CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Gebiedsgerichte quickscan flora en fauna Ridderkerk.pdf

Commissie Samen wonen RK 27 mei 2026, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 10: Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven19.558 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Tabel 4.3 – De vogel- en vleermuissoorten en bijbehorende ecologische functies die potentieel verwacht worden binnen de wijk Oost (groen = potentie; rood = geen potentie; grijs = functie niet bestaand voor deze soort).

hoge potentie hoge potentie

Boommarter Steenmarter

4.2.4. Drievliet Ook de wijk Drievliet bestaat voor ongeveer tweederde uit bebouwing en het overige deel uit (oudere) groene elementen. Vanwege de aanwezigheid van rijwoningen met dakpannen en voldoende groene elementen, is de wijk potentieel geschikt voor nestplaatsen van huismus, gierzwaluw en spreeuw. Ook zijn er hogere woningen aanwezig met een plat dak, waar tussen de gootbekisting en de muur ruimte aanwezig is die potentieel aantrekkelijk is voor nestplaatsen van de gierwaluw. Uit de NDFF is in het zuiden van de wijk Drievliet tussen alle groenvoorzieningen, bij een landhuis, een ongevalideerd nest van een boerenzwaluw geconstateerd. Echter wordt er ter plaatse van de woonkern van Drievliet lage potentie verwacht voor de boerenzwaluw. Vanwege de afwezigheid van stallen, locaties om nestmateriaal te verzamelen, open gebieden en het ontbreken van (zichtbare) nesten binnen de wijk West, is in deze wijk geen potentie voor nestplaatsen van huiszwaluw. 23

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

Vanwege de aanwezigheid van rijwoningen met dakpannen en voldoende groene elementen binnen de wijk en de woningen met platte daken, maar wel met spouwmuren, is deze wijk potentieel aantrekkelijk voor verblijfplaatsen (zie Tabel 4.4 voor exacte functies) van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en baardvleermuis niet uitgesloten. Binnen de wijk Drievliet zijn een drietal objecten aanwezig met een potentiële bijzondere waarde. Dit betreffen hoge (flat)gebouwen met voldoende buffering, waardoor deze flatgebouwen potentie hebben voor de gewone dwergvleermuis als massawinterverblijfplaats en de Ichthuskerk. Deze kerk heeft geen (klassieke) kerktoren, waardoor geen potentie is voor bijzondere functies van de gewone grootoorvleermuis of massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in deze kerk. Zie ook Bijlage 5 (Bijlage-figuur 2). De wijk is ten zuiden omgeven door open landschappen en natuurgebied, waar voldoende schuilmogelijkheden zijn, zoals struiken en bomen. Zowel de boom- als de steenmarter komt voor in gebouwen die met name in of aan de rand van het bos staan. De steenmarter begeeft zich ook wel in kruipruimtes en op zolders, maar ook in spouwmuren of ruimten onder de dakbedekking. Deze soort is een cultuurvolger en komt tegenwoordig ook meer in steden voor.

Aan de zuidzijde van deze wijk is potentie voor het voorkomen van deze soorten.

Huismus

hoge potentie hoge potentie

Boerenzwaluw

lage potentie

Huiszwaluw

lage potentie hoge potentie

Gierzwaluw

Spreeuw Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Tweekleurige vleermuis Baardvleermuis

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie

hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

Verblijfplaats

Nestplaats

Belangrijke migratieroute

Belangrijk foerageergebied

Massawinterverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Kleine verblijfplaatsen

Soort

Tabel 4.4 – De vogel- en vleermuissoorten en bijbehorende ecologische functies die potentieel verwacht worden binnen de wijk Drievliet (groen = potentie; rood = geen potentie; grijs = functie niet bestaand voor deze soort).

hoge potentie hoge potentie

Boommarter Steenmarter

4.2.5. Het Zand Het Zand is een volledig bebouwde wijk en bevat minder groen dan de wijk Drievliet. Wel staan er veel eensgezinswoningen met dakpannen daken en voldoende groene elementen binnen de wijk, waardoor deze wijk potentieel geschikt is voor nestplaatsen van huismus, gierzwaluw en spreeuw.

24

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

Vanwege de afwezigheid van stallen, locaties om nestmateriaal te verzamelen, open gebieden en het ontbreken van (zichtbare) nesten binnen de wijk West, is in deze wijk geen potentie voor nestplaatsen van boerenzwaluw en huiszwaluw. Vanwege de aanwezigheid van eengezinswoningen met dakpannen daken is deze wijk potentieel aantrekkelijk voor verblijfplaatsen (zie Tabel 4.5 voor exacte functies) van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en baardvleermuis. In het Zand zijn geen objecten/structuren aanwezig met een potentiële bijzondere waarde. Bijna de gehele wijk is omgeven door bebouwd gebied, zowel de boom- als de steenmarter komt voor in gebouwen die met name in of aan de rand van het bos staan. De steenmarter begeeft zich ook wel in kruipruimtes en op zolders, maar ook in spouwmuren of ruimten onder de dakbedekking. Deze soort is een cultuurvolger en komt tegenwoordig ook meer in steden voor. Ten noordoosten van het Zand bevindt zich open gebied, maar deze locaties zijn marginaal geschikt, daarom is voor beide soorten weinig tot geen potentie in het het Zand.

Huismus

hoge potentie hoge potentie

Boerenzwaluw

lage potentie

Huiszwaluw

lage potentie hoge potentie

Gierzwaluw

Spreeuw Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Tweekleurige vleermuis Baardvleermuis

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

Verblijfplaats

Nestplaats

Belangrijke migratieroute

Belangrijk foerageergebied

Massawinterverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Kleine verblijfplaatsen

Soort

Tabel 4.5 – De vogel- en vleermuissoorten en bijbehorende ecologische functies die potentieel verwacht worden binnen de wijk Het Zand (groen = potentie; rood = geen potentie; grijs = functie niet bestaand voor deze soort).

Boommarter

lage potentie

Steenmarter

lage potentie

4.2.6. Slikkerveer Binnen de wijk Slikkerveer is ongeveer tweederde bebouwd gebied en eenderde bestaat uit het Donckse Bos. Van het bebouwde gebied wordt ongeveer tweederde geclassificeerd met hoge potentie op de aanwezigheid van nestplaatsen van huismus, gierzwaluw en spreeuw. Er zijn woningen met dakpannen en voldoende groene elementen binnen de wijk aanwezig. Binnen de wijk zijn eerder waarnemingen geweest van een nestindicerende huiszwaluw. Daardoor is deze wijk potentieel geschikt voor nestplaatsen van zowel de boerenzwaluw en huiszwaluw. 25

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

Vanwege de aanwezigheid van woningen met dakpannen daken en woningen met spouwmuren, deze woningen hebben potentie voor verblijfplaatsen (zie Tabel 4.6 voor exacte functies) van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en baardvleermuis. In het noorden van Slikkerveer zijn verschillende hoge flats aanwezig. Deze flats hebben potentie voor de gewone dwergvleermuis als massawinterverblijfplaats en voor de tweekleurige vleermuis als paarverblijfplaats. Ook zijn in deze wijk een vijftal kerken aanwezig: Wilhelminakerk, Irenekerk, De Kern, Christus is Koning Kerk en Eben Haëzerkerk. Ook bevindt zich in deze wijk de Molukse Moskee Ridderkerk Bait Al-Rahmaan. De Wilhelminakerk heeft potentie voor de gewone grootoorvleermuis als zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats. De kerk is ook geschikt als massawinterverblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis. De overige kerken (Irenekerk, De Kern, Christus is Koning Kerk en Eben Haëzerkerk) en moskee (Bait Al-Rahmaan) zijn dusdanig klein en hebben geen (klassieke) kerktoren, waardoor er geen potentie is voor bijzondere functies van de gewone grootoorvleermuis en massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in deze kerken en moskee. Zie ook Bijlage 5 (Bijlagefiguur 2).

Ten westen van de wijk is open landschap en natuurgebied aanwezig, waar voldoende schuilmogelijkheden zijn, zoals struiken en bomen. Zowel de boom- als de steenmarter komt voor in gebouwen die met name in of aan de rand van het bos staan. De steenmarter begeeft zich ook wel in kruipruimtes en op zolders, maar ook in spouwmuren of ruimten onder de dakbedekking. Deze soort is een cultuurvolger en komt tegenwoordig ook meer in steden voor. Aan de westzijde van deze wijk is potentie voor het voorkomen van deze soorten.

Huismus Boerenzwaluw Huiszwaluw Spreeuw

Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Tweekleurige vleermuis Baardvleermuis

Verblijfplaats

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

Gierzwaluw

Gewone dwergvleermuis

Nestplaats

Belangrijke migratieroute

Belangrijk foerageergebied

Massawinterverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Kleine verblijfplaatsen

Soort

Tabel 4.6 – De vogel- en vleermuissoorten en bijbehorende ecologische functies die potentieel verwacht worden binnen de wijk Slikkerveer (groen = potentie; rood = geen potentie; grijs = functie niet bestaand voor deze soort).

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie

hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie hoge potentie hoge potentie

Boommarter Steenmarter

26

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

4.2.7. Bolnes De wijk Bolnes is voor ongeveer eenderde bebouwd gebied en tweederde bestaat uit groenvoorzieningen (Donksche Bos, sportpark, akkerland). De wijk bestaat uit woningen met dakpannen en heeft voldoende groene elementen. Binnen het bebouwde gebied is potentie aanwezig voor nestplaatsen van huismus, gierzwaluw en spreeuw. Binnen de wijk zijn eerder waarnemingen gedaan van nestindicerende huiszwaluwen en boerenzwaluw. De huis- en boerenzwaluwen komen over algemeen meer voor in de buitengebieden van deze wijk. Daardoor is de buitenzijde van deze wijk potentieel aantrekkelijk voor nestplaatsen van zowel de boerenzwaluw als de huiszwaluw. Vanwege de aanwezigheid van woningen met dakpannen daken en woningen met spouwmuren, zijn de woningen in deze wijk potentieel geschikt voor verblijfplaatsen (zie Tabel 4.7 voor exacte functies) van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en baardvleermuis. Verspreid over de gehele wijk zijn verschillende hoge flats aanwezig. Deze flats hebben potentie voor de gewone dwergvleermuis als massawinterverblijfplaats. Ook staan er in deze wijk een drietal kerken: Boezemkerk Bolnes, Gereformeerde Kerk Bolnes en Theresiakapel.

De kerken zijn dusdanig klein en hebben geen (klassieke) kerktoren, waardoor er geen potentie is voor bijzondere functies van de gewone grootoorvleermuis en massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in deze kerken. Zie ook Bijlage 5 (Bijlage-figuur 2). De wijk is ten zuiden en oosten omgeven door open landschappen en natuurgebied, waar voldoende schuilmogelijkheden zijn, zoals struiken en bomen. Zowel de boom- als de steenmarter komt voor in gebouwen die met name in of aan de rand van het bos staan. De steenmarter begeeft zich ook wel in kruipruimtes en op zolders, maar ook in spouwmuren of ruimten onder de dakbedekking. Deze soort is een cultuurvolger en komt tegenwoordig ook meer in steden voor. Aan de zuid- en oostzijde van deze wijk is potentie voor het voorkomen van deze soorten.

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

Gierzwaluw Huismus Boerenzwaluw Huiszwaluw Spreeuw Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Tweekleurige vleermuis Baardvleermuis

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie

hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

27

Verblijfplaats

Nestplaats

Belangrijke migratieroute

Belangrijk foerageergebied

Massawinterverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Kleine verblijfplaatsen

Soort

Tabel 4.7 – De vogel- en vleermuissoorten en bijbehorende ecologische functies die potentieel verwacht worden binnen de wijk Bolnes (groen = potentie; rood = geen potentie; grijs = functie niet bestaand voor deze soort).

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

hoge potentie hoge potentie

Boommarter Steenmarter

4.2.8. Rijsoord Rijsoord is grotendeels onbebouwd en bestaat uit akkers, maar ook uit groene en blauwe structuren. Het bebouwde deel bestaat uit industrieterreinen en lintbebouwing. Voor deze beoordeling zijn de industrieterreinen binnen deze wijk buiten beschouwing gelaten, deze worden later behandeld in paragraaf 4.2.11. Wegens de aanwezigheid van woningen met dakpannen daken, overhangende daken/gootbekisting en voldoende groene elementen binnen de lintbebouwing, is deze wijk potentieel geschikt voor nestplaatsen van huismus, gierzwaluw, boerenzwaluw, huiszwaluw en spreeuw. Vanwege de aanwezigheid van woningen met dakpannen daken en woningen met spouwmuren, is deze wijk potentieel aantrekkelijk voor verblijfplaatsen (zie Tabel 4.8 voor exacte functies) van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en baardvleermuis. Binnen Rijsoord staan de Gereformeerde kerk Rijsoord en Nederlandse Hervormde kerk Rijsoord. Beide kerken hebben potentie voor de gewone grootoorvleermuis als zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaats. De kerk is ook geschikt als massawinterverblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis.

Zie ook Bijlage 5 (Bijlage-figuur 2) De wijk betreft lintbebouwing en is algeheel omgeven door open landschappen en natuurgebied, waar voldoende schuilmogelijkheden zijn, zoals struiken en bomen. Zowel de boom- als de steenmarter komt voor in gebouwen die met name in of aan de rand van het bos staan. De steenmarter begeeft zich ook wel in kruipruimtes en op zolders, maar ook in spouwmuren of ruimten onder de dakbedekking. Deze soort is een cultuurvolger en komt tegenwoordig ook meer in steden voor. In de gehele deze wijk is potentie voor het voorkomen van deze soorten.

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

Gierzwaluw Huismus Boerenzwaluw Huiszwaluw Spreeuw Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Tweekleurige vleermuis

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

28

Verblijfplaats

Nestplaats

Belangrijke migratieroute

Belangrijk foerageergebied

Massawinterverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Kleine verblijfplaatsen

Soort

Tabel 4.8 – De vogel- en vleermuissoorten en bijbehorende ecologische functies die potentieel verwacht worden binnen de wijk Rijsoord (groen = potentie; rood = geen potentie; grijs = functie niet bestaand voor deze soort).

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

Baardvleermuis

hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie hoge potentie hoge potentie

Boommarter Steenmarter

4.2.9. Oostendam De wijk Oostendam is voor de helft bebouwd en bestaat grotendeels uit industrie en voor een deel uit lintbebouwing. In deze wijk wordt dit industrieterrein ook buiten beschouwing gelaten, deze worden behandeld in paragraaf 4.2.11. Verder is het noorden van deze wijk onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Binnen deze wijk is lintbebouwing met daarin woningen met dakpannen daken, overhangende daken/gootbekisting en voldoende groene elementen binnen de lintbebouwing aanwezig. Op basis van de gebiedskenmerken heeft deze wijk een hoge potentie voor voor nestplaatsen van huismus, gierzwaluw, boerenzwaluw, huiszwaluw en spreeuw. Vanwege de aanwezigheid van woningen met dakpannen daken en woningen met spouwmuren, is de wijk potentieel aantrekkelijk voor verblijfplaatsen (zie Tabel 4.9 voor exacte functies) van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en baardvleermuis. Binnen Oostendam staat één kerk: de Immanuelkapel. Deze kerk is dusdanig klein en heeft geen (klassieke) kerktoren, waardoor er geen potentie is voor bijzondere functies van de gewone grootoorvleermuis en massawinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in deze kerk.

De wijk betreft lintbebouwing en is algeheel omgeven door open landschappen en natuurgebied, waar voldoende schuilmogelijkheden zijn, zoals struiken en bomen. Zowel de boom- als de steenmarter komt voor in gebouwen die met name in of aan de rand van het bos staan. De steenmarter begeeft zich ook wel in kruipruimtes en op zolders, maar ook in spouwmuren of ruimten onder de dakbedekking. Deze soort is een cultuurvolger en komt tegenwoordig ook meer in steden voor. In de gehele deze wijk is potentie voor het voorkomen van deze soorten.

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

Gierzwaluw Huismus Boerenzwaluw Huiszwaluw Spreeuw Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Meervleermuis

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie hoge potentie hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

29

Verblijfplaats

Nestplaats

Belangrijke migratieroute

Belangrijk foerageergebied

Massawinterverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Kleine verblijfplaatsen

Soort

Tabel 4.9 – De vogel- en vleermuissoorten en bijbehorende ecologische functies die potentieel verwacht worden binnen de wijk Oostendam (groen = potentie; rood = geen potentie; grijs = functie niet bestaand voor deze soort).

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

Tweekleurige vleermuis Baardvleermuis

hoge potentie hoge potentie

hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie hoge potentie hoge potentie

Boommarter Steenmarter

4.2.10. Donkersloot Donkersloot bestaat met name uit industrieterrein. Dit industrieterrein wordt wel behandeld, omdat deze door de wijken Centrum, Slikkerveer en Het Zand wordt omsloten en dit terrein daarmee een brug vormt tussen de woonkernen van Centrum en Slikkerveer. Een deel van Donkersloot is (in het noorden) onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Binnen het industrieterrein staan her en der woningen verspreid, maar het grootste gedeelte van deze wijk bestaat uit (bakstenen) industriegebouwen met platte daken. Vanwege de aanwezigheid van (bakstenen) industriegebouwen met mogelijk spouwmuren, is ook deze wijk potentieel aantrekkelijk voor verblijfplaatsen (zie Tabel 4.10 voor exacte functies) van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en baardvleermuis. Binnen Donkersloot zijn geen objecten/structuren aanwezig met een potentiële bijzondere waarde. Bijna de gehele wijk is omgeven door bebouwd gebied, zowel de boom- als de steenmarter komt voor in gebouwen die met name in of aan de rand van het bos staan. De steenmarter begeeft zich ook wel in kruipruimtes en op zolders, maar ook in spouwmuren of ruimten onder de dakbedekking. Deze soort is een cultuurvolger en komt tegenwoordig ook meer in steden voor.

Ten zuidoosten van Donkersloot bevindt zich open gebied, maar deze wijk is marginaal geschikt aangezien het een industrieterrein betreft en er weinig schuilmogelijkheden zijn, daarom is voor beide soorten weinig tot geen potentie in het Donkersloot.

Gierzwaluw

lage potentie

Huismus

lage potentie

Boerenzwaluw

lage potentie

Huiszwaluw

lage potentie

Spreeuw Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Tweekleurige vleermuis

lage potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

30

Verblijfplaats

Nestplaats

Belangrijke migratieroute

Belangrijk foerageergebied

Massawinterverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Kleine verblijfplaatsen

Soort

Tabel 4.10 – De vogel- en vleermuissoorten en bijbehorende ecologische functies die potentieel verwacht worden binnen de wijk Donkersloot (groen = potentie; rood = geen potentie; grijs = functie niet bestaand voor deze soort).

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

Baardvleermuis

hoge potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

Boommarter

lage potentie

Steenmarter

lage potentie

4.2.11. Industrieterreinen Zowel de wijken Cornelisland als Verenambacht bestaan uit industrieterreinen. De wijken Oostendam en Rijsoord bestaan voor een deel uit industrieterreinen. Binnen de industrieterreinen staan voornamelijk (bakstenen) industriegebouwen met platte daken. Vanwege de aanwezigheid van (bakstenen) industriegebouwen met mogelijk spouwmuren, zijn industrieterrein potentieel aantrekkelijk voor verblijfplaatsen (zie Tabel 4.11 voor exacte functies) van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en baardvleermuis. Binnen de industrieterreinen zijn geen objecten/structuren aanwezig met een potentiële bijzondere waarde. Bijna de gehele wijk is omgeven door bebouwd gebied, zowel de boom- als de steenmarter komt voor in gebouwen die met name in of aan de rand van het bos staan. De steenmarter begeeft zich ook wel in kruipruimtes en op zolders, maar ook in spouwmuren of ruimten onder de dakbedekking. Deze soort is een cultuurvolger en komt tegenwoordig ook meer in steden voor. Ten zuidoosten van Donkersloot bevindt zich open gebied, maar deze wijk is marginaal geschikt aangezien het een industrieterrein betreft en er weinig schuilmogelijkheden zijn, daarom is voor beide soorten weinig tot geen potentie in het Donkersloot.

Gierzwaluw

lage potentie

Huismus

lage potentie

Boerenzwaluw

lage potentie

Huiszwaluw

lage potentie

Spreeuw

lage potentie

Tweekleurige vleermuis

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

Baardvleermuis

lage potentie

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Meervleermuis

Verblijfplaats

Nestplaats

Belangrijke migratieroute

Belangrijk foerageergebied

Massawinterverblijfplaats

Kraamverblijfplaats

Kleine verblijfplaatsen

Soort

Tabel 4.11 – De vogel- en vleermuissoorten en bijbehorende ecologische functies die verwacht worden binnen de industrieterreinen (groen = potentie; rood = geen potentie; grijs = functie niet bestaand voor deze soort).

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

lage potentie

Boommarter

lage potentie

31

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

Steenmarter

lage potentie

4.3. Effectenbeoordeling De verdeling van de energielabels is niet direct per wijk te extraheren, omdat de verdeling van panden met lage energielabels (C of lager) niet geclusterd is in wijken, maar meer verspreid verdeeld is over de gemeente. Daarom is het op voorhand niet in te schatten in welke wijken de meeste isolatie-werkzaamheden zullen gaan plaatsvinden. Daarnaast wordt het SMP voor een bredere scope opgezet als alleen de verduurzamingsopgave. Ook werkzaamheden als verbouwingen, (grootschalig) onderhoud en renovatie behoren tot de reikwijdte van het SMP. Deze werkzaamheden zijn niet perse gebonden aan een bepaald type woning of specifiek gebied. De gemeente heeft aangegeven dat de wijken Drievliet en Het Zand al een relatief hoge isolatiegraad kennen, waardoor de verwachting is dat hier beperkte verduurzamings- en isolotiewerkzaamheden gaan plaatsvinden. In Slikkerveer is de isolatiegraad overwegend matig. In Bolnes, Centrum-West en Centrum-Oost is een hoge mate van variatie aanwezig, deze wijken bevatten zowel goed geïsoleerde woningen als woningen met een zeer lage isolatiekwaliteit, dit duidt op een aanzienlijke verduurzamingsopgave. In zowel Oostendam als Rijsoord bestaat de woningvoorraad grotendeels uit oudere bebouwing met een lage isolatiegraad.

Wel is duidelijk dat als gevolg van de werkzaamheden die tot de scope van het SMP gaan behoren (mogelijk) aanwezige rust-, nest- en/of verblijfplaatsen van gierzwaluw, huismus, boerenzwaluw, huiszwaluw, spreeuw en vleermuizen verstoord, beschadigt en/of vernietigd kunnen worden. Ook kunnen individuen door de werkzaamheden worden verstoord, verwond of gedood als niet zorgvuldig gewerkt wordt. Hierdoor is sprake van overtreding van de Omgevingsweg (Ow, zie ook Bijlage 1). Potentie voor leefgebieden van boommarter en steenmarter bevinden zich met name in de buitenste delen van de wijken. Door de beoogde werkzaamheden worden de leefgebieden van deze soorten niet aangetast, waardoor hier geen sprake is van een overtreding van de Ow (zie ook Bijlage 1). Wel kunnen deze soorten baat hebben bij de uitvoering van een SMP door de algehele biodiversiteitsplus voor (kwalitatief) groen in het bebouwde gebied. Dit kan zorgen voor een versterking en uitbreiding van het potentiële leefgebied van deze soorten. De werkzaamheden hebben betrekking op het bouwen, verbouwen of verduurzamen van de woningen, vastgoed van de gemeente en woningcorporaties en MKB in Ridderkerk. Deze werkzaamheden kunnen, indien niet zorgvuldig gewerkt wordt, het verstoren, verwonden en doden van individuen en beschadigen en vernietigen vannest- en/of verblijfplaatsen tot gevolg hebben.

Nader onderzoek naar de aanwezigheid en verspreiding van de lokale populaties en de (kwetsbare) soort-functie combinaties van gierzwaluw, huismus, boerenzwaluw, huiszwaluw, spreeuw en vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, tweekleurige vleermuis, baardvleermuis) is noodzakelijk. Bij dit onderzoek dient inzichtelijk gemaakt te worden: • Of de genoemde SMP-soorten aanwezig zijn in het SMP-gebied en in welke mate; • Hoe groot (bij benadering) de lokale populatie is binnen het SMP-gebied; • Inzicht in de verspreiding van de soorten in het SMP-gebied; • Waar de kwetsbare soort-functie combinaties van de SMP-soorten aanwezig zijn. Dit betreffen: o Bolwerken en nestplaatsen van de genoemde vogelsoorten; o Functionele leefgebied van de huismus; o De kraam- en massawinterverblijfplaatsen van alle voorkomende vleermuissoorten; o Functionele leefgebied (vliegroutes en belangrijke foerageergebieden) van alle vleermuissoorten; o Bolwerken van paarterritoria van de gewone en ruige dwergvleermuis; o Satelietverblijfplaatsen van de meervleermuis. In de wijken Centrum, West, Oost, Drievliet, Slikkerveer en Bolnes staan bijzondere objecten waar extra onderzoek naar bijvoorbeeld gewone grootoorvleermuis, massawinterverblijfplaatsen of paarverblijfplaatsen van de tweekleurige vleermuis noodzakelijk is.

Voor deze (soorten) verblijfplaatsen is een aangepaste onderzoeksinspanning noodzakelijk.

32

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

5. Vaststelling en/of haalbaarheid ambitie(s), scope en reikwijdte 5.1. Advies betreffende scope en reikwijdte SMP gebied De afdeling duurzaamheid van de gemeente Ridderkerk heeft, tijdens overleg op 7 november 2025, aangeven dat de scope en reikwijdte van het SMP op hoofdlijnen gebaseerd wordt op de volgende punten; • het isoleren van de bestaande woningvoorraad en vastgoed; • diverse werkzaamheden aan gebouwen, waaronder, maar niet uitsluitend, onderhoud, renovatie, sloopnieuwbouw en verbouwingen; • gericht op particulieren, MKB, woningcorporaties en het vastgoed van de gemeente zelf; • van toepassing op het hele bebouwde gebied van de gemeente Ridderkerk exclusief de industrieterreinen in de buitengebieden; • standaardisatie van maatregelen voor bouwen, verbouwen of verduurzamen van woningen (i.r.t. soortenbescherming); • lastenverlichting voor gebruikers van het SMP. Onderstaand een advies met betrekking tot het vaststellen van de scope en reikwijdte voor het uiteindelijke SMP. 5.1.1. Begrenzing SMP-gebied In overleg met de gemeente is bepaald voor welke wijken het SMP wordt opgesteld. Het is hierbij van belang of het Soortenmanagementplan zich beperkt tot de woonkernen of dat ook de bedrijventerreinen en de lintbebouwing in de buitengebieden onder het SMP zullen vallen.

De bepaling van de gebiedsgrenzen beïnvloedt in belangrijke mate de selectie van de soorten waarvoor het SMP zal worden opgesteld. In overleg met de gemeente is besloten om de lintbebouwing in het buitengebied wel op te nemen in het SMP, omdat de huidige bebouwing een relatief laag energielabel heeft en er tussen de lintbebouwing door een aantal kleine woonkernen liggen. Voor de lintbebouwing geldt dezelfde scope en reikwijdte als voor alle overige gebieden. Specifieke soorten zoals steenuil, kerkuil en roofvogels behoren echter niet tot de scope van het SMP. Het op voorhand uitvoeren van onderzoek naar aanwezigheid van nest- en rustplaatsen van deze soorten levert een onevenredige onderzoekslast op door praktische uitdagingen, zoals toegankelijkheid van erven en boerderijen. Daarnaast is een standaardisatie van maatregelen voor deze soorten niet mogelijk. De ecologie van de soorten in combinatie met de sporadische aanwezigheid en de hoge onderzoekslast maken deze soorten niet geschikt voor een SMP voor bebouwd gebied. De bedrijventerreinen in de buitengebieden worden niet opgenomen in het SMP, omdat de onderzoeksinspanning die hiervoor benodigd is, onevenredig groot is in vergelijking met de winst die hier behaald kan worden met verduurzaming.

Op bedrijventerreinen zijn weinig tot geen woningen aanwezig en bedrijfspanden (kleine panden en winkels van MKB gelegen in de woonwijken uitgezonderd) behoren niet tot de beoogde gebruikers van het SMP. 5.1.2. Gebruikers en actoren De gemeente heeft aangegeven particulieren, MKB en de woningcorporaties als toekomstige gebruikers van het SMP te zien. Aanbevolen wordt om: • Ook het vastgoed van de gemeente zelf in het SMP op te nemen; • VvE’s als aparte groep gebruikers in het SMP te benoemen; • Te inventariseren of er ook andere vastgoed eigenaren aanwezig zijn binnen de begrenzing van het SMPgebied (bijvoorbeeld scholen). Daarnaast zijn er binnen de gemeente andere partijen aanwezig die geen directe gebruiker zijn, maar wel een belang hebben bij het SMP. Dit zijn onder andere: • Isolatiebedrijven, projectontwikkelaars en aannemers: belangrijke partijen om te betrekken bij de communicatie over het SMP. Dit betreffen belanghebbenden die uiteindelijk bij de uitvoering met het SMP en de bijbehorende werkprotocollen moeten gaan werken. • Lokale natuurclubs en werkgroepen kunnen mogelijk een rol spelen bij de onderzoeken, communicatie en op termijn bij monitoring.

Aanbevolen wordt om een stakeholders analyse uit te voeren om alle partijen in beeld te krijgen die op enig moment te maken (kunnen) krijgen met het SMP en de mogelijke rollen en belangen van deze partijen te inventariseren. 33

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

5.1.3. • •

Werkzaamheden en ingrepen Aanbevolen wordt om de lijst met werkzaamheden uit paragraaf 2.4 door te nemen en ook voor te leggen aan toekomstige gebruikers van het SMP, zoals de woningcorporaties, particulieren, VvE’s en isolatiebedrijven. Vanwege de bijkomende soorten en daarmee aanvullende onderzoeken en kosten, wordt aangeraden om werkzaamheden in het groen (anders als het verwijderen van gevelgroen en groen direct langs gevels voor de uitvoer van werkzaamheden) buiten het SMP te houden.

5.2. Soortenkeuze voor het SMP In deze paragraaf wordt een aanbeveling gedaan op basis van het uitgevoerde bronnen- en veldonderzoek betreffende de toekomstige SMP-soorten. Voor deze soorten is nader soortgericht onderzoek noodzakelijk om de daadwerkelijke lokale populaties, netwerken en belangrijke ecologische functies in beeld te krijgen. Nadere aanbevelingen aangaande het benodigde onderzoek worden beschreven in Hoofdstuk 6. 5.2.1.

Gebouwbewonende vogels met jaarrond beschermde rust- en/of verblijfplaatsen

Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1-4) 1 De voor het SMP relevante beschermde vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1-4) welke op basis van de NDFF in Ridderkerk voorkomen, betreffen de gierzwaluw en huismus (Tabel 5.1). In paragraaf 4.2 is per wijk een tabel weergegeven van de mogelijke aanwezigheid van de in Ridderkerk voorkomende gebouwbewonde vogels met jaarrond beschermde nesten. Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 5) 1 De voor het SMP relevante beschermde vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 5) welke op basis van de NDFF in Ridderkerk voorkomen, zijn de boerenzwaluw, huiszwaluw en spreeuw (Tabel 5.1). In paragraaf 4.2 is per wijk een tabel weergegeven van de mogelijke aanwezigheid van de in Ridderkerk voorkomende gebouwbewonde vogels met jaarrond beschermde nesten. 5.2.2. Gebouwbewonende vleermuizen De voor het SMP relevante beschermde (gebouwbewonende) vleermuissoorten die op basis van de NDFF en/of verspreidingsatlassen in Ridderkerk en omgeving voorkomen, zijn de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en baardvleermuis (Tabel 5.1). In paragraaf 4.2 is per wijk een tabel weergegeven van de mogelijk aanwezige functies van de in Ridderkerk voorkomende gebouwbewonende vleermuizen. 5.2.3.

Grondgebonden zoogdieren De voor het SMP relevante beschermde grondgebonden zoogdieren die op basis van de NDFF in Ridderkerk voorkomen, zijn de boommarter en steenmarter (Tabel 5.1). Voor het SMP is in paragraaf 4.2 per wijk een tabel weergegeven van de mogelijke aanwezigheid van de soorten.

1

De categorieën zijn toegelicht in Bijlage 4.

34

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

Industrieterreinen

Overige gebieden

Steenmarter

Donkersloot

Boommarter

Oostendam

Baardvleermuis

Rijsoord

Meervleermuis Tweekleurige vleermuis

Bolnes

Laatvlieger

Slikkerveer

Spreeuw Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis

Het Zand

Huiszwaluw

Drievliet

Boerenzwaluw

Oost

Huismus

West

Gierzwaluw

Centrum

Soort

Tabel 5.1 – Overzichtstabel met hoge en lage potentie per soort weergegeven per wijk (groen = hoge potentie; rood = lage potentie).

hoge potentie hoge potentie lage potentie lage potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie lage potentie lage potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie lage potentie lage potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie lage potentie lage potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie lage potentie lage potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

lage potentie lage potentie lage potentie lage potentie lage potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

lage potentie lage potentie lage potentie lage potentie lage potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

lage potentie lage potentie lage potentie lage potentie lage potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie lage potentie lage potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie lage potentie lage potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie lage potentie lage potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie lage potentie lage potentie lage potentie

hoge potentie hoge potentie hoge potentie hoge potentie lage potentie lage potentie lage potentie

5.3. Overige aanbevelingen betreffende scope, reikwijdte en ambitie Eén van de eisen voor een SMP in Zuid-Holland is de leefgebiedenbenadering voor de SMP-soorten. Dit houdt in dat niet alleen (kwalitatief en kwantitatief) nest- en verblijffuncties van de SMP-soorten gewaarborgd zijn, maar ook de rest van het benodigde functionele leefgebied bestaande uit een samenhangend netwerk van onder andere foerageergebied, schuilgelegenheid, vliegroutes en waterelementen. Voor het SMP dient de gemeente ook voorn deze aspecten concrete ambities op te stellen, om zo de leefgebieden van de SMP-soorten integraal te beschermen. De leefgebiedenbenadering en het beschrijven van ambities betreffende de bescherming van de SMP-soorten en hun leefomgeving zijn ook van toepassing op SMP’s die alleen opgesteld worden voor werkzaamheden en ingrepen aan de bebouwing. Over het algemeen is deze eis het meest praktisch te waarborgen door bestaand groen-, natuur-, of biodiversiteitsbeleid, dat reeds is vastgesteld in de gemeente of waarin binnen de gemeente aan gewerkt wordt, te integreren in het SMP.

Om te bepalen of dit in Ridderkerk mogelijk is en om deze in het uiteindelijke SMP te integreren zijn de volgende stappen noodzakelijk: • Een inventarisatie van het huidige beleid op het gebied van natuur, biodiversiteit en/of groen binnen de gemeente; • Onderzoeken van mogelijkheden om bestaand beleid in het SMP te implementeren; • Eventueel ambities van toekomstig aangepast beleid dat raakvlakken heeft met het SMP inventariseren.

35

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

6. Plan van aanpak onderzoek en andere vervolgstappen 6.1. Soortgericht onderzoek Voor het opstellen van het SMP moet een nulmeting uitgevoerd worden. Deze nulmeting bestaat uit soortgericht onderzoek met als doel: • Het in kaart brengen van de netwerken (bestaande uit: kraamverblijfplaatsen, massawinterverblijfplaatsen, relatieve dichtheden van paarterritoria, belangrijke vliegroutes en foerageergebieden) van de (potentieel) aanwezige gebouwbewonende vleermuissoorten; • Het in kaart brengen van de aanwezigheid van bijzondere en/of kwetsbare vleermuissoorten en hun verblijfplaatsen; • Het in beeld brengen van de (bolwerken van) nestplaatsen en functioneel leefgebied van de huismus, spreeuw, boerenzwaluw en huiszwaluw; • Het in beeld brengen van (bolwerken van) de nestplaatsen van de gierzwaluw; • Het in beeld brengen van de aanwezigheid van boommarter en steenmarter op wijkniveau; • Het maken van een inschatting van de omvang van de lokale kolonies en populaties van de verschillende SMP-soorten; • Verkennen van de aanwezigheid van eventuele bijzondere soorten die niet tot het SMP behoren (noteren van deze soorten, waarbij deze data bij toekomstige projecten en onderzoeken gebruikt kan worden). Voor een overzicht van de te onderzoeken soorten en functies per wijk/woonkern wordt verwezen naar paragraaf 5.2 van deze rapportage. 6.1.1.

Uitgangspunten soortgericht onderzoek Het plan van aanpak is opgesteld op basis van de volgende uitgangspunten: • Het betreffen alleen de gebouwbewonende soorten als genoemd in paragraaf 5.2. Het SMP is niet van toepassing op werkzaamheden aan groen (met uitzondering van gevelgroen en groen direct langs de gevels van bebouwing ten bate van renovatie of verduurzaming); • Het uiteindelijke SMP-gebied betreft de bebouwing binnen de begrenzing van de gemeente Ridderkerk, met uitzondering van industrieterreinen (Figuur 6.2). Hierbij zijn de paarse en roze vlakken onderdeel van het SMP en worden de groene (en grijze) vlakken buiten beschouwing gelaten; • De onderzoeken moeten, waar mogelijk, uitgevoerd worden conform de meest recente onderzoeksrichtlijnen en -protocollen voor de betreffende soorten. Dit betreffen op het moment van schrijven: o Richtlijn vleermuisonderzoek Grote Gebieden van Zoogdiervereniging en Netwerk Groene Bureaus (januari 2024); o Gebiedenprotocol gierzwaluw van Sovon (Sovon Vogelonderzoek Nederland en Arcadis, 2023); • Waar geen onderzoeksrichtlijn voor gebiedsgericht onderzoek beschikbaar is, zijn de kennisdocumenten van BIJ12 voor de betreffende soorten leidend bij het opzetten van een onderzoeksmethodiek.

• Voor specifieke vleermuissoorten kan, bij aanwezigheid, het vangen en zenderen van individuen noodzakelijk zijn om kwetsbare soort-functie combinaties in beeld te krijgen. Dit wordt vaak pas duidelijk tijdens het uitvoeren van het soortgericht onderzoek.

36

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

Figuur 6.1 – Gebieden welke onderdeel zijn van het SMP-gebied en gebieden die mogelijk onderdeel worden van het SMP-gebied.

6.1.2. Verdeling van deelgebieden Voor het uitvoeren van de soortgerichte onderzoeken moet het SMP worden opgedeeld in kleinere deelgebieden.. Tijdens het veldbezoek is gelet op het verdelen van het beoogde SMP-gebied in deze deelgebieden. Hierbij is gelet op de gebiedskenmerken, aanwezige potenties en doorfietsbaarheid. De deelgebieden zijn ingedeeld op basis de gestelde voorwaarden in de Richtlijn vleermuisonderzoek grote gebieden (Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2024). Voor de benodigde vogelonderzoeken zouden deelgebieden gecombineerd kunnen worden. In onderstaande afbeelding (Figuur 6.2) zijn de deelgebieden opgenomen. Geadviseerd wordt om de gemeente te verdelen in 20 deelgebieden. Dit zijn: 1. Centrum De wijk Centrum is compact met een regelmatige maar vrij overzichtelijke structuur en beperkte variatie. De wijk Centrum is te groot om als één deelgebied te kunnen onderzoeken. Daarom is ervoor gekozen om in deze wijk één deelgebied aan te wijzen en het restant van de wijk samen te voegen met deelgebieden van de wijk Oost. 2. West Binnen de wijk West staan meerdere woningtypes en er is een minder compacte structuur, wel is de opbouw van de wijk redelijk rechtaan. Ook deze wijk is net te groot om als één deelgebied te onderzoeken.

Daarom is ervoor gekozen om in deze wijk één deelgebied aan te wijzen en het resterende deel van de wijk samen te voegen met één van de deelgebieden van Oost. 3. Oost De wijk Oost is dichter bebouwd en bestaat voornamelijk uit eensgezinswoningen. Daarom is ervoor gekozen om deze wijk in te delen in twee deelgebieden, waarbij bij beide deelgebieden een onderdeel van Centrum wordt onderzocht. Het meest westelijke deel van Oost is samengevoegd met het deelgebied van West. 4. Drievliet In de wijk Drievliet is ruimer opgezet en heeft een grotere variatie in woningtypen. Hierdoor is meer tijd benodigd om de wijk door te fietsen en daarom is Drievliet ingedeeld in drie deelgebieden. 5. Het Zand Het Zand is een relatief jonge wijk met ruime kavels en vrijstaande woningen, deze wijk is echter kleiner dan de andere wijken en is daarom als één deelgebied aangemerkt.

37

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

6. Slikkerveer In Slikkerveer staan veel eensgezinswoningen, de wijk is ruim opgezet en is relatief groot. Daardoor wordt de wijk opgedeeld in vier deelgebieden en deel van de wijk bij deelgebieden van andere wijken (Bolnes) onderzocht. 7. Bolnes In Bolnes staan zowel appartementen als eensgezinswoningen en is minder ruim opgezet. Daardoor wordt de wijk opgedeeld in drie deelgebieden en een deel van de wijk samen met een onderdeel van Slikkerveer onderzocht. 8. Rijsoord De wijk Rijsoord bevat enkel lintbebouwing met veel vrijstaande woningen en privé-erven. Daarom is ervoor gekozen om deze wijk in twee deelgebieden op te delen en een deel van de wijk samen te voegen met een deelgebied van Oostendam. 9. Oostendam Ook Oostendam bestaat uit lintbebouwing met veel vrijstaande woningen en privé-erven. Daarom is ervoor gekozen om deze wijk in één deelgebied op te delen en een deel van de wijk samen te voegen met een deelgebied van Rijsoord. 10. Donkersloot Donkersloot bestaat uit een bedrijventerrein, waardoor de structuur van de wijk overzichterlijker is. Daarom wordt Donkersloot verdeelt in twee deelgebied en een deel van de wijk wordt samen met een deel van Slikkerveer onderzocht. 11. Cornelisland Deze wijk bestaat enkel uit bedrijventerrein en wordt niet onderzocht. 12. Verenambacht Deze wijk bestaat enkel uit bedrijventerrein en wordt niet onderzocht.

Omdat soortgericht onderzoek gebiedsdekkend uitgevoerd moet worden is het bedrijventerrein Donkersloot, dat zich midden in de stad bevindt, meegenomen in de verdeling van de deelgebieden. De overige bedrijventerreinen bevinden zich buiten de begrenzing van het SMP-gebied en zijn niet in de verdeling van de deelgebieden meegenomen. Het ligt echter aan de doelstelling van de gemeente Ridderkerk om te besluiten of deze bedrijventerreinen uiteindelijk wel of niet meegenomen worden in het soortgericht onderzoek. Agrarische gebieden zijn niet meegenomen omdat op het moment van schrijven de gemeente geen toekomstplannen heeft voor bouwplannen en/of realisatie van woningen in deze groene gebieden. Het inzetten van onderzoeksinspanning voor deze gebieden, heeft dan ook geen meerwaarde. Bovendien komen hier aanvullende soorten bij kijken, zoals eerder omschreven zijn, waardoor extra onderzoeksinspanning noodzakelijk is. De onderstaande deelgebieden dienen als basis en kunnen mogelijk kleiner gemaakt en/of uitgebreid worden op basis van de inzetbaarheid van ecologen en/of het wegvallen/extra toevoegen van bedrijventerreinen. Deze herindeling wordt gemaakt op basis van een proefronde, waarna geëvalueerd wordt naar de toepasbaarheid van de deelgebieden.

38

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

Figuur 6.2 – Deelgebieden binnen de gemeente Ridderkerk.

6.2. Beschrijving benodigde methodiek per soort(groep) 6.2.1. Huismus, spreeuw, boerenzwaluw en huiszwaluw Onderzoek naar de aanwezigheid van nesten van huismus en spreeuw dient uitgevoerd te worden in de deelgebieden: 1 t/m 10, 12 (deels), 13 t/m 20. Onderzoek naar de aanwezigheid van nesten van boerenzwaluw en huiszwaluw dient uitgevoerd te worden in de deelgebieden: 9, 10, 12 (deels), 13 t/m 20. Voor de huismus, boerenzwaluw, huiszwaluw en de spreeuw zijn op gebiedsniveau geen onderzoeksrichtlijnen beschikbaar. De methodiek voor onderzoek naar deze soorten moet worden opgesteld op basis van het Kennisdocument Huismus2, met inachtneming van de eisen die door de Omgevingsdienst Haaglanden aan soortgericht onderzoek stelt. Deze staan beschreven in de Richtlijn soortenmanagementplannen3. Vanwege de vergelijkbare potentiële nestplaatsen en overlappend broedseizoen kunnen huismus en spreeuw simultaan worden onderzocht,.

Het onderzoek moet voldoen aan de volgende uitgangspunten: • Onderzoek wordt uitgevoerd in de periode 1 april tot half mei; • Ieder deelgebied wordt minimaal tweemaal bezocht met minimaal 10 dagen tussen de bezoeken; • Per bezoek wordt een deelgebied tweemaal volledig doorkruist; • Onderzoeken kunnen per fiets of lopend worden onderzocht; • De onderzoeken vinden plaats in de ochtend (minimaal 2 uur na zonsopkomst als de temperatuur al wat is opgelopen); • Bij gunstige weersomstandigheden (geen regen, geen kou en/of een maximale windsterkte van windkracht 4 (afhankelijk van lokale omstandigheden), of te hoge temperaturen); • Per bezoek worden de volgende waarnemingen geregistreerd (incl. geslacht): o Nestindicerend gedrag; o Territoriaal gedrag; o In- of uitvliegende dieren; o Kwetterstruiken; o Juvenielen (op zicht en geluid).

2 3

https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/11/Kennisdocument-Huismus.pdf https://omgevingsdiensthaaglanden.nl/wp-content/uploads/Richtlijn_soortenmanagementplan_Wnb_ZH.pdf

39

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

6.2.2. Gierzwaluw Onderzoek naar de aanwezigheid van nesten van gierzwaluw dient uitgevoerd te worden in de deelgebieden (of wijken/woonkernen): 1 t/m 10, 12 (deels), 13 t/m 20. Voor het gierzwaluwonderzoek is het Gebiedenprotocol Gierzwaluw van toepassing4. Het onderzoek moet, conform dit protocol, voldoen aan de volgende uitgangspunten: • Het onderzoek bestaat uit een verkennend onderzoek en een verdiepend onderzoek; • Bij gunstige weersomstandigheden: droog weer, maximaal 4 Bft en bij een (boven)gemiddelde maximale dagtemperatuur; • De onderzoeken vinden ’s avonds plaats tussen anderhalf uur vóór tot een half uur ná zonsondergang; • Tijdens elke telling worden alle nestindicerende waarnemingen en laagvliegers geregistreerd en een inschatting van de aantallen hoogvliegers: o Nestindicerende waarnemingen zijn: in- en uitvliegen, kopje van gierzwaluw of geluid uit het nest en zekere poepsporen; • Verkennend onderzoek: o Hoofddoel: bepalen ligging concentraties/kolonies gierzwaluwen; o Periode: 15 mei – 15 juni, met als meest geschikte tijd 1 juni - 15 juli; o Fiets op één telavond het gehele onderzoeksgebied rond en voer alle waarnemingen in met een stip; o Delen van het gebied waar geen gierzwaluwen worden verwacht (industriegebied, park) mogen worden overgeslagen; • Op basis van het verkennend onderzoek worden de deelgebieden bepaald waar verdiepend onderzoek plaats moet

vinden; • Verdiepend veldonderzoek: o Hoofddoel: vinden van zoveel mogelijk nestlocaties; o Periode: 1 juni – 15 juli; o Breng aan elk deelgebied twee bezoeken, waarbij het deelgebied vlakdekkend wordt onderzocht. 6.2.3. Vleermuissoorten Onderzoek naar de aanwezigheid van functies van gebouwbewonende vleermuissoorten dient uitgevoerd te worden in de deelgebieden (of wijken/woonkernen): 1 t/m 20. Voor een overzicht van de verwachte soorten per wijk/woonkern wordt verwezen naar Tabel 5.1. Voor een volledig overzicht van de verwachte soorten en functies per wijk/woonkern wordt verwezen naar tabellen Tabel 4.1 t/m Tabel 4.11. Onderstaand is een korte samenvatting van de uitgangspunten voor de onderzoeksmethodiek voor de verschillende potentieel voorkomende vleermuissoorten opgenomen. Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger Voor deze drie vleermuissoorten is de ‘Richtlijn Vleermuisonderzoek Grote Gebieden’ leidend 5 (hierna: Richtlijn). van toepassing6.

Samengevat moet het onderzoek naar aanwezigheid van functies van deze vleermuissoorten voldoen aan de volgende uitgangspunten: • Te onderzoeken functies: kraamverblijfplaatsen, grote zomerverblijfplaatsen, paarterritoria (in relatieve aantallen/dichtheden), massawinterverblijfplaatsen, belangrijke vliegroutes en belangrijke foerageergebieden; • Uitgangspunt is dat een deelgebied binnen één uur door één persoon te fiets doorkruist moet kunnen worden tijdens het onderzoek (tenzij in de Richtlijn anders wordt aangegeven, bijvoorbeeld bij onderzoek naar massawinterverblijfplaatsen en paarterritoria); • Apparatuur: Heterodyne batdetector zonder automatische software in combinatie met een automatische batdetector met real-time opnamefaciliteit. Afhankelijk van het soort onderzoek moet deze verplicht worden aangevuld met warmtebeeldcamera; • Het basisonderzoek bestaat uit vier ronden en in totaal elf bezoeken (zie Figuur 6.3);

4

https://stats.sovon.nl/static/publicaties/Rap_2023-105_Gebiedenprotocol-gierzwaluw-S2023-113_LR.pdf https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/2024-01/Richtlijn%20Vleermuisonderzoek%20Grote%20Gebieden%20jan%202024.pdf 6 https://stats.sovon.nl/static/publicaties/Rap_2023-105_Gebiedenprotocol-gierzwaluw-S2023-113_LR.pdf 5

40

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

• • •

Bij aantreffen zwermgedrag, kraamverblijfplaats of grote zomerverblijfplaats (randvoorwaarden in overleg met Omgevingsdienst Haaglanden) moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 48 uur, uitvliegers geteld worden; Per ronde en bezoek worden de eisen aan periodisering, tijdstippen en omstandigheden beschreven in de Richtlijn. Deze dienen aangehouden te worden; Bij afwijken van de Richtlijn dient afstemming plaats te vinden met de Omgevingsdienst Haaglanden. Dit kan van toepassing zijn bij (onvoorziene) omstandigheden en onmacht zoals bijvoorbeeld een (te) koud voorjaar, perioden met veel regen en slecht weer of het aantreffen van uitzonderlijk veel zwermgedrag.

Figuur 6.3 – Overzicht periodisering ronden en bezoeken vleermuizonderzoek (Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2024).

Overige vleermuissoorten Vanwege afwijkend gedrag en ecologie is de Richtlijn niet één op één van toepassing voor andere vleermuissoorten. Om alsnog vast te stellen of en in hoeverre functies van overige vleermuissoorten aanwezig zijn binnen het SMP-gebied wordt de volgende methodiek gehanteerd: • Opnamen van automatische batdetectoren worden systematisch gescreend op aanwezigheid van andere vleermuissoorten, met name als de veldonderzoekers aangeven opmerkelijke opnamen/waarnemingen gehoord of gezien te hebben. Dit wordt gedaan in de omgeving van kerken en andere bijzondere objecten, bij parken en andere groene structuren met oud groen en opnamen in parken; • In het SMP-gebied worden op strategische plaatsen (en in het actieve seizoen van de vleermuizen) batloggers geplaatst.

Deze worden op, in of langs de volgende locaties geplaatst: nabij kerken en andere monumentale panden, langs doorgaande watergangen binnen het SMP-gebied of het SMP-gebied in- en uitgaand, langs doorgaande structuren en in parken en groengebieden met oud groen (die een potentieel hoge functie hebben voor vleermuizen); • Indien uit de bezoeken en/of opnamen blijkt dat er mogelijk belangrijke functies van andere vleermuissoorten dan de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis of laatvlieger aanwezig zijn, zullen alternatieve onderzoeksmethodieken ingezet moeten worden om deze in beeld te brengen (zie paragraaf 6.2.4). • Door de lastige ecologie van de laatvlieger kan het gebeuren dat aanwezigheid van de soort vastgesteld wordt, maar de kraamverblijfplaatsen niet gelokaliseerd kunnen worden. In die gevallen kan het noodzakelijk zijn om, in overleg met ODH, alternatieve onderzoeksmethoden (telemetrie) in te zetten (zie paragraaf 6.2.4).

41

Rapportnummer: 4510653.001(00) Projectlocatie: Gemeente Ridderkerk

6.2.4. Aanvullende/alternatieve onderzoeksmethodieken (o.a. telemetrie) In enkele gevallen is het nodig om het onderzoek met een afwijkende methodiek of hogere inspanning uit te voeren dan de Richtlijnen en protocollen voorschrijven. Dit is met name van toepassing bij waarnemingen van bijzondere of kwetsbare vleermuissoorten die duiden op aanwezigheid van kwetsbare verblijfplaatsen. In de meeste gevallen is het gericht vangen en zenderen van vleermuizen dan de meest efficiënte wijze om deze functies alsnog te vinden en in kaart te brengen. Voor het vangen en zenderen van vleermuizen is een separate vergunning nodig en dit werk kan alleen uitgevoerd worden door speciaal hiervoor opgeleide ecologen. Dit betreft voor SMP’s in bebouwd gebied met name in de volgende situaties: • Waarnemingen van grotere aantallen van meervleermuis, gewone grootoorvleermuis en kleine dwergvleermuis binnen of direct langs het SMP-gebied; • In zeer uitzonderlijke gevallen kan dit ook van toepassing zijn bij ruige dwergvleermuis, baardvleermuis en tweekleurige vleermuis; • Bij laatvlieger indien uit het standaard onderzoek blijkt dat de soort wel in dusdanige aantallen aanwezig is dat de aanwezigheid van kraamverblijfplaatsen niet uitgesloten kan worden, maar deze tijdens de onderzoeksronden met batdetectoren niet gevonden worden.

Vanwege de zeer verborgen levenswijze van deze soort zijn (kraam)verblijfplaatsen soms zeer moeilijk te vinden, terwijl deze soort tegelijkertijd wel erg kwetsbaar is voor renovatie, verduurzaming en sloop/nieuwbouw.

6.3. Boommarter en steenmarter Onderzoek naar de aanwezigheid van boommarter en steenmarter uitgevoerd te worden in de deelgebieden: 1 t/m 5, 8 t/m 10, 13 t/m 20. Voor de boommarter en steenmarter zijn op gebiedsniveau geen onderzoeksrichtlijnen beschikbaar. De methodiek voor onderzoek naar deze soorten is opgesteld op basis van de Handleiding boommarters inventariseren (Werkgroep Boommarter Nederland, 2007) en het Kennisdocument Kleine marterachtigen (BIJ12, 2024c), met inachtneming van de eisen die door de Omgevingsdienst Haaglanden aan soortgericht onderzoek stelt. Deze staan beschreven in de Richtlijn soortenmanagementplannen (Omgevingsdienst Haaglanden, 2023). Vanwege de vergelijkbare potentiële verblijfplaatsen en overlappend actief seizoen kunnen boommarter en steenmarter simultaan worden onderzocht.

Het onderzoek moet voldoen aan de volgende uitgangspunten: • Het onderzoek wordt uitgevoerd met behulp van wildcamera’s; • Er wordt contact opgenomen met boswachters en andere belanghebbenden die mogelijk extra informatie hebben over de aanwezigheid van boom- en steenmarters; • Per onderzoekspunt wordt minimaal acht weken onderzoek gedaan; • De onderzoekspunten worden strategisch uitgekozen, waardoor de aanwezigheid naar redelijkheid kan worden aangetoond of uitgesloten, met minimaal één camera per deelgebied (16 camera’s in totaal); • Per video worden de volgende waarnemingen geregistreerd: o Soort; o Aantal; o Gedrag.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1289/documents/43017