CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

IKC De Wingerd, BOPA-onderbouwing.pdf

Commissie Samen wonen RK 12 februari 2026, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 5: Onderbouwing BOPA IKC de Wingerd22.628 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

IKC DE WINGERD, BOPA-ONDERBOUWING Ridderkerk 25 november 2025

1/2

2/2

DATUM

25 november 2025

PROJECT PROJECTLEIDER

IKC De Wingerd M.M.W. Backx

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Gemeente Ridderkerk 20241554

AUTEUR STATUS

M. de Jong Definitief

© RHO ADVISEURS BV

Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave Onderbouwing Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging projectlocatie

7

1.3

Te doorlopen procedure

8

1.4

Leeswijzer

9

Beschrijving van het project en zijn omgeving

11

2.1

Huidige situatie

11

2.2

Toekomstige situatie

15

2.3

Juridische activiteiten

18

2.4

Milieueffectrapportage

19

Hoofdstuk 3

Participatie

21

3.1

Omgevingstafel

21

3.2

Participatie omgeving

21

3.3

Bestuurlijk vooroverleg

21

Hoofdstuk 4

Toetsing aan beleid

23

4.1

Rijksbeleid

23

4.2

Provinciaal beleid

24

4.3

Gemeentelijk beleid

25

Aspecten fysieke leefomgeving

35

5.1

Inleiding

35

5.2

Omgevingsveiligheid

43

5.3

Water

46

5.4

Luchtkwaliteit

57

5.5

Geluid door activiteiten/millieuzonering

58

5.6

Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen

61

5.7

Bodem

63

5.8

Archeologie, cultuurhistorie & erfgoed

64

5.9

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

65

5.10

Mobiliteit en parkeren

67

5.11

Ecologie: gebiedsbescherming

73

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 5

3/106

5.12

Ecologie: soortenbescherming

75

5.13

Gezondheid

76

Economische uitvoerbaarheid

77

6.1

Financiële uitvoerbaarheid

77

6.2

Kostenverhaal

77

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

79

7.1

Samengevat

79

7.2

Conclusie

79

Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 7

Bijlagen Bijlage 1

Verslag Omgevingstafel IKC De Wingerd

Bijlage 2

Participatieverslag inloopavond

Bijlage 3

Bomen effect analyse

Bijlage 4

Akoestisch onderzoek omgevingslawaai

Bijlage 5

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Bijlage 6

Verkennend bodemonderzoek

Bijlage 7

Archeologisch onderzoek

Bijlage 8

Beoordeling archeologisch onderzoek Archeologie Rotterdam

Bijlage 9

Toetsing parkeerbehoefte basisschool

Bijlage 10

Stikstofonderzoek

Bijlage 11

Ecologische quickscan

Bijlage 12

Ecologisch vervolgonderzoek

4/106

ONDERBOUWING

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het huidige gebouw van Christelijke Basisschool (CBS) De Wingerd dateert uit de jaren ’70 en is verouderd. Aan de overzijde van de Merodelaan bevindt zich een maatschappelijk wijkcentrum, eveneens uit de jaren ’70, dat eveneens toe is aan vervanging. Om de ontwikkelmogelijkheden in dit gebied inzichtelijk te maken, is in 2018 de gebiedsvisie Plein Oost opgesteld. In deze visie is opgenomen dat bij de nieuwbouw van De Wingerd ook het naastgelegen wijkcentrum wordt geïntegreerd in het nieuwe gebouw. Daarnaast is voorzien in ruimte voor een kinderdagverblijf binnen hetzelfde pand, waardoor een integraal kindcentrum (IKC) ontstaat. De voorliggende onderbouwing ziet uitsluitend toe op de ontwikkeling van IKC De Wingerd, welke bestaat uit de huisvesting van de basisschool, het wijkcentrum en de BSO. Ten opzichte van de huidige situatie worden op de projectlocatie twee functies toegevoegd: het wijkcentrum, twee groepen voor de peuterspeelzaal/kinderdagopvang 3-4) en de buitenschoolse opvang. Om deze functies binnen de projectgrenzen mogelijk te maken, wordt een gebouw met twee bouwlagen gerealiseerd. De beoogde nieuwbouw overschrijdt daarmee de maximaal toegestane bouwhoogte zoals vastgelegd in het geldende omgevingsplan.

Om deze ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, wordt afgeweken van het omgevingsplan met toepassing van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Voorliggend document voorziet in de onderbouwing van de BOPA.

1.2

Ligging projectlocatie

De projectlocatie ligt in bestaand stedelijk gebied van gemeente Ridderkerk. De locatie ligt in het zuiden van Ridderkerk in buurt Oost. In figuur 1.2.1 is de ligging van de projectlocatie in Ridderkerk weergeven.

Figuur 1.2.1 Ligging projectlocatie in Ridderkerk

7/106

De projectlocatie bestaat uit perceel 5.969, sectie H, Kadastrale gemeente Ridderkerk. Noordelijk is de projectlocatie begrensd door de Da Costalaan, oostelijk door een watergang en kinderdagverblijf Baloe, zuidelijk door de Marsmanstraat en oostelijk door De Merodelaan.

Figuur 1.2.2 Begrenzing projectlocatie

1.3

Te doorlopen procedure

Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) is een omgevingsplanactiviteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningsvrij is. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor een BOPA verlenen als de omgevingsplanactiviteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) en er overeenstemming is met de instructieregels van het Rijk en de provincie. Bij de gemeente is het college van burgemeester en wethouders (B&W) het bevoegd gezag bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een BOPA. Reguliere procedure Onder de Omgevingswet is de reguliere procedure uitgangspunt en de uitgebreide procedure een uitzondering. De uitgebreide voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in Afdeling 3.4 van de Awb, is geregeld in paragraaf 16.5.3 Ow. Deze wordt gevolgd in de volgende gevallen:  als het gaat om een activiteit die aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben voor de fysieke leefomgeving, waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben. Artikel 16.65, lid 5 Ow bepaalt dat het bestuursorgaan in dat geval de aanvrager in de gelegenheid stelt om, voorafgaand aan het nemen van het besluit, zijn of haar zienswijze hierover naar voren te brengen;  wanneer de aanvrager heeft verzocht om of ingestemd heeft met het toepassen van de uitgebreide procedure (artikel 16.65, lid 1, onder a, Omgevingswet).

8/106

Het bevoegd gezag heeft een behoorlijke mate van beoordelingsruimte bij het van toepassing verklaren van de uitgebreide voorbereidingsprocedure, welke hierbij wel moet motiveren wat de verwachte gevolgen van een activiteit zijn en waarom deze aanzienlijk geacht worden. Voor de beoogde ontwikkeling wordt enkel afgeweken van de maximale bouwhoogte. De functies in het IKC zijn daarnaast al in de omgeving aanwezig en worden niet (significant) uitgebreid. De reguliere procedure is daarom van toepassing. Bindend advies gemeenteraad De gemeenteraad van Ridderkerk heeft gevallen aangewezen waarin een bindend advies nodig is voordat een omgevingsvergunning voor een BOPA verleend wordt (artikel 16.15a en artikel 16.15b, Omgevingswet). Voor niet-aangewezen gevallen heeft de gemeenteraad geen adviesrecht. Indien er sprake is van bindend adviesrecht van de gemeenteraad wijzigt de beslistermijn voor het college niet, maar moet natuurlijk in de voorbereiding daarvan wel rekening gehouden worden met de behandeltermijnen in commissie en raad. Voor bouwprojecten, niet zijnde woningbouwprojecten, die groter zijn dan 2.000 m² BVO heeft de gemeenteraad van Ridderkerk adviesrecht. De beoogde ontwikkeling betreft een bouwproject van 2.510 m². Er is dus sprake van bindend adviesrecht van de gemeenteraad.

1.4

Leeswijzer

In Hoofdstuk 2 is ingegaan op de huidige en toekomstige situatie van de projectlocatie, welke activiteiten strijdig zijn en is ingegaan op milieueffectrapportage. Hoofdstuk 3 beschrijft hoe participatie heeft plaatsgevonden. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 4 het project getoetst aan het relevante beleidskader. In Hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de relevante thema's van de fysieke leefomgeving. Hierbij wordt het project beoordeeld op basis van de relevante beoordelingsregels en de relevante aspecten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In Hoofdstuk 6 is de economische uitvoerbaarheid van het project beoordeeld. Tot slot is in Hoofdstuk 7 ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ook wel afgekort als ETFAL).

9/106

10/106

Hoofdstuk 2

Beschrijving van het project en zijn omgeving

2.1

Huidige situatie

2.1.1

Feitelijke situatie

Binnen de projectgrenzen is CBS De Wingerd gevestigd. Het huidige schoolgebouw is gesitueerd aan de westzijde van de projectlocatie en bestaat uit één bouwlaag. De hoofdingang van de school bevindt zich aan de noordzijde, aan de Da Costalaan. Aan de oostzijde van de projectlocatie bevindt zich een schoolplein, dat zich uitstrekt van de Da Costalaan tot aan de Masmanstraat.

Figuur 2.1.1 Luchtfoto bestaande situatie

11/106

Figuur 2.1.2 Luchtfoto vogelperspectief bestaande situatie

Figuur 2.1.3 De Wingerd, bezien vanuit zuidwestelijke hoek

Figuur 2.1.4 De Wingerd, bezien vanuit noordoostelijke hoek

12/106

Omgeving projectlocatie De omgeving van de projectlocatie is te typeren als een woonwijk. Aan de noord-, oost- en zuidzijde van de locatie bevinden zich grondgebonden rijwoningen, bestaande uit twee bouwlagen met een kap. Aan de westzijde van de projectlocatie ligt een maatschappelijk wijkcentrum, met daarachter diverse buurtvoorzieningen, waaronder een supermarkt, cafetaria, pizzeria, afhaalrestaurant en een kapper. Deze voorzieningen voorzien in de dagelijkse behoeften van de wijk en dragen bij aan de levendigheid van de directe omgeving.

Figuur 2.1.5 Omgeving projectlocatie 2.1.2 Relevante regels omgevingsplan Ter plaatse van de projectlocatie geldt, vanwege de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024, het zogenoemde tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit zijn een aantal voormalige besluiten, plannen en regelgeving die door de gemeenten in een gebiedsdekkend omgevingsplan moeten worden verwerkt en vastgesteld. Het 'tijdelijk deel van het omgevingsplan' bestaat uit:

13/106

Vastgestelde bestemmingsplan:  Woongebied Ridderkerk (vastgesteld 21-10-2024) Lokale verordeningen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren de gemeentelijke geurverordening, verordening afvoer regenen grondwater, de erfgoedverordening (v.w.b. archeologische monumentenzorg) en bodemkwaliteitskaarten, mits de gemeente een dergelijke verordening heeft vastgesteld. In dit geval is van toepassing:  Bodemkwaliteitskaart landbodem gemeente Ridderkerk Actualisatie 2023 (geldend vanaf 20-01-2024)  Archeologieverordening Ridderkerk 2013 (vastgesteld 12-09-2013) Bruidsschat In de Bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De regels die hierin zijn opgenomen werden voorheen geregeld op Rijksniveau. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden deze regels gesteld op gemeentelijk niveau. In de Bruidsschat zijn o.a. voorrangsbepalingen opgenomen, het overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen en regels over milieubelastende activiteiten. Het projectvoornemen is niet in strijd met de regels uit de Bruidsschat. Bestemmingsplan Voor deze locatie gelden binnen het omgevingsplan onder andere de regels van het bestemmingsplan Woongebied Ridderkerk (vastgesteld 21-10-2024). Figuur 2.1.6 geeft een uitsnede van dit bestemmingsplan weer.

Figuur 2.1.6 Uitsnede bestemmingsplan 'Woongebied Ridderkerk' Binnen de grenzen van de projectlocatie zijn de gronden bestemd met de bestemming 'Gemengd - 1'. Daarnaast zijn de gronden bestemd met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Verder is er bouwvlak, een maximaal bebouwingspercentage en een maximum goothoogte opgenomen.

14/106

2.2

Toekomstige situatie

2.2.1

Ontwikkeling

Met de beoogde ontwikkeling wordt een Integraal Kindcentrum (IKC) gerealiseerd, waarin basisschool De Wingerd, het wijkcentrum en de kinderopvang worden samengebracht. Het gebouw wordt centraal in de projectlocatie gesitueerd. De hoofdingang van het IKC komt aan de Da Costalaan te liggen, waarmee het gebouw goed aansluit op de bestaande infrastructuur, aangezien ook de huidige hoofdingang aan deze weg is gesitueerd. Aan de oostzijde van het gebouw wordt het onderbouwplein gesitueerd en aan de zuidzijde is ruimte gereserveerd voor het midden- en bovenbouwplein.

Figuur 2.2.1 Impressie situatietekening beoogde ontwikkeling Het nieuw te realiseren gebouw biedt plaats aan een basisschool met onder andere 13 klaslokalen. Daarnaast wordt in het pand een kinderdagverblijf gerealiseerd met een bruto vloeroppervlak van 386 m². Het wijkcentrum, dat momenteel aan de andere zijde van de Mérodelaan is gelegen, wordt eveneens verplaatst naar het IKC. Daarbij neemt de oppervlakte af tot 343 m² bvo.

15/106

Figuur 2.2.2 Indeling begane grond Het gebouw bestaat uit twee bouwlagen met in totaal een bouwhoogte van 8 meter. Centraal op het dak bevinden zich de technische installaties. Dit is aangegeven in met een groene kleur in figuur 2.2.4. Om deze installaties bevindt zich een opstaande rand. De hoogte van deze rand is 10,5 meter. In figuur 2.2.3 zijn impressies van de gevels weergeven.

Figuur 2.2.3 Impressies beoogde ontwikkeling

16/106

Figuur 2.2.4 Impressie dak beoogde ontwikkeling Toegankelijkheid openbare ruimte Binnen de projectgrenzen is feitelijk gezien geen sprake van openbare ruimte. Wel is een deel het schoolplein buiten schooltijden te betreden. In de uitwerking van het ontwerp wordt daarom rekening gehouden met de toegankelijkheid hiervan. Voor de invulling van het openbare plein wordt een apart participatietraject doorlopen. Daarnaast is de toegankelijkheid van het gebouw zelf van groot belang. Zo zullen er bijvoorbeeld mensen van het wijkcentrum gebruik maken die minder goed ter been zijn. In de uitwerking van het ontwerp is hier rekening mee gehouden. 2.2.2 Inpassing project in de omgeving De omgeving rondom de projectlocatie bestaat voornamelijk uit grondgebonden woningen van twee lagen met een kap. Het IKC bestaat uit twee lagen en is hiermee lager dan de omliggende bebouwing. Op de noordoostelijke hoek van het dak worden technische installaties geïnstalleerd. Deze worden aan het zicht onttrokken door middel van een opstaande rand van 2,6 meter. Hiermee komt de dakopbouw op 10,5 meter hoogte en is daarmee gelijkwaardig met de bouwhoogte van de rest van de omgeving. Zie voor de omgeving subparagraaf 2.1.1.

17/106

2.3

Juridische activiteiten

2.3.1

Inleiding

Een project bestaat uit één of meerdere juridische activiteiten. De juridische activiteiten zijn onder te verdelen in drie categorieën: I. activiteiten die niet in strijd zijn met het omgevingsplan, omgevingsplanactiviteiten waarvoor geen BOPA nodig is; II. activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan, omgevingsplanactiviteiten waarvoor de aanvraag voor de BOPA wordt ingediend; III. activiteiten die niet in het omgevingsplan worden geregeld en geen omgevingsplanactiviteit zijn. Deze onderbouwing heeft betrekking op de juridische activiteiten in categorie II, de omgevingsplanactiviteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, en activiteiten uit categorie III voor zover deze niet-omgevingsplanactiviteiten relevant zijn in het kader van de toetsing aan het criterium niet evident onuitvoerbaar. Deze onderbouwing richt zich op buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Dit zijn de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig is omdat deze activiteiten in strijd zijn met het omgevingsplan. Deze onderbouwing voorziet niet in een onderbouwing en/of een volledig overzicht van eventuele andere toestemmingen zoals meldingsplichten, informatieplichten of vergunningsplichten, bijvoorbeeld flora- en fauna-activiteiten.

In sommige gevallen wordt in het kader van de ETFAL wel onderzocht of voor de uitvoerbaarheid van het project andere toestemmingen noodzakelijk zijn zoals een mogelijke vergunningplicht voor activiteiten die geen omgevingsplanactiviteiten zijn. 2.3.2

Welke omgevingsplanactiviteiten zijn in strijd met het omgevingsplan?

De activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan en die door middel van een omgevingsvergunning voor de BOPA zijn aangevraagd, worden onderzocht en onderbouwd in deze onderbouwing. In dit geval gaat het om de volgende omgevingsplanactiviteiten: Overschrijding maximale goothoogte Met de beoogde ontwikkeling wordt een gebouw gerealiseerd met een maximale goothoogte van 8 meter. Op basis van artikel 8.2.1 sub c, in combinatie met de maatvoeringsaanduiding 'maximum goothoogte: 6 m' is de beoogde ontwikkeling dus strijdig.

18/106

2.4

Milieueffectrapportage

Toetsingskader In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een bopa project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob). Toetsing De ontwikkeling waarvoor een omgevingsvergunning op grond van een BOPA (buitenplanse omgevingsplanactiviteit) wordt aangevraagd, betreft de herontwikkeling van een bestaande basisschool. In de toekomstige situatie keert de basisschool terug op de locatie, waarbij tevens een wijkcentrum en een kinderdagverblijf (hierna: KDV) wordt toegevoegd. Dit wijkcentrum wordt verplaatst van de overzijde van de straat naar de projectlocatie. In de oksel van de projectlocatie bevindt zich kinderopvang Baloe. De activiteiten die met deze ontwikkeling gepaard gaan, zijn reeds aanwezig op en in de directe omgeving van de locatie.

De ontwikkeling sluit daarmee aan bij het bestaande karakter van het gebied en is dus gebiedseigen. De basisschool wordt zeer beperkt uitgebreid, het KDV wordt verplaatst vanaf de overzijde van de Merodelaan en het wijkcentrum neemt qua oppervlakte af ten opzichte van de huidige situatie. De beoogde ontwikkeling valt niet onder een van de activiteiten uit kolom 3 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er is dan ook geen sprake van een mer-beoordelingsplicht.

19/106

20/106

Hoofdstuk 3 3.1

Participatie

Omgevingstafel

Op 2 juni 2025 heeft een Omgevingstafel plaatsgevonden ten behoeve van de ontwikkeling van IKC De Wingerd. Ter voorbereiding op deze bijeenkomst is door verschillende gemeentelijke disciplines advies uitgebracht. Deze gaven allen akkoord voor verdere uitwerking of gaven akkoord onder voorwaarden voor verdere uitwerking. De verslaglegging, inclusief de uitgebrachte adviezen, is bijgevoegd als Bijlage 1.

3.2

Participatie omgeving

De gemeenteraad van Ridderkerk heeft bij besluit van 24 november 2022 activiteiten aangewezen waarbij participatie van overleg met derde verplicht is voordat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een BOPA kan worden ingediend (artikel 16.55 lid 7 Ow). In besluit 'Lijst van gevallen toepassing adviesrecht Omgevingswet' wordt in artikel 2 participatie verplicht gesteld wanneer een bouwproject groter dan 2.000 m² betreft. Aangezien de beoogde ontwikkeling een gebouw van 2.510 m² betreft is participatie verplicht. Op 10 september heeft een inloopavond plaatsgevonden, aansluitend op de afronding van het voorlopig ontwerp (VO). Direct omwonenden zijn voor deze bijeenkomst persoonlijk uitgenodigd middels een brief. Daarnaast is een extra digitale nieuwsbrief verstuurd aan geïnteresseerden die zich eerder hebben aangemeld voor informatie over de Gebiedsvisie Plein Oost en omgeving. Tevens is in de lokale krant De Blauwkai een artikel verschenen waarin werd aangekondigd dat alle belangstellenden welkom waren om de plannen te komen bekijken en vragen te stellen. Het verslag van de inloopavond is als bijlage X toegevoegd.

3.3

Bestuurlijk vooroverleg

Drinkwaterbedrijf Oasen: Door Oasen is aangegeven dat noordelijk van de projectlocatie een drinkwatertransportleiding (315PVC) ligt. Oasen geeft aan dat er regels gelden voor het werken nabij de infrastructuur van Oasen. Deze regels staan beschreven in brochure Beheerrichtlijnen en aanbevelingen voor werken nabij (ondergrondse) infrastructuur van drinkwaterbedrijf Oasen. Bij de uitvoering van de werken nabij de infrastructuur van Oasen worden de regels aangehouden. Provincie Zuid-Holland Vanuit de beoordeling van de Provincie zijn geen strijdigheden met het provinciale beleid geconstateerd. De provincie geeft aan dat wel aan de provinciale omgevingsverordening getoetst is, maar dat het benoemen van de omgevingsverordening ontbreekt in het beleidshoofdstuk. Naar aanleiding van deze reactie is de omgevingsverordening als separaat beleidsstuk opgenomen in subparagraaf 4.2.2.

21/106

Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond Door de veiligheidsregio is aangegeven dat er geen relevante fysieke veiligheidsaspecten geconstateerd zijn. Wel adviseert de VRR om zorg te dragen voor bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen. In paragraaf 5.10 Mobiliteit en parkeren is ingegaan op de bereikbaarheid en dat deze met de beoogde ontwikkeling goed blijft. Daarnaast wordt in het ontwerp zo veel mogelijk rekening gehouden met bluswatervoorzieningen. Ook attendeert de VRR op het aspect waterveiligheid dat in de analyse naar voren kwam dat mogelijk wateroverlast ontstaat bij extreme neerslag. Met de beoogde ontwikkeling vindt er een afname plaats van het aantal vierkante meter aan verharding. Daarnaast wordt een wadi gerealiseerd. Zie ook paragraaf 5.3 Water. Naar aanleiding van de reactie van de Veiligheidsregio zijn er geen wijzigingen doorgevoerd aan de BOPA-onderbouwing. Waterschap Hollandse Delta: Het waterschap constateert dat de toename van de verharding ruim onder de eis van maximaal 500 m² ligt. Daarnaast constateert het waterschap dat de werkzaamheden plaatsvinden buiten de beschermingszones van wegen, watergangen of waterkeringen. Het waterschap heeft daarom geen bezwaar tegen de uitvoering van de BOPA.

22/106

Hoofdstuk 4 4.1

Toetsing aan beleid

Rijksbeleid

Nationale omgevingsvisie (NOVI) Nederland staat voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het betreffen opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen en door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn de opgaven als volgt ingedeeld:  ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;  verduurzamen van de economie en behouden van groeipotentieel;  sterker en leefbaarder maken van steden en regio’s;  toekomstbestendig ontwikkelen van landelijk gebied. Verstedelijkingsstrategieën Voor zeven regio’s met de hoogste verstedelijkingsdruk hebben Rijk en regio samen verstedelijkingsstrategieën opgesteld. Hierin wordt niet alleen naar woningbouw gekeken, maar ook naar mobiliteit, economie en natuur, energie en water. Het grootste deel van de woningbouwopgave tot 2040 wordt gerealiseerd in deze 7 regio’s (600.000 woningen tot 2030, 900.000 woningen tot 2040). In de regio’s liggen ook de 14 grootschalige woningbouwlocaties.

Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de opgave om steden en regio’s sterker en leefbaarder te maken. In de huidige situatie bestaat De Wingerd uit vaste lokalen in het hoofdgebouw, aangevuld met een semipermanente uitbreiding. In de toekomstige situatie worden alle onderwijsfuncties samengebracht in een nieuw, permanent gebouw. Daarnaast wordt in dit gebouw een wijkcentrum, een BSO en een KDV geïntegreerd. Hierdoor kan het huidige wijkcentrum aan de overzijde van De Merodelaan worden gesloopt. Op die vrijkomende locatie ontstaat ruimte voor toekomstige gebiedsontwikkeling, waaronder woningbouw. Deze ontwikkeling bevordert een efficiënter ruimtegebruik, versterkt de sociale infrastructuur en draagt bij aan de vitaliteit en leefbaarheid van de wijk.

23/106

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgevingen bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en Omgevingsprogramma het toetsingskader van de provincie. In de Omgevingsvisie zijn 7 vernieuwingsambities opgenomen: 1. samen werken aan Zuid-Holland; 2. bereikbaar Zuid-Holland; 3. schone energie voor iedereen; 4. een concurrerend Zuid-Holland; 5. versterken natuur in Zuid-Holland; 6. sterke steden en dorpen in Zuid-Holland; 7. gezond en veilig Zuid-Holland. Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de vernieuwingsambities 6 en 7 uit de Omgevingsvisie. Het huidige schoolgebouw van De Wingerd is inmiddels te klein geworden voor het aantal leerlingen(groepen), waardoor uitbreiding noodzakelijk is om aan de onderwijsvraag te blijven voldoen. De ontwikkeling voorziet in deze uitbreiding, waarmee de voorzieningenstructuur in Ridderkerk wordt versterkt en het dorp toekomstbestendig wordt gemaakt (ambitie 6). Daarnaast zal het nieuwe gebouw voldoen aan de actuele eisen voor onderwijshuisvesting, inclusief hoge duurzaamheids- en comfortnormen. Hierdoor verbetert het binnenklimaat aanzienlijk, wat een gezondere en prettigere leer- en werkomgeving oplevert.

Daarmee wordt tevens invulling gegeven aan vernieuwingsambitie 7. 4.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

In deze omgevingsverordening vertaalt de provincie de Omgevingsvisie door naar regels in de omgevingsverordening die gaan over de fysieke leefomgeving. Een deel van deze regels zijn instructieregels. Deze instructieregels zijn onderdeel van het beoordelingskader en zijn behandeld in hoofdstuk 5.

24/106

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie Ridderkerk (2025) De Omgevingsvisie Ridderkerk 2025 schetst hoe de gemeente zich tot 2050 wil ontwikkelen. De visie is geactualiseerd om in te spelen op nieuwe maatschappelijke trends, beleidsontwikkelingen en lokale opgaven. De centrale ambitie is dat Ridderkerk een prettige plek blijft om te wonen, werken en recreëren, met behoud en versterking van de leefomgeving. Deze ambitie rust op drie kernwaarden: sterke wijken die goed verbonden zijn, een groenblauwe oase die natuur en water verbindt, en een kloppend hart dat staat voor een duurzame en vitale economie. De visie hanteert vijf leidende principes: 1. Ontwikkelingen gaan uit van water- en bodemsturend werken Water en bodem zijn de basis voor gebiedsontwikkelingen. Bij ontwikkelingen kijkt de initiatiefnemer naar de natuurlijke eigenschappen en mogelijkheden van water en bodem. Door hier vanaf het begin rekening mee te houden, wordt duidelijk wat waar mogelijk is. Zo kunnen ontwikkelingen op een duurzame manier gepland en uitgevoerd worden, en worden negatieve effecten en risico's verminderd. Water- en bodemsturend werken zorgt voor een robuuste en klimaatbestendige leefomgeving 2. Ontwikkelingen hebben oog voor een prettige fysieke leefomgeving Bij ontwikkelingen staat de kwaliteit van leven centraal.

Dit betekent dat ontwikkelingen een passende bijdrage leveren aan een gezonde, veilige en leefbare omgeving waar mensen graag wonen, werken en recreëren. 3. Ontwikkelingen dragen bij aan brede welvaart Bij ontwikkelingen is er in Ridderkerk aandacht voor brede welvaart. Brede welvaart gaat naast economische groei, ook om het welzijn van mensen op de lange termijn. Een afwenteling in tijd en ruimte wordt zoveel mogelijk vermeden: brede welvaart gaat om de kwaliteit van het leven nu, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. 4. Ontwikkelingen dragen bij aan de uitvoering van transities Bij ontwikkelingen is er aandacht voor een passende bijdrage aan een toekomstbestendig Ridderkerk. Zo halen we de landelijke en Europese doelen. Dit betekent dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan bijvoorbeeld de energietransitie, een klimaat neutrale en klimaatbestendige omgeving, een water robuuste leefomgeving, het bevorderen van een circulaire economie en/of het behoud en herstel van biodiversiteit. 5. Ontwikkelingen zijn afgestemd op een inclusieve en toegankelijke mobiliteit De inrichting van de mobiliteit is in Ridderkerk cruciaal voor de haalbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen. Bereikbaarheid, toegankelijkheid, doorstroming en verkeersveiligheid voor voetgangers, fiets, bus en auto moeten een plek krijgen bij nieuwe ontwikkelingen.

Dit zorgt ervoor dat iedereen toegang heeft tot de voorzieningen en mogelijkheden in Ridderkerk.

25/106

Toetsing 1. Ontwikkelingen gaan uit van water- en bodemsturend werken In paragraaf 5.7 Bodem is het aspect bodem beschouwd. In paragraaf 5.3 Water is het aspect water beoordeeld. In beide paragrafen is geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat wordt voldaan aan de geldende instructieregels. Met de beoogde ontwikkeling wordt een robuuste en klimaatbestendige leefomgeving gerealiseerd. 2. Ontwikkelingen hebben oog voor een prettige fysieke leefomgeving Met de beoogde ontwikkeling vindt een inbreiding plaats op de locatie van De Wingerd. In Hoofdstuk 5 zijn verschillende aspecten onderzocht om de effecten van deze inbreiding op onder andere de fysieke leefomgeving in kaart te brengen. Op basis van deze toetsing is geconcludeerd dat ook na realisatie van de beoogde ontwikkeling sprake blijft van een prettige en aanvaardbare fysieke leefomgeving. 3. Ontwikkelingen dragen bij aan brede welvaart De huidige bebouwing binnen de projectgrenzen is verouderd en toe aan vervanging. Daarnaast sluit het bestaande gebouw niet meer aan bij de functionele en ruimtelijke behoeften van de basisschool. Met de beoogde ontwikkeling wordt een nieuw, toekomstbestendig gebouw gerealiseerd dat onderdak biedt aan zowel basisschool De Wingerd, een BSO, een KDV en een wijkcentrum.

Door deze samenvoeging komt de bebouwing aan de overzijde van de Merodelaan vrij, waardoor op die locatie mogelijkheden ontstaan voor herontwikkeling, waardoor er ook andere gebiedsontwikkelingen in de omgeving plaats kunnen vinden. 4. Ontwikkelingen dragen bij aan de uitvoering van transities De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van gebouwen, welke voldoen aan de laatste kwaliteitsvereisten. Hierdoor is de bebouwing aanzienlijk beter geïsoleerd, wat resulteert in een lager energieverbruik. Daarnaast zal er ook sprake zijn van een aanzienlijk verbeterd binnenklimaat door de verbeterde luchtbehandelingsinstallaties. Verder is binnen de ontwikkeling nadrukkelijk aandacht voor een klimaatbestendige inrichting van de omgeving, onder meer door de realisatie van waterbergingsvoorzieningen (zie paragraaf 5.3 Water). 5. Ontwikkelingen zijn afgestemd op een inclusieve en toegankelijke mobiliteit In paragraaf 5.10 Mobiliteit en parkeren is de projectlocatie getoetst op de toegankelijkheid en de verkeersveiligheid. Er is hier geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten op doorstroming en verkeersveiligheid op omringende wegen. Conclusie Er wordt invulling gegeven aan Omgevingsvisie Ridderkerk (2025).

26/106

4.3.2

Visie Plein Oost

De gemeente Ridderkerk heeft een gebiedsvisie opgesteld voor Plein Oost en de directe omgeving, met als doel de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid van wijk Oost te verbeteren. Deze visie is gebaseerd op eerdere beleidsdocumenten zoals het Integraal Accommodatie Plan, de Omgevingsvisie Ridderkerk en de Toekomstvisie Detailhandel. De projectlocatie ligt tussen de Da Costalaan, Vondellaan, De Genestetstraat, Marsmanstraat en de Vliet, en omvat onder andere Plein Oost, het park en diverse maatschappelijke voorzieningen. Uit de analyse blijkt dat het gebied sinds de jaren 70 is ontwikkeld als woonwijk, maar dat de bebouwing inmiddels verouderd is en er sprake is van leegstand. Tegelijkertijd biedt het gebied kansen voor verbetering, zoals het versterken van de verblijfskwaliteit, het vergroten van de sociale veiligheid, het verbinden van groen- en waterstructuren, en het herpositioneren van bebouwing voor een betere ruimtelijke samenhang. Het concept voor de gebiedsontwikkeling richt zich op het behouden van bestaande verkeersstructuren en waardevolle bomen, het aanleggen van groene randen met recreatieve routes, en het revitaliseren van Plein Oost als verbindend element tussen woonbuurten en groenstructuren. De projectlocatie is in de visie aangewezen als fase 1.

Op deze locatie wordt in de visie gesproken over een MFC (multifunctioneel centrum), met daarin basisschool De Wingerd, kinderdagverblijf Baloe, de buitenschoolse opvang en het wijkcentrum. De nieuwbouw zal maximaal 2 bouwlagen zijn. Het speelplein van de basisschool zal aan de zuidkant worden gesitueerd. Aan de oostzijde wordt voldoende afstand tot de Vliet gehouden en aan de Da Costalaan komt een brede groenzone met een vrijliggend voetpad waarin de bestaande bomen (zoveel mogelijk) kunnen worden gehandhaafd. Toetsing Conform de vastgestelde stedenbouwkundige visie wordt met de beoogde ontwikkeling een gebouw van twee bouwlagen gerealiseerd. Eén van de schoolpleinen wordt gesitueerd aan de zuidzijde van het gebouw. De bestaande bomen op de locatie worden, waar mogelijk, behouden, zodat de bestaande groenstructuur zoveel mogelijk in stand blijft.

Figuur 4.3.1 Uitsnede visiekaart Visie Plein Oost projectlocatie, fase 1

27/106

Kinderdagopvang Baloe en het perceel waarop deze is gevestigd, maken geen onderdeel uit van de projectlocatie. De opvang wordt om financiële redenen niet meegenomen in de integrale herontwikkeling. Daarnaast is het huidige gebouw van de opvang nog in goede staat en voldoet het aan de geldende gebruikseisen. Deze situatie leidt tot een afwijking ten opzichte van de impressie op de visiekaart. Het ontwerp wijkt af van het eerder geschetste integrale plan, waarin de kinderdagopvang wél was meegenomen. Als gevolg hiervan vervallen de vrijliggende voetpaden zoals weergegeven in de visiekaart en is de hoofdentree van het nieuwe gebouw aan de noordzijde gepositioneerd, in plaats van aan de westzijde zoals oorspronkelijk beoogd. In fase 4 wordt daarnaast een watergang aangelegd. De beoogde ontwikkeling ziet hier niet op toe, maar sorteert hier wel op voor, doordat de bebouwing aan de noordzijde binnen de projectgrenzen wordt gerealiseerd.

Figuur 4.3.2 Uitsnede visiekaart Visie Plein Oost projectlocatie, fase 4 Conclusie Met de beoogde ontwikkeling wordt, ondanks het ontbreken van Kinderdagopvang Baloe, zoveel mogelijk invulling gegeven aan de uitgangspunten van de stedenbouwkundige visie. De integratie van functies in één gebouw, de positionering op de locatie en de inrichting van de buitenruimte sluiten in grote lijnen aan bij de oorspronkelijke ambitie voor het gebied.

28/106

4.3.3

Groenvisie Ridderkerk

De gemeentelijke ambitie is om de groenste gemeente van het eiland IJsselmonde te worden. Ridderkerk heeft een aantal natuurlijke parels, zoals onder andere de dijklinten, de Waal, de Noord, de Crezeepolder en de Donckse Velden. Dit groen bevindt zich voornamelijk aan de randen van de wijken en er is te weinig groen in de wijken zelf. Hier wil de gemeente graag verandering in brengen. Bij nieuwbouwprojecten stelt de Groenvisie ook dat er rekening moet worden gehouden met klimaatadaptatie en behoud van natuur. Er moet maatwerk worden geleverd om klimaatadaptief of natuurinclusief te bouwen. Dit betekent dat een ontwikkeling geen schade brengt aan de natuur en mogelijk zelfs voor verbetering zorgt. Groen wordt ook als gelijkwaardig component meegenomen in de afweging van belangen. Hierbij wordt er belang gehecht aan het in gesprek blijven met ontwikkelaars. Toetsing Klimaatadaptatie en natuurinclusief bouwen In de huidige situatie is het schoolplein volledig verhard, wat de infiltratie van hemelwater beperkt. In de toekomstige situatie wordt een deel van het plein uitgevoerd in halfverharding, wat de natuurlijke infiltratie van regenwater in de bodem bevordert en bijdraagt aan een meer klimaatadaptieve inrichting. Binnen de projectgrenzen, aan de zuidzijde, wordt bovendien een wadi aangelegd.

Deze voorziening biedt tijdelijke berging van hemelwater bij hevige neerslag en draagt bij aan de ontlasting van het rioolstelsel. Ten behoeve van de biodiversiteit worden nestkasten voor mussen en vleermuizen geïntegreerd in de bakstenen gevels van het nieuw te bouwen schoolgebouw. Hiermee wordt invulling gegeven aan natuurinclusief bouwen. Bomen Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door idVerde Bomendienst een Boom Effect Analyse uitgevoerd, om de invloed van de beoogde ontwikkeling op de bestaande bomen te kunnen bepalen. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3. In de BEA is geconcludeerd dat met de beoogde ontwikkeling 19 van de 24 bomen behouden kunnen blijven, wanneer aanvullende maatregelen getroffen worden. Eén van deze 20 bomen zal losstaand van de beoogde ontwikkeling vervangen moeten worden, omdat deze in slecht staat verkeerd. De 5 bomen welke verwijderd die niet behouden kunnen blijven zijn in figuur 4.3.3 aangegeven met een rode kleur.

29/106

Figuur 4.3.3 Uitsnede 'Bomen effect analyse' Conclusie Met de beoogde ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de Groenvisie van gemeente Ridderkerk. 4.3.4 Groen is onze toekomst De gemeente Ridderkerk heeft de ambitie uitgesproken om de groenste gemeente van IJsselmonde te worden. In de visie "Groen is onze toekomst" wordt groen niet alleen gezien als decoratie, maar als een essentieel onderdeel van een gezonde, leefbare en toekomstbestendige leefomgeving. Groen draagt bij aan biodiversiteit, klimaatadaptatie, gezondheid, recreatie en zelfs economische waarde. Deze visie is bedoeld als een levend document dat meegroeit met nieuwe inzichten en ontwikkelingen. Ridderkerk kent een unieke structuur, ontstaan uit tien historische dijkdorpen. Deze opbouw zorgt voor een karakteristiek landschap, maar brengt ook uitdagingen met zich mee. Door verstedelijking en woningbouw staat het groen onder druk. Veel grote groengebieden liggen buiten de bebouwde kom en zijn slecht verbonden met het groen in de wijken. Ook bedrijventerreinen en winkelcentra dragen weinig bij aan de ecologische waarde van de gemeente.

30/106

Om deze uitdagingen aan te pakken, heeft de gemeente zes ambities geformuleerd: 1. Identiteit & Natuurbeleving: Groen als recreatie- en productielandschap. 2. Biodiversiteit: Meer variatie in soorten en leefgebieden, toepassing van de 10-20-30 regel. 3. Gezondheid: Groen stimuleert gezond gedrag en biedt verkoeling. 4. Klimaatbestendigheid: Inrichting gericht op waterberging, verkoeling en robuustheid. 5. Energietransitie: Ondergronds warmtenet biedt ruimte voor bovengrondse vergroening. 6. Economische Waarde: Groen verhoogt vastgoedwaarde en vestigingsklimaat. Toetsing De beoogde ontwikkeling geeft concreet invulling aan de ambities 2, 3 en 4. Ten behoeve van het versterken van de biodiversiteit worden nestkasten voor mussen en vleermuizen geïntegreerd in de gevels van het nieuw te realiseren schoolgebouw (ambitie 2). Het schoolplein wordt zodanig ingericht dat het uitnodigt tot bewegen, wat een positieve bijdrage levert aan de gezondheid van de gebruikers. Daarnaast worden waar mogelijk bestaande bomen behouden, wat eveneens gunstig is voor het fysieke en mentale welzijn (ambitie 3). Tot slot draagt de herinrichting van het schoolplein bij aan de klimaatbestendigheid van de locatie (ambitie 4). Het aandeel verhard oppervlak wordt verminderd ten gunste van halfverharding, waardoor infiltratie van regenwater wordt bevorderd.

Daarnaast wordt een wadi gerealiseerd voor de tijdelijke opvang van hemelwater bij piekbuien. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling wordt invulling gegeven aan 'Groen is onze toekomst'. 4.3.5

Klimaatvisie Ridderkerk

In de Klimaatvisie Ridderkerk staat de route die de gemeente voor ogen heeft en waarmee zij met partners en inwoners op weg gaat naar een duurzaam 2050; een samenleving die bijna CO2 neutraal is, klimaatbestendig en circulair. De Klimaatvisie gaat over 8 thema’s: 1. energiebesparing, bijvoorbeeld door isolatie van huizen en panden; 2. opwekken van duurzame energie door zon en wind (opwekking); 3. opslag van duurzame energie in bijvoorbeeld batterijen; 4. warmtetransitie: aardgasvrij wonen; 5. mobiliteit: duurzame vormen van vervoeren en reizen; 6. circulaire samenleving: (dreigend) tekort aan grondstoffen tegengaan door producten, materialen en grondstoffen zo lang mogelijk te gebruiken; 7. klimaatadaptatie: effecten van klimaatverandering, zoals meer hitte en droogte en hoe we daarmee omgaan; 8. milieu: bodem, ondergrond, luchtkwaliteit, geluid en externe veiligheid. Uitgangspunten bij deze thema's zijn haalbaarheid en betaalbaarheid. Dit betekent dat de weg stap voor stap maar wel gestaag wordt bewandeld.

31/106

Toetsing De beoogde herontwikkeling van de projectlocatie sluit aan bij de Klimaatvisie van de gemeente Ridderkerk. In lijn met deze visie worden de nieuwe gebouwen niet aangesloten op het aardgasnet en is energiebesparing een integraal onderdeel van de plannen. Daarnaast is in paragraaf 5.3 Water inzichtelijk gemaakt welke watercompensatie noodzakelijk is, op basis van het Convenant klimaatadaptief bouwen. In paragraaf 5.9 Duurzaamheid en klimaatadaptatie is bovendien uitgebreider ingegaan op de maatregelen die worden getroffen in het kader van klimaatadaptatie, waaronder vergroening, waterberging en hittebestendigheid. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de Klimaatvisie van Ridderkerk. 4.3.6 Visie Externe Veiligheid In de Visie Externe Veiligheid van de gemeente Ridderkerk (vastgesteld november 2011) zet de gemeente in op een duurzame en zo veilig mogelijke ontwikkeling van Ridderkerk. In de visie wordt voornamelijk gefocust op de uitwerking van de kaders voor het groepsrisico. Met het groepsrisico kan de gemeente aangeven welke risico's zij aanvaardbaar vindt. Het gemeentebestuur heeft namelijk een wettelijke verantwoordingsplicht bij toename van het groepsrisico door een toename van personendichtheid of externe veiligheidsbronnen. Gemeente Ridderkerk hanteert de volgende ambities ten aanzien van externe veiligheid: 1.

Ridderkerk is en blijft zo veilig mogelijk voor risico’s van gevaarlijke stoffen. Deze ambitie wordt als volgt bereikt: a. Waar mogelijk het advies van de VRR opvolgen bij ruimtelijke ontwikkelingen. b. Als dit niet mogelijk is dan wordt de MAL Groepsrisico toegepast (zie kader, pag. 18) 2. Nieuwe risicobronnen worden in principe geweerd uit de gemeente, uitgezonderd op bedrijventerreinen mits aan concrete voorwaarden wordt voldaan. 3. Streven naar uitplaatsing van de risicobronnen uit de woonomgeving (tankstations). 4. De gemeente brengt de beheersbaarheid op orde (inzet hulpdiensten, bereikbaarheid e.d.). 5. Aanpassen route gevaarlijke stoffen als ruimtelijke ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. 6. Voor risicocommunicatie wordt aangesloten bij de landelijke overheidscampagnes Toetsing en conclusie De toetsing aan betreffend beleidsstuk vindt plaats in paragraaf 5.2 Omgevingsveiligheid. Er is hier geconcludeerd dat voldaan wordt aan het gemeentelijk beleid.

32/106

4.3.7

Nota Gezondheidsbeleid Ridderkerk 2021-2025

De belangrijkste doelstellingen van de wettelijke taken die de gemeente heeft op het gebied van volksgezondheid zijn: het bieden van een evenwichtig productenaanbod gericht op lokale problematiek en het verbeteren van de volksgezondheid van de bevolking. Drie speerpunten: 1. verkleinen gezondheidsachterstanden: a. kansengelijkheid in het leven en basisvaardigheden vergroten; b. gezondheidsachterstanden op latere leeftijd voorkomen door in te zetten op vroege signalering en interventies voor kind en gezin; c. bouwen aan een krachtige, inclusieve samenwerking; d. er wordt onder meer ingezet op interventies als gezonde (school)omgeving, een preventief gezondheids- en leefstijlprogramma voor senioren en een aanpak schuldhulpverlening; 2. vitaal en gezond: a. bevordering mentale gezondheid; b. naar vermogen meedoen in samenleving; c. meer eigenkracht en samenkracht; d. inzet op preventieve interventies (bewustzijn alcoholgebruik, bewustzijnsvermogen, gezonde keuzes en doen vermogen); e. er wordt onder meer ingezet op interventies als stimulering van ontmoeting en welzijnsactiviteiten, alcoholen drugspreventie, aandacht voor gamen, sociale media en schermgebruik, bewustwording gehoorschade en seksuele gezondheid; 3. gezondheid in de fysieke en sociale leefomgeving: a. gezondheid als vast onderdeel binnen ruimtelijk beleid; b.

fysieke en sociale beleidsdomein werken meer samen om een gezonde leefomgeving te creëren; c. er wordt onder meer ingezet op interventies als inclusieve mobiliteit en maatschappelijk vastgoed, hitteplan (schaduw, watertappunten), aandacht voor veiligheid en gezondheid in de openbare ruimte). Toetsing en conclusie Het projectvoornemen heeft directe betrekking op speerpunt 3. In paragraaf 5.13 Gezondheid is beschreven hoe invulling wordt gegeven aan gezondheid in de fysieke leefomgeving. Daarnaast heeft de beoogde ontwikkeling indirecte betrekking op speerpunt 1. Met de beoogde ontwikkeling wordt namelijk een wijkcentrum gerealiseerd, welke bij kan dragen aan een krachtige, inclusieve samenleving.

33/106

34/106

Hoofdstuk 5 5.1

Aspecten fysieke leefomgeving

Inleiding

Voor het beoordelen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de BOPA gelden verschillende beoordelingsregels. In dit hoofdstuk worden (onder andere) de instructieregels van het Rijk en de provincie behandeld. De instructieregels van het Rijk staan in het Bkl. De instructieregels van de provincie staan in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. In onderstaande tabellen zijn alle instructieregels geanalyseerd en is aangegeven welke artikelen voor de ontwikkeling relevant zijn. In de paragrafen 5.2 tot en met 5.13 zijn de relevante instructieregels en de daarbijhorende omgevingsaspecten en andere thema's uitgewerkt. Tabel 5.1.1 Instructieregels Bkl Afdelingen en paragrafen (de ontwikkeling is op artikelniveau getoetst)

Relevant voor de ontwikkeling Ja of Nee

Afdeling 5.1 Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties § 5.1.2. Waarborgen van de veiligheid

Ja, zie paragraaf 5.2 Omgevingsveiligheid.

§ 5.1.3. Beschermen van de waterbelangen

Ja, zie paragraaf 5.3 Water.

§ 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht

Ja, zie paragraaf 5.4 Luchtkwaliteit.

§ 5.1.4.2. Geluid door activiteiten

Ja, zie paragraaf 5.5 Geluid door activiteiten/millieuzonering.

§ 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Ja, zie paragraaf 5.6 Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen.

§ 5.1.4.4. Trillingen

Nee. Scholen zijn aangewezen als trillinggevoelige gebouwen, maar er zijn geen trillingveroorzakende activiteiten in de nabijheid van de projectlocatie.

§ 5.1.4.4a. Slagschaduw van windturbines

Nee. In de nabijheid van de projectlocatie zijn geen windturbines aanwezig.

§ 5.1.4.5. Bodemkwaliteit

Ja, zie paragraaf 5.7 Bodem.

§ 5.1.4.6. Geur

Nee. Scholen zijn aangewezen als geurgevoelige gebouwen, maar er zijn geen geurproducerende activiteiten in de nabijheid van de projectlocatie aanwezig.

§ 5.1.5. Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

Ja, zie paragraaf 5.8 Archeologie, cultuurhistorie & erfgoed.

35/106

§ 5.1.5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking

Nee. Met de beoogde ontwikkeling wordt het huidige pand van De Wingerd gesloopt en wordt op het huidige perceel een nieuw pand opgericht in de vorm van een IKC. Het IKC biedt plaats aan De Wingerd, een kinderdagverblijf en een buurtcentrum. De Wingerd heeft in de huidige situatie een bvo van 1.530 m² en in de toekomstige situatie 1.781 m². Het kinderdagverblijf heeft een oppervlakte van 279 m² bvo en in de toekomstige situatie van 386 m² bvo. En het wijkcentrum betreft een verplaatsing vanaf de overzijde van De Merodelaan, waarbij deze in omvang afneemt van 1.124 m² bvo naar 343 m² bvo. Voor alle functies is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

§ 5.1.6. Behoud van ruimte voor toekomstige functies

Nee. De projectlocatie ligt buiten de aangewezen geometrieën.

§ 5.1.7. Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten

Nee. De projectlocatie ligt buiten de aangewezen geometrieën.

§ 5.1.7a. Gebruik van bouwwerken

Nee. De beoogde ontwikkeling ziet niet toe op regels over te realiseren woningen.

§ 5.1.8. Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen

Ja, zie paragraaf 2.2.1 Ontwikkeling.

Afdeling 5.2. Instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving Artikel 5.163 voorkomen belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen

Nee. Er is geen sprake van hoofdspoorweginfrastructuur en rijkswegen in of nabij de projectlocatie.

Artikel 5.164 lokale spoorwegen binnen vervoerregio's

Nee. Er is geen sprake van lokale spoorwegen in of nabij de projectlocatie.

Artikel 5.165 lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool

Nee. Er is geen sprake van lozen industrieel afvalwater.

Artikel 5.165a bebouwingscontour jacht

Nee. Er wordt geen bebouwingscontour jacht vastgesteld met de beoogde ontwikkeling.

Artikel 5.165b bebouwingscontour houtkap

Nee. Er wordt geen bebouwingscontour houtkap vastgesteld met de beoogde ontwikkeling.

Afdeling 5.3. Ontheffing Artikel 5.166 ontheffing instructieregels omgevingsplan

36/106

Nee. Er wordt geen ontheffing aangevraagd.

Artikel 5.167 ontheffing blijft geldig

Nee. Er is geen sprake van ontheffingen.

Tabel 5.1.2 Instructieregels Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Afdelingen en paragrafen (de ontwikkeling is op artikelniveau getoetst)

Relevant voor de ontwikkeling Ja of Nee

§ 7.3.2.1 Risicogebieden externe veiligheid

Nee. Projectlocatie ligt niet binnen het werkingsgebied en er wordt geen aandachtsgebied toegewezen met de beoogde ontwikkeling.

§ 7.3.2.2 Groepsrisicobenadering

Nee. Projectlocatie ligt in een gifwolkaandachtsgebied, maar buiten de afkapgrens van 1,5 kilometer. Groepsrisicobenadering is daarom niet noodzakelijk.

§ 7.3.2.3 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas

Nee. Projectlocatie ligt niet binnen veiligheidszonering van de Nieuwe Waterweg of Nieuwe Maas.

§ 7.3.2.4 Niet-Basisnet transportroutes

Nee. Projectlocatie ligt niet binnen de geometrisch begrensde locaties.

§ 7.3.3a Buitendijks bouwen

Nee. Projectlocatie ligt niet buitendijks.

§ 7.3.4 Waterkeringen

Nee. Projectlocatie ligt niet in de nabijheid van een waterkering.

§ 7.3.5 Grondwaterkwaliteit

Ja, zie paragraaf 5.7 Bodem.

§ 7.3.6 LiB-5 contour Schiphol

Nee. Projectlocatie ligt niet binnen LIB-5 contour.

§ 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen Ja, zie paragraaf 5.9 Duurzaamheid en klimaatadaptatie. § 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit

Ja, zie 5.1.1 Ruimtelijke kwaliteit.

§ 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen

Ja, zie paragrafen 5.10 Mobiliteit en parkeren en 5.12 Ecologie: soortenbescherming.

§ 7.3.8a Wonen

Nee. Met de beoogde ontwikkeling worden geen woningen mogelijk gemaakt.

§ 7.3.9 Detailhandel

Nee. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen detailhandel mogelijk gemaakt.

37/106

§ 7.3.10 Kantoren

Nee. Met de beoogde ontwikkeling worden geen kantoren mogelijk gemaakt.

§ 7.3.11 Bedrijven

Nee. Met de beoogde ontwikkeling worden geen bedrijven mogelijk gemaakt.

§ 7.3.12 Glastuinbouwgebied

Nee. De projectlocatie ligt niet in glastuinbouwgebied.

§ 7.3.13 Boom- en sierteeltgebied

Nee. De projectlocatie ligt niet in boom- en sierteeltgebied.

§ 7.3.14 Bollenteeltgebied

Nee. De projectlocatie ligt niet in bollenteeltgebied.

§ 7.3.15 Agrarische bedrijven

Nee. De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op agrarische bedrijven.

§ 7.3.16 Natuurnetwerk Nederland

Nee. Binnen de projectgrenzen is geen NNN aanwezig.

§ 7.3.17 Werelderfgoed

Nee. Binnen de projectgrenzen is geen sprake van Werelderfgoed.

§ 7.3.18 Archeologie

Nee. De projectlocatie is niet aangewezen als archeologisch waardevol gebied in provinciaal opzicht.

§ 7.3.19 Traditionele windmolens

Nee. Er zijn geen windmolens in of nabij de projectlocatie aanwezig.

§ 7.3.20 Landgoederen en kastelen

Nee. Er zijn geen landgoederen of kastelen in of nabij de projectlocatie aanwezig.

§ 7.3.21 Energie

Nee. Met de beoogde ontwikkeling wordt geen windenergie opgewekt. Ook betreft de beoogde ontwikkeling geen zonneveld.

§ 7.3.22 Provinciale vaarwegen

Nee. De projectlocatie ligt niet binnen de geometrische begrenzing van een provinciale vaarweg.

§ 7.3.23 Recreatietoervaartnet

Nee. De projectlocatie maakt geen deel uit van het recreatietoevaartnet.

§7.3.23a Hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden

Nee. De projectlocatie maakt geen deel uit van hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden.

38/106

§ 7.3.24 Beschermingszones drinkwatervoorziening (infrastructuur)

Nee. De projectlocatie maakt geen deel uit van vitale infrastructuur openbare drinkwatervoorziening.

§ 7.3.25 Ontheffing en afwijken

Nee. Er is geen sprake van ontheffingen of afwijkingen.

Tabel 5.1.3 Thema's in het kader van ETFAL Thema

Wettelijk kader

Relevant voor de ontwikkeling Ja of Nee

Gezondheid

§ 5.1.4. Bkl behandelt enkele thema's in het kader van gezondheidsbescherming. Gezondheidsbevordering volgt uit provinciaal en/of gemeentelijk beleid. In het kader van ETFAL is een integrale benadering nodig.

Ja, zie paragraaf 5.13 Gezondheid.

Gezondheidsrisico's vanwege veehouderijen

Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.

Nee. In de nabijheid van de projectlocatie zijn geen veehouderijen aanwezig.

Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen

Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.

Nee. In de nabijheid van de projectlocatie is geen akkerbouw aanwezig.

Mobiliteit en parkeren

Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.

Ja, zie paragraaf 5.10 Mobiliteit en parkeren.

Natuurbescherming NNN

Afdeling 7.3 van het Bal.

Nee. Binnen de projectgrenzen is geen NNN-gebied aanwezig.

Ecologie: gebiedsbescherming

Afdeling 11.1 van het Bal.

Ja, zie paragraaf 5.11 Ecologie: gebiedsbescherming.

Ecologie: soortenbescherming

Afdeling 11.2 van het Bal.

Ja, zie paragraaf 5.12 Ecologie: soortenbescherming.

Ecologie: houtopstanden

Afdeling 11.3 van het Bal.

Nee. Binnen de projectgrenzen zijn geen houtopstanden aanwezig.

39/106

Bezonning / schaduwhinder

Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.

Nee. Met de beoogde ontwikkeling wordt een gebouw gerealiseerd van twee bouwlagen.

Windhinder

Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.

Nee. Met de beoogde ontwikkeling wordt een gebouw gerealiseerd van twee bouwlagen.

Lichthinder

Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.

Nee, met de beoogde ontwikkeling worden geen activiteiten mogelijk gemaakt, welke lichthinder produceren.

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Dient in het kader van ETFAL in de belangenafweging betrokken te worden.

Ja, zie paragraaf 5.9 Duurzaamheid en klimaatadaptatie.

5.1.1 Ruimtelijke kwaliteit Toetsingskader Met de beoogde ontwikkeling is sprake van een ruimtelijke ontwikkeling, gekeken naar artikel 7.41b, Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Aangezien de functies in de huidige situatie al aanwezig zijn en enkel de bouwhoogte overschreden wordt, maar het bouwvlak en maximale bebouwingspercentage niet, is er sprake van 'inpassen'. Een omgevingsplan/BOPA kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Ruimtelijk kwaliteit is in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening onderverdeeld in vier lagen: 1. Laag van de ondergrond; 2. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen; 3. Laag van de stedelijke occupatie; en 4. Laag van de cultuurhistorie. Toetsing Laag van de ondergrond De projectlocatie is aangewezen met 'Rivierdeltacomplex - rivierklei / veen', zie figuur 5.1.1. De richtpunten ruimtelijke kwaliteit van complex zijn:  Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.  Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar

40/106

Met de beoogde ontwikkeling vinden er geen wijzigingen plaats aan dynamische natuurlijke zoet-zoutovergangen of deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Ook vinden er geen wijzigingen in komgronden of oeverwallen plaats. De ruimtelijke kwaliteit blijft dus per saldo gelijk.

Figuur 5.1.1 Uitsnede kaart van de ondergrond, Kwaliteitskaart Zuid-Holland Laag van de cultuur- en natuurlandschappen De projectlocatie is aangewezen met 'Steden', zie figuur 5.1.2. Voor dit type landschap gelden geen richtlijnen ruimtelijke kwaliteit, waardoor ruimtelijke kwaliteit in deze laag irrelevant is.

Figuur 5.1.2 Uitsnede kaart van de cultuur- en natuurlandschappen, Kwaliteitskaart Zuid-Holland

41/106

Laag van de stedelijke occupatie De projectlocatie is in de laag van de stedelijke occupatie aangewezen met 'Steden en dorpen', zie figuur 5.1.3. De richtpunten ruimtelijke kwaliteit die hierbij horen zijn:  Elk dorp bouwt voort op de eigen identiteit en op de karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap.  Ruimtelijke ontwikkelingen dragen bij aan de groen- en waterstructuren en recreatieve uitloopmogelijkheden in en rond het dorp.  Ontwikkelingen dragen bij aan de leefbaarheid en vitaliteit van het dorp. Met de beoogde ontwikkeling bouwt Ridderkerk voort op haar eigen identiteit. Er worden in eerste instantie geen structurele wijzigingen doorgevoerd; de ontwikkeling sluit juist aan op de bestaande ruimtelijke en maatschappelijke structuur. Het nieuwe IKC wordt in het noordelijke deel van de projectlocatie gerealiseerd. Hierdoor ontstaat in het zuidelijke deel ruimte voor de aanleg van een nieuwe watergang, die de oostelijk en westelijk gelegen watergangen met elkaar verbindt. Deze wordt op een later moment pas gerealiseerd en voorliggende BOPA-onderbouwing ziet hier niet op toe (zie subparagraaf 4.3.2 Visie Plein Oost). Op deze manier wordt de waterstructuur binnen het dorp verbeterd. Daarnaast draagt de ontwikkeling bij aan de leefbaarheid en vitaliteit van het dorp.

Het verouderde wijkcentrum en de bestaande basisschool worden gesloopt, waarna een modern IKC wordt gebouwd dat voldoet aan de actuele weten regelgeving en de hedendaagse eisen op het gebied van onderwijs en duurzaamheid.

Figuur 5.1.3 Uitsnede kaart van de stedelijke occupatie, Kwaliteitskaart Zuid-Holland

42/106

Laag van de cultuurhistorie De projectlocatie is aangewezen met 'Steden en dorpen'. Voor dit type landschap gelden geen richtlijnen ruimtelijke kwaliteit, waardoor ruimtelijke kwaliteit in deze laag irrelevant is.

Figuur 5.1.4 Uitsnede kwaliteitskaart Zuid-Holland, laag van cultuurhistorie Conclusie Met de beoogde ontwikkeling blijft de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk en neemt licht toe. De ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met de instructieregels uit paragraaf 7.3.7 uit de provinciale omgevingsverordening en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2

Omgevingsveiligheid

Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

43/106

Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl, deze zijn van toepassing als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden In artikel 5.12 in het Bkl zijn er brand- explosie en gifwolkaandachtsgebieden voor het groepsrisico (hierna: GR), deze zijn niet van toepassing als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII, onder C, waarvoor een locatie bij ministeriële regeling als brandvoorschriftengebied is aangewezen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1239/documents/42788