CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg

Raadsvergadering 10 december 2024, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen Bestemmingsplan Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg29.716 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 55

Hoofdstuk 5 Waardentoets 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de waardentoets beschreven. Hieronder vallen natuurwaarden, archeologie en water. Er wordt beschreven wat er is onderzocht en welke resultaten hieruit zijn gekomen. Vervolgens wordt hier een conclusie uit getrokken met betrekking tot de ontwikkeling.

5.2 Natuurwaarden Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Soortenbescherming is geregeld in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming betreft o.a. regelgevingen m.b.t. Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming Natuurbegraafplaats De Wet natuurbescherming richt zich o.a. op de bescherming van soorten. Hierbij wordt uitgegaan van het 'nee, tenzij'-principe. Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen waarbij beschermde soorten in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de zorgplicht. Dit houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Door middel van een ecologisch onderzoek (door Econsultancy) is er getoetst of er bij het voorgenomen plan voor natuurbegraven sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Dit geldt voor het hele plangebied voor natuurbegraven, in beide gemeenten (Rhenen en Veenendaal). Het ecologische onderzoek is bijgevoegd (Bijlage 2 van de toelichting). Op basis van de toetsing is beoordeeld of er voor de voorgenomen ingreep in het plangebied procedurele gevolgen zijn betreffende de Wet natuurbescherming en overige relevante wetgeving, en of het bestemmingsplan uitvoerbaar is.

Het koetshuis is niet meegenomen in het ecologische onderzoek, aangezien niets aan dit gebouw verbouwd hoeft te worden. Broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien dichte struiken of takkenhopen buiten het broedseizoen worden verwijderd, er geen overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) plaats zal vinden met betrekking tot deze soorten. De nesten mogen alleen worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan de periode maart tot half augustus als broedseizoen worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Das Het bosgebied op de onderzoekslocatie heeft een belangrijke functie voor de das. Daarnaast worden de agrarische percelen op de onderzoekslocatie in beperkte mate gebruikt om te foerageren. Zowel de vaste rust- en voortplantingsplaatsen als de bijbehorende functionele leefomgeving zoals vluchtpijpen en essentiële foera-geergebieden zijn beschermd. Artikel 11.54

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 56

(Bal) (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) is van toepassing. Het verstoren van dassen op zichzelf is geen overtreding van de Omgevingswet. Wel kan verstoring van een burcht zorgen dat de burcht (op termijn) niet meer goed kan functioneren, of dat de voortplantingscyclus wordt verstoord. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten in het kader van natuurbegraven, zal het aanbod foerageermogelijkheden niet in het geding komen. Ten behoeve van het natuurbegraven zal per graf een gat worden gegraven, maar er zullen geen bomen verwijderd worden. De eigenschappen van het gebied zullen behouden blijven. Uit een verkennend onderzoek naar de effecten van natuurbegraven op water, bodem en natuur (van der Riet en Westendorp, 2017) is gebleken dat de effecten van natuurbegraven op bodemfauna gering zijn. In de oplegnotitie wordt aangegeven dat alleen bij hoge aantallen graven per hectare een negatief effect kan ontstaan. Met maximaal 150 graven per hectare van 1 bij 2 meter zal maximaal 300 m2 bosbodem worden vergraven, dat is maximaal 3% van de bosbodem, verspreid over een periode van tientallen jaren.

Daarnaast wordt in het onderzoek van Van der Riet en Westendorp aangegeven, dat als de toplaag weer als laatste teruggeplaatst wordt, de effecten nog geringer zijn. Met de voorgenomen activiteiten dient voorkomen te worden dat dassenburchten worden vergraven, en dient voorkomen te worden dat verstoring van dassen plaatsvindt ter plaatse van de burchten. Door binnen een zone van 25 meter rondom de burchten geen natuurbegraven te laten plaatsvinden, wordt het vergraven van dasssenburchten voorkomen. Dit is geborgd in het opgestelde inrichtings- en beheerplan (zie Bijlage 1 van de regels) welke als voorwaardelijke verplichting is opgenomen in de regels van het bestemmingsplan (zie artikel 4.3.3) en in de regels (zie artikel 4.3.1) en op de verbeelding van dit bestemmingsplan. Machinaal graven met een minigraver zorgt voor een relatief grotere verstoring dan enkel menselijke activiteit. Machinaal graven, met uitzondering van volledig elektrische machines, dienen daarom niet plaats te vinden binnen 50 meter van dassenburchten. In de zone tussen 25 meter en 50 meter van dassenburchten kan wel begraven worden, maar dient het graf handmatig of met volledig elektrisch graafmateriaal gegraven te worden. De voorgestelde buffer-afstand van 50 meter is conform hetgeen gesteld wordt in het kennisdocument van de das (BIJ12, juli 2017).

Volgens het kennisdocument zijn activiteiten binnen een straal van 50 meter mogelijk, indien negatieve gevolgen zo veel mogelijk beperkt worden. Daarom is gekozen om binnen deze zone uitsluitend elektrisch te werken. Gezien de beperkte verstoring die optreedt en de korte duur van de werkzaamheden en de ceremonie zijn negatieve gevolgen op het functioneren van de burcht uit te sluiten. Verder wordt in het kennisdocument gesteld dat activiteiten binnen een straal van 20 meter onder voor-waarden ook mogelijk zijn, echter is in dit plan gekozen om een zone van 25 meter rondom elke aan-wezige functionele dassenpijp geen activiteiten met betrekking tot natuurbegraven toe te staan om zo negatieve gevolgen op dassen zo veel mogelijk te voorkomen. Verder is het belangrijk om aanlooproutes voor de begraafceremonie, en de aanrijroutes van graafkranen niet binnen de bufferzones plaats te laten vinden. De voorgestelde bufferzones zijn weergegeven in figuur 25. De begrafenissen vinden uitsluitend plaats overdag en buiten de verstoringsafstand van aanwezige dassenburchten. Er wordt tijdens de begraafceremonies geen gebruik gemaakt van versterkt geluid en de ceremonie is slechts van korte duur (maximaal een uur op locatie). Over het algemeen zullen veruit de meeste bezoekers buitenom de ceremonies uitsluitend gebruik maken van de bestaande paden.

Incidenteel zouden bezoekers kunnen afwijken van de bestaande padenstructuur om het graf te bezoeken, aangezien de graven altijd buiten de verstoringsafstand van minimaal 25 meter aanwezig zijn, zal door deze incidentele bezoeken geen verstoring van de burchten optreden. Tot slot vindt er gedurende meerdere jaren vaak verschuiving plaats van de ligging van de dassen-burchten. Het is daarom van belang om minimaal eens in de 3 jaar de ligging van de dassenburchten te actualiseren door een deskundige op het gebied van dassen. Zo wordt voorkomen dat op de lange termijn alsnog een burcht vergraven of verstoord wordt. Als uit de

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 57

actualisatie naar voren komt dat een burcht niet meer functioneel is, hoeft de voorgestelde bufferafstand bij de betreffende burcht niet meer gehanteerd te worden.

Figuur 25: Ligging dassenburchten op de onderzoekslocatie en buffers voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Volledig elektrische graafkranen zijn uitgezonderd van de zone van niet machinaal begraven. Met de voorliggende eisen ten aanzien van de das is rekening gehouden bij het opgestelde inrichtings- en beheerplan en aan de eisen kan bij de uitvoering worden voldaan. Daarnaast wordt er met het voorliggende plan tevens bijna 5 hectare aan agrarische gronden omgezet naar de bestemming natuur en daarbij natuurlijk ingericht. Bij de inrichting is rekening gehouden met de dassen (optimaal leefgebied). Het totale plan draagt daarmee bij aan de biodiversiteit en het optimaliseren van het leefgebied voor o.a. dassen. Tot slot worden een aantal openbare wandelpaden in het gebied afgesloten, t.b.v. de das. Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 (Bal) in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd.

Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Hazelworm, levendbare hagedis en zandhagedis De hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis komen voor binnen de onderzoekslocatie. Daarnaast kan incidenteel een rugstreeppad voorkomen. Vrijwel de gehele locatie blijft zoals deze in de huidige situatie is. Er gaat derhalve geen habitat verloren. Het is bij graafwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de na-tuurgraven echter wel te adviseren om dit met de hand dan wel met kleine machines te doen. Dit geldt ook voor onderhoudswerkzaamheden zoals het verwijderen van de strooisellaag. Om doden en

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 58

verwonden, en daarmee schadelijke effecten die leiden tot een vergunningsplichtig geval, dienen deze werkzaamheden handmatig uitgevoerd te worden. Daarnaast wordt geadviseerd, indien de locaties van de in de winter te realiseren natuurgraven vóór de winter al bekend zijn, deze vrij te houden van dichte begroeiing en/of strooisellaag. Dit voorkomt dat er op deze locaties overwinterende hazelwormen aanwezig zullen zijn. Overige soort(groep)en Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroe-pen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde. Soortenbescherming gebouwen en locaties zonnepanelen, parkeerplaatsen en kapschuur Ook voor de functiewijzing van de Zondagsschool, de voormalige Schapenschuur, de locatie voor realisatie van zonnepanelen en parkeerplaatsen en voor de locatie voor de te realiseren nieuwe kapschuur is een soortenonderzoek uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in Bijlage 3.

In het rapport is geconcludeerd dat overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde zijn. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden betreffen een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/43/EEG) en de gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op de NNN denkbaar zijn, is het raadzaam (en in sommige gevallen noodzakelijk) een NNN-toetsing uit te voeren. Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Binnenveld, bevindt zich op circa 2,8 km afstand ten oosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 26). Daarnaast ligt het Natura 2000-gebied Rijntakken op 3,5 km ten zuidwesten van de onderzoekslocatie.

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 59

Figuur 26: Ligging plangebied voor natuurbegraven ten opzichte van Natura 2000 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 uitgesproken dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten gebruikt mag worden. Daarmee vervalt de in het PAS gehanteerde grenswaarde voor stikstofdepositie van 0,05 mol N/ha/jaar. Gevolg hiervan is dat alle ingrepen die de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in de omgeving ook maar enigszins verhogen in principe niet zijn toegestaan. Door de relatief kleine afstand van circa 2,8 km tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, kan een verhoging van de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ingreep een toename van het aantal bezoekers op dit Natura 2000-gebied niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is een stikstoftoets uitgevoerd. In eerste instantie is hierbij alleen het deel van de natuurbegraafplaats meegenomen die in de gemeente Rhenen ligt (inclusief de wijziging van de functies van het koetshuis). Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 4 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Conclusie van het onderzoek is dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden kleiner is dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar.

Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten (zowel in de aanlegals de gebruiksfase). Op basis van dit onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof. Aangezien de Aerius-calculator vervolgens nog is ge-update, en het plangebied is vergroot (met ook het deelgebied in de gemeente Veenendaal), zijn voor de volledigheid nieuwe aerius-berekeningen uitgevoerd voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase (voor het plangebied, inclusief deelgebied Veenendaal). Deze berekeningen zijn bijgevoegd in Bijlage 5 en Bijlage 6 van de toelichting van dit bestemmingsplan. De conclusies blijven gelijk. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden kleiner is dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Externe effecten zoals geluid, licht en trillingen kunnen door de afstand van 2,8 km op het dichtstbij-zijnde Natura 2000-gebied en de aard van de ingreep op voorhand worden uitgesloten. Toets Natuurnetwerk Nederland (NNN) op basis van de Provinciale Ruimtelijke Verordening De onderzoekslocatie maakt deel uit van het Natuurnetwerk. In figuur 27 is de ligging van het plangebied voor de natuurbegraafplaats (voor de beide gemeenten) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 60

Figuur 27: Ligging plangebied Natuurbegraafplaats ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is planologisch beschermd. Dit betekent dat de provincie Utrecht nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN niet toestaat. In artikel 6.3 van de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht (10 maart 2021) is het volgende vastgelegd over nieuwe bestemmingen binnen het Natuurnetwerk Nederland: 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Natuurnetwerk Nederland bevat geen nieuwe bestemmingen en regels die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan die nadelige gevolgen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in bijlage 10 Wezenlijke kenmerken en waarden van deze verordening, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, oppervlakte of de samenhang van het natuurnetwerk Nederland, tenzij sprake is van: a. Ruimtelijke ontwikkelingen vanwege een groot openbaar belang, waarbij er geen reële alternatieven zijn die het natuurnetwerk Nederland niet of minder aantasten; b.

Ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot aantasting worden gecompenseerd binnen een met die ruimtelijke ontwikkeling samenhangend gebied en met dusdanige activiteiten dat de uitvoering van die activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar resulteert in een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het natuurnetwerk Nederland voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang; of c. Ruimtelijke ontwikkelingen in het Natuurnetwerk Nederland die beperkt worden gewijzigd of worden toegevoegd, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande bestemming. 2. Onder de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval niet de bestaande legale bebouwing, erven en verharding begrepen. 3. Aantasting van het natuurnetwerk Nederland op grond van het eerste lid is slechts mogelijk als: a. De aantasting zo veel mogelijk wordt beperkt; en b. De overblijvende aantasting tijdig wordt gecompenseerd. a. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan. De voorgenomen ingreep, het realiseren van een natuurbegraafplaats, zonnepanelen en parkeerplaatsen en een nieuwe kapschuur, zal leiden tot een verandering van bestemming van

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 61

een gebied gelegen in het Natuurnetwerk Nederland. Uit lid 1 van artikel 6.3 blijkt dat een dergelijke wijziging alleen doorgevoerd kan worden wanneer er sprake is van, of een groot openbaar belang, of een noodzakelijke toevoeging voor de instandhouding van de bestaande bestemming, of een passende compensatie. De voorgenomen ingreep valt niet onder een groot openbaar belang of noodzakelijke toevoeging, waardoor deze ingreep enkel uitgevoerd kan worden wanneer er een passende compensatie gevonden kan worden. Dit is ook vastgelegd in lid 3 van artikel 6.3, waaruit blijkt dat aantasting van het Natuurnetwerk Nederland slechts mogelijk is wanneer aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt en de overblijvende aantasting tijdig wordt gecompenseerd. Een deel van de natuurbegraafplaats wordt gerealiseerd in bestaand bosgebied, onderdeel uitmakend van NNN-gebied. Mensen die in de natuur begraven willen worden, zoeken daarvoor een plek in de natuur. Lijn is in dit geval eerst begraven in bestaande natuur en tegelijkertijd ontwikkelen van nieuwe natuur op agrarische percelen. De motivatie om in NNN te begraven wordt in dit geval toegestaan omdat de landgoedeigenaar op korte termijn financiële middelen nodig heeft voor instandhouding landgoed. Daarnaast is een van de doelen van natuurbegraven is de verbinding tussen mens en natuur blijvend herstellen.

Doordat men een graf bij leven koopt wordt men meegenomen in de natuur en haar bijbehorende verhalen. Met als gevolg een sterker gevoel van waardering en respect voor natuur. Indirect heeft de natuur hier baat bij, doordat dit gedrag op een veel groter stuk natuur haar weerslag heeft. Mede daarom is het belangrijk om men ook echt in de natuur te laten begraven. Daarnaast wordt de natuur waar natuurbegraven wordt per definitie opgewaardeerd door dagelijkse monitoring en beheer. De huidige agrarische percelen zijn hiervoor niet direct geschikt. Deze worden nog omgezet naar natuur. In het opgestelde inrichtings- en beheerplan zijn daarnaast diverse maatregelen (inrichting en beheer) opgenomen die de aantasting van het NNN-gebied zoveel mogelijk beperken en zelfs juist versterken. Zo wordt het bos gevarieerder, wordt ondergroei bevorderd en worden houtrillen aangelegd. Dit komt veel soorten ten goede en versterkt de waarden van het ecosysteem. In de kwetsbare delen van het plangebied (qua natuurwaarden) wordt begraven niet toegestaan. Met het plan wordt ook bijna 5 hectare nieuwe natuur binnen NNN-gebied gerealiseerd en wordt circa 14,5 hectare bosgebied opgewaardeerd.

De locatiekeuze is zorgvuldig tot stand gekomen (zie paragraaf 2.8 van de toelichting van dit bestemmingsplan), de grafdichtheid is beperkt tot gemiddeld 150 graven per hectare binnen het bestaande bosgebied en het aantal begrafenissen is gemaximeerd op 90 per jaar. Essentieel is daarbij ook dat uit onderzoeken en deskundigen-oordelen blijkt dat natuurbegraven (onder voorwaarden) geen significante effecten heeft op de vegetatie en de bodemchemie. Aan deze voorwaarden wordt met dit plan voldaan. Zie hiertoe paragraaf 2.6 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Nadat het voorliggende ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, is de provinciale Omgevingsverordening op enkele punten aangepast. De relevante regelgeving per 1 januari 2024 is weergegeven op bladzijde 7 en 8 van de bijgevoegde 'Natuurvisie Landgoed Prattenburg', zoals opgenomen als Bijlage 12 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Beoordeling van het voorliggende plan op deze aangepaste regels leidt niet tot andere conclusies dan hier weergegeven. Om vast te stellen of het plan daadwerkelijk kan bijdragen aan een versterking van het Natuurnetwerk Nederland dient een Natuurvisie opgesteld te worden waarin is beschreven hoe de voorgenomen plannen kunnen leiden tot een toename in oppervlakte, samenhang en kwaliteit (ook met het oog op wezenlijke waarden en kenmerken) van Natuurnetwerk Nederland.

Natuurvisie Landgoed Prattenburg Deze 'Natuurvisie Landgoed Prattenburg' is vervolgens opgesteld en bijgevoegd in Bijlage 12 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Hierna volgt de conclusie.

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 62

Uit de analyse voor de Natuurvisie blijkt dat de voorgenomen plannen, het realiseren van een natuurbegraafplaats, de bouw van zonnepanelen en een kapschuur en parkeren rondom de zonnepanelen, kunnen bijdragen aan het versterken van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Daarnaast zal het planvoornemen leiden tot een grotere oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland. Tevens blijkt uit de analyse dat er oppervlakte compensatie benodigd is met een minimale oppervlakte van 5.190 vierkante meter. Het perceel dat is aangedragen voor compensatie, valt binnen de wettelijk gestelde eisen, zoals die in de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht (10 maart 2021) staan opgetekend. Het perceel grenst aan het plangebied en heeft als bestemming 'NNN agrarisch' en maakt deel uit van de Groene Contour. Deze beide bestemmingen zijn geschikt als compensatiegebied. Van het toegewezen perceel zal aan de zuidzijde 5.190 vierkante meter als compensatiegrond ingericht worden. Op deze compensatiegrond kunnen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland op, en rond, het plangebied versterkt worden door hier een verbindingszone te creëren naar het oostelijk gelegen bosperceel. Deze verbinding kan gecreëerd worden door het gebied op een tweetal manieren te beplanten.

Het zuidelijke deel van de compensatiegrond wordt aangeplant met inheemse boomsoorten om hier een bosstrook van te maken, waardoor er voor grote zoogdieren een verbindingszone ontstaat. Het noordelijke deel kan aangeplant worden als een brede bosrand, met struiken en heesters. Hierdoor ontstaat er ook voor kleinere zoogdiersoorten en reptielen een geschikte verbindingszone. Tevens kan deze bosrand dienen als foerageer- en broedgebied voor veel vogels. Door ook een kruidenrand in deze bosrand te realiseren, zal ook de hoeveelheid insecten toenemen. Ook op de planlocatie kunnen de voorgenomen plannen helpen bij het versterken van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Het creëren van een minder uniform bos met staand dood hout en een weelderige ondergroei komt veel soorten ten goede en versterkt de waarden van het ecosysteem. Ook het aanleggen van takkenrillen zorgt voor meer beschutting en rust in het gebied. Naast de noodzakelijke oppervlaktecompensatie zal op 14,56 hectare nog opwaardering van bestaande natuurwaarden plaatsvinden. Dit is meer oppervlakte als het natuurgebied binnen NNN waar natuurbegraven mogelijk wordt gemaakt. In figuur 27,1 is weergegeven waar deze extra opwaardering plaats gaat vinden. Het perceel bevindt zich op circa 1,5 kilometer afstand ten zuidoosten van het plangebied voor natuurbegraven.

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 63

Figuur 27.1: Ligging op te waarderen bosgebied Uit deze Natuurvisie blijkt dat de voorgenomen plannen in het gebied zorgen voor het versterken van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland. Ook zal het planvoornemen leiden tot een grotere oppervlakte en samenhang binnen het Natuurnetwerk Nederland. De exacte inrichting van het plangebied waar natuurbegraven in het bos plaatsvindt, is vastgelegd in het 'Inrichtings- en beheersplan Natuurbegraafplaats Prattenburg', dat door Natuurbegraafplaatsen Van Waarde is opgesteld. Dit plan is geborgd in de regels, als voorwaardelijke verplichting (zie artikel 4.3.3). In het opgestelde Natuurcompensatieplan is vastgelegd op welke wijze de compensatiegrond ingericht en beheerd wordt. Natuurcompensatieplan Direct ten oosten van het plangebied voor natuurbegraven, vindt de natuurcompensatie plaats. Hier wordt een agrarisch gebied van 5.190 m2 omgevormd naar nieuwe natuur, naast dat er circa 4,5 hectare aan agrarische gronden wordt omgevormd naar natuur (binnen NNN), waar ook natuurbegraven mogelijk wordt gemaakt. Dit betreft het oranje gearceerde gebied, zoals weergegeven in figuur 14.

De natuurcompensatie vindt plaats omdat het natuurbegraven, maar ook de realisatie van de kapschuur en de realisatie van de panelen en het mogelijk maken van parkeren rond de panelen in gebied, plaastvindt welke is aangewezen als 'Natuurnetwerk Nederland (NNN)'. Het natuurcompensatieplan is opgenomen in Bijlage 4 van de regels van dit bestemmingsplan. Het plan sluit hierbij aan op de uitgangspunten voor de inrichting zoals genoemd in de Natuurvisie, zodat zo optimaal wordt bijgedragen aan het versterken van de wezenlijke kenmerken en waarden van het plangebied. Herbestemmen gebouwen Het herbestemmen van de Zondagsschool en Schapenschuur tot logiesfuncties, de twee bestaande schuren (die dienst gaan doen voor opslag en kantoor) en het koetshuis leidt niet tot een aantasting van het NNN in vergelijking met de vorige functies, zoals het geven van bijbelonderwijs en het houden van schapen en het wonen. De herbestemming van de gebouwen leidt niet tot significant negatieve effecten op één van de

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 64

volgende punten: De aanwezige ecosystemen (waaronder biotopen en habitats); De potenties; De robuustheid van het systeem inclusief de verbindingsfunctie voor soorten; Bijzondere soorten; en De abiotische en ruimtelijke condities die deze soorten en ecosystemen nodig hebben. De drie gebouwen betreft uitsluitend bebouwd oppervlak. De functies vinden in bestaande bebouwing plaats en zorgen niet voor significante toename van bijvoorbeeld geluid (zie o.a. de motivering bij de paragraaf over 'stiltegebied', zoals opgenomen in paragraaf 4.3.1 van deze toelichting). Deze gebouwen hebben momenteel geen waarde voor de aanwezige ecosystemen en bijzondere soorten. Het omvormen van deze gebouwen tot natuur is het enige alternatief. Dit is cultuurhistorisch ongewenst/onmogelijk en zal naar verwachting niet bijdragen aan het versterken van het NNN. De gebouwen zullen geen bijdrage leveren aan de robuustheid van het systeem inclusief de verbindingsfunctie voor deze soorten. Het nieuwe gebruik is nodig om de monumentale gebouwen in stand te houden. Zie paragaaf 2.11 van de toelichting. Tenslotte: in het totale plan wordt meer gecompenseerd, aangaande NNN, dan nodig. Er wordt 14,5 hectare bestaand bos opgewaardeerd. Hiermee is voorzien in een extra buffer, om met zekerheid te voldoen. Conclusie Het voorliggende plan voldoet aan de regels m.b.t.

Natuurnetwerk Nederland, zoals weergegeven in de Interim Omgevingsverordening. De aantasting van het NNN-gebied is zoveel mogelijk beperkt, en de NNN wordt ter plaatse van de Natuurbegraafplaats, en op andere plekken, juist ook op onderdelen versterkt. Het totale plan, inclusief de inrichting van compensatiegebied, zorgt voor een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor de natuur, die zal ontstaan binnen 10 jaar in zowel kwaliteit, oppervlakte als in samenhang voor het NNN. Bescherming houtopstanden Natuurbegraafplaats De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bo-men, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. De houtopstanden binnen het plangebied van de natuurbegraafplaats zijn gelegen buiten de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Hierdoor genieten deze bescherming onder de Wet natuurbescherming. Er worden bij de realisatie van de graven echter geen houtopstanden geveld, waardoor een overtreding van artikel 4 van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde houtopstanden uitgesloten is. Ecologisch werkprotocol De uitkomsten van het uitgevoerde natuuronderzoek hebben geleid tot een ecologisch werkprotocol.

Hierin wordt aangegeven welke maatregelen worden genomen om schade aan (beschermde) soorten zoveel mogelijk te voorkomen. Het ecologische werkprotocol is opgenomen in Bijlage 3 van de regels van dit bestemmingsplan. Slotconclusie Het bestemmingsplan is uitvoerbaar op het aspect natuurwaarden. Met betrekking tot soortenbescherming bij de realisatie van de natuurbegraafplaats moeten wel aan aantal beperkingen in acht worden genomen. Deze zijn o.a. vertaald in het opgestelde inrichtings- en

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 65

beheerplan (zie Bijlage 1) van de regels van dit bestemmingsplan en in het opgestelde ecologische werkprotocol.

5.3 Archeologische waarden Aardkundige, archeologische en cultuurhistorische waarden moeten zoveel mogelijk worden behouden. Op basis van het verdrag van Malta en de Wet op de archeologische monumentenzorg is het uitgangspunt gesteld om archeologische erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en maatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. De verstoorder van de bodem is verantwoordelijk voor het behoud van de archeologische resten. Daar waar behoud ter plekke niet mogelijk is, betaalt de verstoorder het archeologisch onderzoek en de mogelijke opgravingen. Voor ruimtelijke plannen die archeologische waarden bedreigen, moeten betrokken partijen in beeld brengen welke archeologische waarden in het geding zijn. Bij het voorliggende plan geldt dit voor het plangebied waar natuurbegraven plaats gaat vinden, en er inrichtings- en beheermaatregelen worden uitgevoerd. Bij het koetshuis wordt de grond niet geroerd. Ter hoogte van de kapschuur wel, maar dit betreft een minimale oppervlakte van 150 m2. Ook wordt hier de grond niet dieper geroerd dan 0,3 meter onder maaiveld, aangezien gebruik wordt gemaakt van Prefab betonnen poeren. Ook met het plaatsen van de zonnepanelen wordt de grond niet dieper geroerd dan 0,3 meter onder maaiveld.

Archeologisch bureauonderzoek natuurbegraafplaats in bosgebied In eerste instantie is een archeologisch bureauonderzoek (door KSP Archeologie) uitgevoerd voor de realisatie van de natuurbegraafplaats (zie voor het onderzoeksrapport Bijlage 7 van de toelichting van dit bestemmingsplan). Op basis van de gegevens die in het bureauonderzoek zijn verzameld, is een middelhoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum, een hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en een lage verwachting voor bewoningsresten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd. Inventariserend Veldonderzoek verkennende fase (booronderzoek) natuurbegraafplaats in bosgebied Uit het booronderzoek (door KSP Archeologie) is gebleken dat de verstoring van de bovengrond door bosbouw 10 tot maximaal 50 cm bedraagt (zie het bijgevoegde onderzoeksrapport zoals opgenomen in Bijlage 8 van de toelichting van dit bestemmingsplan). De oorspronkelijke podzolbodem in het plangebied is vanaf de Bh- dan wel Bhshorizont grotendeels intact aangetroffen. Daarnaast zijn er duinvaaggronden aangetroffen, waaronder de veldpodzolbodem vanaf de Bh- dan wel Bhs-horizont vaak intact is aangetroffen.

Uit veldwaarnemingen is gebleken dat in het plangebied resten aanwezig zijn die samenhangen met militaire activiteit tijdens WO II. Op basis hiervan blijft de middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en de hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) gehandhaafd. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe Tijd Midden bij te stellen, maar de lage verwachting voor de Nieuw Tijd Laat wordt bijgesteld naar hoog. Op grond van de aangetroffen resten uit WO II en de grote mate van intactheid van de bodem in het plangebied en daarmee hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen ouder dan de late Middeleeuwen adviseert KSP Archeologie in ieder geval om de resten uit WO II beter in kaart te brengen ten behoeve van de bescherming van deze resten. Afhankelijk van de eventuele inrichtingsplannen en locaties van natuurbegravingen wordt geadviseerd om op de desbetreffende plekken een karterend booronderzoek uit te voeren voor vindplaatsen ouder dan

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 66

de Late Middeleeuwen. Deze vindplaatsen worden vooral verwacht rondom de laagte aan de noordwestzijde van het plangebied en de laagte in het midden van het plangebied. Aanbevolen wordt om een zone van 50 m breed rondom de laagtes te onderzoeken. Het bevoegd gezag heeft het aangepaste rapport beoordeeld en goedgekeurd. Er is een vervolgonderzoek verplicht gesteld voor het in kaart brengen van WO II resten en er is geen vervolgonderzoek verplicht voor archeologische waarden ouder dan WO II. Archeologisch bureauonderzoek met verwachtingskaart voor resten uit de Tweede Wereldoorlog, natuurbegraafplaats in bosgebied Onderzoeks- en adviesbureau BAAC bv heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied landgoed Prattenburg te Rhenen en Veenendaal (dit volledige onderzoeksrapport is opgenomen in van de toelichting van dit bestemmingsplan). Aanleiding voor het onderzoek is het plan om op het landgoed een natuurbegraafplaats in te richten. Tijdens een verkennend booronderzoek is door KSP archeologie vastgesteld dat er binnen het plangebied diverse opvallende structuren aanwezig waren die in verband kunnen worden gebracht met militaire activiteiten uit de Tweede Wereldoorlog. Door het onverwacht aantreffen van deze resten is er besloten een aanvullend bureauonderzoek uit te laten voeren naar enkel de archeologische resten uit de oorlogsjaren.

Binnen en rondom het plangebied bevinden zich verdedigingswerken van een artilleriesteunpunt van één van de meest bekende en belangrijkste Nederlandse verdedigingslinie uit de oorlog, de Grebbelinie, of Valleistelling, zoals de linie in 1939-1940 werd aangeduid en de resten van een Duitse Flakstellung (luchtafweerstelling). Het artilleriesteunpunt omvatte drie batterijen (1e, 2e en 3e) van de eerste afdeling van het 4e Regiment Artillerie (I-4RA) en bestond uit simpele veldversterkingen, al voor het uitbreken van de oorlog volledig gevechtsklaar gemaakt. De kanonnen stonden in de vuurposities, de loopgraven waren versterkt en de munitie stond uitgepakt paraat voor direct gebruik bij een mogelijke aanval. Vanuit deze vuurstellingen is tijdens de meidagen vuur afgegeven op het front nabij Veenendaal in het noorden en later vlak voor het terugtrekken ook op de Grebbeberg in het zuiden. Binnen het plangebied ligt verder een Duitse zware Flakstellung (luchtafweerstelling)j, die waarschijnlijk eind 1944 is aangelegd. Het gaat om een stelling voor zwaar luchtafweergeschut met een kaliber van 8,8 cm. In totaal bouwde de bezetter drie beddingen waarin een dergelijk kanon kwam te staan en een kleinere bedding voor lichter luchtdoelgeschut om de stelling tegen laagvliegende of aanvallende vijandelijke jagers te beschermen.

De bouw van de stellingen en het gebruik hiervan hebben tijdens de mobilisatie en de oorlogsjaren een aanzienlijke hoeveelheid sporen achtergelaten in het bodemarchief en in het landschap. Nagenoeg alle sporen zijn vandaag de dag nog met het blote oog aan het maaiveld zichtbaar. Het gaat vooral om resten van de hier aangelegde verdedigingswerken. Beide complexen (Nederlandse artilleriesteunpunt en een luchtafweerstelling uit de bezettingsperiode) kennen specifieke structuren die grotendeels volgens militaire voorschriften in het landschap zijn ingepast en aangelegd. Voor het Nederlandse artilleriesteunpunt geldt dat er resten van vuurstellingen, loopgraven (met daaraan munitienissen, wapenopstellingen, observatieposten en schuttersnissen), (munitie)opslagplaatsen, versperringen en afvalkuilen aanwezig kunnen zijn. Binnen het plangebied geldt voor de Duitse Flakstellung dat er mogelijke resten van de open beddingen (feuerstelle), Deckungslöcher(eenmansgaten), munitieopslagen, MG-Feuerstelle (mitrailleursnesten), hulzenputten, afvalkuilen en versperringen aanwezig kunnen zijn. Voor beide complexen geldt dat het verwachte vondstmateriaal uit constructiemateriaal (hout, plaggen, metaal etc.), militaire uitrustingsstukken, voorwerpen en wapenonderdelen en persoonlijke voorwerpen van de militairen of civiele gebruiksvoorwerpen kan bestaan.

Daarnaast is het mogelijk dat in de verwachte structuren achtergebleven of gedumpt militair/civiel materiaal aanwezig is dat hier bij het verlaten en ontmantelen van de posities is

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 67

ingegooid. Op basis van het bureauonderzoek kan worden geconcludeerd dat er binnen het plangebied sprake is van goed bewaard gebleven archeologische vindplaatsen uit de Tweede Wereldoorlog. Het gaat daarnaast om bijzondere complexen die als geheel intact en visueel in het landschap aanwezig zijn. Zeker artilleriesteunpunten die tijdens de meidagen van 1940 een rol hebben vertolkt zijn elders langs de Valleistelling na de gevechten verwijderd of grotendeels verstoord. Er wordt hierdoor geadviseerd om de bekende structuren (vindplaatsen) daarom in tact te laten en deze in situ te bewaren, met uitzondering van de zone die als bouwlocatie is aangeduid. Wanneer het niet mogelijk is de vindplaatsen in situ te bewaren, wordt bij bodemverstorende activiteiten aanbevolen om vervolgonderzoek uit te laten voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (protocol IVO-P) met een mogelijke doorstart naar een opgraving. Op basis van dit onderzoek is het mogelijk inzicht te krijgen in de aanwezigheid van archeologische resten en de aard, ruimtelijke spreiding, diepteligging, conservering en gaafheid hiervan. Voorafgaand aan dit onderzoek dienen de eisen, waaraan het onderzoek dient te voldoen, te worden vastgelegd in Programma van Eisen (PvE).

Daarnaast wordt geadviseerd om het artilleriesteunpunt en de aan het maaiveld zichtbare resten van de Flakstellung te beschermen en beter zichtbaar en beleefbaar te maken door lage begroeiing bij te houden en waar dit mogelijk is te verwijderen. Dit dient zonder zware bosbouwmachines te gebeuren omdat deze de wallen zwaar kunnen aantasten. Ook het rooien van bomen is onwenselijk vanwege de grote verstoringen die hierbij optreden.

Figuur 28: Archeologische verwachtingskaart WOII (in het bijgevoegde archeologische onderzoeksrapport is een goed leesbare kaart opgenomen) Doorwerking archeologie in plan natuurbegraafplaats in bosgebied Met de uitkomsten van de archeologische onderzoeken is rekening gehouden bij het opgestelde inrichtings- en beheerplan (zoals opgenomen in Bijlage 1 van de regels van dit bestemmingsplan) en dit bestemmingsplan. De archeologische waardevolle plekken die verband houden met de Tweede Wereldoorlog worden ontzien. Hier wordt de grond niet vergraven, en vindt dan ook geen natuurbegraven plaats. Dit is vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan, in combinatie met de bijbehorende verbeelding (de plankaart).

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 68

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 69

Bureauonderzoek natuurbegraven op agrarische gronden Ook voor de agrarische gronden (ten oosten van het bosgebied en ten zuidwesten van het bosgebied) die omgevormd worden naar natuur, en waar natuurbegraven gaat plaatsvinden, is bureauonderzoek uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in Bijlage 15 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Hierna volgen de conclusies. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op de gemeentelijke archeologische waardenen verwachtingenkaart heeft het zuidwestelijke deel van het te onderzoeken plangebied grotendeels een hoge archeologische verwachting. Alleen voor de noordoostrand geldt een middelhoge (gematigde) verwachting. Voor het noordoostelijke deel van het plangebied geldt voor de noordwestelijke helft een middelhoge en voor de zuidoostelijke helft een hoge verwachting. Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting nader gespecificeerd per periode/bijgesteld. Het zuidwestelijke deel van het plangebied lijkt op basis van het AHN-kaartbeeld onderdeel uit te maken van de daluitspoeilingswaaier ten zuiden van het plangebied in plaats van de zone met landduinen met bijbehorende vlakten en laagten zoals op de geomorfologische kaart staat aangegeven.

Het noordoostelijke deel van het plangebied ligt binnen een zone met gordeldekzandwelvingen. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Op basis van de landschappelijke ligging en het AHN-kaartbeeld ligt het zuidwestelijke deel van het plangebied op een daluitspoeilingswaaier en het noordoostelijke deel van het plangebied binnen een zone met gordeldekzandwelvingen. Op basis van deze liggingen en de archeologische onderzoeksmeldingen en vondstlocaties uit de omgeving is aan het zuidwestelijke deel van het plangebied een hoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum en aan het noordoostelijke deel is een lage verwachting toegekend voor deze periode. Aan het zuidwestelijke deel van het plangebied is een hoge verwachting toegekend voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en voor het noordoostelijke deel is een lage verwachting toegekend voor deze periode. Voor de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op basis van de historische ontwikkeling een hoge verwachting op het aantreffen van bebouwingsresten aan het zuidwestelijke deel van het plangebied toegekend en een lage verwachting voor het noordoostelijke deel.

Daarnaast heeft het zuidwestelijke deel van het plangebied een hoge waarde vanwege de aanwezigheid van een loopgraaf uit WO II. Het noordoostelijke deel van het plangebied heeft een lage verwachting voor de aanwezigheid van resten uit WO II. Vanwege de mogelijk aanwezige bodemverstoring is geadviseerd om de archeologische verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Met dit onderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht en wordt de intactheid van de bodem en het potentiële archeologische niveau vastgesteld. Archeologisch inventariserend veldonderzoek natuurbegraven op agrarische gronden Gezien het advies is vervolgens archeologisch inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 16 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Hierna volgen de conclusies. Uit het booronderzoek is gebleken dat binnen het zuidwestelijke deel van het plangebied sprake is van daluitspoelingswaaier- dan wel hellingafzettingen en in het noordoostelijke deel van het plangebied is een vrij vlakke zone met dekzand aangetroffen. In het zuidwestelijke deel van het plangebied komen laarpodzolgronden en zwarte enkeerdgronden voor gekenmerkt door een tweefasig plaggendek (Aapen Aa-horizont) en is de oorspronkelijk podzolbodem door verploeging vrijwel geheel afwezig en opgenomen in het plaggendek.

In het noordoostelijke deel van het plangebied zijn binnen het westelijk gedeelte laarpodzolgronden en enkeerdgronden

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 70

aangetroffen en binnen het oostelijk gedeelte laarpodzolgronden. Er is geen oudere fase van het plaggedek aanwezig binnen beide delen. In beide delen is de oorspronkelijke podzolbodem deels verploegd met het plaggendek en deels nog aanwezig. Het potentiële archeologische niveau is in het zuidwestelijke deel van het plangebied aanwezig vanaf 40 cm -mv en in het noordoostelijke deel vanaf 35 cm -mv. Aangezien binnen het zuidwestelijke deel van het plangebied ook nog een oude bouwvoor aanwezig is, in tegenstelling tot het noordoostelijke deel, betekent dit dat het zuidwestelijke deel veel eerder in gebruik is genomen als landbouwgrond dan het noordoostelijke deel. Het zuidwestelijke deel van het plangebied ligt hoger is droger, waardoor hier de kans op het aantreffen van nederzettingsresten veel groter is dan binnen het laag gelegen en relatief natte noordoostelijke deel van het plangebied. Op basis hiervan is de hoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum voor het zuidwestelijke deel naar laag bijgesteld en blijft de lage verwachting voor het noordoostelijke deel gehandhaafd. De hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) voor het zuidwestelijke deel en de lage verwachting voor het noordoostelijke deel blijven gehandhaafd.

De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de hoge verwachting voor het zuidwestelijke deel en de lage verwachting voor het noordoostelijke deel voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. De resultaten van het booronderzoek geven tevens geen aanleiding om de hoge waarde in het zuidwestelijke deel vanwege de aanwezigheid van een loopgraaf uit WO II, die de begrenzing vormt van het noordoostelijk gedeelte van dit deel van het plangebied en de lage verwachting voor resten uit WO II voor het noordoostelijke deel van het plangebied bij te stellen. Aangezien binnen het zuidwestelijke deel van het plangebied ook nog een oude bouwvoor aanwezig is, in tegenstelling tot het noordoostelijke deel, betekent dit dat het zuidwestelijke deel veel eerder in gebruik is genomen als landbouwgrond dan het noordoostelijke deel. Dit deel van het plangebied ligt hoger is droger, waardoor hier de kans op het aantreffen van nederzettingsresten veel groter is dan binnen het laag gelegen en relatief natte noordoostelijke deel van het plangebied. Bij een maximum aantal begravingen van 500 per hectare (ca. 2 m2 per graf) in het zuidwestelijke deel van het plangebied zal daar maximaal 800 m2 grond per hectare worden verstoord.

Deze verstoring van 2 m2 per graf is zo gering, waarbij de locatie op voorhand niet bekend is, dat KSP Archeologie geen vervolgonderzoek adviseert voor zowel het zuidwestelijke deel als voor het noordoostelijke deel van het plangebied. Hiermee is het plangebied voldoende onderzocht en is het voorgenomen plan uitvoerbaar.

5.4 Cultuurhistorische waarden Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, ook cultuurhistorische waarden in het plangebied worden meegewogen bij een afwijkingsbesluit in het kader van de Wro. Historie landgoed Prattenburg Landgoed Prattenburg is sinds het eind van de 17e eeuw in bezit van de familie Van Asch van Wijck en omvat naast een hoofdhuis (kasteel) met verschillende opstallen, uitgestrekte natuurgebieden van hoofdzakelijk bos. Het huis, oorspronkelijk een versterkte boerderij, werd reeds in 1474 genoemd onder de naam Prattenborch. Het huidige huis waarvan de vierkante toren op een middeleeuws fundament berust, is in 1887 gebouwd. Rond deze periode is ook het park aangelegd, terwijl de lanenstructuur van oudere datum is. De historische tuin- en

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 71

parkaanleg -in landschapsstijl- kwam aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw tot stand. Het park rondom het kasteel werd in 1896 door Otto Schulz ontworpen en aangelegd. Leonard Springer heeft in 1922 de omgeving van het huis verfraaid door de aanplant van veel bloeiende heesters. Omstreeks 1901 werden twee natuurlijke vennetjes vergraven tot één grote, diep gelegen slingervijver die omgeven wordt door rododendrons en waarvan Hendrik Copijn de ontwerper geweest moet zijn. Het landgoed beslaat ruim 430 ha en ligt tussen de bebouwde kom van Veenendaal en Elst in. Meerdere generaties geleden is de familie Van Asch van Wijck begonnen heide te bebossen. Behalve omvangrijke heidevelden waren er in die periode onbeschermde cultuurgronden en restantjes bos. Opvolgende generaties van de familie hebben hieruit het landgoed Prattenburg ontwikkeld met de huidige landschappelijke karakteristieken. Bossen zijn aangelegd en houtopbrengsten werden en worden benut om opnieuw bomen te planten. Vlak na de oorlog heeft midden in het landgoed een kaalslag plaatsgevonden toen 90 ha bos werd gevorderd. De familie heeft die percelen herplant met grove den met daartussen loofhouten lanen en op basis van nieuwe opvattingen over de stabiliteit en natuurwaarden van het bos dit tot een waardevol element van het landgoed gemaakt.

Naast het bosbeheer heeft ook de landbouw een essentiële rol gespeeld voor het behoud van de cultuurhistorische waarde van het landgoed. De landbouwpercelen, in totaal circa 30 ha en grotendeels in eigen beheer onderhouden, zijn omgeven door loofhouten lanen en –houtwallen. Relatie tot voorliggende plan Het bosgebied aan de westkant van de kern van Landgoed Prattenburg krijgt een natuurlijke impuls. Door de realisatie van de natuurbegraafplaats, wordt o.a. het bosgebied (voornamelijk productiebos) kwalitatief verbeterd en is duurzame instandhouding gegarandeerd. Cultuurhistorische waarden, zoals de resten van de verdedigingswerken uit WOII, worden niet aangetast en blijven behouden. De aan het maaiveld (zichtbare) resten van het artilleriesteunpunt en de Flakstellung worden beter beschermd, herkenbaar en beleefbaar gemaakt. Door lage begroeiing (inclusief opschot bomen) te verwijderen worden deze relicten onderdeel van de beleving van de natuurbegraafplaats en WOII. Hierdoor ontstaat een gevarieerder bos met meerwaarde voor biodiversiteit. Het toekennen van nieuwe functies aan monumentale gebouwen biedt voor het landgoed nieuwe economische dragers, waarmee het kwalitatief verbeteren van het bosgebied mogelijk wordt en het landgoed (inclusief monumentale bebouwing) in stand kan worden gehouden.

De monumentale bebouwing en de historische tuin- en parkaanleg blijven behouden en worden niet aangetast. Behoudens de nieuw te bouwen kapschuur en de te plaatsen zonnepanelen met toebehoren, welke zorgvuldig landschappelijk ingepast wordt aansluiting op de bestaande heggen en zichtlijnen, worden er geen nieuwe gebouwen (of andere bouwwerken) gebouwd.

5.5 Water Het is verplicht om in elk bestemmingsplan een waterparagraaf op te nemen. In deze waterparagraaf wordt een overzicht gegeven van het beleid dat van toepassing is op het plangebied. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden aangetoond dat in het plan mogelijkheden bestaan voor een goede waterhuishouding. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 72

oppervlaktewater, overgangswateren, kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2020 beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld.

Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het kabinet streeft naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. De ambitie is dat overheden, bedrijven en burgers zich in 2021 meer bewust zijn van de kansen en bedreigingen van het water in hun omgeving. Iedereen neemt zijn eigen verantwoordelijkheid om samen te komen tot een waterrobuuste ruimtelijke inrichting, het beperken van overlast en rampen en verstandig handelen in extreme situaties. De activiteiten betreffende het voorliggende plangebied vinden niet in of nabij oppervlaktewaterlichaam van Rijkswaterstaat plaats. Provincie Utrecht In paragraaf 4.3 is weergegeven dat het voorliggende plan voldoet aan de regels vanuit de provinciale Interim Omgevingsverordening, o.a. op het gebied van de bescherming van de kwaliteit van het grondwater. Daarnaast geldt het provinciale Bodem en Waterprogramma 2022-2027.

Het Bodem- en waterprogramma 2022-2027 is een uitwerking van ambities voor de bodem en het water uit de provinciale Omgevingsvisie. Het programma beschrijft hoe de provincie samen met partners wil werken aan ambities uit de Omgevingsvisie, welke beleidskeuzes de provincie maakt en hoe de provincie hier uitvoering aan wil geven. Het gaat nader in op thema's als schoon oppervlaktewater, schone bodem en grondwater, een goede bodemkwaliteit, voldoende water voorkomen wateroverlast, waterveiligheid en het halen van energie uit bodem en water. Het voorliggende plan past binnen de doelen en uitgangspunten uit die provinciale programma. Met betrekking tot natuurbegraven zijn 2009 door Wageningen Environmental Research verschillende grondonderzoeken gedaan op natuurbegraafplaatsen die uitwijzen dat de invloed van schadelijke stoffen vanuit het lichaam in feite verwaarloosbaar is. In 2017 is onderzoek gedaan bij Natuurbegraafplaats Heidepol, waaruit dezelfde conclusie getrokken werd. Het voorliggende plan maakt geen nieuwe functies mogelijk die de kwaliteit van het (grond)water en de bodem aantasten. Ook is de waterveiligheid niet in het geding en worden door het plan de risico's op wateroverlast niet vergroot.

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 73

Waterschap Vallei en Veluwe Het waterschap heeft een Waterbeheerprogramma 2016-2021 opgesteld (van 9 februari 2022). Het Waterbeheerprogramma (WBP) geeft de koers aan die het waterschap vaart en beoogt daarmee twee dingen. Ten eerste inzicht geven aan alle gebruikers en partners in het werkgebied in de doelen en maatregelen die het waterschap de komende zes jaar gaat bereiken. Ten tweede de koers intern – als spoorboekje – expliciet maken en vastleggen. De maatregelen zijn op hoofdlijnen uitgewerkt. Gevolgen plan voor de waterhuishouding Ten aanzien van het aspect watertoets kan worden gesteld dat de toename van verhard oppervlakte beperkt is. Dit betreft alleen de kapschuur. Bij het plaatsen van de zonnepanelen, kan het water vrij blijven infiltreren in de grond. Het waterbergend vermogen van het plangebied zal hiermee niet significant afnemen. Zodoende is er geen sprake van een noodzaak tot de realisatie van extra waterbergend vermogen. Hemelwater van het gebouw wordt afgevoerd via het omringende terrein. Bij het natuurbegraven wordt alleen gebruik gemaakt van niet schadelijke en biologisch materialen voor de kist/ het omhulsel. Deze eisen zijn vastgelegd in de Wet op de lijkbezorging. De invloed van natuurbegraven op grond en grondwater is verwaarloosbaar, blijkt onder andere uit onderzoek van Alterra.

In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Het voorliggende plan heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding. Op 28 december 2020 is de digitale watertoets uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de 'korte procedure' kan worden gevolgd. Het waterschap heeft hiermee een positief wateradvies afgegeven. Zie hiertoe Bijlage 10 en Bijlage 11 van de toelichting van dit bestemmingsplan. Conclusie Met betrekking tot het aspect water is het voorliggende plan uitvoerbaar.

5.6 Conclusie Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen aanwezige waarden aangetast.

Verduurzamen en herbestemmen Landgoed Prattenburg | Eelerwoude | 74

Hoofdstuk 6 Milieuaspecten 6.1 Inleiding Nieuwe initiatieven hebben te maken met milieuaspecten. Een aantal van deze milieuaspecten zijn ruimtelijk relevant. In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op: Bodem Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Wet geurhinder en veehouderij Bedrijven en milieuzonering Vormvrije m.e.r.-beoordeling Verkeer en parkeren

6.2 Bodem Met betrekking tot het aspect bodem zijn de Wet bodembescherming, de Wet milieubeheer en het Besluit Bodemkwaliteit van belang. Voorafgaand aan het doorlopen van een bestemmingsplanprocedure dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik. Onderzoek en conclusie Op o.a. de website www.bodemloket.nl is nagegaan of er eventuele bodemverontreinigingen in het plangebied bekend zijn (zie figuur 29). Dat is niet het geval.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14818052/1