CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-07-14 RDA Publicatie zienswijze dilemmas in de Wildopvang.pdf

Gemeenteraad RK 15 september 2022, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 4: Lijst van ingekomen stukken25.108 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dat betekent dat je als burger eigenlijk vrij snel de hulp van specialisten inschakelt, via 144 of andere meldkamer, de dierenarts of een opvangcentrum. Dit is niet alleen om het welzijn van het dier te garanderen, maar niet zelden ook voor de veiligheid van degene die een hulpbehoevend (wild) dier vindt. Belangrijk te weten is dat hulp aan (wilde) dieren ook gevaarlijk kan zijn voor mensen, vanwege fysieke uitdagingen (het dier kan alsnog aanvallen/ verwonden, een reiger kan bijvoorbeeld zo een oog uitpikken), veiligheid in 9

Het “redden” van vogels met vogelgriep kan bijvoorbeeld een gevaar voor de gezondheid van de mens betekenen. Botulisme slachtoffers kunnen daarentegen wel worden geholpen.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 13

het verkeer of vanwege (ook voor mensen) besmettelijke ziektes/zoönosen (bijvoorbeeld bij het beetpakken van vogels met vogelgriep). Bij onoordeelkundig handelen kan een dier daarbij veel stress ondervinden. In sommige gevallen kunnen capabele burgers wel zelf dieren verplaatsen, maar bij twijfel moet toch deskundige hulp of advies worden gevraagd.

Wie is toch die deskundige? De volgende hoofdstukken van deze zienswijze gaan uitgebreid in op hoe en wie in welke situatie het beste ingeschakeld kan worden en wie wat zou moeten doen in de keten van hulpverlening aan hulpbehoevende dieren. Omdat de ‘deskundige’ (of specialist) vaker genoemd wordt wil de RDA hierbij wel alvast benadrukken dat het niet gaat om één type deskundige of specialist. Omdat hulp en opvang van dieren zich in een keten voltrekt, is er in elke fase een andere manier van deskundigheid nodig voor de inschatting die op dat moment nodig is. Het is nadrukkelijk niet bedoeld om een ‘deskundige’ alleen te versmallen in de vorm van een dierenarts, bioloog of betaalde coördinator. Ook geschoolde en/of ervaren vrijwilligers zijn in bepaalde fasen van de keten (meldkamer, ambulance, opvang) deskundig. DE deskundige bestaat wat dat betreft niet. Elke fase vereist eigen deskundigheid. Daarvoor kunnen natuurlijk wel voorwaarden en eisen worden opgesteld. Hier zal in volgende hoofdstukken nader op worden ingegaan.

Zoals eerder genoemd is het inschatten van hulpbehoevendheid van wilde dieren niet altijd even eenvoudig (en ook niet altijd in te schatten bij een eerste contact). De RDA heeft in onderstaande tabel ter illustratie hiervan getracht onderscheid weer te gegeven tussen verschillende categorieen dieren. Per categorie is aangegeven of deze (door de RDA) wel of niet hulpbehoevend worden gevonden. Daarnaast kan de locatie waar het dier wordt aangetroffen van invloed zijn op de beoordeling van hulpbehoevendheid; in een stedelijke omgeving kan een verzwakt dier een andere afweging vragen dan in een natuurgebied. Hulp kan ook bestaan uit niets doen, met rust laten of euthanasie (zie ook 3.1). De categorisering is niet bedoeld als een zwart-wit onderscheidingscriterium, maar om aan te geven dat het inschatten van hulpbehoevendheid complex is en een afweging vereist. Gewonde en zieke dieren kunnen bijvoorbeeld niet altijd uit elkaar worden gehouden en dieren kunnen in meer of mindere mate gewond of vervuild zijn.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 14

Categorie (zie ook paragraaf 2.3.4).

Hulpbehoevend ja/ nee

Toelichting

Gewonde dieren (ongeluk, verkeer, windmolens, hoog­ spannings­leidingen, gepakt door huisdieren, etc.).

Ja

Dieren die niet langer voor zichzelf kunnen zorgen en die niet door populatiegenoten (i.e. ouders of groepsleden) worden verzorgd. Deze dieren zijn derhalve hulpbehoevend. Ze kunnen zich niet meer aanpassen aan de situatie.

Gecontamineerde dieren (bijv. olieslachtoffers, verstrikt (in afval))

Ja

Verzwakte en uitgeputte dieren

Ja, maar afweging moet worden gemaakt

Dieren die na een periode van voedselschaarste verzwakt en vermagerd zijn, kunnen worden beschouwd als hulpbehoevend10, immers hun toestand is te verhelpen/verbeteren. Hier moet naast de afweging voor het individuele dier ook door deskundigen de afweging worden gemaakt welk effect zoiets heeft op de populatie en de omgeving waaruit het dier afkomstig is11.

Zieke dieren

Afweging moet worden gemaakt

Zieke dieren vormen een aparte groep. Als de ziekte veroorzaakt is door een parasiet of een pathogeen, dan kan de ziekte een aanwijzing zijn dat deze dieren een zwak immuunsysteem hebben. Hier moet naast de afweging voor het individuele dier ook de afweging worden gemaakt welk effect zoiets heeft op de populatie en de omgeving waaruit het dier afkomstig is12. Als de ziekte een gevolg is van vergiftiging met pesticiden, is zo’n dier wel hulpbehoevend.

Jonge (niet zelfstandige) dieren die nog onvoldoende over motorische capaciteiten beschikken.

Mogelijk (vaak niet) afhankelijk van situatie en context

Dieren die vaak niet hulpbehoevend zijn. Ze kunnen of na een rustperiode weer voor zichzelf zorgen, of worden waarschijnlijk nog door ouders verzorgd.

Dieren die oververmoeid zijn (bijvoorbeeld trek­ vogels die een lange vlucht achter de rug hebben)

Mogelijk (vaak niet) afhankelijk van situatie en context

Ze kunnen zich aanpassen aan de situatie. Er zijn uitzonderingen, maar dat is aan het oordeel van een specialist (mogelijke uitzonderingen bijvoorbeeld een uit het nest gewaaide jonge ooievaar, of jonge eenden waarvan de moeder is doodgereden).

In de praktijk betreft het grootste deel van de opgevangen dieren vogels. De opvangcentra die de RDA gesproken heeft noemen percentages van 80% vogels en 20% zoogdieren. Van de zoogdieren gaat het bij een groot deel om egels, sommige centra noemen percentages van 60-70% egel van de opgevangen zoogdieren13. 10

De Wet Natuurbescherming kent specifieke bepalingen over het bijvoeren van groot wild (beginselverbod, tenzij besluit van de provincie in het kader van weersomstandigheden e.d.).

11

Ongeremde populatiegroei door deze dieren te helpen zal in toekomst leiden tot steeds meer verzwakte en vermagerde dieren, en hulp nu vergroot het gevaar in de toekomst. Hulp aan vermagerde dieren kan de natuurlijke selectie remmen. Soms kan het ook juist gewenst zijn.

12

Als dat een erfelijke basis heeft, dan zou hulp aan zo’n dier de natuurlijke selectie tegenhouden en daardoor het welzijn van de populatie negatief beïnvloeden (bijv. longworm bij egels).

13

Deze zienswijze gaat vooral over vertebraten, maar zorgplicht kan ook gelden voor evertebraten. Zoals een nachtvlinder die door het kunstlicht van een huis is gedesoriënteerd en op de ruit zit verplaatsen naar een lichtarm bosgebied.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 15

2.3.4 Oorzaken hulpbehoevendheid Een dier in nood dat hulp nodig heeft, kan zowel door menselijke als door natuurlijke oorzaken in die situatie terecht zijn gekomen. Ter illustratie daarvan zijn in de bijlage enkele voorbeelden opgenomen en zijn in de vorige paragraaf daar al mogelijke afwegingen over genoemd. Maakt het voor het geven van hulp aan dieren uit wat de oorzaak is dat het dier in nood is gekomen? Om achterliggende discussies te belichten, gaat deze paragraaf in op verschillende discussies die omtrent deze vraag spelen. Als eerste komt de ambivalentie naar voren, dat afwegingen op het gebied van het individuele dier anders kunnen zijn dan op het gebied van de populatie (andere individuen) van dezelfde soort, van andere soorten en van het ecosysteem. Een dier in het wild staat nooit op zichzelf. Het functioneert bijvoorbeeld als onderdeel van een populatie, als prooidier of predator in een ecosysteem, of is een bron van voedsel of nutriënten voor andere dieren en de omgeving. Zieke en verzwakte dieren kunnen juist ook een belangrijke rol hebben voor andere dieren. Daarom is in elke situatie een deskundige afweging van belang. Een andere discussie gaat over of het verschil uitmaakt voor onze morele zorgplicht als mens of een dier door menselijk toedoen in de problemen is geraakt.

Moeten mensen altijd zorg bieden, of alleen als een dier door de mens in de problemen is gekomen? Of moeten we extra zorg verlenen als het door ons komt of daar meer voor betalen? De mogelijkheid om te interveniëren wordt daarnaast ingeperkt door fysieke en technische omstandigheden zoals moeilijk bereikbare plekken en terreinen en soms ook door financiële (on)mogelijkheden vanwege buitensporige kosten voor een ingewikkelde operatie om een dier te redden. Vanuit moreel oogpunt zou kunnen worden beargumenteerd dat de mogelijkheid om van een interventie af te zien in het kader van (financiële) haalbaarheid, niet of beperkt mag worden gebruikt indien er sprake is van een menselijke oorzaak voor het letsel. Los van dat het voor het dier niets uitmaakt hoe het hulpbehoevend is geworden, kan er wel discussie worden gevoerd over ‘extra’ verantwoordelijkheid en verplichtingen wanneer menselijk handelen de oorzaak is van het probleem. In de trant van ‘de vervuiler betaalt’ zou hier ‘de veroorzaker betaalt’ een uitgangspunt kunnen zijn. Aansprakelijkheid en schuldvraag vallen theoretisch te verdedigen, de schademaker (indien duidelijk aanwezig) zou dan moeten betalen voor de kosten rondom opvang en verzorging van het hulpbehoevende dier14. Tegelijkertijd is in de praktijk vaak lastig te achterhalen hoe een dier in de problemen is gekomen.

En kunnen dieren juist ook door goed bedoelende mensen in de problemen komen (bijvoorbeeld jonge vogeltjes of haasjes waarvan mensen denken dat ze hulp nodig hebben). De RDA benoemt hier mogelijke (morele) afwegingen, maar neemt zelf geen standpunt in. Deze manier van afwegen zou tegenstrijdig zijn met het perspectief van het dier: voor het lijdende dier is het niet relevant hoe het gewond is geraakt of in een hulpbehoevende situatie is gekomen. Ook voor de dierenarts of andere professionals maakt de reden van verwonding niet uit. De zorgplicht voor hulpbehoevende dieren (Wet dieren) geeft aan dat we een dier in nood moeten helpen, ongeacht menselijke oorzaak van de nood. Wel vraagt de Raad zich af of niet meer zou moeten worden ingezet op preventieve maatregelen (dus voorkomen dat dieren door menselijk toedoen in de problemen komen) van belang. Dit komt terug in H3.

14

Zie ook bijlage 2.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 16

2.4 Maatschappelijke rol en functie hulp en opvang De rol van dierenhulp en -opvang kan zowel vanuit dierperspectief als vanuit (verschillende) mensperspectieven worden bezien. De RDA licht beide kanten hier kort toe, ter illustratie van achtergronddiscussies die spelen. Vanuit dieren bekeken heeft hulp en opvang voor het individuele dier effect. Dieren wordt verder lijden bespaard. Een groot gedeelte van de inkomende dieren wordt al snel na aankomst bij dierenarts of wildopvang geëuthanaseerd (zie ook paragraaf 3.3.5). Lijden en sterfte van individuen wordt tegengegaan en dieren krijgen een tweede kans als ze weer in de natuur worden teruggezet. Als re-integratie niet haalbaar is, kun je jezelf afvragen of het welzijn van de dieren niet te erg geschaad wordt door dieren mee te nemen naar de opvang/op te vangen (zie ook beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten) en of met rust laten of euthanasie ter plaatse aan de orde is. Er kan een spanningsveld bestaan: wat goed is voor het individu is niet per se goed voor een populatie of ecosysteem en andersom (zie ook paragraaf 2.4.2). Naast de discussie of opvang vanuit natuurlijk perspectief wenselijk is, bestaat er ook discussie of opvangcentra wel of niet kunnen bijdragen aan populatiebehoud.

Bij uitbraken van ziektes of calamiteiten kan dierenopvang bijdragen aan het behoud van de populatie, zoals in het verleden met zeehonden, of na olierampen. Dit effect staat (bij ecologen) ter discussie. Geïnterviewde opvangcentra zelf staan hier ook verschillend in, soms niet, soms wel, soms ook afhankelijk van de soort. Sommigen zien een directe bijdrage aan de instandhouding van de populatie, anderen zien alleen een indirecte bijdrage door hun voorlichtingsfunctie aan burgers hoe om te gaan met wilde dieren. Een belangrijke functie volgens de sector zelf is dat zij een vinger aan de pols kunnen houden wat betreft de monitoring van dierziekten en natuurbeheer (bijvoorbeeld bij egels). Zij kunnen ziekten signaleren en verspreiding in de gaten houden. Dit kan ook relevant zijn bij zoönosen, aldus de sector. Opvangcentra kunnen veranderingen afmeten aan wat er binnenkomt: worden er veel egels binnengebracht omdat er ook veel zijn, of is er iets anders aan de hand? Ook is er volgens de sector een indirecte bijdrage aan respect en begrip voor dieren en een grotere betrokkenheid bij burgers. Het gaat dan om aandacht en draagvlak voor dieren, natuur, voorlichting, educatie en adviezen. Juist ook om mensen ervan bewust te maken wanneer dieren met rust moeten worden gelaten en je ze niet moet pakken, zoals bij jonge haasjes, reekalfjes en jonge vogels.

Voor mensen geldt vooral dat ze iets (goeds) willen doen, dieren willen helpen, dierenwelzijn willen verbeteren en willen voorkomen dat dieren (onnodig) lijden. De rol en functie van dierenhulp en -opvang wordt volgens enkele betrokkenen uit de opvangpraktijk niet altijd (h)erkend (door overheden). Vaak worden vooral opvangcentra naar hun idee weggezet als ‘hobbyclub’, of als ‘dierenknuffelaars’. Dit doet volgens hen geen recht aan alle kennis en professionaliteit die aanwezig is in de opvang. Erkenning en waardering, waaronder die van de overheid, is belangrijk voor de sector. Zij doen naar eigen zeggen in de ogen van de burger veel ‘goeds’. Veel opvangcentra geven aan naast de hulp aan dieren een maatschappelijke en sociale functie te hebben door vrijwilligerswerk, dagbesteding en mogelijkheden voor re-integratie aan te bieden.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 17

2.5 Dilemma’s en verlegenheden Uit de interviews met opvangcentra en ook gesprekken met bestuurders in het kader van de RDA zienswijze ‘Dieren in het huis van Thorbecke’ komen verschillende dilemma’s en verlegenheden naar voren. Deze worden in deze paragraaf kort aangeduid. De RDA ziet als grootste dilemma de ambivalentie, van het enerzijds tegemoet willen komen aan dieren willen helpen en anderzijds dat de natuur en de daarin voorkomende dieren vooral met rust gelaten moet worden. Andere dilemma’s die te maken hebben met de of-vraag van opvang van hulpbehoevende dieren staan hieronder genoemd. In het debat over hulp aan dieren in nood is er vaak sprake van ’publieksdilemma’s’. Zo bestaan er in de maatschappij altijd verschillende opvattingen bestaan over de noodzaak tot ingrijpen. Die kunnen onder meer voortkomen uit levensbeschouwelijke opvattingen, morele afwegingen of professionele standaarden. Wat een burger vindt dat nodig is, kan bijvoorbeeld verschillen van wat een professional weet dat nodig is of wat beter is vanuit het dier bezien. De verwachtingen over de mogelijkheden van hulp komen niet altijd overeen met de perspectieven die een dier heeft. Niet alle dieren kunnen worden geholpen en soms is het beter om niks te doen, dieren met rust te laten of dieren uit welzijnsoverwegingen in te laten slapen.

Dan is er de door opvangcentra ervaren paradox dat individuele centra of professionals hun uiterste best doen om dieren op te lappen, terwijl die vervolgens worden afgeschoten of bestreden. Vanuit de overheden is dit ook een dilemma; moeten we als maatschappij zowel investeren in hulp voor als bestrijding van dezelfde dieren? Dat geldt niet alleen voor ‘inheemse’ soorten die schade kunnen veroorzaken, maar ook voor hulpbehoevende (invasieve) exoten die een gevaar vormen voor inheemse soorten en niet-beschermde dieren. Hulp aan en opvang van dieren is volgens de sector grotendeels het bestrijden van symptomen in plaats van het aanpakken van de oorzaak van dierenleed. Is dit dan dweilen met de kraan open en zou je niet beter kunnen investeren in aanpakken van oorzaken? Dit zou je namelijk breder moeten zien door bescherming van het leefgebied en preventie van hulpbehoevendheid (denk aan de afblijfplicht die je zou kunnen zien als ‘de mens bemoeit zich niet/ zo min mogelijk met natuur of wilde dieren). Andere genoemde dilemma’s liggen op het gebied van doden van dieren, het (bij)voeren van dieren, hoe om te gaan met dierplagen binnen opvangcentra, dierziekten en zoönosen, exoten en uitheemse dieren. Ook is er de kwestie van ‘aaibaarheid’ van verschillende organisaties, die voor onderlinge concurrentie kunnen zorgen.

Een opvang voor kleine zoogdieren zoals jonge haasjes kan mogelijk op meer sympathie rekenen dan een vogelopvang. Dit zorgt voor concurrentie bij subsidies en bijdrages. Opvangcentra zijn daardoor genoodzaakt om een ‘verdienmodel’ op te stellen.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 18

3. HOE een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen In het vorige hoofdstuk is geschetst of en wanneer we hulpbehoevende wilde dieren zouden moeten helpen. De volgende vraag is dan: hoe we dat moeten doen? Dit is afhankelijk van verschillende factoren. Elke situatie is uniek en vraagt om een specifieke beoordeling van de aard en omvang van het probleem en de hulp die het beste kan worden verleend. Hiervoor zijn kennis en vaardigheden vereist. Mensen hebben empathie voor hulpbehoevende dieren en voelen een urgentie om te helpen, maar missen de kennis en vaardigheden om de aard en omvang van het probleem vast te stellen en om in te schatten welke hulp nodig is. Het beste is om de mensen vooraf en generiek te informeren over de noodzaak om hiervoor deskundige hulp in te schakelen, die elke situatie kan beoordelen en een afweging kan maken wat de beste hulp is. De huidige praktijk kent een aantal aandachtspunten die in dit hoofdstuk aan de orde komen.

3.1 Verschillende fasen en manieren van hulp Hulp bieden aan dieren in nood kan, zoals in het vorige hoofdstuk aangeduid, bekeken worden vanuit het perspectief van de mens (wat wil de mens dat er gebeurt?) en vanuit het perspectief van het dier (wat heeft het dier nodig?). Het antwoord op de vraag ‘hoe moet een dier worden geholpen?’, gezien vanuit perspectief van het dier, is afhankelijk van verschillende factoren: • soort en stressbestendigheid; • ernst van de verwondingen; • mate van lijden van het dier, kortdurend versus chronisch lijden; • aantasting van welzijn gedurende de hulp, kans voor latere uitzet in natuur; • situatie: locatie en omstandigheden ter plaatse; • nabijheid van opvang en reis- en wachttijd. Vrijwel alle situaties zijn uniek. Wel kan er, door categorisering van hulpbehoevendheid zoals benoemd in hoofdstuk 2, duiding worden aangebracht in welke patronen van hulp er zijn. Hulp moet in principe altijd zo snel mogelijk worden verleend, passend bij de situatie. Hulp aan wilde dieren in nood kent daarin meerdere fasen. Het begint met een eerste afweging en reactie door de vinder van het dier. De vondst van een dier in nood gebeurt meestal door een burger.

Daarom is het belangrijk dat zij goed worden voorgelicht en op de hoogte zijn van hoe te handelen wanneer zij een hulpbehoevend dier vinden, ook omdat het voor het dier stressvol is om door mensen te worden benaderd. Dan volgt de eerste, vaak telefonische, melding bijvoorbeeld bij 144 of de dierenambulance en een eerste inschatting en respons vanuit deze instanties (wel of geen actie). Daarnaast bellen burgers in zo’n situatie ook met politie, brandweer (hulpdiensten), dierenambulances, direct met opvangcentra, dierenartsen, overheidsinstanties of inspectiediensten. Als er na de eerste melding door de betreffende instantie besloten wordt tot actie, wordt daarna door een deskundige hulpverlener ter plaatse een inschatting gemaakt van de situatie (triage in het veld), en er wordt besloten wat er met het dier moet gebeuren (wel of geen behandeling, eventueel weer uitzetten). Dan volgt een fase van vervoer, gevolgd door triage/ inschatting bij de opvang of de dierenarts. Daar worden keuzes over euthanasie of behandeling gemaakt, met het oog op het welzijn van het dier en de kans op een succesvolle terugplaatsing in de natuur. Dit is een keten van hulpverlening met fasen van besluitvorming.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 19

Hulp kan in al deze verschillende fasen bestaan uit veel verschillende dingen, te bepalen door iemand met kennis en vaardigheden. Hierbij gaat het om een eerste inschatting via telefoon, advies over in te schakelen specialistische hulp, ter plaatse bevrijden uit benarde positie, vrijlaten, verplaatsen, hulp inroepen van anderen, opvang, zorg, permanente opvang, of uit lijden verlossen (euthanasie, hanteren, transport). Een deskundige kan ook besluiten dat niets doen het beste is. Dit kan ook hulp zijn, juist vanuit het welzijn van een dier, van andere dieren of in het belang van de populatie of het ecosysteem. Dat betekent een dier in nood met rust laten, laten sterven of juist de gelegenheid geven om op eigen kracht (trachten) te herstellen. Niet pakken en vervoeren, waarmee verdere stress voorkomen wordt. Eenmaal aan de deur van de opvang wordt (meestal) elk dier aangenomen. Hier besluiten ter plaatse aanwezige deskundigen wat de beste vervolgstappen zijn. Vanuit het welzijn van het dier en kansen op herstel maken zij een afweging over verdere behandeling of euthanasie. Opvangcentra geven aan dat veel dieren alsnog overlijden binnen 24-48 uur15 in de opvang.

3.2 Zoekplicht naar deskundigheid Uit het voorgaande blijkt dat mensen vanuit empathie voor hulpbehoevende dieren een urgentie voelen om te helpen én dat de zorg voor hulpbehoevende wilde dieren is opgenomen in wet- en regelgeving. Het is belangrijk om altijd rekening te houden met de emoties van mensen die willen helpen. Ze moeten dan wel weten wat ze moeten doen in zo’n geval. ‘Nadelig handelen’ achterwege laten is het algemene uitgangspunt, met de concrete uitzondering van hulpbehoevende van wilde dieren. Helpen is een wettelijke plicht, maar het is niet toegestaan om voor wilde dieren te zorgen en ze op te vangen zonder ontheffing, kennis en vaardigheden (zie ook hoofdstuk 2). Als leek mag je niet thuis een wild dier verzorgen. Daarom moeten mensen vooraf deskundig geïnstrueerd worden om een (hulpbehoevend wild) dier niet aan te raken of te verplaatsen, maar iemand met kennis en vaardigheden in te schakelen. Daarmee zal vaak ook meteen afdoende invulling gegeven worden aan de wettelijke zorgplicht uit de Wet dieren. We noemen dit ‘zoekplicht naar deskundigheid’. Niet zelf onbekwaam hulp bieden, maar helpen voorzien in de juiste hulp voor het dier op dat moment. Dat betekent in eerste instantie bellen naar de juiste instellingen en eventueel een foto sturen. Hier zijn deskundigen of geschoolde vrijwilligers aanwezig die kunnen helpen met de vervolgstap.

Het advies kan ook zijn om het dier zorgvuldig te verplaatsen, zodat het dier rustig kan sterven. De dierenambulance vraagt vaak om hulpbehoevende dieren zelf te vangen en beschikbaar te houden. Deels vanuit praktische overweging vanwege de veiligheid van zowel mens als dier, en ook vanuit de capaciteit van de ambulances. Daarnaast is de overweging wanneer een dier niet te vangen blijkt, er waarschijnlijk ook niet veel aan de hand is. Dit is een soort eerste selectie voor de inschatting van de hulpbehoevendheid van een dier. Toch is zelf vangen meestal niet wenselijk vanuit stress voor het dier of vanuit het gevaar van ziekten of verwondingen die een dier kan veroorzaken en ook is het niet altijd mogelijk. Het is afhankelijk van verschillende factoren of dit de beste oplossing is. Deskundigen kunnen de burger helpen om in elke situatie de juiste afweging te maken. In sommige gevallen kunnen capabele burgers wel zelf dieren verplaatsen, maar bij twijfel moet toch is deskundige hulp of advies worden gevraagd. Het is belangrijk bij de ‘zoekplicht naar deskundigheid’ dat burgers weten welke handelingsperspectieven ze hebben wanneer ze een hulpbehoevend wild dier aantreffen en waar ze voor deskundige hulp en noodzakelijke informatie terecht kunnen (wat ze als eerste moeten 15

Geïnterviewde opvangcentra geven aan hierover gegevens bij te houden.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 20

doen). Dat betekent dat communicatie hierover en deze blijvend herhalen, van belang is om mensen wetend maken. Dat kan op verschillende manieren, maar tegelijkertijd moet men beseffen dat voorlichting, zelfs frequente, beperkingen kent. Ook hier zal in het volgende hoofdstuk nader op worden ingegaan.

3.3 Knelpunten huidige praktijk In de bijlage is op basis van de gehouden interviews een situatieschets opgenomen van de wijze waarop hulp aan wilde dieren momenteel in Nederland geregeld is. Daarin wordt ook beschreven welke knelpunten er in de huidige praktijk zijn en hoe deze worden ervaren. Op basis van deze situatieschets constateert de RDA onderstaande aandachtspunten.

Ontheffing, protocollen en kwaliteit • Noodzakelijke professionalisering van de sector heeft als keerzijde extra vereisten en (financiële) lasten; • Verantwoordelijk voor ontheffingen van opvangcentra ligt nu bij provincies, daardoor zijn er risico’s voor verschillen in eisen aan en kwaliteit van opvang tussen provincies; • Er zijn geen wettelijk vastgestelde regels voor dierenambulances, evenmin is ‘dierenambulance’ een beschermde titel. Er bestaan landelijk veel verschillen in visie en handeling van betreffende organisatie achter de verschillende ambulances.

Melding en opvolging • Het is voor de burger niet altijd even eenvoudig om zelf uit te vinden waar je welke melding kan maken. Meldnummer 144 is nog niet overal bekend. Een burger maakt meestal geen onderscheid in gehouden of niet-gehouden dieren, of tussen huisdieren en wilde dieren; • Goede voorlichting aan burgers aan de ‘voorkant’ van hulpverlening, over de noodzaak van wel of niet handelen, voorkomt onnodige problemen later in de keten door onnodig ingrijpen bij dieren die geen hulp nodig hebben. Die voorlichting zou volgens de RDA in de gehele hulpverleningsketen een goede plek moeten krijgen; • Het is volgens de RDA een gemiste kans om niet in alle fasen van de hulpverleningsketen gegevens te verzamelen, die beeld geven over aard en omvang van de problematiek. Deze kunnen helpen bij het signaleren van calamiteiten, dierziekten, zoönosen en plotselinge achteruitgang in natuurlijke populaties.

Vervoer van dieren • Er zijn risico’s op het gebied van kwaliteit, kennis, vaardigheden en handelswijze door het ontbreken van kwaliteitseisen en beleidsregels voor vervoer van dieren in dierenambulances; • De burger weet door bovengenoemde verschillen niet altijd waar hij op aan kan bij het raadplegen van een dierenambulance.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 21

Opvang, behandeling en financiering • Bestaanszekerheid van wildopvangcentra en continuïteit in zorg en hulp aan hulpbehoevende wilde dieren komen in de knel door onvoldoende financiering; • Er is een spanningsveld tussen natuur en dierenwelzijn op het gebied van hulpbehoevende dieren; • Er is vanuit de opvangsector veel onduidelijkheid welke bestuurslaag verantwoordelijk is voor opvang van hulpbehoevende wilde dieren; • De overheid en een deel van de sector ziet het als een probleem dat wildopvangcentra als sector niet één geluid kunnen laten horen in bijvoorbeeld een samenwerkingsverband of een koepelorganisatie; • Er is onder wildopvangcentra een brede behoefte om elkaar meer en beter te vinden en samen te werken. Niet alleen op het gebied van informatie, kennis en ervaring uitwisselen over de verzorging en behandeling van hulpbehoevende dieren, maar ook om samen financiële middelen te zoeken.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 22

4. Door WIE moet een hulpbehoevend wild dier worden geholpen Wilde dieren zijn van niemand en van ons allemaal. Iedereen verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg, maar er zijn wel verschillen in verantwoordelijkheid. Bij een wettelijk vastgelegde zorgplicht voor de burger ligt het in de lijn der verwachting dat de overheid de middelen zou verschaffen om de uitvoering van de zorgplicht te faciliteren. In dit hoofdstuk komen verplichtingen, verdeling, verwachtingen en behoeftes die partijen (van elkaar) hebben naar voren.

4.1 Verplichtingen, verdeling en verwachtingen In de voorgaande hoofdstukken is al in kaart gebracht of en hoe hulpbehoevende wilde dieren moeten worden geholpen en welke aandachtspunten de RDA in de huidige praktijk ziet. Gekoppeld aan het HOE zit natuurlijk het WIE. Wie moet wat doen? Wie is waarvoor verantwoordelijk? Welke verwachtingen zijn er van elkaar? In onderstaande tabel staan bevindingen hierover uit de vorige hoofdstukken samengevat. Partij 16

‘Een ieder ’

16

Verantwoordelijkheid

Verplichting

Verwachtingen

Dieren in de natuur zijn niemands eigendom en daarom van ons allemaal (res nullius). Ook al zijn dieren niemands bezit of eigendom, er is wel verantwoordelijkheid vanwege de zorgplicht/ hulpverleningsplicht

‘Een ieder’ in Nederland is verplicht om hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.

De verantwoordelijkheden voor dierenwelzijn en dieren in de natuur liggen bij verschillende partijen. Wat kunnen we verwachten van de handelende onwetende/onbekwame burger in situaties wanneer dieren in nood zijn?

‘Een ieder’ neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

Dat bepaalt welk systeem het meest geschikt is om dieren te helpen, hoe dat moet functioneren en worden bekostigd, en wat er moet worden gefaciliteerd

Een ieder betreft zowel de burgers als de overheid.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 23

Partij

Verantwoordelijkheid

Verplichting

Verwachtingen

Burgers

Zoekplicht naar deskundigheid

De wettelijke verplichting kan niet verder reiken dan wat mensen redelijkerwijs aankunnen.

Burgers moeten worden geïnformeerd op welke wijze zij hulpbehoevende dieren het beste kunnen helpen (en ook wat ze NIET moeten doen)

Na de eerste hulp is voldaan aan de zorgplicht. Daar neemt iets of iemand het van de burger over, er moet iets geregeld zijn door ons allemaal, als gemeenschap. We kunnen niet een zorgplicht in de wet opnemen en er collectief niets voor over hebben. Overheid

Deskundigen (melding, vervoer, opvang, behandeling)

Dierenwelzijn ligt primair bij de minister van LNV. De verantwoordelijkheid voor natuurbeleid en de daarin levende wilde dieren ligt primair bij de provincies. Provincies gaan tevens meestal over de vergunningen en ontheffingen voor opvangcentra. Gemeenten hebben op grond van het Burgerlijk Wetboek een gemeentelijke bewaarplicht voor zwervend aangetroffen gevonden dieren (asielen). Zij hebben vaak afspraken met dierenambulances over het vervoer van dieren, vaak met inbegrip van hulpbehoevend aangetroffen wilde dieren.

Bij een wettelijk vastgelegde zorgplicht voor de burger ligt het in de lijn der verwachting dat de overheid de middelen zou verschaffen om de uitvoering van de zorgplicht te faciliteren.

Hulp aan dieren vanuit oogpunt van welzijn van het dier en mogelijk kans op terugplaatsing in de natuur.

Voldoen aan vereisten voor opvang en hulp aan wilde dieren. Voldoen aan Beleidsregels kwaliteit opvang.

De staat legt de wettelijke verplichting op. Er zou (beter)moeten worden gefaciliteerd (regelen van financiën, institutionele arrangementen) en/of gesubsidieerd). De overheid dient haar burgers te informeren over hoe hulpbehoevende wilde dieren moeten worden geholpen.

Burgers verwachten dat hulpbehoevende dieren worden geholpen. Van deskundigen wordt professionaliteit, kennis en ervaring vereist. Deskundigen verwachten ondersteuning van de overheid.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 24

Wat is in belang van het dier? Maakt het voor het dier uit wie hulp verleent? Niet als in welke persoon of partij. Het individuele dier is wel gebaat bij het voorkomen van lijden en het krijgen van goede zorg. Daarvoor zijn van belang: • Toekomstperspectief voor het dier- kwaliteit van leven na de opvang; • De beste zorg krijgen; • Professionaliteit, kennis en expertise; • Landelijke dekking en uniformiteit (basiskwaliteit), regionale spreiding en aanrijtijden; • Voorlichting burgers.

4.2 Behoeftes partijen Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er grote verschillen bestaan in zowel dierenvervoer als dierenopvang. Wel delen ze allemaal de behoefte aan: • meer en structurele financiering; • onderling overleg en uitwisseling; • eenduidige kwaliteitseisen (waar ook weer een financieel plaatje aan hangt). Hieronder staan de behoeften per partij uitgeschreven. Partij

Behoefte

Wat is daarvoor nodig en van wie?

Burgers

• Een dier kunnen helpen • ‘Iets’ goed kunnen doen • Handelen vanuit hun betrokkenheid en gevoelens

• Lokale en regionale beschikbaarheid en bereikbaarheid van vervoer en opvang van dieren • Voorlichting over wat goede hulp is en wanneer een dier niet geholpen wordt

Deskundigen (melding, vervoer, opvang, behandeling)

• Erkenning rol en maatschappelijke functie • Professionaliteit, kennis en expertise delen, samenwerking (triage, rol en verbindende schakels). • Duidelijkheid over financiering: bestaanszekerheid, stabiele betalingsstructuur • Meer opleidingsmogelijkheden • Tijd voor zorg i.p.v. zorgen over voortbestaan • Voldoende capaciteit, vaste medewerkers vs. vrijwilligers • Handelingsperspectieven voor medische verrichtingen • Duidelijke voorlichting burgers

• Goed en sterk netwerk van opvangcentra en vervoer - verschil in inzicht of dieren beter geholpen zijn met weinig grote centra of juist met een fijnmazig netwerk van kleinere centra. • Duidelijkheid over verantwoordelijkheden en financiën vanuit overheid. • Opzetten samenwerkingsstructuur voor delen kennis en informatie • Voorlichtingscampagne voor burgers • Perspectief medische handelingen

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 25

5. Conclusies en aanbevelingen 5.1 Conclusies De minister van LNV heeft de RDA gevraagd om antwoord te geven op de vraag ’Of, en hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en door wie’17. De zienswijze van de RDA is als volgt: Ja, een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen om verschillende redenen. We moeten hulpbehoevende wilde dieren helpen op grond van een wettelijk voorschrift in de Wet dieren (artikel 2.1) dat aangeeft dat een ieder een hulpbehoevend dier de nodige zorg verleent. De uitleg van dit artikel in de Memorie van Toelichting geeft aan dat dit ook voor wilde dieren geldt. Daarnaast is er de breed levende opvatting onder burgers dat op hen een morele verantwoordelijkheid rust voor het welzijn van dieren. In eerdere zienswijzen heeft de RDA zijn beschouwing gegeven over de wijze waarop mensen in de praktijk invulling geven aan hun morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van (wilde) dieren, eerder benoemd onder de term ‘zorgplicht’, als term die alle gradaties van zorg omvat (RDA, 2012; RDA, 2017). Dieren zijn levende, voelende wezens en hebben intrinsieke waarde. De mens heeft direct of indirect invloed op de mogelijkheden van individuele dieren en van dierpopulaties, om zich aan te passen aan de heersende omstandigheden. Dat betekent niet dat alle dieren altijd geholpen moeten worden.

Dieren in de natuur raken in de problemen, verzwakken, lijden of sterven, al dan niet door toedoen van predatoren. Dat is onderdeel van de levenscyclus in het ecologische systeem. De Wet natuurbescherming en de Wet dieren beogen in algemene zin niet het lijden van wilde dieren in natuurlijke situaties aan te pakken. De Wet natuurbescherming geeft aan dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving en handelen met mogelijke nadelige gevolgen in principe achterwege laat. Wilde dieren in hun natuurlijke situaties worden zoveel mogelijk met rust gelaten. De centrale afweging is hier wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is en wanneer ingrijpen noodzakelijk is. Wanneer iemand een (levend) dier aantreft dat op zijn/haar toenadering niet reageert, gebrekkige pogingen onderneemt om te vluchten, te dreigen of te vechten, zal op het eerste gezicht moeten aannemen dat dit dier niet meer kan functioneren zonder hulp. Of een dier hulpbehoevend of zelfredzaam is, hangt af van het aanpassingsvermogen van het dier in een specifieke omstandigheid. Dit kan vaak alleen door een deskundige (in de keten van melding, vervoer en opvang van dieren) worden beoordeeld. Gewonde en gecontamineerde dieren (olie, afval) zijn als regel hulpbehoevend, zij kunnen niet langer voor zichzelf zorgen en kunnen zich niet meer aanpassen aan de situatie.

Verzwakte, uitgeputte en zieke dieren vereisen specifieke afwegingen, niet alleen op het niveau van het individuele dier, maar ook het effect op de populatie en het ecosysteem. Jonge dieren en oververmoeide dieren zoals trekvogels zijn meestal niet hulpbehoevend en kunnen zich nog aanpassen aan de situatie. De oorzaak van hulpbehoevendheid maakt vanuit het (lijdende) dier bezien niet uit. Van cruciaal belang is de kans op succesvolle terugplaatsing in de natuur. De zorgplicht geldt voor iedereen, maar niet iedereen heeft dezelfde verantwoordelijkheid. Ook van een gewone burger wordt verwacht dat hij of zij hulp verleent aan een hulpbehoevend dier. Deze hulp bestaat meestal uit wat we noemen een ‘zoekplicht naar deskundigheid’: het inschakelen van de dierenambulance of hulpdiensten, of 144 bellen. Het is belangrijk bij de zoekplicht naar 17

Op de aanvullende vragen van LNV zijn in de bijlage specifieke antwoorden opgenomen.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 26

deskundigheid dat burgers weten welke handelingsperspectieven ze hebben wanneer ze een hulpbehoevend wild dier aantreffen en waar ze voor deskundige hulp en noodzakelijke informatie terecht kunnen (wat ze als eerste moeten doen). Dat is niet het zelf vangen en vervoeren van dieren en zeker niet het zelf verzorgen. Wat de beste hulp is voor een hulpbehoevend dier kan het beste door een specialist/deskundige (in de keten) worden beantwoord. Dit is niet alleen om het welzijn van het dier te garanderen, maar ook voor de veiligheid van degene die een hulpbehoevend (wild) dier vindt. In sommige gevallen kunnen capabele burgers wel zelf dieren verplaatsen, maar bij twijfel moet toch deskundige hulp of advies worden gevraagd. Bij een wettelijk vastgelegde zorgplicht voor de burger ligt het in de lijn der verwachting dat de overheid de middelen zou verschaffen om de uitvoering van de zorgplicht te faciliteren. Mensen hebben empathie voor hulpbehoevende dieren en voelen een urgentie om te helpen, maar missen vaak de ervaring en ervaring om in te schatten of en welke hulp nodig is. Het beste is om burgers vooraf en generiek te informeren over de noodzaak om hiervoor altijd deskundige (veterinaire) hulp in te schakelen, die elke situatie kan beoordelen en een afweging kan maken wat de beste hulp is.

Hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen is namelijk afhankelijk van verschillende factoren. Elke situatie is uniek en vraagt om een specifieke beoordeling van de beste hulp. Hiervoor is ervaring vereist. Vanuit de verschillende partijen die een rol spelen in de keten van hulpverlening aan hulpbehoevende wilde dieren bestaan weliswaar verschillende verplichtingen, verantwoordelijkheden, verwachtingen en behoeften, maar voor de RDA staat het dier centraal. Goede zorg, perspectief op leven in de natuur en de kwaliteit daarvan, tegengaan van lijden, daar hebben individuele dieren wat aan. Om daar recht aan te doen zou volgens de RDA hulp aan wilde dieren verbeterd moeten worden en moeten alle dieren overal dezelfde kwaliteit van hulp kunnen krijgen. Er zijn verschillende knelpunten om dit in de huidige praktijk waar te maken, waardoor een dier niet altijd en overal die goede zorg kan krijgen. Voor de bestaanszekerheid en de continuïteit van de zorg aan hulpbehoevende wilde dieren en de verschillende maatschappelijke rollen die de opvangcentra daarbij vervullen zijn er voor de RDA (vanuit het dierperspectief) twee belangrijke verbeterpunten:

1) Hulp aan hulpbehoevende wilde dieren moet verbeterd worden Welzijn van het dier en perspectief op uitzetting in de natuur staan centraal. Vervoer en opvang van wilde dieren gebeurt door steeds professionelere organisaties en deze ontwikkelen zich wat betreft de kwaliteit van hulp en zorg aan dieren. Burgers moeten op de hoogte zijn welk handelingsperspectief ze hebben als ze een hulpbehoevend dier aantreffen en wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is. Dat betekent dat er (vanuit een overkoepelende organisatie of vanuit de overheid) goede voorlichting en informatievoorziening moet zijn. Vanuit de overheid is het belangrijk om ‘wildgroei’ van onprofessionele opvangcentra in de sector te voorkomen. Dat kan door transparantie en ethologische, veterinaire, juridische en morele afbakening en toezicht te regelen. De dierenhulpverlening als invulling van de wettelijke zorgplicht moet door de staat worden gefaciliteerd. Deskundigheid kost geld, zowel vaste krachten als goed opgeleide vrijwilligers. Beleidsregels en kwaliteit van dierenhulpverlening dienen zich niet te beperken tot wildopvangcentra, maar gelden ook voor vervoerders van dieren.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 27

2) Alle dieren moeten overal dezelfde kwaliteit van hulp (kunnen) krijgen De algemeen geldende zorgplicht uit de Wet dieren geldt voor alle wilde dieren in Nederland. Deskundige hulp moet bereikbaar zijn voor alle dieren in het hele land. Verschillen in visie en handelswijze tussen regio’s of door lokale inzet kunnen zorgen voor ongelijke hulp aan dieren. Dan maakt de vindplaats uit of je als dier goed geholpen wordt en dat is ongewenst. Bestaande autonomie en specialiteit van opvangcentra in diersoorten heeft voordelen, tegelijkertijd zou de overheid moeten landelijke dekking en acceptabele aanrijtijden moeten faciliteren. Burgers dienen op de hoogte te zijn waar ze deskundige hulp kunnen vinden. Door bredere en herhalende communicatie hierover, kunnen mensen beter op de hoogte worden gebracht. Daarin moet duidelijk worden gemaakt wanneer je dieren wel en niet moet helpen. Dat kan complex zijn, hulp aan dieren is sterk emotie gedreven. Toch is voorlichting geven beter dan geen voorlichting geven. Veel mensen zullen in het geval van het vinden van een hulpbehoevend dier op internet opzoeken wat zij het beste kunnen doen. Zorgvuldige informatie op relevante websites en sociale media of apps kunnen hier zeker bij helpen.

Het opstellen van do's & don'ts voor de burger (‘wat kan ik doen, wat moet ik doen, wat moet ik vooral niet doen, hoe help je een dier het beste’) geeft handelingsperspectief. Het vinden van voldoende financiering en daarmee bestaanszekerheid en continuïteit in zorg en hulp aan hulpbehoevende wilde dieren is een groot probleem dat wildopvangcentra naar eigen zeggen niet alleen kunnen oplossen. De rijksoverheid zou voldoende uniformiteit en continuïteit van wildopvang moeten faciliteren. Gezien de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheid voor natuur bij de provincies dient op dat niveau ook ondersteuning te worden gegeven. Goede handhaving van landelijke voorwaarden en regels is van belang. De RDA ziet voor deze verbeterpunten een trekkende rol voor de rijksoverheid en doet daarom onderstaande aanbevelingen.

5.2 Aanbevelingen In het belang van het welzijn van wilde dieren, raadt de RDA de minister aan om in overleg en samenwerking met de sector in te zetten op de volgende 3 punten ter verbetering van hulp: 1) Zorg voor continuïteit: lange termijn financiering wildopvang • De RDA vraagt aan het Rijk om met andere overheden in gesprek te gaan en afspraken te maken over ieders verantwoordelijkheden in de opvang van hulpbehoevende wilde dieren, inclusief structurele financiële ondersteuning vanuit de overheid van wildopvang in Nederland. • Omdat de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheden voor natuurbeheer en het verlenen van ontheffingen aan wildopvangcentra bij de provincies ligt, ligt het voor de hand om de zorg voor een structurele financiering daar te leggen. Provincies kunnen aansluiten bij de betrokkenheid die een aantal gemeenten nu al tonen bij wildopvang. • De wildopvangcentra hebben zelf goede voorbeelden en nieuwe ideeën op welke wijze structurele financiering kan worden ingezet (bijvoorbeeld instandhoudingsbijdrage, professionaliseringsbijdrage, kosten per dier, fonds). Werk samen met hen aan de concrete invulling en vormgeving van de ondersteuningsstructuur vanuit gezamenlijke belangen.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 28

2) Zorg voor een landelijke basiskwaliteit van hulp • De rijksoverheid heeft een belangrijke rol in het faciliteren van een landelijk netwerk voor uniformiteit, continuïteit en basiskwaliteit als het gaat om hulpverlening aan (wilde) dieren. • Landelijke beleidsregels en kwaliteitseisen van dierenhulpverlening zouden niet beperkt moeten zijn tot wildopvangcentra, maar ook opgesteld moeten worden voor vervoerders van dieren en andere hulpverleners in de keten. (Bestaande) private keurmerken en kwaliteitsinitiatieven van dierenambulances dienen te worden gestimuleerd en wellicht zelfs voor te worden geschreven, waaronder regels over landelijke dekking en acceptabele aanrijdtijden zodat deskundige hulp voor alle dieren in het land bereikbaar is. • De overheid heeft een controlerende taak om ‘wildgroei’ van onprofessionele opvangcentra in de sector te voorkomen. Dat kan door het faciliteren van transparante regels, ethologische, veterinaire, juridische en morele afbakening en het regelen van toezicht. Bij dierenambulances kan een kwaliteitsslag gemaakt worden door het regelen van bovenstaande punten, toezicht en een openbare handelwijze.

• Een in het leven te roepen overkoepelende instantie zou geregeld overleg moeten voeren met de wildopvangcentra over noodzakelijke deskundigheid, opleidingsniveau en zorgen voor continue bewaking en verbetering van hulp vanuit het oogpunt van dierenwelzijn. 3) Zorg voor goede informatievoorziening en stimuleer onderzoek en kennisuitwisseling • Burgers moeten op de hoogte zijn wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is, welk handelingsperspectief zij hebben als ze een hulpbehoevend dier aantreffen en waar deskundige hulp te vinden is. Goede voorlichting en informatievoorziening dient door de overheid gefaciliteerd te worden. Dit kan door de dierenhulpsector te ondersteunen bij hun communicatie, of door zelf voorlichting te geven. Door bredere en herhalende communicatie hierover, kunnen mensen beter op de hoogte worden gebracht. Informatievoorziening zou op alle niveaus in de keten een plek moeten hebben. Ook bij meldpunt 144 en ‘triage’ meldkamers dient juiste en specifieke informatie aanwezig te zijn, om specialistisch advies te kunnen geven, ook voor het vervolgtraject . • Als de overheid stabiliteit en continuïteit in de sector faciliteert, heeft de sector meer ruimte om aandacht te besteden aan voorlichting, educatie en bijdragen aan onderzoek. Zoals trends in dieren die binnenkomen, oorzaken daarvan, succespercentages van uitzettingen, dierziekten en verspreiding.

Ook beter inzetten op dataverzameling bij meldpunt 144 kan van toegevoegde waarde zijn. De RDA vindt het belangrijk dat er harmonisering plaatsvindt in de sector en dat er geen grote ongelijkheid is of ontstaat in de hulp aan dieren door regionale verschillen. De Raad ziet een ronde tafelgesprek met overheden en de sector als een eerste volgende stap. Hierin kunnen tevens ‘best practices’ aan de orde komen en kan worden gesproken over de aanvullende waarde van het opstellen van een praktische handleiding (belangrijkste do’s en don'ts) voor burgers waarbij het ‘leereffect’ kan worden vergroot.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 29

Geraadpleegde bronnen Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten, 2017. Geraadpleegd via: https://wetten.overheid.nl/ BWBR0037263/2017-01-01#Artikel3 Burgerlijk Wetboek. Boek 5. Geraadpleegd via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0005288/2018-09-19 Censas, 2021. Adviesrapport dodingsmethoden toepasbaar in wildopvangen door niet-dierenartsen. In opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Centre for Sustainable Animal Stewardship (CenSAS), maart 2021 Kamerbrief Tweede Kamer, 2020. Kamerbrief van Minister van LNV Schouten inzake Dierenwelzijn. Kenmerk 2020D30659 Kamerbrief Tweede Kamer, 2020b. Kamerbrief van Minister van LNV Schouten inzake Stand van zaken en vervolg analyse amendement artikel 2.1 Wet dieren. Kenmerk DGA-DAD 21180149 Kamerstuk Tweede Kamer, 2008. Een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren). Memorie van Toelichting. Tweede Kamer vergaderjaar 2007–2008, 31 389, nr. 3 Raad voor Dierenaangelegenheden, 2019. Staat van het Dier. Beschouwingen en opinies over de verschuivende relatie tussen mens en dier in Nederland. Raad voor Dierenaangelegenheden, Den Haag Raad voor Dierenaangelegenheden, 2017. Wegen van Welzijn van Dieren in de Natuur. Toepassing afwegingskader voor fauna. Raad voor Dierenaangelegenheden, Den Haag Raad voor Dierenaangelegenheden, 2012. Zorgplicht Natuurlijk Gewogen.

Raad voor Dieren­ aangelegenheden, Den Haag RVO, 2020. Taken en rolverdeling bevoegdheden. Website: https://www.rvo.nl/onderwerpen/ agrarisch-ondernemen/beschermde-planten-dieren-en-natuur/wet-natuurbescherming/taken-enrolverdeling-bevoegdheden Wet dieren, 2011. Geraadpleegd via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0030250/2021-07-01 Wet natuurbescherming, 2015. Geraadpleegd via: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-07-01

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 30

Bijlage 1 Adviesaanvraag betreffend de zorgplicht voor en opvang van wilde dieren

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 31

Bijlage 2 Brief Tweede Kamer kenmerk 2020D30659 Tweede Kamer der Staten-Generaal

2

Vergaderjaar 2019–2020

33 576

Natuurbeleid

28 286

Dierenwelzijn

Nr. 196

BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 28 juli 2020 In december 2019 zijn een tweetal moties aangenomen met betrekking tot de zorgplicht voor en de opvang van wilde dieren1 , 2. Daarnaast heb ik tijdens het VAO Dierenwelzijn van 12 december 2019 (Handelingen II 2019/20, nr. 36, item 4) een tweetal toezeggingen gedaan aan uw Kamer met betrekking tot dit onderwerp3 4. Met deze brief informeer ik uw Kamer over de afhandeling van deze moties en toezeggingen. Kort na het betreffende debat heb ik contact opgenomen met de vogelopvang in Naarden over hun situatie. Naar aanleiding hiervan heeft nog in december 2019 een eerste gesprek plaatsgevonden tussen het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en een aantal wildopvangcentra om te spreken over structurele oplossingen voor knelpunten die de opvanglocaties ervaren. Deze gesprekken zijn in 2020 vervolgd, waarbij ook dierenwelzijnsorganisaties aanwezig waren. Hieruit bleek dat wildopvangcentra, naast financiële problemen, ook andere knelpunten ervaren, zo ervaren zij bijvoorbeeld onduidelijkheden in regelgeving. Onderstaand informeer ik uw Kamer over de stappen die ik, telkens in overleg met de wildopvangcentra en dierenwelzijnsorganisaties, heb genomen. Ik wil hierbij voor de goede orde duidelijk maken dat wanneer 1

Motie van de leden Graus en Wassenberg (Kamerstuk 28 286, nr. 1079) – verzoekt de regering, in gesprek te gaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en betrokken provinciebestuurders inzake hun verplichting om aan de zorgplicht voor wilde en/of verwilderde dieren te voldoen. 2 Motie van de leden Wassenberg en Graus (Kamerstuk 33 576, nr. 182) – verzoekt de regering, om in samenwerking met gemeenten, provincies en stakeholders een uniforme landelijke richtlijn te ontwikkelen voor vergoedingen aan lokale en regionale wildopvangcentra. 3 Mijn toezegging tijdens het VAO Dierenwelzijn op 12 december 2019 om in overleg te gaan met de vogelopvang en NVWA over betreffende casus. 4 Mijn toezegging tijdens het VAO Dierenwelzijn op 12 december 2019 om in overleg te gaan met zowel provincies als gemeenten om te praten over het dierenwelzijn van wilde dieren en de Tweede Kamer te informeren over de uitkomsten van die gesprekken.

kst-33576-196 ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2020

Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 33 576, nr. 196

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 32

1

ik het in deze brief heb over «wilde dieren», ik het heb over dieren behorend tot een van nature in Nederland voorkomende diersoort. 1. Zorgplicht voor wilde dieren en verantwoordelijkheid voor het welzijn van wilde dieren De motie van de leden Graus en Wassenberg verzoekt de regering om in gesprek te gaan met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en betrokken provinciebestuurders inzake de zorgplicht voor wilde dieren. De afgelopen maanden heb ik deze gesprekken gevoerd. Zowel de Wet natuurbescherming als de Wet dieren bevat een zorgplicht aangaande wilde dieren. In beide wetten wordt de zorgplicht niet bij een overheidsinstantie gelegd, maar bij «een ieder». De zorgplicht uit de Wet natuurbescherming (art 1.11) roept een ieder op om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en om handelingen die een nadelig gevolg kunnen hebben op in het wild levende dieren achterwege te laten dan wel de gevolgen van die handeling te voorkomen. De Wet natuurbescherming roept dus vooral op om te voorkomen dat dieren in de problemen komen. Voor de zorg voor een ziek of verwond wild dier verwijst de memorie van toelichting van de Wet natuurbescherming naar de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de voorganger van de Wet dieren.

Van belang is in het bijzonder het thans in de Wet dieren opgenomen artikel 2.1, dat van toepassing is op alle dieren, ongeacht of zij gehouden zijn of in het wild leven. Ingevolge het eerste lid van dat artikel is het verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen. Ingevolge het zesde lid van dat artikel is eenieder verplicht om hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen. In 2012 heeft de Raad voor de Dieraangelegenheden (RDA) in de zienswijze «Zorgplicht natuurlijk gewogen»5 de vragen behandeld welke verantwoordelijkheid de mens en de maatschappij zouden moeten hebben voor het welzijn van niet-gehouden dieren en hoe we daar in de praktijk vorm aan kunnen geven. De zienswijze biedt handvatten om de verantwoordelijkheden ten opzichte van het welzijn van wilde dieren consequent vorm te geven. De RDA zet de vraag centraal of ingrijpen nodig is, voorafgaand aan de vraag wat er moet gebeuren. Het afwegingskader en het bijbehorende stroomschema is vooral bedoeld als hulpmiddel voor beleidsmakers en terreinbeheerders die besluiten moeten nemen over dieren in de natuur. De werkwijze leent zich goed voor zorgvuldige overwegingen op voorhand, maar is niet geschikt voor ad-hoc beslissingen.

De zienswijze geeft daarom geen antwoord op de vraag of en hoe een hulpbehoevend dier moet worden geholpen en door wie. Om die reden heb ik met de wildopvangcentra, de VNG, het IPO (Interprovinciaal Overleg) en dierenwelzijnsorganisaties afgesproken de RDA te vragen met een aanvulling op hun zienswijze te komen die is toegespitst op dit probleem. Deze vraag is reeds gesteld en het resultaat verwacht ik begin volgend jaar. Ik zal dit met uw Kamer delen.

5

https://www.rda.nl/publicaties/zienswijzen/2012/11/12/rda-zienswijze-zorgplicht-natuurlijkgewogen

Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 33 576, nr. 196

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 33

2

2. Richtlijnen voor vergoedingen voor opvangcentra voor wilde dieren De motie Wassenberg/Graus2 verzoekt de regering, om in samenwerking met gemeenten, provincies en stakeholders een uniforme landelijke richtlijn te ontwikkelen voor vergoedingen aan lokale en regionale wildopvangcentra. Uit gesprekken en uit een inventarisatie onder alle wildopvangcentra blijkt dat er grote verschillen zijn tussen opvangcentra, in grootte en professionaliteit, de diersoorten die opgevangen worden, maar ook wat betreft uitgaven en inkomstenbronnen. Deze grote variatie betekent dat er maatwerk nodig is wat betreft de noodzaak tot financiering alsook het doel ervan. Om deze reden kan er geen uniforme richtlijn geformuleerd worden. Veel opvangcentra hebben wel behoefte aan structurele hulp om hun bestaanszekerheid te borgen. Daarom moedig ik gemeenten en provincies aan om in gesprek te gaan met de lokale wildopvangcentra over welke hulp zij nodig hebben. Dat hoeft niet altijd een financiële bijdrage te zijn maar kan ook hulp zijn bij het werven van fondsen of vrijwilligers en bijvoorbeeld hulp bij (duurzame) investeringen die de exploitatiekosten kunnen verminderen. Samen met de provincies heb ik de wildopvangcentra gestimuleerd om een goed georganiseerde overkoepelende organisatie op te richten die de belangen van de opvangcentra vertegenwoordigt.

Zo’n organisatie kan als centraal aanspreekpunt fungeren voor de overheid, kan helpen in de verbetering van de onderlinge uitwisseling van kennis en ervaring en versterkt de positie van de opvangcentra. Ook heb ik de wildopvangcentra aangeraden om gezamenlijk inzichtelijk te maken wat de opvang van wilde dieren kost. Het helpt provincies, gemeenten en andere geldschieters als er een duidelijk beeld is van de globale kosten van de opvang van wilde diersoorten. Ik ondersteun van harte dat vanuit de opvangsector het initiatief is genomen om een kennisplatform op te zetten om onderling kennis en informatie te delen. Ik zal zorgen dat de uitkomsten van de acties die door mijn ministerie worden uitgevoerd ook met dit platform gedeeld worden. 3. Aanvullende acties Naast financiële problemen ervaren de opvangcentra ook andere knelpunten. Ik heb, samen met de gesprekspartners, geïnventariseerd welke acties ik hierin kan nemen. Mijn insteek is hierbij om de opvangcentra een betere en duidelijke basis te bieden op grond waarvan zij hun activiteiten kunnen uitvoeren. 3.1 Aanpassing beleidsregels Een opvangcentrum heeft een ontheffing nodig van de provincie op basis van de Wet Natuurbescherming voor het onder zich hebben van beschermde wilde dieren.

Het «Protocol opvang niet aangewezen diersoorten en beschermde diersoorten»6 dat bij de «Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten» hoort, geldt op dit moment bij bijna alle provincies als voorschrift voor de ontheffing. In de gesprekken met de opvangcentra bleek dat hetgeen in dit protocol is opgenomen niet altijd aansluit bij de praktijk. Naar aanleiding van deze constatering is door mijn ministerie geïnventariseerd waar de knelpunten zitten. Hierbij zijn zowel de opvangcentra als een tweetal provincies actief betrokken. Op basis hiervan werk ik aan een aanpassing van de Beleidsregels kwaliteit opvang 6

https://wetten.overheid.nl/BWBR0037263/2017-01-01#Bijlage

Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 33 576, nr. 196

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 34

3

diersoorten en het bijbehorende Protocol. Ik doe dit in nauw overleg met de provincies met de insteek dat zij bij de verlening van de ontheffing naar de nieuwe beleidsregels zullen gaan verwijzen. Ik verwacht de Kamer na de zomer te kunnen informeren over de planning voor deze aanpassing. 3.2 Handelingsvrijheid van opvangcentra Naar aanleiding van de casus van de vogelopvang Naarden leefden er bij de opvangcentra veel vragen over de handelingsvrijheid van de opvangcentra zelf vs. handelingen waarvoor altijd een dierenarts ingeschakeld moet worden. In overleg met de KNMvD (De Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde) en de wildopvangcentra heeft het ministerie in kaart gebracht welke veterinaire handelingen momenteel zijn voorbehouden aan dierenartsen. De KNMvD werkt momenteel samen met de opvanglocaties en andere stakeholders aan een voorstel voor een uitzondering voor opvangcentra voor het onder voorwaarden uitvoeren van enkele veterinaire handelingen, zoals deze ook geregeld is voor veehouders. Ik verwacht de Kamer na de zomer hierover verder te kunnen informeren. De gesprekken die ik met de opvangcentra, provincies en andere stakeholders heb gevoerd waren prettig, informatief en constructief.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/853/documents/32489