514-07 in de huidige en plansituatie ruim onder de oriëntatiewaarde blijft. Er vindt geen toename plaats in de plansituatie. Overige risicobronnen Vervoer gevaarlijke stoffen (Rijksweg A13 en A4) Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter. Het plangebied ligt voor beide Rijkswegen ruim buiten deze zone, maar wel binnen het invloedsgebied van de toxische stoffen die over de Rijksweg A13 worden vervoerd. Daarom is een motivatie noodzakelijk inzake de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Hierop gaat hoofdstuk 6 van het rapport nader in. Onderzoekscentrum TNO-PML Rijswijk Aan de Lange Kleiweg in Rijswijk is een onderzoekscentrum van TNO Defensie en veiligheid gevestigd. Rond het onderzoekscentrum gelden veiligheidsafstanden voor defensieterreinen. Bij TNO worden explosieven opgeslagen. De A- en B-zones van TNO vormen gezamenlijk de maatgevende contour rondom TNO, waarbinnen strenge bouwrestricties gelden. De contouren bevinden zich niet in het plangebied.
Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
34 Industrieel complex DSM Anti-Infectives Industrieel complex DSM Anti-Infectives bevindt zich op circa 400 m van het plangebied en heeft een invloedsgebied van 1.500 m. Het plangebied bevindt zich binnen deze zone. Het maatgevende scenario is een toxische brand in een opslagloods, genaamd Hannibal, die op circa 830 m van het plangebied staat. Voor deze inrichting is in het kader van bestemmingsplan “Sion – ’t Haantje, tweede herziening” een QRA1 opgesteld door Antea. In de QRA is de PR 10-6 contour berekend. De ligging van de PR 106 contour wordt voornamelijk bepaald door opslagloods Hannibal. De PR 10-6 contour overlapt het plangebied niet. Tevens bevindt het plangebied zich buiten de PR 10-7 contour. Een gedeelte van het plangebied bevindt zich echter wel binnen de PR 10-8 contour. In 2020 is door de ODH echter een advies uitgebracht waaruit blijkt dat de PR 10-6 contour veroorzaakt door opslagloods Hannibal komt te vervallen. Tevens zal bij het voldoen aan de voorschriften die zijn opgenomen in de omgevingsvergunning van DSM uit 2020 geen groepsrisico meer aanwezig zijn. Verantwoording groepsrisico: zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid Naar aanleiding van de resultaten is in het onderzoek naar het aspect externe veiligheid een verantwoording van het groepsrisico gegeven. Daarbij wordt ingegaan op de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Deze verantwoording is opgenomen in hoofdstuk 6 van het rapport in bijlage 5 bij deze toelichting. Naar aanleiding van het onderzoek en de daarin opgenomen verantwoording heeft de Veiligheidsregio Haaglanden (VRH) advies gegeven over externe veiligheid omtrent het plan. De adviesbrief is opgenomen als bijlage 20 bij deze toelichting. Om de effecten van incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van aanwezigen te verbeteren, worden de volgende maatregelen geadviseerd: - Afschakelbare ventilatie (effectbeperking); - Vluchtweg van de risicobron af (verhogen zelfredzaamheid); - Risicocommunicatie (verhogen zelfredzaamheid); - Bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen (maatregelen ten behoeve van hulpverlening). De adviezen en maatregelen van de VRH worden meegenomen bij de verdere uitwerking van de bouwplannen en inrichting van het plangebied.
4.6.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
4.7.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.
4.7.2 Onderzoek Met dit bestemmingsplan worden nieuwe milieugevoelige (woningen) functies mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende functies aanwezig. Naast de (te ontwikkelen) woongebieden aan de west- en oostkant, onder meer een spoorlijn, recreatietuinencomplex, de TNO1
Groepsrisico berekeningen Rijswijk op basis van de QRA van DSM Delft Permit B.V’ van 9 mei 2017 Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
35 locatie en aangrenzende bedrijvigheid, en het bedrijventerrein ten zuiden van het plangebied. Vanwege deze functiemenging kan het plangebied worden beschouwd als gebiedstype ‘gemengd gebied’. Dat betekent dat de VNG-richtafstanden met één stap kunnen worden verkleind. In de omgeving van het plangebied bevinden zich verschillende (bedrijfs)bestemmingen en functies. Deze worden hieronder nader beschouwd.
mogelijk
relevante
Bedrijvigheid noordzijde: TNO, BPRC Ten noorden van het plangebied bevinden zich op en rondom de TNO-locatie verschillende bedrijven. In de vigerende beheersverordening ‘Elsenburgerbos-TNO/Pasgeld’ geldt ter plaatse van de TNOlocatie het besluitsubvlak ‘TNO’. Deze gronden zijn tevens bedoeld voor een onderzoeksinstituut, met enkele bijbehorende voorzieningen. Hier is de inrichting TNO (voorheen TNO-PML) gevestigd. Dit is een organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek. Tot voor kort werd hier onder andere munitie opgeslagen en was dit een risicovolle inrichting. De onderzoeksactiviteiten van TNO op het gebied van explosieven en munitie zijn geleidelijk verplaatst van de locatie Rijswijk naar de locatie Ypenburg (Den Haag). Deze verplaatsing is per 1 januari 2021 afgerond. Daarmee is de risicovolle inrichting met de bijbehorende veiligheidszone verdwenen. De locatie is wel in gebruik gebleven als onderzoekscentrum. Aan de zuidwestkant van de TNO-locatie is daarnaast BPRC gevestigd. Dit betreft een primaten onderzoekscentrum. Deze gronden vallen eveneens binnen het besluitsubvlak ‘TNO’. Onderzoekscentra zijn niet als zodanig in de VNG-lijst opgenomen. In het onderzoek van Witteveen + Bos voor bedrijventerrein Heulweg uit 2021 (zie verderop) zijn TNO en BPRC aangemerkt als categorie 3.1-bedrijven. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 30 m.
Gemeten vanaf de grens van het vigerende besluitsubvlak (‘TNO’) reikt deze afstand tot in het nieuwe woongebied, waardoor een nadere beschouwing van de feitelijke situatie nodig is. De gronden binnen het besluitsubvlak waarvoor de richtafstand tot in het plangebied reikt, zijn in de feitelijke situatie niet in gebruik voor bedrijvigheid. Het betreft een strook van circa 40 m tussen de TNOlocatie en het plangebied, die in gebruik is als groenstrook. Met de ontwikkeling van Pasgeld is hier in de toekomstige situatie de ‘parkloper’ voorzien, als onderdeel van de groenblauwe hoofdstructuur. Deze gronden worden in dat kader ook meegenomen in het bestemmingsplan voor Pasgeld-West, en voorzien van een groenbestemming. In de feitelijke – en toekomstige planologische – situatie wordt zodoende wel aan de richtafstand voldaan en vormt deze geen belemmering. Met betrekking tot BPRC heeft LBP Sight in relatie tot de beoogde woningbouw in het gebied, in 2019 de vergunde geluidcontouren en gegevens over geurbelasting in beeld gebracht. De bijbehorende notitie is opgenomen in bijlage 6. Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat de contouren voor geluid en geur treden tot in het gebied waar de woningbouw beoogd is. Het gaat om een relatief klein deel van het gebied en het gaat niet om hoge geluid- en geurniveaus.
Daarbij concludeert LBP Sight dat een afweging zal moeten worden gemaakt en een acceptabel geluid- en geurhinderniveau moet worden vastgesteld. Ten aanzien van geluid blijkt uit het onderzoek dat het plangebied voor een beperkt deel tussen de 45 en de 50 dB(A) is gelegen. Dit wordt gezien de grenswaarden voor industrielawaai in relatie tot omgevingskenmerken: - rustige woonwijk in stad: dag 50, avond 45, nacht 40; - woonwijk nabij een drukke verkeersweg: dag 55, avond 50, nacht 45; - woonwijk nabij gezoneerd industriegebied: dag 55, avond 50, nacht 45; in de onderhavige situatie acceptabel geacht vanwege de omgevingskenmerken. In een afzonderlijk onderzoek heeft Witteveen + Bos in 2021 de geursituatie in relatie tot de activiteiten van BPRC geanalyseerd, inclusief een onderbouwing voor een acceptabel geurniveau in het licht van een goede leefkwaliteit. Daarbij is in het bijzonder gefocust op de ontwikkeling van Pasgeld-Oost. Deze Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
36 notitie is opgenomen in bijlage 7. In dit onderzoek is het eerder uitgevoerde onderzoek van LBP Sight gecontroleerd en geactualiseerd. Daarbij is ook een nieuwe berekening uitgevoerd met een lagere emissie, op basis van reëler geachte uitgangspunten wat betreft bezetting van gebouwen. Aan de hand van beide modelleringen is vervolgens beoordeeld of sprake is van een ‘aanvaardbaar geurhinderniveau’ en daarmee een goed woon- en leefklimaat. Uit de beoordeling van de geurcontouren blijkt dat het plangebied, op basis van zeer ruime uitgangspunten, voor een deel tussen de 0,5 en 1,0 ouE/m³ (98-percentiel) ligt. Bij aangepaste (meer reële) uitgangspunten valt het geheel buiten de 0,5 ouE/m³ contour (98-percentiel). Uit de waarden die genoemd zijn in het provinciaal beleid blijkt dat een concentratie van rond de 1,0 ouE/m³ (98-percentiel) ruim aan de omschrijving (geurkwaliteitsklasse) ‘redelijk’ voldoet, en zich dus tussen ‘goed’ en ‘redelijk’ bevindt. Deze kwaliteit wordt een aanvaardbaar geurhinderniveau voor de locatie Pasgeld-Oost geacht, mede gezien de goede leefkwaliteit op andere aspecten zoals natuur en geluid. Verder is het meer dan aannemelijk dat de werkelijke geurbelasting onder 0,5 ouE/m³ (als 98-percentiel) zal liggen, gezien de werkelijke activiteiten.
Bedrijvigheid noordzijde: bedrijventerrein Heulweg Ten noordoosten en grenzend aan de TNO-locatie bevindt zich een bedrijventerrein met verschillende bedrijven aan de Heulweg. Voor deze locatie is in de vigerende beheersverordening het besluitsubvlak ‘Bedrijventerrein’ opgenomen. Deze gronden zijn tevens bedoeld voor bedrijven tot en met ten hoogste categorie 2. In het kader van de beoogde woningbouw zijn door Witteveen + Bos in 2021 de milieucontouren in beeld gebracht voor het bedrijventerrein aan de Heulweg. Daarbij zijn verschillende scenario’s onderzocht, bezien in samenhang met de locaties van TNO en BPRC. De bijbehorende notitie is opgenomen in bijlage 8. Op het bedrijventerrein zijn enkele bedrijven aanwezig die de maximaal toegestane milieucategorie 2 overschrijden. Momenteel wordt onderzocht of er mogelijkheden zijn voor maatwerk en/of het integraal toestaan van een hogere milieucategorie. Vooralsnog is handhaven van milieucategorie 2 het uitgangspunt. De bijbehorende richtafstand (10 m) reikt niet tot in het plangebied. Het toestaan van een hogere milieucategorie is uitsluitend mogelijk wanneer dit geen belemmeringen oplevert voor woningbouw op Pasgeld-West. Daarvoor wordt een aparte bestemmingsplan-/ omgevingsplanprocedure doorlopen.
De keuze voor de definitieve ontwikkelrichting hangt onder meer af van stedenbouwkundige en economische overwegingen en de bredere ontwikkelvisie voor het gebied TNO en omgeving. Bedrijvigheid zuidzijde (bedrijvenstrook) Ten zuiden van de Laan van het Haantje ligt een bedrijvenstrook. Ter hoogte van het plangebied kent deze in het vigerende grotendeels de bestemming ‘Bedrijventerrein – Uit te werken’. Deze gronden zijn bestemd voor bedrijfsactiviteiten tot categorie 3.2. Daarbij geldt een bouwverbod, waarmee het bouwen van bouwwerken uitsluitend is toegestaan overeenkomstig een nog op te stellen uitwerkingsplan. Deze gronden worden in een apart bestemmingsplan voor Pasgeld-West meegenomen. In lijn met de al vigerende bedrijventerreinbestemmingen in de bedrijvenstrook wordt hier middels functieaanduidingen een inwaartse zonering aangebracht. Daarmee is de maximaal toegestane milieucategorie afgestemd op de afstand tot milieugevoelige functies in de omgeving, zoals woningen. Voorliggend plangebied ligt op ruimere afstand, zodoende is ook voor de woningen binnen dit bestemmingsplan op basis van de VNG-richtafstanden een voldoende afstand geborgd. Industrieterrein zuidzijde (DSM-/Calvéterrein) Ten zuiden van de Kerstanjewetering en het Haantje, in de gemeente Delft, bevindt zich een bedrijventerrein met onder meer het terrein van DSM en het voormalige Calvé-terrein.
Het DSM/Calvéterrein is een (geluid)gezoneerd industrieterrein met activiteiten uit hogere milieucategorieën (een zogenaamd 'HMC-terrein'), op relatief korte afstand van woningen. Deze situatie is historisch gegroeid. Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
37 Er is sprake van een hoge vergunde milieubelasting, met name ten aanzien van geluid en geur. In het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen Delft Noord (DSM)” van de gemeente Delft is voor dit terrein grotendeels de bestemming ‘Bedrijventerrein – 1’ opgenomen. Daarbij is onder meer middels aanduidingen een inwaartse zonering aangebracht, ten opzichte van bestaande woningen in de omgeving. Daarmee is een voldoende afstand tot bestaande woningen planologisch geborgd. Dit plangebied ligt op grotere afstand, de richtafstanden van het bedrijventerrein vormen dan ook geen belemmering. Verder zijn er vanuit het gezoneerde industrieterrein geluid- en geurcontouren opgenomen. In het naastgelegen bestemmingsplan “Sion – ’t Haantje, tweede herziening” zijn dit de gebiedsaanduidingen ‘geluidzone – industrie 1’, ‘geluidzone – industrie 2’ en ‘milieuzone – geurzone’. Deze contouren reiken niet tot in het voorliggende plangebied. De geluidzone reikt tot nabij, maar niet tot in het plangebied. Omdat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ook buiten deze geluidszones niet altijd is uit te sluiten, wordt deze geluidsbron ook in het akoestisch onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai betrokken. Hierop wordt in paragraaf 4.4 nader ingegaan.
Voor wat betreft het aspect geur, zijn door PRA Odournet de gevolgen van het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen Delft Noord (DSM)” voor geur ten gevolge van DSM onderzocht in het rapport ‘Consequenties van mogelijke ontwikkelingen op het terrein van DSM Gist op de geurbelasting van de omgeving’ (kenmerk DSMG11C10, december 2012). Daarbij is zowel onderzoek gedaan naar de op dat moment huidige (vergunde) geursituatie, als naar de gevolgen voor de geursituatie van de nieuwe ontwikkelingen die binnen de bestemmingsregeling mogelijk zijn. Uit dit rapport blijkt dat de bijdrage van de nieuwe bronnen zeer beperkt en niet significant is. Er is geen extra geurhinder te verwachten als gevolg van de mogelijke ontwikkelingen op het terrein van DSM. Ook de cumulatie van de vergunde bronnen met de mogelijke ontwikkelingen leidt niet tot een significante toename van de geurhinder in de woon- en leefomgeving. De uitkomst van de gemaakte modelberekening geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de nieuwe ontwikkelingen zullen leiden tot een toename van de geurhinder ten opzichte van de al vergunde situatie. Daarmee is gegeven dat de nieuwe activiteiten/ontwikkelingen wat betreft het aspect geur geen afbreuk zullen doen aan het bestaande woon- en leefklimaat.
Voor de (bestaande) woonbebouwing is in de vigerende Wm-vergunning van DSM de grens voor het acceptabel hinderniveau op 5 ge/m3 gelegd. Uit het rapport van Odournet blijkt dat de geurcontouren 3 ge/m3 en 5 ge/m3 (als 98-percentiel) in de huidige (vergunde) situatie deels over geurgevoelige objecten liggen. Daarbij wordt echter geconcludeerd de bestaande geursituatie aanvaardbaar is, en in de omgeving van het terrein geen onaanvaardbare geurhinder optreedt. Voor nieuwe woningen geldt echter dat deze in beginsel zijn uitgesloten in het gebied tussen 3 en 5 ge/m3. Hiertoe is in het naastgelegen bestemmingsplan “Sion – ’t Haantje, tweede herziening” dan ook de aanduiding ‘milieuzone – geurzone’ opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding zijn geen geurgevoelige objecten toegestaan; type 1 functies (zoals woningen) zijn expliciet uitgesloten. Deze geurcontour bevindt zich op geruime afstand van het voorliggende plangebied Pasgeld-Oost.
4.7.3 Conclusie De situatie ten aanzien van geur en geluid door BPRC wordt nog nader onderzocht en afgewogen. Hierover vindt nog overleg plaats tussen de gemeente, ontwikkelaar en BPRC. Voor het overige vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Ter plaatse van de nieuwe woningen zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, en bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Bestemmingsplan ‘Pasgeld-Oost’ Toelichting Ontwerp – 22 november 2023
38
4.8
Water
4.8.1 Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet. Europees en Rijksbeleid Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water.