CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026 - 2035

Commissie Ruimte en Economie 9 december 2025, gemeente RhenenBij agendapunt: Achtergrondinformatie Programma Landelijk Gebied54.317 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 7

Omdat het gebied uitloopgebied is van de stedelijke agglomeratie van de stad Utrecht bestonden hiervoor veel kansen en heeft dit zich goed kunnen ontwikkelen. De verstedelijking in het westelijk Kromme Rijngebied heeft de druk op het gebied doen toenemen. Dit is opgevangen door het landschap toegankelijker te maken voor de recreant. De groenblauwe dooradering is rijkelijk aanwezig en het gebied is goed toegankelijk voor de recreant en dat heeft een enorme toegevoegde waarde voor de bezoekers gecreëerd. Tegelijkertijd wordt de recreatiedruk in goede banen geleid door zonering. Stad en land zijn hier in positieve zin verweven geraakt. De Limes en Hollandse Waterlinies die deels in het Kromme Rijngebied en Schalkwijk liggen, zijn geïntegreerd met de groenblauwe opgaven. De identiteit en beleefbaarheid van het gebied zijn versterkt dankzij de maatregelen voor water en natuur. Bij het instellen van nattere situaties is rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden.

4.5.4 Structurerende principes Onze focus ligt binnen dit landschap op het behoud van dit vruchtbare en goede landbouwgebied met een combinatie van fruitteelt, melkveehouderij en akker/tuinbouw. Dit is een kwaliteit die we hier graag willen behouden. Binnen dat kader richten we ons op het creëren van een robuust water- en bodemsysteem door het verbeteren van de waterkwaliteit conform de KRW-doelen en het meer weerbaar maken van het gebied voor extremere weersituaties en herstel groenblauwe dooradering. Vanuit deze focus zijn met name de volgende structurerende principes van belang: ▪ SP-4: Maximale inzet op KRW-doelen; ▪ SP-5: Ruimte voor water; ▪ SP-12: Generieke normering stikstof 81

▪ ▪

SP-15: Versterken biodiversiteit in het agrarisch gebied; SP-17: Perspectief voor de landbouw;

4.5.5 Maatregelen Een aantal zaken kunnen we komende jaren oppakken dankzij rijksmiddelen die beschikbaar zijn voor de uitvoering van UPLG-maatregelpakketten. Specifiek voor het landschap Kromme Rijngebied en Schalkwijk gaat het in totaal om circa 13 miljoen Euro vanuit maatregelpakketten 1 (groenblauwe linten, scheggen en boerensloten). Daarnaast kan worden geput uit de beschikbare middelen voor provinciebrede maatregelen uit maatregelpakket 1 en maatregelpakket 3 (landbouw). Uiteraard zijn vanuit de lopende beleidstrajecten ook andere maatregelen in voorbereiding, zoals voor Groene Contourgebieden en bestaand beleid rond Amelisweerd/Bunnik/Zeist. UPLGMaatregelpakket 1.Groenblauwe linten, scheggen en boerensloten

Maatregelen waar rijksmiddelen voor beschikbaar zijn gesteld ▪

▪ ▪ ▪ ▪

3. Landbouw

▪ ▪

▪ ▪

In dit UPLG-maatregelpakket is een viertal gebieden opgenomen dat aansluit bij de groene scheggen en linten in de provincie Utrecht. Dit zijn vier voorbeeldgebieden uit het programma Groen Groeit Mee. Eén daarvan ligt In het Kromme Rijngebied, namelijk het Kromme Rijn Linielandschap, met daarbij de volgende maatregelen als onderdeel van MP-1: Nieuwe regionale natuurkern Odijk; Ecologische verbindingen, versterking rond Nieuw Wulven; Beleefbare groenblauwe dwarsverbindingen in Laagraven; Groenblauwe verbinding Kromme Rijn en maatregelen voor de otter langs de Kromme Rijn; Botanisch randenbeheer en ecologisch slootschonen (beide via ANLb). Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL) Fruitteelt: samen met de pilottelers heeft de provincie 17 Kritische Prestatie Indicatoren geselecteerd die de duurzaamheidsprestaties van de fruittelers breed en integraal weergeven. Daarin bestaat aandacht voor biodiversiteit, bodem en water, energie en klimaat en maatschappelijke betrokkenheid. Er is ruimte om hiermee vier jaar lang met een grote groep (35) telers aan de slag te gaan. Naast telers uit het Kromme Rijngebied, kunnen ook telers uit de Utrechtse Waarden en Vijfheerenlanden meedoen. UMDL-melkveehouderij: voer- en managementmaatregelen. Pilot Fieldlab Foodvalley (zie verder bij Gelderse Vallei)

Tabel 7: maatregelen specifiek voor het landschap Kromme Rijngebied en Schalkwijk waar rijksmiddelen voor beschikbaar zijn gesteld (besluit minsterraad juni 2024)

Als verdieping en aanvulling op voorgaande nog het volgende: Water: onderzoek voorkeurslocatie nieuwe drinkwaterwinning Eiland van Schalkwijk. Op het Eiland van Schalkwijk is een nieuwe grondwaterwinning in voorbereiding. Uitbreiding van bestaande en het realiseren van nieuwe waterbronnen is nodig om te voldoen aan de groeiende drinkwatervraag in de provincie. Vitens en de provincie Utrecht doen samen met andere stakeholders onderzoek naar een voorkeurslocatie. Natuur: versterking Kromme Rijn Linielandschap. Hierbij wordt ingezet op een beleefbaar landschap, toegankelijk groen, veerkrachtige natuur, duurzame landbouw en zichtbaar water. In 2024 heeft hier een gebiedsproces gelopen, waarbij gezamenlijk met het gebied een ontwikkelperspectief met een uitvoeringsprogramma is gemaakt, inclusief financiering. Met dit programma worden bovendien de UNESCO werelderfgoederen Hollandse Waterlinies en Neder-Germaanse Limes verder versterkt en beleefbaar gemaakt. Natuur: realisering natuurverbinding Amelisweerd- Nieuw Wulven (Bunnik). Deze natuurverbinding bestaat uit zes deelgebieden van verschillende eigenaren. Sommigen hebben nog een functieveranderingsopgave naar natuur. Echter, allemaal hebben zij een inrichtingsopgave voor natuur. Natuur: verbindingen langs de Kromme Rijn.

Het gaat om vier deelgebieden langs de Kromme Rijn die onderdeel zijn van de totale natuurverbinding langs deze rivier. De planvorming en de inrichtingswerkzaamheden worden opgepakt door de Provincie Utrecht. Uitvoering is gepland voor 2025 82

4.6 Gelderse Vallei 4.6.1 Gebiedsbeschrijving De Gelderse Vallei is het relatief laaggelegen dekzandlandlandschap tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Het gebied ligt in de provincies Gelderland en Utrecht. Het Utrechtse deel loopt van de Nederrijn bij Rhenen tot aan de stadsgrenzen van Amersfoort. Karakteristiek voor de Gelderse Vallei is de aanwezigheid van een divers, kleinschalig coulisselandschap waarin stad en land in elkaar overgaan. De vele kleine, aaneengesloten percelen worden van elkaar gescheiden door landschapselementen, zoals houtwallen, heggen en bomenrijen. Het landschap wordt doorsneden door beken, griften en het Valleikanaal. De Grebbelinie, die van noord naar zuid door het gebied loopt, is een bijzondere afgeleide van dit landschap en onderdeel van ons militair erfgoed. In het laag gelegen centrale deel van de Vallei komen kwelstromen tevoorschijn vanuit de hoge gronden van de Veluwe en de Heuvelrug. Door deze kwelstromen was het Binnenveld – gelegen in het zuiden - vroeger een aaneengesloten blauwgraslandreservaat. Nu zijn daar nog paar een kleine stukjes van over en zijn deze begrensd als Natura 2000-gebied. Dit gebied ligt ten zuidoosten van Veenendaal, met de Hellen in Utrecht en de Bennekomse Meent in Gelderland.

Dit zijn waardevolle natuurgebiedjes met blauwgraslanden en veenmosrietlanden: natuur die zeer gevoelig is voor een teveel aan stikstof. Het midden- en noordelijk deel van de Gelderse vallei wordt gekenmerkt door beekdalen die stroomopwaarts hun oorsprong hebben op de Veluwe en waarvan de benedenstroomse delen in Utrecht liggen. In totaal monden zes laaglandbeken uit in het Valleikanaal, dat op haar beurt uitmondt in de Eem bij Amersfoort. Het Valleikanaal en het omliggende watersysteem van inundatiegebieden zijn onderdeel van de Grebbelinie. In delen van de Gelderse Vallei komen veel particuliere grondwateronttrekkingen voor. De Gelderse Vallei is een gebied met een hoge veedichtheid, met name in het Gelderse deel. De grondgebonden veehouderij is vrij intensief. Verder kent het gebied veel hokdierhouderij (met een concentratie ten zuiden van Woudenberg, Scherpenzeel en Renswoude), alsmede veel gemengde veehouderijbedrijven. De gemeenten Rhenen, Veenendaal en Renswoude zijn onderdeel van de Regio Foodvalley waar door overheden, ondernemers, onderwijs- en kennisinstellingen wordt samengewerkt binnen de hele voedselketen. Het gebied ligt deels in het NOVEX-gebied Arnhem-Nijmegen-Foodvalley (met een flinke woon- en werkopgave) en deels in het NOVEX-gebied Utrecht - Amersfoort. Kernkwaliteiten Gelderse Vallei: 1. Rijk gevarieerde kleinschaligheid, 2.

Stelsel van beken, griften en kanalen, 3. De hierin gelegen Grebbelinie en 4. Overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).

4.6.2 Opgaven De volgende UPLG-opgaven zijn belangrijk voor het landschap Gelderse Vallei: Water: verbeteren kwaliteit oppervlaktewater. De beken in het noordelijk deel van de Gelderse Vallei voldoen bijna nergens aan de normen voor nutriënten. De Lunterse beek en de Heiligbergerbeek voldoen wat betreft de biologie niet voor het onderdeel vissen. Waterplanten en macrofauna zijn niet op orde in de Modderbeek. Ook in het Valleikanaal worden de normen voor de nutriënten en de vissen overschreden. Ook voor de chemie voldoet het oppervlaktewater niet aan de normen. Omdat een aantal stoffen alom aanwezig, moeilijk te verwijderen en inmiddels ook verboden is, gelden uitzonderingsclausules voor deze stoffen. Water: verbeteren kwaliteit grondwater. Wat betreft de grondwaterkwaliteit voldoen we op provinciaal niveau in alle grondwaterlichamen aan de KRW-doelen. Dat wil niet zeggen dat het op elke plek op orde is. Specifiek voor de Gelderse Vallei geldt dat op meerdere locaties in het gebied de normen worden overschreden voor gewasbeschermingsmiddelen en metalen.

83

Water: herinrichting beekdalen. De ambitie is herinrichting van de beekdalen naar meer natuurlijke en klimaatbestendige beekdalsystemen, het realiseren van ecologische verbindingen langs de beken en de aanleg van beekbegeleidend bos als onderdeel daarvan. Waterberging: In de Gelderse Vallei zijn waterbergingsgebieden aanwezig. We zoeken we samen met waterschap Vallei en Veluwe en gemeenten in het gebied naar meer waterbergingsgebieden, waaronder langs het Valleikanaal en in het Binnenveld. In deze gebieden wordt het water bij heftige regenbuien tijdelijk vastgehouden en vertraagd afgevoerd (zie ook kaart 2 Zoekgebieden waterberging in bijlage XI). Natuur: Natuurherstel in Natura 2000-gebied Binnenveld. Een belangrijke opgave in het zuidelijk deel van de Gelderse Vallei is het herstel van het Natura 2000-gebied Binnenveld. Het Natura 2000-gebied ligt in een gebied waar zowel natuur, landbouw als stedelijke omgeving om meer ruimte vragen. Uit de Natuurdoelanalyse blijkt dat de natuur in dit natuurgebied mede hierdoor in een slechte staat verkeert. Om dit te verbeteren zijn met urgentie maatregelen nodig in de omgeving van het Natura 2000-gebied, waaronder het verminderen van de stikstofemissies in de directe omgeving, het ontsnipperen van natuur en het herstel van het hydrologische systeem. Dit zal effect hebben op de andere gebruiken van het gebied.

Omdat het Natura 2000-gebied op grondgebied van provincie Gelderland en Utrecht ligt, is een nauwe samenwerking en afstemming nodig met de provincie Gelderland. Natuur: realiseren Natuurnetwerk Nederland en GBDA. Om ervoor te zorgen dat Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe als één ecologisch systeem gaan functioneren, zetten we in op het verbinden van deze twee stuwwallen via het ‘Groene Vallei lint’. Dit vraagt samenwerking gericht op het beter functioneren van het Natuurnetwerk Nederland, het versterken van het tussengelegen landschap, het oplossen van fysieke barrières (zoals infrastructuur) en het aanleggen van een robuuste ecologische verbindingszone. Binnen het gebied tussen Utrechtse Heuvelrug, Woudenberg, Scherpenzeel, Renswoude en Veenendaal kan via de ‘Groene Contour-gebieden’ extra natuur worden toegevoegd om deze verbinding vorm te geven. Ook op een kleiner schaalniveau biedt het coulissenlandschap van de Gelderse Vallei veel kansen voor versterking van de GBDA. Bij het Natura 2000-gebied Binnenveld liggen ‘essentiële percelen natuur’ die zeker NNN moeten worden, maar nu nog buiten het zoekgebied NNN/ Groene Contour liggen (zie kaart 8 Essentiele percelen natuur in bijlage XI). Landbouw: verduurzaming van de intensieve veehouderij.

In het midden en zuiden van de Gelderse Vallei is een grote inspanning nodig om de aanwezige grondgebonden melkveehouderij en niet grondgebonden veehouderij te verduurzamen en te extensiveren. Het intensieve karakter van de landbouw in combinatie met de nabijheid van zeer stikstofgevoelige natuurgebieden maakt dat de opgave voor de reductie van emissies hier aanzienlijk is. Ook de verbetering van water-, bodem- en luchtkwaliteit en het herstel van natuur en biodiversiteit zijn van belang. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wegen we aspecten van volksgezondheid mee (geurcirkels, zoönoserisico’s en fijnstofemissies rond (intensieve) veehouderijen). Bij al deze ontwikkelingen is het noodzakelijk dat er een toekomstperspectief voor de landbouw komt. We stimuleren zowel innovatie als verbreding in de bedrijvigheid, waaronder een groter aandeel voor ecosysteemdiensten. Opvang verstedelijkingsopgaven. De regio heeft een grote verstedelijkingsopgave voor het zuidelijk deel van de Foodvalley (Utrechtse en Gelderse deel): 18.500 woningen (2020-2030) en 27.500 woningen (2040). Een groot deel kan binnenstedelijk worden gerealiseerd. Voor het Utrechtse deel wordt gekeken naar twee zoeklocaties: de Nieuwe Meent (in het Binnenveld op grondgebied van Rhenen) en in Veenendaal de Klomp (op grondgebied van Veenendaal en Ede).

Dit vraagt om een zorgvuldige afweging van de beschikbare schaarse ruimte waarbij meerdere opgaven worden gecombineerd, onder andere de ontwikkeling van voldoende natuur, een toegankelijk agrarisch landschap voor recreatieve doeleinden en versterking groenblauwe dooradering.

84

4.6.3 Ontwikkelrichting 2050 In 2050 bestaat de Gelderse Vallei uit een gevarieerd landschap waarin landbouw, natuur en wonen en werken nog meer verweven zijn. De beken in de vallei zijn hersteld, het water is schoon en er wordt meer water vastgehouden. Het groenblauwe netwerk is versterkt, onder meer via extra bos. De landbouw in het gebied heeft duurzaamheid omarmd, zowel innovatie als verbreding spelen hierbij een rol. Het stedelijk gebied rond Veenendaal en Amersfoort is flink gegroeid. De recreatieve groenblauwe linten en scheggen vormen een gemakkelijke verbinding met het buitengebied en dragen bij aan biodiversiteit en klimaatbestendigheid. De beken en de toevoerende watergangen (deels uit Gelderland) zijn omgevormd tot een klimaatbestendig watersysteem. De beken meanderen in een ruim beekdal en de inrichting is meer afgestemd op het vasthouden van water. De gronden langs de beeklopen worden ingezet als buffers, waardoor het aangevoerde water schoner is. De beekdalen vormen - zoals nu al in de omgeving van de Modderbeek - een gevarieerd beekdalsysteem met een soortenrijke gradiënt van natte heide, vochtige schraalgraslanden, natte bossen, houtwallen en beekbegeleidende begroeiing. Het agrarische gebruik is gericht op het beheer van deze gras- en hooilanden.

De inrichting van het landschap, inclusief de beekdalen, draagt bij aan een hoge biodiversiteit en klimaatbestendigheid. Het landschap wordt weer gekenmerkt door kleinschaligheid met een groene dooradering met lijnvormige landschapselementen en beekbegeleidende beplanting. De grotere en kleinere natuurgebieden in de Vallei zijn stevig met elkaar verbonden en vormen zo een robuust netwerk. De natuur op de landgoederen speelt hierbij een belangrijk rol. Tussen het Binnenveld en de Achterbergse Hooilanden is een brede natuurzone langs het Valleikanaal gerealiseerd. Dit vormt een waardevol open en nat gebied met onder andere blauwgraslanden en trilveen waaronder veenmosrietlanden. . De kwetsbare natuur in het Natura 2000-gebied Binnenveld is ook hersteld omdat de milieudruk op het gebied is verminderd. Mede door het herstelde watersysteem van de Veluwe en de Heuvelrug zijn de kenmerkende en kwelafhankelijke soorten en habitattypen weer volop aanwezig. Ook maatregelen op het gebied van stikstof en het versterken van de verbinding van het Natura 2000-gebied met andere natuurgebieden hebben hieraan bijgedragen. De grondgebonden landbouw in de Vallei heeft de omslag gemaakt naar meer natuurinclusieve kringlooplandbouw. Het aandeel biologische bedrijven is flink toegenomen en dankzij duurzaam bodembeheer is de veerkracht van de agrarische bodem verbeterd.

De gronden die vrijkomen door het natuurlijk verloop van stoppers zijn onder andere benut voor extensivering. Het aanbod van diensten door de agrarische sector is verder verbreed, vaak op basis van samenwerking tussen bedrijven. Deze diensten leveren een belangrijke bijdrage aan het verdienvermogen. Het gebied biedt ruimte voor recreatie vanuit de omliggende kernen. De multifunctionele landbouw speelt in op deze recreatiebehoefte. Op de daken van de grote schuren en stallen wordt energie gewonnen. Bij meervoudig grondgebruik - en afgestemd op de ruimtelijke kwaliteit- is duurzame energieopwekking een nieuw verdienmodel. De niet grondgebonden veehouderij (varkens, kippen en kalveren) heeft de emissies flink gereduceerd. Dit is nog steeds in ontwikkeling waarbij de Regio Foodvalley een voortrekkersrol vervult. Agrariërs werken samen met natuurorganisaties, overheden en onderzoeksinstellingen om innovatieve methoden te ontwikkelen die ecosystemen beschermen en de voedselproductie verduurzamen.

4.6.4 Structurerende principes De focus in onze aanpak ligt op het herstel van de beekdalsystemen en van het Natura 2000-gebied Binnenveld. Dit gaat om herstel van het hydrologisch systeem, het tegengaan van wateroverlast, het verbeteren van de waterkwaliteit en afronding van het Natuurnetwerk Nederland. Ook zetten we in op een ontwikkeling naar een duurzame, toekomstgerichte, meer extensieve vorm van veehouderij waarbij minder stikstof wordt uitgestoten. Vanuit deze aanpak is een groot aantal structurerende principes van belang: ▪ SP-4: Maximale inzet op KRW-doelen; ▪ SP-5: Ruimte voor water; ▪ SP-6: Grondwatersysteem in balans 85

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

SP-8: Integrale aanpak beekdalen; SP-9: Natuurherstel Natura 2000-gebieden; SP-10: Overgangsgebieden rondom de Natura 2000-gebieden; SP-11: Gebiedsgerichte reductie van stikstofemissie en depositie; SP-12: generieke normering stikstof SP-17: Perspectief voor de landbouw;

4.6.5 Maatregelen Een aantal zaken kunnen we oppakken dankzij de rijksmiddelen die beschikbaar zijn voor de UPLGmaatregelpakketten en voor Programma Natuur 2e fase. Zie de tabel hieronder. In het landschap Gelderse Vallei zijn drie van de zes maatregelpakketten van toepassing. In totaal is specifiek voor dit gebied vanuit de UPLGmaatregelpakketten 3 en 4 20,87 miljoen Euro beschikbaar en aanvullend vanuit het Programma Natuur-2 voor de beekdalen 1,3 miljoen Euro en voor Binnenveld 2,26 miljoen Euro. In totaal komt dit op 24,33 miljoen Euro. Daarnaast kan ook worden geput uit beschikbare middelen voor provinciebrede maatregelen uit maatregelpakket 1 (botanisch weiderandenbeheer en ecologisch slootschonen, via ANLb) en maatregelpakket 3 (UMDL en voer- en managementmaatregelen). Maatregelpakket 1. Groenblauwe linten, scheggen en boerensloten 3. Landbouw

4. Natura 2000gebieden met overgangszones

6. Beekdalen

Maatregelen ▪

Groenblauwe dooradering versterken (onder meer via ANLb): botanisch randenbeheer en ecologisch slootschonen.

▪

Pilot Fieldlab “Foodvalley Waardeert”. In dit ‘lab’ worden verschillende onderzoekslijnen in de praktijk uitgeprobeerd. Hierbij wordt voortgebouwd op de resultaten die eerder zijn behaald in het kader van de Regiodeal Foodvalley. Het fieldlab is onderdeel van een netwerk van ‘gebiedsgerichte fieldlabs’ in Nederland en Europa. Herstel Natura 2000-gebied Binnenveld, onder andere met de volgende maatregelen: ▪ Maatregelen op het gebied van het verminderen van ammoniakemissies vanuit de landbouw; ▪ Herstel van het hydrologisch systeem op basis van kennis uit een systeemanalyse; ▪ Versterken van de verbinding met andere natuurgebieden, zoals het realiseren van een ecologische verbinding tussen de Hellen en de Achterbergse hooilanden; ▪ We borgen deze maatregelen in het Natura 2000- beheerplan. Herstel beekdalsystemen: ▪ Met de €1,3 miljoen die beschikbaar is voor beekherstel vanuit Programma Natuur2 kan een start worden gemaakt met een nieuw bekenprogramma. We zoeken samen met het waterschap naar aanvullende financiering, zodat het bekenprogramma verder kan worden uitgebouwd.

Tabel 8: maatregelen specifiek voor het landschap Gelderse Vallei waar rijksmiddelen voor beschikbaar zijn gesteld (besluit minsterraad juni 2024)

Als verdieping en aanvulling op voorgaande werken we nog aan het volgende: ▪

▪

Zoekgebieden waterberging (zie kaart 2 Zoekgebieden waterberging in bijlage XI): Om wateroverlast (in met name stedelijk gebied) te voorkomen wordt in de beekdalen ruimte voor waterberging gereserveerd. De zoekgebieden hiervoor staan op kaart 2 aangegeven als “Beperkingengebied natuurlijke laagte”. De verschillende opgaves, zoals het verbeteren van de waterkwaliteit en natuur, zijn (ruimtelijk) goed te combineren. Binnen deze gebieden zal de komende jaren gezocht worden naar ruimte die daadwerkelijk nodig is om bij extreme situaties water te bergen (ongeveer één keer in de 20 jaar). Op basis daarvan kunnen deze zoekgebieden bij het waterschap en de provincie in beleid en regelgeving opgenomen worden. Verwerving van grond en kavelruil om stroken van 15-40 meter langs de beken beschikbaar te krijgen voor herinrichting. De breedte van de stroken is indicatief. We werken samen met het Waterschap Vallei en Veluwe de opgave inhoudelijk uit om helder te krijgen welke zone we nodig hebben voor realisatie van de gehele opgave. 86

▪

Herinrichtingsprojecten om gekanaliseerde beektrajecten om te vormen naar een meer natuurlijk beeksysteem. In eerste instantie gaan we aan de slag met de beektrajecten die op korte termijn al kunnen worden ingericht. Dit alles ook om voor eind 2027 (deadline KRW) zoveel mogelijk doelen te bereiken. De aanpak wordt ook na 2027 voortgezet om de hele opgave te kunnen realiseren.

Via de middelen voor maatregelpakket 6 is een start gemaakt met dit nieuwe bekenprogramma. Komende jaren bouwen we dit bekenprogramma verder uit in nauwe samenwerking met het waterschap en de provincie Gelderland (waar de bovenstroomse delen van de beken liggen). We zoeken hiervoor aanvullende middelen. Omdat ook de toevoerwatergangen in het hele stroomgebied van grote invloed zijn op de waterkwaliteit en debieten (kwantiteit) in de beken, wordt in het nieuwe programma hier veel aandacht aan besteed. In samenwerking met provincie Gelderland en waterschap Vallei en Veluwe brengen we de KRW-opgaven voor de oppervlaktewaterkwaliteit in kaart en onderzoeken we de mogelijke integrale maatregelen om te komen tot grootschalig beekdalherstel.

87

5. Uitvoering 5.1 Inleiding In de voorgaande hoofdstukken zijn we ingegaan op de doelen voor het landelijk gebied (hoofdstuk 2) die we vervolgens hebben uitgewerkt in een set van 17 structurerende principes als een inhoudelijke richtingaanwijzer (hoofdstuk 3). Op basis hiervan hebben we voor de vijf Utrechtse landschappen de lange termijn ontwikkelrichting (2050) uitgewerkt en aangegeven met welke concrete maatregelen we de eerste jaren al aan de slag kunnen (hoofdstuk 4). Als laatste ingrediënt komen we in dit hoofdstuk bij de uitvoering uit. Want anders blijft dit UPLG slechts papier. De uitvoering van het UPLG vraagt flinke inzet van alle betrokkenen. We kunnen dat als provincie niet alleen. De verschillende partijen, zoals onze medeoverheden, maatschappelijke partners, bedrijven en grondeigenaren hebben alle bij te dragen vanuit hun eigen kennis, rol en verantwoordelijkheid. We doen het samen. Om te komen tot een succesvolle uitvoering van dit UPLG met handelingsperspectief voor de partijen in het veld moet een aantal zaken op orde zijn, te weten: ▪ Kaders voor de uitvoering en helderheid over bewegingsruimte daarbinnen. Wat ligt vast en waar kan via een gebiedsproces meer een eigen invulling worden gegeven aan de opgaven? ▪ Keuzes met betrekking tot prioritering. Niet alles kan overal en niet alles kan meteen en tegelijkertijd. ▪ Toereikend instrumentarium.

▪ Inzicht in de beschikbare financiële middelen. ▪ Een strategie voor monitoring, evaluatie en bijsturing. Met dit UPLG dragen we bij aan perspectief, duidelijkheid en zekerheid. Utrecht heeft om dit alles te bereiken een forse financiële impuls gekregen van het Rijk voor de UPLG- maatregelpakketten. Hiermee kunnen we aan de slag met de uitvoering van dit UPLG. Tegelijk zien wij dat we nog het nodige huiswerk hebben om onze uitvoeringskracht te verstevigen. Dit geldt ook voor onze samenwerkingspartners, de gemeenten, de waterschappen en de maatschappelijke partijen. In dit hoofdstuk geven we invulling aan de wijze waarop we het UPLG gaan uitvoeren, wetende dat het een proces betreft dat voortdurend in ontwikkeling is.

5.2 Gebiedsgerichte aanpak 5.2.1 Wat is een gebiedsgerichte aanpak De ambities en opgaven die hiervoor beschreven zijn, vragen in de uitvoering nauwe samenwerking van de betrokken partijen. In Utrecht zijn we al jarenlang gewend om opgaven en doelen in het landelijk gebied op te pakken samen met de partijen in het gebied. We willen zoveel mogelijk kennis en ervaring uit een gebied benutten en aansluiten bij de wensen die in een gebied leven en de mogelijkheden die er in potentie zijn. De provincie is lang niet in alle gevallen initiatiefnemer van een proces of project. Dit zijn vaak ook andere gebiedspartijen, bijvoorbeeld een waterschap, een gemeente, een agrarische organisatie of een natuurorganisatie. Bij het samenwerken in een gebied hanteren we de volgende uitgangspunten (ULG, 2022): ▪ We werken samen: met de gebiedspartijen en als één overheid. ▪ Het gebied staat centraal. ▪ We creëren meerwaarde. ▪ We zorgen ervoor dat belanghebbenden en betrokkenen inbreng kunnen geven en zich betrokken voelen. ▪ We sluiten ons aan bij bestaande organisatiestructuren voor zover dat mogelijk en nuttig is. ▪ We nemen genoeg momenten om te reflecteren en kennis uit te wisselen. ▪ We sturen bij als dat nodig is. Elke planfase in een gebiedsproces vraagt om specifieke afspraken en verschillende rollen.

Wanneer we kijken naar gebiedsprocessen op lokaal niveau (zoals polderprocessen) dan worden vaak de volgende fasen doorlopen: ▪ Startfase: eerste oriëntatie; 88

▪ ▪ ▪ ▪

Verkennende fase: in gesprek met het gebied; Planfase: met het gebied een Gebiedsplan opstellen; Aanlegfase: voorbereiding van de uitvoering en de echte uitvoering; Nazorg: kennisdeling, monitoring, beheer en onderhoud.

Figuur 11. Fasering binnen gebiedsprocessen (bron: Regionale Veenweiden Strategie Utrechtse veenweiden, 2022)

Dat wij in principe werken met de gebiedsgerichte aanpak wil overigens niet zeggen dat er geen uitvoering langs andere sporen plaatsvindt. Zo zijn veel van de subsidieregelingen provinciebreed inzetbaar en kunnen zij aangevraagd worden door elke partij die daar interesse in heeft.

5.2.2 Ruimte binnen de gebiedsprocessen De gebiedsgerichte aanpak vraagt om openheid en vertrouwen en helder zijn over waar we stevig op moeten inzetten en waar we ruimte aan de gebieden kunnen geven voor maatwerk. In zijn algemeenheid streven we naar maximale handelingsruimte bij de gebiedsprocessen, omdat in het gebied de kennis, betrokkenheid en energie zit die nodig is om dingen voor elkaar te krijgen. Dit betekent dat het gebied zelf met voorstellen kan komen en daarmee een beroep kan doen op de beschikbare middelen. Voor de middelen van de UPLG-maatregelpakketten ligt dit wat complexer omdat bij sommige maatregelpakketten de middelen via afspraken met het Rijk al gedetailleerd zijn gelabeld, er is dan weinig bewegingsvrijheid. Daar waar wel ruimte is, is het belangrijk dat de gebieden die ruimte met eigen ideeën in kunnen vullen. Bij bestaande afspraken wordt in overleg met de andere partijen bekeken hoe de opgaven en maatregelen het beste vorm kunnen krijgen in de gebieden. De urgentie van sommige opgaven vraagt echter om een aanpak met meer sturing. Dat is zichtbaar in dit UPLG. Het UPLG vormt een belangrijk kader voor de uitvoeringsagenda’s (zie 5.3.2) en daarmee voor de gebiedsprocessen. De uitvoering van de opgaven vindt veelal plaats op basis van vrijwilligheid.

Het dwingende karakter van opgaven (en de rechtelijke uitspraken op dit vlak) enerzijds en de aanpak via vrijwilligheid anderzijds levert soms een lastig spanningsveld op voor betrokkenen. Op basis van deze werkelijkheid zijn grofweg twee sporen voor de uitvoering te onderscheiden: 1) strak waar het moet en 2) ruimte geven waar het kan: Spoor 1, strak waar het moet: Dit gaat over de opgaven die vanuit een grote beleidsmatige en juridische urgentie een meer dwingend karakter hebben. Hier is dus minder ruimte voor gebiedsgericht maatwerk in de uitvoering. Een goed voorbeeld hiervan zijn de opgaven vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn voor het herstel van de Natura 2000-gebieden. De wetgeving op dit gebied is streng. Eerdere maatregelen die afgesproken zijn, hebben ofwel onvoldoende effect gehad of zijn onvoldoende gerealiseerd. Dit heeft effect op alle (agrarische) activiteiten in en rondom een Natura 2000-gebied en maakt ons juridisch kwetsbaar. Daarom zullen we als provincie meer de regie moeten nemen om herstelmaatregelen te treffen. Bovendien is voor het stikstofdossier een geborgde aanpak noodzakelijk om de vergunningverlening weer op gang te krijgen. Spoor 2, ruimte geven waar het kan: Door de natuur te herstellen en de waterkwaliteit te verbeteren, ontstaat weer ruimte om de oplossingen en ideeën van de lokale stakeholders op te pakken.

Waar mogelijk hebben agrariërs en andere gebiedspartijen zelf de regie in handen in de uitvoering. Zoals hiervoor al aangegeven, kan een samenwerkingsovereenkomst met heldere afspraken over tijd, geld en beoogd effect hierbij helpen. Het laat 89

bovendien het commitment zien van alle betrokkenen. Uitgangspunt bij dit spoor is dat we het gebied centraal stellen in het aandragen en realiseren van de oplossingen. Dit samen met de nodige handelingsruimte voor de grondeigenaren. Voorbeelden hiervan zijn de vrijwillige deelname aan: agrarisch natuurbeheer, de UMDL, fieldlabs, het verhogen van grondwaterstanden in de veenweiden door aanleg van waterinfiltratiesystemen, kavelruil of bedrijfsverplaatsing. Dit alles met vertrouwen in elkaar en openheid over zorgen en kansen.

5.3 Governance en rolverdeling 5.3.1 Uitvoering in negen deelgebieden Voor de gebiedsgerichte aanpak hebben we de provincie verdeeld in negen deelgebieden (zie kaart 15 begrenzing ULG-deelgebieden in bijlage XI) waarin samen met de betrokken organisaties en grondeigenaren wordt gewerkt aan de uitvoering van de opgaven. De gebiedsprocessen verlopen echter meestal niet op het niveau van deze negen deelgebieden maar vooral in kleinere gebiedseenheden zoals bijvoorbeeld polders of andere logische (bestaande) samenwerkingsverbanden, zodat grondeigenaren samen met betrokken organisaties plannen kunnen maken voor hun eigen leefomgeving. Binnen elk proces wordt zoveel mogelijk integraal gekeken naar de UPLG-opgaven en ontwikkelingen in het gebied, waarbij ook andere ruimte vragende opgaven zoals woningbouw, duurzame energie en recreatie aan bod kunnen komen.

5.3.2 Uitvoeringsagenda’s Eind 2024 is voor alle deelgebieden een concept-gebiedsagenda opgesteld. Deze gebiedsagenda geeft aan wat de opgaven in het deelgebied zijn, welke processen en initiatieven er al lopen en waar het gebied naartoe wil werken. De concept-gebiedsagenda’s zijn voor de deelgebieden een eerste stap geweest om te komen tot een uitvoeringsagenda. De uitvoeringsagenda’s geven uitwerking aan de opgaven uit het UPLG in samenhang met de andere opgaven die in ieder gebied bestaan, zoals op het gebied van energieopwekking, recreatie en woningbouw. Ook de lokale ambities en potentie worden hierbij betrokken, onder andere via de bestuurlijke begeleidingsgroepen op polderniveau of op deelgebiedniveau. In de uitvoeringsagenda worden bindende afspraken gemaakt over doelen, resultaten, rollen en verantwoordelijkheden inclusief de inzet van menskracht en middelen. (Ruimtelijke) planvorming is daarbij een belangrijk instrument. Uitvoeringsagenda’s worden getoetst door de RSG’s. Zij zullen na enige tijd bijstelling nodig hebben op basis van goede monitoring en evaluatie. Ook kan worden gekozen om (een deel van) de afspraken over de samenwerking separaat aan de uitvoeringsagenda vast te leggen in een samenwerkingsovereenkomst (SOK). Deze SOK is dan onlosmakelijk verbonden met de uitvoeringsagenda. Na vaststelling vormen ze gezamenlijk de basis voor de uitvoering.

De uitvoeringsagenda’s zijn nog in ontwikkeling. Ze zullen naar verwachting voor alle deelgebieden in de loop van 2026 gereedkomen. Dit UPLG is een belangrijk kaderstellend/ opdrachtgevend document voor de uitvoeringsagenda’s. Insteek van de uitvoeringssagenda’s is dat het dynamische documenten zijn die regelmatig worden geactualiseerd.

90

Figuur 12. Relatie tussen het UPLG, de concept-gebiedsagenda’s en uitvoeringsagenda’s.

5.3.3 Bestuurlijke sturing in de uitvoering Belangrijk onderdeel van onze aanpak is de governance. Hierbij volgen we het sturingsmodel zoals dat is beschreven in de Uitvoeringsstrategie Landelijk Gebied (ULG, 2022). De essentie van dit model is met de volgende trefwoorden samen te vatten: samenwerken en sturen op drie schaalniveaus, verbinden bottom up met top down, juridische borging daar waar nodig, gezamenlijke planvorming en gedeelde uitvoeringsverantwoordelijkheden, integrale aanpak, rolbewust handelen. In het najaar van 2025 wordt deze governance structuur geëvalueerd samen met betrokken partijen. Hierbij wordt in beeld gebracht wat voor de uitvoering de meest geschikte governance is gegeven de opgaven waar we voor staan. Het sturingsmodel van ULG, zoals dat enkele jaren geleden is ingesteld, gaat uit van een governance met de volgende stuurgroepen: bestuurlijke begeleidingsgroepen op polder-/lokaal niveau, twee regionale stuurgroepen (Oost en West) en één provinciale stuurgroep. Daarnaast is soms op het niveau van de negen deelgebieden sprake van een bestuurlijk platform dat te beschouwen is als een hulpstructuur. Ter toelichting op de drie stuurgroepen gaan we hier nader in op de organisatie.

Lokaal niveau, Bestuurlijke begeleidingsgroepen (BBG): De daadwerkelijke uitvoering vindt plaats in de vorm van concrete uitvoeringsprojecten als uitkomst van een gebiedsproces op polder-/lokaal niveau. De gebiedsprocessen worden bestuurlijk ondersteund door bestuurlijke begeleidingsgroepen op polderniveau of op deelgebiedsniveau. Deze bestaan uit direct betrokken partijen in het gebied. Waar nodig kan de bestuurlijke begeleidingsgroep escaleren naar de Regionale Stuurgroep. Regionaal niveau, twee regionale stuurgroepen Medio 2023 zijn twee Regionale stuurgroepen (RSG’s) gestart: RSG-Oost en RSG-West, ieder met een eigen onafhankelijke voorzitter. De leden van de RSG’s bestaan uit de betrokken regionale gebiedspartijen: overheden (provincie, waterschappen en gemeenten), landbouworganisaties, terreinbeherende organisaties en andere maatschappelijke organisaties. Bij de uitvoering van het UPLG hebben de RSG’s een belangrijke rol. De RSGs toetsen de uitvoeringsagenda’s en monitoren de gebiedsprocessen en de uitvoering. Getoetst wordt op onder meer uitvoerbaarheid, draagvlak, doelbereik en financierbaarheid. De RSG’s letten bij de toetsing op het totale doelbereik van de verschillende deelgebieden samen. De RSG’s hebben daarbij oog voor de dwarsverbanden tussen de verschillende deelgebieden, daar waar grensoverstijgend wordt gewerkt.

Provinciaal niveau: Provinciale Stuurgroep Landelijk Gebied (PSLG) De PSLG bestaat uit bestuurders van de betrokken overheden: de provincie (voorzitter), de vier waterschappen en vertegenwoordiging uit de gemeenten via de drie gemeentelijke samenwerkingsverbanden (U16, Regio Amersfoort en Regio Foodvalley). De rol is drieledig: ▪ De PSLG houdt de resultaten bij voor de UPLG opgaven (op aangeven van de RSG’s) en stuurt bij waar nodig. Voor zover bij hen bekend houdt zij daarbij de relatie met andere opgaven voor ogen (zoals bv duurzame energie, woningbouw, recreatie). 91

▪

▪

Verder handelt zij op escalatieniveau. Dit gaat om zaken waar de RSG’s zelf niet uitkomen en waar op het niveau van de PSLG een knoop over moet worden doorgehakt om te voorkomen dat het uitvoeringsproces stagneert. In de praktijk zal dit naar verwachting niet veel voorkomen. Tot slot hebben de leden van de PSLG ook een rol als ambassadeur/ boegbeeld voor het UPLG.

5.3.4 Rollen en verantwoordelijkheden Uitvoering van het UPLG vraagt een gezamenlijke betrokkenheid en verantwoordelijkheid, van onszelf als provincie en van onze partners, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheden. Daarbij zijn de volgende onderwerpen essentieel: ▪ Eigenaarschap: voor een goede uitvoering is het noodzakelijk dat in de gebiedsprocessen alle betrokkenen (overheden en maatschappelijke organisaties) eigenaarschap voelen voor de doelen van het UPLG. Ook de lokale ambities en potentie zijn daarbij belangrijk. De uitvoeringsagenda’s die samen met de betrokken organisaties op het niveau van de ULG-deelgebieden worden opgesteld, zijn hiervoor een belangrijk instrument. Zie verder 5.3.2 hierover. ▪ Helderheid over rollen en taken: iedere betrokken partij in het UPLG beschikt over een formele rol en taak met bijbehorende verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Vanuit die rol zal men zijn inbreng leveren in het uitvoeringsproces. Het is belangrijk dat er gezamenlijk helderheid en overeenstemming is over deze rollen en verantwoordelijkheden en dat die gedurende het uitvoeringsproces in beeld blijven en worden gerespecteerd. ▪ Integrale programmering en aansturing: het UPLG betreft een ambitieus programma waarin doelen op gebied van klimaat, natuur, water en landbouw bij elkaar worden gebracht.

De vraagstukken en dilemma’s ten aanzien van prioritering, geld en capaciteit zijn fors. Met dit UPLG wordt hier richting aan gegeven. Allereerst via de UPLG-maatregelpakketten waarmee voor een aantal belangrijke onderwerpen financiering geregeld is voor de eerste paar jaren (zie 5.6.2). Verder sturen we hierin via de prioritering van de gebieden (zie 5.4). Via de uitvoeringsprogramma’s zal een verdere uitwerking van de programmering plaatsvinden. Duidelijke keuzes zijn daarbij nodig over welke inzet van de provincie en de vele betrokken partners mag worden verwacht. Wat verwachten we van onszelf als provincie? Als provincie hebben we bij de uitvoering van het UPLG verschillende rollen. Allereerst een regisserende rol, we zijn immers eindverantwoordelijke voor het behalen van de UPLG-doelen en hebben daarover wat betreft de Rijksmiddelen verantwoording af te leggen bij het Rijk. We sturen op doelrealisatie en op de integraliteit van de opgaven en de daarmee samenhangende inzet van menskracht en middelen. Alles met alles verbinden is echter een onmogelijke opgave en leidt ook tot vertraging. Het komt eropaan om die thema’s te verbinden die nauwe samenhang hebben. We kunnen dit uiteraard als provincie niet alleen. Juist het samenbrengen van de verschillende opgaven vraagt een nauwe samenwerking van alle partijen.

Bij bepaalde thema’s zijn vaak ook andere overheden de trekkende partij. Zie bijvoorbeeld de waterschappen op het gebied van KRW-doelen en de gemeenten op het gebied van woningbouw en energie. We hebben elkaar nodig. Dit maakt dat we als provincie ook een participerende en stimulerende rol hebben. De participerende rol kan bijvoorbeeld bestaan uit deelname aan gebiedsprocessen, de stimulerende rol uit het beschikbaar stellen van subsidies, onderzoek, voorbeeldprojecten en communicatiemiddelen. Wat verwachten we van de waterschappen? Waterschappen spelen een belangrijke rol bij het realiseren van de UPLG-doelen. Zij zijn actief in veel gebiedsprocessen en hebben vanuit die rol nauwe contacten met de individuele agrariërs in de gebieden, ze weten wat daar speelt. We verwachten dat zij deze kennis en ervaring inzetten bij de uitvoering van het UPLG. Daarnaast verwachten we een rol op meer strategisch niveau in samenwerking met andere waterschappen en met het Rijk op het gebied van de grote provincie-overschrijdende watervraagstukken, zoals omgaan met de toenemende weersextremen en de daarmee samenhangende perioden van wateroverlast en droogte.

Van de waterschappen verwachten wij wat betreft de UPLG-thema’s in de uitvoering vooral inzet op de volgende thema’s: ▪ KRW-doelen: uitvoeren van maatregelen voor verbeteren van de waterkwaliteit in het oppervlaktewatersysteem en voor herstel hydrologische systemen rondom de Natura 2000-gebieden (realiseren van de KRW-doelen) 92

▪

▪

▪

Toewerken naar een robuust toekomstbestendig watersysteem: Uitvoeren van en samenwerken aan maatregelen die ruimte bieden aan het opvangen van weersextremen. Dit betekent onder andere samen met alle partners de zoekgebieden voor waterberging verder concretiseren (zie kaart 2 in Bijlage XI) en maatregelen nemen om water meer vast te houden voor lange droge periodes. Veenweiden: verminderen van CO2 uit de veenbodems (inclusief kleidek-op-veen) en afremmen van bodemdaling meenemen in de integrale afweging in gebiedsprocessen en peilbesluiten en uitvoeren van daaruitvolgende maatregelen. Heuvelrug en beekdalen: doorvoeren van de noodzakelijke aanpassingen in het watersysteem op de flanken van de heuvelrug en in de beken en beekdalen.

Wat verwachten we van de gemeenten? Ook de gemeenten spelen een belangrijke rol bij het realiseren van de UPLG-doelen, zeker ook vanwege hun ROtaken. Net als de waterschappen hebben gemeenten nauwe contacten met de stakeholders in de gebieden, ze weten wat daar speelt. Van de gemeenten verwachten we het volgende: ▪ Inbreng van lokale kennis en ervaring. De gemeenten werken vanuit een integrale visie aan een vitaal en aantrekkelijk landelijk gebied binnen hun gemeente. Zij hebben nauwe contacten met de bedrijven, burgers en maatschappelijke organisaties en weten op gemeentelijk/ lokaal niveau wat in gebieden speelt. ▪ Versterken integrale aanpak: De gemeenten hebben een belangrijke rol vanwege hun RO-taak. Zij overzien goed de raakvlakken tussen de UPLG-opgaven en de andere opgaven die er in een gebied zijn zoals bv op het gebied van duurzame energie, recreatie en woningbouw. Hierdoor hebben zij goed inzicht in de kansen en mogelijkheden die dit biedt voor het combineren van opgaven en ook de belemmeringen die er kunnen zijn. ▪ Adequate Omgevingsvisie en Omgevingsplan. De gemeenten sturen onder andere vanuit hun RO-rol via de gemeentelijke Omgevingsvisie en het gemeentelijke Omgevingsplan. We verwachten van de gemeenten dat de UPLG- opgaven daarin volwaardig worden meegenomen.

Onder meer voor functieveranderingen, waaronder ook het mogelijk maken van multifunctioneel ruimtegebruik is dit relevant. ▪ Bijdragen aan versterken relatie stad-landelijk gebied: In onze provincie liggen stad en land altijd dicht bij elkaar. Voor onder meer recreatie, Groen Groeit Mee, klimaatadaptatie, biodiversiteit, regionaal voedsel en duurzame energie is de stad-landrelatie belangrijk. Ook voor woningbouw, bedrijventerreinen en mobiliteit spelen ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied. Hierin spelen de gemeenten een belangrijke rol. Wat verwachten we van het Rijk? Van het Rijk verwachten we een stevige inzet op de UPLG-opgaven op basis van de (inter)nationale verplichtingen. Het Rijk heeft immers de verantwoordelijkheid voor veel instrumenten die het voldoen aan die verplichtingen als belangrijkste doel hebben. Bovendien hebben deze verplichtingen een werkingssfeer op nationaal niveau. Het is voor een aantal onderwerpen ongewenst als elke provincie daar eigen beleid op gaat voeren.

In zijn algemeenheid verwachten we van het Rijk een consistent en consequent beleid om langjarige zekerheid voor inwoners en ondernemers te bieden, onder andere op de volgende thema’s is de inzet van het Rijk van groot belang voor de uitvoering van het UPLG: ▪ Stikstof: generiek beleid en maatregelen om emissies en depositie van stikstof op een geborgde wijze en juridisch houdbaar terug te dringen. ▪ Landbouw: voldoende instrumenten voor een goed en langjarig verdienvermogen van de agrarische sector bij hun ontwikkeling naar een meer natuurinclusieve en circulaire landbouw en voor de ecosysteemdiensten die zij daarbij kunnen vervullen. ▪ Natuur: een voldoende ambitieus Nationaal Natuurplan als uitwerking van de Europese Natuurherstel Verordening en instrumenteer dit adequaat. ▪ Nutriënten: adequaat mestbeleid, dit is van belang om aan de waterkwaliteitseisen te kunnen voldoen (KRW). ▪ Gewasbeschermingsmiddelen: aanscherpen van de toelatingsprocedures van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). ▪ Klimaat-veenweiden: bij het Deltaprogramma en beslissingen rekening houden met voldoende wateraanvoer voor verhoging van de (grond)waterstanden in de veenweiden, en een integrale rijksaanpak voor veenweidegebied en de diepe droogmakerijen.

93

Wat verwachten we van de landbouw- en natuur- organisaties? Inzet en betrokkenheid van maatschappelijke organisaties, zoals landbouw- en natuurorganisaties, zijn onmisbaar voor draagvlak en realisatie. De uitvoering kan alleen gaan werken als we dat in goede samenwerking met hen en met de grondeigenaren doen en als we hen ook al bij het voortraject hebben betrokken. In de (lange) aanloop naar dit UPLG hebben we waardevolle input van de landbouw- en natuurorganisaties ontvangen via allerlei grotere en kleinere bijeenkomsten en overleggen die we hiervoor hebben georganiseerd. Ook in de uitvoering werken we al vele jaren nauw samen, zoals in het gebiedsproces Groot Wilnis Vinkeveen. Verschillende landbouw- en natuurorganisaties nemen ook deel aan de RSG’s (oost en west), ze hebben hiermee ook een rol in de governance. Wij realiseren ons dat er met name van de agrarische sector veel wordt gevraagd. Wij doen een beroep op hen om vanuit hun ondernemerschap mee te blijven denken over slimme oplossingen op bedrijfsniveau en in het gebiedsproces. Met de ondernemers waar er bijzonder veel samenkomt op het bedrijf gaan wij graag in gesprek. We hebben elkaar nodig, alleen door een goede samenwerking tussen overheid en maatschappelijke organisaties kunnen we resultaten bereiken.

5.4 Prioritaire gebieden De opgaven zijn groot en in de gebieden bestaat de wil om aan de slag te gaan en te blijven. Het is echter niet mogelijk om in alle gebieden meteen met alle opgaven aan de slag te gaan. Met het vervallen van het Transitiefonds Landelijk Gebied van het Rijk zijn de financiële middelen beperkt en ook de beschikbare personele capaciteit heeft zijn grenzen. Daarom prioriteren we in onze aanpak en focussen we ons op de gebieden waar extra uitdagingen liggen, waar opgaven stapelen en die belangrijk zijn om de vergunningverlening weer op gang te brengen in de provincie Utrecht. Dit is in lijn met de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur (RLN) van het Rijk. Naast de prioritaire gebieden uit het RLN, voegen wij ook de Utrechtse Heuvelrug toe als prioritair gebied: 1. De Natura 2000-gebieden met de overgangsgebieden: hier is herstel van de natuur het meest noodzakelijk, vanwege de toestand van de natuur in deze gebieden (zie 3.4.2) en vanwege verplichtingen vanuit de Europese regelgeving. Ecologisch en juridisch en gezien is hier sprake van grote urgentie. Bovendien willen we de provincie Utrecht wat betreft vergunningverlening ‘van het slot’ halen. Doelrealisatie binnen de Natura 2000-gebieden creëert ook buiten de overgangsgebieden ruimte voor ontwikkelingen in het landelijk gebied.

Dit maakt dat de Natura 2000-gebieden met de overgangsgebieden in de uitvoering de hoogste prioriteit hebben. 2. (Delen van) de veenweidegebieden: hier komt een groot aantal opgaven bij elkaar. Zoals de opgaven op het gebied van bodem en water, natuur, stikstof en klimaat. Met daarbij als aanvullende randvoorwaarde een toekomstperspectief voor de blijvers in de landbouw. Samen met de waterschappen werken we aan een ruimtelijke differentiatie van het veenweidegebied om te komen tot prioritering: wat moet nu, wat kan straks of veel later. Dit gebeurt onder andere via de bestuurlijke Taskforce Veenweiden. Eerste conclusies over ruimtelijke differentiatie zijn te vinden onder 4.2.1. 3. De beekdalen: de beekdalen in het midden- en noordelijk deel van de Gelderse Vallei zijn prioritair vanwege de urgente KRW-opgaven in combinatie met de opgave voor het grootschalig herstel van de beeksystemen en het realiseren van de natuuropgaven (Natuurnetwerk Nederland/ VHR). 4. (Delen van de) Heuvelrug en flanken (Langbroekerweteringgebied): dit gebied is als prioritair aangewezen omdat de grondwatervoorraad van de Heuvelrug functioneert als waterbron voor de wijde omgeving. De kwelafhankelijke natuur op de flanken en de verdere omgeving is hier rechtstreeks van afhankelijk. Ook de landbouw profiteert in droge perioden van de kwel.

Herstel van het hydrologisch systeem is om deze redenen essentieel. Daarnaast omvat de Heuvelrug het op de Veluwe na grootste aaneengesloten bos- en heidegebied van Nederland. Een groot deel hiervan valt binnen het Natuurnetwerk Nederland. Veel van de middelen vanuit de UPLG-maatregelpakketten/Programma natuur fase 2 landen binnen deze prioritaire gebieden. Vier van de zes maatregelpakketten vallen geheel binnen de hierboven genoemde prioritaire gebieden, zie 5.6.2. Bij de overige twee maatregelpakketten zijn er ook niet-gebiedsspecifieke middelen beschikbaar, zoals voor het realiseren van groenblauwe dooradering via Maatregelpakket 1 (groenblauwe linten, scheggen en boerensloten) en voor het UMDL via maatregelpakket 3 (landbouw). Deze middelen zetten we provinciebreed in.

94

De uitvoering van deze maatregelpakketten vraagt de komende jaren veel aandacht en grote inzet van personele capaciteit bij betrokken organisaties, onder andere vanwege het tijdpad dat met het Rijk erover is afgesproken. In relatief korte tijd moeten veel middelen worden weggezet: zowel rijksmiddelen voor de UPLG-maatregelpakketten als voor Programma Natuur-2 moeten in 2028 zijn beschikt en in 2032 zijn uitgevoerd. Vanwege de voorwaarden die verbonden zijn aan de verkregen rijksmiddelen, ligt bij de uitvoering de eerste jaren de focus op de UPLG-maatregelpakketten. Omdat de meeste opgaven bij elkaar komen in de genoemde vier prioritaire gebieden, zullen eventuele aanvullende nieuwe geldstromen die beschikbaar komen, ook bij voorrang op deze gebieden gericht worden. In de gebieden buiten de prioritaire gebieden bestaan vanzelfsprekend ook opgaven. In die gebieden haken we graag aan bij initiatieven vanuit het gebied om UPLG- en andere opgaven samen te realiseren. Wij steunen dit dan voor zover capaciteit en middelen beschikbaar zijn. We kijken daarbij nadrukkelijk naar andere provinciale programma’s op het terrein van gezonde en klimaatbestendige leefomgeving, recreatie, Groen Groeit Mee, cultuurhistorie en duurzame energieprojecten.

5.5 Instrumentarium 5.5.1 Een passende instrumentenkoffer Passende instrumenten zijn noodzakelijk om de gewenste veranderingen te ondersteunen. Ze maken het mogelijk om beleid tot uitvoering te brengen. Veel instrumenten die bijdragen aan de doelstellingen van het UPLG zijn nu al beschikbaar. Dit betreft niet alleen onze eigen provinciale instrumenten, maar ook die van het Rijk (RVO), de waterschappen en gemeenten. De instrumentenkoffer moet echter voortdurend worden doorontwikkeld om aan de behoefte vanuit de gebieden te kunnen voldoen. Hieronder is een samenvattend (niet uitputtend) overzicht opgenomen van verschillende typen instrumenten die beschikbaar zijn of worden ontwikkeld ten tijde van vaststelling van het Ontwerp-UPLG. Meer informatie over beschikbare regelingen is te vinden op het provinciale subsidieloket en in de landelijke instrumentenkoffer landelijk gebied. Als provincie Utrecht voeren we ook beleid om agrariërs te ondersteunen in de doorontwikkeling naar een economisch rendabel en duurzaam bedrijf. Hier is meer over te lezen onder paragraaf 3.6.3.

De instrumenten zijn onderverdeeld in vijf categorieën: ▪ Financieel-economische instrumenten: zoals subsidies en fondsen ▪ Grondinstrumenten: zoals kavelruil en grondbanken ▪ Juridische instrumenten: zoals regelgeving en vergunningen ▪ Kennis en innovatie: zoals onderzoeksprogramma's en pilots ▪ Samenwerking en organisatie: zoals platforms en netwerken Financieel-economische instrumenten Om initiatieven financieel te ondersteunen worden vaak subsidies ingesteld. Een subsidie is een tijdelijke bijdrage van de overheid ten behoeve van starten of het in stand houden van een activiteit waarvan het economische belang niet direct voor de hand ligt. Aan het krijgen van een subsidie zijn altijd voorwaarden verbonden. Andere mogelijkheden voor financieel-economische impulsen vanuit de overheden zijn bijvoorbeeld fondsen of Regio Deals. Voorbeelden van financieel-economische instrumenten die bijdragen aan de UPLG-doelen zijn: ▪ Gemeenschappelijk Landbouwbeleid-Nationaal Strategisch Plan (GLB-NSP), onder meer de eco-regeling en LEADER. ▪ Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL) ▪ Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) ▪ Subsidieregeling Leefomgeving Landelijk Gebied. Als provincie hebben wij in 2024 deze integrale regeling opengesteld om verdere versnippering van subsidies tegen te gaan en het verkrijgen van bijdragen te versimpelen.

Veel van de onderdelen hiervan dragen bij aan de UPLG-doelen. Bijvoorbeeld: ▪ Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL) voor Melkveehouderij en Fruitteelt ▪ Aankoop en ontpachting NNN-gronden ▪ Agroforestry 95

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

▪ Leefgebieden bedreigde soorten ▪ Bestrijding en beheersing invasieve exoten ▪ Beleefbare natuur ▪ Kleine landschapselementen ▪ Verplaatsing landbouwbedrijven ▪ Niet-productieve investeringen agrarisch natuurbeheer ▪ Beperking bodemdaling Utrechtse veenweiden Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting (Lvvp) Deltaprogramma Agrarisch Waterbeheer (DAW) Regiodeals Samenwerking Integrale Gebiedsontwikkeling (SIG) Uitvoering en Planvorming Compensatiesystematiek Veenweiden (CSV). Deze regeling is nog in ontwikkeling Herwaarderingsregeling ter bevordering van onder andere de vernatting van de veenweiden, extensivering, weidevogelgraslanden en maatregelen rondom hydrologie en connectiviteit in de overgangsgebieden. Deze regeling is in ontwikkeling en is gebaseerd op herwaardering n.a.v. taxatie, met behoud van agrarische functie van de grond. Het zou eenmalig permanente herwaardering van landbouwgrond vergoeden aan agrariërs die vrijwillig meedoen aan gebruiksbeperkingen op perceel niveau en met behoud van de functie landbouw.

Grondinstrumenten Actief grondbeleid is nodig om voldoende grond te verwerven of beschikbaar te krijgen voor de doelen uit het UPLG, hieronder valt ook het beschikbaar houden van goede landbouwgrond voor de sector. Een aantal beschikbare grondinstrumenten (deels ook door gemeenten toepasbaar) wordt hier genoemd. ▪ Vrijwillige kavelruil ▪ Provinciale Grondbank ▪ Wettelijke herverkaveling ▪ Grondverwerving en -verkoop (met zo nodig regie op functiewijziging) ▪ Onteigening (met volledige schadeloosstelling) ▪ Vestigen voorkeursrecht Paragraaf 5.5.3 beschrijft een aantal aspecten van het grondbeleid van de provincie meer uitgebreid. Juridische instrumenten Ge- en verboden, normering en regelgeving. ▪ Omgevingsvergunning ▪ Waterschapsverordening (waterschap) en Omgevingsplan (gemeente) ▪ Omgevingsverordening. Via regels in de provinciale omgevingsverordening gericht op mede-overheden (instructieregels) of burgers en bedrijven (regels gericht op activiteiten) kan de provincie sturen en reguleren binnen de fysieke leefomgeving.

Voorbeelden van relevante regels voor het UPLG betreffen: ▪ Instructieregels voor peilbesluiten aan waterschappen ▪ Instructieregels ter bescherming van bijzondere waarden (natuur, cultuurhistorie, landschap) aan gemeenten ▪ Regels voor functieverandering van bestaande erven in het landelijk gebied aan gemeenten ▪ Regels voor grondwateronttrekking ▪ Projectbesluit ▪ Peilbesluit ▪ Programma Kennis en innovatie Via verschillende projecten, programma’s en overlegstructuren wordt er kennisontwikkeling en -uitwisseling gestimuleerd en gewerkt aan nieuwe innovaties. Enkele voorbeelden: fieldlabs, pilots, LaMi, de Kenniskring landbouw, Landschapsecologische Systeemanalyse (LESA) en het Veenweiden innovatieprogramma (VIC en VIPNL). 96

Samenwerking en organisatie Structuren en systemen moeten worden ingericht om de onderlinge samenwerking tussen partijen en de uitvoering te kunnen vormgeven en ondersteunen. Een aantal voorbeelden van dergelijke structuren en systemen: de Gebiedsgerichte aanpak, Gebiedscoöperaties, Provinciale Stuurgroep Landelijk Gebied, Regionale Stuurgroepen, Bestuurlijke Begeleidingsgroepen, de landbouwtafel en de Utrechtse stikstofdepositiebank Agrariërs die stappen willen zetten in de omschakeling naar andere typen bedrijfsvoering kunnen daarbij op verschillende manieren ondersteuning krijgen vanuit de provincie. Zie hiervoor het Ondernemersprogramma in paragraaf 3.6.3. Zo kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van: de Vraagbaak Landbouw, plattelandscoaches, subsidies voor het opstellen van een duurzaam bedrijfsplan en subsidies voor voer- en managementmaatregelen. Via het Netwerk Duurzame Landbouw met Natuur wordt praktische kennis over natuurinclusieve landbouw beschikbaar gesteld voor en gedemonstreerd aan Utrechtse agrariërs. Het netwerk is een samenwerking van landbouw-, natuur- en milieuorganisaties. Inzet instrumentarium voor UPLG Voor het behalen van de UPLG-doelen wordt waar mogelijk gewerkt op basis van instrumenten met een stimulerend karakter. Het is echter niet altijd zeker of de uitvoering van het beleid slaagt op vrijwillige basis.

Op onderdelen zullen we vanwege de (juridische) urgentie van de opgaven strenger instrumentarium moeten inzetten. Met name de juridische instrumenten en enkele grondinstrumenten zijn meer sturend. We zetten in op het doorontwikkelen van het instrumentarium, zodat het goed aansluit bij het realiseren van de UPLG-doelen. Bijvoorbeeld door instrumenten inzetbaar te maken voor prioritaire gebieden, of door wijzigingen in regels of werkingsgebieden op te nemen in de omgevingsverordening, of nieuwe instrumenten te ontwikkelen waar deze nog ontbreken. Kortom, de instrumentenkoffer blijft in beweging.

5.5.2 Vergunningverlening De provincies zijn in Nederland verantwoordelijk voor een aantal vergunningen in het landelijk gebied, waaronder de Omgevingsvergunningen voor Natura 2000 activiteiten, bouw- en milieubelastende activiteiten. Met deze vergunningen kunnen boeren- en andere bedrijven toestemming krijgen voor hun activiteiten, op basis van onder meer stalmaatregelen en het aantal dieren. Zoals eerder aangegeven zit Utrecht op dit moment ‘op slot ‘. We kunnen geen vergunningen afgegeven voor stikstofemissies, omdat we niet voldoen aan de eisen voor natuurherstel. Wij nemen daarom een aantal maatregelen om toe te werken naar een situatie waarin wij weer vergunningen kunnen verlenen in onze provincie. Zoals eerder aangegeven streven wij als provincie naar het werken met doelsturingsvergunningen. Hierbij is het passend dat onze vergunningverlening zich ook richt op ‘output’ – zoals uitstoot beperking van ammoniak – in plaats van ‘middelen’, zoals stalmaatregelen en aantal dieren. Wij willen dan ook per 1 januari 2027 werken met een doelvoorschriftenvergunning voor de agrarische sector in onze provincie met als prioriteit de PAS-melders. Een doelvoorschriftenvergunning past beter bij de uitgangspunten die zijn opgenomen over de beperking van de uitstoot van ammoniak in onze provincie in 2035, omdat het zich richt op uitstoot.

Dit houdt in dat op termijn oude vergunningenkunnen worden vervangen door doelsturingsvergunningen. Bedrijven hebben dan een emissiedoel en zullen hun bedrijf moeten voeren binnen dit doel. Het is onze verwachting dat de meeste bedrijven met het nemen van voer- en managementmaatregelen aan dit doel kunnen voldoen zonder te extensiveren. Op deze manier brengen we vergunningen in lijn met de beschikbare milieugebruiksruimte en verbeteren we de juridische houdbaarheid van (bestaande) vergunningen. Onze verwachting is dat het hiermee ook juridisch makkelijk aantoonbaar is welke bijdrage een individueel bedrijf levert aan de totale beperking van uitstoot in de provincie. Met deze vergunning willen wij specifieke doelgroepen die momenteel in de knel zitten – zoals de eerdergenoemde PAS melders – met voorrang gaan vergunnen. Vervolgens willen wij – vanaf medio 2028 – ook andere nieuwe aanvragen in behandeling gaan nemen en oude vergunningen gaan omzetten naar een doelsturingsvergunning. Meerdere provincies oriënteren zich momenteel op het invoeren van een doelvoorschriftenvergunning en het past ook in de ambitie van het Rijk om te komen tot doelsturing. Doelsturing laat meer ruimte voor flexibiliteit op bedrijfsniveau om de best passende middelen te kiezen. Daarmee nodigt het uit tot innovatie en het op 97

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16361482/1