CConstaterende datRijswijk
Koppel je AI →
Document · PDF

21-029 B Ruimtelijke onderbouwing - Rijswijk versie D 16022021 (3).pdf

Raadsvergadering 15 juni 2021, gemeente RijswijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerpverklaring van geen bedenkingen onderstation Wilhelminapark (21-029)24.282 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

30 van 30

66/43N

66/45N

66/47N 44 92 00

66/45AN

66/43AN

66/51N

66/49N 66/49

66/47AN

66/51

461 1:34.7

463

1:34.7

66/48AN

66/46AN

66/44N

66/50N

66/48N

66/46N

465A

66/52 44 91 00

66/44AN

66/52N

ETS

systeemgrens 1

4 7 8 3 .0 9

Bestaand gebouw

N

systeemgrens

draaihek 2 parkeerplaatsen 6x2,5m

2 parkeerplaatsen 6x2,5m

nieuw hekwerk

ca.5m 1710

22075

bestaand hekwerk

Situatie

1

B

C

4

9075

9375

400

8950

4001280300960300 1370 300 1370 300960300 1536 400

2

Schaal 1 : 500

3 22325

400

3075 250

400

2950

B

opvangbak trafo 1

opvangbak trafo 2

4500

kabelkelder HS

A

400

5300

kabelkelder LS

A

B Kabelkelder

1

C

2

3

4

22325 400

3075

400

3000

9075 150

1320

8200

hwa in gevel opgenomen

50 1400

GG

HH

600

600

600

600

600

600

F

G

H

600

600

600

600

400

1820 546

3830

770

3830

800

hwa in gevel opgenomen

Gevel: beton, spouw, houten lamellen hekwerk Gevel: beton, spouw, metselwerk

terrein verharding

renvooi materialen

GR2

300

800

binnenwand: beton

Transformator ruimte 42 m² Tractietransformator_1 Tractietransformator_2

1400

448 430 430

500

500

MV St.Tr. VK1 GR1 GR2

500

460

VS VK2 (RES)

800

St.Tr.

4600

800

775

48V SMIK 8 Combikast Glasvezeldeler(DDF6_Kast)

25

HS-ruimte 40 m²

2225

60 .

Netwerkkast

FF

E

4600

Afst. Meldk. dm 1600 S EE

GR1

400

150

60

. GR2 Minusveld_1

S

LS-ruimte 13 m²

Laagspsnningsverdeelinrichting

dm 1100 S

dm 1100

GCK

1740 250 1320 1990

4500 400

8300

A

.

400

60

B

9375

9000

. Veiligh.St.Tr.

1210

1200

GR1

A

SMIK

E. 1 E D C

Versie:

definitief diverse aanpassingen Concept

KV KV KV

Omschrijving:

J. Andre J. Andre J. Andre

Gecontroleerd:

Opdrachtgever

B

2 3075

C

3

9075

Datum:

Contact ProRail

Plattegrond beganegrond 1

Vrijgegeven:

01-10-2020 11-09-2020 19/05/2020

4

Advies- en Ingenieurorganisatie

9375

Project

B

Contact Andre Janet

+4,210 m

afschot

afschot

4500

Verzwaring onderstation Projectnummer Fase

: E07051.000219.0126 : Schetsontwerp

Onderwerp

:

Dak beveiliging aanlijnvoorziening

A

A :

Bladformaat:

Contract nummer :

Bladnummer:

Schaal 0

Dakplattegrond

Plattegronden en situatie

1

SCHAAL 1: 100

2

3

4

5

[m]

Status

Definitief

Tekeningnummer :

Versie :

OS-RSW_ARC-ZXX_XX_DR_BE_VO_001

E .1

geogr. code : 112

km 66.860

km

66.900

noodoverloop 4

ladder borgpunt

noodoverloop

3

+4,300 m

2

9375

1

9075

3075

Dakrand

+0,000 m

Peil NAP

-1,200 m

Kabelkelder

Noordoostgevel hwa in gevel opgenomen

Schaal 1 : 100

hwa in gevel opgenomen ventilatie openingen achter houtenlamellen

1

2 3075

+4,300 m

3

4

9075

9375

Dakrand houten lamellen deuren met roosters gevel metselwerk

renvooi gevels

+0,000 m

Peil NAP

-1,200 m

Kabelkelder C. 1 C B A

Zuidwestgevel

Versie:

Schaal 1 : 100

J. Andre KV R. van Wijngaarden

Omschrijving:

Gecontroleerd:

Opdrachtgever

B +4,300 m

diverse aanpassingen Concept Schetsontwerp

A

A

4500

+4,300 m

-1,200 m

Advies- en Ingenieurorganisatie

Dakrand

Contact Andre Janet

+0,000 m

Verzwaring onderstation

Peil NAP

-1,200 m

Kabelkelder

Kabelkelder

Noordwestgevel

Zuidoostgevel

Schaal 1 : 100

Schaal 1 : 100

Datum:

Contact ProRail

Project Peil NAP

Vrijgegeven:

11-09-2020 19/05/2020 17/04/2020

B 4500

Dakrand

+0,000 m

KV J. Andre J. Andre

Projectnummer Fase

: E07051.000219.0126 : DO

Onderwerp

:

:

Bladformaat:

Contract nummer :

Bladnummer:

Schaal 0

1

SCHAAL 1: 100

2

3

4

5

[m]

Gevels

Status

Definitief

Tekeningnummer :

Versie :

OS-RSW_ARC-ZXX_XX_DR_BE_VO_002

C .1

geogr. code : 112

km

66.860

km

66.900

1

2

3

3075

+4,300 m

4

9075

9375

3750

550

Dakrand

-1,200 m

1200

+0,000 m

kabelkelder

kabelkelder

Trafo kelder Wanden vloer waterdicht

Peil 0.52m + NAP NAP

Trafo kelder Wanden vloer waterdicht

Kabelkelder

Gevel: beton, spouw, houten lamellen

Doorsnede A-A Schaal 1 : 100

Gevel: beton, spouw, metselwerk

binnenwand: beton

renvooi materialen A

B

A

4500

+4,300 m

+4,300 m

B 4500

Dakrand

3750

550

Dakrand

Concept palenplan Concept

A. el Hadji KV

J. Andre J. Andre

Versie:

Omschrijving:

Gecontroleerd:

Vrijgegeven:

Opdrachtgever

27/07/2020 19/05/2020

Datum:

Contact ProRail

520

+0,000 m 1200

+0,000 m -1,200 m

B A

kabelkelder

Peil 0.52m + NAP NAP

-1,200 m

Kabelkelder

Peil 0.52m + NAP NAP

Trafo kelder Wanden vloer waterdicht

Kabelkelder

Doorsnede B-B

Doorsnede C-C

Schaal 1 : 100

Schaal 1 : 100

Advies- en Ingenieurorganisatie

Project

Contact Andre Janet

Verzwaring onderstation Projectnummer Fase

: E07051.000219.0126 :

Onderwerp

:

:

Bladformaat:

Contract nummer :

Bladnummer:

Schaal 0

1

SCHAAL 1: 100

2

3

4

5

[m]

Doorsneden

Status

Tekeningnummer :

Versie :

OS-RSW_ARC-ZXX_XX_DR_BE_VO_003

B

geogr. code :

km

km

3D View 1

Aerial View

C. 1 C B A

Versie:

diverse aanpassingen Concept Schetsontwerp

J. Andre KV R. van Wijngaarden

Omschrijving:

Gecontroleerd:

Opdrachtgever

3D View 2

KV J. Andre J. Andre

Vrijgegeven:

11-09-2020 19/05/2020 17/04/2020

Datum:

Contact ProRail

Advies- en Ingenieurorganisatie

Project

Contact Andre Janet

Verzwaring onderstation Projectnummer Fase

: E07051.000219.0126 : Schetsontwerp

Onderwerp

:

:

Bladformaat:

Contract nummer :

Bladnummer:

Schaal 0

3D View 3

1

SCHAAL 1: 100

2

3

4

5

[m]

3D views

Status

Concept

Tekeningnummer :

Versie :

OS-RSW_ARC-ZXX_XX_DR_BE_VO_004

C .1

geogr. code : 112

km

66.860

km

66.900

B geisoleerde deur systeemvloer

groen dak N.T.B.

onderdorpel

Peil

20

1 3

daktrim aluminium wand N.T.B.

Dakrand

Maaiveld

gevel bekleding houten delen 18mm

detail dichte deel gevel

2

achterconstructie gerecycled plastic

Detail 1

Maaiveld

4

Peil

Schaal 1 : 10

Detail 4

achterconstructie gerecycled plastic

A. 1 225

ventilatie opening

Schaal 1 : 50

diverse aanpassingen

J. Andre

Omschrijving:

Gecontroleerd:

Opdrachtgever

stalen profiel

Doorsnede

A

Versie:

180

Kabelkelder

gevel bekleding houten delen 200x18mm

stalen roosterdeur geisoleerd

KV

Vrijgegeven:

11-09-2020

Datum:

Contact ProRail

+2,342 m

Advies- en Ingenieurorganisatie

Detail 2 Schaal 1 : 10 daktrim aluminium wand N.T.B.

groen dak N.T.B. hergebruikte bakstenen

Project

Contact Andre Janet

Verzwaring onderstation Projectnummer Fase

: E07051.000219.0126 :

Onderwerp

:

Principedetails OS Rijswijk

Detail 3 - detail dichte deel gevel

Schaal

:

Bladformaat:

Schaal 1 : 10

Contract nummer :

Bladnummer:

0

0,5

SCHAAL 1: 50

principe houten lamellen gevel

1

1,5

2

2,5 [m]

Status

Tekeningnummer :

Versie :

OS-RSW_ARC-ZXX_XX_DR_BE_VO_005

A .1

geogr. code :

km

km

B

geisoleerde deur systeemvloer onderdorpel bestrating t.p.v. toegang 70

20

Peil

Maaiveld

Versie Omschrijving A. 1

Detail onderdorpel

Opdrachtgever

Gecontroleerd Project

: : Verzwaring onderstation

Projectnummer Fase

: E07051.000219.0126 :

Onderwerp

: Detail 5 onderdorpel toegangsdeur

Schaal

: 1:5

Formaat

:

Bestek nr.

:

Bladnummer

:

Tekeningnummer

: OS-RSW_ARC-ZXX_XX_DR_BE_VO_008

Vrijgegeven

A4

Datum

Getekend

06/08/2020

KV

:

Status:

Versie :

A. 1

ONDERWERP

ONZE REFERENTIE

Invulling eisen Bouwbesluit en ontwerpvoorschriften ProRail DATUM

12 augustus 2020 VAN

Artur Swanenberg AAN

Gemeente Rijswijk

Aanleiding Beschrijving hoe er in het rapport “SUN onderstations, ventilatie traforuimte” invulling is gegeven aan de eisen van het “Bouwbesluit” gepubliceerd op 01-07-2012. Gemeente Rijswijk heeft gevraagd om toe te lichten hoe er voldaan aan: Bouwbesluit In Artikel 1.1, Lid 2, blijkt dat de technische ruimte van het onderstation onder overige gebruiksfunctie valt. Gebruik makend van de tabel in Artikel 3.28 is er te zien dat er eisen voldaan moet worden uit: • Artikel 3.29, Lid 6 en 7 • Artikel 3.32, Lid 2, 3 en 4 • Artikel 3.34, Lid 4, 5, 7 en 8 Verificatie Tabel 1 Overzicht eisen uit het Bouwbesluit

Artikel Lid

Eistekst

Invulling

1.1

2

Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gegeven voorschriften wordt voorts verstaan onder: overige gebruiksfunctie: niet in dit lid benoemde gebruiksfunctie voor activiteiten waarbij het verblijven van personen een ondergeschikte rol speelt;

De traforuimte is ingericht voor de opstelling van de transformatoren. De ruimte heeft duidelijk geen verblijfsfunctie voor personen. Er zullen zich slechts sporadisch personen in deze ruimte bevinden voor onderhoud.

6

Een toiletruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van ten minste 7 dm³/s, bepaald volgens NEN 1087.

Niet van toepassing, er is geen toiletruimte aanwezig.

7

Een badruimte heeft een voorziening voor luchtverversing met een capaciteit van ten Niet van toepassing, er is geen badruimte aanwezig. minste 14 dm³/s, bepaald volgens NEN 1087.

3.32

2

Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 1 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm³/s.

Niet van toepassing, er is geen gasvoorziening aanwezig.

3.32

3

Een schacht voor een lift heeft een niet afsluitbare voorziening voor

Niet van toepassing, er is geen lift aanwezig.

3.29

3.29

Arcadis Nederland B.V., Piet Mondriaanlaan 26, 3812 GV Amersfoort

T +31 (0)88 4261261

Arcadis Nederland B.V. - Registered office: Arnhem - Registered number: 09036504

www.arcadis.com

luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 3,2 dm³/s per m²vloeroppervlakte van die liftschacht.

4

Een opslagruimte voor huishoudelijk afval met een vloeroppervlakte van meer dan 1,5 m² heeft een niet afsluitbare voorziening voor luchtverversing met een volgens NEN 1087 bepaalde capaciteit van ten minste 10 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte.

4

De toevoer van verse lucht naar een schacht voor een lift vindt rechtstreeks van buiten plaats, of via de liftmachineruimte van buiten. Afvoer van binnenlucht uit een Niet van toepassing, er is geen lift aanwezig. dergelijke ruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats, of via de liftmachineruimte naar buiten.

5

De toevoer van verse lucht naar een opslagruimte voor huishoudelijk afval vindt Niet van toepassing, het betreft hier geen rechtstreeks van buiten plaats en de opslagruimte voor huishoudelijk afval. afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten.

3.34

7

Ten minste 21 dm³/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht uit een verblijfsgebied of een verblijfsruimte Niet van toepassing, er is geen kooktoestel waarin zich een opstelplaats voor een aanwezig. kooktoestel, als bedoeld in artikel 3.29, vierde lid, bevindt, wordt rechtstreeks naar buiten afgevoerd.

3.34

8

De afvoer van binnenlucht uit een toiletruimte of een badruimte vindt rechtstreeks naar buiten plaats.

3.32

3.34

3.34

Niet van toepassing, het betreft hier geen opslagruimte voor huishoudelijk afval.

Niet van toepassing, er is geen toilet- of badruimte aanwezig.

Conclusie Het Bouwbesluit heeft geen eisen opgenomen voor de luchtcirculatie van een ruimte geclassificeerd onder overige gebruiksfunctie. De toetsing aan het Bouwbesluit geeft geen directe aanleiding voor het plaatsing van ventilatie of ventilatieroosters. Het rapport “SUN onderstations, ventilatie traforuimte” is specifiek opgesteld om invulling te geven aan de koeling van het gebouw. Dit gebeurt in dit geval middels mechanische ventilatie met buitenlucht (vrije koeling). In het ontwerpvoorschrift van ProRail worden daarnaast ook andere eisen gesteld zoals het toepassen van ventilatie en ventilatieroosters.

Onze referentie:

- Datum: 12 augustus 2020

2 van 3

Bijlagen

Figuur 1 Aansturingstabel uit Artikel 3.28

Onze referentie:

- Datum: 12 augustus 2020

3 van 3

Quickscan flora en fauna

Onderstation Rijswijk

Arnhem, 19 februari 2020

Pagina |2

Colofon Titel Subtitel

: Quickscan flora en fauna : Onderstation Rijswijk

Projectnummer Datum

: 20.017b : 19 februari 2020

Veldonderzoek Auteur(s)

: J. Boer : J. Boer

Collegiale toets

: S. Klein Brinke

Opdrachtgever Contactpersoon

: ProRail : G. van den End

Bezoekadres Postcode Telefoon

: Snelliusweg 40-18 : 6827 DH Arnhem : 026-2001900

info@ekoza.nl www.ekoza.nl

Ekoza B.V. is lid van het Netwerk Groene Bureaus: www.netwerkgroenebureaus.nl

Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

Pagina |3

Inhoudsopgave 1. 2.

Inleiding ...................................................................................................................................... 4 Wettelijk kader ............................................................................................................................ 5 2.1 Natura 2000-gebieden .......................................................................................................... 5 2.2 Natuurnetwerk Nederland.................................................................................................... 5 2.3 Soorten................................................................................................................................ 6 2.4 Houtopstanden .................................................................................................................... 8 3. Gebiedsbeschrijving ..................................................................................................................... 9 3.1 Gebiedsbeschrijving ............................................................................................................. 9 3.2 Voorgenomen ingreep ........................................................................................................ 10 4. Onderzoeksmethode..................................................................................................................

11 4.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 11 4.1.1 Natura 2000.......................................................................................................................... 11 4.1.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................... 11 4.2 Soorten.............................................................................................................................. 11 4.2.1 Bronnenonderzoek............................................................................................................... 11 4.2.2 Veldonderzoek ..................................................................................................................... 12 4.2.3 Effectenbeoordeling ............................................................................................................. 12 4.3 Houtopstanden .................................................................................................................. 13 5. Resultaten ................................................................................................................................. 14 5.1 Gebiedsbescherming ..........................................................................................................

14 5.1.1 Natura 2000.......................................................................................................................... 14 5.1.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................... 14 5.2 Soorten.............................................................................................................................. 15 5.2.1 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................ 16 5.2.2 Vleermuizen ......................................................................................................................... 17 5.2.3 Vogels ................................................................................................................................... 18 5.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen ............................................................................................ 21 5.2.5 Flora...................................................................................................................................... 21 5.2.6 Ongewervelden .................................................................................................................... 22 5.3 Houtopstanden ..................................................................................................................

22 6. Conclusies en aanbevelingen ...................................................................................................... 23 6.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 23 6.1.1 Natura 2000.......................................................................................................................... 23 6.1.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................... 23 6.2 Soortbescherming .............................................................................................................. 23 6.2.1 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................ 24 6.2.2 Vleermuizen ......................................................................................................................... 24 6.2.3 Vogels ................................................................................................................................... 24 6.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen ............................................................................................ 24 6.2.5 Flora......................................................................................................................................

25 6.2.6 Ongewervelden .................................................................................................................... 25 6.3 Houtopstanden .................................................................................................................. 25 Bronnen ............................................................................................................................................ 26 Literatuur ...................................................................................................................................... 26 Websites ....................................................................................................................................... 26

Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

Pagina |4

1.

Inleiding In de provincie Zuid-Holland in Rijswijk zal een nieuw onderstation worden gerealiseerd. Ekoza B.V. heeft in opdracht van ProRail een ecologische quickscan uitgevoerd. Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten deze ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna. De voorliggende rapportage beschrijft de resultaten van een quickscan. Het betreft een beoordeling van de huidige en potentiële aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren op de onderzoekslocatie en de te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep op beschermde soorten en gebieden. De quickscan vindt plaats op grond van bronnenonderzoek en een terreinbezoek. Tijdens het terreinbezoek is een inschatting gemaakt welke soorten voor kunnen komen en welke soorten op voorhand uit te sluiten zijn. Deze quickscan is een momentopname en kan slechts in beperkte mate uitsluitsel geven over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er effecten te verwachten zijn van de werkzaamheden op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd. In hoofdstuk 2 staat het wettelijk kader uiteengezet, waaraan getoetst dient te worden. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het onderzoeksgebied en de voorgenomen ingrepen.

Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de onderzoeksmethode. In hoofdstuk 5 worden de resultaten van het onderzoek en de mogelijke effecten van de ingreep op beschermde soorten besproken. Ten slotte volgen in hoofdstuk 6 de conclusies, aanbevelingen en eventuele vervolgstappen.

Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

Pagina |5

2.

Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het bevoegd gezag ligt bij de provincies. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk, zoals hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij etc. De Wet natuurbescherming is gericht op de bescherming van: • Natura 2000-gebieden • Soorten • Houtopstanden

2.1 Natura 2000-gebieden De basis voor Natura 2000 zijn de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze natuurbeschermingsrichtlijnen hebben naast de bescherming van specifieke flora en fauna eveneens als doel om de leefgebieden van deze soorten te behouden, te herstellen of uit te breiden. In Nederland zijn ruim 160 gebieden als Natura 2000-gebied aangewezen door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Door de toenmalige Minister van LNV zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld voor de Natura 2000-gebieden, deze staan vermeld in het (ontwerp-) aanwijzingsbesluit. In het (ontwerp-) aanwijzingsbesluit staan de instandhoudingsdoelstellingen voor alle habitattypen, -soorten en broedvogels die in het Natura 2000-gebied voorkomen beschreven. Daarnaast staat beschreven op welke wijze de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren zijn. Onder ‘instandhouding’ wordt verstaan het geheel aan maatregelen die nodig zijn ter behoud of herstel van een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten.

Elke activiteit (in de wet: project of handeling) zowel binnen als buiten een Natura 2000gebied die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen: • de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren; of • een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen is ingevolge artikel 2.7, tweede lid verboden. De activiteit kan slechts doorgang vinden wanneer het bevoegd gezag een vergunning verleent.

2.2 Natuurnetwerk Nederland Het doel van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) is om een samenhangend netwerk te creëren van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen. Het huidige netwerk bestaat voor het merendeel uit Natura 2000-gebieden en andere bestaande natuurgebieden. Daarnaast worden natuurgebieden uitgebreid, nieuwe natuurgebieden ontwikkeld en ecologische verbindingszones aangelegd. Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

Pagina |6

Onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland zijn Ecologische Verbindingszones (EVZ), die natuurgebieden met elkaar verbinden om het migreren van dieren en planten tussen natuurgebieden mogelijk te maken. De provincies zijn sinds 2014 verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Bij toetsing van de ingreep aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn de 'Spelregels EHS' van toepassing, een uitwerking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en een door Rijk, provincies en maatschappelijke organisaties gezamenlijk opgesteld beleidskader. Provincies hebben de Spelregels laten doorwerken in hun eigen ruimtelijk beleid. Het compensatiebeginsel voor de EHS is het sluitstuk van het ‘nee, tenzij’ beschermingsregime. Volgens dat regime zijn nieuwe projecten, plannen en handelingen, die afwijken van het bestemmingsplan, in het NNN met een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden niet toegestaan, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang én het ontbreken van reële alternatieven. De hoofdlijnen van de regels voor de bescherming en compensatie van het NNN zijn juridisch verankerd in de uitbreiding van het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke ordening (Barro, voorheen AMvB Ruimte), die op 1 oktober 2012 in werking is getreden (bekendmaking inhoud Stb. 2012, 388; bekendmaking inwerkingtreding Stb. 2012, 434).

2.3 Soorten Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes • soorten van de Vogelrichtlijn • soorten van de Habitatrichtlijn • andere soorten

Vogelrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Ingevolge artikel 3.1 is het verboden om: 1. Opzettelijk vogels te doden of te vangen; 2. Opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen; 3. Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; 4. Opzettelijk vogels te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Habitatrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.5 (Bern bijl. II, Bonn bijl. I) verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Opzettelijk dieren te verstoren; 3. Opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen; Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

Pagina |7

4. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 5. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.6 (Bern bijl. I en II, Bonn bijl. I) verboden om dieren of planten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden, tenzij het gaat om aantoonbaar gefokte of gekweekte dieren of planten.

Andere soorten Onder het beschermingsregime andere soorten vallen soorten waarvan er geen Europese verplichting tot bescherming is. Dit zijn soorten die vanuit nationaal belang extra bescherming behoeven. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. RVO (bevoegd gezag in deze) heeft een lijst met vrijgestelde soorten welke te vinden zijn in de Regeling natuurbescherming artikel 3.31 en Bijlage 11. Ingevolge Wet natuurbescherming artikel 3.10 is het verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 3. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Zorgplicht Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor eenieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het betreft bovendien niet alleen dieren en planten van soorten waarvoor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn specifieke beschermingsmaatregelen eisen, maar alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: • dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, • indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Voor de bescherming van dieren en planten van soorten waarvoor geen specifiek beschermingsregime geldt op grond van hoofdstuk 3, heeft de zorgplicht zelfstandig betekenis.

Op grond van de zorgplichtbepaling moeten schadelijke handelingen in beginsel achterwege worden gelaten dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

Pagina |8

Jaarrond beschermde nesten Nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd, de nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Enkele provincies, zoals Limburg en Overijssel, hebben hun eigen lijst van jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten.

2.4 Houtopstanden De regels van de Boswet zijn grotendeels onveranderd opgenomen in de Wet natuurbescherming. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: a. een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of b. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Ingevolge artikel 4.1 vallen buiten de bescherming houtopstanden: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom (voor deze wet); • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar • kweekgoed; o uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • Het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid o bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter; o zijn aangelegd na 1 januari 2013. Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

Pagina |9

3.

Gebiedsbeschrijving

3.1 Gebiedsbeschrijving Het plangebied bevindt zich in de provincie Zuid-Holland, in de stad Rijswijk ten zuiden van Den Haag. Het betreft een schakelstation gelegen vlak langs het spoor, in het zuidelijke gedeelte van Rijswijk. Achter het schakelstation loopt een fietspad, parallel aan het spoor. Het plangebied ligt grotendeels in Wilhelminapark, een stadspark met vele plassen, een natuurtuin en een kruidentuin. Tegenover het plangebied ligt volkstuinvereniging de Schoffel. In de omgeving vindt men weilanden, glastuinbouw en bebouwing. Figuur 1 geeft de globale ligging weer van het plangebied. In hoofdstuk 3.2 is een detailweergave weergegeven van het plangebied.

Figuur 1. Globale ligging van het plangebied (rood).

Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

P a g i n a | 10

Figuur 2. Impressie van het plangebied.

3.2 Voorgenomen ingreep De initiatiefnemer ProRail is voornemens een onderstation te realiseren binnen het plangebied. Het voornemen is deze te realiseren op de grond achter de bestaande schakelstation (Figuur 3). Het schakelstation zal blijven staan. Er zal tevens een 10kV-kabel worden aangelegd in de toekomst, maar deze wordt niet getoetst binnen deze quickscan.

Figuur 3. Het plangebied (groen) weergegeven in meer detail. Hier is ook het fietspad dat achter het schakelstation loopt weergegeven in wit.

Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

P a g i n a | 11

4.

Onderzoeksmethode

4.1 Gebiedsbescherming Het onderzoek naar gebiedsbescherming betreft een bureaustudie.

4.1.1 Natura 2000 Voor het bepalen van de ligging van beschermde gebieden ten opzichte van het plangebied is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase op de website van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Hier is alle informatie over Natura 2000-gebieden te vinden zoals de habitattypen en -soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. In dit onderzoek worden o.a. de onderstaande vragen beantwoord: 1. Ligt de ingreeplocatie in een Natura 2000-gebied, of ligt er een Natura 2000-gebied binnen de invloedsfeer van de ingreeplocatie, zodat externe en/of cumulatieve effecten te verwachten zijn. 2. Wat zijn de mogelijke negatieve en/of positieve effecten van de voorgenomen ingrepen op de instandhoudingdoelstellingen van een Natura 2000-gebied in kwestie. 3. Kunnen deze effecten: a. verstorend zijn voor kwalificerende soorten b. leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de kwalificerende habitats c. significant negatief zijn voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen

4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) werd vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd. Het Natuurnetwerk is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Voor het bepalen van de ligging van het plangebied ten opzichte van de NNN is gebruikt gemaakt van de websites van de provincie Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht. Hierbij is bekeken hoe de ligging van het plangebied is ten opzichte van het Natuurnetwerk. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN worden de effecten van de ingreep op de wezenlijkheidskenmerken en -waarden van het NNN getoetst.

4.2 Soorten Het onderzoek naar beschermde soorten bestaat uit twee delen. Er is begonnen met een literatuurstudie, gevolgd door een veldonderzoek in het plangebied. Aan de hand van de literatuurgegevens en het veldbezoek wordt bepaald welke soorten daadwerkelijk in het plangebied voor kunnen komen.

4.2.1 Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek gaat uit van bestaande en beschikbare gegevens. Een belangrijke bron zijn de gegevens afkomstig uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

P a g i n a | 12

databank geeft het meest actuele overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen. Het is een koppeling van databases zoals waarneming.nl en telmee.nl. Hierin participeren onder andere de Particuliere Gegevensverzamelende Organisaties (PGO’s) zoals Sovon, Ravon en de Zoogdiervereniging. Voor de gegevens uit de NDFF is een zoekgebied geselecteerd rondom de te onderzoeken locatie. Er is gekeken naar de gegevens van de laatste 3-10 jaar, afhankelijk van de soortgroep en hoeveelheid gegevens. De NDFF is op 27 januari 2020 geraadpleegd. Verder zijn ecologische verspreidingsatlassen geraadpleegd: Bos, 2006; Broekhuizen, 2016; Creemers, 2009; NVL 2002.

4.2.2 Veldonderzoek Het plangebied is eenmaal bezocht op 5 januari 2020. Het was een gedeeltelijk bewolkte dag, met een temperatuur van rond de 8°C met een matige wind. Het veldwerk voor dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Het onderzoek bestaat uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Er is zowel (globaal) gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige flora en fauna als naar de mogelijke waarden die het gebied herbergt in andere tijden van het jaar die tijdens een eenmalig bezoek niet kunnen worden vastgesteld. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid van beschermde soorten (zicht- en geluidswaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van nesten, holen, uitwerpselen, haren, etc.). Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden in januari, veel soorten zijn in deze periode niet waar te nemen.

4.2.3 Effectenbeoordeling Als bepaald is welke beschermde soorten in het plangebied voor kunnen komen vindt een inschatting van de effecten plaats. Aan de hand van de ingreep worden de effecten van de activiteiten op de mogelijk aanwezige soorten bepaald. Effecten kunnen optreden tijdens de realisatiefase van het project en zijn dan meestal tijdelijk van aard. In de gebruiksfase van het project kunnen blijvende effecten optreden. Effecten van de ingreep op aanwezige soorten zijn sterk afhankelijk van een aantal variabelen, zoals: de voorgenomen werkzaamheden, de exacte locatie, de periode van het jaar, het tijdstip van de dag, de doorlooptijd van de werkzaamheden, de gebruikte machines of materialen enzovoort. Niet alleen de effecten op de aanwezige verblijfplaatsen van de soort zijn van belang, maar ook of het leefgebied blijvend kan voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten of te kunnen verblijven. Verder is het van belang te weten welke effecten de werkzaamheden hebben op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Bij kans op negatieve effecten kan nader onderzoek worden geadviseerd en is mogelijk een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming nodig.

Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

P a g i n a | 13

4.3 Houtopstanden Bij het kappen van bomen binnen het plangebied wordt middels een bureaustudie bepaald of het houtopstanden betreft die buiten het besluit van de betreffende gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom (voor deze wet) liggen.

Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

P a g i n a | 14

5.

Resultaten

5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied in Rijswijk ligt tevens op 8,5 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied, Westduinpark & Wapendal.

Figuur 4 Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van Westduinpark & Wapendal. Westduinpark is een park aan de rand van Den Haag en bestaat uit kalkrijke duingebieden en bezit kenmerkende habitats van de Hollandse duin- en kuststreek. Wapendal bestaat voornamelijk uit oud duin en stuikheivegetatie. Dit Natura-2000 gebied valt onder de Habitatrichtlijn. Aangewezen habitattypen zijn: witte duinen, duinheiden met struikhei, duindoornstruwelen, grijze duinen en beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied.

Effectenbeoordeling De werkzaamheden zijn beperkt van aard en worden op grote afstand uitgevoerd van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Het Natura 2000-gebied ligt buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Er zijn geen negatieve effecten op beschermde gebieden te verwachten.

5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op ca. 2 kilometer van het Natuurnetwerk Nederland (Figuur 5). De provincie heeft geen doelstellingen voor gebieden die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen. Ruimtelijke ontwikkelingen die geen significant negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland mogen plaatsvinden. Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

P a g i n a | 15

Figuur 5. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groen). In het Natuurnetwerk Nederland heeft de provincie de volgende doelstellingen: • het herstel en behoud van de rijkdom aan soorten, de biodiversiteit. Hiervoor moeten natuurgebieden worden uitgebreid, verbeterd, en met elkaar worden verbonden, waardoor een netwerk ontstaat. Dit netwerk moet functioneren in ruimte en tijd, waardoor planten en dieren een duurzame, robuuste en klimaatbestendige leefomgeving krijgen; • het bieden van ruimte aan de groeiende behoefte aan rust en ruimte. Hierdoor kunnen inwoners en bezoekers de natuur beleven en het draagvlak voor natuurbeleid waarborgen.

Effectenbeoordeling Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland. De provincie heeft geen doelstellingen voor gebieden die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen. Deze werkzaamheden tasten de kernkwaliteiten niet aan en passen binnen het beleid van het Natuurnetwerk Nederland, provincie Zuid-Holland. Het afwegingskader EHS hoeft niet te worden doorlopen.

5.2 Soorten Er is een bronnenonderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied. De belangrijkste gegevensbron is de NDFF. De NDFF geeft echter geen volledig beeld van de aanwezigheid van soorten. Dat komt omdat niet alle gebieden even goed worden onderzocht. Daarnaast worden bepaalde soortgroepen beter onderzocht dan andere. Dit kan te maken hebben met de interesse van de waarnemer, toegankelijkheid van een gebied of omdat sommige soorten moeilijk te Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

P a g i n a | 16

inventariseren zijn. Tenslotte worden niet alle waarnemingen doorgegeven. Door middel van het veldbezoek is een inschatting gemaakt van de te verwachte beschermde soorten in het plangebied. Daarna is onderzocht welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten.

5.2.1 Grondgebonden zoogdieren Bronnenonderzoek Een aantal grondgebonden zoogdieren zijn in het plangebied of in de omgeving van het plangebied waargenomen volgens de NDFF. Tabel 1 geeft een overzicht van deze soorten.

Tabel 1. Overzicht van waargenomen grondgebonden zoogdieren in het plangebied of in de nabije omgeving volgens de NDFF van de laatste 3 jaar. Soort

Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort

andere soorten

Eikelmuis

x

Hermelijn

x

vrijgestelde soorten

Algemene muizensoorten

x

Egel

x

Haas

x

Konijn

x

Vos

x

Direct ten zuiden van Wilhelminapark, nog geen 200 m van het plangebied, is in 2017 een melding gemaakt van een populatie eikelmuizen in winterslaap. Het gaat het hier waarschijnlijk om dezelfde populatie die destijds in 2017 is gevangen en herplaatst naar ZuidLimburg (Kuiters et al, 2017). De eikelmuis beperkt zich normaal alleen tot Zuid-Limburg. Aan de westelijke kant van het Wilhelminapark, bij de prinses Beatrixlaan, is eenmalig een hermelijn waargenomen. In het plangebied zijn geen zwaar beschermde zoogdieren gemeld. Er zijn daarnaast nog nationale verspreidingskaarten geraadpleegd. Hierop gebaseerd zouden de boommarter, bunzing, wezel, eekhoorn, en waterspitsmuis eventueel ook nog voor kunnen komen rondom het plangebied.

Veldonderzoek Alle bomen in en rondom het plangebied zijn gecontroleerd op mogelijke eekhoornnesten. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn er geen verblijfplaatsen van eekhoorns in het plangebied. De bomen zijn ook gecontroleerd op mogelijke holtes voor eekhoorns of marterachtigen. Ook deze zijn niet aangetroffen. Het schakelstation op het terrein biedt daarbij ook geen mogelijkheid om als verblijfplaats te dienen, er zijn geen gaten of kieren aangetroffen in dit gebouw. Er zijn ook geen burchten of anderzijds sporen van zwaar beschermde zoogdieren gevonden tijdens het veldbezoek.

Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

P a g i n a | 17

Effectenbeoordeling Er zijn geen indicaties voor de aanwezigheid van beschermde zoogdieren binnen het plangebied. De voorgenomen werkzaamheden zullen geen negatief effect opleveren voor grondgebonden zoogdieren.

5.2.2 Vleermuizen Vleermuizen vallen onder het beschermingsregime van de habitatrichtlijnsoorten. Verblijfplaatsen (kraam-, zomer-, paar- en winterverblijven) en essentiële vliegroutes en foerageergebieden van deze soorten zijn beschermd.

Bronnenonderzoek Er zijn een drietal soorten vleermuizen in de omgeving waargenomen volgens de NDFF. De meeste vleermuiswaarnemingen betreft de gewone dwergvleermuis. Er zijn enkele waarnemingen van de ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Tabel 2 geeft een overzicht van de waargenomen vleermuissoorten volgens de NDFF.

Tabel 2. Overzicht van vleermuizen die zijn waargenomen in het plangebied of omgeving volgens de NDFF van de laatste 3 jaar. Soort Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Rosse vleermuis

Rondom sportpark Hoekpolder is de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis waargenomen. De gewone dwergvleermuis is hier ook veelvuldig waargenomen, maar ook op verschillende plekken binnen 200 m van het plangebied. De baardvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, meervleermuis, watervleermuis en tweekleurige vleermuis zouden daarnaast eventueel ook nog kunnen worden verwacht te worden aangetroffen in de omgeving van het plangebied.

Veldonderzoek Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen zich bevinden in gebouwen of bomen. In bomen bevinden vleermuizen zich in holtes, spleten of achter loshangend boomschors. In gebouwen kunnen vleermuizen zich onder andere bevinden in de spouw, onder dakpannen, achter boeiboorden en op zolders. De bomen tussen het schakelstation en het fietspad zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van holtes. Deze zijn hier niet aangetroffen. Echter aan de andere kant van het fietspad (aan de westelijke kant, zie ook Figuur 3) bevinden zich wel bomen met geschikte holtes voor vleermuizen. Het schakelstation zelf is niet geschikt voor vleermuizen. Er zijn geen gaten in de spouw aanwezig. Het schakelstation bestaat bovendien uit gladde tegels, waardoor het voor vleermuizen erg moeilijk wordt om onder de dakrand te kruipen.

Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

P a g i n a | 18

Niet alleen verblijfplaatsen van vleermuizen, maar ook essentiële vliegroutes zijn beschermd. Vleermuizen zijn plaatstrouw en maken vaak jaren achter elkaar gebruik van hetzelfde netwerk aan verblijfplaatsen. De meeste soorten maken ook gebruik van min of meer vaste vliegroutes tussen hun verblijfplaats en het jachtgebied. Indien er geen alternatieven zijn is de vliegroute van essentieel belang voor een kolonie. Als de dieren niet meer zonder verstoring van hun verblijfplaats bij hun jachtgebied kunnen komen zullen ze moeten verhuizen. Om deze reden zijn essentiële vliegroutes van vleermuizen beschermd. Lijnvormige landschapselementen die als vliegroute kunnen dienen zijn bijvoorbeeld bomenrijen of watergangen. Bomenrijen en watergangen die als vliegroute kunnen dienen zijn in het plangebied aanwezig. Ook essentieel foerageergebied van vleermuizen is beschermd. Het plangebied kan als foerageergebied gebruikt worden door vleermuizen. De bomen in het gebied kunnen zowel vliegroutes als foerageergebieden herbergen.

Effectenbeoordeling In het plangebied zijn geen geschikte bomen aangetroffen voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is echter is aangenomen dat de bomen ten westen van het fietspad niet zullen hoeven wijken voor de bouw van het onderstation. Mocht dit wel het geval zijn, dan kunnen mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Als alleen de bomen tussen het fietspad en het schakelstation (Figuur 3) zullen worden gekapt, dan zullen er geen verblijfplaatsen verloren gaan. Er moet in beide gevallen wel rekening gehouden worden met eventuele verlichting tijdens de nachtelijke uren. Ook dit kan verstoring opleveren voor eventuele verblijfplaatsen. Mocht er ’s nachts verlichting gebruikt worden tijdens de bouw die op de bomen is gericht, dan zal er alsnog moeten onderzocht of er vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn in nabije bomen. Het gebouw, oftewel het schakelstation) zelf is ongeschikt voor vleermuizen. Het is mogelijk dat het plangebied wordt gebruikt als foerageergebied of vliegroute. Echter de directe omgeving is vergelijkbaar, en dieren zullen dus uit kunnen wijken naar plekken in de omgeving. Essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes worden dus niet verwacht.

5.2.3 Vogels Alle vogelsoorten behoren tot de Vogelrichtlijn. Daarnaast is het nest van enkele vogelsoorten jaarrond beschermd. Voor het broedseizoen van vogels is geen standaardperiode. Dit omdat het broedseizoen van soort tot soort en van jaar tot jaar kan verschillen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode van 15 maart tot 15 juli worden aangehouden.

Bronnenonderzoek De omgeving bestaat voornamelijk uit bos en bevindt zich middenin een stadspark. In Tabel 3 zijn de vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest die zijn waargenomen in of in de omgeving van het plangebied volgens de NDFF weergegeven.

Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

P a g i n a | 19

Tabel 3. Overzicht van vogels met jaarrond beschermde nesten die zijn waargenomen in het plangebied of omgeving volgens de NDFF van de laatste 3 jaar. Soort gierzwaluw huismus ooievaar buizerd havik sperwer blauwe reiger boerenzwaluw boomklever boomkruiper ekster groene specht grote bonte specht huiszwaluw ijsvogel koolmees oeverzwaluw pimpelmees spreeuw torenvalk zwarte kraai zwarte roodstaart

Beschermingsstatus jaarrond beschermde nesten 2 2 3 4 4 4 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5

In Wilhelminapark zijn een aantal meldingen gemaakt van de buizerd en sperwer. In een tuin bij de prinses Beatrixlaan, dichtbij het Wilhelminapark, is de havik waargenomen. Bij de kassen 150 m ten zuidoosten van het plangebied is de dichtstbijzijnde waarneming van de huismus en de gierzwaluw. aan de Lange Kleiweg, die direct parallel loopt met het spoor, is een ooievaar waargenomen. Vermoedelijk heeft deze in de omgeving een nest.

Veldonderzoek Tijdens het veldbezoek zijn een aantal vogels gehoord en gezien, waaronder de ooievaar, houtduif, Canadese gans, grauwe gans, nijlgans, meerkoet, kuifeend, wilde eend, aalscholver, blauwe reiger, halsbandparkiet, merel, zanglijster, winterkoning, kool – en pimpelmees en fazant. Daarnaast is nog een roepende buizerd gehoord tijdens het bezoek. De bomen zijn zo ver mogelijk gecontroleerd op jaarrond beschermde nesten. Deze zijn niet aangetroffen

Figuur 6. Het nest, vlak buiten het plangebied. Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

P a g i n a | 20

binnen het plangebied. Echter, op een afstand van circa 20 m in westelijke richting is een mogelijk jaarrond beschermd nest aangetroffen (Figuur 6). Het schakelstation biedt verder geen mogelijkheden voor jaarrond beschermde nesten van gebouwbewonende vogels. Er zijn namelijk geen dakpannen of andere holtes geschikt voor de gierzwaluw of huismus.

Effectenbeoordeling Het aangetroffen nest is mogelijk een nest met jaarrond beschermde status. Mogelijk behoort het nest namelijk toe tot een roofvogel, zoals de buizerd of sperwer. Beiden zijn in het verleden in Wilhelminapark waargenomen. Nesten van zowel de buizerd als sperwer zijn het gehele jaar door beschermd, aangezien zij in veel gevallen terugkeren naar hetzelfde nest. De boom (en daarmee het nest) zal behouden blijven tijdens de werkzaamheden. Echter er zal wel rekening moeten worden gehouden met mogelijke verstoring tijdens het broedseizoen. Het bouwen, kappen van de bomen en alle andere werkzaamheden zullen dus plaats moeten vinden buiten deze periode. Voor de buizerd en sperwer valt het broedseizoen tussen februari en augustus. Als er geen mogelijkheid is om buiten deze periode te werken, dan zal er alvorens de werkzaamheden starten bepaald moeten worden welke vogelsoort mogelijk gebruik maakt van het nest. Ook algemene vogels tijdens het broedseizoen zijn beschermd. Met het kappen van de bomen mogen er geen actieve nesten verloren gaan. Van algemene broedvogels wordt echter verwacht dat als het nest buiten het broedseizoen verloren gaat, zij flexibel genoeg zijn om een nieuwe locatie te vinden. De bomenkap mag dus alleen plaatsvinden buiten het broedseizoen. Hiervoor wordt ongeveer 15 maart t/m 15 juli aangehouden.

Tijdens het veldbezoek (februari 2020) zijn echter al nestelende halsbandparkieten aangetroffen (Figuur 7) naast het plangebied. Ook met deze dieren die vroeger in het jaar broeden zal rekening moeten worden gehouden, en geldt de algemene zorgplicht. Mocht het niet mogelijk zijn het kappen van de bomen buiten het broedseizoen uit te voeren, dan zal alvorens de kap plaatsvindt de bomen moeten worden gecontroleerd op actieve nesten.

Figuur 7. In Wilhelminapark broeden ook halsbandparkieten.

Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

P a g i n a | 21

5.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen Bronnenonderzoek In Tabel 4 is een overzicht weergegeven van de waargenomen beschermde amfibieën, reptielen en vissen in het plangebied of in de omgeving van het plangebied volgens de NDFF.

Tabel 4. Overzicht van waargenomen reptielen, amfibieën en vissen in of nabij het plangebied volgens de NDFF van de laatste 5 jaar. Soort

Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort

Bastaardkikker Meerkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander

andere soorten

vrijgestelde soorten x x x x x

Binnen de NDFF zijn geen zwaar beschermde amfibieën, reptielen of vissen gemeld. De kamsalamander, Alpenwatersalamander, ringslang, rugstreeppad en zandhagedis zouden eventueel wel voor kunnen komen uitgaande van hun nationale verspreiding.

Veldonderzoek Er is geen oppervlaktewater aanwezig op de onderzoekslocatie, waarmee de aanwezigheid van beschermde vissen en voortplantingswater voor beschermde amfibieën kan worden uitgesloten. De wateren in de omgeving van het plangebied hebben of een heel steil taluud, of zijn erg diep en van lage kwaliteit door de vele aanwezige ganzen en eenden in het park. Verwacht wordt dus dat in de omgeving geen zwaar beschermde amfibieën voorkomen. Gezien het feit dat amfibieën in veel gevallen in de omgeving van hun voortplantingswater overwinteren, wordt er ook niet verwacht dat er overwinterende amfibieën voorkomen binnen het plangebied. Het plangebied zal ook weinig functies bieden voor reptielen zoals de ringslang en zandhagedis. De zandhagedis is vooral gebonden aan zandige heideachtige gebieden. De ringslang biedt de voorkeur aan waterrijke habitats in de omgeving van zandgebieden en overgangen van zand naar veen- en kleigronden. Broeihopen of composthopen voor de eierafzet van de ringslang zijn ook niet aangetroffen.

Effectenbeoordeling Zwaar beschermde vissen, reptielen en amfibieënsoorten stellen kritische eisen aan hun leefomgeving. Algemene vrijgestelde amfibieën kunnen voorkomen binnen het plangebied. Hiermee kan volstaan worden met de algemene zorgplicht.

5.2.5 Flora Bronnenonderzoek Er is slechts één beschermde plantensoort gemeld gedurende de laatste 10 jaar in de omgeving van het plangebied. Het betreft de schubvaren, die zeer recentelijk (januari 2020) nog waargenomen is één kilometer ten zuiden van het plangebied. De groeiplaats bevindt zich in Delft, bij de kruising tussen de Nieuwe Plantage en de Pieter Hendrikstraat, op een Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

P a g i n a | 22

stadsmuur. De schubvaren groeit voornamelijk op oude stadsmuren en rotsspleten.

Veldonderzoek Er zijn geen beschermde planten aangetroffen. Verwacht wordt dat deze ook niet voor zullen komen binnen het plangebied. Er zijn binnen het plangebied vooral eiken, brandnetel en bramen aangetroffen, een indicatie dat het hier voornamelijk om een voedselrijke bodem gaat.

Effectenbeoordeling De meeste beschermde planten zijn zeer kritisch ten aanzien van hun standplaats. Er zijn geen oude stadsmuren geschikt voor de schubvaren. Gezien de aard van het plangebied en de soortensamenstelling van de aanwezige flora worden beschermde planten hier ook niet verwacht.

5.2.6 Ongewervelden Bronnenonderzoek Er zijn in de omgeving van het plangebied één beschermde ongewervelde soort gemeld gedurende de laatste 10 jaar. Het betreft de gevlekte witsnuitlibel, die is waargenomen in een plas in Delft bij de Laan van Altena. Deze waarnemingen bevinden op ruim 800 m van het plangebied.

Veldonderzoek Tijdens het veldbezoek is een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde ongewervelden in het plangebied. Iedere soort is afhankelijk van een bepaald habitat met bepaalde waardplanten. Deze habitats zijn in het plangebied niet aanwezig. Ook zijn eventuele waardplanten voor beschermde vlindersoorten niet waargenomen. Wateren zijn niet aanwezig binnen het plangebied, waardoor beschermde libellensoorten kunnen worden uitgesloten.

Effectenbeoordeling Er zijn geen negatieve effecten te verwachten op beschermde ongewervelden.

5.3 Houtopstanden De bomen in het plangebied vallen onder de bebouwde kom houtopstanden en zijn daarom vrijgesteld van de meld- en herplantplicht van de Wet natuurbescherming.

Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

P a g i n a | 23

6.

Conclusies en aanbevelingen Aan de hand van het voorgaande kan een aantal conclusies worden getrokken en worden aanbevelingen gegeven voor de te nemen vervolgstappen. In de effectenbeoordeling en de daaruit volgende conclusies is uitgegaan van de werkzaamheden zoals die zijn omschreven in paragraaf 3.2. Veranderingen of afwijkingen hiervan kunnen tot andere conclusies leiden. Voor de aanleg van de 10kV-kabel zal dus een aanvullende ecologische quickscan moeten worden uitgevoerd. Natuuronderzoek heeft doorgaans een juridische houdbaarheid van drie jaar.

6.1 Gebiedsbescherming 6.1.1 Natura 2000 Er zijn geen negatieve effecten, dan wel significant negatieve effecten te verwachten van het project op het nabijgelegen Natura 2000-gebied.

6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de grenzen van Natuurnetwerk Nederland, waardoor er geen effecten op de kernkwaliteiten van het gebied zijn. Het afwegingskader EHS hoeft niet te worden doorlopen.

6.2 Soortbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Te allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Tabel 5 geeft een overzicht van de maatregelen per soortgroep.

Tabel 5. Samenvatting onderzoeksresultaten en maatregelen. Soortgroep

Soort

Grondgebonden zoogdieren

n.v.t.

Vleermuizen

Boombewonende vleermuizen Sperwer of buizerd, algemene broedvogels

Vogels

Reptielen

n.v.t.

Amfibieën

n.v.t

Vissen

n.v.t.

Flora

n.v.t.

Ongewervelden

n.v.t.

Quickscan flora en fauna Onderstation Rijswijk

Maatregelen

Mogelijk nader onderzoek (zie hoofdstuk 6.2.2). Kappen buiten broedseizoen (15 maart t/m 15 juli). Werkzaamheden buiten broedseizoen sperwer/buizerd (februari t/m augustus).

P a g i n a | 24

6.2.1 Grondgebonden zoogdieren De voorgenomen werkzaamheden zullen geen negatief effect opleveren voor grondgebonden zoogdieren. Voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en (functionele) leefomgeving van beschermde grondgebonden zoogdieren zijn in het plangebied niet aanwezig. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

6.2.2 Vleermuizen De bomen tussen het schakelstation en het fietspad (Figuur 3) zijn gecontroleerd op mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen en deze zijn niet aangetroffen. In de bomen ten westen van het fietspad (dat zich vlakbij het schakelstation bevindt) zijn echter wel geschikte holtes voor vleermuizen aangetroffen. Mochten deze gekapt worden, dan zal eerst moeten worden bepaald door middel van onderzoek of hier boombewonende vleermuizen voorkomen. Ook zullen hier in de avonduren geen bouwverlichting op mogen worden gericht, voordat er bepaald is wat de functie is van deze bomen. Het onderzoek om te bepalen of hier vleermuizen verblijven verloopt als volgt: In de periode half mei tot half juli zullen 2 bezoeken plaatsvinden, één in de ochtend rond zonsopkomst en één in de avond rond zonsondergang. Daarnaast vinden er in de periode half augustus tot en met september 2 bezoeken plaats in de nacht.

6.2.3 Vogels Het nest 20 meter van het plangebied vandaan is mogelijk een jaarrond beschermd nest, mogelijk van een sperwer of buizerd. Deze zal behouden blijven, maar tijdens het broedseizoen (februari t/m augustus) zullen er in de directe omgeving geen werkzaamheden mogen plaatsvinden, om verstoring te voorkomen. Mocht er niet buiten deze periode gewerkt kunnen worden dan zal eerst de functie van het nest bepaald moeten worden door middel van onderzoek. Onderzoek naar broedende roofvogels vindt meestal als volgt plaats: Er worden vier bezoeken afgelegd waarbij op basis van zichtwaarnemingen en geluid wordt gekeken naar territorium en nest indicerend gedrag. Deze bezoeken vinden plaats tussen maart en half mei. De hieruit voortkomende resultaten zullen bepalen of er een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming nodig zal zijn. Ook zal het kappen van de bomen niet plaats mogen vinden tijdens het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli). Ook algemene vogels zijn namelijk beschermd tijdens deze periode. Mocht het kappen van de bomen wel binnen deze periode moeten gebeuren, dan zal een ecoloog ingeschakeld moeten worden om te bomen te controleren op actieve nesten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rijswijk&id=51d60eb2-a8a9-4a79-ae75-d2ee3658f671