22-010i. RO-BP-621.100.80 Vastgesteld bestemmingsplan Hofstede excl. bijlagen toelichting.pdf
Tekst van het document
De nota is het toetsingskader voor de komende jaren. Door herziening van de bijlagen bij de nota kan de komende jaren flexibel worden ingespeeld op bijvoorbeeld maatschappelijke trends of een gewijzigde beleidsvisie. Momenteel wordt gewerkt aan een nieuwe versie van de Nota Parkeernormen op basis van voortschrijdende inzichten. Het gebruik van parkeernormen heeft tot doel een zodanig aantal parkeerplaatsen voor nieuwe ontwikkelingen (of bij uitbreidingen) voor te schrijven, dat de plaatsen voorzien in de vooraf in te schatten parkeervraag. Daarmee moet worden voorkomen dat door aanleg van te weinig parkeerplaatsen een tekort en daarmee parkeeroverlast ontstaat. Tevens voorkomen de normen dat te veel parkeerplaatsen worden aangelegd, waardoor de automobiliteit gestimuleerd wordt en de leefbaarheid nadelig wordt beïnvloed. Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
27
Aan de normen wordt actief getoetst bij (nieuwe) ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen vereist is, zoals nieuwbouwprojecten, uitbreidingen van bestaande bebouwing en functiewijzigingen waarvoor tevens een vergunning is vereist. In paragraaf 4.2 wordt nader ingegaan op de invulling van de parkeernorm. 3.5
Conclusie Gezien het voorgaande vormen het rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
28
4
Milieu- en omgevingsaspecten
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1 Kader Het inwerkingtredingsbesluit wijziging Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. In dit gewijzigde Besluit m.e.r. is de nieuwe procedure omtrent de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van "aanzienlijke gevolgen voor het milieu". Het besluit is aangepast en de drempelwaarden zijn nu indicatief. Dat betekent dat als een project (ruim) onder de drempelwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen dat er daadwerkelijk geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu zijn. Bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van woningbouw kan sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in D 11.2, kolom 1, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2-'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden.
Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan, dat betrekking heeft op activiteiten, die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Er zal een toets moeten worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus altijd nodig als een besluit of plan wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. 4.1.2 Beoordeling en conclusie De beoogde ontwikkeling kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject en komt voor in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (categorie 11.2).
Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) (bij lange na) niet wordt overschreden, dient evenwel een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld waarin de verschillende milieuaspecten afgewogen zijn. Deze is opgenomen als bijlage 11. In deze aanmeldnotitie wordt aan de hand van de drie criteria uit bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn(2011/92/EU), inzicht gegeven in de mogelijke milieueffecten van dit plan. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat er geen belangrijk negatieve gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Burgemeester en wethouders hebben op basis van deze
Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
29
aanmeldnotitie besloten dat voor het bestemmingsplan geen m.e.r.-procedure doorlopen hoeft te worden. 4.2
Verkeer en parkeren De formele entree ligt aan de Van Vredenburchweg en hier vandaan kan iedereen het plangebied op lopen, rijden of fietsen. De oprijlaan/ entreeweg ligt min of meer op de bestaande ontsluitingsstructuur. De oprijlaan maakt bij ‘t Julialaantje een ruime bocht, met een aftakking richting de woningen ten oosten van de waterpartij. Het plan voorziet ook in het herstellen van de historische ligging van ‘t Julialaantje. Door deze terug te brengen op de oude locatie, wordt het plangebied goed verankerd in het grotere geheel van de Landgoederenzone. Door twee bestaande voetpaden met het noorden, net ten westen van de locatie en nabij het verzorgingstehuis, is ook Den Haag goed aangesloten op dit deel van de Rijswijkse Voorde.
4.2.1 Parkeren De auto is binnen het plangebied nadrukkelijk te gast. Het parkeren gebeurt op eigen erf en in een aantal parkeerkoffers voor de appartementen en de boerderijwoningen. Op basis van de ‘Nota Parkeernormen’ uit 2011 is in tabel 1 het totaal aantal vereiste parkeerplaatsen voor de woningen bepaald. De gemeente Rijswijk is te categoriseren als ‘zeer sterk stedelijk gebied’ en het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied. Bij de berekening is uitgegaan van de categorie dure koopwoningen. Tevens is het aantal te realiseren parkeerplaatsen in de tabel “Totaal aantal parkeerplaatsen in het plan” inzichtelijk gemaakt. Op basis van beide tabellen kan geconcludeerd worden dat de parkeerbalans sluitend is. Typologie
Aantal
Parkeernorm
Appartementen Rij- en tussenwoningen Twee-onder-een kap woningen Vrijstaande woningen Boerderijwoningen Subtotaal
16 5 12
1,8 1,5 1,7
2 4 39
1,8 1,7
Totaal aantal parkeerplaatsen vereist 28,8 7,5 20,4 3,6 6,8 67,1
Tabel 4.1: berekening parkeerbehoefte
CROW parkeerkencijfers Parkeerkoffer naast appartementengebouw Parkeerkoffer naast boerderij Lange oprit zonder garage Dubbele oprit zonder garage Enkele oprit zonder garage bij tussen-rijwoningen Bezoekersparkeerplaatsen langs water Totaal aantal parkeerplaatsen in plan
Aantal in plan 30 10 11 5 3
Berekeningsgetal
1 1,7 0,8
6
Totaal parkeerplaatsen 30 10 11 8,5 2,4 6 67,9
Tabel 4.2: Totaal aantal parkeerplaatsen in het plan Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
30
4.2.2 Verkeersgeneratie Door Mobycon is een verkeerskundige toetsing uitgevoerd. Deze memo is opgenomen als bijlage 17 bij deze toelichting. In de vigerende planologische situatie bestaat het plangebied uit een tennispark (circa 13.5000 m2), een inmiddels afgebroken bowling- en saunacomplex (circa 8.000 m2) en wat overige, niet meer aanwezige bebouwing. Deze functies kennen een zeer hoge verkeersgeneratie. Op basis van de CROW-publicatie 381 is de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie bepaald (zie tabel 2.3). In de berekening is uitgegaan van de maximale CROW-kencijfers. De kencijfers van het CROW gelden voor een gemiddelde weekdag. Om tot een inschatting van het aantal verkeersbewegingen op een gemiddelde werkdag te komen, zijn de kencijfers voor woningen met een factor 1,11 vermenigvuldigd (CROW publicatie 317, 2018). Nieuw programma1
Aantal
Maximaal kencijfer CROW
Verkeersgeneratie (mvt/etmaal)
Appartement, koop (duur) Rij- en tussenwoningen
16 8
6,2 6,2
111 56
Twee-onder-een kap woningen Vrijstaande woningen Totaal
12
6,7
24
3 39
7,2
90 281
Tabel 4.3: berekening verkeersgeneratie nieuw programma
Uit bovenstaande berekening blijkt dat het programma gepaard gaat met een verkeersgeneratie van maximaal 281 verkeersbewegingen per etmaal. In de verkeerskundige toetsing zijn de mogelijkheden qua ontsluiting van de ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. In de huidige situatie is slechts één route mogelijk, maar met diverse aanpassingen zijn meerdere routes een mogelijkheid, zie afbeelding 4.1.
Afbeelding
4.1:
Mogelijke
ontsluitingsroutes
(Memo verkeerskundige toetsing, Mobycon)
1 In de verkeerskundige toetsing wordt nog uitgegaan van een verouderde woningverdeling, waarbij één extra
vrijstaande woning is opgenomen in plaats van een rijwoning. Met het huidige programma komt het aantal verkeersbewegingen op 279 woningen. Vanwege de onderlinge samenhang tussen de stukken wordt er echter aangesloten bij de verkeerskundige toetsing en wordt er uitgegaan van een verkeersgeneratie van 281 woningen. Dit betreft dus tevens een worst-case scenario. Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
31
Uit de toetsing blijkt dat verkeerskundig gezien (dus op het gebied van verkeersveiligheid en bereikbaarheid) alle onderzochte ontsluitingen geschikt zijn. In sommige gevallen is dit na het nemen van maatregelen. Daarnaast zijn de toekomstige intensiteiten aan de hand van de toename van de verkeersgeneratie inzichtelijk gemaakt en aan de hand hiervan is de verkeersafwikkeling bepaald. Hierin is geconstateerd dat op geen enkel wegvak en naar verwachting op geen enkel kruispunt sprake is van een doorstromingsknelpunt na de realisatie van de ontwikkeling. In de verkeerskundige toetsing zijn alleen de verkeerskundige belangen ten behoeve van het toekomstige bewonersverkeer meegewogen. Parallel aan de verkeerskundige toetsing is door de afdeling Verkeer van de gemeente Rijswijk een MultiCriteria-Analyse (MCA) uitgevoerd, waarin de verschillende varianten tegen elkaar zijn afgezet. De MCA is als bijlage 18 bij deze toelichting gevoegd. De criteria die hebben meegewogen in de MCA zijn: de afstand tot een gebiedsontsluitingsweg zoals de Huis te Landelaan en/of de Burgemeester Elsenlaan; de verkeersluwe (hoofdfietsroute) Van Vredenburchweg; aantasting van het groen; verblijfskwaliteit van het park; het aantal gehinderde percelen; impact op de waterlopen; cultuurhistorische waarden; Werken met werk maken; aantal aansluitingen op het hoofdwegennet; juridische haalbaarheid; kosten.
Voor wat betreft bewonersverkeer, blijkt uit de MCA dat alle varianten voor- en nadelen kennen. De ruimtelijke impact van variant 2, ontsluiting via de westelijke zijde van de Van Vredenburchweg, naar de Huis te Landelaan blijkt de meest gunstige variant. Ondanks dat deze route verkeerstechnisch geschikt is, biedt deze variant ook kansen om de kwaliteit van de Van Vredenburchweg als fietsroute te verbeteren. Daarbij is het vooral van belang dat het parkeren op de rijbaan wordt aangepakt. Omdat er nu op de rijbaan wordt geparkeerd, blijft het veilig onderling passeren van fietsers en gemotoriseerd verkeer een belangrijk aandachtspunt voor de verkeersveiligheid en het fietscomfort. Om de kwaliteit van het westelijk deel van de Van Vredenburchweg te vergroten zal de Van Vredenburchweg worden heringericht. De herinrichting van de Van Vredenburchweg is een onderdeel van de ambities van de gemeente voor de Landgoederenzone. Deze ambities zijn uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma Landgoederenzone, welke in september 2021 voor fase 1 door de raad is vastgesteld. Concreet betekent dit dat er voor de herinrichting van de Van Vredenburchweg in 2022 een participatietraject met de omwonenden en belanghebbenden zal worden gestart. 4.2.3 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
De toekomstige herinrichting van de Van Vredenburchweg vormt geen onderdeel van deze bestemmingsplanprocedure.
Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
32
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. Een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren. Daarnaast zijn daarin alle ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en ultra fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m 3, terwijl voor PM2,5 de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3 bedraagt. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m 3.
In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-ontwikkeling; • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; • projectsaldering wordt toegepast. Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de normen van de Wet luchtkwaliteit niet nodig. 4.3.2 Beoordeling Beoordeling luchtkwaliteit In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' (Regeling NIBM) zijn voor verschillende functiecategorieën cijfermatige kwantificaties opgenomen, waarbij een ontwikkeling als een NIBM-project kan worden beschouwd. Deze categorieën betreffen landbouwinrichtingen, spoorwegemplacementen, kantoorlocaties, woningbouwlocaties en een combinatielocatie van woningbouw en kantoren. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van maximaal 39 nieuwe woningen mogelijk gemaakt.
Daardoor is de voorgestelde ontwikkeling aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, waardoor toetsing aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit niet nodig is.
Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
33
Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. In de volgende afbeelding zijn de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 weergegeven. Deze concentraties zijn afkomstig uit de NSL-monitoringstool 2020.
Afbeelding 7.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2020)
Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 22,5 µg/m3, 18,4 µg/m3 en 10,6 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 6,5, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 4.3.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 4.4
Geluid
4.4.1 Kader Wet Geluidhinder Wegverkeerslawaai Conform artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) (2007) bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Alvorens geluidgevoelige objecten - zoals woningen of scholen - kunnen worden geprojecteerd, dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied).
Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
34
Normstelling Als er nieuwe geluidgevoelige objecten binnen de onderzoekszone van een weg worden gerealiseerd, dan mag de geluidsbelasting van het wegverkeer niet meer bedragen dan de voorkeurswaarde. Indien de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde moeten er maatregelen worden getroffen om hieraan alsnog te kunnen voldoen. Blijkt dat niet mogelijk of op overwegende bezwaren te stuiten dan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde. Deze hogere waarde mag de maximale ontheffingswaarde niet overschrijden. Voor woonerven en voor wegen waarop de maximum snelheid 30 km/h bedraagt, geldt geen onderzoekszone, waardoor ze strikt formeel gezien - niet hoeven te worden getoetst aan de normen van de Wgh. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het echter wel wenselijk dat deze wegen mee worden genomen in de afweging. De nieuwe woningen zijn gelegen binnen de onderzoekszone van de Huis te Landelaan. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is tevens de geluidbelasting berekend van de 30 km/uur wegen Schimmelweg, Sinjeur Semeynsweg, Van Vredenburchweg en de nieuwe weg in het plangebied. Railverkeerslawaai In de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder is de zonering van spoorwegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld.
Bij spoorweglawaai is de breedte van de zone onder andere afhankelijk van het aantal sporen en de verkeersintensiteit. Binnen de gemeente Rijswijk bevindt zich de spoorlijn Den Haag - Rotterdam die is opgenomen op de geluidplafondkaart. Voor deze spoorlijn is de breedte van de zone, gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf, afhankelijk van het vastgestelde geluidproductieplafond. Ter hoogte van het plangebied bedraagt de zone 600 meter. Het plangebied valt hierbinnen. Bouwbesluit 2012 In het Bouwbesluit 2012 is aangegeven wat de karakteristieke geluidwering moet zijn om een binnenwaarde, bij gesloten ramen, te garanderen voor verblijfsgebieden van nieuwe woningen. Deze karakteristieke geluidwering moet minimaal gelijk zijn aan de vastgestelde hogere waarde minus de toegestane binnenwaarde van 33 dB. Concept hogere waarden beleid Rijswijk In het (concept)beleid is aangegeven aan welke eisen de woningen moeten voldoen om een akoestisch aanvaardbaar klimaat te realiseren. In het hierna opgenomen gedeelte zijn deze eisen opgesomd.
Geluidsluwe zijde Woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen dienen altijd een geluidsluwe zijde te hebben; Onder een geluidsluwe zijde wordt het volgende verstaan: De geluidsbelasting op de geluidsluwe zijde mag cumulatief niet meer bedragen dan 58 dB (exclusief aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder) voor wegverkeerslawaai, 58 dB voor spoorweglawaai en 50 dB(A) voor industrielawaai; Indien de gecumuleerde geluidsbelasting voor wegverkeerslawaai op de hoogst belaste zijde 65 dB of minder bedraagt, bedraagt de gecumuleerde geluidsbelasting op de geluidsluwe zijde maximaal 55 dB; de gevel achter een vliesgevel kan, indien voldoende afgeschermd door de vliesgevel, beschouwd worden als een geluidsluwe zijde.
Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
35
Indeling en gebruik van geluidsgevoelige bestemmingen Met betrekking tot de woningindeling en het gebruik van woningen gelden de volgende eisen: elke woning bevat minimaal één slaapkamer die aan de geluidluwe zijde is gelegen; een buitenruimte bevindt zich aan de geluidluwe zijde of is voldoende afgeschermd dat er sprake is van een geluidluwe buitenruimte. Cumulatie Een geluidsgevoelige bestemming wordt in het stedelijk gebied vaak blootgesteld aan meerdere geluidsbronnen. Als er sprake is van een hogere waarde schrijft de Wgh voor dat de cumulatieve geluidsbelasting moet worden berekend en beoordeeld moet worden of de cumulatieve geluidsbelasting aanvaardbaar is. Dit beleid sluit aan bij deze systematiek. Indien er sprake is van meerdere geluidsbronnen die de voorkeursgrenswaarde overschrijden op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen dient de cumulatieve geluidbelasting van deze bronnen te worden berekend. Het berekenen van de cumulatieve geluidsbelasting moet conform bijlage 1 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. 4.4.2 Beoordeling Door KuiperCompagnons is een onderzoek verricht naar de geluidbelasting van weg- en railverkeerslawaai ter plaatse van het plangebied. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 15 bij deze toelichting. In deze paragraaf zijn de belangrijkste resultaten beschreven.
Wegverkeerslawaai Uit de resultaten blijkt het verkeer op de route Huis te Landelaan/Alberdink Thijmstraat een geluidsbelasting veroorzaakt van maximaal 40 dB. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden. Het verkeer op alle 30 km-wegen bij elkaar (route Schimmelweg/Sinjeur Semeynsweg en de Van Vredenburchweg en de nieuwe weg in het plangebied) geeft een maximale geluidbelasting van 43 dB. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden. Railverkeerslawaai Uit de resultaten blijkt de spoorlijn Rotterdam - Den Haag een geluidsbelasting veroorzaakt van maximaal 49 dB. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden. Cumulatie Omdat de voorkeursgrenswaarde voor het verkeer en het railverkeer ter plaatse van de nieuwe woningen niet wordt overschreden is geen sprake van cumulatie. Toetsing aan het (concept) hogere waarden beleid Zoals hiervoor is beschreven wordt de voorkeursgrenswaarde voor weg- en railverkeer niet overschreden zodat een hogere waarde of een toetsing aan de voorwaarden uit het hogere waardenbeleid niet aan de orde is. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van geen van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Dit betekent dat geen hogere waarde procedure aan de orde is en dat het aspect geluid niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in het plan.
4.4.3 Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
36
4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1 Kader De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) van belang indien er sprake is van functieverandering en/of een ander gebruik van de gronden. Ontwikkelingen kunnen pas plaats vinden als de bodem, waarop die ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is bevonden voor het beoogde doel of voorafgaand aan die ontwikkeling alsnog geschikt wordt gemaakt. 4.5.2 Beoordeling Door Van der Helm Milieubeheer is een verkennend milieukundig (asbest)bodemonderzoek en verhardingsonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 13 bij deze toelichting. In het bodemonderzoek is het plangebied in de volgende deellocaties onderverdeeld:
Afbeelding 4.2: Overzicht deellocaties bodemonderzoek
Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat voor deellocaties E en F geen vervolgonderzoek nodig is. Voor de overige locaties heeft wel nader onderzoek plaatsgevonden. Deze rapportage is als bijlage 14 opgenomen bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat sprake is van meerdere "gevallen van ernstige bodemverontreiniging" zoals beschreven in de Wet Bodembescherming en meerder kleine verontreinigingspots. De sanering van de verontreinigingen is niet spoedeisend. Om de locatie geschikt te maken voor het beoogde gebruik dienen de verontreinigingen gesaneerd te worden en verhardings- en funderingslagen te worden verwijderd. Aanbevolen wordt om voor het gehele herontwikkelingsgebied één saneringsplan op te stellen. In het saneringsplan dient te worden beschreven wordt hoe in combinatie met de voorgenomen herontwikkeling, de verontreinigingen en verhardings- en funderingslagen dienen te worden verwijderd. 4.5.3 Conclusie Om de locatie geschikt te maken voor de nieuwe bestemming 'wonen' is het nodig de verontreiniging te saneren. Om de verontreiniging te saneren is een saneringsplan ingediend bij het bevoegd gezag (de provincie). De provincie heeft ingestemd met het saneringsplan. Hiermee vormt het aspect bodem geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
37
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, beoordeeld te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering.
Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. 4.6.2 Beoordeling In het kader van externe veiligheid zal de ontwikkeling niet zorgen voor een significante toe- of afname van het huidige risico. In verband met de aanwezigheid van de risicobron Rijksweg A13 / Knooppunt Ypenburg op circa 2200 meter ten oosten van het plangebied adviseert de Veiligheidsregio Haaglanden (VRH) de volgende maatregelen om de kans op incidenten te verkleinen, de effecten van de incidenten te beperken en de zelfredzaamheid van de aanwezigen te verbeteren: - Afschakelbare ventilatie; - Voorbereiding interne organisatie; - Risicocommunicatie. Bij de verdere uitwerking van de plannen zullen deze maatregelen worden meegenomen.
Het is belangrijk dat bij de verdere uitwerking van het plangebied ook specifiek wordt gekeken naar de brandveiligheid. Bij de toetsing op brandveiligheid dient er tevens aandacht besteed te worden aan de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen. De VRH heeft geadviseerd om het pad langs het Streekdierentehuis bij calamiteiten te gebruiken als tweede calamiteitenontsluiting. Over de uitwerking hiervan moeten nog nadere afspraken worden gemaakt. In aanvulling hierop wordt in het bestemmingsplan wel al mogelijk gemaakt dat het voetpad tussen de weg langs ’t Streekdierentehuis en de rijbaan binnen het plangebied verbreed mag worden tot 3,5 meter met bijvoorbeeld grastegels t.b.v. een calamiteitenroute. Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
38
Ook is naar aanleiding van het overleg met de VRH de toegangsweg binnen het plangebied in het ontwerp verbreed naar 5 meter. Voor het gedeelte vanaf ’t Julialaantje richting het appartementengebouw is afgesproken dat deze nog eens met 1 meter verbreed wordt met bijvoorbeeld grastegels om zodoende een passeermogelijkheid ten behoeve van calamiteiten te realiseren. Hier is de verkeersbestemming dus 6 meter breed. 4.6.3 Conclusie In de nadere planuitwerking zullen de benodigde maatregelen verder worden uitgewerkt. Hiermee vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.7
Bedrijven en milieuzonering
4.7.1 Kader Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen kan gebruik worden gemaakt van de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld door de VNG (versie 2009). Deze geeft per bedrijfscategorie een “veilige” afstand voor de genoemde milieuaspecten, de zogenaamde richtafstand. Realisatie van woningen binnen deze richtafstand is alleen gemotiveerd mogelijk indien wordt aangetoond dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd én dat het bestaande bedrijf niet onevenredig in haar bedrijfsvoering wordt geschaad ten gevolge van de ontwikkeling. 4.7.2 Beoordeling In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich het streekdierenhuis 't Julialaantje, sportpark Vredenburch en revalidatiecentrum Westhoff. Geluid is de milieubepalende factor.
De VNG-publicatie omschrijft voor de beoordeling van geluidhinder het volgende stappenplan beknopt samengevat voor de gebiedstypering rustige woonwijk): Stap 1: Indien de richtafstanden niet worden overschreden kan verdere toetsing in beginsel achterwege blijven. Het plan is dan mogelijk. Stap 2: (Vanaf deze stap is een geluidonderzoek noodzakelijk) Indien stap 1 niet toereikend is: - Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype rustige woonwijk van maximaal: o 45 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT (etmaalwaarde); o 65 dB(A) maximale geluidniveaus LAmax (etmaalwaarde); o 50 dB(A) verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). Vrijstelling is dan mogelijk. Stap 3: Indien stap 2 niet toereikend is: - Bij een geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen in gebiedstype rustige woonwijk van maximaal: Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
39
o 50 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT (etmaalwaarde); o 70 dB(A) maximale geluidniveaus LAmax (etmaalwaarde); o 50 dB(A) verkeersaantrekkende werking (etmaalwaarde). Vrijstelling is dan mogelijk met dien verstande dat het bevoegd gezag moet motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht. Stap 4: Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 dient de vrijstelling grondig onderzocht, onderbouwd en gemotiveerd te worden. Omdat de voorgenomen ontwikkeling binnen de richtafstanden van de verschillende functies is gelegen, is akoestisch onderzoek noodzakelijk. Streekdierentehuis Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de geluiduitstraling van Streekdierentehuis ’t Julialaantje. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. Na overleg met het Streekdierentehuis is er nog een aanvullend onderzoek uitgevoerd, welke als 21 bij deze toelichting is opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat om aan het Activiteitenbesluit te kunnen voldoen en te borgen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat de volgende maatregel noodzakelijk is: - de plaatsing van een geluidscherm ter plaatse van de crisisopvang. Hierbij is uitgegaan van een scherm van 2 meter hoog en circa 14 meter lang, wat aan de binnenzijde geluidsabsorberend is uitgevoerd.
Hierbij kan gedacht worden aan een scherm dat gelijkwaardig is aan het reeds aanwezige geluidscherm aan de westzijde. Geconcludeerd wordt dat na het treffen van de maatregel ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het kader van de omgevingsvergunning worden er afspraken gemaakt met het streekdierentehuis, omdat de maatregelen niet plaatsvinden binnen het plangebied zelf. Uit het onderzoek blijkt dat het aspect indirecte hinder geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan. Sportpark Vredenburch Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de geluiduitstraling van voetbalveld 2 (het meest westelijke veld) van Sportpark Vredenburch. Het sportpark is gevestigd aan ‘t Julialaantje 15b te Rijswijk. Omdat het plangebied voor wat betreft het aspect geluid gelegen is binnen de richtafstand van het sportpark is nader onderzoek noodzakelijk. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 9 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit wordt voldaan op de gevels van de geplande woningen, waardoor het bouwplan geen belemmering vormt voor de uitoefening van de activiteiten op en rond de sportvelden.
De referentiewaarden voor een ‘rustige woonwijk’ worden alleen overschreden door piekgeluiden, voornamelijk de fluitsignalen tijdens wedstrijden en menselijk stemgeluid. Deze geluiden worden niet getoetst in het kader van het activiteitenbesluit maar zijn relevant ter beoordeling van een goed woonen leefklimaat De overschrijding van de VNG referentiewaarden is vooral relevant ter hoogte van de zuid- en oostzijde van de portierswoning. Allereerst is onderzocht of het verder van het veld af plaatsen van de woning een oplossing is. Geconstateerd is dat het vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
40
gewenst is de woning op deze locatie te realiseren en verplaatsen vanuit dat oogpunt dus ongewenst is. Als realistisch uit te voeren maatregel is een geluidscherm langs de oost- en zuidzijde van het perceel voorgesteld van minimaal 2 m hoog. Over deze oplossing heeft intensief overleg plaatsgevonden met de Omgevingsdienst Haaglanden en de stedenbouwkundige van de gemeente Rijswijk. Het plaatsen van een scherm is om de volgende (stedenbouwkundige) redenen als ongewenst beschouwd: - Het plaatsen van een scherm heeft negatieve gevolgen voor de sociale veiligheid van het Julialaantje. - Het scherm tast de beleefbaarheid en de herkenbaarheid van het Julialaantje als historische verbinding en de daarbij behorende ruimtelijke karakteristiek aan. - Een scherm dat voor de voorgevel komt te staan is een aantasting van de (beoogde) beeldkwaliteit die gebaseerd is op openheid van het voorerf bij de woning. - Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning kan, zoals door middel van maatregelen aan de gevels en de indeling van de woning, op een andere wijze geborgd worden. De overschrijding treedt op ter plaatse van de zuid- en de oostgevel van de woning. Aan de noorden westzijde is sprake van een geluidluwe zijde. Daarnaast wordt het grootste deel van de tuin afgeschermd door de woning zelf, waardoor de woning over een geluidluwe buitenruimte beschikt.
Voor de overige woningen worden de optredende geluidniveaus gelet op de beperkte frequentie en het niet doelmatig zijn van mogelijke maatregelen acceptabel geacht. Lichthinder In het kader van de ontwikkeling zijn de zichtbare lichtemissies van de diverse hoge lichtmasten op het naastgelegen sportveld van Vredenburch onderzocht. Hiervoor is onder andere een dag- en avondschouw geweest. Daarbij zijn modelberekeningen gemaakt om vast te stellen of de lichtinstallatie de grenswaarden voor lichthinder overschrijdt. Voor de grenswaarden is de richtlijn lichthinder van de NSVV als leidraad genomen. Op basis van de berekeningen kan worden geconcludeerd dat de bestaande verlichtingsarmaturen van het sportpark Vredenburch in de bestaande situatie géén lichthinder veroorzaken. De volledige rapportage is opgenomen als bijlage 7 bij deze toelichting. Revalidatiecentrum Westhoff Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de geluiduitstraling van Revalidatiecentrum Westhoff. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 12 bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat om aan het Activiteitenbesluit te kunnen voldoen en te borgen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat de volgende maatregelen noodzakelijk zijn: - Het plaatsen van een geluiddemper op het rooster (zuidgevel) van de luchtbehandelingskast.
- Het plaatsen van een geluidscherm rond de chiller, al dan niet in aansluiting op de westgevel van de dakopbouw. - Het staken van het gebruik van de meest westelijk gelegen parkeerplaatsen in de nachtperiode. In het rapport wordt nader ingegaan op deze maatregelen en het effect hiervan op het plangebied. Geconcludeerd wordt dat na het treffen van de maatregelen ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er worden afspraken gemaakt met het revalidatiecentrum, omdat de maatregelen niet plaatsvinden binnen het plangebied zelf.
Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
41
4.7.3 Conclusie In de nadere planuitwerking zullen de benodigde maatregelen verder worden uitgewerkt. Voor de “Portierswoning” betreft het treffen van maatregelen aan de gevels en indeling van de woning. Het plaatsen van een scherm wordt vanuit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst geacht. De maatregelen ter plaatse van het Steekdierentehuis, het revalidatiecentrum en de portierswoning zijn geborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.8
Water
4.8.1 Beleidskader Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Het Rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.
In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit im Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is.
Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
42
Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 - 2021 In het Regionaal Waterplan wordt verwezen naar de Visie Ruimte en Mobiliteit, vastgesteld op 7 juli 2014. Provinciale staten van Zuid-Holland hebben echter op 20 februari 2019 nieuw beleid vastgesteld, namelijk het Omgevingsbeleid. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Het waterbeleid komt op diverse plekken voor in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en Omgevingsverordening Zuid-Holland. In de Omgevingsverordening zijn voor bestemmingsplannen in hoofdstuk 6 instructieregels opgenomen. Hier komen onder andere de Keur, legger en peilbesluit aan bod. Verder wordt in het Regionaal Waterplan Zuid-Holland 2016-2021 verwezen naar de Voortgangsnota KRW en het Provinciaal Waterplan 2010 2015.
Voortgangsnota KRW In de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021, vastgesteld op 14 oktober 2015, zijn de doelen en maatregelen voor waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater vastgelegd. Deze nota fungeert als een regionaal waterplan conform de Waterwet, voor het thema waterkwaliteit. Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. Keur Hoogheemraadschap van Delfland Voor werkzaamheden en activiteiten aan het water of aan waterkeringen geldt een aantal regels, zodat het hoogheemraadschap zijn taken goed kan uitoefenen. Deze regels zijn vastgelegd in een verordening, genaamd Delflands Algemene Keur. In deze Keur staan gedoogplichten, geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. In de Keur is geregeld dat kern- en beschermingszones voor waterkeringen (en watergangen) in acht dienen te worden genomen. Het komt erop neer dat binnen deze zones niets zonder meer gebouwd en opgeslagen mag worden, waarbij voor de kernzone een strenger regime (bouwen binnen de kernzone is niet toegestaan) geldt dan voor de aangrenzende beschermingszone.
Deze bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast dan wel het onderhoud wordt gehinderd. De breedte en maatvoeringen van deze zones is vastgelegd in de ‘legger’. Voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem, zoals bouwen binnen de kern of beschermingszone van een waterkering, dient bij het hoogheemraadschap ontheffing te worden aangevraagd op grond van de Keur (ex artikel 77 en 80 van de Waterschapswet). Voor eventuele lozingen op het oppervlaktewater dient toestemming verkregen te worden in het kader van de Waterwet. Ten slotte is in 2012 de nieuwe Handreiking Watertoets vastgesteld. De nieuwe handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
43
ruimtelijke planvorming. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin. Gemeentelijk waterbeleid De gemeente Rijswijk is vooral verantwoordelijk voor de ruimtelijke aspecten in het stedelijk gebied en voor de inzameling en afvoer van afvalwater, hemelwater en grondwater. De gemeente wil samen met het Hoogheemraadschap een duurzaam, schoon, gezond en veilig Rijswijks watersysteem en een vitale en aantrekkelijke leefomgeving realiseren. De doelstelling is een brede vertaling van de algemene gemeentelijke ambitie ”Heel gewoon, Rijswijk schoon”. De ambitie is te vertalen in vier beleidsdoelen: 1. Duurzaam schoon en gezond water: het Rijswijkse watersysteem is uiterlijk in 2027, (doeljaar voor de KRW), chemisch schoon en gezond én ecologisch robuust ingericht. 2. Veilig en beheerst water: veilige waterkeringen en goed doorstroombare boezemkanalen houden overtollig water ’van de straat’. In 2027 voldoet het gehele beheersgebied van Delfland aan de gestelde beschermingsnormen. 3. Een gesloten afvalwaterketen: Een gesloten robuust afvalwatersysteem dat bestand is tegen toekomstige buien en zuiveringen door te ontwikkelen tot energie-, grondstoffen en zoetwaterfabrieken. Het afvalwater komt uitgebreider aan bod in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) en wordt besproken binnen het Netwerk Afvalwaterketen Delfland (NAD). 4.
Bewust van Rijswijks water: inwoners van Rijswijk waarderen het water in hun directe leefomgeving en weten welke bijdragen zij kunnen leveren aan het bereiken en in stand houden van een duurzaam schoon, gezond en veilig Rijswijks watersysteem. 4.8.2 Watertoets Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Huidig watersysteem Het plangebied kent drie verschillende peilstanden. In het noordelijk deel geldt een vastgesteld waterpeil van -1,30 m NAP. Het oostelijk deel kent een vastgesteld waterpeil van -0,55 m NAP. Het westelijk deel kent een peilafwijking, hier geldt een bekend waterpeil van -0,99 m NAP. Daarnaast wordt het plangebied aan de oost- en westzijde ontsloten door secundaire watergangen, en aan de noordzijde door een primaire watergang. Planbeschrijving Het huidige verhard oppervlak is circa 15.848 m2. Hierin is de verharding van de tennisvelden (circa 7.200 m2) en de overige verharding zoals voetpaden binnen de bestemmingen ‘Sport’ en ‘Cultuur’ als 50% verhard meegenomen. Onbekend is in hoeverre de tennisbanen waterdoorlatend zijn. Verder bestaat het plangebied uit veel asfalt, waaronder parkeerterreinen en een rijweg. In de toekomstige situatie is het plangebied circa 12.945 m 2 verhard.
Het aantal m2 verharding neemt in de toekomstige situatie af. Uit de watersleutel (zie bijlage 16) blijkt dat er 1.042 m2 extra water gerealiseerd moet worden. In het plan is een waterpartij voorzien van ca. 3.500 m2. Hiermee kan worden gesteld dat het aantal m2 verharding niet toeneemt en dat er in het plan juist meer waterberging wordt gecreëerd. De aanwezige watergangen rondom het plangebied worden niet aangetast. De nadere uitwerking van de aansluiting op het bestaande watersysteem wordt bij de watervergunning uitgewerkt. Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
44
Veiligheid Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een waterkering. Riolering De riolering wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Hierbij wordt uitgegaan van een gescheiden rioolstelsel (stelsel waarbij vuilwater en hemelwater door gescheiden buizen worden afgevoerd). Bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling mogen geen (bouw)materialen toegepast worden waardoor het afstromende hemelwater bijvoorbeeld door uitloging verontreinigd kan raken. Gestreefd dient te worden naar het volgen van het voorkeursbeleid van het Hoogheemraadschap. Volksgezondheid Overstorten van vuilwater dient te worden voorkomen. Door het afkoppelen van hemelwater van de droogweerafvoer (DWA) worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Bodem en grondwater De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Hierdoor zal bodemdaling niet aan de orde zijn. Grondwateroverlast is niet bekend en is ook niet te verwachten. Indien bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling ondergrondse constructies worden gebouwd, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat.
Waterkwaliteit Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater leiden. Verdroging De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Het plan heeft derhalve geen (negatieve) invloed op karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden; er is immers geen kans op verdroging als gevolg van het plan. Natte natuur Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op NNN-gebieden in de omgeving zijn daarmee uit te sluiten. Keur Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Hoogheemraadschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de Legger zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is. Beheer en onderhoud Er zijn geen wateren en kunstwerken in het plangebied gelegen, die onder de onderhoudsverplichtingen vallen van het Waterschap. Beheer en onderhoud van de riolering is in handen van de gemeente Rijswijk.
Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
45
Klimaatadaptief bouwen Zowel Delfland als gemeente Rijswijk hebben zich met de ondertekening van het ‘convenant klimaatadaptief bouwen’ gecommitteerd om de huidige bouwopgave klimaatadaptief te ontwikkelen: verminderen van de kans op wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Uit de daarvoor opgestelde Minimale Eisen hebben de volgende aspecten een directe relatie met de waterhuishouding: • Hevige neerslag leidt niet tot schade aan infrastructuur, gebouw, eigendommen of groen in de bebouwde omgeving: • 50 mm van een korte hevige bui (70 mm 1/ 100 jaar) op privaat terrein moet worden opgevangen en in 24-48 u vertraagt worden afgevoerd (of neerslaggestuurd worden geleegd); • in het plangebied treedt geen schade op aan bebouwing en voorzieningen bij extreem hevige neerslag (90mm 1/250 jr); • Langdurige droogte leidt niet tot verdroging of schade aan de bebouwde omgeving: • de inrichting van het gebied is afgestemd op de verwachte grondwaterstanden en de beschikbaarheid van zoetwater tijdens droogte; • er wordt naar gestreefd dat 50% van de jaarlijks gemiddelde neerslag in het plangebied worden geïnfiltreerd. In het beeldkwaliteitsplan is een paragraaf gewijd aan klimaatadaptief bouwen. Voor klimaatadaptatie conformeert het plan zich aan klimaat adaptief bouwen van de gemeente Rijswijk.
De volgende issues zijn verwerkt: • Het plan kent een groot privaat deel (noordelijk deel) hiervan is het grootste deel groen (en blauw) ingericht. In dit gebied wordt het water opgevangen en vertraagd afgevoerd. Dit wordt gedaan door bermen, oevers en extra greppels te maken. Aanvullend krijgt iedere grondgebonden woning een grote regenton. • De bebouwing en wegen liggen hoger dan de omringende gebieden, hierdoor treedt geen schade op bij extreem hevig neerslag. • Het gebied is zo ingericht dat het aansluit op de natuurlijke grondwaterstanden en waterbeschikbaarheid. Het gebied is onderdeel van een polder en daarmee is de waterbeschikbaarheid goed en stabiel. • In het plan wordt 100% van het water in het gebied gehouden en zal minimaal 70% infiltreren. Het meeste regenwater valt sowieso op groen en de verharding stroomt af op de aanpalende groengebieden. Voor de bebouwing wordt vertraagde waterafvoer over straat in de berm voorgesteld. De berm loopt langzaam af in een natuurvriendelijke oever. • Met diverse lanen, vrijstaande bomen en bosstroken langs wandelpaden wordt ruimschoots de 50% schaduw gehaald op verblijfsplekken en gebieden voor langzaamverkeer. • Het gebied kent een uitzonderlijk groen karakter en bestaat voor meer dan 70% uit oppervlakte die ingericht zijn met groen of water.
In de resterende delen wordt gezorgd voor bomen langs verharding die juist schaduw op verharding geven. En door daar waar het ken met grasbetonstenen te werken wordt ook de opwarming van de oppervlakte verminderd. Tov de bestaande situatie (tennisbanen, parkeerplaatsen en party-centrum) is dat een enorme winst. • Met de koeling van gebouwen wordt ervoor gezorgd dat de omgeving niet opwarmt. Dit zal in de verdere uitwerking meegenomen worden. • Bodemdaling komt nauwelijks voor in dit gebied. Het ligt op de standwal en kent een zanderige ondergrond. Met de verder uitwerking van de fundering van wegen zal hier nadrukkelijk nader onderzoek gedaan worden. • Het plan voegt zich volledig in de landschappelijke en natuurlijke logica van de omgeving. Groene structuren worden doorgezet en verbonden en waterstructuren worden toegevoegd. Voor verdere toelichting lees het gedeelte over biodiversiteit. In architectuur is nog een gedeelte opgenomen over maatregelen op gebouwniveau. Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
46
•
Overstromingsgevaar is in dit gebied nauwelijks reëel. Het te bebouwen deel van de locatie ligt boven NAP, ongeveer 40 cm. Ook de toegangsweg tot de locatie ligt in zijn geheel boven NAP, ongeveer 60 cm. Delen die enigzins onder NAP (20 cm) liggen worden niet bebouwd en ingericht als bos en kruidenrijk grasland. Verder zijn er geen afstromend waterlichamen (bv rivieren) die voor overstromingsgevaar in het gebied kunnen brengen.
4.8.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan. 4.9
Ecologie
4.9.1 Wettelijk kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van planten- en diersoorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN. Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen.
Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. 1. Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. 2.
Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden dieren
Bestemmingsplan “Hofstede” Toelichting Vastgesteld
47
opzettelijk te verstoren. Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en ✓ sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: • de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of • de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. 3. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: ✓ er geen andere bevredigende oplossing is, en ✓ indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
In de gemeente Rijswijk is de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag voor de Wnb. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties.