BOPA Flexwoningen Ridderkerk inclusief bijlagen.pdf
Tekst van het document
Vrijstellingen Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Voor de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (hierna: ZHOV), zie: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR703362/ Artikel 3.189 (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten inrichting, ontwikkeling, beheer en onderhoud) 1.Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en faunaactiviteit als bedoeld in artikel 11.54 van het Bal te verrichten, geldt niet voor de aangewezen andere soorten opgenomen in bijlage III, onder C1, voor zover de activiteit wordt verricht in het kader van: a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. bestendig beheer of onderhoud in de land- of bosbouw; c. bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; of d. bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. 2.Het eerste lid is ook van toepassing als geen andere bevredigende oplossing dan het verrichten van de activiteit bestaat als bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Als soorten genoemd in artikel 3.189, eerste lid, worden aangewezen de volgende soorten: Aardmuis, Bastaardkikker, Bosmuis, Bruine kikker, Bunzing, Dwergmuis, Dwergspitsmuis, Egel, Gewone bosspitsmuis, Gewone pad, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Kleine watersalamander, Konijn, Meerkikker, Ree, Rosse woelmuis, Veldmuis, Vos, Wezel, Woelrat.
a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1) van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2) van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3) dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en 4) voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b.
als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen 3. Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.
8. Zorgplicht In artikel 11.27 van het Bal is de zorgplicht voor alle in het wild voorkomende planten en dieren vastgelegd. Dit artikel luidt als volgt: 1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:
Op grond van lid 2 zijn initiatiefnemers van een flora- en faunaactiviteit verplicht zich ervan te vergewissen dat op de locatie van de voorgenomen activiteit, geen in het wild levende dieren van beschermde soorten of hun belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats aanwezig zijn. Onder nadelige gevolgen dient hierbij niet alleen de dood of verwonding van dieren, dan wel de vernieling of beschadiging van planten te worden verstaan. Dit verplicht initiatiefnemers van ruimtelijke ingrepen of andersoortige activiteiten ertoe om voorafgaand aan de uitvoering of realisatie zich op de hoogte te stellen van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid van die natuurwaarden en van de mogelijke gevolgen van hun handelen voor die natuurwaarden. Dit vereist zorgvuldigheid van de initiatiefnemers. Zij dienen ook al bij de voorbereiding van hun activiteiten oog te hebben voor de bescherming van de natuurwaarden en tijdens de uitvoering steeds een focus te hebben op het voorkomen of ongedaan making van nadelige effecten op die natuurwaarden. Niet iedere activiteit is per se een flora- en fauna-activiteit: situaties waarvoor redelijkerwijs kan worden aangenomen dat er geen natuurwaarden in het geding zijn, bijvoorbeeld op basis van de aard van de werkzaamheden of
bSR-notitie 3187 – Quick scan flexwoningen Sportlaan Ridderkerk
13 / 16
Overige vrijgestelde soorten Mol, Bruine rat, Zwarte rat en Huismuis waren niet beschermd onder de Wnb, en zijn dat ook niet onder de Ow. Ze zijn als schadesoort bestempeld en derhalve niet vermeld in bijlage IX Bal.
planning daarvan, behoeven geen uitvoerig verkennend onderzoek vooraf.
2C415026.1883%2C131473.1813%2C477053.1124%2C289 92
9. Natura 2000-activiteit Een Natura 2000-activiteit is een activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een effect van een activiteit buiten een Natura 2000-gebied op de instandhoudingsdoelstellingen erbinnen, bijvoorbeeld als gevolg van de uitstoot van stikstof. Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben. Voor de ligging van Natura 2000gebieden in Nederland, zie: https://www.natura2000.nl/gebieden Voor de gebieden in Zuid-Holland kan deze kaart worden geraadpleegd: https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id =fcb2770793e2411baa4ce65dff16710d
11. Bescherming houtopstanden Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Een houtopstand die spontaan ontstaat in graslanden en heiden valt ook onder de definitie. Er geldt geen minimale oppervlakte om onder de definitie van houtopstand te vallen. Dus ook onder de 10 are of 20 bomen in rijbeplanting, is sprake van houtopstand onder de Omgevingswet. Wel blijft het onder de Omgevingswet zo dat voor zo’n kleine omvang de rijksregels over het vellen en herbeplanten niet gelden. De bescherming van houtopstanden is geregeld in Afdeling 11.3 van het Bal en in de ZHOV. Hierin zijn maatwerkregels opgenomen die een aanvulling zijn op-, of een wijziging vormen ten opzichte van de regels in, onder meer, artikel 11.111, artikel 11.126 en artikel 11.129 van het Bal. 12. Procedure vergunningaanvraag Vergunningcheck Allereerst dient men op te zoeken of voor een activiteit een vergunning nodig is. Dit kan via de Vergunningcheck: https://omgevingswet.overheid.nl/checken/stap/1 Aanvragen vergunning Een vergunningaanvraag dient te worden gedaan via het Omgevingsloket: https://omgevingswet.overheid.nl/inloggen Proceduretermijn vergunning Voor enkelvoudige vergunningaanvragen (voor één activiteit) geldt een beslistermijn van acht weken (voorheen 13 weken). Deze is eenmalig te verlengen met zes weken, in plaats van 7 weken.
10. Natuurnetwerk Nederland, beschermde weidevogelgebieden en recreatiegebieden In paragraaf 7.3 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zijn artikelen opgenomen met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad of karakteristieke landschapselementen. Voor de NNNen belangrijke weidevogelgebieden in Zuid-Holland kan deze kaart worden geraadpleegd: https://pzh.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id =698b578f8bf34f5ab624e1f2ae687199&extent=33428.9852% Meervoudige vergunningaanvragen die de reguliere voorbereidingsprocedure doorlopen, hebben een beslistermijn van twaalf weken (voorheen 26 weken). Dit volgt uit artikel 16.64 van de Omgevingswet. Ook deze is eenmalig te verlengen met zes weken. Meervoudige vergunningaanvragen die de uitgebreide voorbereidingsprocedure doorlopen, hebben een beslistermijn van 6 maanden (als voorheen).
13. Handhaving Bij een vermoede overtreding van een verbodsbepaling uit de Omgevingswet kan handhaving worden ingeschakeld. In ZuidHolland is de Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid (OZHZ) hiervoor verantwoordelijk. Voor meer informatie: https://www.ozhz.nl/themas/natuur/natuur-schade-melden/#watkunt-u-bij-ons-melden of bel: 078 -770 85 85.
bSR-notitie 3187 – Quick scan flexwoningen Sportlaan Ridderkerk
14 / 16