CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA Flexwoningen Ridderkerk inclusief bijlagen.pdf

Commissie Samen wonen RK 27 november 2025, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 7: Onderbouwing BOPA flexwonen43.553 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

Deze eerste aanvraag vormt daarmee de noodzakelijke planologische basis voor de verdere uitwerking van het initiatief. Bij de beoordeling van de opvolgende aanvraag worden eerder beoordeelde aspecten niet opnieuw meegenomen; alleen aanvullende of nieuwe onderdelen worden dan opnieuw tegen het licht gehouden. Bij de beoordeling van de opvolgende BOPA wordt wel getoetst of de vastgestelde kaders zijn meegenomen in het definitieve bouwplan.

64

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat sprake is van een evenwichtige en goed onderbouwde toedeling van functies aan deze locatie.

65

BIJLAGENBOEK

66

Waterhuishoudkundig plan Flexwonen Gemeente Ridderkerk

1

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

INLEIDING .................................................................................................................................. 2 1.1

Aanleiding .......................................................................................................................... 2

1.2

Doel en leeswijzer ............................................................................................................... 2

HUIDIGE SITUATIE ..................................................................................................................... 3 2.1

Inleiding ............................................................................................................................. 3

2.2

Maaiveldhoogte en landgebruik........................................................................................... 3

2.3

Bodem en grondwater ........................................................................................................ 4

2.4

Oppervlaktewatersysteem .................................................................................................. 6

WATEROPGAVE......................................................................................................................... 9 3.1

Inleiding ............................................................................................................................. 9

3.2

Regionale wateropgave en wateropgave door gebiedsontwikkeling ...................................... 9

3.3

Compensatie voor toename verhard oppervlak .................................................................. 11

3.4

Wateropgave voortkomend uit de eisen t.b.v. klimaatadaptatie .......................................... 12

WATERHUISHOUDING IN PLANGEBIED .................................................................................. 13 4.1

Inleiding ........................................................................................................................... 13

4.2

Ontwatering, drooglegging en restzetting .......................................................................... 13

4.3

Compenserende maatregelen ........................................................................................... 13

4.4

Riolering ........................................................................................................................... 16

1

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

Flexwoningen bieden snel een tijdelijke oplossing voor mensen die dringend een huis nodig hebben, bijvoorbeeld door Oekraïners, spoedzoekers of mensen wiens woning gesloopt gaat worden voor sloop/nieuwbouw. Gemeente Ridderkerk werkt samen met woningcorporatie Wooncompas aan de ontwikkeling van de locatie Sportlaan – Rotterdamseweg – Benedenrijweg van 90-130 flexwoningen (Figuur 1.1).

Figuur 1.1 Locatie Flexwonen Ridderkerk

1.2

Doel en leeswijzer

Voorliggende rapportage bevat het waterhuishoudkundig plan voor de locatie Flexwonen. Hierin wordt in beeld gebracht wat de huidige situatie van het plangebied is (Hoofdstuk 2), welke wateropgaves er zijn of komen deze ontwikkeling (Hoofdstuk 3) en hoe deze wateropgave technisch en ruimtelijk kan worden opgevangen in het plangebied (Hoofdstuk 4).

2

2 HUIDIGE SITUATIE 2.1

Inleiding

In voorliggend hoofdstuk staat de huidige situatie van het plangebied beschreven. 2.2

Maaiveldhoogte en landgebruik

De maaiveldhoogte (Figuur 2.1) en het landgebruik (Figuur 2.2) in en rondom het plangebied staat hieronder weergegeven. Het bouwland in het plangebied heeft als voorkomen ‘Groente in open grond’. Maaiveldstatistieken Gemiddeld: -1,32 m NAP Mediaan: -1,32 m NAP Minimum: -2,27 m NAP Maximum: -0,74 m NAP

Figuur 2.1 Maaiveldhoogte (m NAP, bron: Actueel Hoogtebestand Nederland versie 5 (AHN5))

Figuur 2.2 Landgebruik (Fysiek voorkomen, bron: STOWA Waterschadeschatter)

3

2.3

Bodem en grondwater

De bodem van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit klei- en veenlagen. Uit het bodemonderzoek1 volgt dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de ontwikkeling op deze locatie. Uit het indicatieve zettingsadvies2 blijkt dat de projectlocatie voorbelast en opgehoogd dient te worden om te voldoen aan de zettingseis van 15 cm in 30 jaar inclusief autonome bodemdaling (van 15 cm). Het dichtstbijzijnde grondwatermeetpunt is bij de Oranjestraat 148 (Putcode in BRO: GMW38C134929, Figuur 2.3) op zo’n 500 meter van het plangebied. De Representatief Hoogst gemeten Grondwaterstand (RHG) van de tijdreeks ligt op -1,67 m NAP. Noot: Er ligt een grote watergang (Blaak Wetering) tussen het plangebied en het grondwatermeetpunt, waardoor dit meetpunt niet voldoende representatief is.

Figuur 2.3 Gemeten grondwaterstand Oranjestraat en afgeleide statistieken

In de landelijke Klimaateffectatlas (https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartviewer) staat dat de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG, Figuur 2.4, afkomstig uit het Nationaal Watermodel van 2016) zo’n 0,80 – 1,30 m onder maaiveld zit. In de Klimaatmonitor (Figuur 2.5, https://bar.klimaatmonitor.net/) staat de GHG in het toekomstig klimaat (KNMI klimaatscenario WH2050) dichter bij het maaiveld komt te liggen (met waarden van zo’n 0,17 – 1,00 m onder maaiveld). Waarden van recentere analyses zijn helaas nog niet gepubliceerd. Door de ligging van het plangebied en de geplande ophoging is er geen specifieke aandacht voor het grondwater nodig.

1

Verkennend bodemonderzoek volgens NEN5740 – Rotterdamseweg ong. te Ridderkerk (ABO-Milieuconsult B.V. in opdracht van KuiperCompagnons, 20 mei 2025) 2 Ridderkerk Slikkerveer project flexwonen Indicatief zettingsadvies (Geobest, 9 mei 2025)

4

Figuur 2.4 Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) in het huidig klimaat (https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartviewer)

Figuur 2.5 Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) in het klimaat WH2050 (https://bar.klimaatmonitor.net/)

5

2.4

Oppervlaktewatersysteem

Het plangebied ligt in peilgebied ‘Slikkerveer west en centrum Ridderkerk’ (Y11.003) met een vast peil van -2,10 m NAP en een beheermarge van +/- 10 cm (Figuur 2.6) en een oppervlak van zo’n 201 hectare. Het peilgebied maakt onderdeel uit van bemalingsgebied Oud- en Nieuw Reyerwaard. Aan drie zijden van het plangebied liggen watergangen (Figuur 2.7): •

• •

Aan de noordkant van het plangebied ligt een hoogwaterloop (H08052, waterschap, Blaak Wetering) met een bodembreedte van 3,8 m, een bodemhoogte van -3,20 m NAP en een talud van 1. Aan de oostkant ligt een sloot (T14630, gemeente) met een bodembreedte van 0,4 m, een bodemhoogte van -2,80 m NAP en een talud van 0,75. Aan de zuidkant ligt een wegsloot (W04688, waterschap) met een bodembreedte van 1,8 m, een bodemhoogte van -3,00 m NAP en een talud van 1.

Figuur 2.6 Peilgebied Slikkerveer west en centrum Ridderkerk (Y11.003) met bij de ster de locatie Flexwonen

6

Figuur 2.7 Oppervlaktewater bij plangebied Flexwonen

Er liggen een aantal kunstwerken in het plangebied. Dit zijn de ontsluitingsbrug (09622BR, Figuur 2.8 links op de foto, dubbele rijbalken) van het perceel, de voetgangersbrug van de Sportlaan (04701BR, Figuur 2.8, rechts op de foto met leuning) en een betonnen gewelfbrug (024701) onder de Sportlaan door (Figuur 2.9), met een overspanning van 4 meter.

Figuur 2.8 Bruggen bij het perceel waar Flexwonen komt

7

Figuur 2.9 Betonnen gewelfbrug onder Sportlaan

8

3 WATEROPGAVE 3.1

Inleiding

Een wateropgave is enerzijds een surplus aan water in een gebied, dat kan leiden tot wateroverlast. Er bestaan normen en eisen waaraan ‘het water’ moet voldoen. Het begrip ‘wateropgave’ is enerzijds een indicatie voor de omvang van het probleem (voorliggend hoofdstuk). Anderzijds bevat de wateropgave het totale pakket aan de benodigde ruimtelijke én technisch maatregelen (Hoofdstuk 4). 3.2

Regionale wateropgave en wateropgave door gebiedsontwikkeling

De norm voor wateroverlast van regionale oppervlaktewatersystemen3 staat opgenomen in de Provinciale Omgevingsverordening en het waterschap moet hier – als waterbeheerder - aan voldoen. Uit het watergebiedsplan van de huidige situatie blijkt dat het plangebied een wateropgave heeft: “Enkele akkerbouwpercelen en weilanden van stoeterij 't Woude lopen onder”. Deze norm is afhankelijk van het grondgebruik (Tabel 3.1). Het grondgebruik wijzigt met de gebiedsontwikkeling van ‘Akkerbouw’ (T=25) naar ‘Bebouwd Gebied’ (T=100) en krijgt dus hogere inundatie-eisen. Tabel 3.1 Normen voor wateroverlast van regionale oppervlaktewatersystemen

Grondgebruik Grasland Akkerbouw Hoogwaardige land- en tuinbouw Glastuinbouw Bebouwd gebied

Eis aan herhalingstijd T=10 T=25 T=50 T=50 T=100

Uit het watergebiedsplan van Waterschap Hollandse Delta van peilgebied ‘Slikkerveer west en centrum Ridderkerk’ (Y11.003) komt een wateropgave4 van 25.200 m3. Dit geldt dus voor het gehele peilgebied van zo’n 201 hectare. Het perceel van plangebied heeft een oppervlak van zo’n 3,5 hectare. Kort door de bocht zou, op basis van het areaal, de wateropgave voor het plangebied zo’n 438 m3 zijn. Maar omdat er in het peilgebied sommige plekken lager liggen dan andere, werkt dat niet zo. Aan het watergebiedsplan liggen modelanalyses ten grondslag. Hierin wordt per watergang en per herhalingstijd en waterstand berekend. De watergangen die rondom het plangebied liggen, hebben logischerwijs vergelijkbare berekende waterstanden. De berekende waterstand voor een herhalingstijd van T=25 is -1,38 m NAP en voor T=100 is dat -1,33 m NAP. Het water dat bij die waterstanden op maaiveld komt te staan, kan worden gezien als de ‘lokale’ wateropgave (Figuur 3.1). Qua volume is dat 1.481 m3 bij T=25 en 2.017 m3 bij T=100.

3

In de volksmond ook wel NBW-normen genoemd die voorheen in de Waterwet waren vastgelegd en nu in de Omgevingswet Voor de wateropgave (in m3) van dit peilgebied is het knelpunt op de locatie van het plangebied als uitgangspunt genomen. Dit omdat hier het grootste knelpunt zit. In de gehanteerde methode wordt door het waterschap aangenomen dat het oplossen van het grootste knelpunt ook zal bijdragen aan het oplossen van kleinere knelpunten in het peilgebied. 4

9

Figuur 3.1 Water op maaiveld plangebied bij berekende waterstanden voor T=25 (boven) en T=100 (onder) waterstand

10

Met de voorgenomen planontwikkeling verandert de gebruiksfunctie van het perceel van Akkerbouw naar Bebouwd gebied. Naast andere inundatie-eisen (Tabel 3.1) betekent dat ook dat het perceel wordt opgehoogd. Hiermee komt het gebied hoger te liggen dan de T100-waterstand, waardoor het dus niet meer overstroomt. Hierdoor is er dan echter ook geen ‘berging’ meer op maaiveld aanwezig, zoals dat nu nog wel het geval is (Figuur 3.1, daar waar het ‘blauw’ is). Om te voorkomen dat de planontwikkeling elders tot (meer) overlast gaat leiden, moet dit verlies aan ‘berging’ worden gecompenseerd. Dit vindt idealiter in het plangebied plaats. Conclusie regionale wateropgave en wateropgave door gebiedsontwikkeling Met de planontwikkeling moet zo’n 2.017 m3 worden gecompenseerd voor de regionale wateropgave. Maatregelen vinden bij voorkeur plaats in het plangebied, en anders nabij het plangebied of in hetzelfde peilgebied. 3.3

Compensatie voor toename verhard oppervlak

In de Waterschapsverordening (voorheen ‘Keur’) en bijbehorende beleidsregels en hydrologische uitgangspunten staat opgenomen dat er bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen bij een toename aan verhard oppervlak met meer dan 500 m2 compenserende maatregelen getroffen moeten worden. Dit is dus het geval in het plangebied. Het waterschap hanteert hier Beleidsregel 11. Volgens Beleidsregel 11 moet de compensatie 14% van de nieuwe verharding zijn. Vanuit Waterschap Hollandse Delta is in een eerdere project5 aangegeven in hoeverre verschillende type verharding meegenomen moet worden. Dit is als volgt: • • • • • • •

Asfalt, beton/Stelconplaten, geheel gesloten elementenverharding (gevoegd met cement), gravel/kunstgras met drainage naar oppervlaktewater, daken: 100% Grasbetontegels: 50% Kunstgras/gravel: 75% Elementenverharding (stoep/weg): 50-75% Tuinen (bij beoordeling plannen) bij woning die: vrijstaand (25%), twee-onder-één-kap (50%) en rijtjeswoningen (50%) zijn Doorlatende (elementen)verharding: 25%-75% verharding (oordeel hydrologie) Andere soorten dienen door hydroloog bij het waterschap berekend te worden

De globale inschatting van het verharde oppervlak van de planontwikkeling is met aangenomen percentage: • • • • •

Ontsluitingsweg: 1.400 m2: Elementenverharding 75% Parkeerplaatsen (90 stuks): 1.125 m2: Grasbetontegels 50% Woningen: 1.250 m2 dakoppervlak Gemeenschappelijk gebouw: 300 m2 dakoppervlak Totaal: 3.162,5 m2

5

Mailwisseling d.d. 16 april 2025 tussen vergunningverlener waterschap en projectleider civiel gemeente m.b.t. project Driehoek ‘t Zand/Asserpark.

11

Om dit oppervlak te compenseren kan gebruik worden gemaakt van de volgende maatregelen (volgens het afpelprincipe): • • • •

Verbreding bestaande watergang met natuurvriendelijke oever (talud 1:4) Nieuwe sloot Nieuwe greppel Waterplein / verlaagd maaiveld / waterbergingskelder

Maatregelen vinden bij voorkeur plaats in het plangebied, nabij het plangebied of in hetzelfde peilgebied. Gezien de grootte van het peilgebied zal het waterschap niet akkoord gaan met waterberging in alternatieve vorm. De grootte van de compensatie in de vorm van ‘nieuw water’ is 14% van 3.162,5 = 442,75 m2. 3.4

Wateropgave voortkomend uit de eisen t.b.v. klimaatadaptatie

Gemeente Ridderkerk heeft het ‘Convenant Klimaatadaptief Bouwen’ ondertekend. Hiermee heeft gemeente zich als doel gesteld om alle nieuwbouwlocaties vanaf 2022 klimaatadaptief te ontwikkelen. Ten aanzien van wateroverlast door hevige neerslag komt dat neer op de volgende eisen6: •

•

In het plangebied treedt geen waterschade op bij een bui die 1x per 100 jaar (T=100) voor kan komen. Vitale en kwetsbare functies blijven beschikbaar bij een bui die 1x per 250 jaar (T=250) voor kan komen. Dit zijn momenteel respectievelijk 70 mm in één uur (T=100 WH20250) en 90 mm in één uur (T=250 WH2050). Een groot deel van de neerslag (50 mm) wordt op privaat terrein geïnfiltreerd, vastgehouden en/of geborgen in voorzieningen op privaat terrein of in daarvoor bestemde extra voorzieningen in het plangebied of binnen de watersysteemgrenzen

Voor het plangebied is nog geen terreinmodel met hoogteverloop beschikbaar, waardoor de toetsing aan de eisen vanuit het convenant nog niet kan worden uitgevoerd. Gezien de aard van de ontwikkeling kan al wel worden gezegd dat de toetsing voor de eis T=250 niet hoeft te worden uitgevoerd. Omdat het gebied in eigendom blijft van de gemeente, komt de 50 mm eis formeel ook te vervallen. Daarbij kan wel gezegd worden dat het hemelwater op het perceel zelf wordt verwerkt, en niet via de riolering wordt afgevoerd.

6

https://bouwadaptief.nl/doelen-en-eisen/wateroverlast/?regio=zh

12

4 WATERHUISHOUDING IN PLANGEBIED 4.1

Inleiding

In voorliggend hoofdstuk staan de inrichtingseisen van de gemeente, de compenserende maatregelen en de mogelijkheden voor het ontwerp, en het rioleringsontwerp 4.2

Ontwatering, drooglegging en restzetting

De volgende inrichtingseisen worden gesteld door de gemeente: • • •

De drooglegging moet volgens de LIOR minimaal 0,90 m zijn. Voor het project FlexWonen wordt echter 1,10 m gehanteerd omdat de bebouwing relatief dicht bij de watergangen komt te staan. De ontwateringsdiepte moet minimaal 0,80 m zijn. De restzettingseis voor openbaar gebied mag maximaal 15 cm in 30 jaar zijn.

Uit het watergebiedsplan van Waterschap Hollandse Delta volgt dat de T100-waterstand voor oppervlaktewater op de locatie van het plangebied -1,33 m NAP is. Het nieuw te bebouwen gebied moet dus hoger worden aangelegd. 4.3

Compenserende maatregelen

Uit Hoofdstuk 3 blijkt de volgende compensatie-opgave (let op verschil tussen m2 en m3): • •

2.017 m3 voor de regionale wateropgave PLUS 442,75 m2 voor de toename verhard oppervlak

In het ontwerp d.d. 17-6-2025 (Figuur 4.1) is opgenomen dat de sloot aan de oostkant van het plangebied (T14630, gemeente) wordt verbreed en dat parallel aan die sloot in het verlengde van sloot T42139 een nieuwe watergang wordt gegraven die direct is verbonden met de hoogwaterloop (H08052) van het waterschap. Daarnaast is mogelijk ook een deel van het perceel aan de Beneden Rijweg in te zetten voor waterberging.

Figuur 4.1 Ontwerp d.d. 17-6-2025

13

Verbreding T14630 T14630 heeft een vast peil van -2,10 m NAP. De sloot heeft een lengte van 136,5 meter, een bodembreedte van 0,4 m, een bodemhoogte van -2,80 m NAP en een talud van 0,75. In de huidige situatie is de breedte op waterlijn 1,45 m (Figuur 4.2), wat neerkomt op een wateroppervlak van (1,45 x 136,5 = ) 198 m2.

Figuur 4.2 Verbreding T14630 naar natuurvriendelijke oever aan één of beide kanten resulteert in grotere breedte op waterlijn

Met een natuurvriendelijke oever (talud 1:4) aan één kant komt het totale wateroppervlak op 512 m 2. Met een natuurvriendelijke oever aan beide kanten komt het totale wateroppervlak op 819 m 2. Dit is een toename van respectievelijk 314 en 621 m2. Per meter extra verbreding (op bodembreedte) komt er 136,5 m2 wateroppervlak bij. In het conceptontwerp (d.d. 1 juli 2025) staat een indicatieve uitbreiding van het wateroppervlak van zo’n 700 m2 opgenomen. Aanleg nieuwe sloot in het verlengde van sloot T42139 In de huidige versie van het ontwerp is nog een extra waterpartij (in het verlengde van sloot T42139) opgenomen met een lengte van zo’n 50 meter, die aan wordt gesloten op de hoofdwatergang, met een waterpeil van -2,10 m NAP. In de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (geraadpleegd 26 juni 2025) staat de volgende richtlijn voor sloten (Figuur 4.3):

Figuur 4.3 Richtlijn gemeente uit Leidraad Inrichting Openbare Ruimte met betrekking tot standaarddoorsnede sloot

14

Het minimale slootprofiel wordt daarmee: Een bodembreedte van 0,5 m, een bodemhoogte van -2,90 m NAP en een talud van 0,667. Op basis van het conceptontwerp (d.d. 1 juli 2025) is het wateroppervlak ingeschat op zo’n 350 m2 en is de breedte op waterlijn 7 meter. Per meter extra verbreding (op bodembreedte) komt er 50 m2 wateroppervlak bij. Aanleg extra waterberging Het resterende deel van de wateropgave van het plangebied kan worden opgelost door de aanleg van extra waterberging (of greppel) elders in het plangebied of in het oostelijk deel van het perceel (Figuur 4.4).

Figuur 4.4 Perceel voor Flexwonen, met geel, oranje en groen omlijnd delen van het perceel buiten het plangebied

De bodem van de berging ligt dan gelijk of hoger aan het waterpeil (-2,10 m NAP). De hoeveelheid water die in een berging kan worden opgevangen wordt daarnaast bepaald door de peilstijging bij een T=10). De T=10 waterstand is -1,51 m NAP voor het plangebied en omgeving, dus de peilstijging is 59 centimeter. Voor de regionale wateropgave specifiek voor het plangebied komt dat neer op 2.017 m3 / 0,59 m = 3.419 m2. Ter indicatie: De oppervlakken van het gele, oranje en groene vak in Figuur 4.4 zijn respectievelijk circa 4.000 ; 1.600 en 3.000 m2. Om de gehele wateropgave op te lossen is zo’n 25.200 m3 / 0,59 m = 42.712 m2 nodig.

15

Conclusie compenserende maatregelen Voor de toename van verhard oppervlak moet 442,75 m2 nieuw water worden gegraven. Dit kan worden gerealiseerd in het plangebied met de verbreding van de oostelijke watergang (T14630) en de aanleg van een nieuwe watergang in het verlengde van sloot T42139. Daarnaast biedt deze verbreding ook nog de mogelijkheid om het lokale deel van de regionale wateropgave (deels) op te lossen. Hoeveel ruimte hiervoor vrij gemaakt kan worden binnen het plangebied, zal in het ontwerpproces verder vorm moeten krijgen. Het oostelijk deel van hetzelfde kadastrale perceel biedt ook nog mogelijkheden voor het aanleggen van extra waterberging, waarbij niet enkel de wateropgave van het plangebied een plaats kan krijgen, maar ook een deel van de hele regionale wateropgave van 25.200 m3. 4.4

Riolering

In het plangebied staan 90 woningen gepland met 188 inwoners. Bij het ontwerp van het hoofdriool worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •

• • • • • • • •

Er wordt enkel huishoudelijk afvalwater afgevoerd De afvalwaterproductie is 12 liter per inwoner per uur over 10 uur • DWA-belasting: 2,3 m3/uur • Dagproductie DWA is 22,56 m3 Verhang DWA-stelsel tussen 1:250 en 1:750 Beginstrengen 1:250 Minimum afmeting alle riolen 250 mm Minimale dekking 1,50 m (t.o.v. kruin van de weg) PVC-klasse minimaal SN 8 voor alle toepassingen Het DWA-stelsel kan minimaal 24 uur afvalwater bergen Het rioolgemaal in het DWA-stelsel is uitgevoerd als dubbelpompsgemaal De verblijftijd van het afvalwater mag niet hoger zijn dan 10 uur

Uit het conceptontwerp (d.d. 1 juli 2025) van het plan is af te leiden dat de woningen zich over een lengte van zo’n 140 meter uitstrekken en dat er ten zuiden van het woonblok een weg is opgenomen in het ontwerp. Onder deze weg wordt een DWA-stelsel (rode lijn) aangelegd (Figuur 4.5), met aan de uiteinden reguliere inspectieputten (zwarte bolletjes) en in het midden de pompput voor het drukrioolgemaal (oranje bolletje). De afstanden tussen de putten is daarmee zo’n 70 meter. De persleiding (paarse lijn) loopt deels parallel aan het DWA-stelsel en gaat dan de hoek om richting de ontsluiting van het gebied. Vrijverval stelsel Om 24 uur het afvalwater (dus 22,56 m3) te kunnen bergen is (met name door de beperkte strenglengte) een diameter van Ø500 nodig. Gezien de aard van het gebied en het afschot dat de buis daarmee moet krijgen, is dit een forse overdimensionering om aan de bergingseis te voldoen.

16

Figuur 4.5 Schetsontwerp vrijverval riolering (rode lijn) Flexwonen

Bij een kleinere diameter7 is de vultijd van het stelsel: • • •

Ø250: 6,1 m3 berging = 6,5 uur Ø315: 9,6 m3 berging = 10,25 uur Ø400: 15,6 m3 berging = 16,6 uur

Omdat het rioolgemaal wordt uitgevoerd als dubbelpompsgemaal (om storingen op te vangen) en de verblijftijd niet hoger mag zijn dan 10 uur, wordt geadviseerd een diameter van Ø315 te gebruiken. Omdat de toekomstige terreinhoogtes nog niet bekend zijn, worden de minimale bob’s van de leidingen relatief ten opzichte van maaiveld gegeven: • •

B.O.B. bij de inspectieputten (zwarte bolletjes): 1,82 m-mv B.O.B. bij pompput drukrioolgemaal: 2,10 m-mv

Verder wordt geadviseerd om op de inspectieputten één kolk aan te sluiten, om de leidingen te spoelen. Putafmetingen moeten zijn: • •

Inspectieput: 800x800 (lxb) Pompput: 1000x1330 (lxb)

7

Bij PVC wordt de buitendiameter als maatvoering gebruikt. De binnendiameter is respectievelijk 235, 296 en 377 voor genoemde buizen met SN8-klasse.

17

Mechanisch stelsel Vanaf het drukrioolgemaal moet er een persleiding komen van zo’n 300 meter, HDPE 63. Deze persleiding loost op het vrijvervalstelsel van Slikkerveer (put 1761) en voert vervolgens af via 760 HG Prinses Margrietstraat 54a. Ter hoogte van de ontsluiting van Flexwonen moet een boring komen onder de watergang. Deze heeft een bodemhoogte van -3,20 m NAP.

Figuur 4.6 Schetsontwerp indicatief tracé persleiding inclusief kabels en leidingen (KLIC d.d. 11 juli 2025)

De droogweerafvoer van bemalingsgebied Slikkerveer is volgens het SSW (Rioplus, 2022) 109 m3/uur. Deze neemt met Flexwonen toe naar 109 + 2,3 = 111,3 m3/uur. De werkelijke pompovercapaciteit blijft daarmee 0,3 mm/uur. Compensatie door afkoppelen wordt gerealiseerd met de reconstructie van Slikkerveer Noord. Als voorstel voor het dubbelpompsgemaal wordt gedaan: • • • • •

2x Flygt MP3069HT (versnijdend) Waaier 250 Vermogen: 2,4 kW Putbodem minimaal 350 mm onder B.O.B. = Minimaal 2,45 m – mv Verder specificaties voor het gemaal volgen in het Programma van Eisen

18

Notitie Opdrachtgever: W. Drost, Gemeente Ridderkerk Auteur:

S.D. Elzerman

Betreft:

Quick scan flexwoningen Sportlaan te Ridderkerk

Projectnummer:

3187

Datum:

19 juni 2025

Status:

Definitief

bezoekadres: Natuurhistorisch Museum Rotterdam Westzeedijk 345 3015 AA Rotterdam telefoon: 010 – 266 04 70 e-mail: info@bureaustadsnatuur.nl www.bureaustadsnatuur.nl

Inleiding Voor de bouw van flexwoningen op een terrein in de gemeente Ridderkerk is een flora en fauna quick scan uitgevoerd. Doel is om te bepalen in hoeverre sprake is van een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de Omgevingswet (zie Bijlage 1 van deze notitie). De Gemeente Ridderkerk is van plan om de bouw van 90 tot 130 flexwoningen mogelijk te maken op een landbouwperceel in de wijk Slikkerveer. Het plangebied (kadastraal perceel RDK01, A8528) ligt tussen de Sportlaan, Benedenrijweg en Rotterdamseweg (Figuur 1). Na het bouw- en woonrijp maken van het terrein worden woonunits geplaatst (waarschijnlijk met fundering) en infrastructuur aangelegd met een ontsluitingsroute naar de Sportlaan. De openbare ruimte wordt ingericht en waarschijnlijk wordt langs de Rotterdamseweg een geluidsscherm geplaatst om geluidshinder voor de woningen te voorkomen. Er wordt nog onderzocht of het plangebied opgehoogd moet worden (met aanleg van een drainagesysteem) en in hoeverre extra waterberging/-opvang gecreëerd moet worden. De bebouwing blijft ten westen van de watergang; de gronden rondom de monumentale bebouwing aan de oostzijde blijft onbebouwd. Ten tijde van het uitvoeren van de quick scan waren de bouwplannen nog niet in detail uitgewerkt.

Figuur 1. De ligging van het plangebied tussen de Sportlaan, Benedenrijweg en Rotterdamseweg in Ridderkerk is aangegeven met een rood kader (luchtfoto: ©PDOK).

bSR-notitie 3187 – Quick scan flexwoningen Sportlaan Ridderkerk

1 / 16

Methodiek Onderzoek beschermde soorten De quick scan richt zich in eerste instantie op soorten vallend onder Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en soorten aangemerkt in de bijlage IX bij het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en eventuele gemeentelijke beschermde soorten. Een initiatiefnemer van een flora- en fauna-activiteit heeft op grond van de Zorgplicht, artikel 27 van het Bal, de verantwoordelijkheid om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van beschermde inheemse soorten (zie ook Bijlage 2 van deze notitie). De quick scan bestaat uit een literatuuronderzoek en veldbezoek aan de projectlocaties. Op basis van verspreidingsgegevens over beschermde soorten is een overzicht verkregen van te verwachten soorten. Een overzicht van de geraadpleegde bronnen is te vinden onderaan deze notitie. Dit is aangevuld met een bezoek aan de projectlocatie op 9 april 2025 om potentieel aanwezig leefgebied van beschermde soorten vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Het weer tijdens het bezoek was gunstig: bewolkingsgraad van 5/8 met een temperatuur van rond de 10oC graden en een wind van 2 Bft. uit noordelijke richting. De effecten van de werkzaamheden zijn getoetst aan de potenties voor beschermde flora en fauna.

Dit kan leiden tot een advies voor aanvullend onderzoek en/of het treffen van mitigerende ten aanzien van beschermde flora en fauna nodig zijn om overtreding van verbodsbepalingen in de Omgevingswet te voorkomen. De geldigheid van de onderzoeksresultaten van een natuurwaardenonderzoek, zoals een quick scan, zijn wettelijk vastgesteld op maximaal drie jaar (Omgevingsregeling, art. 7.197j, module: flora- en fauna-activiteit).

Onderzoek gebiedsbescherming In de quick scan is tevens onderzocht of de flora- en fauna-activiteit potentieel schadelijke effecten heeft op natuurgebieden in de omgeving. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden, gebieden die onderdeel zijn van Natuurnetwerk Nederland en beschermde natuur-/recreatiegebieden op basis van de provinciale verordening. Er is op hoofdlijnen gekeken naar de kans op verstorende effecten van geluid, licht en trillingen, alsmede van de uitstoot van stikstof. Een berekening met het AERIUS-rekenmodel is geen onderdeel van deze quick scan.

Onderzoek beschermde houtopstanden In de Omgevingswet is ook de bescherming van houtopstanden geregeld. Onderzocht is of zich bij de projectlocaties beschermde houtopstanden bevinden en welke (gemeentelijke) regelgeving hieraan verbonden is in relatie tot eventuele kap en herplant.

Resultaten Beschrijving plangebied Het plangebied bestaat uit een landbouwperceel dat samen met de naastgelegen paardenweides het laatste open gebied vormt, te midden van woonwijken. Het perceel is al jarenlang in gebruik als akker (Figuur 2). De akker wordt omringd door sloten. De sloot ten westen van het erf van de monumentale boerderij vormt de grens van de nieuwbouw.

bSR-notitie 3187 – Quick scan flexwoningen Sportlaan Ridderkerk

2 / 16

Figuur 2. Overzicht van het plangebied vanuit westelijke richting.

Flora Het plangebied is al jarenlang in gebruik als akker. Ook ten tijde van het veldbezoek werd hier nog een gewas verbouwd. Er wordt op een gangbare manier geteeld, waardoor over een groot gedeelte van het plangebied nauwelijks andere planten groeien dan de geteelde gewassen. Een beperkt aantal plantensoorten is juist gebonden aan akkers, waarvan de meeste soorten een beperkt verspreidingsgebied hebben. In Zuid-Holland zijn dat onder andere Akkerboterbloem Ranunculus arvensis, Kleine wolfsmelk Euphorbia exigua en Brede wolfsmelk Euphorbia platyphyllos (FLORON 2025). Voor deze soorten geldt dat ze groeien op akkers met leemen kalkhoudende bodems vaak tussen granen. In het plangebied zijn de afgelopen jaren verschillende gewassen geteeld. Het is niet uitgesloten dat deze planten hier groeien. In de afgelopen jaren zijn enkele groeiplaatsen van deze soorten bij toeval ontdekt, zoals de Kleine wolfsmelk in de Zuidpolder bij Barendrecht (VanderHelm Milieubeheer 2021). Doordat de zaden van deze akkerflora lang kiemkrachtig zijn en akkers ontoegankelijk, kan een groeiplaats lang onontdekt blijven. Langs de randen van de akker is een smalle strook waar (wilde) planten zich kunnen vestigen. Hier groeien voornamelijk grassen met ruigtekruiden, zoals Paarse dovenetel Lamium purpureum, Rietgras Phalaris arundinacea en Tuinwolfsmelk Euphorbia peplus.

Voor andere beschermde soorten is het plangebied ongeschikt.

Ongewervelden (insecten en weekdieren) Op basis van de verspreidingsgegevens kunnen veel soorten strikt beschermde insecten en weekdieren worden uitgesloten, omdat deze niet voorkomen in Zuid-Holland (Bijlage 2). Voor de soorten, die wel populaties in de provincie hebben, ontbreekt geschikt leefgebied. De akker is ongeschikt voor de beschermde insecten en weekdieren. Hier groeien geen waardplanten van de strikt beschermde dagvlinders. De watergangen hebben

bSR-notitie 3187 – Quick scan flexwoningen Sportlaan Ridderkerk

3 / 16

niet de goede waterkwaliteit, geen natuurlijke oevers met oeverplanten en onvoldoende ondergedoken waterplanten. Deze combinatie aan omstandigheden maken in het plangebied ongeschikt.

Vissen Op basis van het verspreidingsgebied kan het voorkomen van de meeste strikt beschermde vissoorten al op voorhand worden uitgesloten. In de provincie Zuid-Holland komt de Grote modderkruiper Misgurnus fossilis als enige strikt beschermde zoetwatervis voor (RAVON en ANEMOON 2025, Kranenbarg et al. 2015). De sloten rondom de akker worden regelmatig geschoond. Hierdoor ontbreken een modderlaag op de bodem en een dichtheid aan waterplanten die de Grote modderkruiper nodig heeft (Schuurmans 2023). Ook voor andere beschermde vissoorten is het plangebied ongeschikt.

Amfibieën De enige strikt beschermde amfibieën in de provincie Zuid-Holland met een wilde populatie zijn Heikikker Rana arvalis, Poelkikker Pelophylax lessonae en Rugstreeppad Epidalea calamita (RAVON 2025). Het voorkomen van de Heikikker en Poelkikker in Zuid-Holland zijn beperkt tot de veenweidegebieden in het oosten van de provincie. De Rugstreeppad kent een ruimere verspreiding, maar komt niet voor op het eiland IJsselmonde. Op basis van de biotoop kan het voorkomen van de Rugstreeppad in het plangebied worden uitgesloten. Naast de strikt beschermde soorten kent de Omgevingswet een lijst met overige beschermde amfibieën, waaronder Kleine watersalamander Lissotriton vulgaris, Bruine kikker Rana temporaria en Gewone pad Bufo bufo. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland geen vergunningsplicht, maar hier moet volgens de zorgplicht mee worden omgegaan.

Reptielen In Zuid-Holland komt een beperkt aantal beschermde reptielen voor (RAVON 2025, Creemers & van Delft 2009). Dit zijn de Zandhagedis Lacerta agilis en Ringslang Natrix helvetica. Zandhagedis is strikt beschermd op basis van de Habitatrichtlijn en komt voor in halfopen duingebied, waar zandige plekken, struweel en andere beschutting elkaar afwisselen (Creemers & van Delft 2009). Dergelijke biotopen komen bij het plangebied niet voor. Ringslang geniet een landelijke bescherming en is te vinden in waterrijke gebieden zoals plassen, vennen en polders. De verspreiding van de Ringslang in Zuid-Holland is beperkt tot het Groene Hart, met name de regio rondom Gouda, Bodegraven en Reeuwijk (RAVON 2025). Het voorkomen van strikt beschermde reptielen in het plangebied kan worden uitgesloten.

Vogels Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten worden in beginsel gelijkwaardig beschermd onder de Omgevingswet. Het is in het algemeen verboden om vogels te doden, te verontrusten, hun nesten en vaste rusten verblijfplaatsen te verstoren. In de praktijk gaat het met name om werkzaamheden gedurende het broedseizoen. Buiten het broedseizoen zullen veel activiteiten minder problemen geven voor de meeste vogelsoorten. Uitzondering hierop vormt een selectie aan vogelsoorten die jaarronde bescherming genieten (RVO 2024). De nesten van deze soorten mogen (zonder vergunning) ook buiten het broedseizoen niet verstoord noch verwijderd worden. De jaarrond beschermde vogelsoorten zijn ingedeeld in vijf categorieën. Voor de soorten uit de vijfde categorie geldt alleen onder specifieke ecologisch zwaarwegende omstandigheden een vergunningsplicht. Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten waargenomen waarvan het nest jaarrond beschermd is. De vogels met een jaarrond beschermd nest broeden allemaal in bomen of in/op gebouwen. De akker zelf is ongeschikt. Langs de randen van het plangebied staan bomen en struiken. De rij knotwilgen langs de paardenweides zijn in theorie geschikt voor een nest van Steenuil Athene noctua, maar in de wijde omgeving van Ridderkerk komt deze niet voor.

De dichtstbijzijnde broedplaatsen liggen in de Hoeksche Waard, Alblasserwaard en ten noorden van Rotterdam (Sovon Vogelonderzoek Nederland 2018). Deze populaties bereiden zich niet uit en de kans op een rondzwervend exemplaar is nihil aangezien het plangebied te midden van woonwijken ligt. Bovendien is heeft het een beperkt oppervlak en biedt de omgeving buiten de bomenrij weinig variatie om een aantrekkelijk leefgebied te vormen.

bSR-notitie 3187 – Quick scan flexwoningen Sportlaan Ridderkerk

4 / 16

De overige bomen langs de randen van het perceel zijn ongeschikt voor jaarrond beschermde nesten voor soorten uit cat. 1-4. De bomen zijn te klein, staan op plekken met veel verstoring (bijv. langs doorgaande weg) en hebben weinig dekking met onderbegroeiing. Op het terrein van de monumentale boerderij aan Benedenrijweg 65A staat een ooievaarspaal. Deze was tijdens het veldbezoek niet bezet, terwijl het broedseizoen voor de Ooievaar Ciconia ciconia al in volle gang was. De nestpaal kan in de toekomst gebruikt worden door deze soort, maar was in de afgelopen jaren niet in gebruik (pers. med. Vogelwerkgroep IJsselmonde). Bij de manege broeden Huismussen Passer domesticus en Boerenzwaluwen Hirundo rustica, maar deze gebouwen staan dermate ver van het plangebied dat een negatief effect op de nesten kan worden uitgesloten. Hetzelfde geldt voor de Huismussen en Gierzwaluwen Apus apus die broeden langs de Kievitsweg. Voor enkele vogelsoorten uit categorie 5 biedt het plangebied nestgelegenheid. Met name de bomen langs de randen van het perceel zijn hiervoor het meest geschikt. Tijdens het veldbezoek werd van deze selectie een nest van een Zwarte kraai Corvus corone waargenomen. Deze zat in een kleine boom langs de Rotterdamseweg, nabij het erf van Benedenrijweg 65A (Figuur 3). Deze boom wordt niet getroffen door de werkzaamheden.

Daarnaast kunnen in de bomen en struiken langs de waterkant de volgende soorten broeden: Grote bonte specht Dendrocopos major, Boomkruiper Certhia brachydactyla, Koolmees Parus major, Pimpelmees Cyanistes caeruleus, Ekster Pica pica en Spreeuw Sturnus vulgaris. De nesten van de cat. 5-vogels zijn echter alleen jaarrond beschermd onder zwaarwegende ecologische omstandigheden, zoals wanneer de flora- en faunaactiviteit een negatief effect heeft op de staat van instandhouding van de soort. In dit geval biedt het plangebied op basis van de omvang en mogelijkheden potentie voor één of enkele territoria van deze selectie aan vogelsoorten. Indien een dergelijk aantal nesten van deze soorten aanwezig dan is het effect van de werkzaamheden nihil en heeft het geen effect op de staat van instandhouding.

Figuur 3. Boven in de boom, midden in beeld, zit een nest van een Zwarte kraai. De boom staat langs de Rotterdamseweg.

Buiten de vogelsoorten, waarvan het nest jaarrond beschermd is, kunnen ook andere algemeen voorkomende soorten hier broeden. Zo werd tijdens het veldbezoek een bewoond nest van Knobbelzwanen Cygnus olor aangetroffen bij het bruggetje naar de Sportlaan. Dit is bij de beoogde ontsluitingsroute. Verder broedde een paartje Meerkoeten Fulica atra in de sloot langs de paardenweides. Alle broedende vogels en hun nesten zijn beschermd tijdens de broedtijd.

bSR-notitie 3187 – Quick scan flexwoningen Sportlaan Ridderkerk

5 / 16

Vleermuizen Alle vleermuizen in Nederland hebben een beschermde status op basis van de Habitatrichtlijn. Het gaat hierbij niet alleen om de dieren zelf, maar ook hun verblijfplaatsen, vaste vliegroutes en essentiële foerageergebieden. Een aantal soorten vleermuizen maakt gebruik van bomen als verblijfplaats. Op basis van gegevens uit de NDFF is niets bekend over het voorkomen van vleermuizen in het plangebied en de directe omgeving. Daarom is op basis van de biotoop tijdens het veldbezoek gekeken naar potenties voor (beschermde functies voor) vleermuizen. De werkzaamheden vinden overdag plaats. Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in gebouwen of bomen, maar gebouwen zijn in het plangebied niet aanwezig. Langs de randen van het plangebied staan wel bomen. De bomen zijn niet allen in detail bekeken, maar verschillende soorten vleermuizen die in Ridderkerk voorkomen hebben verblijfplaatsen in bomen (Limpens et al. 1997). Langs de Rotterdamseweg staan de bomen in het licht van de straatverlichting en langs een drukbereden weg. Hierdoor treedt te veel verstoring op voor een verblijfplaats. De bomen langs de Benedenrijweg kunnen wel een verblijfplaats herbergen, evenals de bomen bij de Sportlaan waar de ontsluitingsroute gepland is. Dit hangt af van de aanwezigheid van geschikte holtes. De bomen, die gekapt worden, kunnen hier specifiek op nagekeken worden.

Sommige knotwilgen in de rij langs de paardenweides hebben voldoende omvang en holtes waardoor ze geschikt zijn voor een verblijfplaats. Deze bomen worden niet getroffen door de werkzaamheden, maar in de toekomstige situatie moet wel rekening gehouden worden met lichthinder. Vleermuizen kunnen in open landschap gebruik maken van vaste vliegroutes tussen verblijfplaats en foerageergebied langs lijnvormige landschapselementen, zoals bomenrijen en waterwegen. Het is niet geheel uit te sluiten dat de watergang langs de paardenweides met de knotwilgenrij als vliegroute gebruikt wordt (Figuur 4). De watergang wordt (waarschijnlijk) verbreed en de bomenrij blijft intact, maar verlichting kan hier voor een negatief effect op de vliegroute zorgen. Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit een reguliere akker. Het is een open gebied zonder landschappelijke variatie en een beperkt oppervlak. Hierdoor is het weinig aantrekkelijk voor vleermuizen. Bovendien heeft het een waarschijnlijk een kleiner voedselaanbod in de vorm van insecten dan groengebieden en open water in de omgeving. De watergang langs de paardenweides vormt hier weer een uitzondering op. Dit kan een aantrekkelijke foerageerplek zijn voor vleermuizen, omdat het hier relatief donker is. Als meer bekend is over de exacte inrichting van het plangebied dan kan bepaald worden of aanvullend vleermuisonderzoek nodig is.

Figuur 4. De watergang met rij knotwilgen vormt een lijnvormig landschapselement dat gebruikt kan worden als vaste vliegroute door vleermuizen.

bSR-notitie 3187 – Quick scan flexwoningen Sportlaan Ridderkerk

6 / 16

Grondgebonden zoogdieren De strikt beschermde zoogdiersoorten van de Europese Habitatrichtlijn, die voorkomen in Zuid-Holland, zijn de Bever Castor fiber, Otter Lutra lutra en Noordse woelmuis Alexandromys oeconomus arenicola (Broekhuizen et al. 2016). Binnen het plangebied ontbreekt geschikt leefgebied voor deze soorten. Naast de beschermde soorten van de Habitatrichtlijn vallen de overige zoogdieren onder de ‘overige beschermde soorten van nationaal belang’. De meeste zoogdieren, die zijn opgenomen in de lijst met overige beschermde soorten, zijn in Zuid-Holland vrijgesteld van een vergunning. De Steenmarter Martes foina is niet vrijgesteld en komt voor in Ridderkerk. Het plangebied is weinig aantrekkelijk als leefgebied voor de soort vanwege het gebrek aan landschappelijke variatie en mogelijkheden voor verblijfplaatsen. Alleen het overhoekje met struweel, Klimop en bomen nabij de boerenerven vormen een interessante plek voor deze soort. In combinatie met de manege waar voedsel in de vorm van muizen aanwezig is en de bebouwing in de omgeving, is het voorkomen van de Steenmarter niet uitgesloten. Dit meest geschikte deel van het plangebied wordt echter niet bebouwd.

Bovendien vormt het slechts een beperkt deel van het leefgebied indien een Steenmarter in de omgeving aanwezig is en zijn voldoende alternatieve plekken in de omgeving beschikbaar, zoals het groengebied langs bedrijventerrein Donkersloot. Voor alle zoogdieren geldt wel dat de zorgplicht in acht genomen moet worden.

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op enige afstand van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Boezems van Kinderdijk op iets minder dan twee kilometer ten oosten van het plangebied (Figuur 5). Op basis van het AERIUS-rekenmodel kan berekend worden wat de te verwachten stikstofuitstoot is en welke maatregelen nodig zijn. Overige typen externe effecten op Natura 2000-gebieden, zoals geluidsoverlast, lichthinder, kunnen op basis van de afstand tot de beschermde natuurgebieden en de omvang van de werkzaamheden worden uitgesloten. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NatuurNetwerk Nederland (NNN). De onderdelen van het NNN liggen buiten het plangebied. Een negatief effect kan worden uitgesloten.

Figuur 5. De ligging van het plangebied (rode kader) ten opzichte van het Natura 2000-gebieden en NatuurNetwerk Nederland (kaart: provincie Zuid-Holland).

bSR-notitie 3187 – Quick scan flexwoningen Sportlaan Ridderkerk

7 / 16

Beschermde houtopstanden Voor het vellen van bomen gelden binnen de bebouwde kom andere regels dan voor het buitengebied. Het plangebied ligt binnen de bebouwingscontour. Mocht een boom gekapt worden voor de werkzaamheden dan is een omgevingsvergunning nodig volgens de voorwaarden van de gemeente Ridderkerk. De bomen rondom het plangebied staan niet op de Groene Kaart van de gemeente (Gemeente Ridderkerk 2023).

bSR-notitie 3187 – Quick scan flexwoningen Sportlaan Ridderkerk

8 / 16

Conclusies en aanbevelingen Voor de bouw van flexwoningen op agrarische percelen in de gemeente Ridderkerk, provincie Zuid-Holland, is een flora en fauna quick scan uitgevoerd. Het doel was om te bepalen in hoeverre potenties voor beschermde soorten aanwezig waren in het plangebied. Het terrein ligt tussen de Sportlaan, Benedenrijweg en Rotterdamseweg in de wijk Slikkerveer (Figuur 1). Ten tijde van de quick scan waren de plannen voor de woningbouw nog niet in detail uitgewerkt. Op basis van de quick scan zijn de volgende (potenties voor) beschermde flora en fauna aangetroffen: •

•

•

•

• •

• •

De akker is geschikt voor beschermde akkerflora Akkerboterbloem, Brede wolfsmelk en Kleine wolfsmelk. Het voorkomen van deze planten is zeldzaam, maar kan niet volledig worden uitgesloten. In het recente verleden zijn vindplaatsen van deze soorten op onverwachte plekken bekend geworden. Hierdoor is niet volledig uit te sluiten dat deze soorten niet binnen het plangebied voorkomen. Aangeraden wordt om voor de zekerheid een controle tijdens de bloeitijd of na het oogsten van het gewas uit te voeren; De watergang met knotwilgenrij langs de noordrand van het plangebied (Figuur 4) is mogelijk van waarde als vaste vliegroute voor vleermuizen. De bomen bieden daarnaast potenties voor verblijfplaatsen. De watergang en bomen blijven behouden, maar de toekomstige inrichting van het plangebied kan een negatief effect hebben. Denk hierbij aan lichthinder; De bomen rondom het plangebied bieden mogelijk potenties voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Ten tijde van de quick scan was nog niet bekend welke bomen gekapt gaan worden voor de werkzaamheden. Wanneer meer bekend is over de exacte inrichting van het plangebied dan kunnen de te kappen bomen onderzocht worden op holtes en andere potentiële verblijfplekken; In algemene zin moet rekening gehouden worden met de aanwezigheid van broedvogels.

Tijdens het veldbezoek zijn nesten aangetroffen van (niet-jaarrond beschermde) Knobbelzwaan, Meerkoet en Zwarte kraai; Voor de overige strikt beschermde soorten en soortgroepen is het plangebied ongeschikt en/of kunnen op basis van de verspreidingsgegevens worden uitgesloten; Het plangebied ligt op enige afstand van Natura 2000-gebieden en het NatuurNetwerk Nederland (Figuur 5). Externe negatieve effecten kunnen worden uitgesloten met uitzondering van de stikstofdepositie; Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom. Er staan geen monumentale bomen. Voor de bomen, die gekapt moeten worden, moet een omgevingsvergunning bij de gemeente aangevraagd worden; Aanbevolen wordt om het struweel met Klimop en de bomen naast het woonerf te sparen. Dit vormt een waardevol overhoekje (Figuur 3) dat potentie heeft om tot een natuurlijke groenstrook voor de biodiversiteit ingericht te worden.

Vervolgstappen • • • • • •

Laat controleren op de aanwezigheid van beschermde akkerflora tijdens de bloeitijd (mei – september) of kort na het oogsten van het gewas; Als meer bekend is over de exacte inrichting van het plangebied dan kan bepaald worden of aanvullend vleermuisonderzoek nodig is; Laat een berekening van de stikstofdepositie uitvoeren met het AERIUS-rekenmodel; Werk buiten het broedseizoen. Controleer voorafgaand aan de werkzaamheden op aanwezigheid van bewoonde nesten; Werk tijdens de daglichtperiode gedurende het actieve seizoen van vleermuizen (april tot en met oktober) en laat ’s nachts geen verlichting aan staan in het plangebied; Werk zorgvuldig en voorkom zoveel mogelijk verstoring van dieren met inachtneming van de Zorgplicht. Met name ten aanzien van vissen, amfibieën, vogels en zoogdieren.

bSR-notitie 3187 – Quick scan flexwoningen Sportlaan Ridderkerk

9 / 16

Literatuur BIJ12. 2021. Handreiking Voortoets Stikstof. Versie: februari 2021. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017. Juridisch kader behorende bij kennisdocumenten soortenbescherming. Versie 1.0, juli 2017. Rapportnummer BIJ12-2017022. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2024. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 2.0, april 2024. BIJ12, Utrecht. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & De Vlinderstichting. 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate SurveyNederland, Leiden. Boesveld, A. & A. Gmelig Meyling. 2011. Biotoopvoorkeuren van de Platte schijfhoren Anisus vorticulus. Zoekbeeld 2011(1): 10-14. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Kanters & J.C. Buys (eds.). 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren – Natuur in Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R. & J. van Delft (redactie). 2009. De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna deel 9. KNNV Uitgeverij, Zeist. Foppen, R. & R. Vogel. 2022. Staat van instandhouding van soorten van de Vogelrichtlijn zonder instandhoudingsdoelen in Natura 2000gebieden. Kranenbarg, J., R. Struijk, M. Schiphouwer, J. Bergsma, K. Didderen & J. Herder. 2015.

De vissen van Zuid-Holland. Stichting RAVON, Nijmegen. Limpens, H, K. Mostert & W. Bongers. 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen – Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Schuurmans, T.J.C. 2023. Viezen Stinkvissen. Uitgeverij OPA, Greup. Sovon Vogelonderzoek Nederland. 2018. Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen. VanderHelm Milieubeheer. 2021. Soortgericht onderzoek te Barendrecht. Rapportnr. ROBA20211131. VanderHelm Milieubeheer B.V., Berkel en Rodenrijs. Verboom, B. & H. Huitema, H. 1997. The importance of linear landscape elements for the pipistrelle Pipistrellus pipistrellus and the serotine bat Eptesicus serotinus. Landscape ecology, 12, 117-125.

Beleidsdocumenten Beschikking Wet natuurbescherming – Soortbescherming over Glad biggenkruid, door Omgevingsdienst Haaglanden op 29 april 2021, Zaaknummer 00578733, briefkenmerk ODH-2021-00052289 Bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG) en soorten van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG). Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2006. Natura 2000 doelendocument. juni 2006 versie 1.1 Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep (Dienst Regelingen, brief 26 augustus 2009, kenmerk ffw2009.corr.046). Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. 2024. Indicatieve lijst jaarrond beschermde vogelnesten. Verkregen via https://www.rvo.nl/sites/default/files/2021/04/Lijst-jaarrond-beschermde-vogelnesten.pdf op 22 februari 2024.

Websites De Vlinderstichting. 2025a. NDFF Verspreidingsatlas dagvlinders. Verkregen via https://www.verspreidingsatlas.nl/dagvlinders, geraadpleegd op 7 mei 2025. Nationale Databank Flora en Fauna, Nijmegen.

bSR-notitie 3187 – Quick scan flexwoningen Sportlaan Ridderkerk

10 / 16

De Vlinderstichting. 2025b. NDFF Verspreidingsatlas libellen. Verkregen via https://www.verspreidingsatlas.nl/libellen, geraadpleegd op 7 mei 2025. Nationale Databank Flora en Fauna, Nijmegen. Gemeente Ridderkerk. 2023. Groene Kaart Ridderkerk. Verkregen via https://barorganisatie.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=88c71c1f740a4f5cbf06c5eec25503a2, geraadpleegd op 7 mei 2025. Gemeente Ridderkerk, Ridderkerk. FLORON. 2025. NDFF Verspreidingsatlas planten. Verkregen via https://www.verspreidingsatlas.nl/planten, geraadpleegd op 7 mei 2025. Nationale Databank Flora en Fauna, Nijmegen. RAVON. 2025. NDFF Verspreidingsatlas amfibieën. Verkregen via https://www.verspreidingsatlas.nl/amfibieen, geraadpleegd op 7 mei 2025. Nationale Databank Flora en Fauna, Nijmegen. RAVON en ANEMOON. 2025. NDFF Verspreidingsatlas vissen. Verkregen via https://www.verspreidingsatlas.nl/amfibieen, geraadpleegd op 7 mei 2025. Nationale Databank Flora en Fauna, Nijmegen.

© Bureau Stadsnatuur | Westzeedijk 345 | 3015 AA Rotterdam Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. bSR kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.

bSR-notitie 3187 – Quick scan flexwoningen Sportlaan Ridderkerk

11 / 16

Bijlage 1 – Toelichting Omgevingswet 1. Wettelijk kader natuurbescherming De bescherming van soorten vloeit voort uit Europese regelgeving en verdragen. De Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn wijzen specifieke soorten aan waarvoor een bepaald beschermingsregime dient te worden opgenomen in de nationale regelgeving. De in Nederland geldende bepalingen zijn vastgelegd in, onder meer, het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze besluiten vormen samen de Omgevingswet. 2. Flora- en fauna-activiteit Een flora- en fauna-activiteit betreft iedere activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Onder de Omgevingswet geldt dat een Omgevingsvergunning nodig is voor bepaalde, bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB), bepaalde potentieel voor een soort nadelige activiteiten. Er kunnen geen vrijstellingen en ontheffingen meer worden verleend. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd tot het verlenen van omgevingsvergunningen, onderdeel flora- en fauna-activiteit. Dit betekent ook dat op specifieke onderdelen de regelgeving en het beleid op provinciaal of regionaal niveau kan afwijken van het nationale. In het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) is bepaald welke flora- en fauna-activiteiten vergunningplichtig zijn.

Het is mogelijk dat een soort vermeld staat op meer dan een lijst. In dat geval gelden voor die soort de bepalingen behorende bij het regime met de meest vergaande bescherming van de soort. 3. Beschermingsregimes soorten De drie verschillende beschermingsregimes van de Omgevingswet betreft soorten vallend onder Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en andere soorten aangemerkt als beschermd door vermelding in de bijlage IX bij het Bal. Het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn is van toepassing op alle in het wild levende vogelsoorten. Voor de in bijlage I genoemde soorten zijn speciale beschermingszones aangewezen. Het beschermingsregime van de Habitatrichtlijn is van toepassing op de navolgende soorten (zie Tabel 1 in deze bijlage voor de soortenlijst): •In het wild levende dieren van bijlage IV onderdeel a bij de Habitatrichtlijn , of; •In het wild levende dieren van bijlage II bij het verdrag van Bern, of; •In het wild levende dieren van bijlage I bij het verdrag van Bonn, of; •De eieren, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van hierboven bedoelde dieren, of; •Planten van soorten van bijlage IV onderdeel b bij de Habitatrichtlijn, of; •Planten van soorten van bijlage I bij het verdrag van Bern. Het beschermingsregime van de andere soorten is van toepassing op soorten van nationaal belang, vermeld in bijlage IX van het Bal (zie Bijlage 2 voor de soortenlijst).

De soorten zijn van nationaal belang: •omdat ze bedreigd of ernstig bedreigd zijn in Nederland (en ook voorkomen op rode lijsten) •vanwege hun intrinsieke waarde •vanwege maatschappelijke opvattingen 4. Vergunningplichtige gevallen soorten vogelrichtlijn: schadelijke handelingen (Bal §11.2.2, artikel 11.37) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en faunaactiviteit te verrichten, geldt voor:

bSR-notitie 3187 – Quick scan flexwoningen Sportlaan Ridderkerk

a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3. Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. 5. Vergunningplichtige gevallen soorten habitatrichtlijn: schadelijke handelingen (Bal §11.2.3, artikel 11.46) 1.

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en faunaactiviteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚.

een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3. Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. 6. Vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen (Bal §11.2.4, artikel 11.54) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en faunaactiviteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A;

12 / 16

b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1˚. een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2˚. een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 7.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1193/documents/42104