CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-09-03 RIB Herziening 2021 Omgevingsbeleid pZH - ontwerp.pdf

Commissie Samen wonen RK 30 september 2021, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 10: Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven40.851 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Bij het vervallen van Nationale Landschappen heeft het Rijk de provincies de mogelijkheid gegeven Bijzondere Provinciale Landschappen aan te wijzen. In de provincie Zuid-Holland kunnen regio’s die dat willen deze status aanvragen. De provincie hanteert de volgende criteria voor het honoreren van een aanvraag: • Het is een initiatief uit het gebied en tenminste van alle gemeenten. • Het gebied heeft een heldere geografisch afbakening. • • • • •

De aanvraag wordt ondersteund door een goede beschrijving van de bijzondere kwaliteit(en). De aanvraag bevat een heldere duiding van de context. De aanvraag kent een breed gedragen eigenaarschap en is voorzien van een heldere visie en ontwikkelperspectief. De aanvraag toont energie voor actie en investeringen en legt de sturing en borging daarvan vast. Midden Delfland heeft een aanvraag gedaan die aan de criteria voldoet en daarmee de gewenste status verkregen. Aan de status Bijzonder Provinciaal Landschap zijn overigens geen extra richtpunten of subsidies verbonden. Overige gebieden in ZuidHolland met een bijzondere status is Het Nationaal Park Hollandse Duinen. Nationaal Park Hollandse Delta is in oprichting.

Beleidsuitwerking De uitwerking van de beleidskeuze landschap wordt geregeld in de Omgevingsverordening in § 6.2.2 Ruimtelijke kwaliteit In het Omgevingsprogramma zijn geen maatregelen voor landschap opgenomen.

A7 Bos en bomen In antwoord op motie 881 van Provinciale Staten, hebben Gedeputeerde Staten op 12 oktober 2020 het ‘Groeimodel voor het bos- en bomenbeleid’ vastgesteld. Dit vormt de basis om een beleidskeuze Bos en bomen toe te voegen en enkele wijzigingen aan de Omgevingsverordening voor te stellen. Omgevingsvisie Op basis van het vastgestelde groeimodel is de beleidskeuze Bos- en bomen geformuleerd. Verdere uitwerking van de beleidskeuze in eventuele programma’s is op dit moment nog niet mogelijk en hangt

62

onder andere af van de financieringsmogelijkheden uit de Landelijke bossenstrategie en de aansluiting op andere provinciale programma’s. Er wordt gewerkt aan een werkplan (2021) om wel al aan de slag te gaan, conform de strategie zoals beschreven in het groeimodel. Verordening Bossen en bomen zijn beschermd via de Wet natuurbescherming, de provinciale omgevingsverordening, en door de gemeentelijke kapverordeningen. In de provinciale omgevingsverordening is de bescherming van bos via twee sporen geregeld. Via het onderdeel houtopstanden (de wijzigingen hebben betrekking op dit onderdeel) en via het onderdeel ruimtelijke kwaliteit. Aanpassingen in artikel 3.95 Houtopstanden en herbeplanting In het onderdeel houtopstanden staat wanneer een kapmelding gedaan moet worden en welke regels er zijn voor herplant en compensatie. Het artikel is van toepassing op bos en laanbeplantingen buiten de bebouwde kom. Binnen de bebouwde kom zijn de gemeentes bevoegd gezag. De gemeenteraad stelt hiervoor de begrenzing van de bebouwde komt vast. Aanvullend gelden ook altijd (zowel binnen als buiten de bebouwde kom) de regels met betrekking tot de in het bos levende beschermde dieren en planten (soortenbescherming) zoals vastgelegd in de Wet natuurbescherming.

De belangrijkste aanpassingen zijn: • Bij het indienen van een kapmelding moet, als de herplant op een andere locatie plaats gaat vinden, een compensatieplan ingediend worden. Hiermee willen we bereiken dat er voorafgaand

•

aan de kap, duidelijke afspraken worden gemaakt over de compensatie (dit is ook besproken tijdens de commissievergadering van 12-12-2020). Op dit moment mag men bos dat buiten NNN ligt kappen en als compensatie bomen planten binnen het NNN. Dit willen we niet meer toestaan omdat hierdoor per saldo oppervlakte groen verloren gaat. In het groeimodel stond de optie om dit ook voor de recreatiegebieden toe te passen. Na overleg met o.a. Staatsbosbeheer (SBB), de omgevingsdiensten en afdeling DBI stellen we voor om de mogelijkheden voor compensatie in recreatiegebieden wel open te houden. Echter, in het voorstel is een aanvullende voorwaarde opgenomen. Ontheffing voor herbeplanting (compensatie) binnen de recreatiegebieden wordt alleen verleend als de oppervlakte van de nieuw

•

aan te planten houtopstand twee keer zoveel is als de tenietgegane houtopstand. Als de te vellen houtopstand onderdeel uitmaakt van een A-locatie bos, Groen erfgoed of een bosreservaat mag de compensatie niet plaatsvinden op andere grond omdat anders bijzondere natuur- en landschapswaarden verloren gaan. Een definitie en toelichting is terug te vinden in de teksten van de verordening. Het behoud van dit Groen erfgoed is niet alleen vanuit cultuurhistorisch oogpunt van belang, maar ook vanwege biodiversiteit. In dit groene erfgoed komen nog veel oorspronkelijk inheemse (autochtone) bomen en struiken voor, die genetisch zeer waardevol zijn. We willen daarom zuinig zijn op deze oude boselementen. Ook dit punt is besproken tijdens de commissievergadering van 12-12-2020. Het voorstel voor wijziging is in lijn met de reactie van de portefeuillehouder cultuur, gedeputeerde De Zoete (brief met kenmerk PZH2020-752939631).

Ruimtelijke kwaliteit volgt in 2022 (onderdeel van Afdeling 6.2 Bestemmingsplannen) Via het onderdeel ruimtelijke kwaliteit en de bijbehorende beleidsregel compensatie natuur, landschap en recreatie is extra bescherming van bossen binnen het Natuurnetwerk Nederland, binnen recreatiegebieden, en binnen karakteristieke landschapselementen geregeld. Hierdoor wordt deze beschermingsstatus onder andere ook bij bestemmingsplanwijzingen meegenomen. 63

We onderzoeken op dit moment of het wenselijk is om voor de landschapselementen (houtwallen en oude kleine bosjes) die behoren tot ons Groen erfgoed de regels in dit artikel aan te scherpen en te verduidelijken. In vergelijking tot de Recreatiegebieden en het NNN zijn de regels voor de landschapselementen namelijk op dit moment veel minder duidelijk. Boscompensatie bij Natuurherstel wordt aangepast in Wet natuurbescherming Op dit moment hoeft het vellen van houtopstanden, wanneer dat wordt gedaan in het kader van Natura 2000maatregelen (bijvoorbeeld om open duinen te creëren), niet gecompenseerd te worden. Landelijk is afgesproken om dit, met terugwerkende kracht vanaf 2017, wel te gaan compenseren. Er is nu geen noodzaak om de tekst van de provinciale verordening op dit punt aan te passen. Als de Wnb is aangepast wordt de verordening van ZH waar nodig verder in lijn gebracht met de landelijke wetgeving. Op deze manier kunnen we aansluiten bij de landelijke definities en wetgeving. Conclusie: De aanpassing van het omgevingsbeleid in verband met de module ‘Bos en bomen’ leidt tot het toevoegen van de beleidskeuze ‘Bos en bomen’ in de Omgevingsvisie en het wijzigen van de artikelen in paragraaf 3.9.5 in de Omgevingsverordening. De beleidskeuze ‘Bos en bomen’ is hieronder opgenomen.

Beleidskeuze Bos en bomen De provincie wil het oppervlak bestaand bos behouden en de bestaande bossen verder ontwikkelen naar vitale bossen. Tevens wil de provincie kansen benutten en creëren voor de uitbreiding van bos en bomen Bossen en bomen leveren veel ecosysteemdiensten en kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan veel van onze provinciale opgaven zoals recreatie, gezondheid (onder andere door versterken immuunsysteem en verminderen van stress), CO2 opslag, biodiversiteit, klimaatadaptatie (tegengaan hittestress en opvang overmatige neerslag) en verduurzaming van de landbouw.

Aanleiding Bos en bomen staan in de publieke belangstelling. Er zijn diverse maatschappelijke initiatieven op bomen te planten en er zijn zorgen over het kappen van bomen. Het Rijk werkt, in overleg met de provincies, aan de uitwerking van de Nationale bossenstrategie. Het advies van het College van Rijkadviseurs is om daarbij zeker ook te investeren in bos en bomen in de westelijke Randstad.

Motivering provinciaal belang In de landelijke bossenstrategie is afgesproken dat de provincies, gezien hun wettelijke taken op het vlak van natuur, een actieve rol op zich nemen in de uitwerking. Een actieve provinciale rol zorgt er ook voor dat we landelijke initiatieven kunnen koppelen aan kansen in Zuid-Holland.

Toelichting Slechts 3% van Zuid-Holland bestaat uit bos. Het merendeel ligt binnen het Natuurnetwerk (53 %) en binnen recreatiegebied (21 %).

64

Het bos- en bomenbeleid is op dit moment nog in ontwikkeling. Er is door Gedeputeerde Staten op 12 oktober 2020 een groeimodel vastgesteld waarin een eerste richting is geformuleerd om meer te investeren in bos en bomen. Voor de verdere uitwerking in concrete maatregelen of programma’s zijn we als provincie onder meer afhankelijk van de landelijke uitwerking van de bossenstrategie en of hier financiële middelen voor beschikbaar komen. Om kansen voor uitbreiding van bos en bomen in beeld te brengen willen we zoveel mogelijk aansluiten bij andere provinciale opgaven en dit als ambitie meenemen bij lopende gebiedsprocessen en programma’s. Zoals bij bodemdaling, waterberging, verduurzaming landbouw, gebiedsprocessen stikstof, infrastructurele projecten, circulair bouwen, verstedelijkingsopgave, recreatie en diverse gebiedsprocessen, zoals het Landschapspark Zuid Vleugel. Binnen de gebiedsprocessen kan het beste de afweging worden gemaakt of het wenselijk en mogelijk is om in een regio extra bos en bomen te ontwikkelen. In het algemeen verwachten we dat bos en bomen in directe omgeving van dorpen en steden of in aansluiting op bestaande bossen het meest bijdraagt aan onze provinciale opgaven.

Beleidsuitwerking In de Omgevingsverordening zijn in paragraaf 3.9.5 artikelen opgenomen over houtopstanden en herbeplanting.

A8 Gezonde en veilige leefomgeving De nieuwe beleidskeuze ‘Gezonde en veilige leefomgeving’ vervangt de huidige beleidskeuze ‘Gezonde leefomgeving’. De huidige beleidskeuze is primair gericht op de rol van groenbeleid op de gezondheid en is nu als onderdeel opgenomen in de nieuwe beleidskeuze. De nieuwe beleidskeuze heeft betrekking op alle provinciale beleidsopgaven. Conclusie: In de Omgevingsvisie wordt de beleidskeuze ‘Gezonde leefomgeving’ vervangen door de nieuwe beleidskeuze ‘Gezonde en veilige leefomgeving’. De volledige tekst van de nieuwe beleidskeuze is hieronder opgenomen.

Beleidskeuze Gezonde en veilige leefomgeving De provincie wil zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving. Een omgeving die inwoners als prettig ervaren, uitnodigt tot gezond gedrag en beschermt tegen negatieve invloeden, zoals luchtvervuiling, bodemverontreiniging, veiligheidsrisico’s, geluid, wateroverlast en hittestress. Naast het beschermen willen wij een duidelijke verbetering van de huidige leefomgeving bevorderen door de leefomgeving ook op gezond gedrag in te richten. In al ons beleid geven we aandacht aan gezondheid en veiligheid. Wij verbinden daarbij het fysieke en sociale domein. •

De provincie wil daarbij stress-gerelateerde ziektes voorkomen en verminderen door het aanbieden van verschillende soorten groen (bos, park en recreatieterreinen) voor

65

sportieve en recreatieve inspanning en ontspanning. Samen met partners zetten we hiermee in op verhoging van de levensverwachting in verschillende wijken •

De provincie wil de ecosysteemdiensten, zoals verkoeling, versterken immuunsysteem en natuurlijke plaagregulatie, die de natuur ons biedt ten volle benutten ten behoeve van onze gezondheid

•

Bij het beschermen tegen negatieve milieuaspecten zullen wij de VTH-instrumenten krachtig inzetten om bestaande grenswaarden te bewaken, maar daarnaast streven wij naar een milieukwaliteit waarbij er een zo gering mogelijk negatief effect is op de

•

gezondheid en veiligheid Bij onze economische, ruimtelijke en mobiliteitsplannen zullen wij de aspecten gezond en veilig expliciet betrekken. Hiervoor zullen wij samen met gemeenten richtlijnen

•

ontwikkelen (o.a. voor planprocessen) en een stimulerende en faciliterende rol oppakken naar gemeenten en maatschappelijke partijen Samen met de kennisinstellingen in Zuid-Holland en de reguliere gezondheidszorg willen

•

wij via innovatie de positieve effecten van de leefomgeving op de gezondheid versterken en beter in beeld brengen Bij de aandacht voor gezondheid hebben wij extra aandacht voor kwetsbare groepen en wijken met een gezondheidsachterstand

Aanleiding Zuid-Holland heeft, mede als gevolg van de stedelijke agglomeratie, de hoge mobiliteitsdruk en het Haven Industrieel Complex een grote uitdaging op het terrein van gezondheid. Uit onderzoek komt naar voren dat de provincie Zuid-Holland een lage score heeft op het gebied van gezondheid. Binnen de provincie zijn daarbij grote verschillen te zien. De benadering van gezondheid heeft zich de laatste jaren verbreed naar het concept ‘positieve gezondheid’. Een gezonde leefomgeving is daarbij een leefomgeving die bewoners als prettig ervaren, uitnodigt tot gezond gedrag en waar de positieve invloed op gezondheid zo groot mogelijk is. Voor het provinciale beleid dat gericht is op gezondheid wordt gekozen voor deze brede definitie van gezondheid. Met de Omgevingswet, waarvan de invoering voor 2022 gepland staat, beoogt de wetgever bescherming en garanties te bieden voor een gezond, veilig en prettig leef- en werkklimaat voor burgers en bedrijven. Gezondheid wordt nadrukkelijk als maatschappelijk doel van het omgevingsbeleid gepositioneerd. De Omgevingswet roept de overheid op om zorg te dragen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. De nieuwe beleidskeuze geeft hier invulling aan.

Motivering provinciaal belang Gezien de centrale rol van de provincie bij de inrichting van de leefomgeving - zowel op basis van wettelijke taken als via stimulerende activiteiten – ligt er een duidelijke rol voor de provincie om een gezonde en veilig leefomgeving te beschermen en te bevorderen. De Omgevingswet geeft hiervoor ook een wettelijk kader. Veel onderwerpen waar de provincie zich mee bezighoudt, bieden kansen om de leefomgeving gezonder en veiliger te maken: van een goede milieukwaliteit, een natuurlijke (groene) leefomgeving, een bewegingsvriendelijke omgeving, goed toegankelijke mobiliteit, goede woningen tot klimaatadaptatie. Tot nu toe is het thema gezondheid in provinciaal beleid vaak impliciet gebleven. Op basis van de nieuwe ambitie Gezond en Veilig is voor het eerst een gezonde leefomgeving als nieuw verbindend thema benoemd. Het gaat er om meer bewust te 66

worden van de mogelijkheden in het beleid en het gebruik van het instrumentarium om de gezondheid van onze inwoners verder te bevorderen. Daarbij gaat het enerzijds om het beschermen van inwoners tegen negatieve omgevingsfactoren – waaronder het klassieke milieubeleid: het zorgen dat milieunormen worden gehaald – en anderzijds het bevorderen van een gezonde leefomgeving die gezond gedrag stimuleert.

Toelichting In de ‘Verkenning gezonde leefomgeving Zuid-Holland’ zijn drie strategieën genoemd voor het maken van de verbinding tussen gezond en veilig en de overige opgaven: gezondheid centraal, één gezondheidsthema voorop (bijvoorbeeld bewegen of luchtkwaliteit) of koppelen aan andere thema’s. Er is voor gekozen om het accent te leggen op het koppelen aan andere thema’s.. Deze keuze sluit aan op onze integrale werkwijze. Onder andere in het dashboard van de verkenning is een beeld geschetst van wat de provincie nu al bijdraagt aan een gezonde en veilige leefomgeving en zijn kansen benoemd hoe de provincie kan versnellen richting een gezond en veilig Zuid-Holland. De indeling uit de verkenning is in een startnotitie verder uitgebreid naar de opgaven uit het coalitieakkoord. De beleidskeuze Gezonde en veilige leefomgeving heeft betrekking op alle beleidsopgaven. Een eerdere beleidsbeslissing over een gezonde leefomgeving was primair gericht op de effecten van groenbeleid op de gezondheid. Dit onderdeel is in de nieuwe beleidsbeslissing opgenomen.

Beleidsuitwerking In de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma zijn geen regels of maatregelen opgenomen die bij deze beleidskeuze horen. De beleidsuitwerking vindt in de eerste helft van 2021 plaats en wordt waar nodig later in verordening en programma opgenomen.

A9 Permanente bewoning recreatiewoningen Aanleiding: wijziging Besluit omgevingsrecht (Bor) Het Rijk heeft het voornemen het Bor te wijzigen, zodat er meer ruimte komt om permanente bewoning van recreatiewoningen te legaliseren. Het gaat om een aanpassing van de zogenaamde ‘kruimelregeling’, die het mogelijk maakt om via een korte reguliere procedure af te wijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 4 lid 10 Bijlage II van Het Bor. Met de voorgenomen wijziging van het Bor wordt de mogelijkheid van gemeenten om permanente bewoning van recreatiewoningen te vergunnen uitgebreid. Momenteel bestaat de mogelijkheid om permanente bewoning van recreatiewoningen toe te staan middels een bestemmingsplanwijziging. Dat neemt veel tijd in beslag. Hoewel nu al wel een mogelijkheid bestaat om snel permanente bewoning van recreatiewoningen middels een persoonsgebonden omgevingsvergunning toe te staan, zorgt de bijbehorende voorwaarde uit artikel 4, onderdeel 10, van bijlage II bij het Bor dat de groep potentiële aanvragers zeer beperkt is. De peildatum, die inhoudt dat een aanvrager de recreatiewoning voor 31 oktober 2003 bewoont, vervalt daarom en wordt vervangen door de eis dat de betreffende recreatiewoning vóór 1 januari 2019 moet zijn gebouwd. Tevens wordt deze omgevingsvergunning omgezet naar een objectgebonden vergunning die rechtens overdraagbaar is.

67

Het Interprovinciaal Overleg (IPO) heeft bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen wijziging van het Bor. Kern van de bezwaren is dat oplossingen integraal, op het schaalniveau van het vakantiepark gezocht moeten worden. Dat geldt ook voor het vraagstuk van permanente bewoning op vakantieparken. De wijziging van het Besluit Omgevingsrecht zoals die nu voorligt leidt tot een gefragmenteerde in plaats van integrale benadering. Er kan immers per woning permanente bewoning worden toegestaan, waardoor gemengde situaties binnen een verblijfsrecreatiepark kunnen ontstaan. Deze bezwaren zijn door het ministerie grotendeels terzijde gelegd bij brief van 16 maart 2021. Het ministerie wijst wel nadrukkelijk op de mogelijkheid van provincies om in hun provinciale verordening te bepalen, dat gelet op een goede ruimtelijke ordening permanente bewoning van recreatiewoningen in bepaalde gebieden binnen de provincie niet gewenst is. Op korte termijn zou de wijziging van het Bor nu kunnen worden vastgesteld. Als dit gebeurt staat de provincie Zuid-Holland grotendeels met lege handen, omdat er geen regels over permanente bewoning van recreatiewoningen zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Huidige omgevingsbeleid over permanente bewoning van recreatiewoningen Het beleid voor recreatiewoningen is op dit moment alleen opgenomen in de Omgevingsvisie.

Er zijn geen regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Reden hiervoor is dat het lastig is om de diverse situaties rondom recreatiewoningen te vangen in een algemene regeling. De diversiteit aan recreatiewoningen en verblijfsrecreatieparken is groot. Het huidige beleid sluit maatwerk niet uit en biedt de mogelijkheid om gemotiveerd af te wijken van het beleid. Ongewenste situaties kunnen worden voorkomen door het inzetten van het ruimtelijke instrumentarium (zienswijze, reactieve aanwijzing) via de band van het ruimtelijke kwaliteitsbeleid en de ladder voor duurzame verstedelijking. In de Omgevingsvisie is aangegeven dat de provincie permanente bewoning van recreatiewoningen beschouwt als een onwenselijke ontwikkeling. Nieuwe recreatiewoningen zijn alleen toegestaan in bestaande of in nieuwe verblijfsrecreatieparken, teneinde permanente bewoning tegen te gaan. Hoe verhoudt de ‘kruimelregeling’ zich tot onze Omgevingsverordening? Provinciale Staten hebben de mogelijkheid om in de Omgevingsverordening te bepalen dat de gemeente bij toepassing van de ‘kruimelregeling’ toch sommige bepalingen in de Omgevingsverordening in acht moet nemen. Provinciale Staten hebben (terughoudend) al van die mogelijkheid gebruik gemaakt. In artikel 6.40 onder a en de bijbehorende bijlage VIII is aangegeven op welke situaties de verordening van toepassing is.

Het gaat dan bijvoorbeeld om functiewijziging van een gebouw naar kantoren of detailhandel. Dit kan dus alleen als dit niet in strijd is met de verordening, In bijlage VIII is de situatie van permanente bewoning van recreatiewoningen niet opgenomen. De Omgevingsverordening ziet dus noch op de huidige (beperkte) regeling, noch op de beoogde verruimde regeling. Opties voor opnemen regeling in Omgevingsverordening Als de provincie via de verordening wil kunnen sturen op de mogelijkheid voor gemeenten om met toepassing van de ‘kruimelregeling’ een objectgebonden vergunning ter verlenen voor legalisering van permanente bewoning, dan moeten we de verordening op twee punten aanpassen: 1. in bijlage VIII opnemen dat de verordening in acht moet worden genomen bij toepassing van de ‘kruimgelregeling’ in dit soort situaties; 2.

een regeling opnemen die permanente bewoning uitsluit, eventueel beperkt tot bepaalde gebieden of situaties. 68

Relatie met Omgevingswet Onder de Omgevingswet komt de ‘kruimelregeling’ weer te vervallen. Met het vervallen van de ‘kruimelregeling’ kan de bepaling die daarmee een koppeling ligt dus weer geschrapt worden. Het blijft onder de Omgevingswet wel mogelijk om met een buitenplanse omgevingsvergunning af te wijken van het Omgevingsplan. Wettelijk is geregeld dat die buitenplanse omgevingsvergunningen net als omgevingsplannen in overeenstemming moeten zijn met onze Omgevingsverordening. Een inhoudelijke regeling die permanente bewoningen in bepaalde gevallen uitsluit blijft dus ook onder de Omgevingswet nodig. Opzet nieuwe regeling Hoewel het beleid (in de Omgevingsvisie) ziet op het uitsluiten van permanenten bewoning voor alle recreatiewoningen, zal de regeling (in de Omgevingsverordening) beperkt worden tot verblijfsrecreatieparken met een omvang van 12 woningen of meer. Parken van deze omvang zijn van belang voor de verblijfsrecreatie en kunnen bij omzetting naar woongebied een grotere impact hebben op de woningmarkt. Voor kleinere clusters en individuele woningen zou een generieke regeling onvoldoende recht doen aan de diverse situaties. Het beleid blijft hierop wel van toepassing. Gedeputeerde Staten zullen hiervoor aandacht blijven vragen bij gemeenten en desgewenst (en voor zover mogelijk) gebruik maken van het reactieve instrumentarium (zienswijze, reactieve aanwijzing).

Conclusie: Deze module leidt tot aanpassing van zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening. In de Omgevingsvisie (paragraaf 6.2.1, beleidskeuze “Buitenstedelijke recreatieve ontwikkelingen”) komt de tekst over recreatiewoningen als volgt te luiden: Recreatiewoningen Nieuwe recreatiewoningen worden alleen toegelaten in een bestaand of nieuw verblijfsrecreatiepark. Het risico op permanente bewoning wordt hierdoor geminimaliseerd. Een verblijfsrecreatiepark definiëren wij als een terrein van enige omvang met een recreatief karakter, met gemeenschappelijke voorzieningen en overeenkomstig inrichting en juridische bestemming bedoeld om recreatiewoningen voor tijdelijk verblijf, bedrijfsmatig te exploiteren. Een recreatiewoning die qua aard niet gebruikt kan worden voor permanente bewoning, zoals een trekkershut, kan bij uitzondering wel worden toegelaten buiten een verblijfsrecreatiepark. Voor verblijfsrecreatieparken met een omvang van 12 woningen of meer, zijn regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Deze regels zijn gericht op het uitsluiten van permanente bewoning. Uitgezonderd van deze regeling zijn verblijfsrecreatieparken die in een bijlage van de verordening kunnen worden opgenomen.

A10 Verstedelijking en mobiliteit Aanleiding De provincie heeft in haar huidige Omgevingsbeleid geen goede basis om haar ruimtelijk instrumentarium in te zetten tegen voorgenomen bestemmingsplannen die ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken die leiden tot verslechtering van de bereikbaarheid. Sturing aan de voorkant, via vooroverleg, op mobiliteitsbeleidsdoelen is hierdoor moeilijker. Andere ruimtelijke ordeningsinstrumenten, zoals zienswijzen 69

en reactieve aanwijzingen, kunnen op het gebied van mobiliteit beperkt worden ingezet. Om de regio bereikbaar te houden (provinciaal belang), kiest de provincie ervoor om haar mobiliteitsbeleid juridisch te vertalen in de Omgevingsverordening. Hierdoor kan de provincie op het gebied van mobiliteit beter sturen en toetsen en zich beter positioneren als een meewerkende overheid bij ruimtelijke ontwikkelingen. De juridische vertaling kan plaatsvinden door het opnemen van een ex ante beoordeling in de Omgevingsverordening. Daarbij vragen we gemeenten om rekening te houden met de gevolgen van een ruimtelijke ontwikkeling voor de bereikbaarheid en dit aspect mee te wegen bij de locatiekeuze. Wij vragen de gemeenten een verwachting te maken van de verkeerseffecten van een ruimtelijke ontwikkeling op het omliggende verkeers- en vervoernetwerk. De motivering van het bestemmingsplan bevat hierover een afweging. Een bestemmingsplan met een dergelijke motivering wordt door de provincie beoordeeld. Indien uit de motivering blijkt dat er mogelijk sprake is van verslechtering van de bereikbaarheid of toename van knelpunten op het omliggende verkeers- en vervoernetwerk, kunnen aanvullende maatregelen nodig zijn. Conclusie: Deze module leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening.

Wijziging Omgevingsvisie: In de tekst bij Ambitie 2 (bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor) en in de tekst bij Ambitie 6 (sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit) wordt de volgende zin toegevoegd: Bij de locatiekeuze en planvorming van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling wordt rekening gehouden met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. In de beleidskeuze Verstedelijking komt het uitgangspunt “bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelatie” als volgt te luiden: Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelaties; houdt rekening te houden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Aan de tekst bij het uitgangspunt wordt de volgende zin toegevoegd: Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen voor de bereikbaarheid, zodat knelpunten in de bereikbaarheid niet toenemen en bij voorkeur afnemen.

B Wijziging Omgevingsverordening De hieronder opgenomen wijzigingen zijn tevens in een formeel (concept)besluit tot wijziging van de Omgevingsverordening opgenomen. Zie hiervoor bijlage 1.

B1 Bedrijventerreinen Zie de toelichting onder A1.

70

Conclusie: De vertaling van de bedrijventerreinenstrategie naar de instrumenten van het Omgevingsbeleid, leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma. In de omgevingsverordening word het begrip “bedrijventerrein” aangepast, en de begrippen “milieuzone”. “watergebonden bedrijventerrein”, “planologische compensatie” en “compensatie van feitelijk gebruik” toegevoegd. Tevens wordt artikel 6.12 “bedrijven” aangepast, alsmede de toelichting op dat artikel. De wijzigingen in de verordening zijn hieronder aangegeven. Het begrip bedrijventerrein komt te luiden: Gronden die in een vigerend bestemmingsplan de bestemming bedrijf of bedrijventerrein hebben en in de planregels bestemd zijn voor: handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie, met uitzondering van de gronden die exclusief zijn bestemd voor: kantoren, detailhandel, maatschappelijke doeleinden of jachthavens, horeca, logies en overige leisure, met een bruto omvang van meer dan 1 hectare, uitgezonderd solitaire bedrijven, niet zijnde een betoncentrale, asfaltcentrale of puinbreker, buiten bestaand stads- en dorpsgebied; Ingevoegd wordt het begrip watergebonden bedrijventerrein: Een bedrijventerrein of deel daarvan dat aan vaarwater ligt met een vaarklasse van II of hoger met een: haven, kade, drijvende laad- en losinstallatie of scheepshelling of

-dok, beperkt tot de aan de laad- en losvoorziening liggende kavel; Ingevoegd wordt het begrip milieuzones geur en geluid: zones met gebruiksruimte voor geluid en geur zoals omschreven in de Handreiking milieuzonering nieuwe stijl van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten; Ingevoegd wordt het begrip planologische compensatie: compensatie van dat wat mogelijk is in het vigerende bestemmingsplan, het gaat daarbij om de oppervlakte in hectares en de milieucategorie; Ingevoegd wordt het begrip compensatie van feitelijk gebruik: compensatie van de manier waarop het kavel op dat moment wordt gebruikt, waarbij met name wordt gekeken naar milieucategorie, watergebondenheid en m² bruto vloeroppervlak, hetgeen dus kan afwijken van de planologische mogelijkheden in het vigerende bestemmingsplan; Artikel 6.12 bedrijven komt te luiden:

71

1.

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 20 in bijlage II, maakt vestiging mogelijk van bedrijven uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel voorziet in de hoogst mogelijke milieuzones geluid en geur, passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen op een grote

2.

buitenstedelijke bouwlocatie als bedoeld in artikel 6.10 of op die mogelijk zijn op grond van een vigerend bestemmingsplan. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein, waarvan de

3.

plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 20 in bijlage II, laat in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan in beperkte mate voorzien in nieuwe

4.

woningen, bedrijfswoningen en andere functies op delen van een bedrijventerrein, voor zover dit niet in strijd is met het eerste lid. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein als bedoeld in het eerste lid of het tweede lid en dat gehele of gedeeltelijke transformatie naar een andere bestemming dan bedrijven mogelijk maakt, verantwoordt in de toelichting op welke wijze binnen de regio planologische compensatie van bedrijventerrein zal plaatsvinden. Planologische compensatie is nodig bij: a. een bedrijventerrein met milieucategorie 3, dan wel milieuzones met zone 3 voor geluid en zone 2 voor geur; b. c.

5.

een bedrijventerrein met milieucategorie 4 of hoger; dan wel de hoogste milieuzones voor geluid en geur; een geluidgezoneerd bedrijventerrein;

d. een watergebonden bedrijventerrein. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing bij verlaging van de milieucategorie of milieuzone.

6.

Compensatie als bedoeld in het vierde lid, kan achterwege blijven als is aangetoond dat na transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven afgezet tegen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte.

7.

Compensatie van feitelijk gebruik en m² voor m² is mogelijk mits wordt voldaan aan een evenwichtige balans in vraag en aanbod; vastgelegd in de door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale bedrijventerreinenvisie.

De toelichting op artikel 6.12 komt als volgt te luiden: Artikel 6.12 Bedrijven Hoogst mogelijke milieucategorie/ milieuzone Onderstaande toelichting is gebaseerd op de toepassing in bestemmingsplannen van de VNGuitgave Bedrijven en milieuzonering (2009) met milieucategorieën en een Staat van bedrijfsactiviteiten, dan wel de toepassing van de VNG-uitgave milieuzonering nieuwe stijl (mei 2019), met zones met oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur, zónder Staat van bedrijfsactiviteiten. Beide komen voor.

Bedrijven in de hogere milieucategorieën/ milieuzones vormen een belangrijke schakel in de economische structuur van de provincie Zuid-Holland. Doorgaans wordt vanaf milieucategorie 4 een hogere milieucategorie genoemd. In de compensatieregeling in artikel 6.12 dient een gemeente echter vanaf milieucategorie 3.1 te compenseren. Omvangrijke terreinen voor bedrijven

72

met een hoge milieuhindercategorie zijn voornamelijk te vinden in de Rotterdamse regio en de Drechtsteden. Bedrijven die vanwege de benodigde gebruiksruimte voor geluid of geur zich alleen kunnen vestigen binnen de hoogste milieuzones (voor geluid zone 4 of geur zone 3), dan wel een geluidgezoneerd industrieterrein, worden eveneens tot de HMC-bedrijven als bedoeld in deze verordening gerekend. Deze bedrijven, kennen veelal een hoge toegevoegde waarde en vormen vaak het middelpunt van andere bedrijvigheid met vele toeleveranciers, inclusief de zakelijke dienstverlening. De ruimte voor bedrijven in de hogere milieucategorieën/ milieuzones staat onder druk door de milieuzoneringen rond woningbouw en de richtafstanden van de milieuzones tot woningbouw. Gezien het belang van deze bedrijven is de (milieu)ruimte voor dit type bedrijven van provinciaal belang. Uitgangspunt voor bestemmingsplannen is het mogelijk maken van de hoogst mogelijke milieucategorie dan wel milieuzone voor geluid en geur op het bedrijventerrein. Hiervan kan alleen worden afgeweken indien daartoe aanleiding bestaat in verband met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een vigerend bestemmingsplan of het Programma ruimte.

Door slimme zonering en variatie op een bedrijventerreinen dient gezocht te worden naar zowel maximale ruimte voor bedrijvigheid als voor andere (aan het bedrijventerrein grenzende) functies, zoals wonen, zodat de beschikbare ruimte optimaal benut wordt. Watergebonden bedrijventerreinen Watergebonden bedrijven zijn van groot belang voor de economie en leveren een bijdrage aan duurzame mobiliteit. De ruimte voor watergebonden bedrijventerreinen staat echter onder druk, vooral door transformatie naar aantrekkelijk gelegen woningbouwlocaties. Planologische bescherming van de watergebonden bedrijventerreinen is daarom nodig. Bij voorkeur worden in deze bestemmingsplannen alleen watergebonden bedrijven toegelaten. De term “in hoofdzaak” biedt beperkte ruimte voor het toelaten van andere bedrijven. Bijvoorbeeld uitbreiding van bestaande niet-watergebonden bedrijven. Functiemenging, transformatie en compensatie Het provinciaal beleid is gericht op het bieden van ruimte om te kunnen voldoen aan de kwantitatieve en kwalitatieve vraag naar bedrijventerrein. De provincie wil echter ook ruimte bieden aan organische ontwikkeling en functiemenging, vanuit een oogpunt van betere benutting en kwaliteitsverbetering van het bestaand stads- en dorpsgebied. Monofunctionele bedrijventerreinen passen daar niet altijd bij.

Met name bedrijventerreinen met milieucategorie 1 en 2 dan wel de laagste milieuzone (voor geluid en geur beide zone 1) lenen zich voor functiemenging. In mindere mate is functiemenging ook mogelijk op bedrijventerreinen met milieucategorie 3 dan wel een milieuzone voor geluid en geur zone 2. Bedrijventerreinen met milieucategorie 4 en hoger, dan wel de hoogste milieuzones voor geluid en geur, verdragen zich in het algemeen niet met functiemenging, zeker niet met gevoelige functies zoals wonen. Door diverse maatregelen om de milieubelasting te verminderen; is menging van functies vaker mogelijk. Transformatie van bedrijventerrein naar een andere bestemming dan bedrijven kan om allerlei redenen nodig of wenselijk zijn. Het gaat vaak om verouderde bedrijventerreinen die in de loop der jaren midden in het stedelijk gebied zijn komen te liggen. De verordening maakt transformatie mogelijk. In een aantal gevallen is daarbij compensatie nodig: • bedrijventerrein met milieucategorie 3, dan wel milieuzones met zone 3 voor geluid en zone 2 voor geur, en een oppervlakte van meer dan 1 hectare;

•

bedrijventerrein met milieucategorie 4 of hoger; dan wel de hoogste milieuzones voor geluid en geur

73

• watergebonden bedrijventerrein. Compensatie is ook noodzakelijk bij transformatie van gemengde zones; mits deze zones bestemd en geschikt zijn voor bovengenoemde bedrijfstypen. Het doel van compensatie is om voldoende ruimte voor hogere milieucategorieën/ milieuzones en watergebonden bedrijvigheid te behouden zodat vraag en aanbod kwantitatief en kwalitatief in balans blijven. Compensatie kan daarom achterwege worden gelaten als er voldoende bedrijventerreinen in de regio beschikbaar blijven, gelet op de kwantitatieve en kwalitatieve vraag. Als een gemeente dit voldoende kan onderbouwen met actuele bestuurlijke afstemming in de regio en op basis van de behoefteramingen van de provincie Zuid-Holland, dan kan GS besluiten om van compensatie af te zien. Hierbij moet worden uitgegaan van de cijfers uit de behoefteramingen van de provincie Zuid-Holland. Compensatie gebeurt bij voorkeur door middel van het beter benutten van de bestaande voorraad. De compensatieverplichtingen kunnen op vier manieren worden vastgelegd. 1. Het gelijktijdig vaststellen van een bestemmingsplan of omgevingsplan waarin de compensatieruimte wordt gefaciliteerd met het bestemmingsplan of omgevingsplan waarin het 2.

bedrijventerrein wordt weg bestemd. De inspanningen omtrent transformatie en compensatie worden voor de gehele regio gemaakt in een regionale bedrijventerreinenstrategie of equivalent hiervan, die ter aanvaarding aan de

3.

Gedeputeerde Staten wordt voorgelegd. De inspanningen omtrent transformatie en compensatie worden vastgelegd in een bestuursovereenkomst tussen betrokken provincie en betrokken gemeente(n)/initiatiefnemers.

4.

De inspanningen omtrent transformatie en compensatie worden vastgelegd in een woon-werkakkoord.

Zonder aanvaarde regionale bedrijventerreinenvisie is het uitgangspunt planologisch compensatie. Dit betekent dat hectares (het ‘platte vlak’) en planologische ruimte moet worden gecompenseerd. Dit betekent dat wanneer een bedrijf met milieu-categorie 3.2 is gevestigd op een kavel waar milieu-categorie 5 mogelijk is volgens het bestemmingsplan, het bij transformatie noodzakelijk is dat milieu-categorie 5 wordt gecompenseerd. Met een door GS aanvaarde regionale bedrijventerreinenvisie waarin door middel van heldere vraag-aanbod-cijfers/ planlijst/ programmeringsoverzicht (keuzelijst welke bedrijventerreinen getransformeerd worden en welke niet) wordt aangetoond dat vraag en aanbod kwantitatief en kwalitatief regionaal in balans zijn, is compensatie van gebruikte ruimte en m² voor m² mogelijk (feitelijke compensatie). Daarbij wordt maximaal ingezet op slim ruimtegebruik en beter benutten (zoals het ophogen van milieucategorieën, uitplaatsen van functies die niet op een bedrijventerrein thuishoren of het weer geschikt maken van terreinen aan het water voor watergebonden bedrijven). Bij eerder genoemd voorbeeld (een bedrijf met milieu-categorie 3.2 gevestigd op een kavel waar milieu-categorie 5 mogelijk is) moet dus milieu-categorie 3.2 gecompenseerd worden.

En een bedrijvenbestemming waar feitelijk een kantoor of park is gesitueerd, hoeft niet met een bedrijvenbestemming gecompenseerd te worden. Bij feitelijke compensatie van leegstaande kavels, lege panden of panden waarin of kavels waarop de bedrijvenfunctie niet wordt geaccommodeerd, moet aangetoond worden dat hier (tijdens het moment van het formaliseren van de afspraken hierover) minimaal zeven jaar sprake van is. Dit om te voorkomen dat eigenaren of overheden panden of kavels bewust leeg laten staan om af te kunnen zien van de compensatieverplichting.

74

B2 Grote ruimtevragers Zie de toelichting onder A2. Conclusie: De aanvulling van het omgevingsbeleid met beleid voor grote ruimtevragers leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma. In de verordening wordt artikel 6.12a ingevoegd met als opschrift ‘grote ruimtevragers’. Ook wordt de begripsbepaling ‘grote ruimtevragers’ ingevoegd. In bijlage II van de verordening wordt de geometrische begrenzing van grootschalige clusters vastgelegd. De volledige tekst van de nieuwe regels is hieronder opgenomen Begripsbepaling grote ruimtevragers Bedrijfsfuncties die zijn gehuisvest in een samenhangend gebouwencomplex op een bedrijfskavel van 5 hectare of meer. Artikel 6.12a grote ruimtevragers 1.

Een omgevingsplan laat nieuwe grote ruimtevragers alleen toe op clusters voor grote ruimtevragers, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd en verbeeld op kaart 21 in bijlage II.

2.

Een omgevingsplan dat grote ruimtevragers toelaat houdt rekening met ruimtelijke kwaliteit, bereikbaarheidseffecten, duurzaamheid en de toegevoegde economische en maatschappelijke waarde van de ontwikkeling,

Toelichting in de verordening: De provincie wil gericht sturen op de vraag of, waar en hoe nieuwe grootschalige bedrijven in ZuidHolland ruimtelijk gefaciliteerd kunnen worden. Het gaat daarbij vooral om de ruimtevraag van grote specifieke functies in de logistiek (xxl-logistiek) en de digitale economie (bijvoorbeeld hyperscale en co-locatie-datacenters), maar ook om andere bedrijfsfuncties die gehuisvest worden in een groot gebouwencomplex. De ruimtevraag van deze grootschalige ontwikkelingen moet worden afgewogen tegen het belang van ruimtelijke kwaliteit en het belang van het toevoegen van maatschappelijk-economische waarde. De provincie wil de zogenoemde ‘verdozing’ van het landschap tegengaan, zeker waar het gaat om functies die relatief te weinig maatschappelijkeconomische waarde toevoegen. De provincie hanteert als uitgangspunt dat nieuwe grote ruimtevragers alleen ruimtelijk gefaciliteerd kunnen worden wanneer onderbouwd is dat de functies en activiteiten maatschappelijke en economische waarde toevoegen en tegelijkertijd rekening houden met de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. Je kan daarbij denken aan duurzaamheid, gezondheid, brede welvaart, innovatiekracht, vergroening, digitalisering van de economie, versterken van de toegevoegde waarde van een cluster, (multi)modale bereikbaarheid, versterken van een economisch ecosysteem en bijdrage aan werkgelegenheid.

Nieuwe locaties worden daarnaast afgewogen ten opzichte van de bereikbaarheid en de capaciteit van het energienetwerk.

75

De provincie kiest daarom voor een selectief beleid en, waar mogelijk, het samenbrengen (clusteren) en ruimtelijk combineren van grootschalige functies aan de hand van ruimtelijke kwaliteit, mobiliteit, energietransitie en klimaatadaptatie. Op de kaart is aangegeven op welke locaties vestiging van grote ruimtevragers mogelijk is. Daarbuiten is vestiging uitgesloten. Het gaat daarbij om bedrijven die zijn gehuisvest in een samenhangend gebouwencomplex op een bedrijfskavel van 5 hectare of meer. De op de kaart aangewezen clusters voor grote ruimtevragers zijn enkele nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen en daarnaast het gehele havenindustrieel complex. Vestiging van een grote ruimtevrager op een in deze verordening aangewezen cluster voor grote ruimtevragers, is niet vanzelfsprekend. Ook bij vestiging op een cluster is een integrale belangenafweging nodig, met aandacht voor ruimtelijke kwaliteit. Deze regeling heeft het karakter van een ‘pas op de plaats’. Het is één van de sporen die de provincie hanteert. De andere sporen zijn onderzoeken en verkennen en de regionale visies voor bedrijventerreinen. Na afronding van de onderzoeken en verkenningen, alsmede de regionale visies voor bedrijventerreinen, zal de provincie de tijdelijke regeling (‘pas op de plaats’) aanpassen en definitief maken. De regeling (‘pas op de plaats’) richt zich op nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen.

Het gaat dan in ieder geval om de locaties die op de zogenoemde 3 hectare kaart (grote buitenstedelijke bouwlocaties) zijn aangeduid als ‘bedrijventerrein zachte plancapaciteit’. De ontwikkeling van die bedrijventerreinen is nog niet opgenomen in een bestemmingsplan. Het gaat ook om locaties voor bedrijventerreinen die al wel in een bestemmingsplan zijn opgenomen, maar waar via een herziening van het bestemmingsplan alsnog de vestiging van grote ruimtevragers mogelijk wordt gemaakt.

B3 Optimalisatie woningbouwplannen Zie de toelichting onder A4 Conclusie In de Omgevingsvisie wordt de nieuwe beleidskeuze ‘Optimalisatie woningbouwplannen’ opgenomen. In de Omgevingsverordeningen worden nieuwe regels opgenomen over de dichtheid en verscheidenheid van woningbouw, parkeernormen voor sociale huurwoningen en parkeernormen voor stationsomgevingen. De nieuwe regels in de Omgevingsverordening zijn hieronder opgenomen: Parkeernorm sociale huur Artikel 6.10b 1.

Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een

2.

parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. In afwijking van het vorige lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. 76

Toelichting in de verordening: Parkeernormen voor sociale huur zijn in veel gevallen structureel te hoog vergeleken bij het werkelijk autobezit van de huurders. Het gemiddelde autobezit ligt rond de 0,5 per woning. De gehanteerde parkeernorm ligt vooral in kleinere gemeenten meestal rond de 1. Een hoge parkeernorm voor sociale huur belemmert de haalbaarheid en betaalbaarheid van sociale huurprojecten en leidt vaak tot structurele leegstand in parkeergarages onder sociale huurcomplexen. Voor sociale huurwoningen hanteert de provincie een parkeernorm van 0.7 per woning. Dit is iets ruimer ten opzichte van het werkelijk gemiddelde autobezit, waardoor er ruimte blijft voor lokaal maatwerk. Deze regel geldt niet voor gemeenten die zelf al specifiek parkeerbeleid hebben vastgesteld, gebaseerd op eigen data over de lokale situatie en eigen overwegingen. Parkeernorm stationsomgevingen Artikel 6.10c 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe woningen in een stationsomgeving, waarvan

2.

de geometrische begrenzing is vastgelegd op kaart 22 in bijlage II, hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per woning. In afwijking van het vorige lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld.

Toelichting in de verordening: Overheden geven jaarlijks miljarden uit aan de exploitatie van het openbaar vervoer, de versterking van het netwerk en het beheer van de infrastructuur. Juist in omgevingen waar het gebruik van het openbaar vervoer de meeste potentie heeft, bij de opstappunten, is het wenselijk de ruimtelijke ontwikkeling daarop te oriënteren. In de praktijk kan de investering in het openbaar vervoer nog beter ondersteund worden door de ruimtelijke ontwikkeling. Hoge parkeernormen zorgen voor lagere dichtheden, verminderen de haalbaarheid en betaalbaarheid van ontwikkelingen en stimuleren het autogebruik. Voor woningbouw in stationsomgevingen, hanteert de provincie een maximale parkeernorm van 0,7 per woning (inclusief bezoekers). Deze norm sluit aan bij het werkelijk autobezit in deze gebieden. Deze regel geldt niet voor gemeenten die zelf al specifiek parkeerbeleid hebben vastgesteld, gebaseerd op eigen data over de lokale situatie en eigen overwegingen. Dichtheid en verscheidenheid woningbouw Artikel 6.10a 1. Een bestemmingsplan voor woningbouw op een grote buitenstedelijke bouwlocatie, als bedoeld in artikel 6.10, houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving. Daarbij wordt gestreefd naar een bruto woningdichtheid van 45 woningen of meer per hectare. 2.

Het bestemmingsplan, bedoeld in het vorige lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw.

Toelichting in de verordening:

77

Veel uitleglocaties kennen een relatief lage woningdichtheid. Een hogere woningdichtheid is nodig om de schaarse ruimte en de mobiliteitsvoorzieningen beter te benutten. Het zorgdragen voor een goed woon- en leefklimaat is blijft onverminderd van toepassing. Ook bij een hoge woningdichtheid zal dus gezorgd moeten worden voor een aantrekkelijk woon- en leefomgeving, onder meer met voldoende groenvoorzieningen in de woonomgeving. De provincie wil dat bestemmingsplannen voor woningbouw een zo hoog mogelijke woningdichtheid mogelijk maken, passend bij een goed woon- en leefklimaat. De provincie hanteert daarbij een bandbreedte van 30-45 woningen per hectare voor de dichtheid van woningbouwlocaties. Voor nieuwe plannen wordt gestreefd naar een dichtheid van 45 woningen of meer per hectare. Voor woningbouwplannen waar de planvorming al in gang is gezet en aanpassing niet meer mogelijk is of waarbij bestuurlijke afspraken zijn gemaakt over het woningbouwprogramma of waarvoor in het provinciaal Omgevingsbeleid een specifiek (maximaal) aantal woningen is opgenomen, kan een lagere dichtheid worden gehanteerd met een ondergrens van ongeveer 30 woningen per hectare. Een lagere dichtheid dan 30 woningen per hectare kan aan de orde zijn bij de ontwikkeling van de in het provinciaal Omgevingsbeleid genoemde toplocaties wonen.

De woningbouwlocaties die op de 3 hectare kaart staan (grote buitenstedelijke bouwlocaties), zijn daarop indicatief aangeduid. Dit geldt zowel voor de begrenzing als voor de oppervlakte. De oppervlakte is aangegeven op de tabellen in het Omgevingsprogramma. Het streven naar een hoge woningdichtheid kan voor deze locaties betekenen dat voor het beoogde aantal woningen een kleiner gebied nodig is, of dat meer woningen worden gerealiseerd dan nu is voorzien (mits dat past binnen het regionale woningbouwprogramma). De dichtheid wordt gemeten als bruto dichtheid van een woonwijk. Wijkvoorzieningen, zoals buurtwinkels en buurtgroen, horen hier dus bij. Bovenwijkse en grootschalige voorzieningen als scholen, winkels, sportvoorzieningen, bedrijven, grotere water- en groenstructuren hoeven niet te worden meegenomen in de berekening van de woningdichtheid. Het is niet de bedoeling dat een hoge dichtheid ten koste gaat van ruimtelijke inpassing. Het zorgdragen voor goede ruimtelijke kwaliteit en een goede overgang naar het buitengebied is belangrijk. Vandaar dat ook de groene randen en andere vormen van ruimtelijke inpassing, niet meetellen bij de berekening van de dichtheid. Op veel woningbouwlocaties worden vooral eengezinswoningen en appartementen gebouwd.

Dit draagt bij aan inefficiënt ruimtegebruik en sluit onvoldoende aan bij de huidige en toekomstige vraag naar woningen als gevolg van de veranderende samenstelling van huishoudens. De provincie vraagt daarom aandacht voor het bouwen van andere typen woningen, zoals dubbele bovenhuizen, beneden-bovenwoningen, hofjeswoningen, rug-aan-rug woningen en souterrainwoningen.

B4 Sociaal en betaalbaar wonen Zie de toelichting onder A5. Conclusie:

78

De aanpassing van het beleid voor sociaal en betaalbaar wonen leidt tot aanvulling van het beleid in de Omgevingsvisie en het opnemen van een nieuwe regel in de Omgevingsverordening. In artikel 6.10 wordt een nieuw tweede lid ingevoegd. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt, voorziet in voldoende nieuw toe te voegen sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. N.B. Deze wijziging komt in de plaats van het voorstel tot wijziging dat in de lopende herziening (ontwerp juni 2020) is opgenomen (Artikel 6.10, lid 2: Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt, houdt rekening met de maatregelen wonen zoals opgenomen in het Omgevingsprogramma Zuid-Holland)

In de toelichting op artikel 6.10 van de verordening wordt de volgende tekst opgenomen: De provincie vindt passende huisvesting voor de doelgroepen van woningcorporaties van provinciaal belang. Dit betekent dat er enerzijds voldoende voorraad sociale huurwoningen in verhouding tot de omvang van de doelgroepen moet zijn en anderzijds voldoende aanbod sociale huurwoningen in verhouding tot de omvang van de actief woningzoekende doelgroepen moet zijn. Onder passend verstaat de provincie ook dat op lokaal niveau wordt bijgedragen aan een evenwichtig gespreide sociale huurvoorraad. Het artikel is van toepassing op een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt. Volgens de jurisprudentie over de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is vanaf twaalf woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De motivering van het bestemmingsplan gaat in op wat voldoende sociale huurwoningen is. Dit vindt zijn grondslag in de geldende door GS aanvaarde regionale woonvisie. Onder regionale woonvisie wordt ook begrepen afzonderlijke regionale afspraken over de verdeling van de opgave nieuw toe te voegen sociale huurwoningen, die de instemming hebben van GS. De actuele regionale woonvisie dan wel afzonderlijke regionale afspraken worden vertaald in het regionale woningbouwprogramma, zoals bedoeld in de beleidskeuze wonen in de Omgevingsvisie.

De motivering geeft aan hoe wordt voorzien in voldoende passende voorraad voor de doelgroepen van woningcorporaties. Onder passend wordt ook verstaan dat op lokaal niveau wordt bijgedragen aan een evenwichtig gespreide sociale huurvoorraad. Als er geen regionale woonvisie is of als Gedeputeerde Staten die niet hebben aanvaard, kunnen Gedeputeerde Staten op basis van de actuele provinciale woningbehoefteverkenning, eventueel gedifferentieerd naar regio of gemeente, aangeven welk aandeel sociale huurwoningen voldoende is. Gedeputeerde Staten zullen het bestemmingsplan hierop beoordelen en zo nodig gebruik maken van hun bevoegdheid, zoals het indienen van een zienswijze of het geven van een reactieve aanwijzing. Bij het bepalen van het aandeel nieuw toe te voegen sociale huurwoningen wordt rekening gehouden met de gewenste toevoegingen aan de bestaande woningvoorraad. Alle veranderingen 79

in de bestaande woningvoorraad als gevolg van sloop, verkoop van bestaande huurwoningen en huuraanpassingen zijn van invloed op de gewenste toevoegingen.

B5 Ruimtelijke kwaliteit Zie toelichting onder A6 Conclusie De herijking van het beleid voor ruimtelijke kwaliteit leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. In de Omgevingsverordening wordt artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit) aangepast. Tevens worden de volgende nieuwe artikelen ingevoegd: -

6.9 a Beschermingscategorie 3 Buitengebied, 6.9 b Beschermingscategorie 2 Recreatiegebied, 6.9 c Beschermingscategorie 2 Weidevogelgebied,

-

6.9 d Beschermingscategorie 2 Groene Buffers, 6.9 f Beschermingscategorie 1 Kroonjuwelen cultuureel erfgoed, 6.9 g Beschermingscategorie 1 Graslanden Bollenstreek.

Artikel 6.24 Natuurnetwerk Nederland wordt omgenummerd naar artikel 6.9 e en krijgt als opschrift ‘Beschermingscategorie 1 Natuurnetwerk Nederland’. De toelichting op deze artikelen wordt ook aangepast, dan wel ingevoegd. De aanpassingen leiden ook tot wijziging van de kaarten die bij deze artikelen horen. De volledige tekst van de nieuwe en gewijzigde artikelen is hieronder opgenomen. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1.

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond

2.

dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke

3.

kwaliteit, een en ander zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II (beschermingscategorieën en gebiedstypen) en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke

4.

kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd. Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. b.

een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; sprake is van aanpassen of transformatie zoals beschreven in het vijfde lid.

80

5.

Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a.

b.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen;

c.

de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit

6.

geval is er sprake van transformeren. Specifieke regels voor de gebiedstypen worden in acht genomen tenzij een zwaarwegend openbaar belang hieraan in de weg staat. Er zijn specifieke regels voor de verschillende

7.

gebiedstypen opgenomen in de artikelen 6.9a, 6.9b, 6.9c, 6.9d. 6.9e, 6.9f en 6.9g. Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): a. duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en/of boom- en sierteelt; b. wegnemen van verharding; c. d.

toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert: i. aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering;

8.

ii. indien aanvullende maatregelen niet volstaan, wordt financiële compensatie toegepast. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a.

9.

Een bestemmingsplan voor een gebied met gebiedscategorie 2, zijnde Recreatiegebied, Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die

vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de artikel 6.9b, 6.9c en 6.9d. 10. Een bestemmingsplan voor een gebied met gebiedscategorie 1, zijnde Kroonjuweel cultureel erfgoed, Natuurnetwerk Nederland of Beschermd grasland in de Bollenstreek, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9e, 6.9f en 6.9g.

81

11. Transformatie is mogelijk in de beschermingscategorieën genoemd in het negende en tiende lid voor de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur- en recreatiegebieden of van grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 6.10. De voorwaarden van het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 12. Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, moet deze aantasting worden gecompenseerd. Gedeputeerde staten leggen de vereisten betreffende de aard en omvang van de compensatie en het moment waarop de compensatie gerealiseerd moet zijn, vast in een beleidsregel over de compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/774/documents/29856