CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026 - 2035

Commissie Ruimte en Economie 9 december 2025, gemeente RhenenBij agendapunt: Achtergrondinformatie Programma Landelijk Gebied54.317 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 7

Onze aanpak Structurerend principe 16 (ruimtelijk): verminderen uitstoot broeikasgassen uit veenbodems en remmen bodemdaling Wij verminderen de uitstoot van broeikasgassen en remmen de bodemdaling door het verhogen van de grondwaterstanden met de vrijwillige aanleg van waterinfiltratiesystemen en door te streven naar een drooglegging van zomerhalfjaargemiddeld 40 centimeter, onder andere met hulp van ruimtelijk instrumentarium. Ook bij de hogere (grond)waterstanden blijven we oog houden voor het toekomstperspectief van de agrarische sector. In de Regionale Veenweiden Strategie Utrechtse Veenweiden is uitgewerkt welke maatregelen effectief zijn en hoe we hiermee in onze veenweidegebieden aan de slag kunnen. In de RVS is beschreven dat de doelen technisch haalbaar zijn wanneer we in een groot deel van het veenweidegebied (circa 90%) de grondwaterstanden verhogen via technische maatregelen, zoals waterinfiltratiesystemen (WIS) in combinatie met een drooglegging van circa 40 centimeter. Daarnaast geeft de RVS aan dat om de klimaatdoelen te halen in een klein deel van het 48

veenweidengebied (circa 10%) een kleinere drooglegging nodig is, en wel tot ongeveer. -20 centimeter. Dit betekent dat het onvermijdelijk is dat de agrarische sector in veenweidegebieden te maken krijgt met de uitdaging van nattere omstandigheden. Wat zijn Waterinfiltratiesystemen? Waterinfiltratiesystemen (WIS) bestaan uit evenwijdige in de bodem aangebrachte geperforeerde buizen die onder het slootpeil in de sloot uitkomen. In droge perioden kan het water uit de sloot daardoor gemakkelijker in de bodem doordringen. In natte perioden kan het water juist beter weglopen uit de bodem. De invloed van het slootpeil op de grondwaterstand neemt dus toe. De grondwaterstand in de zomer wordt met waterinfiltratiesystemen hoger dan zonder; in de winter juist lager. Door de hogere grondwaterstand in de zomer kan minder zuurstof in de bodem doordringen en wordt de veenafbraak en dus broeikasgasuitstoot beperkt. Ook de bodemdaling wordt minder. In de winter is de temperatuur in de bodemlaag en is daardoor de veenafbraak zeer beperkt. De waterinfiltratiesystemen kunnen rechtstreeks op de sloot aangesloten zijn, waardoor het water vanzelf de buizen inloopt. Dit heet passieve waterinfiltratiesystemenen (PWIS). Een andere mogelijkheid is met behulp van een pomp het water geforceerd in of uit de buizen te brengen. Dit zijn actieve waterinfiltratiesystemen (AWIS).

Figuur 8. Werking van waterinfiltratiesystemen (Bron: RVS Utrechtse veenweiden, 2022)

De essentiële elementen van onze aanpak geven we hier kort weer. Tandje erbij De Utrechtse Regionale Veenweide Strategie (RVS) uit 2022, gericht op het verhogen van grondwaterstanden via Waterinfiltratie in combinatie met verminderde drooglegging van ongeveer 40 centimeter, zetten we voort met daarbij een aantal aandachtspunten en aanscherpingen. Verhogen grondwaterstanden We zetten ons allereerst maximaal in voor het verhogen van de grondwaterstanden via waterinfiltratie én het verminderen van de drooglegging. We hebben daarbij aandacht voor het grotere risico op wateroverlast in natte periodes. De uitrol van Waterinfiltratiesystemen gebeurt op vrijwillige basis. De extra zoetwatervraag die we daarvoor nodig hebben vanuit het hoofdwatersysteem is daarbij randvoorwaardelijk en blijven we bij het Rijk agenderen. We zoeken naar de meest milieuvriendelijke vormen van waterinfiltratie, ook via innovatieprogramma’s. De levensduur, het onderhoud en het gebruik van het materiaal heeft daarbij onze aandacht, bijvoorbeeld in de vorm van drainagebuizen van natuurlijk materiaal in plaats van plastic. Ook 49

greppelinfiltratie is op termijn waarschijnlijk een toepasbare techniek, deze methode is echter nog in ontwikkeling en daarmee nog geen ‘bewezen techniek’. Benutten slimme plekken In een klein deel van het veenweidengebied (circa 10%) gaan we op ‘slimme plekken’ uit van verdere vernatting, conform de eerder vastgestelde Regionale Veenweide Strategie. Dit gaat om een brede inhoudelijke afweging, gekoppeld aan ruimtelijke vraagstukken vanuit het watersysteem. Allereerst zijn het de laagste plekken die hiervoor in aanmerking komen. Verder kijken wij naar locaties waar de meeste effecten zijn te halen vanuit urgentie, zoals sterk dalende en/of natte gebieden. Ook zoeken wij combinaties met bijvoorbeeld de aanpak van stikstof bij de Natura 2000 gebieden, de ontwikkeling van weidevogelgebieden of moerasnatuur. In dit soort gebieden is functieaanpassing naar natuur mogelijk, maar kan ook aangepaste landbouw – zoals natte teelten – of ander nat landgebruik zich ontwikkelen. Mogelijk is hier ook synergie te realiseren met het vasthouden van water om perioden van droogte op te vangen en minder afhankelijk te zijn van extra inlaatwater.

Meer nadruk op kleinere droogleggingen In vergelijking met de Regionale Veenweide Strategie, leggen we nu meer nadruk op kleinere droogleggingen, omdat onderzoek leert dat ook enkel het verkleinen van droogleggingen substantiële bijdrage kan leveren aan verminderen van de uitstoot van broeikasgassen uit veenbodems. Kleinere droogleggingen bereiken kost tijd en vraagt om vroegtijdige inzet in relatie tot de waterkwaliteit. Met een stapsgewijze verhoging (we denken aan circa 2 centimeter per jaar) en met begroeide oevers voorkomen we dat peilverhogingen negatieve effecten hebben op de waterkwaliteit. Kleinere droogleggingen van ca. 40 centimeter of in bepaalde gebieden tot -30 of -20 centimeter, leidt ook tot een aanvullende zoetwatervraag, maar deze is in vergelijking met de extra zoetwatervraag door aanleg van waterinfiltratiesystemen veel geringer. Kleidek-op-veen gebieden doen mee De nieuwe inzichten betekenen dat we binnen het UPLG ook de kleidek-op-veen gebieden meenemen in de opgave voor het verminderen van de broeikasgassen uit veenbodems. Deze gebieden zijn ook al genoemd in de RVS. Omwille van draagvlak bij de grondeigenaren is het nodig dat we in de gebiedsprocessen in deze gebieden voldoende tijd hiervoor nemen. Het is een nieuwe opgave en alle betrokkenen moeten hier op een goede manier in worden meegenomen.

Nuancering 40 centimeter drooglegging Wij werken aan een drooglegging van 40 centimeter in een groot deel van het veenweidegebied. We gaan hierbij uit van het zomerhalfjaargemiddelde (april t/m september), in principe de periode met een neerslagtekort. Wij beseffen dat de drooglegging een vereenvoudiging is van de praktijksituatie die nooit eenduidig zal zijn. We weten dat vanwege hoogteverschillen in het landschap eenzelfde oppervlaktewaterpeil tot verschillende droogleggingen kan leiden, al naar gelang de maaiveldhoogte. Als we spreken over het streven naar een bepaalde grondwaterstand, is het van belang om op gebiedsniveau te bekijken of de maatregelen naar verwachting het gewenste effect zullen hebben op de CO2-uitstoot. Daarnaast moet in beeld gebracht worden of er zwaarwegende neveneffecten te verwachten zijn op het landgebruik, het watersysteem en op andere maatschappelijke opgaven, zodat de gezamenlijke overheden deze mee kunnen wegen in de besluitvorming. Versnelling van de aanpak via ontwikkelen van nieuw RO-instrumentarium De nieuwe kennisinzichten en de ervaring die we hebben opgedaan in de uitvoering, maken dat we een aantal zaken willen aanscherpen en onze aanpak willen versnellen. Nieuw is dat we sterker willen sturen op het verkleinen van droogleggingen via het omgevingsbeleid, naast uiteraard de vrijwillige aanpak via waterinfiltratie.

Wij verkennen de mogelijkheid om via de instrumenten van ruimtelijke ordening te sturen op functies die passen bij hogere grondwaterstanden. Dit heeft mogelijk wel financiële consequenties. Hierbij denken we aan de introductie van een nieuwe functie ‘veenweidelandbouw’. Hiermee bedoelen we een vorm van landbouw bij hogere grondwaterstanden. Deze nieuwe functie past bij de reductie-opgaven van broeikasgassen uit veenbodems en het afremmen van bodemdaling.

50

Via peilbesluiten kan worden gekomen tot kleinere droogleggingen, die passend zijn bij de nieuwe functie veenweidelandbouw. Met deze nieuwe landbouwfunctie kunnen waterschappen bij het nemen van een peilbesluit een meer gelijkwaardige belangenafweging maken tussen de verschillende maatschappelijke opgaven. Dit alles wordt verder uitgewerkt door de nieuwe Taskforce Veenweiden. Daar wordt de locatiekeuze verder ingevuld, en worden afspraken gemaakt over instrumenten en proces. Deze thematiek wordt meegenomen in de gewijzigde provinciale Omgevingsvisie (2026), het volgende provinciale Bodem- en Waterprogramma (BWP) en mogelijk in een volgende of daaropvolgende wijziging van de provinciale omgevingsverordening, de gemeentelijke omgevingsplannen en de peilbesluiten van de waterschappen. We geven de Taskforce mee dat we met voorrang aan de slag willen in de gebieden die het meest urgent zijn vanuit de UPLG-doelstellingen en/of waar de meeste opgaven samen komen. De bedoeling is dat alle peilbesluiten uiterlijk 2035 hierop zijn aangepast. Prioritering Het veenweidegebied is zeer divers; de bodemopbouw is heel verschillend en ook de ontwatering en het landgebruik verschilt. Daarmee is er ook differentiatie in de opgaven die in een veenweidegebied kunnen landen en verschilt de urgentie per gebied. We kunnen en hoeven niet overal dezelfde aanpak te hanteren en niet alles hoeft direct.

Ook vanwege beperkte menskracht en middelen is het nodig om een fasering aan te brengen om te komen tot een effectieve uitvoeringsstrategie. Voor benodigde grootschalige uitrol van het instrument veenweidelandbouw en de waterinfiltratiesystemen zijn nu onvoldoende middelen beschikbaar om de doelen te halen. Dit vraagt om prioritering, waarbij effectiviteit en urgentie de centrale criteria zijn. Het in beeld brengen van deze fasering is onderdeel van de opdracht aan de Taskforce Veenweide op basis van gemeenschappelijke Joint Fact Finding. Hierbij willen we de volgende redeneerlijn volgen: daar waar de meeste opgaven samenkomen, is de grootste urgentie. Dit zijn de gebieden met een sterke bodemdaling, een hoge CO2uitstoot, Natura 2000-gebieden met een hydrologische uitdagingen in het watersysteem en kansen voor natuur en weidevogels. Zie voor een eerste aanzet kaart 12 Stapelkaart Veenweiden in bijlage XI waarin een stapeling van enkele van de opgaven wordt weergegeven. Governance: opzet Taskforce Veenweide Utrecht We zijn inmiddels aan de slag met een nieuw bestuurlijk overleg, genoemd ‘Taskforce Veenweide Utrecht’ (gestart september 2025). Deze Taskforce bestaat in eerste instantie uit de provincie en de waterschappen en heeft de opdracht om in goed overleg met haar partners (gemeenten, landbouw- en natuurorganisaties) het volgende uit te werken: ▪ Geborgde aanpak.

Het ontwikkelen van een geborgde aanpak voor realisering van de doelen op het gebied van verminderen uitstoot broeikasgassen uit veenbodems en afremmen bodemdaling. Hiervoor zien wij de volgende ijkmomenten: ▪ Uiterlijk in het tweede kwartaal van 2026 een gedragen en vastgesteld plan van aanpak met voldoende borging voor de te nemen stappen in de uitvoering. Onderdeel hiervan zijn tijdige evaluatiemomenten om na te gaan of er voldoende voortgang is in de te nemen maatregelen. Deze evaluatiemomenten in ieder geval twee jaarlijks, waarbij - vanwege de afspraken in het Klimaatakkoord - 2030 het moment is waarop kan worden besloten tot meer geborgde maatregelen indien onvoldoende voortgang plaatsvindt; ▪ 2035: alle benodigde maatregelen zijn genomen, dat wil zeggen maximale uitrol van waterinfiltratiesytemen of vergelijkbare maatregelen ter verhoging van de grondwaterstand en afspraken over nieuwe peilbesluiten. ▪ Differentiatie. Dit om te komen tot temporisering in de aanpak: wat moet nu, kan straks of wordt later bij het verhogen van grondwaterstanden. ▪ RO-instrumentarium. Dit om te sturen op kleinere droogleggingen. ▪ Instrument nadeelcompensatie. Bijvoorbeeld via de Compensatiesystematiek Veenweide (CSV). Hierbij kijken wij ook naar de pilot met de Groene Hart-provincies. ▪ Vuistregels voor gebiedsprocessen.

Deze kunnen worden gebruikt bij bestuurlijke afweging en keuzen bij conflicterende belangen en wettelijke verplichtingen, zodat uitvoering kan worden geborgd en versneld. ▪ Lange termijnbeleid. Belangrijk is dat dit gezamenlijk wordt gedragen.

51

Financiële vergoedingen Nadeelcompensatie kan optreden wanneer een functieaanpassing leidt tot een peilbesluit met hogere peilen. In overleg met het ministerie van LVVN is een instrument voor nadeelcompensatie in ontwikkeling, het eerdergenoemde CSV. Wij willen deze regeling gebruiken om de landbouw in het Utrechtse veenweidegebied te compenseren bij mogelijke inkomstenderving. Ook wordt gezocht naar een vergoeding middels een structurele basisbetaling binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid of vergoeding via herwaardering van gronden. Toekomstperspectief agrarische sector Zoals aangegeven zetten wij ons in om, bijvoorbeeld via het geld van het agrarisch natuurbeheer en gemeenschappelijk landbouwbeleid, de landbouw in Veenweide te ondersteunen. Tegelijkertijd zien we dat op (middel)lange termijn door klimaatverandering en een gebrek aan zoet water het landbouwsysteem in de veenweiden nog verder onder druk komt te staan. We blijven daarom samen met onze partners zoeken naar een nieuw evenwicht tussen hoge grondwaterstanden en het toekomstperspectief van de agrarische sector en wat daarvoor nodig is. Om die reden werken we nauw samen met het Rijk, met de zes veenprovincies en met de waterschappen om innovatie mogelijk te maken gericht op een duurzaam en klimaatbestendig veengebied.

Hiertoe is een nationaal programma VIP-NL (Veenweide Innovatie Programma Nederland) gestart waar Utrecht ook in participeert. Ook het Veenweideninnovatiecentrum (VIC) in Zegveld is voor ons een belangrijke samenwerkingspartner. Projecten zoals de hoogwaterboerderij (melkveebedrijf) en onderzoek naar natte teelten zijn goede voorbeelden van innovatie in veenweide.

3.5.3 Methaanemissies uit veehouderij Toelichting (het waarom) Om klimaatverandering te kunnen remmen, is het belangrijk om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Niet alleen voor CO2, maar ook voor methaan. Methaan is namelijk een veel sterker broeikasgas dan CO 2. Binnen de veehouderij komt methaan met name vrij bij het verteringsproces van herkauwers (bijvoorbeeld runderen, schapen, geiten) en in mindere mate bij de opslag van mest (van al het vee). Daarom worden op nationaal en internationaal ook niveau specifiek afspraken gemaakt over methaan. In het Ontwerp-NPLG was de nationale opgave over de provincies verdeeld naar rato van het aantal dieren. Voor Utrecht betrof dit een reductie van 0,3 Mton aan methaanemissies uit veehouderij in 2030. Onze aanpak De opgaven voor methaanemissies uit de veehouderij laten we waar mogelijk meeliften met de uitvoering van maatregelen die worden ingezet ten behoeve van andere opgaven. Emissiereductie van methaan en CO 2 door de veehouderij kan met name worden bereikt door een breed palet aan voer- en managementmaatregelen en door minder vee. Het Rijk zet zich in om de uitstoot van methaan te reduceren door mee te liften op maatregelen om de doelen voor water, stikstof en natuur te halen, zoals het extra afromen van fosfaat- en dierrechten, stoppersregelingen, stimulering van extensivering en innovatie en doelsturing.

Ook het afschaffen van de mestderogatie leidt naar verwachting tot extensivering van de veehouderij. Aanvullend kan de inzet van techniek in de stallen en mestopslag (met name monovergisting) bijdragen aan een vermindering van de methaanuitstoot. Met dit UPLG volgen we dezelfde lijn, dat wil zeggen dat we het verminderen van de methaanemissies uit veehouderij meekoppelen met andere opgaven en maatregelen. Dit gaan we monitoren.

52

3.6 Landbouw 3.6.1 Inleiding en achtergrond Utrecht is een behoorlijk verstedelijkte provincie. Toch bestaat nog bijna de helft van de provincie uit agrarische cultuurgrond: circa 70.000 hectare van de in totaal 150.000 hectare. Dit is circa 46% van het grondoppervlak. Daarmee is duidelijk dat ook in Utrecht de agrarische sector een sleutelrol heeft bij de vraagstukken in het landelijk gebied. De landbouw is belangrijk voor voedselproductie, voor werkgelegenheid, voor sociale cohesie op het platteland en voor het beheer van het landschap. De wijze waarop verschilt per gebied. Bijlage X bevat een beschrijving van de Utrechtse landbouwsector en gaat in op de aantallen bedrijven, grondgebruik, aantallen dieren, veedichtheid en economie en werkgelegenheid. Binnen onze provincie kennen we drie belangrijke landbouwsectoren, te weten: ▪ De melkveehouderij, die we vooral vinden in het veenweidegebied van het Groene Hart en Eemland; ▪ De niet-grondgebonden dierhouderij, die vooral gevestigd is in de Gelderse Vallei; ▪ De fruitteelt, die vooral kan worden aangetroffen in het gebied van de Kromme Rijn. Grond is een belangrijke productiefactor voor de grondgebonden landbouw. Dit vormt een onderscheid met veel andere economische activiteiten. De landbouw is in hoge mate bepalend voor het landschap, maar legt logischerwijs ook een relatief groot beslag op de milieugebruiksruimte.

Dit is gedurende decennia zo gegroeid. De Nederlandse boeren hebben (ongeveer vanaf de Tweede Wereldoorlog) zich erop gericht om met gespecialiseerde teelten zoveel mogelijk te produceren tegen zo laag mogelijke kosten. Door de harde concurrentie op de wereldmarkten en binnen de landbouw- en voedselketens staan de prijzen voor landbouwproducten voortdurend onder druk met als gevolg schaalvergroting en intensivering. Deze ontwikkeling heeft gevolgen gehad voor de bodem-, water- en luchtkwaliteit, voor het milieu in het algemeen en dierenwelzijn. Het heeft in het bijzonder ook gevolgen gehad voor het bodem- en watersysteem, de natuur en het landschap. Door rationalisering van percelen verdwijnen landschapselementen, perceelgrenzen en hoogteverschillen. Door specialisatie is het grondgebruik uniformer geworden op grotere percelen met als gevolg verlies van biodiversiteit. Gelukkig zijn ondertussen door de sector ook al de nodige stappen gezet om de effecten op milieu, natuur en landschap te verminderen. We zien volop ontwikkelingen richting een meer natuurinclusieve en meer circulaire vorm van landbouw. Ook de biologische landbouw ontwikkelt zich verder. Deze ontwikkelingen zijn belangrijk voor het realiseren van de doelen op het gebied van bodem en water, natuur en klimaat.

Maar het is in de praktijk voor boeren niet gemakkelijk om behalve voor gezond voedsel ook te zorgen voor een gezonde leefomgeving. Voor het geproduceerde voedsel wordt de boer uiteraard betaald, voor veel van de andere ‘producten’ die van de boer worden gevraagd, is dat niet, of slechts in beperkte mate, het geval. In bijlage X wordt het beeld geschetst van de ingrijpende veranderingen in de economische omgeving van boeren in de laatste 70 jaar. Als we willen dat boeren weer gaan zorgdragen voor een gevarieerd en biodivers landschap met weinig emissies, dan moet daar iets mee kunnen worden verdiend. Hierbij hoort perspectief en financiële zekerheid voor de lange termijn. Vitale landbouwbedrijven, die opereren binnen de grenzen van het ecosysteem én weer de hoeders van ons landschap zijn, vormen dan de basis voor een succesvolle transitie naar een toekomstbestendig landelijk gebied. Daarom investeert de provincie in een landbouwsector met economisch rendabele bedrijven die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en diervriendelijk zijn en tevens dicht bij de inwoners staan. In de volgende paragraaf behandelen we eerst de vraagstukken en opgaven waar deze sectoren voor staan. In 3.6.3 gaan we in op het beleid dat we als provincie voeren.

53

3.6.2 Uitdagingen voor de landbouw De toegestane druk op het milieu wordt al jaren gereguleerd via wetgeving. Hierdoor is de milieubelasting flink teruggebracht, maar in veel gevallen nog altijd hoger dan wat nodig is om de verschillende doelen voor natuur, water en klimaat te halen. De belangrijkste milieuthema’s voor de Utrechtse landbouw zijn: ▪ Uitspoeling van stikstof en fosfaat uit mest; ▪ Stikstof (ammoniak) emissies naar de lucht; dit speelt in de grondgebonden en (iets minder) in de intensieve veehouderij; ▪ Uitstoot van broeikasgassen: dit speelt in de grondgebonden veehouderij, met name bij herkauwers (methaanemissies) en in de veenweidegebieden (CO 2-emissies uit veenbodems); ▪ Gewasbeschermingsmiddelen in grond- en oppervlaktewater: dit speelt vooral bij de fruitteelt. Bovengenoemde thema’s leiden tot opgaven met name op bedrijfsniveau. Ze zijn voor een deel generiek (elk bedrijf moet de emissies verminderen) en voor een ander deel gebiedsspecifiek omdat in sommige gebieden extra eisen gelden. Voorbeelden van het laatste zijn peilverhogingen (grond- en/of oppervlaktewater) in het veenweidegebied of in de overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden en extra beperkingen om ammoniakemissies te verminderen in de stikstofzones. Hieronder gaan we in op de belangrijkste uitdagingen voor de drie voor Utrecht belangrijkste landbouwsectoren.

Melkveehouderij De melkveehouderij - de grootste sector binnen de Utrechtse landbouw - heeft een grote opgave met betrekking tot de reductie van ammoniakemissies en met betrekking tot de eisen die worden gesteld in relatie tot de Nitraatrichtlijn. Door het afbouwen van de mestderogatie verandert Utrecht van een redelijk ‘mestneutrale’ provincie naar een provincie met een aanzienlijk mestoverschot. Dit heeft ook te maken met het feit dat Utrecht weinig akker- of tuinbouw kent. Hierdoor ontbreekt het aan extra afzetmogelijkheden voor de mest. Behalve voor afvoer van mest kan een melkveehouder kiezen voor investeren in extra grond of verlaging van het aantal stuks vee. Al deze opties zijn echter bedrijfseconomisch ongunstig, omdat of de kosten hoog zijn (aankoop grond, afvoer mest), of omdat de inkomsten lager worden (minder vee). Om de ammoniakemissies te reduceren zijn verschillende voer- en managementmaatregelen mogelijk, evenals de opties extensivering en investeren in technische oplossingen. Extra grond is hierbij zoals gezegd erg kostbaar en veel (kostbare) technische oplossingen die in het verleden zijn toegepast bleken naderhand niet of onvoldoende te werken. Veel nieuwe technieken zijn juridisch (nog) niet geborgd.

Niet grondgebonden dierhouderij Voor hokdierbedrijven (varkens, kippen, geiten en kalveren) speelt - naast vermindering van de emissies (ammoniak, fijnstof en geur) - vooral de maatschappelijke discussie over dierenwelzijn. Voor het verminderen van emissies zijn systeem- en technische innovaties een oplossingen. Ook hier is het een uitdaging om nieuwe technieken juridisch geborgd te krijgen, op basis van werking in de praktijk. Fruitteelt Voor deze bedrijfstak zijn de ontwikkelingen rondom gewasbescherming de komende jaren van groot belang. Het maatschappelijk debat over het gebruik van de traditionele chemische gewasbeschermingsmiddelen wordt volop gevoerd. Ondanks de diverse emissiebeperkende maatregelen die de Utrechtse fruittelers hebben genomen bestaan nog steeds zorgen over gewasbeschermingsmiddelen in het milieu, met name in het grondwater. Zie 3.3.1 voor meer hierover.

54

3.6.3 Perspectief voor de landbouw Toelichting (het waarom) Wij vinden als provincie het behoud van een vitale landbouwsector essentieel. Zoals eerder benoemd is de landbouw belangrijk voor voedselvoorziening, de werkgelegenheid en de sociale cohesie op het platteland en voor het beheer van het landschap. Echter, de huidige invulling en werkwijze heeft nog steeds te veel nadelige gevolgen voor het milieu en de natuur. Ook zal de sector meer moeten inspelen op de gevolgen van klimaatverandering die in hoog tempo op ons afkomen. Wij realiseren ons terdege dat ‘je niet groen kunt denken als je rood staat’. Perspectief is nodig. De provinciale overheid heeft nauwelijks invloed op de prijsvorming van agrarische producten. Agrariërs produceren immers grotendeels voor de open markt. Het grootste deel van de afzet vindt plaats binnen de EU en daarmee staat de prijsvorming onder invloed van de wereldmarkt. Omgekeerd hebben lokale omstandigheden in Nederland en Utrecht wél invloed op de productiemogelijkheden en -kosten. De inkomsten uit de ‘reguliere’ afzetmarkt blijven echter de belangrijkste inkomstenbron voor het grootste deel van de agrarische ondernemers. De uitdaging is dan dus om als sector tegemoet te komen aan de (gebiedsgerichte) maatschappelijke opgaven en tegelijk economisch rendabel te blijven.

Hoe wij hier binnen onze rol en mogelijkheden aan bij willen dragen beschrijven wij op hoofdlijnen hieronder. Perspectief voor boeren is meer dan het hebben van financieel-economisch perspectief. Het gaat ook over duidelijkheid en consistent beleid naar de toekomst, het kunnen voeren van de eigen regie, een gevoel van waardering en erkenning en een eerlijke verdeling van de opgaven en opbrengsten in de voedselketen. Onderwerpen waar de sector aandacht voor vraagt in verband met hun toekomstperspectief zijn de volgende: ▪ Voldoende beschikbare grond, onder andere als compensatiegrond en voor extensivering; ▪ Voldoende bewegingsvrijheid (ruimte voor ondernemerschap, ruimte voor innovatie); ▪ Aanpak van de stikstofproblematiek en daarbij horend de PAS-melders en interimmers; ▪ Hoogte van de vergoedingen (onder andere die voor het agrarisch natuurbeheer); ▪ Belang van voedselproductie. Binnen onze mogelijkheden willen wij de agrarische sector ondersteunen bij de grote aanpassingen waar zij voor staat, rekening houdend met de maatschappelijke doelstellingen. In ‘Toekomst Landbouw en Voedsel provincie Utrecht 2050’ (2050) heeft de provincie het streefbeeld 2050 voor de Utrechtse landbouw samengevat als volgt weergegeven: ‘De Utrechtse landbouw bestaat uit vele soorten bedrijven, van zeer extensief tot intensief.

Rondom natuurgebieden en in kwetsbare gebieden (bijvoorbeeld veengebieden of grondwaterbeschermingsgebieden) zijn extensievere vormen van landbouw dominant. Elders is binnen de wettelijke normen ruimte voor intensieve bedrijven die circulair zijn en in balans met hun omgeving. Daarbij worden regionale grondstoffen gebruikt en wordt de milieu impact beperkt door precisielandbouw en het beheren van natuurlijke processen in bodem en gewassen. Rondom steden en dorpen leveren bedrijven tal van soorten diensten voor de inwoners en heeft ook gezamenlijke voedselproductie door boer en burger een vlucht genomen.’ Bij dit streefbeeld wordt aangegeven dat er vele tussenvormen denkbaar zijn, dat verschillende typen landbouw elkaar kunnen versterken en dat het innovatieve vermogen van de ondernemers daarbij centraal staat. Op basis van dit streefbeeld zijn tien ambities geformuleerd richting 2050 waar de provincie zich voor wil inzetten, zie het kader hieronder.

55

De tien ambities uit ‘Toekomst Landbouw en Voedsel provincie Utrecht 2050’ (2025): 1. Duurzame productie van gezond voedsel 2. Verdienmodel met ruimte voor ondernemerschap 3. Natuurinclusieve kringlooplandbouw 4. Innovatieve landbouw- en voedselsector 5. Zorgvuldig omgaan met landbouwgronden 6. Sterke landbouwstructuur 7. Dierwaardige veehouderij 8. Landbouw als onderdeel van de Utrechtse samenleving 9. Duurzaam en gezond voedingspatroon voor consumenten 10. Omgevingsbeleid versterkt duurzame landbouw en verdienmodellen Volgens het streefbeeld en de tien ambities ontwikkelt de landbouw zich steeds verder in de richting van natuurinclusieve kringlooplandbouw. Dit kan op veel verschillende manieren met verschillende niveaus van natuurinclusiviteit, grootschaliger of kleinschaliger, met verbreding of meer op basis van innovatie. Daarbij is ook ruimte voor meer ‘technologische’ kringlooplandbouw, waarbij allerlei technieken worden ingezet om emissies te voorkomen en zoveel mogelijk reststromen weer om te zetten in grondstoffen. In ons provinciale Uitvoeringsprogramma Landbouw en Voedsel werken wij dit verder uit (beoogde vaststelling begin 2026). Omdat de basis voor onze aanpak een natuurinclusieve kringlooplandbouw is geven wij hieronder allereerst een korte toelichting op wat wij hieronder verstaan. Deze beschrijving is gebaseerd op een definitie van het Louis Bolk Instituut.

In deze definitie maakt Kringlooplandbouw integraal onderdeel uit van Natuurinclusieve Landbouw. Kringlooplandbouw heeft met name betrekking op de niveaus 0 en 1 en is ook van toepassing op de niet grondgebonden Landbouw. Wat is natuurinclusieve landbouw? (Gebaseerd op Louis Bolk Instituut, 2023)

Natuurinclusieve landbouw wordt bepaald door drie dimensies, het sparen van natuur, het benutten van natuur en het verrijken van natuur. Het sparen van natuur gaat over het verlagen van de emissies naar bodem, water en lucht. Dit kan ook kringlooplandbouw worden genoemd, en is daarmee een onlosmakelijk onderdeel van natuurinclusieve landbouw. Het benutten van natuur betekent dat er zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van natuurlijke processen, bijvoorbeeld door het bodemleven te versterken met compost, door natuurlijke vijanden voor plagen in te zetten of door kruidenrijk grasland in te zaaien. Het verrijken van de natuur is gericht op het verhogen van de biodiversiteit en het maken van ecologische verbindingen in het landschap. Dit wordt ook wel regeneratieve landbouw genoemd. De mate waarin bedrijven deze aspecten kunnen invullen en combineren bepalen het niveau van natuurinclusieve landbouw. Vanaf niveau 2 wordt aan alle drie de dimensies gewerkt.

Figuur 9. Natuurinclusieve landbouwniveaus

Niveau 0: De natuur op en rond een bedrijf wordt minimaal benut en verrijkt; voor vermindering van de impact op de natuur wordt aan de wettelijke verplichtingen voldaan.

56

Niveau 1: De maatregelen op dit niveau zijn voor de meeste gangbare bedrijven in te passen zonder dat de bedrijfsstrategie hoeft te veranderen. Men neemt waar mogelijk deel aan agrarisch natuurbeheer, zaait bijvoorbeeld kruidenrijk productief grasland in en zet in op minder scheuren van grasland. Niveau 2: Gangbare maatregelen in het productieproces zijn vervangen door natuurinclusieve alternatieven, waarvoor keuzes voor de lange termijn gemaakt moeten worden, zoals aankoop van nieuwe percelen of landbouwmachines. Beslissingen die genomen worden op dit niveau kunnen niet jaarlijks worden heroverwogen. Tegelijkertijd is er op dit niveau geen bedrijfsstrategie nodig die volledig anders is ten opzichte van de gangbare praktijk. Niveau 3: Bedrijven streven naar het zoveel mogelijk sluiten van kringlopen op een zo laag mogelijk schaalniveau. De bedrijven zijn aangepast aan de mogelijkheden die de natuurlijke omgeving biedt (‘water en bodem sturend’). Een dergelijk bedrijf vraagt om een bedrijfsstrategie waarbij de inrichting en werkzaamheden in lijn worden gebracht met de natuurlijke omstandigheden van het bedrijf. De keuzes voor een dergelijke bedrijfsvoering hebben een tijdschaal van 10-30 jaar, omdat het gaat om een fundamenteel ander bedrijfssysteem dan wat gangbaar is in de landbouw.

Biologische landbouw geldt als een gecertificeerde vorm van natuurinclusieve landbouw op het hoogste niveau. In onze provinciale Visie landbouw en voedsel hebben we een groei van de biologische landbouw van ca. 6.5% naar 15% van het landbouwareaal in 2030 als ambitie gesteld. Voorwaarde is dat de vraag naar biologische producten hierin meegroeit. Onze aanpak Structurerend principe 17: Perspectief voor de landbouw Om perspectief te bieden voor de landbouw: a. Gaan we verder met integrale doelsturing, met name via de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL); b. Zetten we ons in voor een rendabele bedrijfsvoering via de implementatie van een ‘Ondernemersprogramma landbouw’ en ondersteuning verdienmodellen; c. Dragen we bij aan innovatie; d. Hanteren we een grondstrategie die mede gericht is op een toekomstbestendige en duurzame landbouw. En verder: e. Zoeken we samen met het Rijk naar een oplossing voor PAS-melders en interimmers; f. Nemen we de effecten op dierenwelzijn en volksgezondheid mee bij onze keuzes, in ons ruimtelijk beleid is verbetering van dierenwelzijn één van de voorwaarden; g. Gaan we zorgvuldig om met landbouwgrond. Wij zullen dit structurerende principe hier nader toelichten. Ad a. Aan de slag met doelsturing Door de ontwikkelingen van afgelopen jaren worden boeren geconfronteerd met veel onzekerheden.

Dat zet een rem op de juist zo noodzakelijke investeringen in innovatie en milieumaatregelen. De provincie Utrecht wil binnen het beleidsveld een betrouwbare partner zijn. Door het stellen van integrale doelen gekoppeld aan een passende termijn willen wij de bestendige omstandigheden creëren waarbinnen de sector de transitie naar een duurzame bedrijfsvoering kan maken. Als het gaat om het vaststellen van doelen sluiten we waar mogelijk aan bij het Rijksbeleid. Aandachtspunt van doelsturing is dat moet worden voorkomen dat afwenteling plaatsvindt van een doel op andere doelen door eenzijdige te sturen op één doel. Via integrale doelsturing willen we de ondernemers vooral in staat stellen op hun eigen manier bij te dragen aan de doelen voor stikstof, water, klimaat en biodiversiteit. Met andere woorden zodat agrariërs op hun eigen zich kunnen ontwikkelen tot een meer circulair of natuurinclusief bedrijf. Dit past ook binnen het nieuwe kabinetsbeleid. De verschillende doelen uit dit UPLG proberen wij daarom zoveel mogelijk te vertalen naar concrete doelen voor het boerenerf, die de boer vervolgens zelf implementeert. 57

Doelsturing willen we vormgeven via zogenaamde ‘Kritische Prestatie Indicatoren’. De ondernemer kan hierdoor zelf sturen en de bedrijfsvoering aanpassen op een manier die het beste bij het bedrijf past. Wij hebben een integrale set met KPI’s en bijbehorende streefwaarden vastgesteld voor de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL), gericht op de melkveehouderij. Deze integrale set van 15 KPI's gaat onder andere over het terugdringen van emissies naar bodem, water en lucht en verhogen van het aandeel eiwit van eigen land (kringlooplandbouw). Ook de inspanningen voor groenblauwe dooradering en agrarisch natuur- en landschapsbeheer vertalen we naar KPI's. Want bijdragen aan biodiversiteit en landschap maakt integraal onderdeel uit van een duurzame grondgebonden bedrijfsvoering. Zie bijlage X voor meer informatie over de 15 KPI’s. Deelname aan de UMDL is vrijwillig. Niet alle bedrijven kunnen of hoeven even hoog op de KPI’s te scoren. Het ene bedrijf heeft immers meer mogelijkheden om maatregelen toe te passen dan het andere. We ondersteunen de individuele ondernemer bij dit alles middels een stimuleringssubsidie voor deelnemers aan de UMDL en kennisdeling gericht op alle agrariërs. Ook voor de fruitteelt is inmiddels een UMDL ontwikkeld en gestart met een kennis- en beloningsprogramma.

Voor gewasbescherming zijn met name de KPI’s voor milieubelasting naar bodem, water en bestuivers relevant. De ontwikkelingen in het landelijk gebied kunnen leiden tot een toename van de akkerbouw. Als provincie stimuleren we onder andere vezelteelt en eiwitgewassen. Dit kan aanleiding zijn om ook voor de akkerbouw een UMDL op te stellen zodat we met de akkerbouwers kunnen werken aan duurzame teelten en het verminderen van emissies. Vooralsnog kiezen wij ervoor om voor ammoniakemissies de provinciebrede reductieopgave aan de professionaliteit van de agrarische sector over te laten. Indien de beoogde reducties niet behaald worden zal alsnog bedrijfsspecifieke norm van kracht worden voor grondgebonden veehouderijen die behaald moet worden uiterlijk 2035. Voor niet-grondgebonden veehouderijen zetten wij in op toepassing van best beschikbare techniek. Voor deze ondernemers gaat een emissienorm per gerealiseerde dierplaats gelden, ook die norm moet in 2035 behaald worden. Zie verder 3.4.3 voor een nadere toelichting op de stikstofaanpak. De ervaring van een Utrechtse melkveehouder met de UMDL "Op het gebied van voer- en andere managementmaatregelen, zoals lager ruw eiwit voeren, verbeteren mestkwaliteit, meer uren beweiding en meer kruidenrijk grasland, worden er stappen gezet, deze proberen we steeds meer te optimaliseren op mijn bedrijf.

De Utrechtse Melkveehouders Boeren Beter (UMBB*) geeft me handvatten om kritisch te kijken naar de kentallen van mijn bedrijf. Het mooie van doelsturing is dat ik zelf bepaal waarmee ik aan de slag ga op mijn bedrijf", Gerrit de Jong, Utrechtse Melkveehouder. * Het project UMBB is onderdeel van de UMDL.

Ad b. Implementatie van het ‘Ondernemersprogramma landbouw’ en ondersteuning verdienmodellen Het ‘Ondernemersprogramma landbouw’ bestaat uit ondersteuning gericht op met name individuele agrariërs. Dit aanbod kan door de ondernemers worden benut voor de (door)ontwikkeling van hun bedrijf met oog op de zowel de verduurzamingsdoelen als bedrijfseconomische aspecten. Dit programma bestaat uit de volgende onderdelen: 1. Vraagbaak Landbouw: agrariërs kunnen bij onze relatiebeheerders terecht met al hun vragen. Bijvoorbeeld over subsidies, stikstof, grondzaken en vergunningen. Het doel is om snel(ler) te komen tot beantwoording van vragen van agrariërs en signalen uit de sector op te halen en deze te delen binnen de provinciale organisatie; 2. Plattelandscoaches: De agrariër kan met een persoonlijke vraag of probleem terecht bij een van de plattelandscoaches; 3. Duurzame Bedrijfsplannen: wij ondernemers faciliteren bij het opstellen van duurzame bedrijfsplannen. Op deze manier kunnen zij een gedegen plan uitstippelen voor de ontwikkeling van hun bedrijf die passend is bij hun eigen wensen en de mogelijkheden en kansen ter plaatse. 4. Kennisprogramma; 5. Investeringssubsidies. We ontwikkeling een Kennisprogramma, voor kennisoverdracht en kennisuitwisseling, voor zowel deelnemers aan de UMDL als daarbuiten. Om te beginnen hebben we een ‘Routekaart melkveehouderij Natuurinclusieve 58

Kringlooplandbouw’ ontwikkeld, met een bijbehorende Landbouwmenukaart. Het doel is inzicht bieden in de maatregelen waarmee ondernemers hun prestaties op de KPI’s kunnen verbeteren. Verder ontwikkelen we in 2025 een ‘Meerjarig Kennisprogramma’ gericht op zoveel mogelijk agrariërs.

Figuur 10. Afbeelding uit de ‘Routekaart melkveehouderij Natuurinclusieve Kringlooplandbouw’

Investeringssubsidies: om bedrijfsontwikkeling te ondersteunen stellen we de komende jaren in ieder geval de volgende subsidies ter beschikking: ▪

▪

Subsidies voor voer- en management en techniek: Met investeringssubsidies willen wij bijdragen aan een efficiëntere bedrijfsvoering en verduurzaming. In aanvulling op enkele openstellingen in kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) die hiervoor kunnen worden benut, zijn extra middelen beschikbaar gesteld op basis van het ‘Maatregelpakket Landbouw’. Deze subsidies zijn ondersteunend aan de Routekaart Natuurinclusieve kringlooplandbouw en gaan van eenvoudige managementmaatregelen tot hightech innovaties. Voorbeelden van te subsidiëren maatregelen zijn: koematrassen, machines voor verwerking van organisch materiaal (agricycling en/of slootmaaisel), precisietoediening van gewasbescherming, poststallen en investeringen in techniek voor stallen en mest. Subsidie voor waterinfiltratiesystemen: Waterinfiltratiesystemen zijn een effectieve manier om bodemdaling te verminderen en de melkveehouderij perspectief te bieden. Voor het stimuleren van dergelijke systemen hebben we het programma ‘Klimaatslim Boeren op Veen’ ontwikkeld. Waterschappen en collectieven organiseren binnen dit kader gebiedsprocessen waarbij waterbeheer en bodemdaling worden aangepakt. De provincie zet middelen in voor waterinfiltratiesystemen via de subsidieregeling ‘Beperking Bodemdaling Utrechtse Veenweiden’.

Ondersteuning verdienmodellen Binnen de mogelijkheden die de provincie heeft willen wij verdienmodellen ondersteunen. Het gaat hierbij zowel om bedrijfsoptimalisatie als verbreding van de verdienmodellen. Dat doen we onder meer door de volgende maatregelen: ▪

▪

Ondersteuning bij optimalisatie bedrijfsvoering: Agrariërs produceren grotendeels voor de open markt en de productiewijze moet daarom voldoende concurrerend blijven. Voor veel agrarische ondernemers in Utrecht is het daarom ook belangrijke dat er blijvend geïnvesteerd wordt in bedrijfsoptimalisatie. Wij ondersteunen dit binnen onze mogelijkheden en binnen de kaders van milieu en landschap. Naast de hierboven genoemde investeringssubsidies zijn een goede grondstrategie en zaken als kavelruil hiervoor belangrijk. Ecosysteemdiensten inclusief agrarisch natuurbeheer: De extra middelen voor agrarisch natuurbeheer vanuit het Regeerprogramma 2024 bieden enorme kansen om de toepassing van groene en blauwe 59

▪

▪

ecosysteemdiensten te vergroten. Wij zetten ons ervoor in om deze doelen vooral ook in Utrecht te realiseren. Hierbij hoort ook het gesprek over hoogte van de vergoedingen en de duur van de contracten. We gaan daarom - samen met de andere provincies - in gesprek met het Rijk over het vergroten van de structurele middelen voor het agrarisch natuurbeheer. De huidige budgetten zijn namelijk ontoereikend voor de opgaven waar we voor staan. Naast uitbreiding van het areaal gaat het daarbij ook om een betere vergoeding (tot 100%) en langer lopende contracten (12-18 jaar). Daarnaast hebben we als provincie nu al aanvullende middelen beschikbaar gesteld voor blauwe en groene dooradering in het maatregelpakket 1. Productie van duurzame energie: Denk hierbij aan groene stroom (windmolens, zonnepanelen) en groen gas. Duurzame energiebronnen op een deel van het bedrijf kunnen dienen als aanvullend verdienmodel voor agrariërs en tegelijk een bijdrage leveren aan het halen van de klimaatopgave voor de sector. Zo zorgt de productie van groen gas via (mono)vergisting voor inkomsten, maar levert ook een bijdrage aan vermindering van de methaanuitstoot. Wel zijn er belangrijke aandachtspunten bij dit thema, zoals de huidige netwerkcongestie en het ruimtebeslag van zonnepanelen. Ook de benodigde schaal voor monomestvergisting en de investeringskosten vormen knelpunten voor implementatie.

We zetten in op meervoudig ruimtegebruik en zien onder andere mogelijkheden voor zon op daken en functiecombinaties van zonnevelden met het verhogen van de grondwaterstanden en waterberging in de veenweidengebieden. Ook het verticaal plaatsen van zonnepanelen behoort in bepaalde situaties tot de mogelijkheden. Ondersteuning bij verbreding, biologisch en/of korte keten: Veel agrariërs in Utrecht ontwikkelen verbredingsactiviteiten om extra inkomsten te genereren. Deze ‘multifunctionele landbouw’ is van groot maatschappelijk belang, omdat het vaak zorgt voor verbinding tussen boer en burger, een goed verdienmodel en een vitaal landelijk gebied. Deze kansen willen we verder uitbreiden door het faciliteren van multifunctionele boerenerven. Naast landbouw kunnen dan ook andere activiteiten, zoals recreatie, boerderijeducatie, zorg, verkoop van producten en energieproductie samenkomen op één locatie. Functiemenging is binnen dat kader dus goed mogelijk, mits goed afgestemd op de kernmerken van het gebied. Vooral in de kernrandzones zien we bijzondere kansen voor verbreding door middel van maatschappelijke diensten. Andere activiteiten op een agrarisch erf kunnen de bedrijfseconomische omstandigheden verbeteren. Bovendien dragen meer sociale en economische activiteiten in het landelijk gebied bij aan de vitaliteit van het landelijk gebied en de verbinding tussen boer en burger.

Voor het bevorderen van bedrijfsverbreding of multifunctionele landbouw willen we een passend kader bieden. We onderzoeken hoe verschillende gelijkwaardige activiteiten kunnen plaatsvinden op één erf en daarbij de omgevingskwaliteit kan worden verbeterd. Een daarvoor passend kader wordt meegenomen bij de eerstvolgende wijziging van de provinciale Omgevingsvisie en -verordening. Beide worden in 2026 vastgesteld door Provinciale Staten.

Ad c. Bijdrage aan innovatie. De landbouwsector gaat door met de toepassing van innovaties en dit kan bijdragen aan het halen van duurzaamheidsdoelen, klimaatadaptatie, dierenwelzijn en het verdienvermogen. Doorgaans gaat er een jarenlang proces vooraf aan het moment dat innovaties praktijkrijp zijn en breed toegepast kunnen worden. Utrecht wil innovatie stimuleren die bijdraagt aan deze doelen en aan een verdienmodel voor de agrarische ondernemer. Bij technische innovaties zijn effectiviteit en juridische houdbaarheid van groot belang. Een bijdrage aan meerdere doelen tegelijk heeft daarom sterk de voorkeur. Wij zetten ons concreet in voor de volgende innovatieve pilots: ▪

▪

▪

▪

Versnellingsaanpak Emissiearme Landbouw: Dit is een samenwerkingsproject tussen de twaalf provincies, het ministerie van LVVN en de veehouderijsectoren. Het doel is om (technologische) oplossingen te ontwikkelen, te borgen en in de praktijk te brengen. Fieldlab Groene Hart: Samen met de provincies Noord- en Zuid-Holland ondersteunen wij dit Fieldlab financieel. Vanuit Utrecht worden zo’n 30 boeren in de eigen provincie ondersteund. De effectiviteit en praktische toepassing van voer- en managementmaatregelen en stalinnovaties wordt onderzocht. De bijdrage van de drie provincies sluit aan op de bijdrage van het Rijk aan dit Fieldlab, vanuit de subsidieregeling experimenteerlocaties (SREL). Fieldlab Foodvalley: Samen met het Rijk en de provincie Gelderland zijn wij voornemens dit Fieldlab financieel te steunen. Het is een ‘lab’ waar verschillende onderzoekslijnen voor kansen voor een ecologisch duurzaam gebied met een vitale agrarische sector in de praktijk worden opgepakt. Onderzoek naar natuurinclusieve landbouw in overgangsgebieden (inclusief stikstofzones): Hiervoor is onder meer een pilot gestart in het gebied van de Langbroekerwetering, meer onderzoek is nodig. 60

▪

Bodemdaling Veenweiden: In kader van de aanpak van bodemdaling ondersteunen we het onderzoek van het Veenweiden Innovatiecentrum (VIC) en het Kennis Transfer Centrum (KTC) Zegveld.

Agricycling Agricycling is een lokaal en circulair composteerinitiatief waarbij natuur- en bermmaaisel hergebruikt wordt. Door samenwerking tussen boeren, overheden en terreinbeherende organisaties kan lokale biomassa, zoals berm- en natuurgras, omgezet worden op het boerenerf in hoogwaardige compost. Dit levert winst op voor boer, burger en milieu. Het gezamenlijk en lokaal maken van gecertificeerde compost door boeren voor gebruik op hun landbouwbodem biedt financieel perspectief, draagt bij aan korte kringloopsluiting, bodemdiversiteit en betere waterberging door verhogen van het organisch stofgehalte van de bodem. In de provincie Utrecht wordt door de gemeenten als Stichtse Vecht, gebiedscoöperatie Stichtse Vecht, stichting Wij.land, boeren in Utrecht Oost, de waterschappen (zoals HDSR) en de provincie Utrecht uitgewerkt hoe Agricycling Utrecht opgericht kan worden en het composteren volgens de Agricyling methode kan starten. Ad d. Inzetten van een grondstrategie die mede gericht is op een toekomstbestendige en duurzame landbouw Grond is de motor voor bedrijfsontwikkeling en verduurzaming. Een agrariër heeft vaak meer aan behoud van grond, of aan extra grond, dan aan financiële compensatie voor grond die voor het bedrijf verloren gaat.

Onder andere met de inzet van gronden uit de provinciale grondbank en via kavelruil - met name als onderdeel van de gebiedsprocessen – komen we hier zoveel mogelijk aan tegemoet. Zie verder 5.5.3 ‘Grond als motor’ waar we de belangrijkste onderdelen van onze grondstrategie nader toe lichten. Ad e. Legalisatie PAS melders en interimmers PAS-melders zijn agrarische bedrijven en andere activiteiten die vanwege achteraf onjuist gebleken overheidsbeleid niet de juiste natuurvergunning hebben. Interimmers hebben eveneens geen dekkende vergunning voor hun activiteit doordat de implementatie van Europese regelgeving in landelijk beleid enige jaren heeft gekost en zij in die periode hun bedrijf zijn gestart of hebben uitgebreid. Voor beide categorieën van bedrijven geldt dat deze buiten hun eigen schuld niet beschikken over een passende vergunning. Voor deze bedrijven is het oplossen van hun probleem met de vergunningverlening essentieel voor de toekomst van hun bedrijf. Samen met het Rijk zetten wij daarom in op het vinden van een oplossing voor deze PAS-melders, interimmers en andere knelgevallen.

Ondanks dat het vinden van een oplossing de verantwoordelijkheid is van het Rijk, heeft de provincie zich ingezet voor een aantal generieke maatregelen die kunnen bijdragen aan deze oplossing, zoals: ▪ Het instellen van het veehouderijregister; ▪ Het vrijspelen van stikstofruimte in gebiedsprocessen; ▪ Versnelling van de vergunningverlening door bijvoorbeeld voortoetsen waar dat mogelijk is; ▪ Het waar mogelijk benutten van de mogelijkheden van in- en extern salderen en subsidieverlening; ▪ Het instellen van een Depositiebank met een beleidskader voor toedeling van stikstofruimte, waarin is bepaald hoe vrijkomende stikstofruimte kan worden benut voor legalisatie van PAS-melders, zodra kan worden voldaan aan het additionaliteitsvereiste. Wij hebben voor de legalisatie van PAS-melders financiële middelen van het Rijk ontvangen. Dat is een belangrijke financiële basis voor de aanpak die op dit moment wordt uitgewerkt. Wij verwachten nog in 2025 een of enkele regelingen voor PAS-melders open te stellen. Naast deze generieke aanpak achten wij het nodig ook in te zetten op een individuele aanpak en proberen we in de gebiedsgerichte aanpak collectieve initiatieven te ondersteunen.

Hierbij is het uitgangspunt van de individuele aanpak dat een Plan van Aanpak afgestemd moet worden op de situatie van de ondernemer, de locatie van de ondernemer en juridisch gezien goed onderbouwd moet kunnen worden. In individuele gesprekken met de PASmelders worden dan oplossingsrichtingen verkend en daarna verder uitgewerkt. Voor een individuele aanpak zijn op dit moment de beschikbare mogelijkheden en middelen vanuit het Rijk onvoldoende. Voor de oplossingsrichtingen blijft de provincie mede afhankelijk van de inzet en toepasbaarheid van Rijksinstrumenten. Met doelsturingsvergunningen zal Utrecht doen wat het kan; aanvullend beleid en instrumenten vanuit het Rijk worden daarnaast ook nodig geacht. De kaders voor staatssteun en de beperkte mogelijkheden voor vergunningverlening op dit moment zijn hierbij belangrijke aspecten. De beschikbare 61

instrumenten zijn tot op heden veruit onvoldoende gebleken om de PAS-melders ook maar enig perspectief te bieden. Daarnaast kan via gebiedsprocessen worden ingezet op collectieve ammoniakreductieplannen die aantonen dat de regio haar proportionele bijdrage aan het reductiedoel haalt. Hierdoor kan mogelijk voor de betreffende regio de additionaliteit worden onderbouwd, waardoor vergunningverlening, ook voor PAS-melders, weer van de grond komt. Of een dergelijke redenatie stand zal houden moet worden afgewacht, de Habitatrichtlijn verlangt immers een individuele beoordeling van het effect van emissies. De eerste prioriteit ligt dus bij de PAS-melders en andere situaties waarbij bedrijven niet over de juiste vergunning beschikken, de zogenoemde ‘Interimmers’ en de ‘PASmeldingsvrije activiteiten’ vragen onze aandacht, ook met hen gaan we aan de slag. Tot slot zijn sinds de uitspraken over intern salderen van de Raad van State (RvS) van 18 december 2024 nog veel meer bedrijven in een vergelijkbare situatie geraakt als de PAS-melders. Het betreft in dit geval een categorie bedrijven die gebruik hebben gemaakt van ‘intern salderen’ in de periode van begin 2020 tot eind 2025. Voor deze bedrijven geldt sinds de RvS uitspraak met terugwerkende kracht alsnog een vergunningplicht. Zij hebben tot eind 2030 de tijd om een dekkende vergunning te verkrijgen.

Ook voor deze groep zal een plan worden gemaakt. Om al deze groepen perspectief te kunnen bieden op vergunningverlening is het verkrijgen van een aanpak gericht op het kunnen onderbouwen van de additionaliteit van groot belang. In juni 2025 hebben wij in een brief aan PAS-melders aangegeven dat wij vanwege het ontbreken van een dekkend instrumentarium van het Rijk niet langer grote hoeveelheden capaciteit beschikbaar kunnen stellen voor een aanpak die de PAS-melders geen oplossing biedt. Als zich oplossingsmogelijkheden aandienen, zullen wij daar uiteraard op inzetten. Echter, het inzetten op niet werkende sporen achten wij niet langer verantwoord. Zonder een geborgde aanpak gericht op natuurherstel vanuit het Rijk zal op veel plekken vergunningverlening op zijn minst juridisch zeer kwetsbaar blijven. Wel verkennen wij hoe we met doelsturingsvergunningen wat kunnen betekenen voor PAS-melders. Ad f. Dierenwelzijn en volksgezondheid Het welzijn van de dieren op en rond het boerenbedrijf is een integraal onderdeel van een vitale landbouw. De provincie Utrecht streeft naar een landbouw zonder dierenleed, waarin de intrinsieke waarde en het natuurlijke gedrag van het dier zo veel mogelijk centraal staan in de bedrijfsvoering. Aandacht voor het welzijn van de dieren sluit aan bij een breed gevoelde prioriteit in de samenleving en bij de agrarische ondernemers zelf.

Dat geldt ook voor de volksgezondheid, in verband met onder meer fijn stof, geur, dierziekten en zoönosen (dat is het overgaan van dierziekten op de mens). Wat betreft dierenwelzijn sluiten we als provincie aan bij het advies van de Raad voor Dieraangelegenheden, het Convenant dierwaardige veehouderij en nationale regelgeving zoals de regels die gesteld worden in de Algemene Maatregel van Bestuur dierwaardige veehouderij. De principes van dierwaardigheid zijn vastgesteld door de Raad voor Dieraangelegenheden en behelzen: ▪ Respect voor de intrinsieke waarde van het dier; ▪ Goede voeding; ▪ Goede omgeving; ▪ Goede gezondheid; ▪ Natuurlijk gedrag; ▪ Positieve staat van het dier (‘A life worth living’) dat resulteert uit het voldoen aan de voorgaande principes. Als provincie hebben we geen wettelijke taak op het gebied van dierenwelzijn in de landbouw. Deze taak ligt voornamelijk bij het Rijk. Als provincie kunnen we niet handhavend optreden en moeten we dus terughoudend zijn om extra normen op te leggen. Er zijn echter wel manieren waarop we positieve ontwikkelingen ten aanzien van dierwaardige veehouderij kunnen ondersteunen en negatieve ontwikkelingen voorkomen. In gebiedsprocessen bijvoorbeeld kunnen we stimuleren dat dierenwelzijn als belangrijk onderwerp wordt meegenomen.

Vanuit verschillende doelstellingen vinden we het belangrijk om weidegang te stimuleren, ook vanuit oogpunt van dierenwelzijn. In kavelruilprocessen is het dan van belang om ook landbouwstructuur en verbeterde mogelijkheden voor meer weidegang serieus te onderzoeken. Ook is het belangrijk om gebiedsinrichtingen door de bril van dierenwelzijn te bekijken. Zo kunnen landschapselementen ook positieve impact hebben op vee, door 62

schaduwwerking en daarmee tegengaan van hittestress, ook kunnen ze fungeren als dierenapotheek (waarbij dieren naar eigen keuze hun dieet kunnen aanvullen met mineraalrijk blad of met soorten die een geneeskrachtige werking hebben). Vernatting van gebieden kan nadelige effecten hebben op dierenwelzijn en dierziektes. Daarom moeten ook maatregelen worden genomen om de nadelige effecten op te lossen, bijvoorbeeld wat betreft de keuze van rassen. Zulke zaken kunnen in gebiedsprocessen op tafel komen en worden besproken met de betrokken agrariërs. Kennis en bewustzijn bij agrariërs over dierenwelzijn is een belangrijk aspect waar de provincie een rol in wil en kan spelen. Dierenwelzijn wordt integraal onderdeel van het kennisprogramma landbouw dat we als provincie ontwikkelen. Daarbij laten we boeren van elkaar leren in studiekringen en zoeken we samenwerking met kennisinstellingen. Zoals beschreven in ‘Toekomst Landbouw en Voedsel provincie Utrecht 2050’ (2025) stimuleren wij dierenwelzijn middels doelsturing en KPI-systematiek. Op die manier kan ook monitoring op dierenwelzijn plaatsvinden. In situaties waarin keuzes moeten worden gemaakt over bedrijfsbeëindiging of vergunningverlening bij nieuwvestiging, uitbreiding, verplaatsing of omschakeling van agrarische bedrijven worden effecten daarvan op volksgezondheid en dierenwelzijn meegewogen.

We zetten in op verbetering van de situatie. Hierbij zijn de afstanden tussen agrarische bedrijven enerzijds en woonlocaties en andere gevoelige objecten zoals zorginstellingen, kinderdagverblijven en scholen anderzijds van belang. Dit uiteraard in relatie tot de bedrijfs- en dierdichtheid van veehouderijen. In onze provinciale Omgevingsverordening wordt bij uitbreiding van het bouwperceel verbetering van dierenwelzijn als een van de voorwaarden gesteld. Ad g. Zorgvuldig omgaan met landbouwgrond De druk op de schaarse ruimte in de provincie Utrecht is groot en binnen de agrarische sector heeft met name de grondgebonden landbouw in onze provincie hiermee te maken. Deze ‘druk’ wordt vooral ervaren als een agrariër moeilijk en/of alleen tegen hoge kosten extra grond kan verwerven. En dit is vaak de situatie. Ieder jaar wordt een paar procent van het landbouwareaal verhandeld tussen landbouwbedrijven. Dat is niet nieuw en op zichzelf ook noodzakelijk om de ontwikkeling van bedrijven mogelijk te maken. Het aandeel potentiële stoppers tot 2030 in Utrecht wordt ingeschat op 39% (circa 500 bedrijven) van het totaal (cijfers CBS uit 2020-2021). Dit zijn de bedrijfshoofden ouder dan 50 jaar zonder opvolger. Deze potentiële stoppers hebben in Utrecht 29% van het landbouwareaal in bezit. De meeste landbouwgrond die ‘op de markt komt’ blijft landbouwgrond.

Wel neemt het totale areaal landbouwgrond in de loop van de laatste decennia langzaam af, omdat grond een andere functie krijgt, onder meer door verstedelijking (woningbouw, bedrijventerreinen, infrastructuur) en bepaalde typen natuur. De water-, klimaat- en natuurdoelen vragen om een ontwikkeling richting extensievere vormen van landbouw. De beschikbaarheid van voldoende grond is voor deze agrarische bedrijven met extensievere vormen van landbouw een belangrijke factor om hieraan een bijdrage te leveren. Door de behoefte aan extra grond voor de landbouwtransitie en door de ontwikkeling van andere functies in het landelijk gebied neemt de druk op de landbouwgrond toe. Daarom willen we zorgvuldig omgaan met landbouwgrond. In de wetgeving zijn bepalingen opgenomen om het landbouwbeleid goed mee te nemen bij functiewijzigingen. In de Omgevingswet is in algemene zin vastgelegd dat overheden bij functiewijzigingen moeten zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit dat oogpunt moet bij functiewijzingen een evenwichtige belangenafweging plaatsvinden, waarin ook het belang van voldoende landbouwgrond een plek krijgt. Dit uitgangspunt uit de Omgevingswet is ook terug te vinden in ons provinciale beleid. We kiezen ervoor de schaarse ruimte efficiënt te benutten en functies slim te combineren.

Structurerend principe 2 over het combineren van ruimte vragende opgaven gaat hier ook over. We hanteren bij het ruimte zoeken voor de opgaven ook het principe ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’. In onze Omgevingsvisie hebben we verstedelijkingsprincipes en een voorkeursvolgorde voor zonne-energie opgenomen. Ook in onze regelgeving komt het uitgangspunt terug. Via een verstedelijkingsverbod in onze Omgevingsverordening staan we in het landelijk gebied geen verstedelijking toe, tenzij in deze verordening anders is bepaald. We zien dat deze afwegingen - die vaak impliciet worden gemaakt - duidelijker kunnen worden meegenomen in het afwegingsproces. Met andere woorden, we kunnen bewuster rekening houden met de landbouw in de 63

toedeling van functies aan locaties. Juist de landbouwgronden die te beschouwen zijn als potentieel zeer geschikt voor voedselproductie (direct geschikt voor menselijke consumptie zoals bij fruitteelt en akkerbouw) kunnen we op deze manier waar mogelijk sparen. Dit gaat met name om de kleigronden en klei op veengronden, die vooral in het Kromme Rijngebied, delen van de Gelderse Vallei en delen van het Groene Hart voorkomen. Dit gaat om bestaande en kansrijke gronden voor fruitteelt en akkerbouw. Vaak zijn dit gronden die ook voor andere opgaven (zoals verstedelijking) interessant zijn. Dit principe zullen we ook opnemen in ons omgevingsbeleid door het mee te nemen in de wijziging van de Omgevingsvisie. Daarmee zal het landbouwbelang in deze gebieden zwaarder wegen in de afweging. Wat overigens niet betekent dat geen functiewijziging meer kan plaatsvinden wanneer andere zwaarwegende maatschappelijke opgaven, zoals verstedelijking of RES-afspraken (voor 2030) aan de orde zijn. De toenemende vraag naar landbouwgrond hopen we deels te kunnen opvangen door herverdeling van de grond van (gedeeltelijk) stoppende bedrijven. Wij ondersteunen agrarisch ondernemers die bedrijfsbeëindiging overwegen en gemeenten om erftransformaties te versnellen en te vereenvoudigen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16361482/1