CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Omgevingseffectrapport 15-04-2025 actualisatie omgevingsvisie Ridderkerk.pdf

Commissie Samen leven en Samen wonen RK 22 mei 2025, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 5: Reactie op de ontwerp Omgevingseffect rapportage (OER)39.970 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Scenario 2 Scenario 2 heeft een positief effect op verkeersveiligheid ten opzichte van de referentiesituatie. In dit scenario worden verschillende ingrepen voorgesteld om de verkeersveiligheid in Ridderkerk te verbeteren. Een autovrije kern en een autoluwe schil om de kern zouden de verkeersveiligheid aanzienlijk verbeteren door het verminderen van gemotoriseerd verkeer en het verlagen van snelheden. Dit draagt bij aan een rustiger en veiliger stedelijk milieu, vooral in het centrum van Ridderkerk. Het afwaarderen van de Rotterdamseweg naar 50 km/u versterkt deze verbetering door het verlagen van snelheden op een belangrijke verkeersader, wat het risico op ongevallen vermindert. Aan de andere kant kan de toevoeging van 3.300+ woningen leiden tot een toename van verkeersdrukte, wat een zeer negatief effect kan hebben op de verkeersveiligheid, vooral voor kwetsbare weggebruikers zoals voetgangers en fietsers. Echter, de functiemenging van wonen, werken en recreëren kan de verkeersveiligheid juist bevorderen door kortere reisafstanden te stimuleren, wat het gebruik van actief vervoer vergroot en de druk op gemotoriseerd verkeer vermindert. Het toevoegen van logistieke hubs voor de bevoorrading van de kern vermindert het aantal vrachtwagens in woongebieden, wat de verkeersveiligheid daar verbetert.

Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - monitoring en handhaving: voer monitoring uit om de effecten van de ingrepen op verkeersveiligheid te evalueren en zorg voor handhaving van snelheidslimieten en verkeersregels in de nieuw gecreëerde zones.

66 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

De ingrepen in dit scenario sluiten goed aan bij de gemeentelijke doelen die focussen op het bieden van een veilige woon-, werk-, en leefomgeving en het streven naar nul dodelijke verkeerslachtoffers. Daarom heeft dit scenario een hoge potentie om de doelen op het gebied van verkeersveiligheid te behalen. Conclusie Onderstaande tabel geeft een samenvatting weer van de beoordeling van omgevingseffecten en doelbereik van beide scenario’s.

Tabel 6.4 Beoordeling van effecten op mobiliteit (zonder inzet van mitigerende maatregelen) Aspect

Referentiesituatie

Beoordeling doelbereik Scenario 1

Beoordeling omgevingseffecten Scenario 2

Scenario 1

Scenario 2

bereikbaarheid (per modaliteit)

redelijk

-

-

toegang tot mobiliteitsdiensten en -voorzieningen

redelijk

++

+

verkeersveiligheid

redelijk

-

+

6.3

Groenblauwe oase

6.3.1

Natuur

Beschermde natuurgebieden Scenario 1 De situatie in dit scenario op vlak van beschermde natuurgebieden verbetert ten opzichte van de referentiesituatie. De afname in verstoring van natuurgebieden door recreatie heeft een positief effect op soorten die voorkomen en zich voortplanten in de NNN-gebieden. Uiterwaarden en natuurlijke rivieroevers hebben ook een positief effect op soorten die voorkomen en zich voortplanten in de NNN-gebieden. Het behoud van hogere milieugebruiksruimte-bedrijven en toename van 1.300 woningen betekent echter een toename in stikstofdepositie. Dit betekent dat de kwaliteit van beschermde (Natura 2000)-natuurgebieden verslechtert. Voor Natura 2000-gebieden geldt dat deze buiten de gemeente Ridderkerk liggen, maar tot 25 km afstand van Ridderkerk negatieve effecten van stikstofdepositie kunnen ondervinden. Aandachtspunt voor dit scenario is: - minimaliseer de stikstofdepositie door duurzame mobiliteit (beperk autogebruik), duurzame bedrijvigheid en gebruik zo veel mogelijk bestaande materialen bij inbreiding. In dit scenario is er hoge potentie om natuurdoelen van de gemeente (groenste gemeente van het eiland IJsselmonde, natuur verwelkomen in woonomgeving, investeren in groen en intact houden groene kraag, stimuleren eetbaar groen) te halen. Zo wordt de recreatiedruk in natuurgebieden verlaagd maar stikstofdepositie blijft een aandachtspunt.

Scenario 2 In dit scenario verslechtert de situatie van beschermde natuurgebieden ten opzichte van de referentiesituatie. Doordat natuurgebieden jaarrond toegankelijk zijn is er een toename in verstoring van natuur in natuurgebieden door recreatie. Dit heeft een negatief effect op soorten, met name in het broedseizoen. Het getijdenpark aan de Nieuwe Maas is ook toegankelijk voor recreanten in het broedseizoen. Dit heeft een negatief effect voor broedende vogels en andere soorten. Daarnaast veroorzaakt uitbreiding van woon-werklocaties langs rivieroevers een toename van verstoring in nabijgelegen getijdennatuur, wat onderdeel uitmaakt van het NNN.

67 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Verstoring beïnvloedt met name de aanwezige broedende vogels (kluut, bergeend), en kan ook invloed hebben op foeragerende vogels, bevers en bijzondere plantensoorten, zoals orchideeën. Bouwen in het NNN kan overigens in principe niet omdat dit in strijd is met regelgeving, zeker ook omdat er alternatieven zijn. Het bouwen van woningen leidt ook tot een toename in stikstofdepositie. Een toename van stikstofdepositie kan leiden tot verslechtering van de kwaliteit van beschermde (Natura 2000)natuurgebieden. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - minimaliseer de stikstofdepositie door duurzame mobiliteit, duurzame bedrijvigheid en natuurinclusieve landbouw en inbreiding moet voor uitbreiding; - beperk effecten op beschermde soorten: kies voor strategische uitleglocaties buiten de natuurgebieden; - minimaliseer recreatiedruk door reguleren van het aantal recreanten. In dit scenario is er geen potentie om natuurdoelen van de gemeente te behalen. Zo is er een toename in stikstofdepositie en wordt er beperkt ingezet op bescherming van soorten in NNN gebied. Soortenbescherming en biodiversiteit Scenario 1 De situatie van soortenbescherming en biodiversiteit verbetert sterk in dit scenario ten opzichte van de referentiesituatie. De overkapping van de snelwegen zorgt voor een afname van lichthinder.

Dit leidt tot beperkte verbetering van de biodiversiteit en is met name positief voor lichtgevoelige soorten zoals vleermuizen. Het doortrekken van de groene kraag heeft ook een positief effect. Geleidende elementen zoals bomenrijen hebben een positief effect op vleermuizen. Kleine bosjes en ‘hoekjes groen’ in de stad dragen bij aan soorten zoals de huismus, vogels in het algemeen, egel en kleine marterachtigen. Ruimte voor de rivier (bijvoorbeeld uiterwaarden en ecologisch ingerichte oevers), natuurinclusief bouwen (bijvoorbeeld door middel van behoud van bestaande bomen, ecologisch maaibeheer, ruimte voor wilde begroeiing, groene gevels en daken), en natuurinclusieve landbouw, leidt ook tot een toename in biodiversiteit en kans op bescherming van soorten en overige niet-beschermde soorten. Het gaat hierbij om planten en insecten, en afhankelijk van de inrichting voor (weide)vogels, kleine zoogdieren, vissen, amfibieën en reptielen. Natuurontwikkeling door vernatting van agrarische percelen, waaronder het gebied Bolnes-Zuid, heeft ook een positief effect op de biodiversiteit en bescherming van soorten waaronder weidevogels. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - biodiversiteit neemt sterk toe als grote leefgebieden aan elkaar worden verbonden. De overkappingen grenzen op de weergegeven locaties niet aan weerszijden aan ecologisch waardevolle gebieden.

In dat geval is de vraag ‘van waar naar waar’ je soorten dan geleidt; - toename van biodiversiteit is sterk afhankelijk van inrichting die voldoet aan de behoeften van (beschermde) soorten: · voor de landbouw zou vernatting en beheer gericht op weidevogels bijvoorbeeld wenselijk zijn; · verbindingszones zijn het effectiefst als ze zowel hoge elementen (bomen) als lage elementen/ondergroei bevatten. Hoge elementen worden door vleermuizen gebruikt als vliegroute. Lage elementen zijn van toegevoegde waarde voor kleine marterachtigen. In dit scenario is er een hoge potentie om het leefgebied voor beschermde soorten te verbeteren en uit te breiden. Biodiversiteit wordt vergroot met ruimtelijke ontwikkelingen. Er zijn echter geen concrete ingrepen om variatie aan te brengen tussen en in groengebieden waardoor biodiversiteit verder zou toenemen. Scenario 2 De situatie van soortenbescherming en biodiversiteit verslechtert in dit scenario ten opzichte van de referentiesituatie. Natuurinclusief bouwen en vergroenen van grote wegen hebben een positief effect op biodiversiteit en soortenbescherming. Toevoegen hoge en lagere groenelementen draagt bij aan verbindingszones en leefgebied voor onder andere vleermuizen en kleine marterachtigen. Het getijdengebied aan de Nieuwe Maas wordt echter toegankelijk voor recreanten in het broedseizoen.

Dit heeft een negatief effect voor broedende vogels en andere soorten. Uitbreiding van werk- en woonlocatie bij rivieroevers en de reservering van een 380 kV tracé hebben ook een negatief effect door de afname van groen- oppervlak en elementen.

68 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - biodiversiteit neemt sterk toe als grote leefgebieden aan elkaar worden verbonden. Bijvoorbeeld door middel van een ecoduct; - toename van biodiversiteit is sterk afhankelijk van inrichting die voldoet aan de behoeften van (beschermde) soorten: · voor de landbouw zou vernatting en beheer gericht op weidevogels bijvoorbeeld wenselijk zijn; · verbindingszones zijn het effectiefst als ze zowel hoge elementen (bomen) als lage elementen/ondergroei bevatten. Hoge elementen worden door vleermuizen gebruikt als vliegroute. Lage elementen zijn van toegevoegde waarde voor kleine marterachtigen; - beperk versnippering van landschap door nieuwe uitleglocaties en klimaatparken op strategische locaties te ontwikkelen; - beperk verstoring door recreatiedruk te reguleren. In dit scenario is er geen potentie om het leefgebied van beschermde soorten te verbeteren of uit te breiden. Biodiversiteit wordt met sommige ruimtelijke ontwikkelingen verbeterd maar met andere ontwikkelingen verslechterd. Er zijn geen concrete ingrepen om variatie aan te brengen tussen en in groengebieden waardoor biodiversiteit verder zou toenemen. Conclusie Onderstaande tabel geeft een samenvatting weer van de beoordeling van omgevingseffecten en doelbereik van beide scenario’s.

Tabel 6.1 Beoordeling van effecten op natuur Aspect

Referentiesituatie

Beoordeling doelbereik Scenario 1

Beoordeling omgevingseffecten Scenario 2

Scenario 1

Scenario 2

beschermde natuurgebieden

redelijk

+

-

soortenbescherming en biodiversiteit

redelijk

++

--

6.3.2

Landschap en cultuurhistorie

Landschap (landschappelijke structuren/elementen en landschappelijk gebruik (historische geografie)) Scenario 1 Het landschap verbetert in het eerste scenario ten opzichte van de referentiesituatie. Het eerste scenario maakt landschappelijke structureren weer herkenbaar en beleefbaar. Zo zijn de fysieke barrières van rijkswegen geslecht door de overkappingen waardoor (groene) netwerken zijn gemaakt. Daarnaast zijn de water gerelateerde landschappelijke elementen weer terug in het landschap. Van oudsher natte polders zijn weer vernat zoals in Bolnes Zuid en de verbreding van de uiterwaarden versterkt de natuurlijke werking van de rivier (nature based solutions). De oude dijken in Ridderkerk hebben weer een waterbergende functie. De rode lijnen van bebouwing veranderen niet ten opzichte van de referentiesituatie. Het eerste scenario bevat geen nieuwe uitleglocaties en draagt bij aan het woonaanbod door middel van inbreiding. Woningen hebben maximaal 6 bouwlagen. De energieopwekking is gekoppeld aan gebouwen (zon op dak) waardoor het groene buitengebied niet verstoord wordt door zonnevelden of windparken. De nationale reservering van de waterstoftransportleiding kan wel gevolgen hebben op de mogelijke ruimtelijke invulling rondom de leiding (veiligheidsafstanden).

Uitgangspunt voor deze effectbeschrijving is dat de waterstoftransportleiding geen ruimtelijke gevolgen heeft bovengronds. Aandachtspunt voor dit scenario is: - de gevolgen van de energietransitie is onzeker. Ridderkerk is in scenario 1 sterk afhankelijk van de regio waardoor de energie infrastructuur een extra ruimteclaim kan vragen.

69 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

In dit scenario is er een hoge potentie om het doel over landschap: het behouden en verbeteren van het open polderlandschap, eigen identiteit, kwaliteit leefomgeving, te behalen. Het polderlandschap is versterkt door vernatting van gebieden en behoud van de rode contouren. De kwaliteit van leefomgeving en identiteit van Ridderkerk is ook versterkt door de overkapping van de rijkswegen en het beleefbaar maken van onder andere dijken en rivieroevers. Scenario 2 Het landschap verslechtert in het tweede scenario ten opzichte van de referentiesituatie. Door nieuwe uitleglocaties voor wonen en energie infrastructuur (waterstoffabriek, reservering tracé 380 kV) raakt het landschap verder versnipperd. De groene kraag wordt behouden maar wordt niet doorgetrokken waardoor er geen verbetering plaatsvindt. De extra halte in Bolnes voor de waterbus leidt tot een hogere beleefbaarheid van de rivier. Het koppelen van duurzame energieopwekking aan bestaande infrastructuur (knooppunten en geluidsscherm langs de A16/A38) voorkomt aantasting van landschappelijke waarden. De oude dijk zichtbaar en beleefbaar maken voor multifunctioneel gebruik en de realisatie van het getijdenpark aan de Nieuwe Maas versterken bestaande landschappelijke structuren.

Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - de landschappelijke inpassing van de energie-infrastructuur is cruciaal voor de beleving van de landschappelijke waarden in Ridderkerk; - verdere versnippering van het landschap door nieuwe uitleglocaties voor wonen, waterstoffabriek en reservering tracé 380 kV; - sluit aan bij bestaande hoogteaccenten voor woningbouwlocaties met >6 bouwlagen. In dit scenario is er geen potentie om landschapsdoelen (open polderlandschap, eigen identiteit, kwaliteit leefomgeving behouden en verbeteren) te behalen. De groene kraag wordt in dit scenario niet doorgetrokken waardoor huidige versnippering blijft. Uitbreiding veroorzaakt verdere versnippering van het landschap. Het toestaan van meer dan 6 bouwlagen kan het open polderlandschap opbreken en de kwaliteit van de leefomgeving verslechteren. Cultuurhistorie en erfgoed (historische bouwkunde) Scenario 1 In scenario 1 verslechtert erfgoed sterk ten opzichte van de referentiesituatie. Door ruimte voor de rivier is er risico dat het industrieel erfgoed die van grote cultuurhistorische waarde is op locatie S2 Voormalige werf Gusto (nu Schiepo) en S3 Boele wordt aangetast of zelfs verdwijnt. De cultuurhistorische waardevolle gebieden in de kern kunnen worden aangetast door inbreiding. Aandachtspunt voor dit scenario is: - zorg voor synergie tussen ruimte voor de rivier en industrieel erfgoed.

In dit scenario is er geen potentie om cultuurhistorie en erfgoed doelen te behalen. Er is risico dat cultuurhistorische waardevolle gebieden worden aangetast waaronder industrieel erfgoed. Verder zijn er geen ingrepen die betrekking hebben tot het zichtbaar en beleefbaar maken van de geschiedenis van de Waal. Scenario 2 In scenario 2 verslechtert erfgoed ten opzichte van de referentiesituatie. De cultuurhistorische waardevolle gebieden kunnen worden aangetast door inbreiding en uitbreiding, met name langs rivieroevers. Aandachtspunt voor dit scenario is: - vermijd zo veel mogelijk cultuurhistorische waardevolle gebieden voor nieuwe woningbouwlocaties. In dit scenario is er beperkte potentie om cultuurhistorie en erfgoed doelen te behalen. Industrieel erfgoed blijft zichtbaar en beleefbaar gemaakt. Echter zijn er geen ingrepen die betrekking hebben tot het zichtbaar en beleefbaar maken van de geschiedenis van de Waal.

70 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Archeologie Scenario 1 De situatie in het eerste scenario blijft gelijk aan de referentiesituatie. Er zijn geen ingrepen die archeologische waarden aantasten. Aandachtspunt voor dit scenario is: - vermijd zo veel mogelijk archeologische waardevolle gebieden voor nieuwe woningbouwlocaties bij inbreiding. In dit scenario is er potentie om de doelen van de gemeente te behalen. Vanuit de Erfgoedwet moet archeologische sporen en vondsten zo veel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Als dat niet mogelijk is moeten de sporen en vondsten worden opgegraven en gedocumenteerd. Scenario 2 De situatie in het tweede scenario blijft gelijk aan de referentiesituatie. Er zijn geen ingrepen die archeologische waarden aantasten. Aandachtspunt voor dit scenario is: - vermijd zo veel mogelijk archeologische waardevolle gebieden voor nieuwe woningbouwlocaties bij inbreiding en uitbreiding. In dit scenario is er potentie om de doelen van de gemeente te behalen. Vanuit de Erfgoedwet moet archeologische sporen en vondsten zo veel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Als dat niet mogelijk is moeten de sporen en vondsten worden opgegraven en gedocumenteerd. Conclusie Onderstaande tabel geeft een samenvatting weer van de beoordeling van omgevingseffecten en doelbereik van beide scenario’s.

Tabel 6.2 Beoordeling van effecten op het landschap en cultuurhistorie (zonder inzet van mitigerende maatregelen) Aspect

Referentiesituatie

Beoordeling doelbereik Scenario 1

Beoordeling omgevingseffecten Scenario 2

Scenario 1

Scenario 2

landschap

redelijk

+

-

cultuurhistorie en erfgoed

redelijk

--

-

archeologie

goed

0

0

6.3.3

Water, bodem en klimaat(adaptatie)

Bodem Scenario 1 De situatie van de bodemkwaliteit en bodemdaling verbetert ten opzichte van de referentiesituatie. Natuurinclusieve landbouw heeft een positief effect op de bodemkwaliteit. Natuurinclusieve landbouw is namelijk gebaseerd op het werken met natuurlijke processen en gebruikt zo min mogelijk bestrijdingsmiddelen of kunstmest. Hierdoor worden er minder verontreinigende stoffen aangevoerd naar de bodem, komt stikstofvervuiling minder snel voor en zorgt de toename van biodiversiteit voor een betere bodemstructuur en natuurlijke plaagbestrijding. Seizoensgebonden toegankelijkheid van natuurgebieden leidt tevens tot een verbetering van de bodemkwaliteit, doordat recreatie gerelateerde bodemvervuiling (van bijvoorbeeld plastic) en bodemverstoring (verdichting) afneemt. Ten slotte wordt in dit scenario de voornaamste bron van verontreinigingen, de industrie, veelal omgevormd tot industrie gebaseerd op biobased-materialen en circulaire economie.

71 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Door deze ontwikkeling worden materialen en stoffen meer gewaardeerd waardoor ze minder snel als afval in de bodem terechtkomen. Echter is er nog wel ruimte voor industrie met een hogere milieucategorie, deze kunnen nog steeds voor bodemverontreiniging zorgen. Het risico op bodemdaling blijft gelijk of neemt lokaal toe. Afhankelijk van de toevoeging van extra bebouwing en het gewicht daarvan op de reeds bebouwde slappe grond, neemt de belasting op de bodem toe. Als er extra belasting ontstaat op de bodem kan dit zorgen voor een lokaal toegenomen kans op bodemdaling. Deze bodemdaling kan niet worden voorkomen, maar worden gecompenseerd tijdens het bouwrijp maken van de grond door ophoging. Tegelijkertijd kunnen andere maatregelen, zoals het doortrekken van de groene kraag, de aanleg van waterbergingsgebieden in de stedelijke omgeving, het creëren van ruimte voor de rivier, vernatting, en het sturen van water- en bodembeheer, bijdragen aan een potentiële vermindering van bodemdaling. Deze maatregelen verbeteren de infiltratiemogelijkheden, wat resulteert in hogere grondwaterstanden en een afname van bodemdaling als gevolg van inklinking. In dit scenario verandert het ruimtebeslag op de ondergrond beperkt. Zo is er sprake van alleen inbreiding en geen uitbreiding voor woningbouw.

Kanttekening is hierbij wel dat er bij inbreiding ook beslag wordt gedaan op de ondergrond als er niet kan worden aangesloten op het bestaande netwerk van leidingen/kabels en riolering. Daarnaast komt er in dit scenario weinig ondergrondse infrastructuur voor hernieuwbare energiebronnen. Wel zijn er meer ondergrondse elektrakabels nodig door electrificering van bijvoorbeeld verwarming en mobiliteit. Voor waterberging is ook ruimte nodig in de ondergrond voor bijvoorbeeld drainage buizen. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - voor een verbetering van de bodemkwaliteit moet vooral gekeken worden naar de industrie: welke milieucategorie wordt toegestaan en hoe gaan de bedrijven om met hun afvalstoffen? Als de afvalstoffen eenmaal in de grond terechtkomen is het moeilijk om deze op een later moment weer te verwijderen; - bodemdaling heeft verschillende oorzaken. Als bodemdaling als gevolg van een hogere belasting toeneemt, kan dit op het oppervlak worden gecompenseerd tijdens het bouwrijp maken van de grond. Bij inbreiding kan dit wel leiden tot problemen ondergronds: leidingen en kabels kunnen ongelijk komen te liggen. Daarnaast kan bodemdaling door inklinking beperkt worden door maatregelen in te stellen om grondwaterstanden te verhogen.

Eventuele maatregelen die je toe zou kunnen passen zijn innovatieve manieren van ophoging en fundering plaatsing door bijvoorbeeld lichter materiaal te gebruiken dat minder effect heeft op de bodem.; - bij hergebruik van afvalstoffen in de bodem afkomstig uit de industrie (zoals staalslakken of hoogovenslakken) is er nog steeds noodzaak om aandacht te houden voor de kwaliteit van de bodem. Ook in een circulaire economie blijven reststoffen bestaan en hier moet op een verantwoordelijke manier mee worden omgegaan. Het eerste scenario heeft een hoge potentie om bodemkwaliteit en bodemdaling doelen te behalen doordat vervuiling van de bodem vermindert en er water en bodem sturend wordt gewerkt. Scenario 2 De situatie van de bodemkwaliteit en bodemdaling verslechtert ten opzichte van de referentiesituatie. Het toegankelijk maken van natuurgebieden en behoud van gangbare agrarische praktijken heeft een negatief effect op de bodemkwaliteit. Recreatiedruk kan bijvoorbeeld de grond lichtelijk verdichten en de gezonde ontwikkeling van planten, insecten, paddenstoelen, en anderen organisme verhinderen wat de bodemkwaliteit niet ten goede komt. Positief voor de bodemkwaliteit is dat de industrie voornamelijk bestaat uit industrie met een lage milieucategorie, dit betekent dat er een minder grote kans is op chemische verontreiniging.

Verder is er in dit scenario sprake van bodemdaling als gevolg van verdichting door uitbreiding van woningbouw, waaronder hoogbouw van meer dan 6 bouwlagen, en verticale landbouw. Tijdens het bouwrijp maken van de grond wordt er voor deze bodemdaling gecompenseerd door ophoging. Waterberging in de gebouwde omgeving heeft daarentegen een positief effect op het verminderen van bodemdaling, omdat het helpt om het grondwaterstanden op peil te houden, wat inklinking voorkomt en in mindere mate ook verdichting tegengaat.

72 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Er is een kans op toename van bodemdaling als waterveiligheid vooral met technologische oplossingen wordt gerealiseerd omdat dit bij kan dragen aan grotere fluctuaties in de lokale grondwaterstanden. Deze fluctuaties vergroten de kans op inklinking, vooral wanneer de grondwaterstanden afnemen. In dit scenario wordt er meer ruimtebeslag op de ondergrond gedaan dan in het eerste scenario. Zo is er sprake van uitbreiding voor woningbouw langs de rivieroever waarvoor nieuwe leidingen/kabels en riolering moet worden aangelegd. Daarnaast komt er in dit scenario veel ondergrondse infrastructuur voor hernieuwbare energiebronnen zoals leidingen voor waterstof, aquathermie en geothermie. Ook zijn er meer ondergrondse elektrakabels nodig door electrificering. Voor waterberging is ook ruimte nodig in de ondergrond. Er zijn meerdere risico’s van een verhoogd ruimtebeslag op de ondergrond. Een voorbeeld is een toenemende kans op overstromingen doordat de waterinfiltratie capaciteit verslechtert wanneer er meer ondergrondse verharding is. Een ander risico is bijvoorbeeld verzakkingen bij diepere graafwerkzaamheden. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - wanneer hogere bouwlagen worden gerealiseerd geeft dit meer druk op de bodem. De kosten om de resulterende bodemdaling te compenseren door ophoging zijn daardoor hoger.

Eventuele maatregelen die je toe zou kunnen passen zijn innovatieve manieren van ophoging en fundering plaatsing door bijvoorbeeld lichter materiaal te gebruiken dat minder effect heeft op de bodem; - het aanpakken van waterveiligheid met technologische oplossingen kan leiden tot verdere bodemdaling vanwege kunstmatig lage grondwaterstanden. Het tweede scenario heeft geen potentie om bodemkwaliteit en bodemdaling doelen te behalen omdat er niet voldoende wordt ingezet op maatregelen om risico op bodemdaling en vervuiling van de bodem te beperken. Waterkwaliteit en duurzame watervoorziening Scenario 1 De situatie in dit scenario verbetert ten opzichte van de referentiesituatie omdat de kwaliteit van het gronden oppervlaktewater verbetert. Echter is er een kans op leveringstekorten voor drinkwater. Dit komt omdat er een toename is in de vraag naar drinkwater, terwijl de leveringszekerheid autonoom gezien afneemt. De kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater verbetert. Dit komt voornamelijk vanwege veranderingen in de mobiliteit, een toename aan groen oppervlak, en een natuurinclusieve manier van landbouw bedrijven. Door de 30 km/u wegencategorisering wordt er langzamer worden gereden waardoor vervuiling vanaf het wegdek naar het grond- en oppervlaktewater zeer licht wordt beperkt.

Deze beperking is significant groter als de snelheidsvertraging resulteert in een vermindering van het aantal autobewegingen. Het aantrekkelijker maken van fietsen en wandelen, en een zero emissie zone in het centrum, resulteren op eenzelfde manier in minder vervuilde afspoeling. Verder belandt het regenwater wat normaal op de snelweg zou vallen nu op de groene overkapping. Dit heeft als effect dat het water minder in contact komt met de vervuiling afkomstig van de snelweg, en in plaats daarvan opgenomen wordt door de vegetatie of op andere wijze wordt afgevoerd. Op dezelfde wijze zorgt het doortrekken van de groene kraag en de toevoeging van groen door natuurinclusief bouwen voor een positief effect op de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit omdat er minder afspoeling vanaf verharding is en vegetatie een zuiverende werking heeft. In dit scenario passen boeren natuurinclusieve landbouw methoden toe waardoor er minder nutriënten en bestrijdingsmiddelen het water in spoelen. Het is niet duidelijk wat het effect is van de toevoeging van werkgelegenheid in bijvoorbeeld de hogere milieucategorie en circulaire hub, omdat er geen informatie is over lozing op oppervlaktewater.

Verder komt er meer ruimte voor de rivier met natuurlijke uiterwaarden en oevers, en zijn natuurgebieden seizoensgebonden niet toegankelijk voor recreanten waardoor het oppervlakte van groen is vergroot en de kwaliteit van natuur verbetert. Hierdoor kan oppervlaktewater beter gefilterd worden door vegetatie. Het is onduidelijk wat het effect is van vernatten van vrijkomende agrarische gebieden op de kwaliteit van oppervlaktewater. Dit is afhankelijk van de kwaliteit van het vrijkomende agrarische gebied. Als het gebied vervuild en nutriëntrijk is wanneer vernatting plaats vindt, dan is er risico dat er vervuiling en nutriënten in het oppervlaktewater spoelen.

73 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - om grond- en oppervlaktewatervervuiling te voorkomen is het zaak om zoveel mogelijk de toevoer van nutriënten, chemische en fysische vervuiling te voorkomen. Dit betekent het autogebruik beperken en lozingen vanuit de industrie op het water of bodem voorkomen; - nature based solutions ruimte voor de rivier, natuurlijke oevers, groene daken en wadi’s kunnen bijdragen aan een verbetering van de waterkwaliteit, wateroverlast en biodiversiteit; - bij waterkwaliteit is een robuuste watergang noodzakelijk, zodat er meer ruimte komt voor verschillende soorten vegetatie in de watergangen (flauw talud, oever, emers, drijfblad, submerse vegetatie). Waterplanten vormen de basis voor een goede waterkwaliteit. In dit scenario is er beperkte potentie om het doel van de gemeente te bereiken om meer aandacht te vragen voor de kwaliteit van het drink- en oppervlakte water. Er zijn geen concrete ingrepen om dit doel te bereiken. Scenario 2 Door een toename aan verharding verslechtert in dit scenario de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater. Ook is er een toename in de vraag naar drinkwater en tegelijkertijd neemt de leveringszekerheid autonoom gezien af. Dit kan leiden tot een leveringstekorten voor drinkwater.

Door uitbreiding en aanleg van nieuwe woningen en infrastructuren voor energieopwekking is er een toename van verharding en daarmee een toename van afspoelend hemelwater. Dit heeft een negatief effect op de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. In dit scenario is er een hoger risico op verslechtering van de grondwaterkwaliteit dan in het eerste scenario door het toevoegen van meer kabels en leidingen, meer heipalen, en meer hoogbouw met eventueel kelders wat een risico vormt voor het gebruik van drinkwater, gezien de ligging in het drinkwatergebied. In dit scenario wordt de groene kraag behouden maar niet uitgebreid en komt er geen overkapping van snelwegen, waardoor de situatie hetzelfde blijft als in de referentiesituatie. Wel wordt in dit scenario OV, fietsen en wandelen aantrekkelijker gemaakt, met name door een autovrij centrum en schil om het centrum. Hierdoor is het afspoelend water van wegen minder vervuild. Natuurinclusief bouwen door middel van bijvoorbeeld het behouden en integreren van groene elementen en oplossingen zoals bomen en wadi’s heeft een positief effect op waterkwaliteit. Het is niet duidelijk wat het effect is van de toevoeging van werkgelegenheid in de zakelijke dienstverlening en agrarische verwerking, omdat er geen informatie is over lozing op oppervlaktewater.

Ook wordt er in dit scenario langs de oevers gebouwd, wat de mogelijkheden voor natuurvriendelijke oevers die ten goede komen aan de oppervlaktewaterkwaliteit beperkt. Landbouw areaal blijft behouden maar als men geen natuurinclusieve methode toepast, blijft de kwaliteit van het oppervlaktewater slecht doordat nutriënten in het oppervlaktewater spoelen. Ten slotte zijn de natuurgebieden ten allen tijde toegankelijk voor recreanten waardoor de kwaliteit van natuur en daarmee grond- en oppervlaktewater verslechterd. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - door uitbreiding en toevoeging van infrastructuur is meervoudig ruimtegebruik is noodzakelijk waar nodig; - het bouwen langs oevers kan gevaren opleveren voor zowel de waterkwaliteit als de waterveiligheid; - natte natuurgebieden kunnen waardevol zijn voor het verbeteren van de waterkwaliteit en biodiversiteit. In dit scenario is er geen potentie om het doel van de gemeente te bereiken om meer aandacht te vragen voor de kwaliteit van het grond- en oppervlakte water. Er zijn geen concrete ingrepen om dit doel te bereiken. Microklimaat Scenario 1 De situatie in dit eerste scenario verbetert ten opzichte van de referentiesituatie. Er komen nieuwe woningen, maar alleen door middel van inbreiding. Dit heeft een gunstig effect op hittestress omdat er hierbij geen extra verhard oppervlak wordt gerealiseerd.

Ook zijn er in dit scenario vooral eengezinswoningen, wat een positief effect heeft op hittestress omdat dit typisch lagere gebouwen zijn dan meergezinswoningen en er zo minder warmte blijft hangen tussen gebouwen.

74 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Het creëren van schaduwplekken, het doortrekken van de groene kraag en natuurinclusieve landbouw en (woning)bouw leidt tot een afname van hittestress door het behoud en integreren van groene elementen. Ook vernatting van agrarische gronden en ruimte voor de rivier zorgt voor een afname van hittestress. De groene overkapping van snelwegen leidt daarnaast mogelijk tot afname van lokale hittestress. Op het vlak van windhinder blijft de situatie grotendeels hetzelfde ten opzichte van de referentiesituatie, omdat er sprake is van inbreiding en maximaal 6 bouwlagen. Ook blijft de woningvoorraad vooral uit eengezinswoningen bestaan. Wat betreft schaduwhinder treedt er geen verandering op in dit scenario omdat er niet meer dan 6 bouwlagen worden gebouwd. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - het gebruiken van bestaande verharde oppervlaktes om woningbouw te realiseren beperkt de relatieve toename aan verharding en daarmee hittestress. Wel kunnen de structuren voor meer wind- en schaduwhinder zorgen wanneer deze hoger zijn dan de eerdere verharding. Soms kan het schaduweffect van gebouwen ook een verkoelende werking hebben. De locatie en positionering van gebouwen heeft invloed op wind- en schaduwhinder; - het toevoegen van een netwerk aan groen in de bebouwde gebieden verkoelt zowel fysiek als gevoelsmatig.

Het toevoegen van groen is daarmee een van de meest waardevolle manieren van het beperken van hittestress. Dit scenario heeft een hoge potentie om de microklimaat doelen van de gemeente te behalen omdat de ingrepen bijdragen aan een leefbare en gezonde leefomgeving. Scenario 2 De situatie in dit tweede scenario verslechtert ten opzichte van de referentiesituatie. Er komen nieuwe woningen, door middel van inbreiding maar ook uitbreiding. Uitbreiding leidt tot een toename van hittestress door de toevoeging van nieuwe verharding. In dit scenario zijn er veel meergezinswoningen en is het mogelijk om meer dan 6 bouwlagen te realiseren. Afhankelijk van het ontwerp en spreiding van deze bebouwing leidt dit mogelijk tot een toename van hittestress in de buitenruimte omdat warmte langer wordt vastgehouden tussen hoge bebouwing. Ook komt er een getijdenpark waarbij de Nieuwe Maas ruimte krijgt om vrijuit te stromen over de verharde oppervlaktes van de kade. Binnen dit getijdenpark is geen ruimte voor het toepassen van extra groen, hierdoor is het effect op hittestress relatief klein. De groene kraag wordt in dit scenario behouden maar niet uitgebreid waardoor er geen afname plaatsvindt van hittestress. Het creëren van schaduwplekken en natuurinclusieve bouw leidt wel tot afname van hittestress door het behoud en de integratie van groene elementen.

Op het vlak van windhinder gaat de situatie achteruit. Bij een ongunstig ontwerp en positionering van de nieuwe bebouwing leidt de uitbreiding en de verticale landbouw mogelijk tot toename van windhinder. De schaduwhinder verergerd in dit scenario door een toename van verdichting en stapeling van woningen (meer dan 6 bouwlagen). Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - hittestress uit zich zowel in de binnenruimtes als in de buitenruimtes. Wanneer gewerkt wordt met hoogbouw van meer dan 6 bouwlagen wordt het klimaatadaptief ontwerp van de gebouwen relevanter. Als de bebouwing wit van kleur is, en de ramen voornamelijk zijn geplaatst aan de kant van het gebouw waar de zon het minst inschijnt, is het binnenklimaat meer aangenaam; - hoogbouw kan zorgen voor meer schaduwplekken in de buitenruimte wanneer er voldoende ruimte is tussen de gebouwen. Aan de andere kant wordt dit verkoelende effect van schaduwen gereduceerd door de aanwezigheid van verharding. Daarnaast kan de schaduwwerking ook schaduwhinder tot gevolg hebben wat als negatief kan worden ervaren. Dit scenario heeft beperkte potentie om microklimaat doelen te behalen. Afhankelijk van situering van gebouwen zal uitbreiding (in de hoogte) hittestress, wind- en schaduwhinder doen toenemen.

75 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Wateroverlast en droogte Scenario 1 In dit scenario verbetert de situatie ten opzichte van de referentiesituatie. In dit scenario investeert de gemeente in water en bodem sturend werken. Er worden gevolgenbeperkende maatregelen in de openbare ruimte genomen tegen mogelijk wateroverlast en droogte. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterkringloop natuurlijker gemaakt wordt. Ook investeert de gemeente in groen, natuur, en natuurinclusieve landbouw en bouw waardoor er minder risico op wateroverlast en droogte is doordat er meer waterbergingscapaciteit is. Ook wordt er meer waterbergingscapaciteit gerealiseerd in de gebouwde omgeving. Deze waterberging compenseert voor de beperkte hoeveelheid toegenomen verharding als gevolg van inbreiding. Ter bescherming van de waterveiligheid wordt er in dit scenario niet gebouwd op plekken met overstromingsrisico (door doorbraak van dijken of overslag vanuit de rivieren). Ook komt de maatregel om meer ruimte aan de rivier te geven de waterveiligheid ten goede omdat het water zo de uiterwaarden in kan stromen tijdens hoogwater. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - het realiseren van waterberging in de gebouwde omgeving draagt direct bij aan het beperken van wateroverlast; - door niet te bouwen op locaties met een hoog overstromingsrisico is de waterveiligheid gewaarborgd.

Dit scenario heeft hoge potentie om wateroverlast, droogte en waterveiligheid aan te pakken door klimaatadaptatiedoelen te behalen. Er wordt geïnvesteerd in een grotere waterbergingscapaciteit en een natuurlijke waterkringloop waardoor waterpeilen kunnen fluctueren zonder overlast te veroorzaken. Scenario 2 In dit scenario verslechtert de situatie ten opzichte van de referentiesituatie. Er wordt geïnvesteerd in technologische oplossingen om waterveiligheid te borgen maar er wordt niet water en bodem sturend gewerkt. Zo komt er uitbreiding van woon- en werklocaties bij rivieroevers, waardoor de waterveiligheid in gevaar wordt gebracht wanneer bebouwing plaatsvindt op de rivieroevers die zich buitendijks bevinden. Er is hiermee geringe ruimte voor de rivier. Daarnaast komt er een getijdenpark aan de Nieuwe Maas, maar deze ingreep is minder effectief in het vergroten van de waterveiligheid in vergelijking met de ‘ruimte voor de rivier’ maatregel in scenario 1. Wel wordt er ingezet op waterberging in de gebouwde omgeving en natuurinclusief bouwen wat kan bijdragen aan het verminderen van wateroverlast en droogte. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - in dit scenario zal het moeilijker zijn om te voldoen aan de eisen van het waterschap.

Dit heeft te maken met de grotere hoeveelheid waterberging die gerealiseerd moet worden ter compensatie van het toegenomen verharde oppervlak in onbebouwd gebied, het bouwen langs de oevers en in de beschermingszones van de dijk, en de eventuele gevolgen van de diepe boringen die plaats moeten vinden bij geothermie op de grondwaterkwaliteit. Dit scenario heeft geen potentie om wateroverlast en droogte aan te pakken door klimaatadaptatie doelen te behalen. Er worden beperkte extra bergingsmogelijkheden gecreëerd. Voor waterveiligheid is er tevens geen potentie om de doelen te behalen. Er wordt geïnvesteerd in technologische oplossingen om waterveiligheid te borgen, waarmee natuurlijke waterkringlopen niet worden hersteld en daarnaast wordt er gebouwd langs rivieroevers waardoor er een hoog overstromingsrisico bestaat voor deze bebouwing. Conclusie Onderstaande tabel geeft een samenvatting weer van de beoordeling van omgevingseffecten en doelbereik van beide scenario’s.

76 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Tabel 6.3 Beoordeling van effecten op water, bodem en klimaat(adaptatie) (zonder inzet van mitigerende maatregelen) Aspect

Referentiesituatie

Beoordeling doelbereik Scenario 1

Beoordeling omgevingseffecten Scenario 2

Scenario 1

Scenario 2

bodem

redelijk

0

-

waterkwaliteit en duurzame watervoorziening

slecht

+

-

microklimaat

redelijk

+

-

wateroverlast en droogte

slecht

+

-

6.3.4

Duurzaamheid

Energie Scenario 1 In scenario 1 verslechtert het thema energie ten opzichte van de referentiesituatie. De energievraag stijgt omdat er meer woningen bijkomen, vervoersbewegingen toenemen en vervoer elektrificeert. Er komt duurzame maakindustrie en een agrarische verwerkingscluster waardoor de energievraag mogelijk stijgt. Het benutten van restwarmte van de glastuinbouw kan de warmtevraag van woningen deels voorzien. Er wordt ingezet op zon op dak en betaalbaarheid van duurzame energie, maar niet op een divers aanbod van hernieuwbare energie opwekking. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - mismatch duurzame energieaanbod en vraag: er wordt jaarrond niet genoeg hernieuwbare energie opgewekt om aan de vraag te voldoen; - ruimtelijke inpassing van collectieve energieopslag in bestaande buurten is onzeker; - beheer en bezit van collectieve energie infrastructuur vereist nauwe samenwerking en verantwoordelijkheid van inwoners. In dit scenario is er geen potentie om energiedoelen van de gemeente te behalen. De vraag naar energie groeit. Het opwekken van energie met alleen zonnepanelen op daken is niet toereikend om aan de energievraag te voldoen. Wel wordt er gewerkt aan het bereikbaar en betaalbaar maken van de energietransitie. Er zijn geen concrete ingrepen om de warmtetransitie doelen (bijvoorbeeld aardgasvrije wijken) te behalen.

Scenario 2 De situatie in dit scenario verbetert ten opzichte van de referentiesituatie omdat er meer hernieuwbare energie wordt opgewekt waardoor aan de toenemende energievraag kan worden voldaan. De omvang van duurzame energieopwek is afhankelijk van de daadwerkelijke uitwerking van de klimaatparken. Er is toename in de energievraag door de toename van 3.300+ woningen en elektrificatie van het verkeer. Ook het agro-verwerkingscluster en verticale landbouw behoeft energie. Daarnaast vraagt de intrede van zakelijke dienstverlening energie, bijvoorbeeld voor data opslag. De energieopwekking van hernieuwbare energie verbetert ten opzichte van de referentiesituatie. Zo wordt er ingezet op waterstof productie, zon op dak, komt er een klimaatpark en aqua- en geothermie. Ook komt er een reservering van een 380kV verbinding waardoor de capaciteit van het elektriciteitsnet wordt vergroot. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - betaalbaarheid van energie staat onder druk doordat er geen collectieve bezit en beheer van energie; - ruimteclaim van energiesysteem is fors en kan ten koste gaan van landschappelijke waarden.

77 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

In dit scenario is er beperkte potentie om energiedoelen van de gemeente te behalen. De energievraag stijgt maar er worden diverse hernieuwbare energie bronnen gerealiseerd. Echter, er zijn geen ingrepen om de hernieuwbare energie voor alle inwoners toegankelijk en betaalbaar te maken. Materiaal Scenario 1 Het gebruik van primaire grondstoffen en levensduur van producten verbetert in dit scenario ten opzichte van de referentiesituatie. De vraag naar materiaal stijgt door de toename van 1.300 woningen. Echter, er is alleen sprake van inbreiding en circulaire bouw. Ook komt er in dit scenario een circulaire hub, duurzame maakindustrie, en collectieve organisatie en onderhoud van duurzaamheidsmaatregelen. Deelmobiliteit en collectieve woonvormen hebben ook een gunstig effect op materiaalgebruik. Een voorbeeld hiervan kan bijvoorbeeld zijn het delen van auto’s of gereedschap in een collectieve woonvorm. Horizontale natuurinclusieve landbouw en lokale verwerking van agrarische producten (biobased bouwmaterialen) kan bijdragen aan duurzame bouwmaterialen en voedselpatronen. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - succes van deeleconomie is afhankelijk van waarden en gedrag van inwoners. Hierbij wordt de bereidheid van inwoners om hun levensstijl aan te passen aangesproken; - economische prikkels vereist om circulaire economie en deeleconomie te stimuleren.

In dit scenario is er hoge potentie om circulaire doelen van de gemeente te behalen. Het gebruik van primaire grondstoffen verlaagt en voedselpatronen verduurzamen. Scenario 2 Het gebruik van primaire grondstoffen en levensduur van producten verslechtert in dit scenario ten opzichte van de referentiesituatie. De vraag naar materiaal stijgt door de toename van 3.300+ woningen. Naast inbreiding vindt er uitbreiding plaats. Er wordt niet circulair gebouwd. Wel wordt geïnvesteerd in deelmobiliteit en OV en de lokale verwerking van agrarische producten wat kan bijdragen aan duurzame bouwmaterialen. Echter, in dit scenario komt er geen circulaire hub, geen collectieve woonvormen, en geen collectieve organisatie en onderhoud van verduurzamingsmaatregelen wat het hergebruik van materiaal bemoeilijkt. Aandachtspunten voor dit scenario zijn: - lineaire economie blijft bestaan; - economische prikkels vereist om duurzame mobiliteit te stimuleren. In dit scenario is er geen potentie om circulaire doelen van de gemeente te behalen. Er zijn geen concrete ingrepen om producten en grondstoffen zo lang mogelijk in omloop te houden en daarmee het gebruik van primaire grondstoffen te verminderen. Conclusie Onderstaande tabel geeft een samenvatting weer van de beoordeling van omgevingseffecten en doelbereik van beide scenario’s.

Tabel 6.4 Beoordeling van effecten op duurzaamheid (zonder inzet van mitigerende maatregelen) Aspect

Referentiesituatie

Beoordeling doelbereik Scenario 1

Beoordeling omgevingseffecten Scenario

Scenario 1

Scenario 2

energie

slecht

-

+

materiaal

slecht

+

-

78 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

6.4

Samenvatting: effecten op hoofdlijnen

Effecten op hoofdlijnen door scenario 1 Omgevingseffecten In scenario 1 zijn de effecten op de leefomgeving over het algemeen positief in het buitengebied aan de rivieroevers en in/rondom wijkcentra. De nabijheid van voorzieningen en deelmobiliteit in de wijkcentra zorgen voor een positief effect op duurzame mobiliteit, voorzieningenaanbod en sociale cohesie. Ruimte voor de rivier zorgt voor zeer positieve effecten op de natuurlijke aspecten als bodem, water en natuur. Echter, is een risico van ruimte voor de rivier dat industrieel erfgoed aan de rivieroevers aangetast kan worden. De overkapping van de snelwegen zorgt voor positieve effecten op gezondheidsbescherming, recreatie en verkeersveiligheid. Een kanttekening van de overkapping is dat de luchtkwaliteit verslechterd aan de tunnelmonden waardoor Bolnes Zuid een verslechtering van de luchtkwaliteit kan ondervinden. Het behoud van hogere milieugebruiksruimte-bedrijven leidt tot het behoud van zwaar verkeer. In combinatie met meer weggebruikers neemt de verkeersveiligheid in Ridderkerk af. De groene inprikkers leidt tot positieve effecten op gezonde leefstijl en microklimaat. Doelbereik In scenario 1 is er een beperkte potentie om doelen te halen voor alle 3 de kernwaarden. De overkapping van de snelwegen en ruimte voor de rivier zorgen voor een gezonder Ridderkerk en robuuster groenblauwe raamwerk.

De buurtcentra en toename van buurtbussen zorgen voor sterkere en beter verbonden wijken. Ondanks deze ingrepen die bijdragen aan de doelen is er geen sprake van een hoge potentie. De toename van het aantal woningen en behoud van mono-functioneel bedrijventerreinen leiden tot onvoldoende differentiatie in woningaanbod en economische verbreding. De auto blijft dominant in scenario 1 waardoor doelen als verbetering van de luchtkwaliteit en het versterken van duurzame en actieve mobiliteit niet gehaald worden.

79 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Afbeelding 6.1 Effecten op hoofdlijnen door scenario 1

80 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Effecten op hoofdlijnen door scenario 2 Omgevingseffecten In scenario 2 zijn de effecten op de leefomgeving over het algemeen positief in woon-werklocaties, de kern en de schil rond de kern. De autoluwe schil en autovrije kern leiden tot positieve effecten op gezondheid en actieve mobiliteit. De nieuwe OV-verbindingen zorgen voor een betere regionale bereikbaarheid. De toename van woningen zorgen voor voldoende woonaanbod en een diverse woonvoorraad. Een kanttekening van de toename van woningen is de toenemende verkeersdrukte en de verspreiding en verslechtering van luchtkwaliteit en geluid. Ook leidt een toename van inwoners tot een toename van de energievraag en drinkwatervraag. De energievraag wordt in scenario 2 voorzien door klimaatparken en een waterstoffabriek. De energie-infrastructuur verstoort wel het landschap en de natuur en het is een risicobron voor de externe veiligheid. De transformatie van mono-functionele naar woon-werklocaties zorgt voor een divers werkaanbod en maakt bedrijventerreinen veiliger. Doelbereik In scenario 2 heeft elke kernwaarde een andere beoordeling van geen tot hoge potentie om doelen te halen. De toename van werkaanbod op het gebied van zakelijke dienstverlening en menging van wonen en werken leidt tot een hoge potentie om de kernwaarde kloppend hart te behalen.

Scenario 2 heeft geen potentie om de doelen voor gezondheidsbescherming en omgevingsveiligheid maar een hoge potentie om de doelen voor duurzame mobiliteit en woonaanbod te halen waardoor de kernwaarde sterk verbonden en goed verbonden redelijk scoort op doelbereik. Scenario 2 voegt risicobronnen toe als een waterstoffabriek. Daarnaast zorgt de verspreidde toename van 3.300 woningen voor een toename van verkeersbewegingen en geluidbelasting, en voor een verslechtering van de luchtkwaliteit. Scenario 2 heeft geen potentie om de kernwaarde groenblauwe oase te behalen vanwege de recreatiedruk in natuurgebieden. Daarnaast is het risico op waterveiligheid groot doordat het mogelijk is om langs de rivieroevers te bouwen. Overzicht beoordelingen scenario 1 en 2 Tabel 6.5 geeft een overzicht van alle beoordelingen voor scenario 1 en 2.

Tabel 6.5 Beoordelingen van effecten van de scenario’s Aspect

Referentie situatie

Beoordeling doelbereik Scenario 1

Beoordeling omgevingseffecten Scenario 2

Scenario 1

Scenario 2

Werkgelegenheid

redelijk

+

++

Vestigingsklimaat

redelijk

0

+

Landbouw

slecht

+

+

Woningaanbod

slecht

+

++

Voorzieningenaanbod (onderwijs en maatschappelijk vastgoed)

redelijk

++

-

Openbare ruimte (recreatie en groen)

goed

++

+

Gezonde leefstijl

redelijk

+

+

Sociaaleconomische positie

goed

+

++

81 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Aspect

Referentie situatie

Beoordeling doelbereik

Sociale cohesie

redelijk

++

-

Gezondheidsbescherming (totaal score van lucht, geluid en overige aspecten)

slecht

-

-

Omgevingsveiligheid

redelijk

-

-

Bereikbaarheid (per modaliteit)

redelijk

-

-

Toegang tot mobiliteitsdiensten en voorzieningen

redelijk

++

+

Verkeersveiligheid

redelijk

-

+

Beschermde natuurgebieden

redelijk

+

-

Soortenbescherming en biodiversiteit

redelijk

++

--

Landschap

redelijk

+

-

Cultuurhistorie en erfgoed

redelijk

--

-

Archeologie

goed

0

0

Bodem

redelijk

0

-

Waterkwaliteit en duurzame watervoorziening

slecht

+

-

Microklimaat

redelijk

+

-

Wateroverlast en droogte

slecht

+

-

Energie

slecht

-

+

Materiaal

slecht

+

-

82 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Beoordeling omgevingseffecten

Afbeelding 6.2 Effecten op hoofdlijnen door scenario 2

83 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

7 HET VOORGENOMEN BELEID: ONTWERP VERNIEUWDE OMGEVINGSVISIE 7.1

Totstandkoming ontwerp vernieuwde omgevingsvisie

De ambities uit de omgevingsvisie hebben invloed op de leefomgeving in Ridderkerk. Het doel van een omgevingseffectrapportage is om de effecten van de omgevingsvisie te onderzoeken. Het onderzoekt de huidige situatie, de referentiesituatie (dat is de toekomst zonder de vernieuwde omgevingsvisie), de effecten van de 2 scenario’s en de effecten van de vernieuwde omgevingsvisie. Door deze effecten duidelijk te maken, kunnen de gemaakte keuzes beter onderbouwd worden. In deze paragraaf is aangegeven welke keuzes in de ontwerp vernieuwde omgevingsvisie zijn gemaakt op basis van de milieu-informatie uit de omgevingseffectrapportage. Tabel 7.1 toont keuzes in de ontwerp vernieuwde omgevingsvisie die voortkomen uit de omgevingseffecten. Alle aspecten uit de ontwerp vernieuwde omgevingsvisie die gelijk blijven aan de referentiesituatie zijn niet opgenomen in tabel 7.1.

Tabel 7.1 Keuzes in het ontwerp vernieuwde omgevingsvisie die voortkomen uit de omgevingseffecten Onderdeel uit het voorgenomen beleid

Keuzes afkomstig uit scenario 1

Keuzes afkomstig uit scenario 2

diverse werkgelegenheid

maakindustrie blijft behouden in Ridderkerk waardoor er werkaanbod voor praktisch geschoolde mensen beschikbaar is

focus op het aantrekken van zakelijke dienstverlening en innovatieve bedrijven, waardoor er werkaanbod voor theoretisch geschoolde mensen beschikbaar is

verbetering en diversifiëring van het vestigingsklimaat en de openbare ruimte

groene kraag, inprikkers en nieuwe ontmoetingsplekken zorgen voor een verbetering van vestigingsklimaat

meer functiemenging op bedrijventerreinen waardoor de openbare ruimte en sociale veiligheid verbeteren

woningaanbod voldoet aan regiobod

collectieve woonvormen en flexwonen waar mogelijk zorgt voor een diverse woningaanbod die inspeelt in de huidige vraag

hoogbouw is maatwerk en hiervoor dient een hoogbouweffectrapport opgesteld worden

voorzieningenaanbod is nabij

overal een buurtcentrum

centrale voorzieningen blijven in Ridderkerk centrum

verbetering van gezonde leefstijl en hittestress door een beweegvriendelijke leefomgeving

groene kraag met inprikkers

schaduwrijke fiets- en wandelroutes bevorderen een gezonde leefstijl

toename waterberging tegen wateroverlast en droogte

vernatting is nader uitgewerkt tot 9 waterbergingsgebieden

niet van toepassing

duurzame energie opwek bij knooppunten

niet van toepassing

duurzame energieopwek bij de knooppunten

84 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Onderdeel uit het voorgenomen beleid

Keuzes afkomstig uit scenario 1

Keuzes afkomstig uit scenario 2

verbetering van toegankelijkheid en bereikbaarheid voor elke modaliteit

de toegankelijkheid van de auto blijft goed. Buurtbussen blijven rijden

een nieuwe OV-verbinding tussen station Barendrecht en Ridderkerk centrum zorgt voor een verbetering van OV. Er loopt een onderzoek naar een waterbushalte bij BolnesZuid Een toegankelijk centrum aanbieden voor elke modaliteit is doorslaggevend voor het niet overnemen van het autovrije centrum

gezondheidsbescherming blijft een aandachtspunt (vooral vanwege rijkswegen en rol van auto)

overkapping is niet haalbaar en is niet overgenomen vanwege de afname van luchtkwaliteit bij de tunnelmonden (specifiek Bolnes)

grotere uitbreiding van het woningaanbod t.o.v. het regiobod leidt tot negatieve gezondheidseffecten bouwen in rivieroevers is maatwerk waarbij er onderzoek dient te worden gedaan naar effecten op mobiliteit en klimaatadaptatie. Deze 2 aandachtspunten komen ook voort uit het OER autovrij centrum is niet overgenomen, maar heeft wel aanzienlijk positieve effecten op de gezondheidsbescherming. Een toegankelijk centrum voor elke modaliteit is doorslaggevend voor het niet overnemen van een autovrije centrum. Hierdoor blijft auto dominant

omgevingsveiligheid is een aandachtspunt door nieuwe risicobronnen vanwege de energietransitie

buurtbatterijen bij buurtcentra zijn niet overgenomen vanwege de toename van het veiligheidsrisico

natuurdoelen nog niet gehaald vanwege landelijke ontwikkelingen

natuurontwikkeling (stiltegebieden, weidevogelgebieden, natuurrijke uiterwaarden) zijn niet overgenomen vanwege de ambitie voor functiemenging (recreatie, mobiliteit en groen)

waterstoffabriek is niet overgenomen vanwege een toename van veiligheidsrisico energiecorridor betreft een mogelijke reservering vanuit het Rijk functioneel groen is overgenomen om gezond gedrag te bevorderen

Gebiedsgerichte uitwerking en uitvoering Het OER heeft mitigerende maatregelen voorgesteld die deels in de gebiedsgerichte uitwerking van de omgevingsvisie is overgenomen. Het wordt uit het ontwerp vernieuwde omgevingsvisie bijvoorbeeld niet duidelijk waar de eventuele extra ontmoetingsplekken en/of speelvoorzieningen worden voorzien.

7.2

Kenmerken voorgenomen beleid

De hoofdambitie van de omgevingsvisie van de gemeente Ridderkerk is als volgt: Ridderkerk is en blijft een prettige gemeente om in te wonen, te recreëren en te werken. Deze hoofdambitie wordt bereikt door in te zetten op onze eigen identiteit. Ook de ligging tussen het stedelijk netwerk van de regio Rijnmond en de Drechtsteden en het landschappelijk netwerk van de Krimpenerwaard, Alblasserwaard, Biesbosch en Hoeksche Waard helpt hierbij. Na jaren van ontwikkeling en groei, is het nu het moment om vooral ook in te zetten op het behouden en het versterken van de kwaliteit van onze leefomgeving. De gemeente hanteert in de omgevingsvisie naast deze thematische ambities ook 5 leidende principes, dit zijn de overkoepelende ambities onder de hoofdambities. De leidende principes zijn nieuw ten opzichte van de vorige omgevingsvisie en overig bestaand beleid.

85 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

De 5 leidende principes zijn: - ontwikkelingen zijn water- en bodemsturend; - ontwikkelingen hebben oog voor een prettige fysieke leefomgeving; - ontwikkelingen dragen bij aan brede welvaart; - ontwikkelingen dragen bij aan de uitvoering van transities, zoals de energietransitie; - ontwikkelingen zijn afgestemd op een inclusieve en toegankelijke mobiliteit. De omgevingsvisie van de gemeente Ridderkerk betreft hoofdzakelijk een actualisatie van de bestaande omgevingsvisie. Dat betekent dat het beleid op veel onderwerpen aansluit op de vorige omgevingsvisie en dat het bestaand (sectoraal) beleid via de actualisatie wordt geïntegreerd in de nieuwe omgevingsvisie. Hoofdstuk 5 van de omgevingsvisie bevat de ambities per kernwaarde.

86 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

7.2.1

Visiekaart

Afbeelding 7.1 Visiekaart Ridderkerk

87 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

7.2.2

Gebiedsuitwerking

De 3 Ridderkerkse kernwaarden met de specifieke opgaven en doelen vragen om verschillende manieren van sturing. In dit hoofdstuk introduceren wij de gebieden in Ridderkerk. Ook wordt per strategische keuze op hoofdlijnen aangegeven hoe de gemeente haar rol invult (sturingsstijl).

7.2.3

Gebiedsindeling Ridderkerk

In de omgevingsvisie staan thematische ambities en gebiedsgerichte ambities. De gebiedsgerichte ambities zijn een gebiedsgerichte uitwerking van de thematische ambities naar de verschillende gebieden binnen de gemeente Ridderkerk. De gemeente heeft hiervoor een gebiedsindeling opgesteld zoals beschreven in bijlage IV. In hoofdstuk 6 van de omgevingsvisie staan de gebiedsgerichte opgaven, inclusief de strategische keuzes die de gemeente voor deze opgaven maakt en welke sturingsrol de gemeente bij deze keuze aanhoudt.

7.3

Beoordeling van het ontwerp vernieuwde omgevingsvisie

De effecten van het ontwerp vernieuwde omgevingsvisie zijn beschouwd op basis van de effectbeoordeling van de scenario’s in hoofdstuk 6. Het doelbereik van het ontwerp vernieuwde omgevingsvisie is beoordeeld op basis van huidig beleid (zie samenvatting van het huidige beleid in bijlage III). In de volgende paragrafen staat per thema een samenvattende tabel van de beoordeling van het ontwerp vernieuwde omgevingsvisie die vervolgens is toegelicht.

7.3.1

Kloppend hart

De huidige beleidsdoelen voor de kernwaarde ‘kloppend hart’ zijn opgenomen in de bijlage III zie tabel III.1. Beoordeling ambitie voor het thema economie In tabel 7.2 is de beoordeling van de ambitie voor het thema economie weergegeven.

Tabel 7.2 Beoordeling ontwerp vernieuwde omgevingsvisie voor de kernwaarde ‘Kloppend hart’ op het thema economie Aspect

Beoordeling referentiesituatie (op basis van bestaande landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsdoelen)

Beoordeling omgevingseffecten ontwerp vernieuwde omgevingsvisie(ten opzichte van de referentiesituatie)

Werkgelegenheid

redelijk

0

Vestigingsklimaat

redelijk

+

Landbouw

slecht

-

In de volgende paragrafen wordt per aspect de beoordeling toegelicht.

88 | 133 Witteveen+Bos | 141592/25-006.167 | Definitief 02

Beoordeling doelbereik ontwerp vernieuwde omgevingsvisie(ten opzichte van het bestaand beleid)

Werkgelegenheid Beoordeling omgevingseffecten ontwerp vernieuwde omgevingsvisie Op het aspect werkgelegenheid scoort het ontwerp vernieuwde omgevingsvisieneutraal ten opzichte van de referentiesituatie. Er wordt bijvoorbeeld ingezet op verbreding van sectoren (innovatie, ICT, zakelijke dienstverlening en vrijetijdseconomie) waardoor er banen ontstaan voor verschillende doelgroepen. Het is onduidelijk wat de omvang is van toegevoegde banen per sector en of dit aansluit op het opleidingsniveau van inwoners in Ridderkerk, ook al is het wel de ambitie om passende werkgelegenheid te bieden aan inwoners. Beoordeling doelbereik ontwerp vernieuwde omgevingsvisie Het ontwerp vernieuwde omgevingsvisie heeft een beperkte potentie om bestaande beleidsdoelen te behalen ondanks de toevoeging van werkgelegenheid. Dit komt omdat er geen maatregelen zijn opgenomen in het ontwerp vernieuwde omgevingsvisie om de werkgelegenheid vanuit het concept ‘brede welvaart’ te ontwikkelen. Onzekerheden in het ontwerp vernieuwde omgevingsvisie - werkloosheid: het is onduidelijk wat de omvang is van het werkaanbod; - opleidingsniveau van de beroepsbevolking: het is onduidelijk wat de omvang is van toegevoegde banen per sector en of dit aansluit op het opleidingsniveau van inwoners in Ridderkerk; - opleidingsniveau van gecreëerde banen: idem aan onderwijsniveau van de beroepsbevolking.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1216/documents/40778