CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-09-03 RIB Herziening 2021 Omgevingsbeleid pZH - ontwerp.pdf

Commissie Samen wonen RK 30 september 2021, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 10: Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven40.851 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Artikel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied 1.

2.

Een bestemmingsplan dat is gelegen in het Buitengebied waarvan de plaats geometrisch is verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. b. c.

de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van

d.

het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

Artikel 6.9 b Beschermingscategorie 2 Recreatiegebied

Een bestemmingsplan voor een recreatiegebied waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage 2, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor zover a. b.

de ontwikkeling geen beperking oplevert voor de openbare toegankelijkheid van het gebied, rekening houdend met het huidige gebruik van het gebied; de ontwikkeling gericht is op de vergroting van de diversiteit en de kwaliteit van het

c. d.

recreatiegebied en ook de recreatieve waarde van het gebied zal versterken; de ontwikkeling past bij de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied; de ontwikkeling bijdraagt aan de samenhang tussen binnenstedelijke en buitenstedelijke

e.

groen- en waterstructuren; de ontwikkeling zo mogelijk gekoppeld wordt aan recreatie knooppunten en cultuurhistorisch erfgoed.

Artikel 6.9c

82

Beschermingscategorie 2 Belangrijk weidevogelgebied 1.

Een bestemmingsplan voor een belangrijk weidevogelgebied waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart14 in bijlage II, kan slechts voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ontwikkeling geen significante beperking inhoudt van de kenmerken van het gebied en evenmin leidt tot een significante vermindering van het

2.

oppervlak, de kwaliteit of de samenhang daarvan. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken a. de hoge weidevogeldichtheden of de potentie daarvoor; b.

de factoren die de hoge weidevogeldichtheden mogelijk maken zoals het graslandgebruik, de waterhuishouding met relatief hoge grondwaterstanden, de landschapsstructuur en de rust van het gebied.

Artikel 6.9d Beschermingscategorie 3 Groene buffers 1.

2.

Een bestemmingsplan voor gronden binnen Groene Buffers waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke b. c. d.

dynamiek; de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving; de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling; de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.

Artikel 6.9f Beschermingscategorie 1 Graslanden Bollenstreek 1.

Een bestemmingsplan voor gronden binnen Graslanden Bollenstreek waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage 2 kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits die ontwikkeling een aantoonbare meerwaarde heeft voor de ruimtelijke kwaliteit van de graslanden.

2.

In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. het open en structurerende karakter van de graslanden; b. het ecologische belang en de kwetsbaarheid van de graslanden; c. d.

het belang van de graslanden voor weidevogels; de historische context van de graslanden als strandvlakten.

Artikel 6.9 g Beschermingscategorie 1 Kroonjuwelen Cultureel erfgoed 1.

Een bestemmingsplan voor gronden binnen Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft en de ontwikkeling het behoud en de versterking van het betreffende cultureel erfgoed ondersteunt en overwegend meerwaarde heeft voor kwaliteiten en de gebruikswaarde ervan. 83

2.

In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de herkenbaarheid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; b. c. d.

de historische context van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; de uniciteit van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; de kwetsbaarheid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed;

e. f. g.

de gaafheid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed; de samenhang van de kwaliteiten van het Cultureel Erfgoed; de richtpunten die zijn opgesteld voor het specifieke kroonjuweel (zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap).

De toelichting van de verordening is hieronder opgenomen: Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Basisuitgangspunt is dat ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn te kenmerken als inpassen aanpassen of transformeren. Ruimtelijke kwaliteit kent drie beschermingscategorieën, waarbinnen geldt: Categorie 1: alleen inpassen mogelijk Categorie 2: inpassen en aanpassen is mogelijk Categorie 3: inpassen, aanpassen en transformeren is mogelijk Binnen de beschermingscategorieën liggen de gebiedstypen Categorie 1: Graslanden Bollenstreek, Natuur Netwerk Nederland, Kroonjuweel Cultureel Erfgoed Categorie 2: Recreatiegebied, Belangrijk weidevogelgebied, Groene Buffers Categorie 3: Buitengebied Voor de gebiedstypen zijn richtpunten vertaald in regels. Ten slotte wordt aangegeven dat er uitzonderingen zijn voor ontwikkelingen vanwege zwaarwegend openbaar belang en er moet soms worden gecompenseerd. Basisuitgangspunt Ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Sturen op ruimtelijke kwaliteit betekent voor de provincie richting en ruimte geven aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit.

Het kwaliteitsbeleid gaat uit van ‘ja, mits’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. Uitzondering zijn de NNN gebieden omdat op het niveau van het Rijk bepaald is dat daar ‘nee, tenzij’ geldt. De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheid maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het gebied buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) zijn op basis van artikel 6.10 van de verordening pas mogelijk als na toepassing van de ladder voor

84

duurzame verstedelijking blijkt dat dit binnen bestaand stads- en dorpsgebied niet mogelijk is. Een ruimtelijke ontwikkeling is mogelijk mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. Het in eigendom hebben van het te ontwikkelen gebied is geen reden. Daarbij kan gebruikt worden gemaakt van onderzoek naar alternatieve locaties. Drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen -

provinciale betrokkenheid, hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.

In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren. Inpassen Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassen veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit. Aanpassen Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet. Een voorbeeld is de aanleg of verbreding van een provinciale weg. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat.

Omdat in deze gevallen niet aan (alle) richtpunten ruimtelijke kwaliteit kan worden voldaan, zijn ontwerpoptimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Transformeren Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten ruimtelijke kwaliteit kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat die nog niet is ondervangen in de richtpunten. In de meest verregaande vorm van transformatie is van de huidige identiteit niets meer zichtbaar. In alle gevallen is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij structuren en patronen aan de rand van de omgeving, bijvoorbeeld een bosrand, waterloop of woonlint. Het ontwerp kan gepaard gaan met inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke

85

maatregelen in de omgeving. Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen – eenvoudiger dan bij aanpassen – onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatie-opgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen en een kwalitatief optimaal resultaat. Beschermingscategorieën Gebieden met aanduiding beschermingscategorie 1 Een relatief beperkt aantal gebieden is zo bijzonder, waardevol of kwetsbaar, dat de instandhouding en mogelijk verdere ontwikkeling van de waarden die ze vertegenwoordigen, voorrang heeft boven alle andere ontwikkelingen. Deze gebieden dragen in hoge mate bij aan de identiteit, beleving en biodiversiteit van Zuid-Holland, vormen een tegenhanger van het stedelijk gebied en versterken aldus het onderscheidend karakter van de provincie. Ze leveren bovendien een substantiële bijdrage aan het toeristisch profiel en het leef- en vestigingsklimaat in de provincie. Het gaat om de volgende kwaliteiten: • Hoge en specifieke natuurwaarden in Zuid-Holland, gebundeld in het NNN en Natura 2000, die met elkaar een substantiële bijdrage leveren aan de Europese biodiversiteit. Provincie en rijk hebben hier een gedeelde verantwoordelijkheid voor instandhouding en versterking van deze waarden. •

Cultuurhistorische kroonjuwelen. Deze gebieden hebben landschappelijk en cultuurhistorisch een dusdanig uniek karakter dat de bescherming en versterking van deze kwaliteiten centraal staat.

•

Graslanden bollenstreek. De graslanden zijn waardevol vanwege hun open karakter, structurerend effect en belang voor weidevogels. Ze zijn een kenmerkend, maar inmiddels zeldzaam onderdeel van het bollenlandschap.

Gebieden met deze kwaliteiten liggen veelal buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), maar soms ook daarbinnen (met name bij de cultuurhistorische kroonjuwelen). Ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met beschermingscategorie 1 zijn in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden. Gebieden met aanduiding beschermingscategorie 2 De provincie wil een aantal specifieke waarden en gebieden in stand houden omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. In die hoedanigheid leveren ze een belangrijke en specifieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. De instandhouding van deze waarden vraagt om hierop toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling, naast de generieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van het in stand houden van de specifieke waarden. Het betreft gebieden met de volgende kwaliteiten: • Belangrijke weidevogelgebieden, gelegen buiten het NNN, vanwege de specifieke

• •

maatschappelijke verantwoordelijkheid voor deze karakteristieke en kwetsbare vogels, die mede de kwaliteit van het Zuid-Hollandse (veen)weidelandschap bepalen. Openbare recreatiegebieden, vanwege hun onmisbare bijdrage aan de leef- en vestigingskwaliteit in zowel het stedelijk als het landelijk gebied in de provincie. Groene buffers. Dit zijn de belangrijkste groene gebieden tussen en rond de steden van de zuidelijke Randstad. Ze vormen op de schaal van de provincie een onmisbare ‘tegenhanger’ van de stedelijke dynamiek en verdichting. Behoud van deze ruimtes is van 86

belang voor de identiteit en leefkwaliteit van het stedelijk gebied. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar extra bescherming tegen (grootschalige) stedelijke ontwikkeling is van belang om de schaal en het karakter van deze gebieden in stand te houden. Gebieden met aanduiding beschermingscategorie 3 De provincie hecht waarde aan onbebouwde open landschappen, mede omdat het bebouwen van landschappen in de regel een onomkeerbaar proces is. De provincie wil de zichtbare en dus beleefbare waarde van de verschillende landschappen behouden en beschermen en op passende wijze benutten. De druk van de verstedelijking op de openheid van het landschap is groot en dit betekent dat zorgvuldig moet worden afgewogen welke ontwikkelingen in welk landschap wenselijk zijn. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het in stand houden, benutten en versterken van bestaande gebiedskwaliteiten zoals benoemd in de gebiedsprofielen en de beleidskeuze landschap. De provincie beschermt het landschap tegen ongewenste ontwikkelingen en wil daarmee versnippering en verrommeling van het landschap tegengaan. Compensatiebeginsel natuur, recreatie en landschap In een dynamische omgeving is het onvermijdelijk dat er plannen ontwikkeld worden die inbreuk maken op de te beschermen waarden.

In het algemeen wordt bij nieuwe plannen, projecten of initiatieven gevraagd om een goede landschappelijke inpassing en mitigatie van de negatieve effecten. Voor een aantal gebiedscategorieën is compensatie van het verlies aan waarden nodig. Het compensatiebeleid is vastgelegd in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013). De compensatiemaatregelen komen niet per se bovenop de hierboven genoemde aanvullende ruimtelijke maatregelen, maar kunnen –als dat mogelijk is- ook gecombineerd worden. De bescherming van de belangrijke weidevogelgebieden brengt geen beperkingen met zich mee voor ontwikkelingen binnen het huidige agrarische grondgebruik. Ontwikkelingen zoals intensivering van het graslandgebruik, de aanleg van kavelpaden, slootdempingen, ruwvoederteelt en de uitbreiding van boerderijen, blijven dus mogelijk. Gemeenten zullen in de toelichting op het bestemmingsplan moeten motiveren welke maatregelen concreet worden getroffen en welk effect deze maatregelen (zullen) hebben op de ruimtelijke kwaliteit. Deze ruimtelijke maatregelen dienen in beginsel zoveel mogelijk binnen het gebied zelf (binnenplans) te worden getroffen. Pas als aangetoond is dat dat niet of onvoldoende mogelijk is, kunnen ze ook elders binnen de gemeente (bovenplans) worden gerealiseerd.

Net als bij de voormalige ‘ruimte voor ruimte’-regeling kunnen gemeenten ervoor kiezen om in plaats daarvan een (gedeeltelijke) financiële compensatie te verlangen, mits kan worden aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit door middel van maatregelen in natura onvoldoende (of niet tijdig) kan worden gecompenseerd. In dat geval kan compensatie plaatsvinden door middel van storting van een bedrag in een (inter)gemeentelijk kwaliteitsfonds mits aannemelijk is dat met de storting de uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd. De uitvoering en toepassing van deze regeling wordt aan de gemeente overgelaten. Daarbij dienen gemeenten uiteraard rekening houden met de kostenverhaalssystematiek uit de Wro, die in sommige gevallen een koppeling vereist met een (inter)gemeentelijke structuurvisie en daarin benoemde bestedingsdoelen. Het is niet altijd nodig een nieuw fonds in te stellen, ook bestaande fondsen kunnen worden ingezet. Een voorbeeld is het fonds dat wordt gebruikt in de Duin- en Bollenstreek. 87

Bij aanvullende ruimtelijke maatregelen gaat het onder andere om de maatregelen uit de bestaande regelingen ‘ruimte voor ruimte’ en ‘nieuwe landgoederen’. Op basis van deze voormalige regelingen kon in ruil voor de sloop van 1.000 m2 bebouwing of 5.000 m2 kassen een woning buiten BSD worden gebouwd. Bij de beoordeling van de aanvullende ruimtelijke (kwaliteits)maatregelen hanteren wij vooralsnog deze oppervlaktes als uitgangspunt, samen met het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo verbetert. Ditzelfde geldt voor de hoogwaardige inpassingsmaatregelen die kunnen worden gezien als een vorm van ‘rood voor groen’ of de specifieke invulling daarvan met de voormalige regeling ‘nieuwe landgoederen’. Er zijn uitzonderingen voor ontwikkelingen vanwege zwaarwegend openbaar belang zoals bijvoorbeeld aanleg van bovenlokale infrastructuur. Gemeentelijke verantwoordelijkheid Motivering Een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een motivering, waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft. Dit is nodig als het gaat om een ontwikkeling waarbij de richtpunten ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn, of als het gaat om een ontwikkeling die is gelegen op gronden binnen een beschermingscategorie.

Dit betekent dat bij een bestemmingsplan voor een ruimtelijke ontwikkeling binnen en buiten bestaand stadsen dorpsgebied vrijwel altijd deze motivering voor ruimtelijke kwaliteit nodig is. Het is wenselijk in de motivering in te gaan op de verschillende onderdelen van het handelingskader ruimtelijk kwaliteit. Gelet op het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van ontwikkeling per saldo niet afneemt, dient de toetsing aan ruimtelijke kwaliteit een integraal onderdeel te vormen van de planvorming en afweging. Voor ruimtelijke ontwikkelingen die niet passen bij de aard en/of de schaal van het gebied (aanpassen) en op structuurniveau wijzigingen voorzien (transformeren), zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. Ruimte voor maatwerk Het handelingskader ruimtelijke kwaliteit biedt de gemeente ruimte voor het toepassen van maatwerk in het bestemmingsplan. Het is aan de gemeente in hoeverre de ruimte voor ontwikkeling die het kader biedt ook daadwerkelijk wordt benut. De verordening stelt alleen regels aan het gemeentelijk bestemmingsplan, particulieren kunnen hier dus geen rechten aan ontlenen.

Dus als het handelingskader bijvoorbeeld ruimte biedt voor ‘inpassen’ van nieuwe bebouwing in een lint, wil dat niet zeggen dat de gemeente die ruimte ook moet bieden in het bestemmingsplan. De gemeente is namelijk in eerste instantie verantwoordelijk voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en kan hierover dus eigen beleid voeren, voor zover passend bij het provinciaal beleid. Mogelijkheden voor toepassing op gebiedsniveau Het is mogelijk om het handelingskader ruimtelijke kwaliteit op gebiedsniveau toe te passen. Dit houdt in dat zowel de bebouwingsmogelijkheden als de maatregelen om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren, niet op perceelsniveau worden bezien maar op een hogere schaal. Dit biedt mogelijkheden om robuuste maatregelen te treffen voor verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, door dit voor meerdere ingrepen in het gebied tegelijk te doen. Bestaande initiatieven 88

voor gebiedsgerichte toepassing van ‘ruimte-voor-ruimte’, waarbij soms gebruik wordt gemaakt van een ‘beursstelsel’, kunnen dus worden voortgezet onder het nieuwe handelingskader ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent ook dat de impact van een ontwikkeling op het gebied niet op perceelsniveau wordt bezien, maar op gebiedsniveau. Er wordt dus niet per woning bezien of sprake is van “inpassen” dan wel “aanpassen”, maar voor het totale programma.

B6 Bos en bomen Zie de toelichting onder A7. Conclusie Paragraaf 3.9.5 van de Omgevingsverordening wordt aangepast. De toelichting in de verordening over de artikelen in deze paragraaf wordt eveneens aangepast. De artikelen in paragraaf 2.9.5 zijn hieronder opgenomen. Artikel 3.64 Melding bij vellen houtopstand 1. De velling van een houtopstand wordt ten minste één maand en ten hoogste veertien maanden voor de velling gemeld. 2. De melding wordt via een daartoe vastgesteld digitaal formulier ingediend. 3.

De melding gaat vergezeld van een compensatieplan indien herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming op dezelfde locatie niet mogelijk is.

4.

De datum waarop de daadwerkelijke velling aanvangt wordt minimaal 24 uur daaraan voorafgaand doorgegeven aan de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.

Artikel 3.65 Vrijstellingen meldingsplicht De volgende activiteiten zijn vrijgesteld van de verplichting tot melden, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming: a.

het kappen van verjongingsgaten, indien: 1° deze per verjongingsgat niet groter zijn dan drie maal de boomhoogte met een maximum van 0,25 ha; 2° deze nieuwe verjongingsgaten gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van de houtopstand; 3° dit maximaal één keer per vier jaar plaatsvindt; en 4° in de oude verjongingsgaten is voldaan aan de plicht tot herbeplanting zoals benoemd in artikel 4.3 van de Wet Natuurbescherming,

b.

het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurmaatregelen, indien de te verwijderen houtopstand ontstaan is als gevolg van achterstallig onderhoud.

Artikel 3.66 Eisen aan herbeplanting 1. Van een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming is sprake indien: a. de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte; b.

de herbeplanting kwalitatief en kwantitatief minimaal in een redelijke verhouding staat tot de gevelde of anderszins tenietgegane houtopstand;

89

c.

2.

de te herplanten houtopstand, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame

houtopstand met minimaal een vergelijkbare bosstructuur als de gekapte opstand. De herbeplanting is ook mogelijk via spontane natuurlijke verjonging indien daarmee aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden wordt voldaan en de bodemopbouw zoveel mogelijk intact wordt gelaten.

Artikel 3.67 Vrijstellingen herbeplantingsplicht De volgende activiteiten zijn vrijgesteld van de verplichting tot herbeplanten, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming: a.

het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurmaatregelen; mits de houtopstanden ontstaan zijn als gevolg van achterstallig onderhoud en zijn aangeplant in het kader van herbeplanting;

b.

het op natuurlijke wijze tenietgaan van houtopstanden indien dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van antiverdrogingsmaatregelen.

Artikel 3.68 Ontheffing van herbeplantingsplicht op dezelfde grond 1.

Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting tot herbeplanting van dezelfde grond als bedoeld in artikel 4.3, eerste en tweede lid, van de Wet natuurbescherming, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de andere grond: a. onbeplant is en vrij is van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming; b. c.

2.

3.

vrij is van (natuur)compensatieverplichtingen; geen wettelijke of provinciale doelstelling kent die aan de herbeplanting in de weg staat; en

d. buiten de bebouwde kom houtopstanden is gelegen. Gedeputeerde Staten verlenen geen ontheffing als bedoeld in het eerste lid voor herbeplanting binnen het Natuurnetwerk Nederland, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II, indien de tenietgegane houtopstand buiten het Natuurnetwerk Nederland is gelegen. Indien de tenietgegane houtopstand is gelegen buiten recreatiegebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, verlenen Gedeputeerde Staten slechts ontheffing als bedoeld in het eerste lid voor herbeplanting binnen recreatiegebied indien de oppervlakte van de herbeplanting ten minste twee keer zo groot

4.

is als de tenietgegane houtopstand. Indien de te vellen houtopstand onderdeel uitmaakt van een A-locatie bos, groen erfgoed of bosreservaat, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 23 in bijlage II en voor wat groen erfgoed betreft beschreven in de toelichting van deze verordening, kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing als bedoeld in het eerste lid slechts verlenen indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. b.

5.

er zijn geen alternatieve oplossingen; en de velling is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met

inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Indien de te vellen houtopstand onderdeel uitmaakt van een A-locatie bos, groen erfgoed of bosreservaat, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 23 in bijlage II en voor wat groen erfgoed betreft beschreven in de toelichting van deze 90

verordening, en de herbeplanting plaatsvindt op andere grond, kunnen Gedeputeerde Staten het vellen van de houtopstand verbieden tot het moment waarop de omgevingsvergunning voor de ontwikkeling ter plaatse van de te vellen houtopstand onherroepelijk is geworden. Artikel 3.68a Afwijken in het belang van evenwichtige besluitvorming Gedeputeerde staten kunnen de bepalingen van § 3.9.5 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige besluitvorming, naar hun oordeel tot onevenredig bezwarende gevolgen zou leiden.

De nieuwe teksten in de toelichting van de verordening zijn hieronder opgenomen. Algemene toelichting houtopstanden en herbeplanting De bepalingen in deze verordening hebben alleen betrekking op houtopstanden buiten de bebouwde kom. De gemeentes zijn verantwoordelijk voor het vaststellen van een actuele bebouwde kom houtopstanden. Op de website van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid staat een actueel overzicht van de grenzen van de bebouwde kommen in Zuid-Holland. Let op, ook buiten de bebouwde kom kan de gemeente beperkingen stellen aan het vellen van bomen of houtopstanden. Artikelsgewijze toelichting Artikel 3.65 Melding bij vellen houtopstand Deze Omgevingsverordening stelt ook regels met betrekking tot het vellen van houtopstanden, het melden van vellingen en het herbeplanten van de gronden. Om de administratieve lasten te beperken wordt voor een aantal activiteiten vrijstelling verleend van de meldplicht (art. 3.65). In de verjongingsgaten als bedoeld in artikel 3.65 sub a geldt uiteraard wel de verplichting om zorg te dragen voor het vernieuwen van de houtopstand, zoals omschreven in art. 3.66. Daarnaast geldt bij alle vellingen dat ook altijd de wetgeving m.b.t. gebiedsbescherming (hoofdstuk 2) en soortbescherming (hoofdstuk 3) van de Wet natuurbescherming van kracht is.

Artikel 3.67 Vrijstellingen meldingsplicht Onder natuurmaatregelen wordt verstaan de werkzaamheden, zoals natuurherstel, waardoor een type vegetatie kan ontstaan dat voldoet aan de Natura 2000-doelstellingen ter plaatse en/of de natuurdoeltypen binnen het Natuurnetwerk Nederland. Er moet dus een redelijk en vastliggend doel zijn om tot het vellen van een houtopstand in het kader van natuurmaatregelen over te gaan. Artikel 3.68 Ontheffing van herbeplantingsplicht op dezelfde grond Lid 1c “Geen wettelijke of provinciale doelstelling kent die aan de herbeplanting in de weg staat”: denk hierbij bijvoorbeeld aan gebieden met een doelstelling voor weidevogels (zoals vastgelegd in de omgevingsverordening en het provinciale natuurbeheerplan)

91

lid 4 Wanneer de te vellen houtopstand deel uitmaakt van een A-locatie, bosreservaat of groen erfgoed, wordt een ontheffing voor herbeplanting op een andere locatie slechts onder strikte voorwaarden verleend. Er mogen dan geen alternatieve oplossingen voorhanden zijn en de velling moet nodig zijn om dwingende redenen van groot openbaar belang. Met deze formulering is aangesloten bij de zogenaamde ADC-toets die volgt uit artikel 2.8, vierde lid van de Wnb. De jurisprudentie over alternatieve oplossingen en dwingende redenen is dan ook van overeenkomstige toepassing. Lid 5 Houtopstanden die deel uitmaken van een A-locatie, bosreservaat of groen erfgoed verdienen extra bescherming. Het tenietgaan van deze waardevolle houtopstanden moet zoveel als mogelijk worden voorkomen. Voor een situatie waarin op een dergelijke locatie bepaalde ontwikkelingen zijn voorzien, is het daarom van belang om pas tot vellen over te gaan wanneer alle benodigde vergunningen voor de nieuwe ontwikkeling onherroepelijk zijn geworden. Dit om te voorkomen dat zeer waardevolle houtopstanden tenietgaan terwijl achteraf blijkt dat de geplande ontwikkeling geen doorgang kan vinden. GS kunnen op grond van artikel 4.2, derde lid van de Wnb een tijdelijk kapverbod opleggen.

A locatie bossen A-locatie bossen worden op grond van hun ecologische kwaliteit beschouwd als de beste voorbeelden van natuurlijke bosgemeenschappen in Nederland. (zie voor een uitgebreide beschrijving https://edepot.wur.nl/367822) en zijn (bijna altijd) ook de kaart van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed opgenomen. Bosreservaten In een bosreservaat is met de beheerder afgesproken dat er geen houtoogst of bosbeheer plaatsvindt. Het stelt onderzoekers in de gelegenheid de ontwikkeling van het bos over lange termijn te volgen. Er zijn in de jaren negentig 5 bosreservaten in Zuid-Holland aangewezen, nl: Slikken van Flakkee (SBB), Beerenplaat (SBB), Oude Kat (SBB), Horsten (Koninklijk huis) en Kijfhoek (Dunea). Hiervan zijn Beerenplaat en de Horsten ook een A-locatie. Groen Erfgoed Alle landschapselementen met autochtone bomen en struiken die al bestaan sinds 1850 vallen onder het Groen Erfgoed. Het Rijk heeft deze elementen zoveel mogelijk geïnventariseerd en de nog bestaande elementen zoveel mogelijk op kaart gezet (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2016). Het gaat om de volgende kaartlagen van de kaart van het Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (https://www.landschapinnederland.nl/kaart-groen-erfgoed): o o o

Landschappen met oude boskernen, houtwallen en heggen. Kansrijk gebied Groen erfgoed Cultuurhistorische bosjes (kleine landschapselementen in Groene hart en Midden

Delfland) o Eendenkooien Als een initiatiefnemer binnen de contouren op bovengenoemde kaartlagen een houtopstand wil vellen en dit wil compenseren op een andere locatie dient de initiatiefnemer te onderbouwen dat de te vellen houtopstand niet bestaat uit autochtone bomen en struiken en dat de houtopstand niet al sinds 1850 aanwezig is en dus geen onderdeel uit maakt van ons Groen erfgoed. De kaartlaag met kansrijke gebieden is tot stand gekomen door kaartanalyse en geeft een trefkans op de aanwezigheid van groen erfgoed. De andere kaartlagen zijn aangevuld met veldinventarisaties. 92

B7 Molenbiotopen Het provinciale beleid voor historische molenbiotopen concentreert zich op behoud van de windvang. Van daaruit worden beperkingen opgelegd aan ontwikkelingen binnen een straal van 400 meter van elke molen. Dit beleid knelt steeds meer omdat er in Zuid-Holland een toename is van het aantal plannen voor hoogbouw en verdichting. Dat leidt in sommige gevallen tot ontheffing van de regels. Deze werkwijze is juridisch gezien niet houdbaar en gaat het ook ten koste van de werking van de regels. Daarom vraagt het beleid om een aanpassing. De aanleiding van dit voorstel is tweeledig. Enerzijds zien we een toename van het aantal plannen voor hoogbouw in stedelijk gebied, in het bijzonder rond stationslocaties. Het vigerende beleid voor molenbiotopen laat zich moeilijk verenigen met de ambities en maatschappelijke behoeften in dergelijke hoog dynamische stedelijke zones, flexibiliteit ontbreekt in de procedure om tot een inpassing te komen waarbij kansen benut worden omdat de discussie hierover niet wordt gevoerd. Anderzijds is er sprake van beperkte juridische en bestuurlijke ruimte voor het verlenen van een ontheffing van de regels ten aanzien van de molenbiotopen in de Omgevingsverordening, vanwege aangescherpte wetgeving.

Dit kan alleen geschieden in incidentele situaties, terwijl bijvoorbeeld voor de ruimtelijke ontwikkelingen in het stationsgebied in Leiden keer op keer ontheffing wordt aangevraagd. In dit geval is sprake van een voorzienbare ontwikkeling die vraagt om een andere aanpak, al was het alleen maar vanwege de inschatting dat het stapelen van ontheffing op ontheffing juridisch gezien niet houdbaar is. Dit naast de vraag of het provinciale bestuur een dergelijke gang van zaken wenselijk acht en de gedachte dat vele ontheffingen ten aanzien van dezelfde specifieke regels deze op zichzelf minder krachtig en ook minder geloofwaardig maken. Vanwege het bovenstaande is eind 2019 advies aangevraagd bij de PARK. Dit heeft geresulteerd in het rapport ‘Molens in beeld, advies beleid molenbiotopen in Zuid-Holland’. De PARK adviseert: •

Scherp het vigerende beleid van de molenbiotoop aan, neem de mogelijkheid van een

• •

aanvullende afwijking op; Beperk deze mogelijkheid van een afwijking tot het stedelijk gebied van Zuid-Holland; Stel het opstellen van een landschapsplan voor de molen(s) door de initiatiefnemer als

• • • •

voorwaarde bij deze afwijking; Het landschapsplan brengt windvang, zicht, positie, status en maatschappelijk functioneren in beeld. Het plan richt zich, met inachtneming van het belang van het initiatief, op instandhouding en verbetering van de situatie rond de molen; Stel een provinciale toelichting op bij deze vijf elementen van de cultuurhistorische betekenis van de molens; Het provinciaal bestuur is bevoegd om af te wijken op basis van een ambtelijk advies op het landschapsplan.

De regels ten aanzien van molenbiotopen zijn onder artikel 6.25 Bescherming molenbiotoop opgenomen in de Omgevingsverordening. In lid 2, onderdeel b wordt gesproken over een bijzondere molenbiotoop, waarvan er momenteel een vijftal op kaart is begrensd en verbeeld op de kaart waar naar wordt verwezen. Binnen deze bijzondere molenbiotopen kan worden afgeweken van de regels ten aanzien van de vrije 93

windvang en het zicht op de molen, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast. Het idee is om deze afwijkingsmogelijkheid toepasbaar te maken binnen een groter aantal molenbiotopen, waarmee meer flexibiliteit gecreëerd wordt. Met name in Leiden is momenteel sprake van een situatie waarbij het huidige beleid ten aanzien van de molenbiotopen op gespannen voet staat met een gewenste specifieke ruimtelijke ontwikkeling met een breed maatschappelijk belang. Het gaat om de transformatie van het stationsgebied, waar onder andere wordt ingezet op het realiseren van vele woningen. Dit is tevens een provinciaal belang. Daarom is het voor de hand liggend om de molenbiotopen van de vier op korte afstand gelegen Leidse molens als bijzondere molenbiotoop aan te wijzen. Het gaat dan om De Herder, De Valk, De Put en de Maredijkmolen. Door meer flexibiliteit te creëren in de omgang met deze molens, wordt een belangrijk knelpunt weggegenomen is de gedachte. Hetzelfde gaan we doen voor twee Haagse molens, De Nieuwe Veenmolen en de Laakmolen. Het aantal molens waarvoor de beleidsaanpassing direct gaat gelden, blijft hiermee voorlopig zeer beperkt. Als er positieve ervaringen worden opgedaan met deze werkwijze, kunnen meer molens volgen als hiertoe een directe aanleiding bestaat.

Dit leidt tot de volgende concrete aanpassingen en acties: De bestaande kaart 15 in bijlage II (behorende bij de Omgevingsverordening) met bijzondere molenbiotopen aan te passen, waarbij de 6 genoemde molens worden aangeduid met ‘bijzondere molenbiotoop’. Tegelijkertijd wordt een nadere invulling gegeven aan het “op een goede manier ruimtelijk inpassen” van bijzondere molenbiotopen, door middel van het opstellen van molenbiotooprapporten waarin de aanwezige waarden worden benoemd en vastgelegd. In deze rapporten brengt de provincie naast windvang en zicht ook de landschappelijke setting/context, de technische staat en de maatschappelijk functie in beeld van de molen en de bijbehorende molenbiotoop. Het is aan de gemeenten om hier rekening mee te houden tijdens de uitwerking van de beoogde plannen en te komen met een ruimtelijke ontwerp of andere concrete maatregelen waarmee de waarden van de molenbiotoop per saldo zoveel mogelijk geborgd worden. Voor de in totaal elf molens die staan op of worden toegevoegd aan kaart 15 in bijlage II van de Omgevingsverordening worden bijbehorende molenbiotooprapporten opgesteld. De toelichting op de omgevingsverordening wordt in verband hiermee aangepast. Ten slotte wordt ook de aanduiding van de 5 molens die in het geldende beleid al zijn aangeduid met ‘bijzondere molenbiotoop’ aangepast.

Abusievelijk hebben deze molens nog een dubbele aanduiding. Dit wordt aangepast, zodat de molens alleen de aanduiding ‘bijzondere molenbiotoop’ zullen hebben. Conclusie: Op kaart 15 van bijlage 2 van de Omgevingsverordening krijgen de molens De Herder, De Valk, De Put en de Maredijkmolen (gemeente Leiden) en de De Nieuwe Veenmolen en de Laakmolen (gemeente Den Haag) de aanduiding ‘bijzondere molenbiotoop’. De aanduiding van de molens die nu al zijn aangeduid met ‘bijzondere molenbiotoop’ wordt eveneens gewijzigd. Dubbele aanduidingen worden geschrapt, zodat alleen de enkele aanduiding ‘bijzondere molenbiotoop’ resteert.

94

In de toelichting op de Omgevingsverordening komt de volgende passages te vervallen: “De categorie ‘molens met een bijzondere molenbiotoop’ omvat enkele incomplete molens, opnieuw opgebouwde molens en verplaatste molens. De afwijkingsmogelijkheid in het tweede lid biedt de gemeente de ruimte om bij uitzondering af te wijken van deze bijzondere molenbiotoop.” Deze tekst wordt vervangen door onderstaande tekst. “De categorie ‘molens met een bijzondere molenbiotoop’ omvat molens waarvoor vanwege uiteenlopende redenen een aangepast regime van toepassing is. De afwijkingsmogelijkheid in het tweede lid biedt de gemeente de ruimte om binnen een dergelijke molenbiotoop, of een deel hiervan, af te wijken van de regels ten aanzien van de vrije windvang en het zicht op de molen in het eerste lid, onderdelen a en b. Voorwaarde is dat de molen en molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast. Hiertoe is per molen een molenbiotooprapport opgesteld waarin de provincie de waarden van de molenbiotoop heeft vastgelegd. Deze waarden hebben betrekking op een vijftal aspecten: de vrije windvang, het zicht, de landschappelijke context, de status en de maatschappelijke invulling.

Gemeenten worden geacht om bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met de inhoud van de molenbiotooprapporten en het provinciebestuur gaat er daarbij van uit dat gemeenten hierover op voorhand in overleg treden. De provincie kan, op basis van een toereikende motivering, tot aanwijzing van een bijzondere molenbiotoop overgaan als er sprake is van een voorzienbare en gewenste maatschappelijke ontwikkeling waar strikte naleving van de regels in het eerste lid, onderdelen a en b, leidt tot een ongewenste uitkomst in het ruimtelijke proces. Op voorwaarde dat het belang van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling in de ogen van het provinciale bestuur zwaarder weegt dan het belang van de vrije windvang en het zicht op de specifieke molen, kan zij overgaan tot aanwijzing van een bijzondere molenbiotoop. Die aanwijzing biedt de gemeente de ruimte om bij uitzondering af te wijken van de algemene molenbiotooprichtlijn. De motivering, alsmede het bijbehorende ruimtelijke ontwerp of de door te voeren concrete maatregelen, die leiden tot de aanwijzing van een bijzondere molenbiotoop, worden ter vaststelling aan PS voorgelegd.”

B8 Bevoegdheid begrenzing Natuurnetwerk Nederland De begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vormt het kader waarbinnen de natuurrealisatie plaatsvindt. Daar waar op de ene locatie realisatie moeilijk is, zijn er op andere plekken kansen voor natuurontwikkeling net buiten de begrenzing. Om deze kansen te benutten is snelle aanpassing van de begrenzing soms noodzakelijk. De bevoegdheid voor het aanpassen van de begrenzing van het NNN ligt bij Provinciale Staten. De procedure voor het wijzigen van de begrenzing is dat aanpassingen van de begrenzing worden opgenomen wanneer de Omgevingsverordening wordt gewijzigd. Dit proces vindt gemiddeld één keer per jaar plaats, wat betekent dat het soms twee keer per jaar gebeurt en soms één keer in de twee jaar. Gedeputeerde Staten kunnen de gewijzigde begrenzing pas opnemen in het provinciale Natuurbeheerplan als Provinciale Staten ermee hebben ingestemd. En initiatiefnemers kunnen pas subsidie voor (afwaardering en) inrichting van het NNN aanvragen op het moment dat een gebied is opgenomen in het Natuurbeheerplan. In het kader van de besluitvorming over het Handelingskader NNN hebben Provinciale Staten besloten deze bevoegdheid voor grenswijziging van nog te realiseren NNN-gebieden voor een beperkte tijd en onder strikte voorwaarden aan Gedeputeerde Staten te delegeren conform de procedure bij Krimpenerwaard en Bodegraven-Noord.

Hierdoor is wijziging van de begrenzing vaker mogelijk waardoor 95

initiatieven voor natuurontwikkeling buiten het NNN sneller gehonoreerd kunnen worden en natuur sneller gerealiseerd kan worden. In de nieuwe Omgevingswet wordt de bevoegdheid voor grenswijzigingen al neergelegd bij Gedeputeerde Staten, deze delegatie geldt dus tot invoering van de nieuwe Omgevingswet. Hierbij wordt gewerkt met dezelfde voorwaarden als bij de gebieden Krimpenerwaard en Bodegraven-Noord: • De bevoegdheid geldt alleen voor de nog te realiseren NNN-gebieden en -verbindingen; • •

Wijzigingen zijn hectare-neutraal of positief: het NNN-oppervlak blijft minimaal even groot; De functionaliteit van het Natuurnetwerk blijft onaangetast.

Voor het verschuiven van de bevoegdheid voor grenswijzigingen in het NNN naar Gedeputeerde Staten wordt de Omgevingsverordening gewijzigd, Conclusie: De omgevingsverordening wordt aangepast. Artikel 6.24 derde lid van de Omgevingsverordening komt als volgt te luiden: 3. De begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland, bedoeld in het eerste lid, kan worden vastgesteld door Gedeputeerde Staten met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. b.

deze bevoegdheid geldt alleen voor de nog te realiseren gebieden en ecologische verbindingen van het Natuurnetwerk Nederland; het oppervlak van het Natuurnetwerk Nederland blijft per saldo ten minste even groot;

c.

de functionaliteit van het Natuurnetwerk Nederland blijft onaangetast.

In de toelichting van de Omgevingsverordening komt de tekst over artikel 6.24 onder het kopje ‘wijziging van begrenzing’ als volgt te luiden: Wijziging van begrenzing De begrenzing van het NNN kan op grond van artikel 2.10.5 van het Barro alleen worden gewijzigd bij provinciale verordening. Dit vergt dus een besluit van Provinciale Staten. In het derde lid is de bevoegdheid tot het wijzigen van de begrenzing voor de nog te realiseren gebieden en ecologische verbindingen onder voorwaarden toegekend aan Gedeputeerde Staten. Hierdoor is wijziging van de begrenzing vaker en via een kortere procedure mogelijk waardoor initiatieven voor natuurontwikkeling sneller gehonoreerd kunnen worden en natuur sneller gerealiseerd kan worden. Provinciale Staten hebben hiertoe besloten in het kader van het Handelingskader Natuurnetwerk Nederland. Wijziging van de begrenzing is mogelijk ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het Natuurnetwerk Nederland of ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling. De toepassing is gebonden aan de voorwaarden die zijn genoemd in het Barro en toegelicht in de 'Spelregels EHS, beleidskader voor compensatiebeginsel, EHSsaldobenadering en herbegrenzing EHS (Kamerstukken II 2006/07, 30825, nr. 6).

96

B9 Permanente bewoning recreatiewoningen Aanleiding Zie onder A9 Conclusie: Deze module leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening wordt als volgt aangepast: Ingevoegd wordt artikel 6.10e, luidend: Artikel 6.10 e Permanente bewoning recreatiewoningen Een bestemmingsplan voor een verblijfsrecreatiepark met een omvang van 12 of meer recreatiewoningen, sluit permanente bewoning of functiewijziging naar wonen uit. Uitgezonderd hiervan zijn de verblijfsrecreatieparken die zijn opgenomen in bijlage X.

In de toelichting van de verordening wordt de volgende tekst opgenomen over het nieuwe artikel 6.10e. 6.10 e Permanente bewoning recreatiewoningen Permanente bewoning van recreatiewoningen is een regelmatig voorkomend probleem. Het gaat om een complexe problematiek. Zo voldoen de woningen veelal niet aan de normen voor gewone woningen, voor wat betreft bouw, bereikbaarheid en locatie. Ook gaat permanent gebruik voor bewoning, ten koste van de ruimte voor verblijfsrecreatie. De provincie vraagt daarom aan gemeenten om permanente bewoning uit te sluiten. Specifiek voor de grotere verblijfsrecreatieparken (met een omvang van 12 recreatiewoningen en meer) heeft de provincie dit vastgelegd in de Omgevingsverordening. Dit neemt niet weg dat ook voor kleinere parken en voor individuele woningen geldt, dat permanente bewoning in principe moet worden uitgesloten. Er kunnen situaties zijn waarbij een bestaand verblijfsrecreatiepark in de huidige vorm en opzet geen toekomst meer heeft. Per situatie moet bekeken worden wat de mogelijkheden zijn voor een kwaliteitsverbetering en opwaardering van het park. Transformatie naar woongebied zal gelet op de ligging van veel parken in het algemeen niet aan de orde zijn. De provincie sluit dit echter niet op voorhand uit.

Als een dergelijke situatie zich voordoet kunnen Provinciale Staten het betreffende verblijfsrecreatiepark opnemen in de bijlage van de Omgevingsverordening. Het betreffende verblijfsrecreatiepark wordt dan uitgezonderd van het verbod op permanente bewoning.

In bijlage VIII wordt een nieuw onderdeel 3 ingevoegd, onder gelijktijdige vernummering van het huidige onderdeel 3 tot onderdeel 4.

BIJLAGE VIII SITUATIES KRUIMELREGELING Als bedoeld in artikel 6.40, onder a

97

Toepassing van de hierna genoemde onderdelen van artikel 4, hoofdstuk IV, Bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht: 1. onderdeel 1, voor zover sprake is van ontwikkelingen

-

-

ten behoeve van detailhandel en/of kantoren; op gronden binnen de veiligheidszone langs de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op 'Kaart 6 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas'; op bedrijventerreinen, aangeduid op de bedrijventerreinenkaart in de Omgevingsvisie, of op gronden binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op 'Kaart 9 Cultureel erfgoed';

2. onderdeel 9, voor zover sprake is van gebruikswijziging(en): - ten behoeve van detailhandel of kantoren;

-

op gronden binnen de veiligheidszone langs de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op 'Kaart 6 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas';

-

op bedrijventerreinen, aangeduid op de bedrijventerreinenkaart in de Omgevingsvisie, of ten behoeve van huisvesting van arbeidsmigranten in: kassen;

-

bebouwing die in de Ruimtelijk-economische Strategie Westland ten behoeve van de herstructureringsopgave is aangeduid als categorie 1;

3. Onderdeel 10, ten aanzien van de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor de permanente bewoning van recreatiewoningen.

4. onderdeel 11, tenzij sprake is van:

-

het realiseren van tijdelijke nieuwe woningen binnen bestaand stads- en dorpsgebied; het realiseren van nieuwe tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten bij een agrarisch bedrijf gedurende een korte seizoenpiekperiode.

Toegevoegd wordt bijlage X Verblijfsrecreatieparken

BIJLAGE X VERBLIJFSRECREATIEPARKEN Als bedoeld in artikel 6.10e (Deze bijlage is nog leeg)

B10 Verstedelijking en mobiliteit Aanleiding 98

Zie onder A10 Conclusie: Deze module leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Wijziging Omgevingsverordening: Ingevoegd wordt een nieuw artikel 6.10d, luidende: Artikel 6.10d Bereikbaarheid Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. De toelichting van de Omgevingsverordening wordt aangevuld met de volgende tekst over artikel 6.10d: Artikel 6.10d Bereikbaarheid Alvorens de gemeente besluit een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling toe te laten is het nodig onderzoek te doen naar de gevolgen van die ontwikkeling voor het omliggende verkeers- en vervoersnetwerk. De verkeerseffecten kunnen leiden tot een verslechtering van de bereikbaarheid en een toename van de knelpunten op het netwerk. Het is wenselijk hier tijdig onderzoek naar te doen en zo nodig met alle betrokken partijen te bezien of aanvullende maatregelen nodig en mogelijk zijn om dit te voorkomen. Het bereikbaar houden van de regio is een provinciaal belang. De gevolgen voor de bereikbaarheid moeten daarom meewegen bij de locatiekeuze voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. De provincie verwacht van de gemeente dat in de motivering van het bestemmingsplan hierover een zorgvuldige afweging is opgenomen.

B11 Boom- en Sierteeltgebied Greenport Boskoop Aanleiding De gemeenten in de Greenport Boskoop hebben in 2011 de Intergemeentelijke structuurvisie Greenport Boskoop (ISV) vastgesteld, voor de gemeenten een schakel tussen hun omgevingsvisie en bestemmingsplan. Naar aanleiding van verschillende ontwikkelingen in de Greenport, zoals schaalvergroting, herstructurering en kwaliteitsverbetering, hebben Gedeputeerde Staten de gemeenten uitgenodigd om de ISV te actualiseren en op basis daarvan te beoordelen of de instructieregels voor boomen sierteelt in de Omgevingsverordening hierop kunnen worden aangepast. Daarmee worden het gemeentelijk beleid en de Omgevingsverordening zoveel mogelijk geharmoniseerd. Kort samengevat komen die wijzigingen op het volgende neer: • Verhoging glaspercentage PCT-terrein van 50 naar 70 procent; • •

Vervangen afwijkingsmogelijkheid bestaande afwijkende functies door mogelijkheid de begrenzing hierop aan te passen, conform identieke regeling glastuinbouwgebieden; Toevoegen maatwerkgebieden voor andere functies, conform identieke regeling

•

glastuinbouwgebieden; Harmoniseren begrenzing boom- en sierteeltgebied gemeenten en provincie.

99

Het PCT-terrein is al geruime tijd in het provinciale beleid aangewezen om in een beperkt deel van de Greenport Boskoop pot- en containerteelt te concentreren, inclusief de bijbehorende verharding, bebouwing, waterberging en overige functies. In de voorliggende wijziging wordt de begrenzing van het PCT-terrein niet aangepast. Op verzoek van de gemeenten en om tegemoet te komen aan de behoefte voor kwaliteitsverbetering, beheersbaarheid, schaalvergroting, digitalisering en internationalisering van de boom- en sierteelt wordt het maximale percentage kassen op het PCT-terrein verhoogd van 50 naar 70 procent. Met deze verdichting en het intensievere ruimtegebruik en de in de ISV toegezegde zorgvuldige ruimtelijke/landschappelijk inpassing, zullen de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit zeer beperkt zijn ten opzichte van de huidige mogelijkheden. De gemeenten hebben tevens verzocht om in deze module op het ITC terrein en het PCT-terrein windturbines met een ashoogte van 45 meter toe te staan om in de energievoorziening te kunnen voorzien gezien de energievraag die daar ontstaat. Op het ITC-terrein (bedrijventerrein) laat de Omgevingsverordening dit nu al toe. Uitbreiding van die mogelijkheid naar het aangrenzende PCT-terrein is onderdeel van de Regionale Energie Strategie (RES).

Voorgesteld wordt om de afweging te maken in het kader van de herziening van het provinciale Omgevingsbeleid naar aanleiding van de energietransitie (startnotitie) en in relatie tot de energiebehoefte en de inpassing van de energie-infrastructuur. Conclusie: Deze module leidt tot aanpassing van de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening wordt als volgt aangepast. Het derde lid van artikel 6.16 (boom- en sierteeltgebied) komt te luiden: 3. Een bestemmingsplan voor gronden binnen het boom en sierteeltgebied PCT-terrein, bedoeld in het eerste lid, onder b, kan voorzien in kassen bij volwaardige boom- en sierteeltbedrijven, tot 70 procent van het beteelbare oppervlak per bedrijf. In artikel 6.16 (boom- en sierteeltgebied) wordt een zevende lid ingevoegd: 7. In het bestemmingsplan kan de begrenzing van het boom- en sierteeltgebied, bedoeld in het eerste lid, in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het boom- en sierteeltgebied.

In artikel 6.16 (boom- en sierteeltgebied) wordt een achtste lid ingevoegd: 8. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toelaten die niet behoren tot de boom- en sierteelt voor zover het gronden betreft met de aanduiding Boom- en sierteeltgebied - maatwerk, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II. De toelichting op artikel 6.16 (boom- en sierteeltgebied) komt als volgt te luiden: Artikel 6.16 Boom- en sierteeltgebied De verdere ontwikkeling van de Greenport Boskoop tot een economisch concurrerende en duurzame greenport is van provinciaal belang. In verband hiermee heeft de provincie 100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/774/documents/29856