CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-07-14 RDA Publicatie zienswijze dilemmas in de Wildopvang.pdf

Gemeenteraad RK 15 september 2022, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 4: Lijst van ingekomen stukken25.108 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Van: Secretaris RDA <secretaris@rda.nl> Verzonden: donderdag 14 juli 2022 15:29 Onderwerp: Publicatie RDA zienswijze "Dilemma's in de Wildopvang" Geachte griffie en provinciesecretarissen, Recent heeft de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) de zienswijze ‘Dilemma’s in de wildopvang’ gepubliceerd. Deze zienswijze is op verzoek van de minister van LNV opgestelde over de vraag of en hoe hulpbehoevende wilde dieren moeten worden geholpen en door wie. Het thema komt voort uit maatschappelijke discussies over wenselijkheid en noodzaak van hulp aan wilde dieren. Aangezien de aanbevelingen alle overheidslagen treffen is de zienswijze interessant voor bijvoorbeeld raadsleden die dierenwelzijn en natuur in hun portefeuille hebben of voor bestuurders. Wij verzoeken u dan ook de zienswijze bij hen onder de aandacht te brengen. De RDA vindt dat een wild dier geholpen moet worden als het zich niet meer zelfstandig kan aanpassen aan de situatie en als er een kans is op herstel en terugplaatsing in de natuur. Dat geldt bijvoorbeeld voor gewonde, vervuilde of verstrikte dieren. Voor verzwakte, uitgeputte en zieke dieren moet in de afwegingen naast het belang van het individuele dier ook het effect op de populatie en het ecosysteem worden meegewogen. Het maken van de goede afweging is voor de meeste mensen onmogelijk.

De RDA vindt dat de wettelijke zorgplicht moet worden opgevat als ‘zoekplicht naar deskundigheid’: het inschakelen van de dierenambulance of hulpdiensten, of 144 bellen voor advies. Voor de praktijk van de dierenhulpsector ziet de Raad, ondanks het vele goede werk van vrijwilligers en medewerkers, een aantal verbeterpunten op het gebied van o.a. kwaliteit, continuïteit en informatievoorziening. Volgens de Raad ontbreekt het in de dierenhulpsector aan structurele financiële ondersteuning en moeten kwaliteitscriteria worden verbeterd. Ook is meer voorlichting nodig omdat burgers niet weten wat ze voor hulpbehoevende dieren kunnen of mogen doen. De RDA vindt het faciliteren van de noodzakelijke verbetering een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid. In het belang van het welzijn van wilde dieren, raadt de RDA de minister aan om samen met de sector en andere overheden in te zetten op de volgende aanbevelingen: • Zorg voor continuïteit en maak afspraken over structurele financiering • Zorg voor een landelijke basiskwaliteit van de hulp • Zorg voor goede informatievoorziening en stimuleer onderzoek en kennisuitwisseling Omdat de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheden voor natuurbeheer en het verlenen van ontheffingen aan wildopvangcentra bij de provincies ligt, ligt het voor de hand om de zorg voor een structurele financiering daar te leggen.

Provincies kunnen aansluiten bij de betrokkenheid die een aantal gemeenten nu al tonen bij wildopvang. De RDA vindt het belangrijk dat er harmonisering plaatsvindt in de sector en dat er in alle regio’s goede hulp voor wilde dieren aanwezig is. Om dat te realiseren is volgens de Raad een rondetafelgesprek van overheden en de sector de eerstvolgende stap. Op onze website zijn de zienswijze en de publiekssamenvatting terug te vinden: https://www.rda.nl/nieuws. Eveneens zijn de zienswijze en de publiekssamenvatting in de bijlage toegevoegd. In de herfst willen we onze zienswijze bespreken met diverse betrokkenen in een webinar. U zult hiervoor ook een uitnodiging ontvangen.

Met vriendelijke groet,

Ir. Marc Schakenraad Secretaris, hoofd RDA team Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA)

raad voor dierenaangelegenheden

Dilemma’s in de wildopvang Zorg voor hulpbehoevende wilde dieren

Samenvatting DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN – 1

Doel en activiteiten van de Raad

Woord vooraf

De Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA) is een onafhankelijke raad van deskundigen die de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gevraagd of op eigen initiatief adviseert over multidisciplinaire vraagstukken op het gebied van dierenwelzijn inclusief diergezondheid en ethische vraagstukken. De RDA bestaat uit ongeveer veertig leden met zeer uiteenlopende achtergrond en deskundigheid, die er op persoonlijke titel en zonder last of ruggespraak zitting in hebben.

Als een dier in onze omgeving ziek of gewond is, schakelen we hulp in. Daarover is geen discussie voor gezelschapsdieren of productiedieren. Voor dieren in het wild ligt dat ingewikkelder. De minister van LNV heeft daarom gevraagd een zienswijze op te stellen. De vraag óf we dieren in nood moeten helpen is gemakkelijk te beantwoorden. Daarvoor geldt een wettelijke zorgplicht. Maar dieren in de natuur horen we zoveel mogelijk met rust te laten, zoals we in de zienswijze Zorgplicht Natuurlijk Gewogen hebben vastgesteld.

In onze zienswijze geven we handvatten om met het dilemma om te gaan wanneer dieren onze zorg nodig hebben en wanneer we ze met rust moeten laten. We vinden dat de wildopvang meer aandacht verdient van de verschillende overheden. De opvang van hulpbehoevende wilde dieren is weliswaar een zaak voor iedereen, maar overheden kunnen sterker dan nu kwaliteit, kennisdeling en financiering faciliteren. Samen met een goede informatievoorziening aan burgers kan dit de zorg aan hulpbehoevende wilde dieren verbeteren.

Mensen helpen een dier graag, maar het is niet altijd even eenvoudig om in te schatten of een wild dier hulp nodig heeft of juist met rust moet worden gelaten. De minister van LNV heeft daarom gevraagd een zienswijze op te stellen over de vraag of hulpbehoevende dieren moeten worden geholpen, hoe en door wie.

Deze publieksuitgave is een beknopte weergave van de zienswijze. De integrale versie is beschikbaar op de website van de RDA.

De Raad voor Dierenaangelegenheden behandelt vraagstukken over de volle breedte van het dierbeleid: over gehouden en nietgehouden, dus ‘in het wild levende’ dieren, over hobbydieren, over gezelschapsdieren, en over productie- en proefdieren. De RDA legt het resultaat van zijn beraads­ lagingen neer in een zogenaamde zienswijze. Die geeft een overzicht van wetenschappelijke en maatschappelijke achtergronden van een vraagstuk, en adviseert over beleidsrichtingen en oplossingsrichtingen voor dilemma’s. Consensus is niet noodzakelijk: een ziens­ wijze van de Raad kan minderheidsstand­ punten bevatten.

We hebben hiervoor veel gesprekken gevoerd met de mensen in de praktijk. We zien dat deze sector draait op bevlogen, hardwerkende medewerkers en vrijwilligers, allen zeer betrokken bij natuur en dierenwelzijn.

Den Haag, juli 2022

Jan Staman, voorzitter

Marc Schakenraad, secretaris

raad voor dierenaangelegenheden

Dilemma’s in de wildopvang Zorg voor hulpbehoevende wilde dieren

Samenvatting

Interview forumvoorzitter Jacques van Alphen

‘Zorgplicht is voor burgers zoekplicht naar deskundigheid’ De vraag óf hulpbehoevende dieren in het wild geholpen moeten worden is eenvoudig te beantwoorden: ja. Burgers die een dier in nood aantreffen, moeten professionele deskundigheid kunnen inschakelen. Bij de organisatie en uitvoering van de hulp zijn echter een aantal verbeterpunten, constateert de RDA in de zienswijze ‘Dilemma’s in de wildopvang, zorg voor hulpbehoevende wilde dieren’. De zienswijze is opgesteld op verzoek van de minister van LNV. De minister wilde weten of een hulpbehoevend dier geholpen moet worden, op welke manier en door wie. “Deze vraag komt onder meer voort uit eerdere maatschappelijke discussies over wilde dieren die geholpen werden terwijl dat juist niet moest,” vertelt Jacques van Alphen. Van Alphen, gepensioneerd hoogleraar dierenecologie, is de voorzitter van het RDA-forum dat de zienswijze heeft voorbereid. “De RDA heeft al eerder een zienswijze over dieren in de natuur geformuleerd, waarbij de belangrijkste boodschap de zogenaamde ‘afblijfplicht’ was. Dat betekent dat we wilde dieren zoveel mogelijk met rust laten. Nu de vraag wordt gesteld over hulpbehoevende wilde dieren, komt daar nog iets bij, namelijk de zorgplicht”, legt hij uit.

“We hebben eerst gekeken naar de wettelijke achtergronden en dan moeten we, kort door de bocht, de vraag van de minister met ‘ja’ beantwoorden: een hulpbehoevend wild dier moet geholpen worden vanuit de wettelijke zorgplicht.”

“Daarna hebben we nagedacht over wanneer wél en wanneer niet, en ook over het ‘hoe’. Het is een ingewikkelde vraag, omdat er zoveel soorten dieren zijn. Bovendien is er ook een ethisch dilemma, omdat opvangcentra hun best doen om dieren op te lappen en weer uit te zetten, terwijl er daarnaast dieren worden afgemaakt om de populatie te beheersen of overlast te voorkomen. Dat speelt bijvoorbeeld bij het wettelijke verbod om exoten van bepaalde soorten weer uit te zetten en de wettelijke plicht om deze te bestrijden“. “Het traject van beoordeling voor wel of niet helpen vraagt om deskundigheid. Zo is een burger die een hulpbehoevend wild dier aantreft verplicht hulp in te schakelen. We noemen dit: zoekplicht naar deskundigheid.“ Om grip te krijgen op het complexe traject zijn voor deze zienswijze verschillende instanties en deskundigen die zich bezighouden met opvang en hulpverlening voor dieren, geïnterviewd. “Zo hebben we informatie over de vraagstukken en knelpunten uit de praktijk.”

Knelpunten “In onze zienswijze hebben we ons gebogen over de vragen en mogelijke antwoorden, en daarnaast ook knelpunten in de praktijk gesignaleerd. Die hebben te maken met de vraag òf en hoé hulpbehoevende dieren geholpen moeten worden. Daarbij gaat het vooral om de organisatie en financiering van de betrokken instanties zoals opvangcentra en dierenambulances. Dit ligt in woord bij de provincies, maar in de praktijk vooral bij

4 – DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN

Foto: Wiebe Kiestra Forum-voorzitter Jacques van Alphen

de gemeentes. Daar komt bij dat het budget voor de instanties vaak maar tijdelijk is, zodat ze geen plannen kunnen maken voor de lange termijn. Het zijn vaak lokale initiatieven, met hun eigen gewoontes. Dat betekent dat er landelijk verschillen zijn in hoe dieren vervoerd en opgevangen worden. Het betekent ook dat er, vooral als het gaat om dierenambulances, geen toetsing is van de kwaliteit van het vervoer. Terwijl de deskundigheid over wat het beste is voor een hulpbehoevend wild dier, daar zou moeten beginnen.”

Eindverantwoordelijkheid Wat zijn de aanbevelingen van de RDA? “De vraag of een hulpbehoevend (wild) dier geholpen moet worden, kunnen we – vanuit wettelijke en ook ethische redenen – met ‘ja’ beantwoorden. De rijksoverheid heeft daarin een eindverantwoordelijkheid; vooral voor (structurele) financiering en ook voor het faciliteren van het delen van kennis zodat betrokkenen van elkaar kunnen leren”, aldus Van Alphen. “Daarnaast heeft de overheid een verantwoordelijkheid voor het maken van een

DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN – 5

hulpbehoevend wild dier vinden. Wat moeten ze doen in verschillende gevallen? En hoe kunnen we alle burgers bereiken? Kortom: dit zijn de zaken waar het rijk zich over kan buigen: structurele financiering, kwaliteitseisen, delen van kennis en ervaring en voorlichting aan de burgers.”

Foto: Dierenbescherming

pakket van kwaliteitseisen dat door iedereen geaccepteerd wordt. Het gaat om het professionaliseren van in ieder geval de dierenambulances, omdat deze - samen met 144 - de eerste lijn zijn bij hulpbehoevende dieren. We vinden ook dat er meer aandacht mag zijn voor informatie richting een breder publiek, want het zijn vaak burgers die een

De mogelijke kans op terugkeer in de natuur is een belangrijk uitgangspunt

6 – DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN

Korte weergave van de zienswijze Achtergrond en aanleiding Op 20 augustus 2020 ontving de RDA van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) de vraag óf en hóe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen; en door wie.

Wet dieren Hulpbehoevende wilde dieren moeten worden geholpen, op grond van een voorschrift in de Wet dieren (H2, paragraaf 1, artikel 2.1 Dierenmishandeling, lid 6 en 7): “6) Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg. 7) Het bij en krachtens het eerste tot en met het zesde lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien van andere dan gehouden dieren”. In de Memorie van Toelichting van de Wet dieren, pag. 82 staat een verwijzing naar dit artikel ”Ook de plicht tot het verlenen van de nodige zorg aan hulpbehoevende dieren is ten aanzien van wilde dieren van toepassing”.

en als interventie/maatregelen maatschappelijk aanvaardbaar zijn of lijden maatschappelijk onaanvaardbaar is” (RDA, 2017). Dieren in de natuur raken in de problemen, verzwakken, lijden of sterven, al dan niet door toedoen van ziekten en predatoren. Dat is onderdeel van de levenscyclus in het ecologische systeem.

Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming en de Wet dieren beogen niet het lijden van wilde dieren in algemene zin aan te pakken. De Wet natuurbescherming geeft aan dat een ieder voldoende zorg

In eerdere zienswijzen heeft de RDA zijn beschouwing gegeven over de wijze waarop mensen in de praktijk invulling geven aan hun morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van (wilde) dieren, eerder benoemd onder de term ‘zorgplicht’, als term die alle gradaties van zorg omvat (RDA, 2012; RDA, 2017). Dieren zijn levende, voelende wezens en hebben intrinsieke waarde. De mens heeft direct of indirect invloed op de mogelijkheden van individuele dieren en van dierpopulaties, om zich aan te passen aan de heersende omstandigheden. Dat betekent niet dat alle dieren altijd geholpen moeten worden. Ingrijpen is noodzakelijk “Indien het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden en ingrijpen fysiek/technisch mogelijk is en er geen mens- of dier gerichte belangen zijn die zwaarder wegen dan welzijnsaantasting

Foto: Coatesy/Shutterstock)

Niet altijd ingrijpen

Jonge haasjes komen door onwetendheid vaak onterecht in de opvang

DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN – 7

Foto: slowmotiongli/Adobe Stock Lijden en sterven zijn onderdeel van het ecologisch systeem

in acht neemt voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving, en handelen met mogelijke nadelige gevolgen in principe achterwege laat. Zorg voor wilde dieren is dus op verschillende manieren in de wetgeving opgenomen. De RDA ziet vanwege deze verschillen als centrale vraag wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is.

Hulpbehoevendheid Of een dier hulpbehoevend of zelfredzaam is, hangt af van het aanpassingsvermogen van het dier in een specifieke omstandigheid. Steeds vaker komen mens en dier elkaar tegen en is onderscheid tussen natuurlijke leefomgeving van dieren en leefomgeving van mensen niet goed meer te maken. In een stedelijke context waarin lijdende dieren worden aangetroffen door mensen is het inschatten van dit onderscheid door burgers dan ook lastig, zij kunnen vaak moeilijk vaststellen of het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden. Voor afwe-

gingen omtrent wel of niet ingrijpen (en op welke manier) is vaak (veterinaire en biologische) deskundigheid1 nodig. Gewonde en gecontamineerde dieren (olie, afval) zijn hulpbehoevend, zij kunnen niet langer voor zichzelf zorgen en kunnen zich niet meer aanpassen aan de situatie. Voor verzwakte, uitgeputte en zieke dieren moeten specifieke afwegingen worden gemaakt; niet alleen op het niveau van het individuele dier, maar ook vanwege het effect op de populatie en het ecosysteem waartoe ze behoren. Jonge dieren en oververmoeide dieren zoals trekvogels zijn meestal niet hulpbehoevend en kunnen zich nog aanpassen aan de situatie.

Zoekplicht naar deskundigheid In eerste instantie worden dieren in het wild zoveel mogelijk met rust gelaten. Wanneer iemand een (levend) dier aantreft 1

Het “redden” van vogels met vogelgriep kan bijvoorbeeld een gevaar voor de gezondheid van de mens betekenen. Botulisme slachtoffers kunnen daarentegen wel worden geholpen.

8 – DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN

een specialist/deskundige worden beantwoord. Dit is niet alleen om het welzijn van het dier te garanderen, maar ook voor de veiligheid van degene die een hulpbehoevend (wild) dier vindt. In sommige gevallen kunnen capabele burgers wel zelf dieren verplaatsen, maar bij twijfel moet toch deskundige hulp of advies worden gevraagd.

Deskundige hulp De zorgplicht geldt voor iedereen, maar niet iedereen heeft dezelfde verantwoordelijkheid. Mensen hebben empathie voor hulpbehoevende dieren en voelen een urgentie om te helpen, maar missen vaak de kennis en ervaring om in te schatten of en welke hulp nodig is. Het beste is om de mensen vooraf en generiek te informeren over de noodzaak om hulp in te schakelen van een deskundige die elke situatie kan beoordelen en een goede afweging

Foto: Colin Seddon/Shutterstock

dat op zijn/haar toenadering niet reageert, gebrekkige pogingen onderneemt om te vluchten, te dreigen of te vechten, moet worden aangenomen dat dit dier niet meer kan functioneren zonder hulp. Ook van een gewone burger wordt dan verwacht dat hij of zij hulp verleent. Deze hulp bestaat uit wat we noemen een ‘zoekplicht naar deskundigheid’: het inschakelen van de dierenambulance of hulpdiensten, of 144 bellen voor advies over de mate van hulpbehoevendheid van het dier en bijbehorend handelingsperspectief. Het is belangrijk bij de zoekplicht naar deskundigheid dat burgers weten welke handelingsperspectieven ze hebben wanneer ze een hulpbehoevend wild dier aantreffen en waar ze voor deskundige hulp en noodzakelijke informatie terecht kunnen (wat ze als eerste moeten doen). Dat is dus niet het zelf vangen en vervoeren van dieren en zeker niet het zelf verzorgen. Wat de beste hulp is voor een hulpbehoevend dier kan het beste door

Dieren raken vaak in de problemen door menselijk handelen DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN – 9

Foto: Albert Stam/Nationale Beeldbank Het is belangrijk dat burgers weten welk handelingsperspectief ze hebben als ze een hulpbehoevend wild dier aantreffen

kan maken. Hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen is namelijk afhankelijk van de omstandigheden. Elke situatie is uniek en vraagt om een specifieke beoordeling van de beste hulp. Hiervoor is ervaring vereist. De hulpverlening aan wilde dieren bestaat uit een keten van verschillende hulpverleners - zoals 144, wildopvangcentra, dierenambulances en dierenartsen - met fasen van besluitvorming.

Overal dezelfde basiskwaliteit gewenst Goede zorg kan bestaan uit het tegengaan van lijden, of goede verzorging als er perspectief is op weer leven in de natuur. Om daar recht aan te doen moet volgens de RDA hulp aan hulpbehoevende wilde dieren verbeterd worden en moeten alle dieren overal dezelfde basiskwaliteit van hulp (kunnen) krijgen. Het vinden van voldoende financiering en daarmee bestaanszekerheid en continuïteit in zorg en hulp aan hulpbehoevende wilde dieren is een groot probleem dat wildopvangcentra naar eigen

zeggen niet alleen kunnen oplossen. Bij een wettelijk vastgelegde zorgplicht voor de burger ligt het in de lijn der verwachting dat de overheid de middelen zou verschaffen om de uitvoering van de zorgplicht te faciliteren zodat er voldoende uniformiteit en continuïteit van wildopvang is. Gezien de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheid voor natuurbeheer bij de provincies, dient ook op dat niveau ondersteuning te worden gegeven. De RDA ziet hiervoor verbeterpunten met daarin een trekkende rol voor de rijksoverheid en doet daarom onderstaande aanbevelingen.

Aanbevelingen In het belang van het welzijn van wilde dieren, raadt de RDA de minister aan om in overleg en samenwerking met de sector en andere overheden in te zetten op de volgende 3 punten ter verbetering van hulp:

10 – DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN

2. Zorg voor een landelijke basiskwaliteit van hulp • De rijksoverheid heeft een leidende rol in het faciliteren van een landelijk netwerk voor uniformiteit, continuïteit en basiskwaliteit als het gaat om hulpverlening aan (wilde) dieren. • Landelijke beleidsregels en kwaliteitseisen van dierenhulpverlening zijn niet alleen nodig voor wildopvangcentra, maar moeten ook opgesteld worden voor vervoerders van dieren en andere hulpverleners in de keten. (Bestaande) private keurmerken en kwaliteitsinitiatieven van dierenambulances dienen te worden gestimuleerd en wellicht zelfs te worden voorgeschreven, waaronder regels over landelijke dekking en acceptabele aanrijdtijden zodat deskundige hulp voor alle dieren in het land bereikbaar is. • De overheid heeft een controlerende taak om ‘wildgroei’ van onprofessionele opvangcentra in de sector te voorko-

men. Dat kan door het faciliteren van transparante regels, ethologische, veterinaire, juridische en morele afbakening en het regelen van toezicht. Bij dierenambulances kan een kwaliteitsslag gemaakt worden door het regelen van bovenstaande punten, toezicht en een openbare handelwijze. • Een in het leven te roepen overkoepelende instantie zou geregeld overleg moeten voeren met de wildopvangcentra over noodzakelijke deskundigheid, opleidingsniveau en zorgen voor continue bewaking en verbetering van hulp vanuit het oogpunt van dierenwelzijn.

Foto: ANP/Arie Kievit

1. Zorg voor continuïteit: lange termijn financiering wildopvang • De RDA vraagt aan het Rijk om met andere overheden in gesprek te gaan en afspraken te maken over ieders verantwoordelijkheden in de opvang van hulpbehoevende wilde dieren, inclusief structurele financiële ondersteuning vanuit de overheid van wildopvang in Nederland. • Omdat de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheden voor natuurbeheer en het verlenen van ontheffingen aan wildopvangcentra bij de provincies ligt, ligt het voor de hand om de zorg voor een structurele financiering daar te leggen. Provincies kunnen aansluiten bij de betrokkenheid die een aantal gemeenten nu al tonen bij wildopvang. • De wildopvangcentra hebben suggesties gedaan op welke wijze structurele financiering kan worden ingezet (bijvoorbeeld instandhoudingsbijdrage, professionaliseringsbijdrage, kosten per dier, fonds). Werk samen met hen aan de concrete invulling en vormgeving van de ondersteuningsstructuur vanuit gezamenlijke belangen.

Hulp aan dieren vereist noodzakelijke deskundigheid, ook vanwege de eigen veiligheid

DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN – 11

3. Zorg voor goede informatievoorziening en stimuleer onderzoek en kennisuitwisseling • Burgers moeten op de hoogte zijn wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is, welk handelingsperspectief zij hebben als ze een hulpbehoevend dier aantreffen en waar deskundige hulp te vinden is. Goede voorlichting en informatievoorziening dient door de overheid gefaciliteerd te worden. Dit kan door de dierenhulpsector te ondersteunen bij hun communicatie, of door zelf voorlichting te geven. Door bredere en herhalende communicatie hierover, kunnen mensen beter op de hoogte worden gebracht. Informatievoorziening zou op alle niveaus in de keten een plek moeten hebben. Ook bij meldpunt 144 en ‘triage’ meldkamers dient juiste en specifieke informatie aanwezig te zijn om specialistisch advies te kunnen geven, ook voor het vervolgtraject.

• Als de overheid stabiliteit en continuïteit in de sector faciliteert, heeft de sector meer ruimte om aandacht te besteden aan voorlichting, educatie en bijdragen aan onderzoek. Zoals trends in dieren die binnenkomen, oorzaken daarvan, succespercentages van uitzettingen, dierziekten en verspreiding. Ook het beter inzetten op dataverzameling bij meldpunt 144 kan van toegevoegde waarde zijn. De RDA vindt het belangrijk dat er harmonisering plaatsvindt in de sector en dat er geen grote ongelijkheid is of ontstaat in de hulp aan dieren door regionale verschillen. De Raad ziet een ronde tafelgesprek met overheden en de sector als een eerste volgende stap. Hierin kunnen tevens ‘best practices’ aan de orde komen en kan worden gesproken over de aanvullende waarde van het opstellen van een praktische handleiding (belangrijkste do’s en dont’s) voor burgers waarbij het ‘leereffect’ kan worden vergroot.

Begin werkzaamheden forum

Vraag van minister

Concept-zienswijze in Raad

Aanbieding aan minister van LNV

juni 2020

augustus 2020

december 2021

juli 2022

12 – DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN

Foto: corepics/Adobe Stock Onderzoek en kennisdeling dragen bij aan succesvolle revalidatie DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN – 13

Bijlage Samenstelling forum en Raad Ter voorbereiding op deze zienswijze is het forum 7 maal bijeen geweest. Het forum is bij hun werkzaamheden ondersteund door secretaris ir. M.H.W. Schakenraad en adjunct-secretaris drs. R.L. van Oudheusden van het RDA-team. De voorliggende zienswijze van de Raad is op verzoek van de minister van LNV. De concept zienswijze is ter beoordeling voorgelegd aan de gehele raad. Deze zienswijze is daarmee een product van de hele Raad.

Foto: Colin Seddon/Shutterstock

Deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden is voorbereid door een forum bestaande uit de raadsleden prof. Dr. J.J.M. van Alphen (voorzitter forum), W.T.A.A.G.M. van den Bergh, drs. D. van Gennep, mr. drs. J. Staman en Jong-RDA lid S.A.M. van der Hoeven MSc. Het forum is ondersteund door een klankbordgroep uit de RDA, bestaande uit de leden mr. A.G. Dijkhuis, drs. F.E. Rietkerk, mr. C.W. Ripmeester, prof. dr. ir. T.B. Rodenburg, Prof. dr. G.R. de Snoo, drs. R.A. Tombrock, drs. F.A.L.M. Verstappen en Jong-RDA lid M.A.A.M. van Gerwen MSc.

Jonge eendjes kunnen verlaten zijn en redden het niet zonder moeder

14 – DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN

De RDA bestond op 1 april 2022 uit de volgende leden: Prof.dr. J.J.M. van Alphen Dr.ir. G.B.C. Backus J.P. van den Berg W.T.A.A.G.M. van den Bergh Dr. J.J.L. Candel MA Drs. H.R. Chalmers Hoynck van Papendrecht Prof.dr.ir. G. van Dijk Dr. N. Endenburg PhD Prof.dr. R. Gehring Drs. D. van Gennep Prof.dr. M.A.M. Groenen Prof.dr. S. Haring Prof.dr.ir. L.A. den Hartog A.L. ten Have-Mellema Prof.dr.ir. J.A.P. Heesterbeek Drs. G. Hofstra J.A.M. Huijbers Prof.dr.ir. A. van Huis Prof.dr.ir. B. Kemp A. Kemps Prof.dr. M.F.M. Langelaar Dr. L.J.A. Lipman Drs. F.E. Rietkerk

Mr. C.W. Ripmeester Prof.dr.ir. T.B. Rodenburg Dr. M.C.Th. Scholten Prof.dr. Y.H. Schukken Ir. G.C. Six Drs. M. Slob Prof.dr. G.R. de Snoo Mr.drs. J. Staman, voorzitter Dr.ir. J.W.G.M. Swinkels Drs. R.A. Tombrock Prof.dr.ir. J.C.M. van Trijp Dr. H.A.P. Urlings Dr. J.B.F. van der Valk J. van de Ven Drs. F.A.L.M. Verstappen Mr.dr. J. Vink Secretaris van de Raad is ir. M.H.W. Schakenraad

Meer informatie over de Raad voor Dierenaangelegenheden vindt u op onze website: www.RDA.nl. Daar kunt u ook alle eerder uitgebrachte adviezen downloaden.

DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – RAAD VOOR DIERENAANGELEGENHEDEN – 15

2022, Raad voor Dierenaangelegenheden, Den Haag © Sommige rechten zijn voorbehouden / Some rights reserved Voor deze uitgave zijn gebruiksrechten van toepassing zoals vastgelegd in de Creative Commons licentie Naamsvermelding 3.0 Nederland. Voor de volledige tekst van deze licentie zie http://www.creativecommons.org/licenses/by/3.0/nl/ Productie en eindredactie: Bert Kleiboer Tekst: Rosanne van Oudheusden, Erica Pierik Foto omslag: ANP/Novum RegioFoto Venema Media Foto’s binnenwerk: Copyright vermeld bij de foto Opmaak en drukwerk: Xerox/Osage, Den Haag www.rda.nl Raad voor Dierenaangelegenheden Bezuidenhoutseweg 73 2594 AC Den Haag

Bij de productie van deze samenvatting is gebruik gemaakt van papier dat het keurmerk Forest Stewardship Council® (FSC®) draagt. Bij dit papier is het zeker dat de productie niet tot bosvernietiging heeft geleid. Ook is het papier 100% chloorvrij gebleekt en 100% gerecycled.

Dilemma’s in de Wildopvang Zorg voor hulpbehoevende wilde dieren

Inhoudsopgave Procedure4 Leeswijzer4 Samenvatting5 1. Inleiding

8

1.1 Aanleiding en vraagstelling 1.2 Uitgangspunten en afbakening

8 8

2. OF een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen

10

2.1 Wet- en regelgeving 2.2 Morele verantwoordelijkheid en zorgplicht  2.3 Wanneer is een dier hulpbehoevend? 2.3.1 Hulpbehoevendheid in kader Wet dieren 2.3.2 Aanpassingsvermogen van wilde dieren  2.3.3 Inschatting van hulpbehoevendheid wilde dieren 2.3.4 Oorzaken hulpbehoevendheid 2.4 Maatschappelijke rol en functie hulp en opvang 2.5 Dilemma’s en verlegenheden

10 11 12 12 12 13 16 17 18

3. HOE een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen

19

3.1 Verschillende fasen en manieren van hulp 3.2 Zoekplicht naar deskundigheid 3.3 Knelpunten huidige praktijk

19 20 21

4. Door WIE moet een hulpbehoevend wild dier worden geholpen

23

4.1 Verplichtingen, verdeling en verwachtingen 4.2 Behoeftes partijen

23 25

5. Conclusies en aanbevelingen

26

5.1 Conclusies 5.2 Aanbevelingen

26 28

Geraadpleegde bronnen

30

Bijlage 1 Adviesaanvraag betreffend de zorgplicht voor en opvang van wilde dieren

31

Bijlage 2 Brief Tweede Kamer kenmerk 2020D30659

32

Bijlage 3 Gelijkheid van dieren

36

Bijlage 4 Oorzaken van hulpbehoevendheid en aansprakelijkheid

37

Bijlage 5 Schets uitgangssituatie opvang wilde dieren 

39

Samenstelling van de Raad

48

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 3

Procedure Deze zienswijze van de Raad voor Dierenaangelegenheden is voorbereid door een forum bestaande uit de raadsleden prof. Dr. J.J.M. van Alphen (voorzitter forum), W.T.A.A.G.M. van den Bergh, drs D. van Gennep, mr. drs. J. Staman en Jong-RDA lid S.A.M. van der Hoeven MSc. Het forum is ondersteund door een klankbordgroep uit de RDA, bestaande uit de leden mr. A.G. Dijkhuis, drs F.E. Rietkerk, mr. C.W. Ripmeester, prof. dr. ir. T.B. Rodenburg, Prof. dr. G.R. de Snoo, drs. R.A. Tombrock, drs. F.A.L.M. Verstappen en Jong-RDA lid M.A.A.M. van Gerwen MSc. De zienswijze is een product van de hele Raad. Ter voorbereiding op deze zienswijze is het forum 7 maal bijeen geweest. Het forum is bij hun werkzaamheden ondersteund door secretaris ir. M.H.W. Schakenraad en adjunct-secretaris drs. R.L. van Oudheusden van het RDA-team. De voorliggende zienswijze van de Raad is op verzoek van de minister van LNV.

Leeswijzer Hoofdstuk 1 start met een inleiding, waarin vraagstelling, aanleiding, uitgangspunten en afbakening van deze zienswijze zijn opgenomen. Hoofdstuk 2 geeft een beschouwing op de vraag of een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en gaat in op de zorgplicht in de wet en morele verantwoordelijkheid van mensen voor het welzijn van dieren. Een belangrijke vraag die in dit hoofdstuk aan de orde komt is wat hulpbehoevendheid is en wanneer dieren dat wel en niet zijn naarmate hun aanpassingsvermogen is aangetast. Maatschappelijke achtergronden, dilemma’s en verlegenheden bij hulp en opvang van dieren komen hier ook aan de orde. In hoofdstuk 3 staat centraal hoe hulpbehoevende dieren het beste kunnen worden geholpen en welke knelpunten in de huidige praktijk de RDA is tegenkomen in interviews met de sector. In hoofdstuk 4 komt aan bod wie hulpbehoevende dieren zou moeten helpen, welke taken, verantwoordelijkheden maar ook welke behoeftes verschillende partijen op het gebied van wildopvang hebben. Hoofdstuk 5 sluit af met uit deze zienswijze voortkomende conclusies. Tevens doet de RDA de minister van LNV een aantal aanbevelingen om, in overleg en samenwerking met de sector, verbeteringen door te voeren in hulp aan dieren, vanuit het belang van het welzijn van het dier.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 4

Samenvatting Op 20 augustus 2020 ontving de RDA van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de vraag of en hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en door wie. Hulpbehoevende wilde dieren moeten worden geholpen, op grond van een voorschrift in de Wet dieren (H2, paragraaf 1, artikel 2.1 Dierenmishandeling, lid 6 en 7): “6) Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg. 7) Het bij en krachtens het eerste tot en met het zesde lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien van andere dan gehouden dieren”. In de Memorie van Toelichting van de Wet dieren, pag. 82 staat een verwijzing naar dit artikel ”Ook de plicht tot het verlenen van de nodige zorg aan hulpbehoevende dieren is ten aanzien van wilde dieren van toepassing”. In eerdere zienswijzen heeft de RDA zijn beschouwing gegeven over de wijze waarop mensen in de praktijk invulling geven aan hun morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van (wilde) dieren, eerder benoemd onder de term ‘zorgplicht’, als term die alle gradaties van zorg omvat (RDA, 2012; RDA, 2017). Dieren zijn levende, voelende wezens en hebben intrinsieke waarde. De mens heeft direct of indirect invloed op de mogelijkheden van individuele dieren en van dierpopulaties, om zich aan te passen aan de heersende omstandigheden. Dat betekent niet dat alle dieren altijd geholpen moeten worden.

Ingrijpen is noodzakelijk “Indien het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden en ingrijpen fysiek/technisch mogelijk is en er geen mens- of dier gerichte belangen zijn die zwaarder wegen dan welzijnsaantasting en als interventie/maatregelen maatschappelijk aanvaardbaar zijn of lijden maatschappelijk onaanvaardbaar is” (RDA, 2017). Dieren in de natuur raken in de problemen, verzwakken, lijden of sterven, al dan niet door toedoen van ziekten en predatoren. Dat is onderdeel van de levenscyclus in het ecologische systeem. De Wet natuurbescherming en de Wet dieren beogen niet het lijden van wilde dieren in natuurlijke situaties in algemene zin aan te pakken. De Wet natuurbescherming geeft aan dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving en handelen met mogelijke nadelige gevolgen in principe achterwege laat. Zorg voor wilde dieren is dus op verschillende manieren in de wetgeving opgenomen. De RDA ziet vanwege deze verschillen als centrale vraag wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is. Of een dier hulpbehoevend of zelfredzaam is, hangt af van het aanpassingsvermogen van het dier in een specifieke omstandigheid. Steeds vaker komen mens en dier elkaar tegen en is onderscheid tussen natuurlijke leefomgeving van dieren en leefomgeving van mensen niet goed meer te maken.

In een stedelijke context waarin lijdende dieren worden aangetroffen door mensen is het inschatten van dit onderscheid door burgers dan ook lastig, zij kunnen vaak moeilijk vaststellen of het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden. Voor afwegingen omtrent wel of niet ingrijpen (en op welke manier) is vaak (veterinaire en biologische) deskundigheid1 nodig. Gewonde en gecontamineerde dieren (olie, afval) zijn hulpbehoevend, zij kunnen niet langer voor zichzelf zorgen en kunnen zich niet meer aanpassen aan de situatie. Verzwakte, uitgeputte en zieke dieren vereisen specifieke afwegingen, niet alleen op het niveau van het individuele dier, maar ook vanwege het effect op de populatie en het ecosysteem waartoe ze behoren. Jonge dieren en oververmoeide dieren zoals trekvogels zijn meestal niet hulpbehoevend en kunnen zich nog aanpassen aan de situatie. 1

Het “redden” van vogels met vogelgriep kan bijvoorbeeld een gevaar voor de gezondheid van de mens betekenen. Botulisme slachtoffers kunnen daarentegen wel worden geholpen.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 5

In eerste instantie worden dieren in het wild zoveel mogelijk met rust gelaten. Wanneer iemand een (levend) dier aantreft dat op zijn/haar toenadering niet reageert, gebrekkige pogingen onderneemt om te vluchten, te dreigen of te vechten, moet worden aangenomen dat dit dier niet meer kan functioneren zonder hulp. Ook van een gewone burger wordt dan verwacht dat hij of zij hulp verleent. Deze hulp bestaat uit wat we noemen een ‘zoekplicht naar deskundigheid’: het inschakelen van de dierenambulance of hulpdiensten, of 144 bellen voor advies over de mate van hulpbehoevendheid van het dier en bijbehorend handelingsperspectief. Het is belangrijk bij de zoekplicht naar deskundigheid dat burgers weten welke handelingsperspectieven ze hebben wanneer ze een hulpbehoevend wild dier aantreffen en waar ze voor deskundige hulp en noodzakelijke informatie terecht kunnen (wat ze als eerste moeten doen). Dat is dus niet het zelf vangen en vervoeren van dieren en zeker niet het zelf verzorgen. Wat de beste hulp is voor een hulpbehoevend dier kan het beste door een specialist/deskundige worden beantwoord. Dit is niet alleen om het welzijn van het dier te garanderen, maar ook voor de veiligheid van degene die een hulpbehoevend (wild) dier vindt. In sommige gevallen kunnen capabele burgers wel zelf dieren verplaatsen, maar bij twijfel moet toch deskundige hulp of advies worden gevraagd.

De zorgplicht geldt voor iedereen, maar niet iedereen heeft dezelfde verantwoordelijkheid. Mensen hebben empathie voor hulpbehoevende dieren en voelen een urgentie om te helpen, maar missen vaak de kennis en ervaring om in te schatten of en welke hulp nodig is. Het beste is om de mensen vooraf en generiek te informeren over de noodzaak om hulp in te schakelen van een deskundige, die elke situatie kan beoordelen en een goede afweging kan maken. Hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen is namelijk afhankelijk van de omstandigheden. Elke situatie is uniek en vraagt om een specifieke beoordeling van de beste hulp. Hiervoor is ervaring vereist. De hulpverlening aan wilde dieren bestaat uit een keten van verschillende hulpverleners zoals 114, wildopvangcentra, dierenambulances en dierenartsen met fasen van besluitvorming. Goede zorg kan bestaan uit het tegengaan van lijden, of goede verzorging als er perspectief is op weer leven in de natuur. Om daar recht aan te doen moet volgens de RDA hulp aan hulpbehoevende wilde dieren verbeterd worden en zouden alle dieren overal dezelfde basiskwaliteit van hulp moeten kunnen krijgen. Het vinden van voldoende financiering en daarmee bestaanszekerheid en continuïteit in zorg en hulp aan hulpbehoevende wilde dieren is een groot probleem dat wildopvangcentra naar eigen zeggen niet alleen kunnen oplossen.

Bij een wettelijk vastgelegde zorgplicht voor de burger ligt het in de lijn der verwachting dat de overheid de middelen zou verschaffen om de uitvoering van de zorgplicht te faciliteren, zodat er voldoende uniformiteit en continuïteit van wildopvang is. Gezien de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheid voor natuurbeheer bij de provincies, dient op dat niveau ook ondersteuning te worden gegeven. De RDA ziet hiervoor verbeterpunten met daarin een trekkende rol voor de rijksoverheid en doet daarom onderstaande aanbevelingen. In het belang van het welzijn van wilde dieren, raadt de RDA de minister aan om in overleg en samenwerking met de sector en andere overheden in te zetten op de volgende 3 punten ter verbetering van hulp: 1) Zorg voor continuïteit: lange termijn financiering wildopvang • De RDA vraagt aan het Rijk om met andere overheden in gesprek te gaan en afspraken te maken over ieders verantwoordelijkheden in de opvang van hulpbehoevende wilde dieren, inclusief structurele financiële ondersteuning vanuit de overheid van wildopvang in Nederland. • Omdat de regionale functie van wildopvangcentra en de verantwoordelijkheden voor natuurbeheer en het verlenen van ontheffingen aan wildopvangcentra bij de provincies

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 6

ligt, ligt het voor de hand om de zorg voor een structurele financiering daar te leggen. Provincies kunnen aansluiten bij de betrokkenheid die een aantal gemeenten nu al tonen bij wildopvang. • De wildopvangcentra hebben goede voorbeelden en nieuwe ideeën op welke wijze structurele financiering kan worden ingezet (bijvoorbeeld instandhoudingsbijdrage, professionaliseringsbijdrage, kosten per dier, fonds). Werk samen met hen aan de concrete invulling en vormgeving van de ondersteuningsstructuur vanuit gezamenlijke belangen. 2) Zorg voor een landelijke basiskwaliteit van hulp • De rijksoverheid heeft een leidende rol in het faciliteren van een landelijk netwerk voor uniformiteit, continuïteit en basiskwaliteit als het gaat om hulpverlening aan (wilde) dieren. • Landelijke beleidsregels en kwaliteitseisen van dierenhulpverlening zouden niet beperkt moeten zijn tot wildopvangcentra, maar ook opgesteld moeten worden voor vervoerders van dieren en andere hulpverleners in de keten. (Bestaande) private keurmerken en kwaliteitsinitiatieven van dierenambulances dienen te worden gestimuleerd en wellicht zelfs te worden voorgeschreven, waaronder regels over landelijke dekking en acceptabele aanrijdtijden zodat deskundige hulp voor alle dieren in het land bereikbaar is. • De overheid heeft een controlerende taak om ‘wildgroei’ van onprofessionele opvangcentra in de sector te voorkomen.

Dat kan door het faciliteren van transparante regels, ethologische, veterinaire, juridische en morele afbakening en het regelen van toezicht. Bij dierenambulances kan ook een kwaliteitsslag gemaakt worden door het regelen van bovenstaande punten, toezicht en een openbare handelwijze. • Een in het leven te roepen overkoepelende instantie zou geregeld overleg moeten voeren met de wildopvangcentra over noodzakelijke deskundigheid, opleidingsniveau en zorgen voor continue bewaking en verbetering van hulp vanuit het oogpunt van dierenwelzijn. 3) Zorg voor goede informatievoorziening en stimuleer onderzoek en kennisuitwisseling • Burgers moeten op de hoogte zijn wanneer een dier wel of niet hulpbehoevend is, welk handelingsperspectief zij hebben als ze een hulpbehoevend dier aantreffen en waar deskundige hulp te vinden is. Goede voorlichting en informatievoorziening dient door de overheid gefaciliteerd te worden. Dit kan door de dierenhulpsector te ondersteunen bij hun communicatie, of door zelf voorlichting te geven. Door bredere en herhalende communicatie hierover, kunnen mensen beter op de hoogte worden gebracht. Informatievoorziening zou op alle niveaus in de keten een plek moeten hebben. Ook bij meldpunt 144 en ‘triage’ meldkamers dient juiste en specifieke informatie aanwezig te zijn om specialistisch advies te kunnen geven, ook voor het vervolgtraject.

• Als de overheid stabiliteit en continuïteit in de sector faciliteert, heeft de sector meer ruimte om aandacht te besteden aan voorlichting, educatie en bijdragen aan onderzoek. Zoals trends in dieren die binnenkomen, oorzaken daarvan, succespercentages van uitzettingen, dierziekten en verspreiding. Ook het beter inzetten op dataverzameling bij meldpunt 144 kan van toegevoegde waarde zijn. De RDA vindt het belangrijk dat er harmonisering plaatsvindt in de sector en dat er geen grote ongelijkheid is of ontstaat in de hulp aan dieren door regionale verschillen. De Raad ziet een rondetafelgesprek met overheden en de sector als een eerste volgende stap. Hierin kunnen tevens ‘best practices’ aan de orde komen en kan worden gesproken over de aanvullende waarde van het opstellen van een praktische handleiding (belangrijkste do’s en don'ts) voor burgers waarbij het ‘leereffect’ kan worden vergroot.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 7

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en vraagstelling Op 20 augustus 2020 ontving de RDA de volgende vraag, inclusief een brief met toelichting, van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (zie bijlagen 1 en 2):

Vraag Minister aan RDA …”verzoek ik u om een zienswijze uit te brengen met betrekking tot de vraag of en hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en door wie”.

In voorliggende RDA-zienswijze staat de vraag van de minister centraal, “of en hoe een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen en door wie”. Het verzoek aan de RDA is aangekondigd aan de Tweede Kamer en komt tegemoet aan verschillende moties (zie bijlagen 1 en 2).

1.2 Uitgangspunten en afbakening Deze zienswijze heeft als doel de beantwoording van de vraag van de minister. Hierbij gaat de RDA bij zijn zienswijze uit van de huidige wetgeving, met name de Wet dieren en de Wet natuurbescherming. De zienswijze concentreert zich op het proces en de afwegingen bij (wilde) dieren in nood. In het verzoek aan de RDA heeft de minister aangegeven wat zij verstaat onder wilde dieren: “De term wilde dieren wordt hier gebruikt voor dieren behorend tot een van nature in Nederland voorkomende diersoort” (zie bijlage 1). De minister geeft hierbij niet aan welke dieren zij daar niet onder verstaat. De RDA zal in voorliggende zienswijze, waar relevant, ingaan op categorieën dieren waarvoor niet duidelijk is waar ze onder vallen. Dit om aan te geven dat onderscheid tussen wild en niet wild, maar ook tot ‘van nature’ en ‘niet van nature’ in Nederland voorkomend niet altijd even duidelijk is en dat er ook bij 144, ambulances en opvangcentra niet altijd zo’n zwart-wit onderscheid wordt (of kan worden) gemaakt. Denk daarbij bijvoorbeeld aan gehouden dieren met (onbekende) eigenaar, zoals een ontsnapte siervogel of -huiskat), verwilderde (huis)dieren en exoten. De Wet dieren en de Wet Natuurbescherming maken onderscheid in verschillende categorieën dieren en in mate van bescherming. Dat onderscheid heeft geen betrekking op hulpbehoevende dieren.

In de Wet dieren (H2, paragraaf 1, artikel 2.1 Dierenmishandeling, lid 6 en 7) is aangegeven: “6) Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg. 7) Het bij en krachtens het eerste tot en met het zesde lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien van andere dan gehouden dieren”. De opvang van zeehonden is niet (expliciet) meegenomen in deze zienswijze, omdat hierover in 2020 met de sector een Zeehondenakkoord is gesloten. Tussen de partijen die betrokken zijn bij de opvang van zeehonden zijn hierover afspraken gemaakt. Het forum erkent de ambivalentie van het enerzijds tegemoet willen komen aan de gevoelens van mensen die dieren willen helpen en anderzijds dat de natuur en de daarin voorkomende dieren vooral met rust gelaten moet worden (beiden volgend uit voorschriften uit verschillende wetten).

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 8

Voor deze zienswijze zijn om achtergrondinformatie te verkrijgen over de actuele praktijksituatie in Nederland 10 interviews gehouden met partijen die zich in de praktijk bezig houden met opvang van wilde dieren. Verschillende opvangcentra, geselecteerd op verschillende grootte en ligging door Nederland en daarnaast medewerkers van 144, Dierenbescherming en Dierenlot zijn hiervoor benaderd. De informatie is gebruikt om een actueel beeld te krijgen van de praktijksituatie van de wildopvang. Informatie hieruit is opgenomen in de bijlagen. Natuurbeheerders, natuurbeschermers en ecologen wiens taken vooral gericht zijn op beheer van natuurgebieden en het in stand houden van populaties zijn niet benaderd. Uit het andere RDA-traject ‘Dieren in het huis van Thorbecke’ is in een aantal interviews tevens informatie over wildopvang vanuit gemeenten en provincies naar voren gekomen. Die informatie is ook in voorliggende zienswijze verwerkt.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 9

2. OF een hulpbehoevend wild dier moet worden geholpen Kort antwoord: Ja, om twee redenen. Hulpbehoevende wilde dieren moeten worden geholpen op grond van een wettelijk voorschrift in de Wet dieren (2.1) en vanwege de breed levende opvatting onder burgers dat op hen een morele verantwoordelijkheid rust voor het welzijn van dieren (2.2). Vanwege het uitgangspunt om dieren in de natuur zoveel mogelijk met rust te laten, is van belang wanneer dieren wel en niet hulpbehoevend zijn en of het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden. Dit kan vaak alleen door een deskundige worden beoordeeld.

2.1 Wet- en regelgeving • Voor de zorg voor een ziek of verwond (wild) dier gelden de volgende punten uit artikel 2.1 van de Wet Dieren (artikel over dierenmishandeling): − lid 1: “Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen2”. − lid 6 “Een ieder verleent een hulpbehoevend dier de nodige zorg”. − lid 7 ”Het bij en krachtens het eerste tot en met het zesde lid bepaalde is tevens van toepassing ten aanzien van andere dan gehouden dieren”. Artikel 2.1 van de Wet dieren is van toepassing op alle dieren, ongeacht of zij gehouden zijn of in het wild leven3. In de Memorie van Toelichting staat hierover twee verwijzingen: • ”Ook de plicht tot het verlenen van de nodige zorg aan hulpbehoevende dieren is ten aanzien van wilde dieren van toepassing” (pagina 82). De toelichting vervolgt: “Dit vereist evenwel een menselijke interventie, die op gespannen voet kan staan met het genoemde «handen af principe». Dat vraagt dus om een afweging”. De toelichting gaat over de verhouding tot de toenmalige Flora- en faunawet (bescherming van dieren behorende tot in het wild levende diersoorten), die later is overgegaan in de Wet natuurbescherming.

• “Wat de «nodige zorg» inhoudt kan bij in het wild levende dieren en gehouden dieren echter verschillen” (pagina 100). Hier volgt een verwijzing naar een andere paragraaf in de Memorie van toelichting, waar vervolgens verwezen wordt naar de Nota Dierenwelzijn. • Wet natuurbescherming, artikel 1.11: − lid 1 “Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving”. − lid 2 “De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten:

2

In 2021 is hier door de Tweede Kamer een amendement aan toegevoegd: “Onder een redelijk doel wordt in elk geval niet begrepen het kunnen houden van dieren in een bepaald houderijsysteem of een bepaalde wijze van huisvesting” (Kamerstuk 35 398, nr. 23). De toelichting bij het amendement vraagt om inwerkingtreding op 1 januari 2023. Bron: Kamerbrief Tweede Kamer, 2020b.

3

Ook de erkenning van de intrinsieke waarde van dieren in de Wet dieren geldt voor álle dieren, gehouden of niet gehouden, wild of niet wild.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 10

− dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, a. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Dit artikel draagt iedereen (‘een ieder’) in Nederland op om voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren. Dit betekent vooral het nalaten van handelingen die een nadelig gevolg kunnen hebben op in het wild levende dieren4. De Wet natuurbescherming draagt dus vooral op om te voorkomen dat dieren in de problemen komen. Voor de zorg voor een ziek of verwond wild dier verwijst de Memorie van Toelichting van de Wet natuurbescherming naar de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, die inmiddels grotendeels is opgegaan in de Wet dieren (Kamerstuk Tweede Kamer, 2008). Om (hulpbehoevende) wilde dieren op te kunnen vangen is een ontheffing van de Wet Natuurbescherming vereist, onder andere voor artikel 3.5 waar het verbod op doden en vangen van dieren onder valt en voor artikel 3.24, waar het ‘onder zich hebben’ van dieren onder valt. De ontheffingverlening liep eerder via de Rijksoverheid, maar is nu grotendeels belegd bij de provincies door decentralisatie van het natuurbeleid naar de provincies, uitzonderingen daargelaten (RVO, 2020).

Aan de ontheffing voor de opvang van wilde dieren zijn (minimum) voorwaarden en eisen gekoppeld (zie bijlage 5 voor overzicht). Daarnaast moet een opvang voldoen aan de voorschriften die zijn opgenomen in de (bijlage van) Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten5. Hierin zijn regels en kwaliteitseisen opgenomen over doelstellingen, handelwijze, bereikbaarheid en samenwerking met andere opvangcentra. De kwaliteitsregels proberen tegemoet te komen aan de behoeften van het dier/ de diersoort. Het welzijn van het dier en de mogelijke kans op terugkeer in de natuur zijn daarbij belangrijke uitgangspunten (Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten, 2017).

2.2 Morele verantwoordelijkheid en zorgplicht De intrinsieke waarde van dieren wordt erkend in de Wet dieren, artikel 1.3. Er is een breed gedeeld gevoel in de samenleving dat de mens een morele verantwoordelijkheid heeft voor het welzijn van dieren6. Dieren zijn levende, voelende wezens. De mens heeft direct of indirect invloed op de mogelijkheden van individuele dieren en van dierpopulaties om zich aan te passen aan de heersende omstandigheden. In eerdere zienswijzen heeft de RDA zijn beschouwing gegeven over de wijze waarop mensen in de praktijk invulling geven aan hun morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van (wilde) dieren, benoemd onder de term ‘zorgplicht’, als term die alle gradaties van zorg omvat (RDA, 2012; RDA, 2017). Zorgplicht7 is volgens de RDA de wijze waarop we in de praktijk invulling kunnen en moeten geven aan morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van 4

De memorie van toelichting van de Wet natuurbescherming geeft aan dat deze ‘zorgplicht’ bedoeld is voor burgers, overheden en ondernemers (MvT, onder ander pag. 66).

5

Deze worden momenteel ge-update, en zijn (tevens) voor een vrijstelling van artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren.

6

De RDA volgt in voorliggende zienswijze, evenals in zijn eerdere zienswijzen zoals Wegen van Welzijn van Dieren in de Natuur (2017) en Zorgplicht Natuurlijk Gewogen (2012) de volgende lijn: “Onze morele verantwoordelijkheid voor het welzijn van dieren is daarbij context-overschrijdend (het hangt niet af van de situatie) en geldt voor zowel gehouden als niet-gehouden of semi gehouden dieren. Deze morele verantwoordelijkheid staat los van de vraag hoe we hieraan invulling geven via de zorgplicht”.

7

“Deze zorgplicht kan ook bestaan in de plicht om NIET in te grijpen. Dit wordt vaak ‘afblijfplicht’ genoemd”(RDA, 2012).

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 11

dieren (RDA, 2012). Dit is gerelateerd aan een context, namelijk de situatie waarin het dier zich bevindt en wordt mede bepaald door menselijke beschikkingsmacht8 en door de mate waarin dieren ingeperkt worden in hun mogelijkheden om zich te kunnen aanpassen aan bestaande omgevingscondities. De RDA gaf in 2017 op de algemene vraag “Wanneer is ingrijpen noodzakelijk?” antwoord in zijn zienswijze ‘Wegen van welzijn van Dieren in de Natuur’: “Indien het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden en ingrijpen fysiek/technisch mogelijk is en er geen mens- of dier gerichte belangen zijn die zwaarder wegen dan welzijnsaantasting en als interventie/maatregelen maatschappelijk aanvaardbaar zijn of lijden maatschappelijk onaanvaardbaar is”. Alleen wanneer het aanpassingsvermogen van dieren (of van een groep dieren) wél overschreden wordt, geeft de zorgplicht aanleiding tot het overwegen en uiteindelijk nemen van maatregelen om onaanvaardbaar lijden te voorkomen. De maatregelen zijn dan altijd gerelateerd aan het aanpassingsvermogen van het dier of gericht op het elimineren van de belemmerende omgevingsomstandigheden.

2.3 Wanneer is een dier hulpbehoevend? In het kader van zijn advies wil de Raad graag de volgende punten betrekken: • Hulpbehoevendheid dieren in kader Wet dieren • Aanpassingsvermogen wilde dieren • Inschatting hulpbehoevendheid en onderscheid categorieën • Oorzaken hulpbehoevendheid

2.3.1 Hulpbehoevendheid in kader Wet dieren In de Wet dieren wordt in het kader van hulpbehoevendheid gesproken over ‘een hulpbehoevend dier’. Dat betreft een individu, niet een populatie. De focus in deze zienswijze ligt dan ook bij het hulpbehoevende individu. Een dier dat afhankelijk is, hulp nodig heeft en (lichamelijk) niet in staat om zichzelf te redden uit een situatie waarin het is geraakt, kan ondersteuning nodig hebben om niet te sterven of onnodig (lang) te lijden.

2.3.2 Aanpassingsvermogen van wilde dieren Dieren in de natuur kunnen in problemen raken, verzwakken, lijden en sterven, al dan niet door toedoen van predatoren. Dat is onderdeel van de levenscyclus in het ecologische systeem, lijden is niet altijd problematisch. De Wet natuurbescherming en de Wet dieren beogen niet om dit type lijden van dieren in natuurlijke situaties in algemene zin aan te pakken. Alleen in uitzonderingsgevallen grijpen beheerders in, zoals brand, droogte en overstroming en alleen wanneer het aanpassingsvermogen wordt overschreden. Wilde dieren in hun natuurlijke situaties worden zoveel mogelijk met rust gelaten, zoals de Wet natuurbescherming ook beoogt (zoals het niet verstoren van nesten en leefgebieden). Deze beheerfilosofie wordt breed en wereldwijd gedragen. Vanuit ecologisch perspectief is de natuurlijke wijze waarop populaties zich handhaven erg belangrijk. De heersende opvatting is dat er voor de mens een marginale rol is weggelegd en 8

Zorgplicht kan ingeperkt worden door fysieke/technische beperkingen, mens- of diergerichte belangen die zwaarder wegen dan welzijnsaantasting en door maatschappelijke (on)aanvaardbaarheid van interventie maatregelen/lijden. Zie voor verdere uitwerking RDA,2012 en RDA, 2017.

RDA.2022.073

ZIENSWIJZE DILEMMA’S IN DE WILDOPVANG – 12

dan vooral nog de rol om dat wat door mensen wordt verstoord te mitigeren of te herstellen. Het lijden van dieren in de natuur bijvoorbeeld door verhongering wordt dan vaak als normaal en onvermijdbaar opgevat. Morele problemen ontstaan vaak wanneer door de mens de natuurlijke aanpassingsmechanismen worden geblokkeerd of teniet gedaan. Er is een verschil tussen het aanpassingsvermogen van een individu en het aanpassingsvermogen van een populatie. Het helpen van zwakkere individuele dieren kan een negatieve invloed hebben op de populatie. Daardoor komen dan mogelijk nog meer individuen in de problemen.

2.3.3 Inschatting van hulpbehoevendheid wilde dieren Het inschatten van hulpbehoevendheid van wilde dieren is niet altijd even makkelijk. Soms is het duidelijk: als een dier wordt aangereden en gewond is, als een vogel onder de olie op het strand wordt aangetroffen of als een dier verstrikt is in een net of hek; in die gevallen heeft het hulp nodig. Maar soms is het moeilijker. De natuurlijke omgeving van dieren raakt aan de leefomgeving van mensen. De invloed van mensen op die natuurlijke omgeving is verreikend. Steeds vaker komen we elkaar tegen en is onderscheid niet goed meer te maken. Mensen treffen ook gezonde dieren aan die hulp lijken nodig te hebben, zoals reekalfjes of jonge vogels die net uit het nest zijn. Ondanks dat deze dieren zichzelf vaak goed kunnen redden, voelen mensen de morele en emotionele drang om de, in hun ogen, ‘hulpeloze’ dieren te helpen. In de vaak stedelijke context waarin lijdende dieren worden aangetroffen door mensen is het inschatten van de situatie door burgers dan ook lastig en is moeilijk vaststellen of het aanpassingsvermogen van het dier is overschreden. Deze afweging kan onderwerp van menselijke bemoeizucht (en willekeur) worden. Het aanpassingsvermogen van dieren in een stedelijke context zal in die zin vaak beperkt zijn (door de aanwezigheid van mensen, verkeer, menselijke activiteiten, et cetera).

Voor afwegingen omtrent wel of niet ingrijpen (en de manier waarop) is vaak (veterinaire en biologische ) deskundigheid9 nodig. Wanneer iemand een (levend) dier aantreft dat op zijn/haar toenadering niet reageert, gebrekkige pogingen onderneemt om te vluchten, te dreigen of te vechten, zal op het eerste gezicht (moeten) aannemen dat dit dier niet meer kan functioneren zonder hulp en - wanneer aan zichzelf overgelaten zal sterven. Ook van een gewone burger wordt dan verwacht dat hij of zij hulp verleent. Die hulp is gericht op het zorgen dat een dier de juiste hulp krijgt, bijvoorbeeld door het inschakelen van 144, dierenambulance of andere hulpdiensten en niet gericht op zelf verzorgen, vangen en vervoeren van dieren. Dit geldt overigens ook voor niet-wilde/ gehouden dieren die onbeheerd zijn achtergelaten (zoals een hond in een oververhitte auto of een verwilderde gewonde kat) of aangereden (wilde of niet-wilde) dieren. Niet altijd zal deze inschatting terecht zijn; egels die hulp lijken nodig te hebben terwijl ze in winterrust zijn of jonge vogels die er hulpeloos uitzien maar net zijn uitgevlogen en nog door de ouders worden verzorgd. Wat de beste hulp is voor een hulpbehoevend dier kan het beste door een specialist/deskundige (die in een keten van hulpverlening geschakeld zijn) worden beantwoord.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/853/documents/32489