CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-07-14 RDA Publicatie zienswijze dilemmas in de Wildopvang.pdf

Gemeenteraad RK 15 september 2022, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 4: Lijst van ingekomen stukken25.108 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Ik heb er vertrouwen in dat bovenstaande acties van eenieder bij zullen dragen aan de verbetering van opvang van wilde dieren en meer duidelijkheid zullen scheppen voor de opvangcentra. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten

Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 33 576, nr. 196

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 35

4

Bijlage 3 Gelijkheid van dieren Zijn alle dieren gelijk, of zijn sommige dieren meer gelijk dan andere dieren? Het forum heeft een (principiële) discussie gehad, of in deze zienswijze er onderscheid moet worden gemaakt over de aard van (hulpbehoevende) dieren waar we het over hebben. Deze discussie komt op sommige plekken in de zienswijze naar voren maar heeft niet een uitgebreide plek gekregen in de uiteindelijke zienswijze. Daarom in deze bijlage ter illustratie een korte schets van invalshoeken die aan de orde zijn geweest, Moeten we een (zinnig) concreet handelingsperspectief beperken tot bepaalde dieren, zoals alleen gewervelde dieren? Of geldt het ook voor reptielen, vissen en zelfs insecten? De RDA heeft besloten dat een poging om een antwoord te vinden op deze vraag een theoretische filosofische exercitie zou zijn die in deze zienswijze niet veel zou toevoegen aan de bestaande situatie in de praktijk. Het blijkt namelijk dat 99% van de opvang in de praktijk bestaat uit gewervelde dieren. Hoewel de vraag ‘wat is de definitie van een dier’ voorafgaat aan de vraag ‘wanneer is een dier hulpbehoevend’, voegt het antwoord voor deze zienswijze te weinig toe. Toch is de vraag op een hoger niveau wel interessant, omdat steeds meer onderzoek uitwijst dat de cognitieve vaardigheden van dieren groter zijn dan we tot nog toe dachten.

Maakt het onderscheid tussen dieren uit voor de mate van hulp? Zowel op soortniveau als binnen een soort tussen individuen? Kunnen, mogen en willen we ergens een streep zetten en hoe zit dat juridisch? In deze discussies worden ook vaak zaken betrokken als zeldzaamheid van dieren, afwegingen tussen individuen en populaties, ‘nut’ en ‘schadelijkheid’ van dieren en of deze uitmaken voor het al dan niet verlenen van hulp aan dieren. Deze vragen, hoewel intrinsiek interessant, worden voor deze zienswijze evenwel niet meegenomen. Voor de RDA geldt dat, welk onderscheid ook, het niet uitmaakt voor het individuele lijdende dier. Dan volgt daarna de vraag waarom we dieren zouden moeten helpen. De morele, juridische en sociale redenen zijn al aan bod gekomen, maar ook hier kunnen we onszelf andere, filosofische vragen stellen die in het maatschappelijk debat of politiek discours ook voorbij kunnen komen. Historisch gezien heeft hulp aan dieren te maken met gevoelens van mensen bij het treffen van hulpbehoevende dieren (‘kwestie van fatsoen’, ‘openbare zeden’ en ‘nare aanblik’ van lijdende dieren). Het gevoel van verplichting om lijdende dieren te helpen kan ook ontstaan uit schuldgevoel, omdat we misschien oorzaak zijn van het leed, of omdat we overtuigd zijn dat de mens oorzaak is van een structureel verstoorde natuur is en dat die verstoring de reden waarom dieren hulp nodig hebben.

Of dat we oprechte compassie met dieren voelen en geëmotioneerd raken bij het zien van lijdende dieren. Diezelfde compassie zorgt voor de huidige betrokkenheid bij natuur en natuurbehoud. Ook kunnen er stemmen opgaan die zeggen dat lijden een onderdeel van de natuur is. Eten en gegeten worden. Maar dat is vaak toch de ongerepte, wilde natuur waar wij als mensen nauwelijks onderdeel van zijn. Hier geldt vooral de afblijfplicht, maar wilde dieren in een omgeving waar ook mensen een rol spelen maken automatisch onderdeel uit van onze menselijke wereld.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 36

Bijlage 4 Oorzaken van hulpbehoevendheid en aansprakelijkheid Oorzaken (voorbeelden) Natuurlijk

Voedsel(tekort), weersinvloeden, verkleining leefgebied, gevechten, prooi zijn en natuurlijke verlating door ouders

Menselijk

Ruimtebeslag, prikkeldraad, scheepvaart en olieslachtoffers, verwondingen door contact met scheepsschroeven van zeehonden en potvissen, visserij en het lot van bijvangsten, windmolen slachtoffers (vogels en vleermuizen), transport van elektrische energie via hoogspanningsleidingen en vogels die tegen deze leidingen botsen, vuurtorens die de het gedrag van trekvogels verstoren, landbouw: gemaaide hazen en jonge weidevogels, vergiftigde roofvogels en andere slachtoffers van pesticiden, wegenbouw en het verkeer, amfibieën, dassen, otters, herten en wilde zwijnen die essentiële verplaatsingen of contact met de populatie waartoe ze behoren niet kunnen realiseren zonder een weg over te steken, vogels die in botsing komen met het verkeer of ramen/ ruiten, beten van honden en katten.

Deze zienswijze van de RDA gaat vooral over het helpen van wilde dieren, als ze al hulpbehoevend zijn. Het forum heeft echter ook uitgebreide (principiële) discussies gehad, die niet altijd een plek hebben gekregen in de uiteindelijke zienswijze. Daarom in deze bijlage ter illustratie een korte schets van invalshoeken tijdens deze discussies, over wat de beste hulp is voor dieren en het de rol van preventie maatregelen versus curatieve maatregelen. Zijn dieren wel beter geholpen met hulp als ze al hulpbehoevend zijn geworden, met zogenaamde curatieve maatregelen? Misschien dat er beter geïnvesteerd kan worden in het voorkomen van hulpbehoevendheid, dus inzet op preventie en maatregelen vooraf? Wat is duurder: de zorgverlening of de preventie? Denk aan investering in preventieve maatregelen zoals tunnels, ecoducten, schermen, maar ook in een andere inrichting en gebruik van het landschap. Dat is niet eenvoudig en eenduidig vast te stellen. In principe geldt ‘alles wat je kan voorkomen hoef je niet te repareren’. Maar wat is de beste preventie en tot hoe ver gaan preventieve maatregelen? Wat verwachten we daarvan? Niet al het leed kunnen we immers voorkomen, hoe goed we ons best ook doen.

Wat hoort nog bij een natuurlijke situatie en een goed functionerend ecosysteem? Andere vragen gaan over wie welk deel van preventieve maatregelen zou moeten betalen of hoe foute ontwerpen hersteld zouden moeten worden. Ook heeft het forum gediscussieerd over hoe structureel ‘leedveroorzakende sectoren’ (zoals elektriciteitsbedrijven, windmolens, oliereders, wegen provincie-RWS, landbouwsector, etc.), al dan niet sectoraal, op een structurele manier kunnen bijdragen aan hulp. Dat zou kunnen door financiële maatregelen, bijvoorbeeld via (wegen)belastingen, innovatiefondsen, verzekeraars, afspraken met overheden of via zelfregulering met convenanten of een fonds. Hierbij speelt wel de vraag of deze bedrijven ‘schuldig’ zijn, of dat juist overheden moeten worden aangesproken op het stellen van regels. Gelijktijdig is een wild dier niet jouw eigendom of ‘ieders eigendom’ die een claim op jou kan leggen. Zorgplicht, houderschap, eigenaarschap en locatie waar het dier is aangetroffen zou je hier ook bij kunnen betrekken. Het forum heeft nagedacht of grondeigenaren (beheerder/ eigenaar) als ‘tijdelijke zorger’ voor het dier kunnen optreden (zoals bij beheren en besturen van gemeenschappelijke hulpbronnen, de ‘commons’ zoals aangehaald in literatuur van E Ostrom). Burgers dienen dan de terreineigenaar in te lichten.

Het gaat echter vaak om dieren in de openbare, publieke ruimte of om dieren in de natuur, die als uitgangspunt niet van iemand zijn. Een daadwerkelijk wild dier heeft geen eigenaar of houder of bezitter.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 37

Op zich is natuurlijk vaak juist wel kenbaar waar het dier is aangetroffen, en van wie deze grond dan is (zal vaak juist openbare ruimte zijn). Maar het lijkt een –juridisch- tamelijk onzinnige weg om de grondeigenaar kosten te laten vergoeden voor dieren die dus niet van hem zijn. Daarbij zal in de praktijk niet vaak te achterhalen zijn wie dan weer de veroorzaker van het leed is. Steeds weer uitzoeken wie ‘schuld’ heeft en op wiens grondgebied het dier is aangetroffen is kan, zeker voor de burger, lastig zijn en brengt veel vingerwijzen en rompslomp met zich mee (om maar niet te spreken over rechtszaken, etc.).

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 38

Bijlage 5 Schets uitgangssituatie opvang wilde dieren Ontheffing, protocol en kwaliteit Om hulpbehoevende dieren op te kunnen vangen is een ontheffing vereist (Wet natuurbescherming). De ontheffingverlening liep eerder via de Rijksoverheid, maar is nu goeddeels belegd bij de provincies door decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies. Zij zijn nu (grotendeels) verantwoordelijk voor vergunningen en ontheffingen op het gebied van natuur, een aantal uitzonderingen daargelaten (zeezoogdieren, uitheemse diersoorten en exoten lopen via de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland). Wel bestaat er vanuit LNV nog een werkgroep over de opvang van wilde dieren. Aan de ontheffing voor de opvang van wilde dieren zijn (minimum) voorwaarden en eisen gekoppeld. Om een ontheffing te krijgen is normaliter vereist: • …moet het opvangcentrum een stichting of vereniging zijn. • …is het doel tijdelijke opvang, verzorging en revalidatie van beschermde diersoorten. • …is het doel dat dieren zo snel mogelijk weer teruggaan naar de natuur. • …kan het dier zich in de opvang zoveel mogelijk natuurlijk gedragen. • …moet het opvangcentrum een vakbekwaam dierverzorger hebben. • …houdt de opvang een register van elk dier of elke diergroep bij. • …heeft het opvangcentrum ook als doel om voorlichting te geven en het houden van beschermde diersoorten te ontmoedigen.

Een opvang moet voldoen aan de voorschriften die zijn opgenomen in de (bijlage van) Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten (2015). Hierin zijn regels en kwaliteitseisen opgenomen over doelstellingen, handelwijze (opnamebeleid, huisvesting, verzorging, hygiëne, opleidingseisen, doden van dieren e.d.), bereikbaarheid, samenwerking met andere opvangcentra. De kwaliteitsregels proberen tegemoet te komen aan de behoeften van het dier/ de diersoort. Zo wil je omwille van de stressreactie geen roofdieren bij prooi- en vluchtdieren houden en heeft een opgevangen dier voldoende schuilgelegenheid nodig. Het welzijn van het dier en de mogelijke kans op terugkeer in de natuur zijn daarbij belangrijke uitgangspunten. Uit de interviews die de RDA met meerdere opvangcentra heeft gehouden, kwam een aantal keer naar voren dat het vaststellen van de Beleidsregels in 2015 heeft gezorgd voor een kwaliteitsslag in toenmalig ‘wildopvangland’. De beleidsregels vereisen een mate van professionaliteit waar toen niet iedereen aan kon voldoen. Daardoor zijn er destijds opvangcentra afgevallen. De keerzijde van deze professionaliseringsslag is volgens de geïnterviewden dat de aanscherping van de regels zorgt voor meer vereisten, zowel praktisch als administratief. Dat brengt extra (financiële) lasten met zich mee.

Omdat de verantwoordelijkheid voor de ontheffingen nu bij de provincies is neergelegd, bestaat er volgens de geïnterviewden een risico dat er verschillen ontstaan op welke manier ontheffingen worden afgegeven. Dit kan ook gevolgen hebben voor verschillen in kwaliteit. Eerder kon de Rijksoverheid een totaalbeeld vormen van de centra in Nederland, nu is dat meer versnipperd. Provincies hebben niet altijd onderling contact met andere provincies, om af te stemmen welke en hoeveel (nieuwe) opvangcentra in hun regio’s wenselijk en nodig zijn. Wel zijn de beleidsregels vaak onderdeel van de ontheffingsvoorwaarden.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 39

Uit de interviews komt naar voren dat omdat er geen wettelijk vastgelegde regels voor dierenambulances zijn en het evenmin een beschermde titel is, er landelijk veel verschillen zijn, zowel in het praktisch handelen als in visie van betreffende organisaties achter de ambulances. Er bestaan verschillen in kwaliteitseisen per soort ambulance en er zijn een aantal keurmerken van organisaties, met onderscheid in aanpak, expertise en opleidingsniveau. Dat heeft tot gevolg dat er ook geen echte eenheid is. Daarnaast is het de RDA niet duidelijk waarom de wildopvang aan beleidsregels en kwaliteitseisen van de overheid moet voldoen, maar er vanuit de overheid aan dierenambulances geen minimum vereisten worden gesteld en gestuurd wordt op zelfregulering door middel van keurmerken. Terwijl vangen en vervoer, bekeken vanuit het welzijn van het dier bezien, kan zorgen voor veel stress en spanning, en dat verkeerd hanteren kan leiden tot onnodige schade aan dieren. Er gelden volgens de geïnterviewden geen algemene regels en minimale eisen aan opleidingsniveau, daardoor kunnen soms foutieve handelingen met dieren worden uitgevoerd die gewond zijn. Zoals het verkeerd vervoeren van dieren met gebroken lichaamsdelen, ondanks alle goede bedoelingen18. Alle centra die de RDA gesproken heeft, houden een register bij over inkomende en opgevangen dieren.

Die verschillen in wijze en uitgebreidheid van registratie, maar overal is terug te vinden hoeveel dieren van welke soort er per jaar zijn opgenomen, welke behandeling is uitgevoerd met welke geneesmiddelen, hoe die behandeling heeft uitgepakt (overlijden, euthanasie, herstel en terugplaatsing in de natuur). De meeste centra publiceren hier zelf jaarverslagen over op hun website.

Melding en opvolging Meldingen over hulpbehoevende dieren komen op verschillende manieren bij verschillende instanties binnen. Wanneer iemand een dier in nood vindt, is vaak de eerste stap om daar een melding van te maken. Meestal telefonisch, maar ook via digitale wegen komen meldingen binnen (bijvoorbeeld via meldformulieren en sociale media). Dit gebeurt onder meer via bellen met 144 Red een Dier, het landelijke meldpunt van de politie voor meldingen van dierenleed en dierenmishandeling. Maar er wordt door de burger/vinder ook direct contact gelegd met de (lokale) dierenambulance, het opvangcentrum zelf of een dierenarts. Ook komen er meldingen binnen via andere hulpverlenende instanties, zoals brandweer, Rijkswaterstaat, doorgezette meldingen via 112, NVWA en LID. Maar ook andere instellingen zoals natuur- en dierorganisaties krijgen meldingen binnen. Bij de landelijke Vogelbescherming in Zeist worden soms zielige vogels in dozen bij de balie gebracht. Er zijn goede contacten met lokale opvangcentra om deze vogels verder op te vangen. Het is voor de burger niet altijd even eenvoudig om zelf uit te vinden waar je welke melding kan maken. Burgers maken daarbij zelf niet altijd het onderscheid tussen gehouden en niet gehouden dieren, of tussen huisdieren en wilde dieren, dus de instanties krijgen meldingen binnen over beide categorieën.

Afhankelijk van de melding en de noodsituatie, worden meldingen doorgezet naar de meest relevante hulpinstantie. Dat kan (vaak) de dierenambulance zijn, maar ook de bijvoorbeeld de dierenbescherming, of een (gespecialiseerd) opvangcentrum. Het is voor de burger niet altijd even eenvoudig om zelf uit te vinden waar je welke melding kan maken. Gelukkig weten de meeste instanties elkaar wel te vinden.

18

Door de onbeschermde status van de dierenambulance, zou er in principe ook misbruik van kunnen worden gemaakt.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 40

Wanneer bel je niet met 144? • Gevonden dode kleine dieren (zoals vogels en egels): de afdeling milieu van uw gemeente; • Gevonden dode huisdieren: lokale dierenambulance en/of de afdeling milieu van uw gemeente; • Gevonden dood groot wild: 0900-8844; • Overlast van dieren (blaffende honden e.d.): uw wijkagent via 0900-8844; • (Overlast van) zwerfkatten: lokale afdeling van de Dierenbescherming; • Vermiste/gevonden huisdieren: lokale dierenambulance.

Er komen jaarlijks zo’n 100.000 telefoontjes binnen bij 144. Er worden geen cijfers bijgehouden over de meldingen, het is onbekend hoeveel procent van de meldingen gaat over wilde dieren in nood. Wanneer iemand belt naar 144, krijgt hij/zij een centralist aan de lijn. Deze heeft van te voren een interne opleiding gehad, is gekoppeld aan een mentor en volgt ook nog een opleiding bij de politieacademie. Na een jaar zit het hele opleidingstraject erop voor een centralist, maar ook daarna blijven medewerkers trainen en oefenen tijdens werkoverleggen, wanneer ze denken dat er iets nodig t.b.v. de kwaliteit. Er werken ongeveer 32 mensen voor 144 (groei van 11 naar 25 fte). Ze werken in een gemeenschappelijk call center met collega’s van 112-meldingen en opsporingstelefonie. De 144 centralisten blijven lang werkzaam bij 144 (langer dan bij 112), er zijn er nog een aantal van het eerste uur. Voorheen werden mensen eerst op 112 aangenomen en vervolgens kon 144 erbij genomen worden. Nu worden er ook specifiek mensen aangenomen op 144, die later pas 112 erbij kunnen doen. De centralist van 144 maakt de melding aan en zet de melding door. Aan de hand van een matrix bepaalt de centralist naar welke organisatie de melding wordt doorgezet. Met alle ketenpartners is afgesproken wie waarover gaat en hoe ze de zaak routeren, dat zijn interne afspraken.

De centralist stelt een meldformulier op en stuurt deze door naar de opvolgpartij. Dat kan zijn de politie (acute zaken of misdrijven), de NVWA (landbouw- en productiedieren), LID (onthouden van welzijnszaken) of een dierenambulance (klein wild). Als de (spoed)melding over groot wild gaat zet 144 de melding door naar het operationeel centrum van de politie, de politiemeldkamer of naar een regionaal servicecentrum) van de politie. Voor wilde dieren zijn dierenambulance en politie de enige samenwerkingspartners. 144 is niet gericht op het informeren van burgers, maar op het doorzetten van meldingen naar de juiste instantie. Het is aan de opvolgpartijen om te registreren waar de melding over gaat, wat voor dier het betreft en welke vervolgactie wordt genomen. Als 144 een melding doorzetten naar de dierenambulance zetten ze er in die melding niet bij of het gaat over wilde soorten of over andere soorten. Er wordt ook niet geregistreerd hoe de melding is opgelost. In een enkel geval wordt er wel nagegaan hoe het probleem is opgelost, maar dat is niet standaard. Als de melding is uitgegeven, is het in feite klaar. Net zoals bij 112 is 144 alleen betrokken bij het aannameproces, de opvolging is niet voor het meldpunt. Er wordt gewerkt met de SPOED, NU, LATER methodiek. SPOED is binnen 15 minuten, NU is binnen een halfuur, LATER kan ook morgen gebeuren.

Een schaap op de rug is een voorbeeld van een SPOED/NU-melding. Dieren op wegen zijn een gevaar voor openbare orde, het kan gevaar of hinder opleveren voor het verkeer. Dus dat gaat dan rechtstreeks door naar het operationeel centrum. Bij een SPOED-melding is er wél warm contact tussen de centralist van 144 en het operationeel centrum.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 41

De Dierenbescherming heeft een eigen meldkamer. Zij krijgen vele tienduizenden telefoontjes per jaar binnen (75.000 in 2020) die worden doorgezet via 144, maar met name ook direct van burgers zelf. Er wordt het meest gebeld voor niet gehouden dieren, 60 á 70% van de telefoontjes gaan daarover. Dat zijn voornamelijk vogels, maar ook in grotere mate hazen, konijnen, egels, en in kleinere mate eekhoorns marterachtigen en vossen (in die volgorde). Dierenambulance Amsterdam is (op lokaal niveau) een van de grootste van het land. Het is een zelfstandige organisatie en heeft onder de inwoners van Amsterdam een hoge naamsbekendheid: 93-94% van de burgers van Amsterdam weet ze zelf te vinden. In andere regio’s rijden ook andere ambulances waarmee je te maken kan hebben, dan is niet altijd duidelijk wie gebeld kan worden. Bij Dierenambulance Amsterdam komen 40.000-50.000 telefoontjes per jaar binnen. Dierenambulances en wildopvangcentra houden allerlei gegevens bij over aantallen dieren, wat er binnenkomt, aard van de hulpbehoefte, mogelijke behandeling en succespercentage van uitzetting. Het meldpunt 144 daarentegen houdt geen cijfers bij over meldingen, het is bijvoorbeeld niet bekend hoeveel procent van de meldingen wilde dieren betreft.

Het is volgens de RDA een gemiste kans om niet in alle fasen van de hulpverleningsketen gegevens te verzamelen, die beeld geven over aard en omvang van de problematiek. Deze kunnen helpen bij het signaleren van calamiteiten, dierziekten, zoönosen en plotselinge achteruitgang in natuurlijke populaties. Het informeren van burgers is volgens de geïnterviewden cruciaal om te zorgen dat dieren de hulp krijgen die ze nodig hebben, maar ook om te voorkomen dat er onnodig wordt ingegrepen bij bijvoorbeeld jonge haasjes, reekalfjes en jonge vogels. Goede voorlichting aan de voorkant voorkomt veel (onnodige) problemen later in de keten. Die voorlichting zou volgens de RDA dan ook in alle delen van de keten een goede plek moeten krijgen. Nu is bijvoorbeeld 144 niet gericht op het informeren van burgers, maar op het doorzetten van meldingen naar de juiste instantie. Het is aan de opvolgpartijen om te registreren waar de melding over gaat, wat voor dier het betreft en welke vervolgactie wordt genomen.

Vervoer van dieren Nadat een melding is gedaan van een dier in nood, en de vinder is zelf niet in staat of geschikt om zelf hulp te verlenen, dan is de volgende stap dat het dier opgehaald wordt voor beoordeling/ behandeling. Dit kan ter plekke (bevrijden, vangen en vrijlaten) of in een daartoe geschikte instelling zoals een wildopvangcentrum of bij een dierenarts (zorg, behandeling, euthanasie). Soms brengen particulieren zelf de dieren naar een dierenarts of een opvangcentrum (schattingen van 20-50%% van de gevallen genoemd in interviews), maar het vervoer van wilde dieren in nood gebeurt voornamelijk door dierenambulances (in interviews geschat op 50-80%). Er zijn maar heel beperkt wettelijk vastgelegde regels voor dierenambulances en het is evenmin een beschermde titel. Er staan veel ambulances ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Als je Dierenambulance op je auto hebt staan, is meteen de ontheffing geldig. Er zijn dan ook veel verschillende dierenambulances in het land, zowel in ‘doen’ als in visie. Dat heeft tot gevolg dat er ook geen echte eenheid is. Er zijn verschillende ambulancediensten: • Dierenbescherming (ongeveer 18019 eigen wagens) • Federatie Dierenambulances Nederland (FDN) met 30 aangesloten dierenambulances • (Overige ambulances(personen, verenigingen, stichtingen) • Van de hiervoor genoemde aantallen worden er 150 gesponsord door Dierenlot 19

In een eerder interview werd hier een getal van 25-28 gegeven, dit is later gecorrigeerd.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 42

Er bestaan verschillen in kwaliteitseisen per soort ambulance en er zijn een aantal keurmerken, met onderscheid in aanpak, expertise en opleidingsniveau. De FDN, waar een klein aantal ambulances is aangesloten, stelt voor de eigen leden kwaliteitseisen en -criteria zoals 7 dagen per week beschikbaarheid. Er bestaan verschillende keurmerken voor dierenambulances. Sommige keurmerken toetsen meer op de veiligheid van het voertuig en hygiëne, maar je hebt ook keurmerken waar dierenwelzijnsaspecten mee worden genomen. Hoe ver ambulances daarin willen gaan is voornamelijk afhankelijk van de ‘goodwill’ van de partij zelf. Ook voor uitzetten van de opgelapte wilde inheemse dieren zijn geen vervoersregels. Veel van de FDN ambulances hebben het keurmerk van Stichting Dierkeur (geïnitieerd door Dierenbescherming, zelfstandige stichting). Daarin zitten eisen voor opleidingsniveau, veiligheid voor alles bij medewerkers, hygiëne, kennis van vogels tot reptielen die door het keurmerk worden geborgd. Aan het keurmerk van de wagens van Dierenlot zijn geen eisen verbonden. Deze fondsenwervende organisatie stelt materialen, middelen en kennis beschikbaar stelt voor hun achterban, vooral voor kleinere organisaties in Nederland. Dierenlot is niet aangesloten bij de FDN. Een deel van de leden van FDN rijdt met Dierenlot wagens.

De eigen ambulances (wagens+ logo) van de Dierenbescherming hebben een eigen kwaliteitsstandaard. Dierenbescherming steunt de FDN met een gift, maar zijn zelf geen lid van de FDN. Financiering is erg verschillend per ambulance. Er wordt gerekend met verschillende kostprijzen, dat kan variëren van 15 euro tot 75 euro per rit. De vergoedingen die dierenambulances ontvangen zijn ook divers. Veel gemeenten hebben contracten met dierenambulances (Dierenbescherming, lokale partijen) vanuit hun verplichtingen voor het opvangen van gevonden dieren met een vermeende eigenaar (bewaarplicht van twee weken volgens Burgerlijk Wetboek). Verschillende gemeenten nemen als ‘extra dienst’ bij deze opvangorganisaties het vervoer (en soms opvang) van gewonde wilde dieren geheel of gedeeltelijk af, naar eigen zeggen als invulling van de zorgplicht. Er zijn ook gemeenten die voornamelijk subsidies verstrekken, er zijn gemeenten waar alleen mondelinge afspraken mee zijn, en er zijn gemeenten die niet willen betalen. Een (groot) deel van de kosten wordt meestal niet door de overheid gedekt. Daarnaast zijn er verschillende andere manieren van financiële steun, zoals steun van burgers, subsidies, inkomsten van donateurs, giften en erfenissen.

De (mogelijke) risico’s door het ontbreken van duidelijke beleidsregels en kwaliteitseisen voor dierenambulances vanuit de overheid zijn al genoemd in paragraaf 3.3.1. Wat daarnaast volgens de geïnterviewden de kwaliteit van vervoer van dieren kan beïnvloeden, zijn de vele verschillen in financiering en ondersteuning van de kosten. Een (groot) deel van de kosten wordt meestal niet door de overheid gedekt. Gemeenten die wel contracten hebben, stellen niet vaak eisen. Er is volgens enkele geïnterviewden kwaliteitsverschil en de partijen die gecontracteerd zijn hebben niet altijd evenveel kennis en expertise, of ruimte om zich te verdiepen. Daar hebben ze ook niet allemaal dezelfde mogelijkheden voor, aldus enkele geïnterviewden. Het zijn in de kern, behalve een enkele uitzonderingen zoals Dierenbescherming, allemaal vrijwilligersorganisaties, volgens sommige geïnterviewden vaak bestaande uit mensen die vanuit gedrevenheid instappen en soms al 20-30 jaar rondrijden. Volgens sommige geïnterviewden is daar niet altijd ruimte voor nieuwe inzichten op het gebied van dierenhulpverlening, zelfreflectie en overdracht van dieren.

In één van de interviews kwam naar voren dat een overheid hier meer sturing aan zou kunnen geven door goede vragen te stellen, zoals ‘Hoe leiden jullie mensen op?’, ‘Met welk materiaal werken jullie?’, ‘Hoe vindt inwerken plaats?’, ‘Hoe zit het met de veiligheid van medewerkers ’s nachts, gaan ze alleen of met z’n 2-en op pad, hoe handelen ze bij problemen?’. Door goed te bevragen kan volgens de geïnterviewde zo een goed beeld worden gekregen van de organisatie, nog los van

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 43

actuele kennis over hulp aan dieren, over bijv. de persoonlijke bescherming van medewerkers, dingen die ze wel en ook niet verrichten. De verschillen leiden volgens enkele geïnterviewden ook tot verschillen in handelswijze. Zo rijdt de ene dierenambulance dag en nacht voor elk dier en kunnen ze door hun professionaliteit ook worden ingezet voor EHBO aan mensen (AED, zuurstof aan boord); de andere (een enkeling) rijdt alleen onregelmatig voor de ‘leuke’ dieren of heel specifiek voor bepaalde dieren. De burger weet niet altijd waar hij van op aan kan.

Opvang en behandeling De keus bij binnenkomst van dieren bij een wildopvang of dierenarts is gericht op de mogelijkheid voor terugkeer van het dier in de natuur en houdt rekening met het welzijn van het dier op korte (tijdens behandeling en opvang) en langere termijn (daarna). Welke dieren zijn kansrijk en welke niet? Langdurige verzorging van dieren die niet meer kunnen worden uitgeplaatst, die geen soortbehoudswaarde hebben, en waarvan het welzijn door de opvang (niet opzettelijk maar wel een gevolg ervan) wordt aangetast is niet gewenst: niet vanuit het dier, niet vanuit de opvang en ook niet vanuit de wet. In Nederland zijn rond de 70 opvangcentra die zich bezighouden met de opvang van uit het wild afkomstige dieren. Deze opvangcentra kennen een grote variatie, onder andere qua: • grootte – varieert van kleine centra die enkele dieren per jaar opvangen tot grote opvangcentra met wel 11.000 dieren per jaar • specialisatie en expertise – sommige opvangcentra zijn gespecialiseerd in bepaalde soorten zoals egels, eekhoorns of vleermuizen, andere opvangcentra vangen meerdere soorten dieren/ diergroepen op • kennis, kunde, professionaliteit – Sommige centra kunnen bouwen op jarenlange ervaring en continue ontwikkeling daarvan, andere komen nog maar net kijken en zoeken daarin hun weg.

• regionale spreiding – sommige regio’s zijn goed voorzien van verschillende centra waardoor aanrijtijden voor dieren niet lang zijn, andere regio’s zijn minder goed bedeeld of hebben helemaal geen mogelijkheden in de omgeving (in Maastricht wordt bijvoorbeeld samengewerkt met opvang over de grens) • historie – sommige opvangcentra bestaan al tientallen jaren en kennen een uitgebreide voorgeschiedenis en ontwikkeling met bekendheid in de omgeving, andere centra zijn jonger • organisatie – sommige opvangcentra hebben een aantal vaste medewerkers en een grote pool van vrijwilligers, andere opvangcentra draaien geheel op een groep vrijwilligers • opleidingseisen voor medewerkers – van uitgebreide interne opleiding tot leren ‘on the job’ • financiële basis en stabiliteit – net zoals bij vervoer zijn financiële bronnen en verdeling bij alle opvangcentra verschillend, maar geen enkel opvangcentrum kent een stabiele financiële structuur voor langer dan een jaar-enkele jaren. De meeste centra weten niet of ze volgend jaar nog kunnen bestaan. • bijdrage aan onderzoek – alle opvangcentra registreren informatie over dieren die binnenkomen en wat er mee gebeurt. Sommigen registreren basisinformatie, anderen proberen meer bij te houden voor onderzoeksdoeleinden en informeren burgers wat er met ‘hun’ dieren is gebeurd.

Het ontbreekt meestal aan tijd en capaciteit om zelf iets onderzoeksmatig met geregistreerde gegevens te doen. Meerdere opvangcentra gaven in de interviews bijvoorbeeld aan dat ze ook oorzaken bijhouden. Ter illustratie getallen van een opvangcentra: − in 2020 was 1/3 van de binnengekomen dieren verweesd − in 2020 was 1/3 van de binnengekomen dieren ziek (botulisme/vogelgriep) − in 2020 was 1/3 van de dieren gewond (ramen, honden, katten)

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 44

Onderling weten de opvangcentra elkaar te vinden als het gaat om behandeling van bijzondere dieren of bijzondere gevallen. Iedereen weet dat je voor watervogels ergens anders moet zijn dan voor roofvogels. Ze wisselen kennis en informatie uit, maar ook dieren. Ze bellen elkaar met vragen, hebben app-contact en -groepen en proberen bij nieuwe gevallen niet zelf het wiel uit te vinden. Sommige overleggen op regelmatige basis met elkaar. Er is geen overkoepelende organisatie (meer) voor opvangcentra van wilde dieren. In het verleden is een aantal keer geprobeerd om zoiets op te zetten. Zoals de oprichting in 1998 van VOND (Vereniging Opvang Niet-gedomesticeerde Dieren), die met o.a. het opstellen van kwaliteitsprotocollen heeft bijgedragen aan de borging van dierenwelzijn, revalidatie en terugplaatsing in de natuur en professionaliteit en controleerbaarheid van de opvangcentra. Ook was er in 2014 de oprichting van de BVVN (Belangenbehartiging van Vogelopvangcentra Nederland), die in 2017 weer werd ontbonden. Dit soort initiatieven zijn volgens geïnterviewden ‘doodgebloed door gebrek aan financiering’ of doordat ze ‘van buitenaf waren opgelegd’. Ook wordt de ‘eigenwijsheid’ van de sector meerdere keren genoemd. Geïnterviewden vinden zowel zichzelf als andere opvangcentra eigenwijs in ideeën over en aanpak van de opvang van wilde dieren.

Iedereen kent zo zijn eigen manieren van voer, voeren, verzorgen en behandelen en heeft daarin zijn eigen succeservaringen. Iedere opvang koestert daarin zijn eigen identiteit en respecteert doorgaans de identiteit van de andere centra, ook als ze het helemaal anders doen. Een nieuw initiatief is de in 2021 opgerichte stichting wildopvang.nl. Deze probeert vanaf 2016 wildopvangcentra bij elkaar te brengen, door contact te verbeteren, relaties te onderhouden en het organiseren van ad-hoc initiatieven om onderling vertrouwen te kweken. De stichting heeft een online platform, waar bijvoorbeeld in het kader van vogelgriep opvangcentra in een afgesloten groep informatie uit kunnen wisselen. Ook is er een groep voor de overheid. De grotere dierenorganisaties zoals Dierenbescherming en Stichting Dierenlot zijn op verschillende manieren bezig met wildopvang. Dierenbescherming heeft een tweetal eigen opvangcentra en diverse dierenambulances (en een eigen meldkamer). Dierenlot helpt zelfstandige opvangcentra met financiering en ondersteuning, zowel kosten als middelen. Dierenlot organiseert elk jaar een landelijk congres en een landelijke bijeenkomst over dierenhulpverlening (zowel gezelschapsdieren als wilde dieren). Dierenbescherming en Dierenlot hebben onderling contact en overleg.

Door sommige centra in interviews genoemd, maar zeker niet door alle centra ook zo herkend is dat er momenteel sprake zou zijn van een overgang van een ‘oudere generatie’ opvang naar een ‘nieuwere generatie’. De oudere generatie zou gaan om de pioniers die al 20-30 jaar in het vak zitten en de kwaliteitsslag door de beleidsregels van 2015 hebben ‘overleefd’. De oudjes zouden opereren als eenzame eilandjes en weinig willen samenwerken. De nieuwere generatie zou daarbij beter openstaan voor brede samenwerking, nieuwe (wetenschappelijke) ontwikkelingen in opvangland, best practices, leren van professionele buitenlandse experts en organisaties en leergieriger zijn. De subsidiering van wildopvangcentra is momenteel diffuus. Vanuit de rijksoverheid wordt niets bijgedragen. Er zijn 3 provincies die opvangcentra in hun regio financieel ondersteunen. Ook Noord-Holland (100.000 euro per jaar, voor 2020 en 2021), Limburg (kostendekkend vervoer naar opvangcentrum in België) en Utrecht (vanaf 2020 per jaar 50.000 euro, waarvan 10.000 euro noodfonds en rest gericht op professionalisering en verbeteringen). In het verleden heeft de provincie Noord-Brabant ook voor een periode financiële ondersteuning gegeven aan een samenwerkingsverband van een aantal centra die hiervoor gezamenlijk bij hen aanklopten. Gemeentelijke bijdrages zijn erg verschillend.

Geen enkele bijdrage, financiële ondersteuning

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 45

van een opvang in de eigen gemeente tot overeenkomsten en contractuele afspraken tussen opvangcentra en verschillende gemeenten waarvoor ze de dieren opvangen: alles komt voor. De meeste opvangcentra vangen op voor dieren uit meerdere gemeenten, niet al die gemeenten dragen bij. Volgens de geïnterviewde partijen dragen de meeste gemeenten niets bij. Het vinden van voldoende financiering en daarmee bestaanszekerheid en continuïteit in zorg en hulp aan hulpbehoevende wilde dieren in wildopvangcentra wordt in de interviews benoemd als grootste probleem. Uit de interviews van de RDA komt naar voren dat geen enkele van de geïnterviewde opvangcentra een stabiele financiële structuur kent voor langer dan een jaar tot enkele jaren. De meeste centra weten niet of ze daarna nog kunnen bestaan. Er is in de gehouden interviews volop discussie over wie wat zou moeten doen qua ondersteuning van wildopvangcentra vanuit de overheid. Opvangcentra zien zelf vaak hun regionale functie en benoemen dat provincies, die verantwoordelijk zijn voor dieren in de natuur en ontheffingen aan opvangcentra, meer verantwoordelijkheid hebben en zouden moeten nemen dan nu het geval is. Voor opvangcentra is het belangrijker dat het geregeld wordt, dan wie dat doet en betaalt.

Gemeentes wijzen volgens geïnterviewden voor verantwoordelijkheid en financiering vaak naar provincies en andersom; provincies zelf zien opvang van wilde dieren niet (altijd) als hun verantwoordelijkheid, omdat opvang naar hun idee niet bijdraagt aan de verantwoordelijkheden voor het voortbestaan van populaties en soorten. Daar zit volgens de RDA een spanningsveld in ideeën over natuur en dierenwelzijn. Dierenwelzijn staat niet altijd gelijk aan soortenbescherming en andersom. Een deel van de opvangcentra is het eens met dat zij niet direct aan populatiebehoud bijdragen, maar sommigen zien wel degelijk een toegevoegde waarde van het opvangen en uitzetten van dieren. Ze zijn het wel eens over dat de functie van opvang van wilde dieren indirect bijdraagt aan meer kennis en begrip van burgers over wilde dieren en natuur. Op deze manier worden mensen betrokken bij de dieren in hun leefomgeving en kunnen ze daar naar hun idee actief aan bijdragen. De zelfstandigheid van alle individuele wildopvangcentra maakt het volgens de meeste geïnterviewden soms lastig om één geluid te laten horen als sector. De meeste centra vinden het ook niet prettig als een andere organisatie ze als spreekbuis vertegenwoordigt. Er is behoefte om elkaar meer en beter te vinden en samen te werken.

Niet alleen op het gebied van informatie, kennis en ervaring uitwisselen over de verzorging en behandeling van hulpbehoevende dieren, maar ook om samen financiële middelen te zoeken. De keren dat opvangcentra op lokale/ regionale schaal samen zijn opgetrokken om bij overheden subsidies te krijgen lijken doorgaans succesvol. Centra lijken elkaar volgens geïnterviewden daarvoor nu vaker op te zoeken dan vroeger, maar werken ook erg in de waan van de dag. “Dat is ook niet zo gek als je vandaag niet weet of je morgen nog kunt bestaan en er elke dag weer nieuwe dieren op de stoep staan om opgevangen te worden” (citaat geïnterviewde). Samenwerkingsverbanden vallen dan ook snel weer uit elkaar. Een regisseur of koepel wordt bijvoorbeeld in de interviews wel geopperd en zou kunnen helpen om uit de dagelijkse waan te stappen. Om daarin de eigen identiteit van centra te respecteren zou een goede vorm moeten worden gezocht om dat mogelijk te maken. Vooral het uitwisselen van inhoudelijke kennis en informatie zou voor geïnterviewden een belangrijke reden zijn om hieraan deel te nemen.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 46

Euthanasie, uitzetten en permanente opvang Opvang van wilde dieren is altijd tijdelijk en gericht op het weer uitzetten in het wild. Permanente opvang is geen optie voor wilde dieren en daarom zullen opvangcentra in hun triage altijd rekening houden met de kansen op succesvolle uitzetting. Voor sommige dieren is het belangrijk om weer uitgezet te worden in een bekend gebied, zoals egels, en voor sommige dieren zoals vogels die beter zelf hun plek kunnen vinden, maakt het minder uit. Uitzetten gebeurt in elk geval altijd op veilige locaties met de meeste kans op herstel van het dier. De verschillende opvangcentra die de RDA heeft gesproken noemen diverse percentages van succesvolle behandeling en kans op uitzetting. Globaal gezien komen de volgende getallen naar voren: • 1 op de 3 dieren bij de dierenambulance gaat naar de opvang, 2 van de 3 sterven alsnog of worden geëuthanaseerd • in de opvang sterft 30% van de binnengebracht dieren binnen 24 uur/in de eerste dagen (uit zichzelf of door euthanasie). Er worden percentages tussen de 33 en 50% genoemd voor totale sterfte. • de meeste centra schatten terugplaatsingscijfers tussen de 33 en 50%. Een enkele noemt een uitschieter tot 60-70%. Door andere centra worden zulke hoge aantallen juist niet mogelijk geacht (of alleen in specifieke gevallen voor centra met specifieke soorten) en twijfelen ze aan de correctheid daarvan.

Wanneer de kans op herstel of op een succesvolle uitzetting nihil is, wordt euthanasie overwogen. Deze overweging gebeurt op verschillende momenten, namelijk bij elke volgende triage (van vondst en melding tot aankomst bij de opvang en behandeling). Euthanasie is altijd gericht op het voorkomen van (verder) lijden van het dier of een dieronwaardig bestaan. Over de afvoer van kadavers is weinig opgemerkt tijdens interviews, alleen dat het soms zonde is dat dieren niet gebruikt mogen worden als voer voor andere dieren. Voor euthanasie is het belangrijk dat deze wordt uitgevoerd door een deskundige met voldoende kennis en ervaring. In de praktijk worstelen opvangcentra daar soms mee. Als er voor elke euthanasie volgens de regels een dierenarts aanwezig moet zijn, is dat moeilijk uit te voeren in praktijk, gezien de grote aantallen dieren per opvang. Zowel qua capaciteit als qua kosten. Ook kunnen de meest diervriendelijke oplossingen meer kosten met zich meebrengen. Te alle tijde moeten onkunde en ondeugdelijke methoden worden voorkomen. Hiervoor is door de minister een apart advies gevraagd bij CenSAS. In 2021 is een rapport opgeleverd over geschikte methoden van doding van dieren in wildopvangcentra door niet-dierenartsen (CenSAS, 2021). De RDA gaat er vanuit dat heikele kwesties hierin voldoende aan de orde zijn gekomen en zal hier verder niet op ingaan.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 47

Samenstelling van de Raad De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een onafhankelijke raad van deskundigen die de staatssecretaris van Economische Zaken gevraagd en ongevraagd adviseert over multidisciplinaire vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn en diergezondheid. De RDA bestaat uit wetenschappelijke experts en praktijkdeskundigen die op persoonlijke titel, zonder last of ruggespraak, zitting hebben in de Raad. De concept zienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan de gehele raad. Deze zienswijze is daarmee een product van de hele Raad. Suggestie voor referentie: RDA, Raad voor Dierenaangelegenheden (2022). Dilemma's in de wildopvang. Zorg voor hulpbehoevende wilde dieren. Den Haag, Nederland. 47 pp.

De RDA bestond op 1 april 2022 uit de volgende leden: Prof.dr. J.J.M. van Alphen Dr.ir. G.B.C. Backus J.P. van den Berg W.T.A.A.G.M. van den Bergh Dr. J.J.L. Candel MA Drs. H.R. Chalmers Hoynck van Papendrecht Prof.dr.ir. G.M. van Dijk Dr. N. Endenburg PhD Prof.dr. R. Gehring Drs. D. van Gennep Prof.dr. M.A.M. Groenen Prof.dr. S. Haring Prof.dr.ir. L.A. den Hartog A.L. ten Have-Mellema Prof.dr.ir. J.A.P. Heesterbeek Drs. G. Hofstra J.A.M. Huijbers Prof.dr.ir. A. van Huis Prof.dr.ir. B. Kemp A. Kemps Prof.dr. M.F.M. Langelaar

Dr. L.J.A. Lipman Drs. F.E. Rietkerk Mr. C.W. Ripmeester Prof.dr.ir. T.B. Rodenburg Dr. M.C.Th. Scholten Prof.dr. Y.H. Schukken Ir. G.C. Six Drs. M. Slob Prof.dr. G.R. de Snoo Mr.drs. J. Staman, voorzitter Dr.ir. J.W.G.M. Swinkels Drs. R.A. Tombrock Prof.dr.ir. J.C.M. van Trijp Dr. H.A.P. Urlings Dr. J.B.F. van der Valk J. van de Ven Drs. F.A.L.M. Verstappen Mr.dr. J. Vink Secretaris van de Raad is ir. M.H.W. Schakenraad

Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website: www.RDA.nl. Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/853/documents/32489