CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026 - 2035

Commissie Ruimte en Economie 9 december 2025, gemeente RhenenBij agendapunt: Achtergrondinformatie Programma Landelijk Gebied54.317 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 7

Daarnaast kunnen ondernemers gebruik maken van Plattelandscoaches die de provincie beschikbaar stelt om hen te ondersteunen bij het maken van toekomstbestendige keuzes voor hun bedrijfs- en erfontwikkeling.

64

4. Ontwikkelrichting per Utrechts landschap 4.1 Inleiding Van de open veenweidengebieden, tot de bossen van de Heuvelrug en de forten van de Nieuwe Hollandse waterlinie: het Utrechtse landschap is bijzonder gevarieerd. Het kent vele gezichten en is ecologisch, economisch en maatschappelijk van grote waarde. In 3.2.1 zijn de vijf landschappen al benoemd die we in dit UPLG onderscheiden. Deze landschappen staan niet op zichzelf, ze vormen onderdeel van grotere landschappelijke eenheden en structuren die de provinciegrenzen overschrijden (zie kaart 13 Landschappelijke positionering in bijlage XI en ook kaart 14 Landschappenkaart in bijlage XI). Menselijke ingrepen hebben door de eeuwen heen het landschap veranderd. De waarde van onze landschappen is mede gelegen in deze dynamiek. Een landschap staat nooit stil, maar is altijd in beweging en in ontwikkeling. Ook de maatregelen die ten grondslag liggen aan dit UPLG zullen soms tot gevolg hebben dat het landschap verandert. Het is belangrijk dat dit veranderingen zijn die de ecologische, economische en maatschappelijke waarden van het landschap versterken en die het bodem-, water- en natuursysteem herstellen en veerkrachtiger maken.

In de voorgaande hoofdstukken zijn we ingegaan op de doelen voor het landelijk gebied (hoofdstuk 2) die we vervolgens hebben uitgewerkt in een set van 17 structurerende principes als een inhoudelijke richtingaanwijzer (hoofdstuk 3). Hiermee gaan we in dit hoofdstuk verder. De doelen uit hoofdstuk 2 en de structurerende principes uit hoofdstuk 3 vertalen we op het niveau van de vijf landschappen naar onderling samenhangende opgaven en maatregelen. Zodat deze zoveel mogelijk met elkaar worden gecombineerd en er synergie ontstaat. Dit brengt per landschap ook focus aan. Zie hiervoor figuur 2 in de samenvatting. De volgende paragrafen geven per landschap een toelichting met daarin steeds de volgende opbouw: ▪ Als eerste stap geven we een korte beschrijving van het landschap; ▪ Dan volgt een samenvatting van de concrete opgaven die in het betreffende landschap aan de orde zijn; ▪ Daarna een beschrijving van de ontwikkelrichting tot 2050 die wij per landschap voor ogen hebben; ▪ Daarna volgt een korte beschrijving van de structurerende principes die specifiek in het betreffende landschap van toepassing zijn; ▪ Tot slot geven we per landschap concrete maatregelen aan waar de UPLG-maatregelpakketten een belangrijk onderdeel van vormen.

4.2 Groene Hart 4.2.1 Gebiedsbeschrijving Het landschap Groene Hart beslaat het hele westelijk deel van de provincie. Het bestaat voor een groot deel uit het karakteristieke Hollandse open polderlandschap, met smalle percelen en veel sloten en weteringen. Karakteristiek is ook de verkaveling met diepe opstrekkende kavels en lintbebouwing. Beide stammen nog uit de oorspronkelijke middeleeuwse cope-ontginning. Een groot deel van het veenweidegebied is daarom in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur aangewezen als ‘agrarisch cultuurlandschap’. Het watersysteem is peilgestuurd, met een uitgebreid stelsel van boezems voor de aan- en afvoer van water. Naast landschappelijke waarden kent het gebied ook belangrijk historisch erfgoed. De Oude Hollandse Waterlinie loopt van noord naar zuid door het gebied en heeft met zijn inundatiegebieden gebruik gemaakt van het kenmerkende waterstelsel en de lage ligging. Aan de noord- en oostzijde ligt het UNESCO Werelderfgoed ‘De Hollandse Waterlinies’ bestaande uit de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Ook het UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bevindt zich in dit landschap. Langs de Vecht liggen veel landgoederen en buitenplaatsen met monumentale bebouwing en oude parkbossen. De bodemsamenstelling in het gebied varieert, met zowel veen, als kleidek-op-veen, klei op veengebieden en moerige gronden.

In delen is het veen ontgonnen voor turfwinning. Soms zijn daarbij plassen achtergebleven, zoals de Vinkeveense plassen. Ook moerasgebieden zijn kenmerkend voor dit landschap. Veel van deze plassen en natte 65

gronden zijn door de eeuwen heen ontwaterd om landbouwgebied van te maken, met de melkveehouderij als grootste sector. De karakteristieke droogmakerijen rond Mijdrecht zijn daarvan een goed voorbeeld. Ruimtelijke differentiatie in het veenweidegebied Het veenweidegebied is zeer gedifferentieerd. Niet enkel de opgaven op het gebied van bodemdaling en CO 2uitstoot uit de veenbodems spelen hier, maar ook de aanwezigheid van Natura 2000 gebieden leidt tot urgentie. Zie hiervoor de CO2-kaart (kaart 10), de bodemdalingskaart (kaart 11) en de kaart Natura 2000-gebieden met overgangszones (kaart 5 in bijlage XI). Door kaartlagen op elkaar te leggen, wordt zichtbaar welke gebieden een stapeling van opgaven hebben. De stapelkaart veenweiden (kaart 12 in bijlage XI) laat dit zien. Op deze kaart zijn ook de gebieden zichtbaar waar de uitstoot wél hoog is, maar waar weinig bodemdaling optreedt of omgekeerd. Want zoals eerder benoemd is de relatie tussen bodemdaling en uitstoot broeikasgassen uit veenbodems beperkt. Deze kaarten zijn voor de Taskforce veenweiden belangrijke bouwstenen om tot nadere prioritering binnen de Utrechtse veenweiden te komen. Zie voor meer informatie 3.5.2. Het westelijk deel van Utrecht vormt - samen met de veenweiden van Zuid-Holland en Noord-Holland - het Groene Hart. Grote delen van het Utrechtse veenweidengebied zijn van internationaal belang voor weidevogels.

Met zijn rust en stilte vormt het gebied een tegenhanger voor de drukke Randstad en daarmee een aantrekkelijk gebied voor de stedeling om te recreëren. Kernkwaliteiten Groene Hart: 1. Openheid, 2. (Veen)weidekarakter (strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.), 3. Landschappelijke diversiteit, 4. Rust en stilte

4.2.2 Opgaven Het veenweidegebied in het Groene Hart kent een stapeling van opgaven. Niet overal spelen dezelfde opgaven of spelen de opgaven in dezelfde mate. We hebben te maken met een grote differentiatie in het veenweidegebied. Het gehele Groene Hart is vanwege de veelheid van opgaven door het Rijk aangewezen als NOVEX-gebied. Binnen het UPLG gaat het om de volgende opgaven: Klimaat: verminderen broeikasgassen veenbodems en afremmen bodemdaling. Het Utrechtse veenweidegebied stoot CO2 uit, voornamelijk omdat de bovenste laag ontwaterd wordt ten behoeve van de landbouwfunctie. Ook daalt de bodem op veel plekken tussen 2 en 10 mm per jaar. De zakkende veenbodem leidt zonder maatregelen tot hogere kosten voor onder meer het waterbeheer, de infrastructuur, rioleringen en gebouwen. Klimaat: klimaatbestendig water- en bodemsysteem. Dit gaat om beter omgaan met te veel en te weinig water als gevolg van weersextremen. We hebben gebieden nodig waar piekbuien kunnen worden opgevangen zodat het watersysteem wordt ontlast in periodes van hevige regenval. De beschikbaarheid van schoon zoet water gaat op termijn in voorjaar en zomer afnemen. We moeten zoeken naar manieren om beter om te gaan met lange periodes van droogte en het gebruik hierop aanpassen. Water: verbeteren kwaliteit oppervlaktewater.

De waterlichamen in de Oostelijke Vechtplassen en in Botshol blijven op het gebied van nutriënten achter. Veel waterlichamen in deze gebieden voldoen niet aan de gestelde doelen voor stikstof en fosfaat (toestand 2024). De nutriënten zijn afkomstig van verschillende bronnen zoals uitof afspoeling vanuit landbouwgronden, kwel of lozingen vanuit een RWZI. Wat betreft de biologische toestand is in het gehele veenweidegebied de situatie minder gunstig. Op één waterlichaam na wordt overal een matige, ontoereikende, of zelfs slechte biologische kwaliteit vastgesteld. Dit komt vooral door het niet behalen van de doelen voor waterplanten. De deelmaatlatten voor macrofauna, vis en fytoplankton scoren beter. In circa de helft van de waterlichamen wordt een goede toestand bereikt voor deze maatlatten. Ook voor de chemie (onder meer metalen, PAK's en gewasbestrijdingsmiddelen) voldoet het oppervlaktewater niet aan de normen (toestand 2024). Zie voor meer informatie de kaartjes met toelichtende teksten in bijlage III over de KRW. Omdat een aantal stoffen alom aanwezig is, maar inmiddels verboden en moeilijk te verwijderen, gelden hiervoor uitzonderingsclausules.

66

Water: verbeteren kwaliteit grondwater. Wat betreft de grondwaterkwaliteit, voldoen we op provinciaal niveau in alle grondwaterlichamen aan de KRW-doelen. Dat wil niet zeggen dat het op elke plek helemaal op orde is. Maar volgens de methodiek van de KRW mag 20% van de meetpunten een overschrijding hebben. Specifiek voor het veenweidengebied geldt dat de gewasbeschermingsmiddelen en metalen op diverse locaties in dit gebied de toegestane normen overschrijden. Natuur: herstel Natura 2000-gebieden. In het Groene hart liggen zes van de negen Utrechtse stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Van noord naar zuid zijn dit: de Oostelijke Vechtplassen, Botshol, Schraallanden de Meije (onderdeel van het Utrechtse deel van de Nieuwkoopse Plassen), de Zouweboezem, Uiterwaarden Lek en Lingegebied en Diefdijk-Zuid. Hier liggen belangrijke opgaven voor herstel van de kwetsbare soorten en habitats met name door: reductie van ammoniakemissies, hydrologisch systeemherstel en versterken van de ecologische verbindingen. De overbelasting van de meest stikstofgevoelige habitattypen in deze gebieden is dusdanig hoog dat we met alleen de generieke aanpak en het instellen van een stikstofzone niet tot onder de KDW komen. Rondom deze gebieden zullen dan ook aanvullende maatregelen worden genomen om de stalemissies te reduceren.

Ook de benodigde aanpassingen voor herstel naar een natuurlijk hydrologisch systeem kunnen gevolgen hebben voor de omgeving. Natuur: realiseren natuurarealen VHR. De meeste natuurhectares vanuit de VHR-doelstellingen zijn nodig voor weidevogelgraslanden (ruim 500 hectare in 2030) en landen dus in het veenweidengebied. Dat geldt ook voor de meeste hectares agrarische natuur die nodig zijn voor weidevogelgraslanden (ruim 8.000 hectare in 2030). Voor de realisatie van natte en droge bostypen bestaan kansen aan de westzijde van de stad Utrecht. Voor moerasbos liggen de kansen ten zuiden van Vinkeveen. Natuur: realiseren Natuurnetwerk Nederland. Van de provinciale restopgave Natuurnetwerk Nederland ligt een deel in het Veenweidengebied. In of rondom de Natura 2000-gebieden Oostelijke Vechtplassen, Uiterwaarden Lek en Lingegebieden Diefdijk-Zuid liggen ‘essentiële percelen natuur’ die zeker NNN moeten worden (zie kaart 8 Essentiele percelen natuur in bijlage XI). Natuur: versterken groenblauwe dooradering. In het veenweidengebied gaat het vooral om bloemrijke graslanden, ecologisch beheerde sloten, natuurvriendelijke oevers en natuurvriendelijk beheerde dijken en regionale keringen. Landbouw: De agrarische sector is van groot belang voor onze provincie. Zowel vanwege haar rol als voedselproducent, maar ook als beheerder van het agrarische cultuurlandschap.

De landbouwsector speelt derhalve een sleutelrol bij het behalen halen van veel UPLG-doelen. Deze (natuurinclusievere) rol kan zij alleen vervullen als ook perspectief en zekerheid bestaan voor de lange termijn. Dat wil zeggen: een duurzame bedrijfsvoering met voldoende verdienvermogen. Met de grote opgaven die we in het veenweidengebied hebben, is dit een flinke uitdaging.

4.2.3 Ontwikkelrichting 2050 In 2050 is het Groene Hart nog steeds een wijds open landschap waar ‘Hollandse” landschapskenmerken zoals groene grazige weiden, bloemrijke graslanden, natuurvriendelijke oevers, knotwilgen en melkvee grazend onder lage luchten kwaliteiten zijn die we anno 2025 als provincie Utrecht zo graag wilden behouden. Het gebied wordt gekenmerkt door diverse natuur en een duurzame landbouw met een gezonde verdiencapaciteit die als drager fungeert voor deze kwaliteiten. Er is een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. In de polders is meer ruimte om neerslagpieken op te vangen en om water vast te houden. Het veenweidelandschap wordt gekenmerkt door hogere grondwaterstanden. Dit was nodig om zowel de bodemdaling tegen te gaan als de CO2-uitstoot uit de veenbodems te verminderen. Peilverhogingen en de inzet van waterinfiltratiesystemen hebben het mogelijk gemaakt dat grondwaterstanden konden worden verhoogd. Het resultaat is dat de uitstoot van broeikasgassen uit de veenbodems sterk is verminderd en de bodemdaling sterk is afgeremd. Functies hebben zich geleidelijk aangepast op basis van het soort veen en de hoogteligging binnen de peilvakken. Zo worden de hoger gelegen delen vooral benut voor wonen en veehouderij, percelen met een gemiddelde hoogte 67

gebruikt voor weidevogellandschap met extensievere veeteelt en zijn de laagste delen omgevormd tot veenmosnatuur, moerasnatuur, plasdrasgebieden voor weidevogels of natte vormen van landbouw. Ook bij de hogere peilen blijft de melkveehouderij een belangrijke drager van het gebied. Deze veehouderij is wel gebaseerd op een meer extensief en natuurinclusief bedrijfsmodel. Hiervoor ontvangt de boer voldoende financiële compensatie en zijn voldoende alternatieve verdienmodellen voorhanden gebleken. Op sommige locaties was de mate van noodzakelijke vernatting zo groot dat de agrarische sector hier is gaan werken met natte teelten, of het gebied is omgezet in natte natuurtypen. Daar waar het proces van bodemdaling en de nattere omstandigheden dit gebied ongeschikt maakten voor de landbouw zijn laagveenmoerassen ontstaan. Op deze plekken heeft zich een stabiel ecosysteem kunnen ontwikkelen met lokaal herstel van het veenlandschap. Dankzij veenvorming is hier niet alleen unieke natuur ontstaan, maar kunnen deze gebieden ook fungeren als natuurlijke klimaatbuffer. Voor de recreanten uit de omliggende stedelijke gebieden zijn deze natuurgebieden ook oases van rust en ruimte waar ze vogels als de roerdomp en de baardman kunnen aantreffen. In de lagergelegen en natte delen zijn op sommige plaatsen de boeren aan de slag gegaan met alternatieve teelten.

Ook omdat het opzetten van de grondwaterstanden naar -0.30/-0.20m onder maaiveld beperkingen gaf voor de veehouderij. Gewassen als cranberries, lisdodde, of azolla vinden hier opgang als duurzaam verdienmodel. Door innovatie en inzet op gebruik van biobased materialen ten behoeve van een circulaire samenleving hebben deze markten zich verder ontwikkeld. De boer is naast producent van voedsel ook landschapsbeheerder en haalt een deel van zijn inkomsten uit ecosysteemdiensten. Het daarvoor benodigde instrumentarium is daartoe uitgebreid en gaat uit van langjarige beheercontracten, zodat de bestaanszekerheid van de bedrijfsvoering gegarandeerd is. Een groot deel van het veenweidegebied is ingericht en wordt beheerd als weidevogelgebied. Dit gaat weer goed samen met de openheid van het landschap, hogere waterstanden, natuurvriendelijke oevers en een lagere veedichtheid, die ook weer passen bij de klimaatdoelen. Door de toepassing van een Goede Landbouwpraktijk is de kwaliteit van het oppervlaktewater in de veenweiden in de loop der jaren sterk verbeterd In de polders is meer ruimte beschikbaar om neerslagpieken op te vangen. Het meer vasthouden van water heeft ook tot gevolg minder aanvoer van gebiedsvreemd water nodig is. Landbouw en drinkwaterwinning zijn geen drukfactor meer voor het natuurlijke watersysteem.

De diepe droogmakerijen zijn weer onderdeel van een toekomstbestendig en robuust watersysteem, zowel lokaal als (boven)regionaal. Het natuurherstel van de Natura 2000-gebieden Botshol, de Nieuwkoopse Plassen en de Oostelijke Vechtplassen heeft in de veenweiden geleid tot nattere overgangsgebieden rondom deze natuurgebieden en ook tot uitbreiding en versterking van de ecologische verbindingen in het noordwestelijk deel van het Utrechtse Groene Hart, de zogenoemde ‘natte as’. De riviernatuur langs het Lingegebied en Diefdijk Zuid, de Lek en de Zouweboezem is door natuurherstel verbeterd en vormt zo een robuuste ecologische eenheid. Groenblauwe dooradering betekent in grote delen van de veenweiden vooral blauwe dooradering, met de otter als één van de indicatorsoorten. Langs waterlopen als de Vecht, Hollandsche IJssel, Oude Rijn en de Diefdijk zijn de kansen benut voor groenblauwe dooradering. Het ontwikkelen van flauwere oevers en bredere, onbemeste, ecologisch beheerde perceelsranden en slootkanten heeft geleid tot schone sloten met veel biodiversiteit. De weidevogeldoelstelling liet zich in de veenweiden moeilijk combineren met meer bos en bomen.

Wel is meer (nat) bos en bomen gerealiseerd in de ‘natte as’ en in uitloopgebieden voor de steden en dorpen (ten westen van de stad Utrecht, rond de Hollandse IJssel, en het Noorderpark), rondom bebouwingslinten en op plekken waar historisch gezien bos en bomen aanwezig waren. Via deze uitloopgebieden wandelen en fietsen de bewoners zo het veenweidegebied in, waar ze met hun bestedingen ook bijdragen aan nieuwe/extra inkomsten voor de landbouw. Dat gebeurt op grote schaal, want het veenweidegebied is nog steeds herkenbaar als prachtig Nederlands cultuurlandschap waar het aangenaam verpozen is voor de rustzoekende en natuurminnende recreant.

68

4.2.4 Structurerende principes Onze focus ligt op herstel van de zes Natura 2000-gebieden en aanpassingen in het water- en bodemsysteem, gericht op het verminderen van de broeikasgassen uit veenbodems, het remmen van de bodemdaling, het verbeteren van de waterkwaliteit en het beter omgaan met te veel en te weinig water als gevolg van weersextremen. Ook willen wij de weidevogelkerngebieden uitbreiden en versterken. Daarbij willen wij toekomstperspectief blijven bieden aan de agrarische bedrijven (meestal melkveebedrijven) die zich onder andere met maximale inzet van AN(L)B-middelen aanpassen aan een situatie met hogere waterstanden. Wat betreft de hogere waterstanden geven we prioriteit aan de gebieden waar draagvlak aanwezig is, waar het reductiepotentieel in technische zin het grootst is en waar de meeste meekoppelkansen liggen. Vooral de combinatie met het versterken en uitbreiden van weidevogelgebieden is hier kansrijk. Dat geldt ook voor het versterken van de groenblauwe dooradering.

Vanuit deze focus zijn met name de volgende structurerende principes specifiek van belang voor het Groene Hart: ▪ SP-4: Maximale inzet op KRW-doelen; ▪ SP-5: Ruimte voor water; ▪ SP-6: Grondwatersysteem in balans; ▪ SP-9: Natuurherstel Natura 2000-gebieden; ▪ SP-10: Overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden; ▪ SP-11: Gebiedsgerichte reductie van stikstofemissie en depositie; ▪ SP-13: Realisatie van de indicatieve VHR-arealen; ▪ SP-15: Versterken biodiversiteit in het agrarisch gebied; ▪ SP-16: Verminderen emissies broeikasgassen uit veenbodems en afremmen bodemdaling; ▪ SP-17: Perspectief voor de landbouw.

4.2.5 Maatregelen Een aantal zaken kunnen we de eerste jaren oppakken dankzij de middelen die beschikbaar zijn voor de UPLGmaatregelpakketten. In het veenweidengebied Groene Hart kan gebruik worden gemaakt van verschillende UPLGmaatregelpakketten, te weten: ▪ Maatregelpakket 1 (groenblauwe linten, scheggen en boerensloten); ▪ Maatregelpakket 2 (veenweiden); ▪ Maatregelpakket 3 (landbouw); ▪ Maatregelpakket 4 (overgangsgebieden Natura 2000-gebieden). In totaal is daarmee specifiek voor het westelijke veenweidengebied ruim €100,- miljoen beschikbaar. Vanuit het Programma Natuur fase 2 komt hier aanvullend voor maatregelpakket 4 nog circa €20 miljoen bij. Dit maakt dat we voor de eerstkomende jaren in totaal ca €120 miljoen beschikbaar hebben aan rijksmiddelen voor maatregelen in de veenweidegebieden in het westelijk deel van onze provincie, zie de tabel hieronder. Maatregelpakket

Maatregelen

1. Groenblauwe Linten, scheggen en boerensloten

In dit UPLG-maatregelpakket is een viertal gebieden opgenomen dat aansluit bij de groene scheggen en linten in de provincie Utrecht. Dit zijn de vier voorbeeldgebieden uit het programma ‘Groen Groeit Mee’. Twee daarvan liggen in het veenweidegebied Groene Hart, namelijk Hollandsche IJssel en Noorderpark. Daarvoor gelden de volgende maatregelen als onderdeel van maatregelpakket 1: ▪ Hollandsche IJssel: verlegging van de waterkering in combinatie met ontwikkeling van natuur en bos. Hier wordt extra waterberging gecreëerd en er wordt een otterverbinding aangelegd. ▪ Noorderpark: verbetering van de ecologische en recreatieve verbinding Zuilen – Maarsseveense Plassen – Gagelgebied door middel van agrarisch natuurbeheer, groenblauwe dooradering en nieuw bos. Daarnaast is voor het veenweidengebied vanuit maatregelpakket 1 nog de volgende maatregel opgenomen: ▪ Groenblauwe dooradering versterken, onder meer door botanisch randenbeheer en ecologisch slootschonen (met behulp van ANLb). 69

Maatregelpakket

Maatregelen

2. Veenweiden

▪ ▪

Verhogen grondwaterstanden via aanleg waterinfiltratiesystemen. Ontwikkelen weidevogelgebieden (zowel agrarische natuur als weidevogelreservaten) in het kader van de VHR-doelen, waarbij af- en herwaardering van gronden het vliegwiel vormt. De regeling hiervoor is in ontwikkeling. ▪ Aanleg natuurvriendelijke oevers voor versterking groenblauwe dooradering en verbetering van de waterkwaliteit conform de KRW. ▪ Op gang brengen gebiedsprocessen. Hiervoor is procesgeld beschikbaar. ▪ Verdere ontwikkeling kennis en innovatie in verband met de vele praktijkgerichte vragen die hier in het veenweidegebied nog bestaan. 3. Landbouw ▪ Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw. ▪ Fieldlab Groene Hart: verdere ontwikkeling van voer- en managementmaatregelen gericht op het verminderen van de ammoniakemissies en de emissies van broeikasgassen. Hierbij besteden we veel aandacht aan het meten en monitoren bij koplopers in de praktijk om goed inzicht te krijgen in hoe de maatregelen bijdragen aan de UPLG-opgaven. 4. Natura 2000▪ Uitvoeren van maatregelen in de overgangszones rondom de Natura 2000-gebieden gebieden met zoals aangegeven in de verschillende natuurdoelanalyses en de bijbehorende overgangszones adviezen van de Ecologische Autoriteit. Dit in goede samenwerking met de gebieden via een gebiedsgerichte aanpak.

Tabel 4: maatregelen specifiek voor het landschap Veenweiden waar rijksmiddelen voor beschikbaar zijn gesteld vanuit UPLG-maatregelpakketten en Programma natuur-fase 2. Als verdieping en aanvulling op het voorgaande nog het volgende: Extra ruimte voor water: We hebben extra waterberging nodig in verband met extreme neerslagsituaties. Dit vraagstuk komt vanuit het hoofdwatersysteem, waar noodoverloopgebieden en piekbergingen nodig zijn. Dat speelt in het noordwestelijk deel van het veenweidengebied (Amsterdam-Rijnkanaal). Het vraagstuk komt ook vanuit het regionale watersysteem en samen met de waterbeheerders werken we hier al aan. Deze samenwerking zetten we voort. Zie voor verdere toelichting 3.3.2.

70

4.3 Eemland 4.3.1 Gebiedsbeschrijving Landschap Eemland is een laaggelegen, deels buitendijks gebied met voornamelijk kleidek-op-veen in het noordoosten van de provincie Utrecht. Het gebied ligt ten noorden van Amersfoort ingesloten tussen de hoger gelegen zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug, de Veluwe en het Eemmeer. Typerend voor het landschap zijn rust, vergezichten en extreem open (veen)weiden. Deze karakteristieken maken Eemland tot één van de beste weidevogelgebieden van Nederland met relatief hoge dichtheden grutto's. Ook zijn in het gebied relatief veel kieviten, tureluurs en scholeksters te vinden. Dit is mede te danken aan de grote deelname van boeren aan agrarisch natuurbeheer. Een groot deel van Eemland is dan ook weidevogelkerngebied. Het gebied is waterrijk, met veel sloten en een typerende slagenverkaveling. Het gebied watert af op de Eem. De Eem met zijn dijken snijdt als een wig door dit lege land en stroomt uit op het Eemmeer. Het Eemmeer is onderdeel van het (niet stikstofgevoelige) Natura 2000-gebied Eemmeer en Gooimeer Zuidoever. Meerdere diepe plassen of ‘wielen’ getuigen van vroegere dijkdoorbraken door de voormalige Zuiderzee. De Eem is samen met haar oevers, uiterwaarden en dijken, onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland en is een waterlichaam dat valt onder de Kaderrichtlijn Water.

Langs de Eem liggen enkele zoekgebieden voor het Natuurnetwerk Nederland. De grondgebonden melkveehouderij is de belangrijkste landbouwsector. De Eemvallei is binnen onze provincie één van de gebieden met het grootste aantal melkkoeien, het grootste oppervlak cultuurgrond en de hoogste productie per hectare. De aanwezigheid van de Eem en de lage ligging maakten het gebied in de 18 e eeuw geschikt om te worden opgenomen in de Grebbelinie. Verschillende bunkers, liniewallen, forten, schansen en inundatiedijken herinneren nog aan de oude defensiefunctie van deze waterlinie. De woonkernen liggen grotendeels aan de randen van het gebied. De weidsheid en leegheid van Eemland vormt een sterk contrast met de bebouwde gebieden, dichte en halfopen landschappen eromheen. Vanuit de stad en de dorpen is het Eemland en de Eem zelf een geliefde bestemming voor een fietstocht.

Kernkwaliteiten Eemland: 1. Extreme openheid, 2. Slagenverkaveling, 3. Veenweidekarakter, 4. Historie van de Zuiderzee, 5. De hierin gelegen Grebbelinie en 6. Overgangsgebieden (bij Eemnes, Soest en Amersfoort).

4.3.2 Opgaven Klimaat: vermindering van CO2-uitstoot uit (kleidek-op-) veenbodems. Nieuw inzicht is dat er slechts een zeer beperkte relatie blijkt te zijn tussen bodemdaling en CO2-uitstoot. Uit metingen blijkt dat niet alleen de dikke veenpakketten, maar ook de kleidek-op-veenbodems een behoorlijke uitstoot van broeikasgassen uit de bodems hebben (zie ook 3.5.2). Een groot deel van de gronden in Eemland zijn kleidek op veen. Op de kaart met CO2uitstoot en bodemdaling zien we dat Eemland weliswaar geen grote bodemdaling kent, maar wel een grote CO 2uitstoot heeft. Deze kleidek-op-veengronden worden daarom meegenomen in de provinciale veenweideopgave, maar wel in een aangepast tempo omdat het in deze gebieden een relatief nieuw onderwerp is en alle betrokkenen hier op een goede manier in moeten worden meegenomen. Water: verbeteren kwaliteit oppervlaktewater. Voor de oppervlaktewaterlichamen is in Eemland de biologie grotendeels op orde, met uitzondering van één waterlichaam, waar waterplanten niet op orde zijn. Het gaat om de toestand in 2024. Fosfor voldoet nergens (matig of ontoereikend) en stikstof voldoet niet in 3 van de 4 waterlichamen (matig). Ook voor de chemie (onder meer metalen) voldoet het oppervlaktewater niet aan de normen. Omdat een aantal stoffen alom aanwezig zijn en moeilijk te verwijderen, gelden uitzonderingsclausules voor deze stoffen.

Water: verbeteren kwaliteit grondwater. Wat de grondwaterkwaliteit betreft voldoen op provinciaal niveau alle grondwaterlichamen aan de KRW-doelen. Specifiek voor Eemland zijn er niet heel veel meetlocaties. Dat wil niet 71

zeggen dat het op elke plek op orde is, maar volgens de methodiek van de KRW mag 20% van de filters een overschrijding hebben. Natuur: Op het gebied van natuur zijn behoud, uitbreiding en verbetering van het weidevogelleefgebied en versterking van de groenblauwe dooradering (natuurvriendelijke oevers, levendige boerensloten en kruidenrijke graslanden) de leidende opgaven in het Eemland. Hiermee geven we invulling aan de opgaven voor het realiseren van de natuurarealen VHR, het NNN en de doelen op het gebied van groenblauwe dooradering. Landbouw: De agrarische sector is van groot belang voor onze provincie. Zowel vanwege haar rol als voedselproducent, maar ook als beheerder van het agrarische cultuurlandschap. De landbouwsector speelt een sleutelrol bij het behalen halen van veel UPLG-doelen. Deze rol kan zij alleen vervullen als ook perspectief en zekerheid wordt geboden voor de lange termijn. Dat wil zeggen: een duurzame bedrijfsvoering met voldoende verdienvermogen. Ook voor Eemland is dit een flinke uitdaging hoewel hier met de grote deelname aan agrarisch natuurbeheer in het gebied al een goede basis ligt. Naast de UPLG-opgaven kent Eemland ook ruimtelijke claims vanuit andere opgaven en programma’s. Eemland is onderdeel van het gemeentelijk samenwerkingsverband Regio Amersfoort en onderdeel van het NOVEX-gebied Utrecht-Amersfoort.

Hier spelen ruimtelijke opgaven vanuit verstedelijking, recreatie en de energietransitie.

4.3.3 Ontwikkelrichting 2050 Als lange termijn-ontwikkelrichting zien we voor Eemland een aantal belangrijke ontwikkelrichtingen die aansluiten bij het Handelingsperspectief Buitengebied (2024) van het gemeentelijke samenwerkingsverband Regio Amersfoort. In het weidse en open landschap van de Eempolder treffen we een financieel gezonde, natuurinclusieve landbouw aan die een optimaal leefgebied voor weidevogels heeft behouden, versterkt en uitgebreid. Het landschap wordt getekend door levendige sloten en kruidenrijke oevers en graslanden. In goed overleg met het waterschap en de grondeigenaren zijn maatregelen genomen om de broeikasgasemissies uit de kleidek-op-veenbodems te verminderen. Door het verhogen van de grondwaterstanden blijven de percelen langer vochtig waardoor de CO2-uitstoot uit de bodem verminderd is. Ook voor de weidevogels hebben deze vernattingsmaatregelen gunstig uitgepakt. De natuurlijke opbouw van Eemland en het bijbehorende watersysteem vormen de basis voor het ruimtegebruik en de ruimtelijke ontwikkeling. De uitbreiding van de waterwinning bij Eemdijk is duurzaam ingepast. De landbouw is gezond en wordt gekenmerkt door bedrijven van voldoende schaalgrootte en een goede verdiencapaciteit. De bedrijven richten zich allemaal in meer of mindere mate op het verlenen van ecosysteemdiensten en vormen van agrarisch natuurbeheer.

Het gebied fungeert nog steeds als recreatief uitloopgebied voor Amersfoort en de omliggende gemeenten. De recreanten weten namelijk de openheid van het landschap (de lange leegte) en de natuurlijke kwaliteiten goed te waarderen. Eemland is ook onderdeel van hun ‘leefgebied’, waar zij genieten van de vogels, de levendige sloten met kruidenrijke oevers en de prachtige graslanden en vergezichten. De agrarische sector speelt daar weer op in door vormen van verbrede landbouw. Ook worden andere recreatieve activiteiten ontplooid. Dat verbetert de verdiencapaciteit van de sector, maar creëert ook toegevoegde waarde voor de recreanten. Dat is ook het geval voor het aanwezige erfgoed. Meer specifiek voor de Grebbenlinie, die de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog vertelt. Maar ook voor Bunschoten Spakenburg waar het verhaal van de Zuiderzee en de visserij bijdraagt aan het behoud van het unieke karakter van de streek en de mensen.

72

4.3.4 Structurerende principes Onze focus ligt in Eemland op de verdere versterking en uitbreiding van de weidevogelgebieden en groenblauwe dooradering. Dit in combinatie met aanpassingen in het water- en bodemsysteem, gericht op het verminderen van de broeikasgasemissies uit de kleidek-op-veenbodems, het verbeteren van de waterkwaliteit en het beter omgaan met te veel en te weinig water in verband met de grotere weersextremen. Daarbij willen wij toekomstperspectief blijven bieden aan de agrarische bedrijven (meestal melkveebedrijven) die zich onder andere met maximale inzet van ANLb-middelen aanpassen aan een situatie met hogere waterstanden. Met name de aanpak van de broeikasgassen uit veenbodems vraagt hier om een zorgvuldig proces omdat dit onderwerp in dit gebied voor de meeste betrokkenen nieuw is. Vanuit deze focus zijn met name de volgende structurerende principes van belang voor Eemland: ▪ SP-4: Maximale inzet op KRW-doelen ▪ SP-5: Ruimte voor water ▪ SP-12: Generieke normering stikstof ▪ SP-13: Realisatie van de indicatieve VHR-arealen (weidevogels) ▪ SP-15: Versterken biodiversiteit in het agrarisch gebied (weidevogels en GBDA) ▪ SP-16: Verminderen emissies broeikasgassen uit veenbodems ▪ SP-17: Perspectief voor de landbouw

4.3.5 Maatregelen Een aantal zaken kunnen we de eerste jaren oppakken dankzij middelen die beschikbaar zijn voor de UPLGmaatregelpakketten. Eemland kan gebruik maken van verschillende UPLG-maatregelpakketten, te weten: ▪ Maatregelpakket 1 (groenblauwe linten, scheggen en boerensloten) ▪ Maatregelpakket 2 (veenweiden) ▪ Maatregelpakket 3 (landbouw) In totaal is speciaal voor Eemland ruim €12 miljoen beschikbaar (vanuit MP-1). Ook voor andere maatregelen (MP2 en MP-3) zijn budgetten beschikbaar. Deze worden echter gedeeld met andere deelgebieden en zijn niet specifiek voor Eemland. Maatregelpakket

Maatregelen

1. Groenblauwe Linten, Scheggen en boerensloten

In dit UPLG-maatregelpakket is een viertal gebieden opgenomen dat aansluit bij de groene scheggen en linten in de provincie Utrecht. Dit zijn vier voorbeeldgebieden uit het programma ‘Groen Groei Mee’ en één daarvan ligt in Eemland, namelijk de Zuidelijke Eemvallei met daarbij de volgende maatregelen als onderdeel van maatregelpakket 1: ▪ Groenblauwe dooradering versterken (onder andere via ANLb): ▪ Botanisch randenbeheer en ecologisch slootschonen; ▪ Groenblauwe verbinding langs de Eem en langs de Malewetering; ▪ Natuurvriendelijke oeverconstructie langs de Praamgracht; ▪ Maatregelen voor de otter. ▪ Lokale kleinere maatregelen: ▪ Ecologische verbinding Coelhorst met Stadspark Schothorst; ▪ Herstel erfbeplanting en kleine houtige landschapselementen; ▪ Speelbos Grebbelinie langs de Eem. Daarnaast is nog de volgende maatregel opgenomen in het kader van het versterken van de groenblauwe dooradering (onder meer via ANLb): ‘botanisch randenbeheer en ecologisch slootschonen’. ▪ Agrarisch natuurbeheer: uitbreiden en het omzetten van lichte beheerpakketten naar zwaardere beheerpakketten (weidevogels, kruidenrijke graslanden); ▪ Maatregelen voor het verminderen van broeikasgassen uit de (kleidek-op-) veenbodems; ▪ Af- en herwaardering van gronden; ▪ Op gang brengen gebiedsprocessen (procesgeld).

2. Veenweiden

73

Maatregelpakket

Maatregelen

▪ Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw; ▪ Voer- en managementmaatregelen. Tabel 5: maatregelen specifiek voor het landschap Eemland waar rijksmiddelen voor beschikbaar zijn gesteld (besluit minsterraad juni 2024) 3. Landbouw

Als verdieping en aanvulling op voorgaande nog het volgende: 1.

Klimaat: verminderen CO2-uitstoot uit de veenbodem. Omdat in Eemland deze opgave nieuw is, kijken we samen met het betrokken waterschap hoe we dit gebied kunnen laten aansluiten bij het bestaande kennisnetwerk voor de veenweide en we maken afspraken over welk tempo passend is om ook in Eemland bij te dragen aan deze opgave.

2.

Natuur: integrale beleidsagenda Eem. De rivier de Eem is, samen met haar oevers, uiterwaarden en dijken, onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. In 2025 wordt een Integrale Beleidsagenda voor de Eem opgesteld. Vanuit het beheerplan dat in 2023 is opgesteld en de nota ‘Kansen voor natuur’ (die op dit moment wordt gemaakt) leeft de wens om de Eem integraal te bekijken vanuit meerdere beleidsthema’s.

3.

Landbouw: keukentafelgesprekken en gebiedsprocessen. In Eemland is het agrarische collectief zeer actief, wat blijkt uit het groot aantal boeren dat hier meedoet aan agrarisch natuurbeheer. Daarnaast is men volop bezig met het nadenken over de toekomst. Zo heeft in 2024 een ronde keukentafelgesprekken plaatsgevonden, waarbij met vrijwel alle boeren is gesproken. Dit heeft geleid tot een verslag met aanbevelingen dat aan de provincie is aangeboden. De essentie daarvan is dat de agrariërs meer erkenning en waardering vragen voor de huidige (extensieve) bedrijfsvoering en hun bijdrage aan agrarisch natuurbeheer. Daarnaast worden kansen gezien voor versterking van de natuur, verbetering van de waterkwaliteit en het verminderen van emissies.

74

4.4 Utrechtse Heuvelrug (inclusief Langbroekerwetering) 4.4.1 Gebiedsbeschrijving De Utrechtse Heuvelrug, inclusief het Langbroekerweteringgebied, loopt van het Gooimeer tot aan de Grebbeberg en omvat 40.000 hectare bos- en heidegebied. Daarmee is de Utrechtse Heuvelrug na de Veluwe het grootste bosen heidegebied van Nederland. Een groot deel hiervan valt binnen het Natuurnetwerk Nederland. Het zuidelijk deel van het gebied heeft de status van Nationaal Park. Naar verwachting verkrijgt medio 2025 ook het noordelijke deel deze status. Het omvangrijke en aaneengesloten boscomplex ligt op een stuwwal die ontstaan is in de ijstijden. De ondergrond bestaat uit zandgronden met her en der stuifzanden en vennen. De (hoge) flanken vormen de overgang van het besloten, bosrijke landschap via het coulisselandschap naar het open rivierengebied aan de voet van de Heuvelrug. Aan de Gelderse zijde ligt een vergelijkbare overgang naar de Gelderse Vallei. Aan de zuidwestkant van de Heuvelrug ligt de rivierkom van het Langbroekerweteringgebied. Dit halfopen gebied is landschappelijk zeer aantrekkelijk en kent hoge natuurwaarden. Hier is ook het Natura 2000gebied Kolland-Overlangbroek te vinden met restanten van essenhakhoutbossen, die vroeger zeer kenmerkend waren voor dit gebied. De essentaksterfte is een grote bedreiging voor de resterende bossen, samen stikstof, hydrologie en versnippering.

De grondwatervoorraad onder de Heuvelrug functioneert als waterbron voor de wijde omgeving. De natuur op de flanken en de wijdere omgeving is rechtstreeks afhankelijk van dit zogeheten ‘kwelwater’. Voorbeelden van Natura 2000-gebieden die afhankelijk zijn van kwelwater zijn: Kolland- en Overlangbroek, het Binnenveld en de Oostelijke Vechtplassen. Overigens profiteert ook de landbouw in droge perioden van deze kwel. Op de Heuvelrug bevinden zich meerdere drinkwaterwingebieden die gebaat zijn bij een goed beheer van het grondwater. Op de Heuvelrug, maar vooral ook op de flanken, liggen veel landgoederen en buitenplaatsen met een bijzondere cultuurhistorische waarde. Binnen het gebied zijn vier buitenplaatszones te onderscheiden: de Stichtse Lustwarande, de Maarsbergse Flank, de Valleilandgoederen en het Langbroekerweteringgebied. De Heuvelrug is als gevolg van deze kwaliteiten een zeer aantrekkelijk gebied om te wonen en recreëren. Dat heeft echter ook een keerzijde. De nabijheid van Amersfoort, Utrecht en Veenendaal leidt tot een hoge recreatiedruk en vormt een bedreiging voor natuurwaarden. Deze druk wordt met de groei van het aantal inwoners in onze provincie alleen maar groter.

Tegen deze achtergrond werkt bijvoorbeeld Stichting Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug samen met overheden, grondeigenaren, agrariërs en andere regionale stakeholders aan de gezamenlijke ambitie ‘Het behouden en versterken van natuur, landschap en cultuurhistorisch erfgoed’. Doordat de Utrechtse Heuvelrug geen Natura 2000-gebied is, bestaat hier meer ruimte voor het uitwerken en uitvoeren van initiatieven, (pilot)projecten en programma’s die bijdragen aan de gezamenlijke doelen. Met name activiteiten met een meer experimenteel karakter rondom stikstofreductie en revitalisatie natuur- en wateropgaven zijn interessant en relevant om in niet Natura 2000-gebieden te ontplooien. Ook ligt in het gebied een aantal grote defensieterreinen. Het Ministerie van Defensie heeft de ambitie om hier haar logistieke en operationele eenheden te centreren. Het gaat hier om omvangrijke plannen die extra aandacht vragen in relatie tot de natuurwaarden van de NNN. Deze kunnen samen met een toenemende dynamiek door de groei van wonen, werken en voorzieningen in de NOVEX-gebied Utrecht-Amersfoort, leiden tot meer druk op de bestaande natuurwaarden en een verdere versnippering van de natuur op de Utrechtse Heuvelrug. Kernkwaliteiten Utrechtse Heuvelrug: 1. Robuuste eenheid, 2. Reliëfbeleving, 3. Extreme historische gelaagdheid, 4.

Samenhangend stelsel van hoge stuwwal-flank-kwelzone-oeverwal-rivier en de Langbroekerwetering.

75

4.4.2 Opgaven Voor het landschap Utrechtse Heuvelrug kennen we de volgende opgaven: Klimaat: verminderen risico op onbeheersbare natuurbranden. Door toenemende perioden van droogte en hitte is de kans op natuurbranden in de toekomst groter. Gezien het beboste karakter van de Heuvelrug is dat voor dit gebied een belangrijk aandachtspunt. Water: verbeteren kwaliteit oppervlaktewater. De oppervlaktewateren liggen met name op de flanken van de Heuvelrug. In deze wateren is de biologie niet op orde, met name wat betreft de waterplanten. Nutriënten zijn grotendeels op orde, behalve in de Biltse Grift. Ook voor de chemie (onder meer metalen) voldoet het oppervlaktewater niet aan de normen. Water: verbeteren kwaliteit grondwater. Qua grondwaterkwaliteit voldoen we op provinciaal niveau in alle grondwaterlichamen aan de KRW-doelen. Dat wil niet zeggen dat het op elke plek op orde is, maar volgens de methodiek van de KRW mag 20% van de filters een overschrijding hebben. Specifiek voor de Heuvelrug geldt dat op diverse plekken op de flanken van de Heuvelrug worden gewasbeschermingsmiddelen/ biociden boven de normen aangetroffen. Daarnaast worden op enkele plekken op de flanken diverse PFAS stoffen zowel in ondiep als diep grondwater boven de drinkwaterrichtwaarde aangetroffen (zie Rapportage Provinciaal meetnet grondwaterkwaliteit 2024).

Deze stoffen breken niet af in het milieu en zijn lastig te zuiveren. Water: aanpakken verdroging. Verdroging heeft (in combinatie met verzuring) geleid tot een forse achteruitgang van de biodiversiteit. Dit geldt zowel voor de heide- als de bosgebieden boven op de Heuvelrug als voor de natuur op flanken, waar vooral het kwelwater op veel plekken onvoldoende tot de oppervlakte kan komen. Water: voorkomen wateroverlast. Ondanks de zandige ondergrond komt veel oppervlakkige afstroming op de flanken voor. Dat doet zich met name voor aan de zuidkant van de Heuvelrug in de omgeving van Amerongen, Rhenen en Doorn. Dat leidt tot wateroverlast in de dorpen en schade voor de landbouw. Water: maatwerk Langbroekerwetering. Het gebied van de Langbroekerwetering kent een kleinschalige afwisseling tussen landbouwpercelen en kleine (natte) natuurgebieden. Omdat elk landgebruik andere specifieke hydrologische condities vraagt, is het peilbeheer hier suboptimaal. Dat maakt het gebied extra kwetsbaar voor droogte en wateroverlast. Natuur: herstel Natura 2000-gebieden en de natuur van de Heuvelrug en flanken. Een belangrijke opgave is het robuuster en weerbaarder maken van de natuur van de Heuvelrug en de flanken. Het gaat hierbij om het revitaliseren van bestaand bos en het realiseren van de NNN en Groene Contour in dit gebied.

Specifiek voor het uitbreiden van het bosareaal liggen er kansen op de flanken van de Heuvelrug. Een belangrijke voorwaarde voor natuurherstel is de vermindering van de stikstofdepositie en herstel van het hydrologisch systeem. Speciale aandacht in het kader van natuurherstel vragen de Natura 2000-gebieden Kolland-Overlangbroek en de Rijntakken. In of rondom deze Natura 2000-gebieden liggen ‘essentiële percelen natuur’ die zeker NNN moeten worden (zie 3.4.5). Natuur: versterken groenblauwe dooradering. Een belangrijke opgave is om in het Langbroekerweteringgebied de afzonderlijke natuurgebieden onderling beter te verbinden.

4.4.3 Ontwikkelrichting 2050 De Heuvelrug en haar flanken hebben zich ontwikkeld tot de parel van de Utrechtse natuur. De bossen zijn duurzaam hersteld en zinderen van het leven. Om deze kwaliteiten te bereiken was het terugdringen van de stikstofdepositie een essentiële randvoorwaarde. Daarnaast zijn bospercelen uitgebreid en onderling verbonden en is de bosstructuur aangepast. In de bovenste bodemlaag is meer water beschikbaar voor bomen en andere planten. Ook zijn maatregelen genomen tegen verzuring van bodem en grondwater. De bossen omvatten een groter aandeel loofbos en hebben een rijkere soortensamenstelling. Daarmee zijn ze ook veerkrachtiger en meer bestand tegen bos- en natuurbranden.

76

De kwelstromen bereiken de kwelafhankelijke graslanden, bossen en moerasnatuur aan de voet van de Heuvelrug, zoals de Natura 2000-gebieden Kolland en Overlangbroek, het Binnenveld en de Oostelijke Vechtplassen. Op basis van de principes van ‘Water en bodem sturend’ zijn de drinkwaterwinningen meer duurzaam ingepast op de bestaande locaties en op nieuwe logische plekken in het watersysteem. Dit zijn de plekken waar de winning kan bijdragen aan het voorkomen van wateroverlast, verdroging wordt beperkt en waar schoon water te vinden is. Het aanvullen van het grondwatersysteem op de Heuvelrug is geslaagd. Door water beter vast te houden en te infiltreren is de zoetwatervoorraad voor natuur, landbouw en drinkwater vergroot. Extra wateroverlast op de flanken is zoveel mogelijk tegengegaan, onder andere door hiermee rekening te houden bij nieuwe ontwikkelingen en door het afleiden van waterstromen van bebouwing. Door beperking van de snelle afstroom kan het water beter infiltreren en worden de watergangen en rioleringen ontlast tijdens piekbuien. De afstroom is in de loop der jaren ook steeds verder beperkt door te zorgen voor een goede bodembedekking. In de dorpen heeft het afkoppelen en infiltreren van hemelwater bijgedragen aan extra wateropslag. Door dit alles functioneert de Utrechtse Heuvelrug weer meer als een spons.

Ook in het Langbroekerweteringgebied is een robuust watersysteem gerealiseerd. Het infiltreren en vasthouden van water zorgt in delen van het gebied voor een herstelde kwelstroom en nattere omstandigheden. Bij de ontvlechting van peilvakken naar meer logische peilgebieden is daarmee rekening gehouden. Het watersysteem is mede sturend voor het landgebruik, waardoor zowel de landbouw- als de natuurfuncties beter worden ondersteund en minder kwetsbaar zijn voor droogte en wateroverlast. Landgoederen en landbouw hebben hun grondgebruik aangepast aan het watersysteem. Weilanden worden afgewisseld met natte teelten en productiebossen, zoals wilgenteelt en voedselbos. De manier waarop de natuur- en wateropgaven zijn uitgevoerd, is goed afgestemd op de rijke cultuurhistorie. De identiteit en beleefbaarheid van het gebied zijn versterkt dankzij de maatregelen voor water en natuur. Tegelijkertijd wordt de recreatiedruk in goede banen geleid door zonering. Bij het instellen van nattere situaties is rekening gehouden met de cultuurhistorische waarden van de buitenplaatsen en landgoederen, Rijksmonumenten, waterpartijen en oude bomen. De verbinding tussen de natuurgebieden is versterkt, onder andere door middel van natuurinclusieve vormen van landbouw met kleine landschapselementen en agroforestry.

Dit alles heeft geleid tot een groenblauw dooraderd gebied met vochtige broekbossen, schone sloten en waardevolle houtige landschapselementen. De natuur in de uiterwaarden van het Natura 2000-gebied Rijntakken heeft zich hersteld tot dynamische riviernatuur, waarbij natuurwaarden, klimaatadaptatie en recreatie hand in hand gaan. De bloemrijke dijken zijn goed voor de insecten en aantrekkelijk voor de recreant. De verbrede landbouw heeft nadrukkelijk ook ingespeeld op de functie als uitloopgebied voor de grootstedelijke Utrechtse agglomeratie. Dit heeft geleid tot behoud en versterking van het verdienvermogen van de sector en het verbreden van de inkomsten. Ook de belangrijke erfgoedfunctie van de unieke landgoederenzone draagt bij aan de aantrekkelijkheid van het gebied en heeft ook zorggedragen voor economisch robuuste landgoederen.

4.4.4 Structurerende principes Onze focus ligt hier op herstel van het watersysteem. Daarvoor is het allereerst nodig om het hydrologisch systeem robuust te maken, om de impact van droogte en wateroverlast te verminderen. Dit ten behoeve van herstel van de bossen en heide op de Heuvelrug, de kwelafhankelijke natuur op de flanken en het herstel van het Natura 2000gebied Kolland-Overlangbroek. Ook de landbouw profiteert hiervan in droge tijden. Daarnaast zetten we in op het revitaliseren van de bossen en het versterken van de groenblauwe dooradering. Hiervoor moeten we de vermesting en verzuring verminderen (met name door terugdringen van ammoniakemissies) en moeten ecologische verbindingen worden versterkt. Vanuit deze focus zijn met name de volgende structurerende principes van belang voor de Utrechtse Heuvelrug: ▪ SP6: Grondwatersysteem in balans; ▪ SP9: Natuurherstel Natura 2000-gebieden; ▪ SP10: Overgangsgebieden rondom de Natura 2000-gebieden; ▪ SP11: Gebiedsgerichte reductie van stikstofemissie en depositie; ▪ SP12: Generieke normering stikstof 77

▪ ▪

SP14: Kwaliteitsverbetering van reeds bestaande natuur; SP15: Biodiversiteit in agrarisch gebied.

4.4.5 Maatregelen De stappen die we de komende jaren op de Heuvelrug zetten, hangen nauw samen met de middelen die het Rijk recent beschikbaar heeft gesteld vanuit het UPLG en vanuit Programma natuur-fase 2. Specifiek voor de Heuvelrug gaat het vanuit het UPLG-traject om ca 2,17 miljoen euro en vanuit Programma Natuur om circa 1,2 miljoen euro. Daarnaast kan ook worden geput uit beschikbare middelen voor provinciebrede maatregelen uit maatregelpakket 1 (ecologisch slootschonen via ANLb) en het maatregelpakket landbouw (UMDL en voer- en managementmaatregelen). Het terugdringen van de stikstofemissies vormt hier onderdeel van. Dit is van belang voor herstel van de bossen en van het Natura 2000-gebied. Maatregelpakket 1. Groenblauwe linten, scheggen en boerensloten 3. Landbouw

4. Natura 2000gebieden met overgangszones

Maatregelen ▪ Realiseren beleefbare groenblauwe dwarsverbindingen in de Voorveldse Polder Oost: groenblauwe dooradering en otterverbinding; ▪ Ecologisch slootschonen via het instrument Agrarisch natuur- en landschapsbeheer. ▪ Doelsturing via de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw; ▪ Voer- en managementmaatregelen. Natura 2000-gebied Kolland en Overlangbroek: ▪ Herstel hydrologisch systeem: uitvoeren ecohydrologische modelstudie en de daaruit volgende maatregelen voor het vasthouden van regenwater bovenstrooms, aanpassingen peil rondom Natura 2000- gebieden, voorkomen wateroverlast en technische aanpassingen aan bijvoorbeeld weteringen; ▪ Verbetering van de verbindingen tussen het Natura 2000-gebied en de omliggende natuurgebieden en bospercelen (connectiviteit); ▪ Gebiedsproces tussen Leersum en Wijk bij Duurstede. Natura 2000-gebied Rijntakken: ▪ Herstelmaatregelen in de uiterwaarden.

5. Heuvelrug en flanken

▪

Maatregelen gericht op het vasthouden en infiltreren van water om hiermee de natuurlijke aanvulling van de zoetwaterbel te ondersteunen en de kwelstromen te herstellen. ▪ Via pilots onderzoeken we hoe landbouw en natuur kunnen samengaan in de situatie van een meer robuust bodem- en watersysteem. ▪ Beter weerbaar maken van landgoederen tegen klimaatverandering. ▪ Revitalisering van bestaande bossen door middel van bufferende stoffen en aanbrengen van rijke strooiselsoorten. Het gaat hierbij om zeer waardevolle bosterreinen met name op de oude bosgroeiplaatsen. NB: Het Ambitiedocument Blauwe agenda is een belangrijke onderlegger geweest voor de aanvraag van maatregelpakket 5. Voor het Noord-Hollandse deel van de Heuvelrug werken we samen met het project ‘Toekomstbestendige Heuvelrug Gooi en Vechtstreek’. Bij beide projecten gaat het om maatregelen in het watersysteem die gericht zijn op minder snelle afvoer en op meer ruimte voor water en het voorkomen van overlast.

Tabel 6: maatregelen specifiek voor het landschap Utrechtse Heuvelrug) waar rijksmiddelen voor beschikbaar zijn gesteld (besluit minsterraad juni 2024)

Als verdieping en aanvulling op het voorgaande nog het volgende: Natuurbrandbeheersing. We werken sinds 2024 nauw samen met de Veiligheidsregio Utrecht, de negen gemeenten op de Utrechtse Heuvelrug, de terreinbeherende organisaties en het Utrechts Particulier Grondbezit om het risico op onbeheersbare natuurbrand te beperken. Om dit risico zoveel mogelijk te verkleinen, is het nodig om tot een hoofdcompartimentering van de Utrechtse Heuvelrug te komen, gebruik makend van grote infrastructuurlijnen (denk aan wegen en spoorlijnen). Daarnaast zijn ook maatregelen nodig op een lager 78

schaalniveau en zal ook worden ingezet op risicocommunicatie. Bij het realiseren van de hoofdcompartimentering gaat het erom dat de compartimentsgrenzen zodanig zijn ingericht dat een natuurbrand daar idealiter onder gemiddelde omstandigheden kan worden gestopt. We hebben inmiddels globaal in beeld welke maatregelen daarvoor noodzakelijk zijn. De komende tijd zal gezamenlijk worden uitgewerkt hoe de benodigde maatregelen het beste kunnen worden gerealiseerd. Bij concrete maatregelen gaat het vooral om het terugdringen van naaldhout ten gunste van loofhout. Realiseren nieuwe natuur. We gaan verder met het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland, de Groene Contour en nieuw bos. Hierdoor wordt het natuursysteem op de Heuvelrug en de flanken robuuster en staat het meer in verbinding met omliggende natuur. Versterken van de groenblauwe dooradering. Hier gaat het om aanleg houtsingels, knotbomenrijen, essenhakhout, watergangen met natuurvriendelijke oevers en poelen. Gebiedsaanpak Langbroekerwetering. In het Langbroekerweteringgebied komen zoveel opgaven en belangen bij elkaar dat we een gebiedsproces met betrokkenen en belanghebbenden willen starten. Het gebiedsproces heeft tot doel om tot een ontwikkelperspectief voor het gebied te komen en samen goede oplossingen te ontwikkelen voor de opgaven die hier liggen.

Het gaat dan met name om het herstel van het watersysteem zodat de kwelstromen weer sterker worden en de daarvan afhankelijke natuur zich kan herstellen. Maar ook over hoe te komen tot de benodigde stikstofreductie. Een toekomstperspectief voor de landbouw houden we daarbij voor ogen. Onderzoek natuurkwaliteit Utrechtse Heuvelrug. We hebben een landschapsbiografie in voorbereiding met daarbij inbegrepen een Landschapsecologische Systeemanalyse en een Ecohydrologische Analyse. De provincie is inhoudelijk en financieel betrokken bij dit project, dat in het najaar van 2025 wordt opgeleverd. Aanvullend wordt gestart met een onderzoek naar de natuurkwaliteit van de gehele Utrechtse Heuvelrug inclusief de flanken. Daarbij wordt gekeken naar het voorkomen van een aantal soortgroepen en de trends binnen bepaalde habitattypen. Hiermee leggen we een goede basis voor de maatregelen die nodig zijn vanuit onder meer de Europese Natuurherstelverordening en de opgave voor revitalisering van de bossen. Behoud en herstel van de gradiënten van hoog naar laag, met hun grote waarden voor biodiversiteit, zijn daarbij belangrijk.

79

4.5 Kromme Rijngebied en Schalkwijk 4.5.1 Gebiedsbeschrijving Het Kromme Rijngebied vormt de overgang van de Utrechtse Heuvelrug naar de Nederrijn, die bij Wijk bij Duurstede overgaat in de Lek. Het open rivierenlandschap van de Kromme Rijn, het Eiland van Schalkwijk en de uiterwaarden van de Nederrijn-Lek vormen een vruchtbaar landbouwgebied. De Kromme Rijn is ongeveer drieduizend jaar geleden ontstaan en was ooit de belangrijkste aftakking van de Rijn naar de Noordzee. De rivier was niet bedijkt en meanderde vrijelijk door het landschap. Door het voortdurend afzetten van klei en zand veranderde de rivier regelmatig van koers. De oude bedding groeide dicht en de oeverwallen bleven achter als ruggen in het landschap. In de laaggelegen komgebieden ontstonden moerassen. Sinds de jaartelling begon de Lek een steeds belangrijkere rol te spelen. Het afdammen van de Kromme Rijn bij Wijk bij Duurstede in 1122 betekende het einde van deze rivier als afvoer van water van de Rijn. Met de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal - afgerond in 1952 - werd het zuidelijke deel van het Kromme Rijngebied afgesplitst en ontstond het Eiland van Schalkwijk. Ten noorden van het Amsterdam-Rijnkanaal is een hogere, drogere zone te herkennen met de oude rivierlopen van de Kromme Rijn. Ook de stroomrug van de Nederrijn en de Lek is droger.

Het Eiland van Schalkwijk is – in tegenstelling tot de meer besloten stroomruggen van de Kromme Rijn – een strak geordend, open weidelandschap met een intensief patroon van parallelle sloten in de rivierkommen. Het beeld van het Kromme Rijngebied wordt bepaald door de variatie in de ondergrond, de waterhuishouding en het daarbij passende grondgebruik. Het landschap vormt een mozaïek van boomgaarden, akkers en weilanden in blokverkaveling. Op de zandige oeverwallen bevindt zich een reeks van dorpen. Het grasland is voornamelijk te vinden op de stevige klei in de komgronden. De landbouw bestaat uit fruitteelt op de hogere oeverwallen en melkveehouderij in de rivierkommen. Ook is sprake van akker- en tuinbouwmatige activiteiten en gecombineerde bedrijven. In het Kromme Rijngebied zijn de bedrijven het meest intensief met gemiddeld 16.394 kilogram melk per hectare. In het westen van het Kromme Rijngebied en in een groot deel van het Eiland van Schalkwijk ligt een belangrijk deel van UNESCO Werelderfgoed ‘De Nieuwe Hollandse Waterlinie’. In het landelijke gebied rondom Houten en Bunnik liggen meerdere forten en waterwerken die vaak ook een recreatieve functie hebben. Dit gebied heeft een hoge natuur- en cultuurwaarde die zich kenmerkt door een groen, rustig en deels open landschap.

Hier lag vroeger op de zuidelijke oeverwal van de Kromme Rijn de Neder-Germaanse Limes, de noordelijke grens van het Romeinse Rijk. Ook de Limes is UNESCO werelderfgoed. Kernkwaliteiten Kromme Rijngebied: 1. Schaalcontrast van zeer open naar besloten, 2. Samenhangend stelsel van rivier-uiterwaard-oeverwal-kom, 3. Samenhangend stelsel van hoge stuwwal-flank-kwelzone-oeverwalrivier en 4. De Kromme Rijn als vesting en vestiging.

4.5.2 Opgaven De volgende UPLG-opgaven zijn belangrijk voor het Kromme Rijngebied en Schalkwijk: Water: verbeteren kwaliteit oppervlaktewater. De oppervlaktewaterlichamen voldoen wat betreft nutriënten (fosfor en stikstof) aan de norm. Wat betreft de biologie voldoen zowel waterplanten, vissen als macrofauna niet in alle waterlichamen aan de KRW-doelen in 2024. Ook voor de chemie (onder meer metalen en PAK’s) voldoet het oppervlaktewater niet aan de normen in 2024. Hier ligt een opgave om de KRW-doelen te halen. Omdat een aantal stoffen dat alom aanwezig is al verboden en moeilijk te verwijderen zijn, gelden hiervoor uitzonderingsclausules (handelingsperspectief ontbreekt). Water: verbeteren kwaliteit grondwater. Wat betreft de grondwaterkwaliteit voldoen we op provinciaal niveau in alle grondwaterlichamen aan de KRW-doelen. Dat wil niet zeggen dat het op elke plek op orde is. Specifiek voor het Kromme Rijngebied en Schalkwijk: hier overschrijden diverse gewasbeschermingsmiddelen en metalen op verschillende locaties binnen het gebied de KRW-normen. De opgave is om het gebruik van 80

gewasbeschermingsmiddelen in dit gebied zodanig te beperken dat normoverschrijdingen worden voorkomen. Daarnaast worden veel PFAS-stoffen gemeten in het grondwater. Water/ klimaat: Ruimte voor water en waterbeschikbaarheid. Het rivierengebied bestaat voor een groot deel uit kleibodems waarin het water van nature moeilijk kan infiltreren. Dit maakt het gebied gevoelig voor wateroverlast door piekbuien. De watervoorziening voor de fruitteelt en diverse andere watervragers in de landbouw wordt in verband met de toenemende droogte in de toekomst steeds meer een uitdaging. Natuur: Realiseren Natuurnetwerk Nederland, de Groene Contour en groenblauwe dooradering . Van de provinciale restopgave Natuurnetwerk Nederland ligt ook een deel in het Kromme Rijngebied en Schalkwijk. Via de groenblauwe dooradering bestaan kansen om de onderlinge samenhang tussen de natuurgebieden in het Kromme Rijngebied te verbeteren en de corridorfunctie van de Heuvelrug naar de rivier te versterken. Landbouw: Opgaven liggen hier vooral bij de fruitteelt wat betreft de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Ondanks de diverse emissiebeperkende maatregelen die de Utrechtse fruittelers hebben genomen bestaan nog steeds zorgen over gewasbeschermingsmiddelen in het milieu, met name in het grondwater.

4.5.3 Ontwikkelrichting 2050 In 2050 is de Kromme Rijnstreek en het Eiland van Schalkwijk nog steeds een vruchtbaar en productief landbouwgebied. Duurzame fruitteelt is hier dominant, maar we zien ook melkveebedrijven en akker- en tuinbouwbedrijven. De gronden zijn hier in potentie zeer geschikt voor de productie van gewassen die direct benut worden voor menselijke consumptie en dat heeft zich ook zo ontwikkelt. De landbouw opereert circulair, bijvoorbeeld door dierlijke mest van lokale melkveebedrijven te gebruiken in de boomgaarden en op de akkers in de directe omgeving. Bovendien zijn flinke stappen gezet wat betreft het terugbrengen van de emissies (met name stikstof en gewasbeschermingsmiddelen). Ook is de biodiversiteit in het gebied hersteld, omdat veel agrariërs meedoen aan agrarisch natuurbeheer en omdat veel kleine landschapselementen zijn aangelegd. Het groenblauwe raamwerk is een onderdeel geworden van een groter geheel, met groene corridors vanuit Nederrijn/Lek via de Kromme Rijn naar de Heuvelrug en verderop naar het Vechtplassengebied. Op basis van de principes van ‘Water en bodem sturend’ zijn de drinkwaterwinningen meer duurzaam ingepast op de bestaande locaties en op nieuwe logische plekken in het watersysteem. De landbouw is verbreed en heeft daardoor extra inkomsten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16361482/1