CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

IKC De Wingerd, BOPA-onderbouwing.pdf

Commissie Samen wonen RK 12 februari 2026, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 5: Onderbouwing BOPA IKC de Wingerd22.628 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het GR is onder de omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het GR te berekenen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. In artikel 7.18 van het Zuid-Hollandse Omgevingsverordening staat een aanvulling op de instructieregel voor het rekening houden met de hoogte van het groepsrisico. Voor een aandachtsgebied met verhoogd groepsrisico worden de overwegingen uit artikel 7.18 van het Zuid-Hollandse Omgevingsverordening betrokken.

44/106

Toetsing De projectlocatie ligt binnen een gifwolkaandachtsgebied. Wel ligt de projectlocatie buiten afkapgrens van 1,5 kilometer. Conform het Bbl bestaat de verplichting tot mechanische ventilatie en dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Bbl). De veiligheidsregio legt belang bij de constructie van het gebouw; construeer het gebouw zodanig dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden (conform artikel 4.124 lid 4 van het Bbl). Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen. Daarnaast is de bereikbaarheid van de projectlocatie goed bereikbaar. Ten opzichte van huidige situatie is er een afname van verkeersbewegingen in de toekomstige situatie. Zie hiervoor 5.10 Mobiliteit en parkeren.

Figuur 5.2.1 Uitsnede Register Externe Veiligheid met projectlocatie in het rood Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de instructieregels en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

45/106

5.3

Water

Toetsingskader Een omgevingsvergunning voor een BOPA moet ook worden getoetst aan de instructies van de omgevingsverordening van het waterschap en de provincie. De waterbeheerder voor deze locatie is Waterschap Hollandse Delta. De gemeente of initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de uitwerking, mogelijke effecten en de te nemen maatregelen om aan te tonen dat wordt voldaan aan de normen. De gemeenten kunnen strengere normen opnemen in het omgevingsplan. Dit is altijd maatwerk en gebiedsafhankelijk. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Voor deze BOPA geldt:  Bebouwing in werkingsgebieden van keringen en andere waterstaatswerken;  Waterketen, relatie met de afvoer van afvalwater. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hieraan zelf invulling te geven. Waterbeleid en regelgeving Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief).

Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor de projectlocatie relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal:  Nationaal Water Programma 2022-2027;  Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);  Omgevingswet. Provinciaal:  Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027;  Omgevingsvisie Zuid-Holland;  Zuid-Hollandse omgevingsverordening. Waterschap Hollandse Delta Waterschap Hollandse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.

46/106

Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2022-2027) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water, hemelwater(beleid) en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Daarbij zijn er doelen voor toekomstbestendig waterbeheer. Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. Doelen en hoe om te gaan met hemelwater staat beschreven in het hemelwaterbeleid. Door het herstel van de natuurlijke waterkringloop en het vergroten van de sponswerking van de bodem kan in droge periodes water beter worden vastgehouden en kan in natte periodes het waterbergende vermogen van bodems beter worden benut. Daarbij wordt er ingezet op hergebruik, vasthouden, bergen en afvoeren maar ook op sparen, aanvoeren, adapteren en accepteren. Vasthouden van water in het gebied is een belangrijk doel, maar bepaalde omstandigheden kunnen er voor zorgen dat toch een bepaalde mate van afvoer van hemelwater nodig is. Waterschapsverordening In de Waterschapsverordening (voorheen 'Keur') en bijbehorende beleidsregels en hydrologische uitgangspunten staat opgenomen dat er bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen bij een toename aan verhard oppervlak met meer dan 500 m2 compenserende maatregelen getroffen moeten worden.

Omdat bij de voorgenomen ontwikkeling géén toename van 500 m2 verhard oppervlak is, is het beleid uit de waterschapsverordening bij deze ontwikkeling niet van toepassing. Gemeente Ridderkerk In de gemeentelijke Omgevingsvisie is opgenomen dat de gehele fysieke leefomgeving klimaatadaptief moet worden ingericht. In de gemeentelijke Klimaatstrategie wordt deze keuze bevestigd. Het daaruit voortvloeiende beleid ten aanzien van stedelijk water is vastgelegd in het Programma Stedelijk Water 2023-2027. Hierin staat dat bij nieuwbouwontwikkelingen, zoals voorgenomen ontwikkeling, het Convenant Klimaatadaptief bouwen gevolgd moet worden. Het PSW is opgesteld in samenwerking met Waterschap Hollandse Delta. Het 'Convenant Klimaatadaptief bouwen' stelt dat er tenminste 50 mm neerslag tijdelijk vastgehouden of geborgen wordt. Voor extreme neerslaggebeurtenissen kan worden voorzien in een overloop naar de openbare ruimte. De berging is niet eerder dan in 24 uur leeg en is in maximaal 48 uur weer beschikbaar, of wordt gestuurd. Lediging zal geschieden via vertraagde afvoer naar het oppervlaktewater. Infiltratie is door de beperkte bodemberging niet mogelijk. Gezien de ligging direct naast een watergang is het niet uit te leggen om af te voeren op de gemengde riolering.

Toetsing Huidige situatie De projectlocatie ligt in bestaand stedelijk gebied en bestaat in de huidige situatie uit de bebouwing en schoolpleinen van De Wingerd. De projectlocatie is grotendeels verhard met verspreid liggend bomen. Ten oosten van de projectlocatie loopt een watergang. Hoogteligging Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN5), bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 1,00 meter -NAP.

47/106

Bodem en grondwater Ter plaatse van de projectlocatie zijn geen bodemgegevens beschikbaar. In de Basisregistratie Ondergrond zijn er bij drie nabijgelegen locaties wel boringen gedaan, waarbij de lithoklasse (bodemsoort) is bepaald. Op basis van deze boringen is het zeer aannemelijk dat de bodem bij de projectlocatie klei op veen is. Het veenpakket ligt op verschillende (on)dieptes bij de verschillende locaties:  Locatie A: -1,00 m NAP  Locatie B: -2,20 m NAP  Locatie C: -4,50 m NAP

Figuur 5.3.1 Boorlocaties en llithoklasse

48/106

Op de locatie van de basisschool zijn er geen bodemgegevens beschikbaar. Het gemeentelijk grondwatermeetnet heeft één nabijgelegen peilbuis (zie figuur 5.3.2) waarvan sinds 2022 meetgegevens worden ontsloten (zie figuur 5.3.3).

Figuur 5.3.2 Locatie peilbuis R21 uit het gemeentelijke grondwatermeetnet (groene stip) en de projectlocatie (rood gearceerd) De grondwatermeetlocatie ligt ongeveer in het midden tussen de twee watergangen, waardoor het aannemelijk is dat hier een maximale opbolling van het grondwater is. De afstand tussen de twee watergangen is ter hoogte van de projectlocatie kleiner. Dus het is een veilige aanname om dit meetpunt en deze meetgegevens als uitgangspunt te nemen voor de projectlocatie. Op basis van de meetreeks zijn twee grondwaterstatistieken afgeleid: de Representatieve Hoge Grondwaterstand (RHG) en Representatieve Lage Grondwaterstand (RLG). De ruimte tussen het maaiveld (-1,03 m NAP) en de RHG (-1,50 m NAP) is 47 centimeter. Deze ruimte is beschikbaar voor eventuele berging van water en wordt daarom ook 'beschikbare bodemberging' genoemd. De ruimte tussen de RLG (-1,77 m NAP) en oppervlaktewaterpeil (-2,00 m NAP) is 23 centimeter en wordt waterstandsdiepte genoemd. Over een afstand van zo'n 65 meter (projectlocatie naar dichtstbijzijnde watergang) is het verhang van de druklijn zo'n 3,5‰.

49/106

Figuur 5.3.3 Meetgegevens van peilbuis R21 Oppervlaktewater en peilbeheer Voor het waterschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Ten oosten van de projectlocatie loopt een sloot met een beschermingszone van 1 meter. De beschermingszone reikt niet tot de projectlocatie. De afstand tussen de sloot en de projectlocatie bedraagt namelijk 8 meter.

Figuur 5.3.4 Uitsnede legger waterschap Hollandse Delta

50/106

De projectlocatie ligt in peilgebied Kerkweg en Drievliet West (P-Y11.007 ) met een vast peil van -2, 00 m NAP (zie figuur 5.3.5). De watergang aan de oostkant van de projectlocatie ligt in peilgebied Drievliet en Oosterpark West (P-Y11.006). Dit peilgebied heeft ook een vast peil van -2,00 m NAP.

Figuur 5.3.5 Peilgebieden (paars omlijnd) met aan- en afvoerroutes (blauwe pijlen) en de projectlocatie (rood omlijnd) Veiligheid (waterkering) De projectlocatie ligt niet in een kern- of beschermingszone van een waterkering.

51/106

Effecten klimaatverandering Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Dit klimaateffect kan een grote impact hebben. In dat kader zijn gestandaardiseerde stresstesten voor wateroverlast gemaakt, waaronder de Klimaatatlas BAR. Met behulp van de kaarten uit de klimaatatlas kan inzicht worden verkregen in de kwetsbaarheid van de omgeving ten gevolge van extreme regenval. De kaarten maken inzichtelijk waar wateroverlastlocaties kunnen ontstaan na extreme buien van 70 mm in 2 uur. Het is mogelijk dat de gepresenteerde wateroverlast niet altijd in de praktijk (in die mate) herkend wordt. Aan de resultaten kunnen geen rechten worden ontleend, maar geven wel een goede indicatie van de te verwachten overlastlocaties bij hevige neerslag. De onderstaande figuur laat voor de projectlocatie en omgeving het resultaat van de klimaatatlas zien. Uit het beeld blijkt dat de omringende straten buiten de projectlocatie gevoelig zijn voor wateroverlast bij kortdurende en extreme neerslag. De projectlocatie zelf is in mindere mate gevoelig voor overlast.

Figuur 5.3.2 Uitsnede Klimaatatlas BAR, wateroverlast bij extreme neerslag (70 mm) Ontwatering en drooglegging Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten en droogleggingseisen. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen.

52/106

De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Gangbare normen voor de ontwateringsdiepte zijn opgenomen in onderstaande tabel. Tabel 5.3.1 Normen voor ontwateringsdiepte Ontwatering

Norm

Gebouwen met kruipruimte

0,7 m -vloerpeil

Gebouwen zonder kruipruimte

0,3 m -vloerpeil

Tuinen en openbare groenvoorzieningen

0,5 m -mv

Primaire wegen

1,0 m -wegas

Secundaire wegen en woonstraten

0,7 m -wegas

De grondwaterstand (ontwateringsdiepte) wordt mede bepaald door de drooglegging van een gebied. Drooglegging is het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en de maaiveldhoogte. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 m, voor het straatpeil een drooglegging van 1 m en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 m. Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van 1,00 m -NAP. De GHG is gelegen op 0,8 m -mv. De ontwatering is ten aanzien van huidige maaiveldniveau voldoende. Om instroming van hemelwater vanuit de omgeving te voorkomen wordt geadviseerd om de toekomstige bouwpeilen minimaal aan te sluiten op de huidige peilen of ongeveer 20 cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil. Riolering In de rondom de projectlocatie gelegen wegen is een gemengd rioolstelsel gelegen. Hemelwater en huishoudelijk afvalwater wordt hierop gezamenlijk ingezameld. Verhard oppervlak en bergingsopgave Verhard oppervlak Huidige situatie De projectlocatie heeft een oppervlakte van 4.526 m². Dit oppervlakte is onderverdeelt in:  1.529 m² van het bestaande gebouw;  2.126 m² aan verhard oppervlakte; en  870 m² aan onverhard oppervlakte. Het totale verharde oppervlakte bestaat dus uit 3.655 m².

Toekomstige situatie Het verhard, half verhard en onverhard in de toekomstige situatie is als volgt onderverdeelt:  1.352,91 m² van het bestaande gebouw;  1.591,69 m² aan verhard oppervlakte;  173,31 m² aan halfverhard oppervlakte; en  1.408,06 m² aan verhard oppervlakte.

53/106

Figuur 5.3.3 Indeling verhard, halfverhard en onverhard oppervlak In de toekomstige situatie is dus in totaal 3.031,26 m² aan verhard oppervlakte, wanneer uit wordt gegaan van 50% verharding bij halfverharding. Balans Ten opzichte van de toekomstige situatie is dus een afname van 624 m² aan verharding. Waterbergingsopgave De eis uit het 'Convenant Klimaatadaptief bouwen' is dat er tenminste 50 mm neerslag tijdelijk vastgehouden of geborgen wordt. Voor het ontwerp vertaalt zich dat in de volgende hoeveelheden benodigde bergingsruimte (oppervlak (in vierkante meter) x 0,05 (in meter) per typologie. Voor de typologie Pand en Verhard dient sowieso (147,23 m³) berging te worden opgenomen binnen de projectlocatie. Voor de typologie Half-verhard is in het Convenant noch in het Programma Stedelijk Water opgenomen hoe daarmee moet worden omgegaan in de bergingseis. Gezien de 'aard' van de verharding wordt in de waterschapsverordening en bijbehorende beleidsregel aangehouden dat het areaal half-verhard voor 50% moet worden meegenomen. Dit resulteert in een berging van 4,33 m³ voor half-verhard. De totale bergingseis voor het ontwerp komt daarmee op: 151,56 m³.

54/106

Waterhuishouding Randvoorwaarden en uitgangspunten Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:  Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren);  Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren);  Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd;  Verhard oppervlak 3.031,26 m2.  Afname verhard oppervlak 624 m2.  Wateropgave 151,56 m3 (conform beleid gemeente Ridderkerk 50 mm/m2);  Beschikbare bodemberging is 47 centimeter;  Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden);  Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen. Hiermee wordt voldaan aan instructieregel 7.3.5.5 uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Afwijking gemeentelijk beleid In het ontwerp is er een oppervlakte van 253,29 m² opgenomen voor waterberging. Uit de analyse van het grondwater bleek dat de beschikbare bodemberging 47 centimeter is. De berging kan maximaal 47 centimeter diep zijn bij de handhaving van de huidige maaiveldhoogte. Dit komt neer op een bergingscapaciteit van 119,05 m³. Hiermee kan niet volledig worden voldaan aan het Convenant. Voor het te kort van 32,5 m³ wordt een afwijking aangevraagd op het gemeentelijk beleid. Het project betreft vervangende nieuwbouw binnen bestaand stedelijk gebied.

Ten opzichte van de bestaande situatie wordt het totaal verhard oppervlak verminderd, waardoor de afstroming van hemelwater afneemt en de belasting op het stedelijk watersysteem wordt beperkt. Binnen de projectlocatie wordt een waterberging gerealiseerd die wordt aangesloten op de bestaande watergang. Hiermee ontstaat een directe koppeling met het oppervlaktewatersysteem, waardoor hemelwater tijdelijk kan worden geborgen en vertraagd wordt afgevoerd. De gekozen locatie van de berging sluit bovendien aan op de visie Plein Oost, waarin op termijn een nieuwe waterdoorgang is voorzien. De maatregel past daarmee binnen de ruimtelijke en waterhuishoudkundige ontwikkelingsrichting van het gebied. Bij de planvorming is zorgvuldig gezocht naar een optimaal en evenwichtig voorstel, waarin de verschillende ruimtelijke belangen – water, klimaatadaptatie, en leefkwaliteit – in samenhang zijn beschouwd. De locatie heeft naast een waterhuishoudkundige functie ook een belangrijke maatschappelijke functie als openbaar speel- en verblijfsgebied voor de wijk. Een verdere uitbreiding van de waterbergingscapaciteit zou ten koste gaan van dit speelterrein en daarmee van de sociale en ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving. In de huidige opzet is een evenwicht bereikt tussen watercompensatie, gebruikswaarde en omgevingskwaliteit.

55/106

Gelet op:  de aard van het plan (vervangende nieuwbouw binnen bestaand stedelijk gebied),  de afname van het verhard oppervlak,  de aanleg van een functionele waterberging met aansluiting op de bestaande watergang,  de aansluiting op de toekomstige waterstructuur zoals voorzien in de visie Plein Oost, en  de zorgvuldige afweging tussen wateropgave en behoud van openbare speelruimte wordt verzocht om in redelijkheid af te wijken van het gemeentelijke waterretentiebeleid. Het project draagt bij aan de doelstellingen van klimaatadaptief bouwen, versterkt de leefkwaliteit in de wijk en leidt niet tot een verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie. Hemelwater In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld gebufferd en vertraagd afgevoerd, in de vorm van een wadi. Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood).

De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Vuilwater Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater (mogelijk) wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande gemengde rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken worden. Conclusie Er wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl en de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. De beoogde ontwikkeling heeft in het kader van een ETFAL geen belangrijke negatieve gevolgen op de waterhuishouding ter plaatse. Voorschriften zijn niet noodzakelijk voor de beoogde ontwikkeling.

56/106

5.4

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Als een BOPA betrekking heeft op een activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 5.51 lid 4 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In aandachtsgebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteiten die zorgen voor een toename van de verkeersintensiteit op wegen, vaarwegen of spoorwegen en milieubelastende activiteiten daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen.

Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Programma Geluid en Lucht 2025-2029 Met ingang van 1 november 2024 geldt voor de gemeente Ridderkerk het “Programma Geluid en Lucht”. Met dit programma wil Ridderkerk geluidsoverlast terugdringen en de lokale luchtkwaliteit verbeteren. Hiertoe is een aantal gebieden/knelpunten aangewezen waar sprake is van overschrijding van normen en waarvoor maatregelen worden voorgesteld. Toetsing De projectlocatie is onderdeel van het luchtkwaliteitsaandachtsgebied Rotterdam/Dordrecht. Dit is een aandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide (NO2) als fijnstof (PM10). Er dient te worden onderzocht of de ontwikkeling in niet betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Dit vindt plaats door de NIBM-tool. Er dient te worden bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit ter plaatse. In subparagraaf 5.10.1 Verkeer is bepaald dat met de beoogde ontwikkeling een afname is van het aantal motorvoertuigen per etmaal. De ontwikkeling draagt daarom in niet betekende mate bij aan de luchtkwaliteit ter plaatse en er wordt voldaan aan de instructieregel.

Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de concentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft De Mérodelaan.

57/106

Uit de CIMLK-tool blijkt dat in 2024 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2024: 18,5 µg/m³ voor NO2, 15,7 µg/m³ voor PM10 en 8,4 µg/m³ voor PM2,5. Hieruit blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de beoogde functies aan de projectlocatie toe te kennen. Conclusie De aangevraagde activiteit is in overeenstemming met instructieregels voor luchtkwaliteit. De ontwikkeling draagt namelijk niet in betekenende mate bij aan concentraties luchtverontreinigende stoffen. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar voor de beoogde functie. Er is hiermee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.5

Geluid door activiteiten/millieuzonering

5.5.1

Algemeen

Voor invoering van de Omgevingswet werd altijd aandacht besteed aan milieuzonering op basis van de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, 2009). Dit was een systematiek op basis van richtafstanden per gebiedstype en milieucategorie. Werd aan de richtafstanden voldaan, dan was de aanname dat ook aan de onderliggende richtwaarden voor een bepaald milieu-aspect werd voldaan (zonder nader onderzoek). Na de ruimtelijke afweging was voor een bedrijf/activiteit de milieuregelgeving van toepassing, meestal het Activiteitenbesluit. Met invoering van de Omgevingswet is het de bedoeling dat er meer naar effecten wordt gekeken. De voorheen toegepaste richtafstanden kunnen nog wel gebruikt worden als indicatie. In de meeste gevallen was/is het aspect geluid maatgevend voor de richtafstand, zodat hier in deze paragraaf nader op wordt ingegaan. Er is inmiddels een nieuwe Handreiking milieuzonering opgesteld door de VNG. Deze handreiking biedt handvatten hoe om te gaan met de instructieregels van het Bkl, maar de instructieregels van het Bkl zijn leidend. 5.5.2

Toetsingskader geluid Bkl

In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in onderstaande tabellen 5.5.1 en 5.5.2. Tabel 5.5.1 Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw LAr,LT als gevolg van activiteiten

07.00-19.00 uur

19.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

70 dB(A)

70 dB(A)

65 dB(A)

65 dB(A)

LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden

58/106

--

Tabel 5.5.2: Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten LAr,LT als gevolg van activiteiten

07.00-19.00 uur

19.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

35 dB(A)

30 dB(A)

25 dB(A)

55 dB(A)

55 dB(A)

45 dB(A)

45 dB(A)

LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen LAmax door andere piekgeluiden

--

De tabellen 5.5.1 en 5.5.2 zijn ontleend aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), maar zijn nog niet geïmplementeerd in het omgevingsplan van de gemeente Ridderkerk. In de berekening/beoordeling van geluid blijft onversterkt menselijk stemgeluid buiten beschouwing, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd. 5.5.3

Bruidsschat

Met het vervallen van het Activiteitenbesluit zijn de daarin opgenomen geluidregels opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan Ridderkerk (par. 22.3.4) en hieronder weergegeven in tabel 3. Tabel 5.5.3: Waarden voor geluid op een geluidgevoelige gebouw (Bruidsschat) 07.00-19.00 uur

19.00-23.00 uur

23.00-07.00 uur

LAr,LT als gevolg van activiteiten

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LAmax als gevolg van activiteiten

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

De maximale geluidniveaus LAmax volgens tabel 5.5.3 zijn niet van toepassing op:  het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur;  het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen;  het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan;  het aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als: a. voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en b. het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A). Verder blijven buiten beschouwing:  het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;  het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;  het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;

59/106

 

   

het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs; het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang; het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden; het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen; het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen; het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

5.5.4 Toetsing/beoordeling Binnen de grenzen van de projectlocatie zijn de gronden bestemd met de bestemming "Gemengd - 1". De huidige school past binnen deze bestemming en ook de nieuwe school past binnen de bestemming. De afwijking waarvoor de BOPA wordt opgesteld heeft dan ook betrekking op de bouwhoogte. Vanuit de oude systematiek van milieuzonering zou kunnen worden beargumenteerd dat ook een nieuwe school, met uitzondering van de afwijkende bouwhoogte, is toegestaan. Impliciet is daarmee ook het geluid dat hoort bij een basisschool (stemgeluid spelende kinderen) al toegestaan. Desondanks is vanwege de gewijzigde inrichting binnen de projectlocatie een Akoestisch onderzoek omgevingslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 4), teneinde na te gaan of er sprake is van een aanvaardbare geluidsituatie. In het akoestisch onderzoek zijn de volgende conclusies getrokken:  Met betrekking tot het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau kan er in de avonden nachtperiode voldaan worden aan de instructieregels uit het Bkl;  Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) kan worden gesteld dat in de dagperiode niet op alle geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de school voldaan wordt aan de gestelde standaardwaarde van 50 dB(A) uit de instructieregels van het Bkl. De berekende overschrijding is ten hoogste 12 dB.

 Met betrekking tot het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximale geluidsniveau (LAmax) kan worden gesteld dat er voldaan kan worden aan de geluidseisen uit het omgevingsplan gemeente Ridderkerk. De situatie na realisatie wordt daarmee vergunbaar geacht.  Met betrekking tot indirecte hinder van het verkeer van en naar de school kan worden gesteld dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.

60/106

Bovenstaande conclusies hangen samen met het feit dat het stemgeluid in algemene zin (Bkl) en het stemgeluid van spelende kinderen bij basisscholen en kinderopvanglocaties niet wordt meegenomen. Er wordt ook voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl als de maatgevende geluidbron stemgeluid niet wordt meegenomen. De gemeente kan dit in de toekomst opnemen in het omgevingsplan (vervanging Bruidsschat-regels). ETFAL Hoewel de berekende waarden hogere zijn dan de standaardwaarde van het Bkl, kan de situatie toch als aanvaardbaar worden geacht om de volgende redenen: 1)

2)

3) 4) 5)

6)

In de huidige situatie staat er een eenlaagse school met ruimte voor 12 onderwijsgroepen. In de nieuwbouw wordt dit uitgebreid naar 13 groepen en worden 2 groepen kinderdagopvang voor kinderen van 2,5 tot 4 jaar toegevoegd. Doordat de nieuwbouw uit twee lagen bestaat, komt er – naast het plein aan de zijde van de Da Costalaan – nu ook een plein aan de kant van de Marsmanstraat. Hierdoor ontstaat een betere spreiding van het aantal spelende kinderen en een evenwichtigere verdeling van de totale geluidemissie in de wijk, wat ten opzichte van de huidige situatie resulteert in een verbeterde ruimtelijke inpassing. Een basisschool (met BSO en kinderopvang) hoort in een woonomgeving. Het is van belang dat een basisschool in de nabijheid is van woningen, zodat kinderen makkelijk lopend of op de fiets naar school kunnen; Naast de school is een wijkcentrum aanwezig, er is in die zin sprake van een gemengde omgeving met meerdere activiteiten; Het geluid van de school is alleen overdag aanwezig. In de avond- en nachtperiode is sprake van geluidluwe perioden; Het akoestisch onderzoek is gebaseerd op worst-case uitgangspunten, in die zin dat er een grote spreiding zit in het bronvermogen van spelende kinderen. Het bronvermogen in combinatie met de tijdsduur is een inschatting.

De berekende gemiddelde geluidniveaus kunnen tot 5 dB lager zijn dan berekend; De enige mogelijkheid om maatregelen te treffen, is het plaatsen van afscherming. Dit is echter vanwege stedenbouwkundige reden niet gewenst en zorgt ook voor sociale onveiligheid buiten de schoolperioden;

Conclusie Met de beoogde ontwikkeling wordt voldaan aan de instructieregels (omdat stemgeluid wordt uitgezonderd) en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). Met nadruk geldt dat de etfal-motivering uiteindelijk een integrale afweging is, waarbij alle aspecten van de fysieke leefomgeving worden meegewogen (mengpaneel). Bij een basisschool/kinderopvang is daarbij ook de afweging dat een school binnen een woonwijk hoort van belang.

5.6

Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen

Toetsingskader In een BOPA wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 3.21 Bkl) wijzen geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten aan. Hieronder vallen alle gebouwen voor woongebruik, zoals woningen en verzorgingshuizen. 61/106

Toetsing Met de beoogde ontwikkeling wordt een geluidgevoelig gebouw mogelijk gemaakt, namelijk een IKC. De beoogde ontwikkeling ligt binnen de geluidaandachtsgebieden van meerdere gemeentewegen en ligt ook binnen de geluidsaandachtsgebieden van de A15 en A16. Om aan te kunnen tonen dat voldaan wordt aan de instructieregels is een Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie Bijlage 5). Voor de gemeentewegen geldt dat het geluid op de gevels van het nieuwe IKC de standaardwaarde van 53 dB in de dagperiode nergens overschrijdt. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het geluid op het nieuwe IKC ten gevolge van deze geluidbronsoort aanvaardbaar is. Voor de rijkswegen geldt dat het geluid op de gevels van het nieuwe IKC de standaardwaarde van 50 dB in de dagperiode met maximaal 1 dB overschrijdt ter plaatse van de zuidoostelijke gevel op de eerste verdieping. De plandrempel van 61 dB wordt nergens overschreden. Voor de overschrijding van de door de rijkswegen zijn het treffen van overdrachts- en bronmaatregelen vanuit stedenbouwkundige, landschappelijke en financiële aard niet mogelijk. Aangezien voor onderhavige IKC de standaardwaarde wordt overschreden dient het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel te worden betrokken. Conform het omgevingsplan is een gevel geluidluw wanneer het geluid per bronsoort niet hoger is dan de standaardwaarde.

Volgens de aanvullende beleidsregels dient elke verblijfsruimte ten minste één geluidluwe gevel te hebben en moet er ten minste één geluidluwe buitenruimte zijn. Indien daar niet aan voldaan kan worden geldt dat voor een meerzijdig georiënteerd gebouw hiervan afgeweken kan worden met ten minste één geluidgevoelige gevel per geluidgevoelig gebouw. Uit de rekenresultaten blijkt alle gevels geluidluw zijn met uitzondering van de zuidoostelijke gevel (toetspunt t01 t/m t03). Daardoor geldt voor de verblijfsruimten aan de zuidoostelijke gevel op de 1e verdieping dat deze niet zondermeer de beschikking hebben over een geluidluwe gevel. Het meerzijdig georiënteerde gebouw beschikt echter wel over meerdere geluidluwe gevels. Tevens beschikt het IKC gebouw over ten minste één geluidluwe buitenruimte. Derhalve wordt voldaan aan de aanvullende beleidsregels van de gemeente Ridderkerk. Het nieuwe IKC bedraagt het gezamenlijk geluid maximaal 54 dB in de dagperiode. Middels een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels dient te worden aangetoond dat aan de voornoemde nieuwbouweis kan worden voldaan. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een aanvaardbaar geluidbinnenniveau gewaarborgd.

Conclusie Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen wordt met de beoogde ontwikkeling voldaan aan de instructieregels en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

62/106

5.7

Bodem

Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:  Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 Aanvullingsbesluit Bodem);  Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal);  Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 Aanvullingsbesluit Bodem); Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is opgenomen dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een verdenking van verontreiniging van grondwater is uit te sluiten. Toetsing Om aan te tonen dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de geldende instructieregels en dat de bodem en het grondwater van voldoende kwaliteit zijn, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5725 en NEN 5740 (zie Bijlage 6). Uit dit onderzoek blijkt dat de gemeten waarden onder de vastgestelde interventiewaarden en signaleringsparameters liggen. Er is dan ook geen aanleiding voor nader bodemonderzoek. Daarnaast zijn de loodconcentraties in de grond getoetst aan de gezondheidskundige advieswaarden van de GGD voor de functie ‘Plaatsen waar kinderen spelen’. Op basis van deze toetsing zijn de loodgehaltes beoordeeld als passend binnen de categorie ‘Voldoende bodemkwaliteit’. Conclusie Er wordt voldaan aan de instructieregels, op basis van de GGD gezondheidsnormen is sprake van voldoende bodemkwaliteit en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

63/106

5.8

Archeologie, cultuurhistorie & erfgoed

Toetsingskader Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen en landschappen. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Toetsing Ter plaatse van de projectlocatie zijn mogelijke archeologische waarden beschermd door middel van een archeologische dubbelbestemming uit bestemmingsplan Woongebied Ridderkerk, welke onderdeel is van het omgevingsplan van gemeente Ridderkerk. Het is verboden om ter plaatse van deze dubbelbestemming werken c.q.

werkzaamheden (bijvoorbeeld grondbewerkingen en het indrijven van voorwerpen in de bodem) uit te voeren welke dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 m² beslaan. Met de beoogde ontwikkeling is sprake van een overschrijding van deze grenswaarden. Er is daarom een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Sweco (Archeologisch onderzoek plangebied De Wingerd te Ridderkerk, gemeente Ridderkerk - versie C1). In dit onderzoek is geconcludeerd dat bijna de volledig veraarde top van het Hollandveen in de Romeinse tijd bewoond kon zijn geweest. Vervolgens is het veen bedekt geraakt onder venige komklei dat in natte omstandigheden is afgezet en ongeschikt was voor menselijk gebruik. Daarom blijft alleen de redelijke hoge archeologische verwachting voor de Romeinse tijd in de top van het Hollandveen gelden. Deze laag ligt op ongeveer 165 à 260 cm -mv (2,6 à 3,5 m onder NAP). De overige archeologische verwachtingen die zijn weergegeven in het vooronderzoek, kunnen worden bijgesteld naar laag. Sweco concludeert dat, gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting binnen de projectlocatie, vervolgonderzoek noodzakelijk is. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek.

Het archeologische onderzoek is beoordeeld door het bevoegd gezag, in dit geval Archeologie Rotterdam (zie Bijlage 8). Archeologie Rotterdam adviseert om de in het rapport geformuleerde aanbevelingen, namelijk om in de projectlocatie proefsleuvenonderzoek uit te voeren, (nog) niet over te nemen. De noodzaak tot vervolgonderzoek is afhankelijk van de diepte van de aan te leggen sloot en van het grid van het palenplan van de nieuwbouw. Afhankelijk daarvan kan een karterend booronderzoek nodig zijn. Graag ziet Archeologie Rotterdam de detailplannen van de ontwikkeling te zijner tijd, zodat deze beoordeeld kunnen worden.

64/106

Op basis van de bovenstaande opmerkingen zijn nog enkele wijzigingen in de rapportage doorgevoerd. De definitieve rapportage (Archeologisch onderzoek plangebied De Wingerd te Ridderkerk, gemeente Ridderkerk - versie D1) is bijgevoegd als Bijlage 7. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is de projectlocatie nog niet vrijgegeven door Archeologie Rotterdam. Er is daarom een voorschrift bij de vergunning noodzakelijk dat de grondroerende activiteiten pas plaats mogen vinden, nadat Archeologie Rotterdam de detailplannen positief beoordeeld heeft. Conclusie Door middel van een voorschrift bij de omgevingsvergunning van de BOPA wordt voldaan aan de instructieregels en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.9

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Toetsingskader In een omgevingsplan of BOPA dient rekening gehouden worden met de risico's van klimaatverandering (paragraaf 7.3.6a van de provinciale Omgevingsverordening). Toetsing Overstroming Op basis van de klimaateffectatlas van de geldt er kleine overstromingskans van 1x per 1000 jaar met een overstromingshoogte van 50 tot 200 cm. Daarnaast is er een zeer kleine overstromingskans van 1x per 10.000 jaar met een overstromingshoogte van meer dan >200 cm. Voor de beoogde ontwikkeling hoeft daarom geen verdere rekening gehouden te worden met mogelijke overstromingen.

Figuur 5.9.1 Uitsnede klimaateffectatlas, overstromingsrisico's

65/106

Hitte Ter plaatse van de projectlocatie blijkt dat er wisselend sprake is van hittestress. Zo zijn er delen van de projectlocatie aangemerkt als 'koeler' door de aanwezigheid van bomen. Andere delen zijn aangemerkt als 'warmer' en 'aanzienlijk warmer', doordat er sprake is van een open, verhard schoolplein. Er kan dus geconcludeerd worden dat verbetering mogelijk is, maar dat er ook koelere plekken aanwezig zijn op het schoolplein.

Figuur 5.9.2 Uitsnede klimaateffectatlas BAR-organisatie, hittestress

66/106

Droogte en bodemdaling Ter plaatse van de projectlocatie blijkt er beperkt sprake te zijn van bodemdaling ten opzichte van 2050, namelijk 5 cm. Wanneer het onderliggende veenpakket droger wordt door bijvoorbeeld drainage of lekke rioolleidingen, zakt het uit en daalt de bodem sneller. Daarmee is verdroging een aanjager van bodemdaling. Met de beoogde ontwikkeling is geen sprake van drainage en verder maatregelen hoeven niet getroffen te worden om verdere bodemdaling tegen te gaan.

Figuur 5.9.2 Uitsnede klimaateffectatlas BAR-organisatie, droogte Wateroverlast In paragraaf 5.3 Water is eventuele wateroverlast getoetst. Duurzaamheid Bij de verdere uitwerking van het ontwerp wordt ingezet op aardgasvrij, energiezuinig en circulair bouwen. De inrichting van het terrein wordt klimaatadaptief en natuurinclusief vormgegeven, met ruimte voor waterberging, vergroening en biodiversiteit. Hiermee sluit de ontwikkeling aan op de Klimaatvisie Ridderkerk 2050 en de ambitie van de gemeente om een groene en toekomstbestendige leefomgeving te realiseren. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling wordt voldaan aan de instructieregels en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.10 Mobiliteit en parkeren Toetsingskader Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Bkl stellen geen regels op dit gebied. De omgevingsvisies van provincie Zuid-Holland (zie paragraaf 4.2) en gemeente Ridderkerk (zie subparagraaf 4.3.1 en 4.3.1) gaan wel op deze aspecten in. Naast het provinciaal en het gemeentelijk beleid zijn de CROW-richtlijnen belangrijk bij de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren.

67/106

5.10.1 Verkeer De verkeerstoename als gevolg van de beoogde ontwikkeling is bepaald op basis van de kencijfers uit CROW-publicatie 744 en CROW-publicatie 381. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt op basis van CBS-data voor de gemeente Ridderkerk een stedelijkheidsgraad van 'sterk stedelijk' aangehouden. De ligging van de projectlocatie is gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'. Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit in Ridderkerk conform het CBS per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden. Huidige situatie Basisschool Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van een basisschool zijn vanuit het CROW geen kencijfers beschikbaar. Voorheen werd dit berekend met behulp van de 'Rekentool Verkeersgeneratie & Parkeren' van het CROW, maar deze tool is niet meer beschikbaar. De verkeersgeneratie ten behoeve van het halen en brengen van de kinderen is in plaats daarvan bepaald aan de hand van de uitgangspunten zoals voorgeschreven in de "Toetsing parkeerbehoefte basisschool (zie Bijlage 9), welke een uitwerking is van de genoemde rekentool van het CROW.

Daarnaast worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:  De huidige situatie beschikt over 12 groepen;  Voor leraren wordt uitgegaan dat 75% met de auto komt;  elke groep heeft gemiddeld 30 leerlingen;  37,5% van de leerlingen zit in groep 1-3, 62,5% van de leerlingen in groep 4-8;  Voor groep 1-3 geldt dat circa 45% van het aantal kinderen wordt met de auto gebracht en gehaald. voor groep 4-8 wordt uitgegaan van 25%; en  De Wingerd werkt met een continurooster. De leerlingen worden 's ochtends gebracht en 's middags gehaald (per motorvoertuig vier ritten per dag); en  Voor het aantal kinderen per auto wordt een reductiefactor van 0,75 toegepast voor de onderbouw en 0,85 voor de bovenbouw. Op basis van de bovenstaande uitgangspunten is in tabel 5.10.1 de verkeersgeneratie van de basisschool berekend. Tabel 5.10.1 Berekening verkeersgeneratie leerlingen Groep 1-3 Aantal leerlingen

Groep 4-8 135

225

Aantal leerlingen met de auto

60,75

56,25

Reductiefactor meerdere leerlingen per auto

15,19

9,57

Verkeersgeneratie basisschool

45,56

46,68

In totaal is door het halen en brengen van leerlingen een verkeersgeneratie van (45,56 + 46,68 =) 92,3 mvt/etmaal. Daarnaast zijn er ook verkeersbewegingen door leraren. Op basis van het aantal groepen is het aantal leraren bepaald, namelijk 12. Op basis van dit aantal is het aantal verkeersbewegingen 9 mvt/etmaal. In totaal heeft de basisschool een verkeersgeneratie van (92,3 + 9 =) 101,3 mvt/etmaal in de huidige situatie

68/106

Kinderdagverblijf en wijkcentrum In tabel 5.10.2 is de verkeersgeneratie van het kinderdagverblijf en het wijkcentrum inzichtelijk gemaakt. Voor kinderopvang zijn kengetallen beschikbaar in CROW-publicatie 744. Voor een wijkcentrum zijn echter geen specifieke kengetallen beschikbaar. Het wijkcentrum wordt in de huidige situatie slechts gedeeltelijk benut. Voor de berekening van de verkeersgeneratie is daarom aangenomen dat het wijkcentrum voor de helft in gebruik is, wat neerkomt op 562 m² (1.124 / 2). Daarnaast zijn in het wijkcentrum functies aanwezig zoals een sociale werkplaats en een yogastudio, die planologisch zijn toegestaan. Deze functies sluiten het best aan bij de categorie ‘dansstudio’ uit CROW-publicatie 744. De functie ‘wijkcentrum’ uit CROW 381 is hier minder passend, aangezien deze betrekking heeft op een commercieel wijkcentrum en niet op een maatschappelijk wijkcentrum. Tabel 5.10.2 Verkeersgeneratie kinderopvang en wijkcentrum Functie

Kengetal

Aantal

Verkeersgeneratie

Kinderdagverblijf/kinderopv ang

31,2 (per 100 m² bvo)

279 m² bvo

87,05

Wijkcentrum

5,6 (per 100 m² bvo)

562 m² bvo

31,48

Totaal

118,6 mvt/etmaal

In tabel 5.10.2 is de toekomstige verkeersgeneratie inzichtelijk gemaakt, zonder de verkeersgeneratie van de basisschool. In de beoogde situatie is er een afname van het aantal leslokalen en is er een afname van de verkeersgeneratie, ten opzichte van de huidige situatie. Totale verkeersgeneratie huidige situatie In tabel 5.10.3 is de totale verkeersgeneratie in de huidige situatie inzichtelijk gemaakt. In de huidige situatie is er op een gemiddelde weekdag sprake van 220 mvt/etmaal. Tabel 5.10.3 Verkeersgeneratie huidige situatie Functie

Verkeersgeneratie

Basisschool

101,3

Kinderopvang

87,05

Wijkcentrum

31,48

Totaal

219,9 mvt/etmaal

Toekomstige situatie Met de beoogde ontwikkeling van IKC de Wingerd is er sprake van een uitbreiding van de school, namelijk met 1 groep. Daarnaast is er sprake van wijzigingen in het aantal vierkante bvo van de kinderopvang en het wijkcentrum. Basisschool De toekomstige verkeersgeneratie van de basisschool is berekend, conform de uitgangspunten welke toegepast zijn ten behoeve van de berekening van de huidige situatie.

69/106

Tabel 5.10.4 Berekening verkeersgeneratie leerlingen Groep 1-3

Groep 4-8

Aantal leerlingen

146,25

243,75

Aantal leerlingen met de auto

65,82

60,94

Reductiefactor meerdere leerlingen per auto

16,46

12,19

Verkeersgeneratie basisschool

49,36

48,75

In totaal is door het halen en brengen van leerlingen een verkeersgeneratie van (49,36 + 48,75 =) 98,2 mvt/etmaal. Daarnaast zijn er ook verkeersbewegingen door leraren. Op basis van het aantal groepen is het aantal leraren bepaald, namelijk 13. Op basis van dit aantal is het aantal verkeersbewegingen 9,8 mvt/etmaal. In totaal heeft de basisschool een verkeersgeneratie van (98,2 + 9,8 =) 108 mvt/etmaal in de huidige situatie Kinderdagverblijf en wijkcentrum Tabel 5.10.4 Verkeersgeneratie toekomstige situatie Functie

Kengetal

Aantal

Verkeersgeneratie

Kinderopvang/kinderopvang

31,2(per 100 m² bvo)

386 m² bvo

120,43

Wijkcentrum/dansstudio

5,6 (per 100 m² bvo)

343 m² bvo

19,21

Totaal

139,638 mvt/etmaal

In tabel 5.10.5 is de totale toekomstige verkeersgeneratie weergeven. Tabel 5.10.5 Verkeersgeneratie toekomstige situatie Functie

Verkeersgeneratie

Basisschool

108

Kinderopvang

120,43

Wijkcentrum

19,21

Totaal

248 mvt/etmaal

Balans In de toekomstige situatie is een afname van het aantal motorvoertuigen per etmaal. Er is namelijk een toename van (220 - 248 =) 28 mvt/etmaal. Er kan dus geconcludeerd worden dat de toekomstige situatie nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van de huidige situatie. Er is geen sprake van significante effecten op de verkeersintensiteit. 5.10.2 Parkeren Autoparkeren Huidige situatie Op basis van Nota Parkeernormen 2024 van gemeente Ridderkerk is bepaald wat de normatieve parkeervraag is op basis van het programma. In tabel 5.10.6 is de normatieve parkeerbehoefte berekend. Ten behoeve van het wijkcentrum is conform subparagraaf 5.10.1 uitgegaan van de kengetallen en aanwezigheidspercentrages van "dansstudio". 70/106

Tabel 5.10.6 Normatieve parkeerbehoefte huidige situatie Functie

Kengetal

Aantal

Parkeerbehoefte

Basisschool (exclusief Kiss & Ride)

0,8 per leslokaal (0% bezoekers)

12 leslokalen

9,6

Kinderdagverblijf (exclusief Kiss & Ride)

1,2 per 100 m² bvo (0% bezoekers)

279 m²

3,35

Wijkcentrum

4,5 per 100 m² bvo (76% bezoekers)

1.124 m²

50,58

Totaal

63,53

In tabel 5.10.7 en 5.10.8 is vervolgens aan de hand van aanwezigheidspercentages bepaald wat het maatgevende moment is. Hiervoor wordt voor de basisschool aangesloten bij "Dagonderwijs" uit bijlage 3 van de Nota. In bijlage 3 is geen kinderopvang opgenomen. Volgens de Nota dient aangesloten met een functie welke hier het meest mee overeenkomt. Voor kinderdagopvang is daarom aangesloten bij 'Kantoor/bedrijven', aangezien de kinderen na de werkdag van hun ouders opgehaald worden. Ook de functie wijkcentrum/dansstudio is niet opgenomen in de lijst in bijlage 3. Hier dient ook aangesloten te worden bij een functie welke hier het meest mee overeenkomt. De functie welke hier het meeste mee overeenkomt is "Sportfuncties binnen". Tabel 5.10.7 Aanwezigheidspercentages huidige functies Functie

Werkdagoc Werkdagmi Werkdagav Koopavond Werkdagna Zaterdagmi Zaterdagav Zondagmid htend ddag ond cht ddag ond dag

Basisschool

100%

100%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

Kinderdagop vang

100%

100%

5%*

5%*

0%

0%

0%

0%

Wijkcentru m

50%

50%

100%

100%

0%

100%

100%

75%

*Er is aangesloten bij bedrijven/kantoren. Gekeken naar de daadwerkelijke functie zal dit percentage eerder 0% zijn Tabel 5.10.8 Duiding maatgevende moment huidige situatie Functie

Werkdagoc Werkdagmi Werkdagav Koopavond Werkdagna Zaterdagmi Zaterdagav Zondagmid htend ddag ond cht ddag ond dag

Basisschool

9,6

9,6

0

0

0

0

0

0

Kinderdagop vang

3,35

3,35

0,17

0,17

0

0

0

0

Wijkcentru m

25,29

25,29

50,58

50,58

0

50,58

50,58

37,94

Totaal

38,24

38,24

50,75

50,75

0

50,58

50,58

37,94

In de huidige situatie is het maatgevende moment de werkdag- en koopavond met een parkeerbehoefte van 51 parkeerplaatsen.

71/106

Toekomstige situatie Met de beoogde ontwikkeling van IKC de Wingerd is sprake van een uitbreiding van de school. Deze gaat namelijk van 12 leslokalen naar 13 leslokalen. Daarnaast is er sprake van wijzigingen in het aantal vierkante bvo van de kinderopvang en het wijkcentrum. In tabel 5.10.9 is de normatieve parkeerbehoefte berekend. Tabel 5.10.9 Normatieve parkeerbehoefte toekomstige situatie Functie

Kengetal

Aantal

Parkeerbehoefte

Basisschool (exclusief Kiss & Ride)

0,8 per leslokaal (0% bezoekers)

13 leslokalen

10,4

Kinderopvang (exclusief Kiss & Ride)

1,2 per 100 m² bvo (0% bezoekers)

386 m²

4,64

Wijkcentrum

4,5 per 100 m² bvo (76% bezoekers)

343 m²

15,44

Totaal

30,48

In tabel 5.10.10 is het maatgevende moment bepaald, conform tabel 5.10.7. Tabel 5.10.10 Duiding maatgevende moment toekomstige situatie Functie

Werkdagoc Werkdagmi Werkdagav Koopavond Werkdagna Zaterdagmi Zaterdagav Zondagmid htend ddag ond cht ddag ond dag

Basisschool

10,4

10,4

0

0

0

0

0

0

Kinderdagop vang

4,64

4,64

0,24

0,24

0

0

0

0

Wijkcentru m

7,72

7,72

15,44

15,44

0

15,44

15,44

11,58

Totaal

22,76

22,76

15,68

15,68

0

15,44

15,44

11,58

Het maatgevende moment is in de toekomstige situatie de werkdagochtend en -middag. Op dit moment is een parkeerbehoefte van 23 parkeerplaatsen. Ten opzichte van de huidige situatie is er een afname van 16 parkeerplaatsen op het maatgevende moment. Daarnaast is ook op alle andere momenten van de dag een afname van parkeerbehoefte. Fietsparkeren Naast de parkeerbehoefte van het gemotoriseerde verkeer dient conform het gemeentelijke parkeerbeleid ook te worden voorzien in de realisatie van voldoende stallingsplaatsen voor het opvangen van de fietsparkeerbehoefte. Op basis van de gemeentelijke fietsparkeernormen is in tabel 5.10.11 het benodigde aantal stallingsplaatsen voor de beoogde ontwikkeling bepaald. De Nota parkeernormen voorziet in kengetallen voor een basisschool. De leerlingen aantallen zijn conform de uitgangspunten in subparagraaf 5.10.1. De nota voorziet echter niet in kengetallen voor een kinderopvang of een wijkcentrum. Voor de kinderopvang wordt daarom aangesloten bij CROW Fietsparkeerkencijfers 2025 bij de functie kinderdagverblijf (crèche). Voor wijkcentrum wordt aangesloten bij CROW Fietsparkeerkencijfers 2025 bij de functie dansstudio. 72/106

Functie

Kengetal

Aantal

Fietsparkeerbehoefte

Basisschool

3,5 per 10 leerlingen

390 leerlingen

136,5

Kinderopvang

0,75 per 100 m² bvo

386 m²

2,99

3,0 per 100 m² bvo (76% bezoekers)

343 m²

10,29

Dansstudio Totaal

149,8

In totaal heeft de beoogde ontwikkeling een fietsparkeerbehoefte van 150 stallingsplaatsen. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van voldoende stallingsplaatsen voor het opvangen van de fietsparkeerbehoefte. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling blijft de verkeersgeneratie nagenoeg gelijk en is er een afname van de autoparkeerbehoefte. Er kan dus geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan het gemeentelijke parkeerbeleid en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1239/documents/42788