Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026 - 2035
Tekst van het document
Derhalve definiëren we een overgangsgebied als ‘de zone rondom het Natura 2000-gebied die nodig is om de instandhoudingsdoelen van de aangewezen soorten en habitats te halen’. Hierin treffen we de benodigde maatregelen zoals beschreven in de Natuurdoelanalyses en adviezen van de Ecologische Autoriteit. Uiteraard kunnen wij dit alleen op Utrechts grondgebied doen. We zijn/gaan wel in gesprek met de aangrenzende provincies om dit af te stemmen. De benodigde omvang van het overgangsgebied kan per thema verschillen, afhankelijk van wat nodig is voor het realiseren van de juiste abiotische condities. Zo kan voor herstel van het hydrologische systeem een kleiner of groter gebied nodig zijn dan het gebied dat nodig is om bronmaatregelen te nemen om de neerslag van stikstof te reduceren. Door onderzoek en een gebiedsgerichte aanpak zal de ligging van de overgangsgebieden voor connectiviteit en hydrologie steeds duidelijker worden. In de wijziging van de Omgevingsvisie 2026 stellen we voor om de overgangsgebieden een plek te geven. Dat wat nodig is om de instandhoudingsdoelen te halen, is randvoorwaardelijk voor het gebruik en inrichting van het overgangsgebied. Dat kan in de gebieden leiden tot moeilijke keuzes, maar daarmee kan de vergunningverlening van het slot en kunnen we - ook buiten de overgangsgebieden - werken aan een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw.
De extra middelen uit het UPLG-maatregelenpakket 4 en van Programma Natuur fase-2 worden onder andere in de overgangsgebieden ingezet. In de overgangsgebieden staan vier soorten maatregelen centraal, te weten: ▪ Instellen stikstofzone: Het voorgenomen beleid voor de stikstofzones en andere gebiedsspecifieke maatregelen is opgenomen in paragraaf 3.4.3 (stikstofaanpak). ▪ Hydrologische maatregelen: Deze zijn nodig om het systeem beter af te stemmen op de kwaliteitseisen van het Natura 2000-gebied. In de overgangsgebieden proberen we zoveel mogelijk verschillende opgaven met elkaar te verbinden. Met name op het gebied van water en natuur liggen hier goede kansen voor verbetering. De hydrologische maatregelen die nodig zijn voor de Natura 2000-gebieden zijn wellicht te combineren met de vernatting in (bepaalde delen van) de veenweiden, of met extensievere vormen van landbouw. In veel gevallen kunnen de gronden in overgangsgebieden agrarisch blijven. Hier kan gedeeltelijke afwaardering aan de orde zijn, bijvoorbeeld vanwege vernatting. Voor deze maatregelen zal aanvullend instrumentarium moeten worden ontwikkeld. Bij veel van onze Natura 2000-gebieden is een verdere uitwerking via aanvullend onderzoek nodig voordat we tot uitvoeringsmaatregelen kunnen overgaan.
Na het formuleren van de onderzoeksvragen en het ophalen van de al beschikbare informatie (ook uit het gebied) wordt onderzocht welke maatregelen nodig zijn voor hydrologisch doelbereik en welke effecten de maatregelen hebben op het omliggende gebruik en de inrichting. Dit laatste wordt onderdeel van de Natura 2000beheerplannen en de gebiedsprocessen. ▪ Versterken ecologische verbindingen (connectiviteit): Het versterken van de ecologische verbindingen is afhankelijk van de situatie: wat is er aan extra natuurareaal nodig of kunnen de gronden agrarisch blijven? Indien dit laatste dan wel met een meer op natuur gericht gebruik en beheer, bijvoorbeeld via groenblauwe dooradering, agroforestry en/of agrarisch natuurbeheer (ANLb). ▪ Vergroten areaal natuur: Op sommige plekken is een groter areaal aan natuur nodig voor herstel van kwetsbare habitats en soorten. De juiste ligging van deze arealen is nu nog niet overal bekend, een globale 35
inschatting van ligging en oppervlakte is dat het in totaal om ruim 400 hectare gaat bij voornamelijk het Binnenveld, Kolland en Overlangbroek, Oostelijke Vechtplassen, Rijntakken en de Uiterwaarden Lek. Wat betreft de middelen maken we gebruik van de middelen voor UPLG-maatregelpakket 4 en voor Programma Natuur die via SKNL ingezet worden. In het proces van de wijziging van de Omgevingsvisie 2026 nemen we op dat in sommige situaties de begrenzing van de Groene Contour wordt geoptimaliseerd voor natuurherstel van een Natura 2000-gebied. Dit kan gaan om uitbreidingen van de natuur buiten het Natura 2000-gebied ter ondersteuning van het herstel van kwetsbare soorten en habitats binnen het Natura 2000-gebied. Het gaat hierbij om uitbreiding van de NNN en nadrukkelijk niet om uitbreiding van de Natura 2000-gebieden. De concrete uitwerking en begrenzing vindt plaats in het op te stellen Beleidsprogramma Natuur en wordt vervolgens opgenomen in de Omgevingsverordening.
Figuur 7. Visuele weergave van een overgangsgebied De overgangsgebieden zijn weergegeven op kaart 5 in bijlage XI. De hierboven genoemde maatregelen leiden mogelijk tot beperkingen voor de reguliere landbouw in de overgangsgebieden. Daarom zetten we hier instrumenten in gericht op ontwikkeling van natuurinclusieve landbouwbedrijven. In de directe nabijheid van de Natura 2000-gebieden zelfs in zeer vergaande vorm: afhankelijk van de locatie ten minste niveau 2 van natuurinclusieve landbouw (zie voor de definitie van natuurinclusieve landbouw het kader onder paragraaf 3.6.3). In deze gebieden streven we naar het stapelen van regelingen die extensieve en natuurinclusieve landbouw mogelijk maken. Te denken valt aan: vergoedingen voor groenblauwe diensten (bijvoorbeeld via agrarisch natuurbeheer), afwaardering van landbouwgrond en specifieke regelingen voor extensieve landbouw. Verder is grondmobiliteit essentieel om maatregelen in de overgangsgebieden te realiseren. Daarom zetten we hier maximaal en prioritair in op het verkrijgen van grond die als compensatiegrond kan worden ingezet, alsmede het bevorderen van grondmobiliteit onder andere via kavelruil. Met de middelen uit de UPLG-maatregelpakketten en van Programma Natuur fase 2 kan in de komende jaren invulling gegeven worden aan het beleid in deze gebieden.
In de gebiedsprocessen ondersteunen we boerenbedrijven om de noodzakelijke aanpassingen binnen de overgangsgebieden te kunnen doen.
36
3.4.3 Stikstofaanpak Toelichting (het waarom) De aanpak van de stikstofproblematiek is een prioriteit binnen dit UPLG. De depositie van stikstof is een belangrijke oorzaak van de teruggang van natuur en biodiversiteit in onze provincie. Het belang van de stikstofaanpak is groot, vermindering van de depositie van stikstof is nodig om de achteruitgang van kwetsbare natuurgebieden een halt toe te roepen en herstel mogelijk te maken. Hierbij moet rekening worden gehouden met de stikstofgevoeligheid van habitattypen maar ook de mate van herstelbaarheid van die habitattypen. Bij slecht herstelbare natuur is de noodzaak om tot een snelle emissiereductie te komen het grootst. Ook om vergunningverlening mogelijk te maken voor nieuwe ontwikkelingen zijn maatregelen nodig. Om tot houdbare en duurzame vergunningverlening te kunnen komen, moeten we maatregelen nemen die gericht zijn op het herstel van natuur en het kunnen onderbouwen van additionaliteit. Het additionaliteitsvereiste stelt dat vrijkomende stiktofdepositieruimte alleen mag worden gebruikt voor de verlening van vergunningen, als vaststaat dat die stikstofdepositieruimte niet nodig is om verslechtering van Natura 2000-gebieden te voorkomen en perspectief te houden op herstel. Deze uitleg van de bestaande plicht onder de habitatrichtlijn is sinds de uitspraak over de PAS in 2019 herhaaldelijk herbevestigd in andere uitspraken.
Hierbij geldt; hoe steviger de geborgde stikstofreductie en maatregelen op andere drukfactoren, hoe sneller we uit de huidige juridische onzekerheid raken. Met ‘borging’ wordt in dit kader bedoeld dat het behalen van de doelen in wet- en regelgeving onontkoombaar wordt gemaakt. Daarnaast zullen ook de eventueel benodigde financiële middelen beschikbaar moeten zijn voor een gedegen borging. In onze aanpak in dit UPLG richten we ons op het voldoen aan het additionaliteitsvereiste en minimaal het leveren van onze proportionele bijdrage aan dit vereiste. Voor sommige gebieden met zeer stikstofgevoelige habitattypen zijn we echter ook afhankelijk van wat andere provincies en/of het Rijk aan maatregelen uitvoeren. In de taakverdeling tussen Rijk en provincies is het stikstofbeleid van de provincies aanvullend op het Rijksbeleid. Door het Rijk zijn tot nu toe enkele beëindigingsregelingen ingezet en zijn met de kamerbrief van 25-4-2025 ‘Startpakket Nederland van het slot’ aanvullende maatregelen en extra budget aangekondigd. Dit startpakket zet in op een reductie van de stikstofemissies uit de landbouwsector van 42-46% en van 50% voor de overige sectoren, met 2019 als referentiejaar. De hiervoor benodigde maatregelen en budgetten zijn echter nog niet in de wetgeving en de begroting opgenomen.
In een latere uitwerking komt er naar verwachting wel borging voor de beoogde maatregelen en reducties. In het stikstofdossier is op Rijksniveau veel in beweging. Wij volgen deze ontwikkelingen nauwgezet. In het UPLG richt de provincie zich vooral op het terugdringen van de ammoniakuitstoot uit de veehouderij conform de opdracht zoals deze onder het ontwerp-NPLG gold. Van het Rijk verlangen wij een goede borging van de in het Startpakket beoogde reducties van 50% voor industrie en mobiliteit. Onze aanpak We sturen provinciebreed op een reductie van de ammoniakemissie met als doel het behalen van de 46% reductie van de ammoniakemissies uit de landbouw zoals deze in het Ontwerp- NPLG aan Utrecht ten doel is gesteld. Dit doel van 46% reductie geldt voor de periode 2019 tot 2035 en is onderbouwd middels berekeningen van het RIVM. Wij houden voorlopig vast aan het reductiepercentage van 46% in afwachting van de provinciale doorvertaling van het Startpakket. Wij verwachten dat een lager doel niet behulpzaam is in het van het slot halen van Nederland. Dit reductiepercentage rekenen wij om naar een emissiedoel voor de provincie. In 2019 bedroeg de Utrechtse ammoniakemissie uit de landbouw 5,252 Kton per jaar, het te behalen doel voor 2035 komt daarmee op een emissieplafond van 2,836 Kton.
Dit emissieplafond van 2,836 Kton hanteren wij als doel voor 2035, want dat geeft een scherper richtpunt dan een reductiepercentage. De autonome ontwikkeling, landelijke opkoopregelingen en het stoppen van de derogatie (waaronder meer mest mocht worden uitgereden) dragen al zorg voor een aanzienlijk deel van de benodigde reductie. Tussen 2019 (het referentiejaar) en 2025 zal naar verwachting al 10-14% reductie hebben plaatsgevonden (4,883 Kton was de emissiehoogte in Utrecht in 2022 volgens KEV aangevuld met de prognose gebaseerd op PBL-inschatting). Het PBL verwacht dat tussen de jaren 2022 en 2030 een reductie van 19% zal plaatsvinden wat betreft de ammoniakemissies van de landbouw. 37
Door het pas na enkele jaren kunnen beschikken over cijfers uit Emissieregistratie (de meest recente cijfers uit Utrecht zijn van 2023) geven we de verwachte reductie van de Utrechtse ammoniakuitstoot uit de landbouwsector voor 2025 op als een bandbreedte van 10-14%. In 2022 zaten we al aan de 10%. Uitgaande van het doorzetten van deze lijn is 14% in 2025 realistisch. Deze reducties worden onder andere veroorzaakt door het stoppen van de derogatie, opkoopregelingen, stoppers etc. Het verschil tussen de prognose voor 2035 en het beoogde doel (een emissieplafond van 2,836 Kton) betekent een restopgave. Deze is haalbaar met voer- en managementmaatregelen voor melkveehouderij in combinatie met een aanpak stikstofexclusiegebied, stikstofzone en emissiegrenswaarden voor huisvestingsystemen voor niet grondgebonden veehouderij. Daarbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan het geven van minder eiwitrijk voer, meer uren weidegang en toepassing van best beschikbare technieken. Dit betekent niet dat de benodigde stikstofdepositiereductie voor ieder Natura 2000-gebied geborgd is. Stikstofdeposities zijn doorgaans het effect van de stapeling van vele emissiebronnen - de zogenaamde ‘stikstofdeken’ - die elders neerslaan.
Tegelijk weten we ook dat emissiebronnen die in de directe nabijheid van Natura 2000-gebieden liggen, een groter effect hebben op de natuur dan bronnen die verder weg zijn gelegen. Maatregelen voor emissiereductie zijn dus het meest effectief als zij worden genomen door de nabijgelegen bedrijven. Omdat het verlagen van de stikstofdeken op veel Natura 2000-gebieden een positief effect heeft, wordt in dit UPLG ingezet op een generieke reductie. Deze generieke reductie van de stikstofdeken is noodzakelijk voor een groot aantal gebieden, ook buiten de eigen provincie. In een aantal gebieden is het echter nodig om aanvullend beleid te voeren vlakbij dat Natura 2000-gebied. Om invulling te geven aan provinciale sturing stellen we een stikstofaanpak voor via twee sporen, namelijk generiek en gebiedsspecifiek. Deze beide sporen houden het volgende in: 1. De generieke aanpak betreft het provinciebreed terugdringen van de ammoniak uitstoot (de ‘deken’). 2. De gebiedsspecifieke aanpak betreft het extra beperken van de uitstoot rondom de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, omdat deze een relatief groot aandeel heeft in de depositie op het aangrenzende Natura 2000gebied. Ter toelichting het volgende: Ad 1.
De generieke aanpak van stikstof Structurerend principe 11: Generieke normering stikstof Voor de ammoniakemissie veroorzaakt door de landbouwsector sturen we provinciebreed aan op het behalen van de 46% reductie zoals deze in de Handreiking NPLG (2024) aan Utrecht ten doel is gesteld. Voor grondgebonden veehouderij zetten wij in op reducties door voer- en managementmaatregelen, geborgd via een emissieplafond per hectare. Voor de niet-grondgebonden veehouderij zetten we in op stalinnovaties (met als uitgangspunt toepassing van de beste beschikbare technieken) en managementmaatregelen om de emissies te reduceren. Deze reductie borgen we via de Omgevingsverordening middels een emissieplafond per gerealiseerde dierplaats voor niet grondgebonden veehouderij, met als doeljaar 2035. Grondgebonden veehouderij: Meerdere praktijkonderzoeken hebben duidelijk gemaakt dat door toepassing van voer- en managementmaatregelen op bedrijfsniveau voldoende emissiereductie kan worden bereikt om de restopgave te halen. Vanuit de sector is duidelijk een signaal afgegeven dat zij de voorkeur geeft aan vermindering van de ammoniakemissies via sturing op de combinatie van tankmelkureum en het aantal uren weidegang. Aan deze oproep geven we graag gehoor door het aan het zelfsturend vermogen en vakmanschap van de sector over te laten om op of onder het reductiepad richting 2035 te blijven.
Dit reductiepad wordt gevormd door een rechte lijn te trekken tussen de emissies in Utrecht in 2019 en het beoogde doel voor 2035. Bedrijven worden in de jaren voor 2035 niet beoordeeld op het doel voor 2035, maar op het behalen van een evenredig deel van dat doel tot 2035. De komende tijd kan de Kringloopwijzer behulpzaam zijn bij het monitoren van doelbereik. Wij verwachten dat het middel van de Kringloopwijzer de komende jaren verder zal worden doorontwikkeld en/of dat het Rijk een afrekenbare stoffenbalans als monitoringsinstrument zal instellen dat de stikstofverliezen op bedrijven technisch en juridisch kan borgen en tevens kan worden ingezet als monitoringsinstrument. De N/P methode is een methode om stikstofverliezen uit mest te berekenen, waarbij de verhouding tussen stikstof (N) en fosfaat (P) in verse mest 38
en afgevoerde mest wordt vergeleken, en een deel van de stikstof als verloren wordt beschouwd. We onderzoeken nog hoe we omgaan met de biologische boeren die nog geen kringloopwijzer hebben, het ligt voor de hand dat daar ook uitzonderingsgronden voor opgesteld worden. In eerste instantie stimuleren/ondersteunen we bedrijven om hun aandeel in de beoogde reducties te leveren. Voor het verkrijgen van een grotere juridische zekerheid voor bestaande vergunningen en bereiken van een grotere stabiliteit voor ondernemers is het van groot belang om de noodzakelijke emissiereducties goed te borgen. Het volledig aan vrijwillige maatregelen overlaten van emissiereducties is onvoldoende borging om op termijn additionaliteit te kunnen onderbouwen zodat we tot houdbare en duurzame vergunningverlening kunnen komen. Ondanks dat die methode aantoonbaar kan werken moet de daadwerkelijke reductie nog blijken. Deze kan meeof tegenvallen. Uit een WUR-studie is gebleken dat tankmelkureum prima geschikt is als instrument om de eigen bedrijfsemissies mee te sturen, maar minder geschikt is om vanuit de overheid reducties mee te borgen. De best geschikte methode om op reducties te sturen, lijkt een emissienorm per hectare te zijn.
Om te zorgen voor een geborgde reductie zetten we in op een stevige stok achter de deur in de omgevingsverordening om zodoende zeker te zijn van het behalen van de emissiereducties. Als vanaf 2028 de reducties niet worden gehaald, gaan wij hierover in gesprek met sectorvertegenwoordigers. Vanaf 2029 kan dan het besluit genomen worden dat alsnog het emissiedoel van 40-42 kg NH3 per hectare per jaar voor grondgebonden veehouderij van kracht wordt. In dat geval gaan we per 2030 over op monitoring op bedrijfsemissies i.p.v. de totale emissie van de sector. We kijken daarmee of een bedrijf het beoogde doel van 40-42 kg ammoniakuitstoot per hectare per jaar zal gaan halen. Een doel dat in 2035 moet zijn bereikt. We zullen daarbij verkennen of deze norm ook als gemiddelde voor een collectief kan gelden. Want 2028 is niet ver weg. Tegelijk is het beoogde reductiedoel voor 2028 veel lager dan dat in 2035. De kans dat moet worden bijgestuurd, is niet groot als de sector zelf de mogelijkheid tot doelsturing aangrijpt. Uit juridisch oogpunt zal de norm van 40kg/ha/jr in de omgevingsverordening worden opgenomen. Het gaat dan vooral om de houdbaarheid van vergunningen. Deze norm zal worden aangepast als uit recentere cijfers blijkt dat een hogere norm uit de bandbreedte voldoende is om provinciaal het emissieplafond te halen.
Ook zal in een gebied van de norm kunnen worden afgeweken als andere toereikende en geborgde maatregelen worden genomen voor het behalen van de Natura 2000 doelstellingen. Vanaf 2027 zullen wij de hoogte van de emissies binnen de provincie doorlopend monitoren, we kijken dan naar de laatste drie peiljaren om te monitoren of de trend op of onder het reductiepad ligt. Vanaf 2028 zullen we over de voortgang van de reducties in gesprek gaan met sectorvertegenwoordigers. Vanaf 2029 wordt bepaald of de norm van 40-42 kg in werking treedt als de totale Utrechtse ammoniakemissies uit de landbouw boven het reductiepad liggen. Hierover zal worden gecommuniceerd met de agrarische sector. Als de reductie achterblijft, zal vanaf 2030 verplichtend instrumentarium worden ingezet en mogelijk met een tussendoel worden gewerkt. Als de beoogde reductie niet behaald wordt zal alsnog een verplichtend emissieplafond van 40kg NH3 per ha per jaar worden ingesteld voor grondgebonden veehouderij. Voor het beoogde emissieplafond zal gekeken worden naar een driejarig gemiddelde. We zullen daarbij verkennen of de 40kg-norm ook als gemiddelde voor een beperkte groep samenhangende agrarische bedrijvencollectief kan gelden. Dit emissieplafond per bedrijf zal niet overal leiden tot een geborgd natuurherstel. Wel leveren we daarmee onze proportionele bijdrage aan het natuurherstel.
Het halen van dit doel van 40-42 kg/ha/jr wordt voor de meeste bedrijven haalbaar geacht middels de inzet van voer- en managementmaatregelen. Niet-grondgebonden veehouderij: Voor de niet-grondgebonden veehouderij (de intensieve veehouderij) sturen we met name op geborgde inzet van de beste beschikbare technieken in relatie tot bestaande én toekomstige stalsystemen. Daarbij sluiten we zo veel mogelijk aan bij het Rijksbeleid. Ook hebben we contact met enkele provincies met veel intensieve veehouderij om te bezien welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn en ook voor ons relevant. De regio Food Valley heeft zelf een plan opgesteld om een grote reductie te bereiken van 60%. Hoe deze reducties moeten worden bereikt, maakt het plan nog niet duidelijk. De reducties sluiten echter in belangrijke mate aan op de plannen in dit UPLG.
39
De inzet van best beschikbare techniek willen wij borgen door een emissieplafond per gerealiseerde dierplaats op te nemen in de Omgevingsverordening. Dit doel dient in 2035 te zijn behaald en is niet afhankelijk van het halen van het reductiepad in 2028 en verder. De op te nemen toelaatbare normen voor emissies van NH3 zijn 90-95% lager dan een traditioneel stalsysteem en kunnen doorgaans alleen met een luchtwasser worden gehaald. Genoemde normen zijn met de nu geborgde best beschikbare technieken (van chemische luchtwassers) al haalbaar en worden daarom binnen nu en 10 jaar realiseerbaar geacht. Een gedetailleerde uitsplitsing in de diercategorieën voor deze diergroepen zal in de bijlage worden opgenomen. Het is de bedoeling dat de genoemde normen worden overgenomen in de eerstvolgende wijziging van de omgevingsverordening. Door gebruik te maken van een emissienorm per gerealiseerde dierplaats is het bedrijf zelf verantwoordelijk voor het behalen van de norm. Het kiezen voor een niet bewezen techniek kent daarbij grote risico’s voor de ondernemer. Door gebruik te maken van sensoren in bijvoorbeeld de luchtwassers wordt de werkelijke uitstoot van stallen gemeten. Voor de biologische veehouderij en bedrijven die vanwege dierenwelzijn meer vierkante meters bieden kunnen uitzonderinggronden in de omgevingsverordening komen. Ad 2.
De gebiedsspecifieke aanpak van stikstof Structurerend principe 12 (ruimtelijk): Gebiedsspecifieke reductie van stikstofemissie en -depositie Rondom de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zorgen we op twee manieren voor een reductie van stikstofemissie en -depositie, namelijk: ▪ We hanteren een stikstofzone van 250 meter rondom de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (het Habitatrichtlijndeel daarvan) met binnen deze zone beperkte mestaanwending. Stimuleringsmaatregelen ter ondersteuning van emissiereductie zetten we in een bredere zone in. ▪ Via een maatwerkaanpak willen we de stalemissies van bedrijven met een groot aandeel in de stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied reduceren. Bijvoorbeeld door verduurzamen, omschakelen of verplaatsten of -beëindiging. Stikstofzone 250 meter In een data-analyse van de Natura 2000-gebieden in Utrecht is gekeken naar de ‘optimale’ breedte van een emissiearme zone en ook wat hier de meest relevante emissies zijn. Zie hiervoor bijlage VIII, stikstof. Daaruit is gebleken dat emissies uit mestaanwending in een zone van 250 meter rondom het Natura 2000-gebied relatief de grootste bijdrage leveren aan de depositie op de in de nabijheid gelegen stikstofgevoelige habitats.
We stellen daarom ‘stikstofzones’ in met een breedte van 250 meter rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (Habitatrichtlijndeel en enkele delen Vogelrichtlijngebied) waar we de veldemissies verder terugdringen. Dit betekent dat een (gewas)perceel voor slechts een deel binnen de stikstofzone kan vallen. We zetten erop in dat hier een norm van 100 kg stikstof/ha/jaar uit dierlijke mest en een verbod op het gebruik van kunstmest en RENURE gaat gelden, die opgenomen gaat worden in de eerstvolgende aanpassing van de omgevingsverordening en dus per begin 2027 van kracht zal zijn. Formeel geldt al een vergunningplicht voor bemesting van percelen binnen 25 kilometer van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Als bestaande of toekomstige andere regelgeving of jurisprudentie meer beperkend is dan de normen die in de stikstofzones gaan gelden, dan zijn uiteraard deze meest beperkende plichten leidend. In eerste instantie wordt de stikstofzone ingesteld voor zes van de negen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden: Binnenveld, Botshol, Lingegebied en Diefdijk-zuid, Nieuwkoopse Plassen en De Haeck, Oostelijke Vechtplassen en Zouweboezem. Voor de andere drie Natura 2000-gebieden - Kolland en Overlangbroek, Uiterwaarden Lek en Rijntakken - passen we vooralsnog geen stikstofzone voor bemesting toe.
In 2028 bekijken we of voor het behalen van de natuurdoelen daar alsnog een zonering ingesteld zal worden. Binnen de begrenzing van Habitatrichtlijngebied zal een bemestingsverbod worden ingesteld. Alleen als het behalen van een natuurdoel daar bemesting noodzakelijk maakt kan hiervan worden afgeweken. Op kaart 6 Stikstofzonering in bijlage XI zijn de stikstofzones weergegeven. Renure staat voor 'Recovered Nitrogen from Manure' en verwijst naar producten waarin stikstof gericht wordt gewonnen uit dierlijke mest. Renure-producten bestaan uit ammoniumsulfaat of ammoniumnitraat. Ze worden gebruikt op het eigen bedrijf of geleverd aan andere bedrijven. De norm voor de stikstofzone nemen we op in de wijziging van de Omgevingsverordening 2026 en zal dan gelden vanaf begin 2027. Bedrijven met gronden binnen deze zone zullen middels een bemestingsplan moeten aangeven hoe ze omgaan met deze aangescherpte norm. Aanvullend zal provinciaal instrumentarium worden ingezet om het 40
voor bedrijven mogelijk te maken om in de zone hun bedrijf te blijven voeren. Om negatieve gevolgen voor bedrijven te voorkomen, wordt deze zonering ondersteund door diverse stimuleringsregelingen (bijvoorbeeld ANLb pakketten, kennisoverdracht). Deze regelingen worden in een bredere zone (bijvoorbeeld tot 500 meter) opengesteld. Ook grondafwaardering kan hier worden ingezet. De situatie op de Utrechtse Heuvelrug verdient hier speciale aandacht. De Heuvelrug is weliswaar niet aangewezen als Natura 2000-gebied, maar heeft wel degelijk stikstofgevoelige natuur die ook te lijden heeft onder te hoge stikstofdepositie. In paragraaf 3.4.2 geven we aan dat we voor de Heuvelrug een onderzoek hebben lopen om de drukfactoren goed in beeld te brengen. Maatwerkaanpak stalemissies In gevallen waar deze dichtbij prioritaire habitattypen liggen, kan het ook nodig zijn om een aanpak te formuleren op grote emissiebronnen in de vorm van stallen waar deze dichtbij prioritaire habitattypen liggen. Bij deze prioritaire habitattypen gaat het om zeer stikstofgevoelige habitattypen die moeilijk herstelbaar zijn (zie het rapport in opdracht van Greenpeace). Deze maatwerkaanpak stalemissies geldt voor alle negen stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden. Bedrijven met grote stallen en veel vee zullen hun uitstoot verder moeten verlagen. Dit kan ook buiten de stikstofzone van 250 meter het geval zijn.
Hoe sterker we hier de emissies weten te beperken, des te meer ruimte we kunnen bieden aan de rest van het landelijk gebied. Deze aanpak zal gericht worden op bovengemiddeld grote bronnen in de vorm van stallen als deze niet met het generiek beleid voldoende in emissie worden teruggebracht. Met bedrijven die na toepassing van de generieke normen voor veehouderijen nog boven de 1000 kg NH3 emissie en 1 mol depositie per 1000 kg emissie blijven, zal het gesprek worden gevoerd of (en hoe) zij een duurzaam toekomstperspectief kunnen krijgen. Vanwege de noodzaak om snel tot een emissiereductie te komen, zullen deze gesprekken vanaf begin 2027 worden gevoerd. Hierbij zal worden gekeken naar alle mogelijk in te zetten instrumenten, zoals innovatie, verplaatsing, omvorming van het bedrijf (naar een andere bedrijfsvoering, zoals van melk-naar vleesvee), een stoppersregeling, etc. Met de gegevens die nu beschikbaar zijn, komen we uit op ca. 50 bedrijven rond vijf van onze stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Met de hierboven beschreven en geborgde maatregelen gaan wij per begin 2027 starten met het verstrekken van doelsturingsvergunningen, te starten met PAS-melders. Vanaf medio 2028 zal er ook een start gemaakt worden om stapsgewijs de depositie-gebaseerde vergunningen te gaan vervangen voor doelsturingsvergunningen.
3.4.4 Realisatie van beoogd natuurareaal Toelichting (het waarom) Om een robuust en veerkrachtig natuurnetwerk te realiseren is het nodig om meer natuur aan te leggen. We hebben verschillende opgaven waarvoor uitbreiding van het natuurareaal nodig is. Deze opgaven komen voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, de Europese Natuurherstelverordening, het Natuurnetwerk Nederland, de Groene Contour en de Bossenstrategie. Deze areaaluitbreidingen zijn nodig voor het realiseren van de doelen. Wat betreft de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zien we vanuit de Europese NHV een forse opgave voor extra natuur en voor meer agrarisch natuurbeheer. Deze opgave moet overigens niet worden verward met de opgave voor de Natura 2000-gebieden, zoals beschreven in 3.4.2 en volgend uit de NDA’s. De VHR-areaalopgave waren opgenomen in het Ontwerp-NPLG op basis van studies van SOVON en WUR (‘Wageningen’). Zij hebben in opdracht van het Rijk in 2023 een indicatie bepaald voor areaaluitbreiding in 2030 en 2050 om de Gunstige Staat van Instandhouding (GSvI) van de VHR-soorten en habitats te realiseren, zie bijlage V. Met het vervallen van het NPLG is de exacte areaalopgave geen verplichting, maar wel een belangrijke indicatie ten aanzien van wat nodig is om te voldoen aan de Europese verplichtingen.
In Utrecht gaat het wat betreft de areaalopgave voor 2030 om bijna 850 hectare natuur en 14.160 hectare agrarische natuur (zie de tabel in hoofdstuk 2). Een deel hiervan is al gerealiseerd, waardoor hier voor 2030 een restopgave ligt van bijna 650 hectare natuur (grotendeels voor weidevogels en in mindere mate voor moeras en bos) en een restopgave van 10.600 hectare agrarische natuur (grotendeels weidevogels en GBDA). Deze getallen geven een betrouwbare indicatie van de orde van grootte van de benodigde areaaluitbreiding om wat betreft de VHR-soorten en habitats in 2030 voor 30% te voldoen aan de Gunstige Staat van Instandhouding. 41
Het lange termijndoel van 100% GSvI betreft 2050. Mogelijk dat het door het Rijk op te stellen Natuurplan (verplicht vanuit de Natuurherstelverordening) meer duidelijkheid gaat geven over de verplichtingen voor het realiseren van de benodigde arealen voor VHR-soorten en habitats op landelijke en provinciale schaal. De VHR-soorten en habitats die deze extra arealen nodig hebben, zijn gekoppeld aan zestien natuurtypen van de Index Natuur en Landschap. Het gaat dan om een breed scala aan natuurtypen van stilstaande wateren, moerassen, vogelgraslanden en droge heiden, tot vochtige bossen (zie bijlage V Natuurarealen VHR). Wat betreft het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour: in het Natuurpact (2013) hebben Rijk en provincies afgesproken om tussen 2011 (basisjaar) en 2027 in totaal 80.000 ha nieuwe natuur in te richten, conform het Natuurnetwerk Nederland. In lijn met onze provinciale Omgevingsvisie is de opgave dat in 2027 alle nieuwe natuur, die nodig is voor de NNN-opgave, ingericht is met hoogwaardige natuur. Daarnaast is met de Kopgroep Akkoord van Utrecht (2011) afgesproken om 3.000 hectare Groene Contour als natuur in te richten en toe te voegen aan het Natuurnetwerk Nederland.
De gebieden binnen de Groene Contour sluiten aan bij het Natuurnetwerk Nederland en kunnen dit versterken door de robuustheid van het Natuurnetwerk Nederland te versterken en de samenhang tussen de gebieden te vergroten. De realisatie van zowel het Natuurnetwerk Nederland als de Groene Contour blijft achter bij de verwachte voortgang. Op kaart 7 in Bijlage XI zijn de NNN en Groene Contour weergegeven. Ten aanzien van de bossenstrategie geldt dat de provincie Utrecht de doelen van de landelijke bossenstrategie in 2022 heeft uitgewerkt in het Strategisch Bosbeleid. De landelijke bossenstrategie maakt onderdeel uit van de afspraken in het Klimaatakkoord. Wat betreft de Utrechtse bossenstrategie gaat het om 1.500 hectare extra bos, waarvan 1.000 hectare in het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour. De Inspiratiekaart Strategisch bosbeleid laat duidelijk zien waar kansen liggen voor diverse typen bos. Deze kaart is te zien in Bijlage VI Strategisch Bosbeleid. Onze aanpak We leggen natuur aan om het natuurnetwerk te versterken en leefgebieden voor soorten te verbeteren en uit te breiden. Daarmee geven wij invulling aan onze opgave in het kader van het Natuurnetwerk Nederland, de benodigde uitbreiding van natuurareaal rondom Natura 2000 gebieden, de VHR-opgave, de Bossenstrategie en de Groene Contour.
De natuurgebieden zijn verbonden door robuuste ecologische structuren, ecologische verbindingen en faunavoorzieningen. In het landelijk gebied draagt de groenblauwe dooradering bij aan de connectiviteit. Dit zal verder worden uitgewerkt in de Omgevingsvisie en in het Beleidsprogramma Natuur. Kaart 1 van het Natuurbeheerplan 2026 laat de ligging zien van de bestaande natuur (circa. 30.000 hectare) en de zoekgebieden Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Groene Contour. Om de realisatie te versnellen is in 2022 de realisatiestrategie natuuropgave provincie Utrecht vastgesteld. Hierin geeft de provincie Utrecht prioriteit aan de realisatie van de NNN-opgave, vóór de Groene Contour-opgave. De NNN-opgave kan nu ook in de Groene Contour en in de agrarische percelen die binnen de NNN liggen, worden gerealiseerd. Conform structurerend principe 2 realiseren we de natuuropgaven door deze zo veel mogelijk ruimtelijk te combineren. Hiervoor bestaan goede kansen tussen de opgaven voor natuurherstel in Natura 2000-gebieden, de afronding van het Natuurnetwerk Nederland, de aanleg van de Groene Contour, de realisatie van de Bossenstrategie en het invullen van de VHR-arealen (zie structurerend principe 13).
We zien met name de volgende concrete mogelijkheden voor opgavecombinaties: ▪ De resterende hectares die voortvloeien uit de opgaven van het Natuurnetwerk Nederland zetten wij naast de VHR-arealen - waar mogelijk in ten behoeve van natuurherstel Natura 2000-gebieden en de bossenstrategie. In bijlage VI Strategisch Bosbeleid is meer te vinden over de kansrijke locaties voor bijvoorbeeld nieuw bos, agroforestry en groenblauwe dooradering. ▪ Ook de realisatie van de restopgave voor de Groene Contour (2900 hectare) combineren we zoveel mogelijk met het realiseren van de verschillende natuuropgaven. ▪ Bij de revitalisering van droog bos conform de Bossenstrategie zetten we met voorrang in op de kwaliteitsverbetering ten behoeve van de VHR-bostypen op de Utrechtse Heuvelrug. De revitalisering van de natte bossen kan mogelijk worden gecombineerd met de VHR-opgave. 42
Structurerend principe 13 (ruimtelijk): Realisatie van de indicatieve VHR-arealen We vullen de indicatieve VHR-areaalopgave voor uitbreiding van natuur en agrarisch natuurbeheer zo veel mogelijk in door het combineren van opgaven, om te beginnen via de volgende sporen: ▪ Realisatie binnen gebieden met de functie natuur en de nog te realiseren delen van het Natuurnetwerk Nederland die nog van functie moeten veranderen. ▪ Voor de hectares die nodig zijn voor de weidevogelgraslanden met functie natuur zien we potentie in de weidevogelkerngebieden en de omliggende weidevogelgebieden. Ter toelichting op dit structurerend principe is het belangrijk te vermelden dat de focus ligt op het zo veel mogelijk realiseren van de benodigde VHR-arealen binnen de restopgave voor het Natuurnetwerk Nederland. Dit zijn de NNN-gebieden die al wel van functie naar natuur zijn veranderd, maar die nog niet zijn ingericht (1.277 hectare) én de 507 hectare die zowel nog naar de functie ‘natuur’ moeten veranderen en als zodanig moeten worden ingericht. Hieronder vallen ook de delen van Natuurnetwerk Nederland die nog van functie moet veranderen en gebieden die vallen onder de Groene Contour. Per 1 januari 2025 kennen we voor de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland nog een opgave voor de inrichting van 1.784 hectare nieuwe natuur.
Voor 507 hectare geldt dat deze nu nog een landbouwfunctie hebben en is derhalve functieverandering nodig. Een deel van deze 1.784 hectares kan worden gebruikt voor de realisatie van de benodigde VHR-natuurtypen. Echter, het Natuurnetwerk Nederland ligt lang niet altijd op de goede plek voor de VHR-natuurtypen. Om die reden zijn de NNN- hectares niet voldoende voor de volledige VHR-opgave. Op de korte termijn is dit echter het hoogst haalbare qua tijd en beschikbare middelen. Voor de hectares die voor 2030 nodig zijn voor de weidevogelgraslanden met functie natuur (ruim 500 hectare als onderdeel van de restopgave van bijna 650 hectare) is het Natuurnetwerk Nederland qua ligging van de huidige zoekgebieden niet toereikend. De opgave van ruim 500 hectare is groot en de potenties voor weidevogelgraslanden liggen immers voor het overgrote deel in de veenweidegebieden, terwijl daar veel minder zoekgebieden Natuurnetwerk Nederland liggen. Daarom kijken we voor de weidevogelgraslandnatuur ook buiten het Natuurnetwerk Nederland. We zien onder meer potentie in de weidevogelkerngebieden en omliggende weidevogelgebieden. Welk VHR-natuurtype waar moet komen en hoeveel hectares daarvan in het Natuurnetwerk Nederland kunnen worden gerealiseerd, werken we momenteel verder uit. Dit doen we zoveel mogelijk in samenhang en afstemming met andere opgaven.
Zodra vanuit het Rijk via het Natuurplan - als landelijke uitwerking van de Natuurherstelverordening - meer duidelijkheid komt over het vereiste aantal hectares, de ligging en de beschikbare middelen kunnen we aan de slag met de totale VHR-opgave. Het is logisch om deze opgave te combineren met de Groene Contour-hectares (3.000 hectare, waaronder 500 hectare die qua locatie nog niet beleidsmatig zijn vastgelegd). Daaraan voorafgaand brengen we indicatief in beeld waar de areaaluitbreidingen van de diverse VHR-natuurtypen vanuit ecologische potenties het meest kansrijk zijn (zie de bijlage V Natuurarealen VHR). Dit betekent dat er nog geen belangenafweging heeft plaatsgevonden met eventuele andere toekomstige ruimteclaims. In de wijziging Omgevingsvisie en – verordening 2026 vinden (nog) geen wijzigingen plaats op basis van deze ecologische kansenkaart. Hiervoor is meer tijd nodig.
3.4.5 Essentiële percelen natuur Toelichting (het waarom): Voor het realiseren van onze doelstellingen voor de Natura 2000-gebieden en voor cruciale onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland is het belangrijk op kaart aan te geven welke percelen hiervoor essentieel zijn. Reeds in 2009 zijn daarvoor zogenoemde ‘prioritaire gebieden’ aangewezen. Deze kaart ‘Prioritaire gebieden Natuurnetwerk Nederland’ is nadien meermaals herzien. Ook nu wordt deze kaart herzien op basis van actuele inzichten vanuit onder andere de Natuurdoelanalyses voor de Natura 2000-gebieden. Onze aanpak De herziening gebeurt in twee stappen: 1. In dit UPLG wordt de kaart ‘Essentiële percelen natuur’ opgenomen, 2. Separaat aan het UPLG wordt de kaart ‘Essentiële percelen natuur – schadeloosstelling’ ter vaststelling aan PS aangeboden. Ter toelichting het volgende: 43
Ad 1) Kaart ‘Essentiële percelen natuur’ (zie kaart 8 Essentiële percelen natuur in bijlage XI) Hierop staan de percelen waarvan op basis van ecologische inzichten is bepaald dat deze essentieel zijn voor de realisatie van de Natura 2000-doelstellingen en het Natuurnetwerk Nederland. Dit zijn dus percelen waar functieverandering naar natuur nodig is. Daarbij is kritisch gekeken of percelen noodzakelijkerwijs moeten worden omgevormd naar natuur om de doelen te halen, of dat met andere maatregelen - zoals extensivering of het opzetten van het waterpeil - kan worden volstaan. Ook is afgewogen of de natuur echt essentieel op die plek moet worden gerealiseerd, of dat dit ook op andere naburig gelegen percelen zou kunnen en er dus geen dwingende reden is om precies dat perceel als essentieel aan te wijzen. Als gevolg van deze afwegingen zijn bijvoorbeeld percelen die eerder op de kaart ‘Prioritaire gebieden NNN’ waren vermeld, niet langer als essentieel aangemerkt. Ook zijn op basis van nieuwe ecologische inzichten, onder andere op basis van de natuurdoelanalyses, percelen nu voor het eerst wel als ‘essentieel’ aangemerkt terwijl die voorheen niet op de kaart prioritaire gebieden stonden. Dit zijn deels percelen die nu buiten de NNN - of de Groene Contour - begrenzing vallen.
Deze percelen zullen via de lopende wijziging van de Omgevingsvisie/ Omgevingsverordening aan de Groene Contour worden toegevoegd. Het betreft in totaal ca. 93 ha, waarvan 84 ha bij het Natura 2000gebied Binnenveld. Deze kaart is een weergave van de actuele inzichten. Voor het realiseren van de natuurdoelstellingen is soms nader onderzoek nodig om te bepalen wat in de gebieden precies aan maatregelen noodzakelijk is. Uitkomsten van deze onderzoeken kunnen op enig moment leiden tot evaluatie en actualisatie van deze kaart. In hectares gezien is de kaart essentiële percelen natuur als volgt opgebouwd: In totaal zijn 664 hectare aangewezen als essentiële percelen natuur. Dit aantal kan worden onderverdeeld in percelen die zijn aangewezen 1) binnen Natura 2000-gebieden, 2) in nabijheid van Natura 2000-gebieden ten behoeve van het behalen van de Natura 2000 doelstellingen en 3) ten behoeve van beekherstel en 4) ten behoeve van het NNN (niet zijnde NNN in of ten behoeve van Natura 2000, genoemd onder 1, 2 en 3). 1. In Natura 2000 gebieden is 193 ha aangewezen als essentiële percelen natuur. Hiervan staat 97 ha al op de kaart Prioritaire gebieden NNN. 2. In de nabijheid van Natura 2000 gebieden ten behoeve van het realiseren van de Natura 2000doelstellingen is in totaal 150 ha aangewezen als essentiële percelen natuur. Van die 150 ha ligt 30 ha binnen het NNN en 120 ha erbuiten.
Van die 120 ha buiten het NNN betreft 31 ha Groene Contour. 3. Voor beekherstel is 20 ha aangewezen als essentiële percelen natuur. Hiervan staat 9 ha al op de kaart Prioritaire gebieden NNN. Van de 20 ha ligt 15 ha binnen het NNN en 5 ha erbuiten. Van die 5 ha is 2 ha Groene Contour. 4. Voor het overige deel van het NNN is in totaal 301 ha aangewezen als essentiële percelen natuur. Hiervan staat 101 ha al op de kaart Prioritaire gebieden NNN. Van deze 301 ha ligt 279 ha binnen het NNN en 22 ha buiten het NNN. Van deze 22 ha buiten het NNN betreft 22 ha Groene Contour. De optelsom van 1 t/m 4 laat zien dat in zijn totaliteit 664 ha is aangewezen als essentiële percelen natuur. Hiervan staat 207 ha al op de kaart Prioritaire gebieden NNN. In totaal worden dus 457 ha nieuwe essentiële percelen aangewezen. Van de 664 ha ligt 147 ha buiten het NNN. Hiervan is 55 ha Groene Contour. Onderstaande tabel geeft dit samenvattend weer.
Percelen zijn essentieel… 1. In Natura 2000 2. T.b.v. Natura 2000 3. T.b.v. Beekherstel 4. T.b.v. NNN Totaal
Binnen NNN 193 30 15 279 517
Buiten NNN 120 5 22 147
Waarvan Groene Contour 31 2 22 55
Totaal 193 150 20 301 664
Tabel 3: hectareoverzicht kaart essentiële percelen natuur
Ad 2) Kaart ‘essentiële percelen natuur - schadeloosstelling’:
44
Deze kaart is een deelverzameling van de kaart ‘Essentiële percelen natuur’. Op deze kaart zijn percelen opgenomen waarvoor minnelijke verwerving op basis van volledige schadeloosstelling mogelijk is. In het uiterste geval, indien andere mogelijkheden om de natuurdoelen te realiseren niet haalbaar blijken, zal voor deze percelen het onteigeningsinstrument worden ingezet. Deze kaart wordt niet opgenomen in het UPLG, maar zal separaat ter vaststelling aan PS worden aangeboden.
3.4.6 Kwaliteitsverbetering van bestaande natuur Toelichting (het waarom) Veel natuurgebieden hebben te lijden onder verdroging, verzuring en/of vermesting. Daarom is naast de areaaluitbreiding ook kwaliteitsverbetering van onze reeds bestaande natuur (binnen het Natuurnetwerk Nederland) nodig. Daarmee kunnen we ook een deel van de natuurdoelen realiseren, zoals doelen voor bepaalde VHR-natuurtypen en het doel van revitalisering van bestaand bos uit ons Strategisch Bosbeleid. Het grootste bosareaal van de provincie Utrecht ligt op de Utrechtse Heuvelrug. Deze bossen zijn zeer gevoelig voor stikstof, want een overmaat van stikstofdepositie leidt tot vermesting en verzuring van de bodem. Ook hebben de bossen net als andere natuurgebieden - te lijden onder droogte, inclusief het daarbij behorende grotere risico op onbeheersbare natuurbranden. Onze aanpak Structurerend principe 14: Kwaliteitsverbetering van bestaande natuur. We zetten in op de kwaliteitsverbetering van de natuur in het Natuurnetwerk Nederland. Dit richt zich met name op de kwaliteitsverbetering voor de soorten en habitats van de Vogel- en Habitatrichtlijn en op de revitalisering van bos, met name op de Utrechtse Heuvelrug. Concreet houdt dit het volgende in: ▪ We zetten in op behoud én ontwikkeling van natuur ten behoeve van de VHR-opgave in het bestaande Natuurnetwerk Nederland.
Dan gaat het met name om de natuurtypen riviernatuur, natte natuur en bos (zowel vochtige als droge typen). We werken uit welke plekken in het Natuurnetwerk Nederland potentie hebben om zich tot deze natuurtypen te ontwikkelen en/of hiervoor al voldoende gekwalificeerd zijn (inclusief de benodigde (beheer)maatregelen). ▪ We nemen de maatregelen voor de revitalisering van de bossen met name op de Heuvelrug. We anticiperen hiermee tegelijkertijd op de Europese Natuurherstelverordening. We kijken hierbij goed in hoeverre de revitalisering van bos een bijdrage kan leveren aan meerdere doelen, zoals biodiversiteitsherstel, klimaatadaptatie (bijvoorbeeld het vasthouden van water) en natuurbrandbeheersing, alsmede het tegengaan van klimaatverandering door vastlegging van koolstofdioxide. Zie verder 4.4 en bijlage VI Strategisch Bosbeleid.
3.4.7 Verhogen biodiversiteit in het agrarisch gebied Toelichting (het waarom) Het agrarische landschap is van oudsher van groot belang als leefgebied en foerageergebied van een groot aantal plant- en diersoorten. Dit geldt voor veel vogelsoorten, kleine zoogdieren en ook voor vlinders, bijen en andere bestuivers en insecten. Het vroegere landschap met houtwallen en verschillende soorten bomen werd gekenmerkt door een hoge biodiversiteit. Kruidenrijke veenweidegraslanden waren zeer belangrijk als leefgebied voor weidevogels. Het huidige grootschaliger en intensiever door de landbouw gebruikte landschap heeft habitatverlies voor deze soorten tot gevolg en leidt daarmee tot een achteruitgang van de biodiversiteit. Gelukkig zijn goede stappen gezet op weg naar behoud en herstel van het kleinschalige landschap en de bijbehorende biodiversiteit. Ook de ontwikkeling naar natuurinclusieve landbouw draagt hier in belangrijke mate aan bij. De ontwikkeling is in veel gebieden in gang gezet, maar meer is nodig en ook meer snelheid. Met een goede inrichting en/of beheer kunnen weer kansen ontstaan voor herstel van deze soorten. Dit kan op verschillende manieren: ▪ Via de uitbreiding van groenblauwe dooradering en agroforestry: Voor de groenblauwe dooradering bestaat nog een provinciebrede restopgave van circa 2.700 hectare voor 2030 en circa 5.400 hectare voor 2050. Als 45
▪
onderdeel daarvan geldt vanuit het Strategisch Bosbeleid een specifieke opgave voor 120 hectare kleine bosjes en bomen en 300 hectare agroforestry. Groenblauwe dooradering betreft groenblauwe lijnvormige elementen, die aansluiten bij de karakteristieken van het betreffende landschap. Naast het versterken van de biodiversiteit draagt de uitbreiding van groenblauwe dooradering en agroforestry ook bij aan een gezonde bodem en betere waterkwaliteit, verduurzaming en inkomensverbetering van de landbouw, klimaatadaptatie en de landschappelijke kwaliteit van het landelijk gebied. Via de uitbreiding van het ANLb: Agrarisch natuurbeheer is een belangrijk instrument om de biodiversiteit in het agrarisch gebied te verhogen. Agrarisch natuurbeheer kent een lange traditie in ons land. Boeren zijn van oudsher de beheerders van het Nederlandse cultuurlandschap. Agrarische ondernemers werken door heel het land aan behoud en herstel van natuur en biodiversiteit, meestal verenigd in agrarische collectieven. De belangstelling voor agrarisch natuurbeheer neemt landelijk en provinciaal gezien al jaren toe. Door de demissionaire status van het Kabinet is het in het Regeerakkoord (2024) afgesproken structurele budget voor Agrarisch Natuurbeheer - à 500 miljoen per jaar - onzeker geworden.
Mocht het toekomstige nieuwe kabinet deze lijn van extra middelen voor agrarisch natuurbeheer volgen, dan biedt dat veel kansen. Voor zover nu te beoordelen zal in dat geval voor 2026 ca. €83 miljoen beschikbaar komen voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb), waarvan ca. €6,5 miljoen voor de provincie Utrecht. Dit budget zal dan ieder jaar moeten groeien, zodat het beheer ieder jaar kan worden uitgebreid.
Onze aanpak Structurerend principe 15 (ruimtelijk): Versterken biodiversiteit in agrarisch gebied We zetten in op het verhogen van de biodiversiteit in het agrarisch gebied, onder andere via een substantiële uitbreiding van het areaal waar agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) wordt uitgevoerd. Dit combineren we met de VHR-opgave voor agrarische natuur (weidevogelgraslanden en GBDA). Daarnaast stimuleren we uitbreiding van de groenblauwe dooradering van het landschap en realisatie van agroforestry. Ook de (KRW-)maatregelen voor een betere waterkwaliteit dragen bij aan het verhogen van de biodiversiteit in het agrarisch gebied (zie ook structurerend principe 4). Wat betreft het agrarisch natuurbeheer maken wij maximaal gebruik van de (financiële) mogelijkheden die het Rijk biedt. Wij zetten in onze aanpak in op: ▪ Areaaluitbreiding: We zetten in op een substantiële uitbreiding van het areaal agrarisch gebied waar ANLb wordt uitgevoerd. Ook het areaal agrarisch waterbeheer via het ANLb willen we uitbreiden. Dit geeft ecologische voordelen (een levendige boerensloot) en draagt bij aan de KRW-doelen en aan de doelen voor (groen)blauwe dooradering. Bij het agrarisch waterbeheer streven we naar een ecologisch beheer van sloten en slootranden in combinatie met ecologisch beheer van natuurvriendelijke oevers.
Areaaluitbreidingen zijn onderhevig aan de kaders die het Rijk meegeeft bij het beschikbaar stellen van budget. ▪ Zwaarte weidevogelbeheer: We zetten in op een forse verzwaring van het beheermozaïek in de weidevogelkerngebieden en in de daarbinnen gelegen Aanvalsplan Gruttogebieden. Het Aanvalsplan Grutto biedt de juiste handvatten en richtlijnen om de kwaliteit van het bestaande beheer in deze gebieden te verhogen. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan meer kruidenrijk grasland en het opzetten van het waterpeil (zie kaart 9 Weidevogelgebieden in bijlage XI). ▪ Langjarige contracten: Dit betreft het meer toekomstbestendig maken van de beheerinstrumenten in samenwerking met andere overheden. Wij maken ons sterk voor langjarige borging van beheer en gedeeltelijke herwaardering van gronden met behoud van agrarische functie. Hiermee sluiten we aan op de wens vanuit de gebiedspartners voor langjarige financiële zekerheid en ons uitgangspunt om natuurwaarden in het landelijk gebied structureel te borgen. Als overheden kunnen garanderen dat agrarisch beheer langjarig wordt vergoed, periodiek wordt geïndexeerd en desgevraagd kan worden uitgebreid, kunnen agrariërs hun toekomstplannen hierop inrichten. ▪ Hoogte van de vergoedingen: Knelpunt dat vanuit de sector wordt aangegeven betreft de te lage vergoedingen voor het agrarisch natuurbeheer.
De vergoedingen voor het ANLb worden landelijk vastgesteld en goedgekeurd door de EU. Een verandering ten opzichte van de voorgaande ANLb-periode is dat nu iedere drie jaar een indexering van tarieven plaatsvindt. Daarmee blijven de vergoedingen naar verwachting meer marktconform. Per 2026 zal de eerste indexering plaatsvinden. ▪ Rol agrarische collectieven: In de Rijksplannen wordt ook budget vrijgemaakt voor de ontwikkeling en ondersteuning van de agrarische collectieven. Zij zijn in de afgelopen periode uitgegroeid tot belangrijke partners in het landelijk gebied. Met de geplande uitbreiding wordt de verantwoordelijkheid van de collectieven nog groter. In 2025 is een traject gestart voor doorontwikkeling van deze organisaties. 46
▪
▪
▪
Versterking Groenblauwe Dooradering (GBDA): In de hierboven genoemde Rijksgelden wordt ook budget vrijgemaakt voor de aanleg en het beheer (via ANLb) van landschapselementen. Hierbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld natuurvriendelijke oevers, houtwallen of knotbomen. Daarnaast is hiervoor geld beschikbaar gesteld vanuit de maatregelpakketten. GBDA kan bijdragen aan de connectiviteit in het agrarisch gebied. Samen met ecologische verbindingen en robuuste ecologische structuren moet dat zorgen voor een sterk en robuust natuurnetwerk. Met de partners van het Platform Groenblauwe dooradering werken we aan zowel de inrichting als het beheer van de GBDA. We faciliteren ook samenwerking en kennisuitwisseling op dit thema, onder andere via het Platform Groenblauwe Dooradering, Agroforestry Netwerk Utrecht en het Kennisnetwerk Kleine Landschapselementen. Instrumenten: Ook de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw en de Ecoregeling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid bieden kansen voor het herstel van de biodiversiteit in het agrarisch gebied. Basiskwaliteit Natuur: We willen werken aan de Basiskwaliteit Natuur in het agrarisch gebied. Hiermee wordt een minimumniveau van biodiversiteit in een gebied bedoeld. Dit onderwerp werken we verder uit in het ‘Beleidsprogramma Natuur’ dat parallel aan dit UPLG wordt opgesteld.
3.5 Klimaat 3.5.1 Inleiding Klimaatverandering zet onze manier van leven onder druk. Het leidt tot meer droogte en grotere wateroverlast en tot grotere extremen in de weersomstandigheden (temperatuur, stormen). Dit leidt tot schade aan de natuur en de biodiversiteit, tot schade in de landbouw en het heeft met dit alles dus grote invloed op onze leefomgeving. Daarom brengen wij de uitstoot van broeikasgassen terug (klimaatmitigatie) en bereiden we ons voor op een veranderend klimaat (klimaatadaptatie). Beide onderdelen zijn belangrijke bouwstenen van ons handelen. In het Klimaatakkoord zijn doelen opgenomen voor de vermindering van de CO2-uitstoot uit de veenbodems. De doelen voor Nederland zijn vastgelegd in de Nationale Klimaatwet. In lijn met de Europese Klimaatwet is het doel om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn. Voor 2030 is een tussentijds doel opgenomen van 55% netto emissiereductie ten opzichte van 1990. Omdat het inspelen op klimaatverandering in het landelijk gebied vooral te maken heeft met aanpassingen in het water- en bodemsysteem, hebben we in 3.3.2 hier al veel aandacht aan besteed. Om die reden beperken we ons in deze paragraaf tot klimaatmitigatie. In de kern richt onze aanpak voor het beperken van uitstoot broeikasgassen in het landelijk gebied zich op de volgende drie onderdelen: ▪ Het beperken van CO2eq-uitstoot uit veenbodems.
▪ Het beperken van de broeikasgasuitstoot door de landbouw (onder meer methaanemissie uit veehouderij); ▪ Het vastleggen van CO2 door aanplant van bomen en via vastlegging in landbouwbodems. Bij de het beperken van de CO2-uitstoot uit veenbodems en het beperken van de uitstoot van broeikasgassen door de landbouw nemen we ook het afremmen van de bodemdaling mee, omdat dit ook direct samenhangt met het bodem- en watersysteem in het veenweidengebied. Hoewel het tegengaan van bodemdaling op zich natuurlijk geen klimaatdoelstelling is. Voor een nadere toelichting op het vastleggen van CO2 door de aanplant van bomen verwijzen we naar bijlage VI Strategisch Bosbeleid, voor wat betreft de vastlegging van CO2 in minerale landbouwbodems verwijzen we naar paragraaf 3.3.4.
3.5.2 Uitstoot broeikasgassen uit veenweiden en bodemdaling Toelichting (het waarom) In het Klimaatakkoord is afgesproken dat voor veenweide een nationale reductiedoelstelling geldt van 1 megaton (Mton) CO2-equivalenten. Voor Utrecht betekent dit een provinciale taakstelling van het verminderen van CO 2-eq uit veenweidebodems van 0,09 Mton. Vanwege nieuwe inzichten over de daadwerkelijke uitstoot uit de verschillende veenbodems, is op nationaal niveau door het Rijk samen met de waterschappen en de provincies, een proces gestart van herijking van de doelstelling (zie hoofdstuk 2 en bijlage VIII, veenweiden). Als de doelstelling wordt bijgesteld, heeft dat geen impact op wat daadwerkelijk in de gebieden nodig is. Dit komt omdat zowel de uitstoot als de reductie door maatregelen met elkaar in verhouding blijven en de uitstoot daarmee procentueel net zo effectief te reduceren is. 47
Bodemdaling heeft grote maatschappelijke gevolgen. Het leidt tot schade aan gebouwen en infrastructuur met steeds hogere onderhoudskosten, ook in het landelijk gebied. De soms grote hoogteverschillen in het landschap ontstaan door bodemdaling, maken het voor waterschappen steeds kostbaarder en technisch lastiger om het landgebruik te faciliteren. Ook in het licht van klimaatverandering en zeespiegelstijging is bodemdaling een zorgelijke ontwikkeling. De uitvoering geschiedt in nauwe samenwerking met de waterschappen via gebiedsprocessen. Deze processen zijn jaren geleden gestart en kenden een lange aanlooptijd. Sinds enkele jaren loopt in de provincie bijvoorbeeld al een flink aantal projecten om de grondwaterstanden te verhogen via aanleg van waterinfiltratiesystemen. Daarvan is circa 650 hectare reeds uitgevoerd of in voorbereiding, van de in totaal 21.000 hectare veengebied binnen onze provincie. We werken aan een evaluatie die nog inzichtelijk moet maken of en in hoeverre droogleggingen zijn verkleind. Ondanks dat we als provincie Utrecht landelijk gezien redelijk vooroplopen, is het duidelijk dat een versnelling nodig is om de reductiedoelen voor broeikasgassen in 2030 te kunnen halen. Met de circa 650 hectare hebben we immers pas 2-4% van het Utrechtse veengebied voorzien van maatregelen voor het verhogen van de (grond)waterstanden.
Inmiddels hebben meerdere polders in het veenweidegebied een zomerdrooglegging van 40 cm. Bij het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is dat bijvoorbeeld al 40%). De veenweiden stoten broeikasgassen uit door de ontwatering van het veen ten behoeve van de functie. In de praktijk is dit vaak landbouw. Ook is sprake van bodemdaling in het veenweidegebied die we willen remmen. Bij het opstellen van de Regionale Veenweidestrategie Utrechtse veenweiden (RVS, 2022) was de veronderstelling dat waar de bodemdaling het grootst is, ook de CO2-uitstoot het grootst is. Sinds de Regionale Veenweide Strategie is veel geïnvesteerd in kennis en zijn nieuwe inzichten opgedaan. Het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen in Veenweide (NOBV) is opgericht als kennisconsortium van alle Nederlandse Universiteiten die werken aan de opgave. Het NOBV heeft meetpunten opgezet in veenweidegebieden in heel Nederland en meet de effectiviteit van maatregelen. Dit betekent dat we tegenwoordig beter weten wat de werkelijke uitstoot is van het veenweidegebied. Het rekenmodel SOMERS 2.0 geeft aan wat de uitstoot is per perceel, op basis van bodemsoort en perceelbreedte. Vanuit deze nieuwe inzichten weten we inmiddels dat bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen uit de veenbodems niet lineair samenhangen zoals we dachten.
CO2-uitstoot gaat samen met bodemaling, maar bodemdaling wordt veroorzaakt door nog veel meer mechanismen. Bodemdaling hangt af van de dikte van de veenpakketten: hoe dikker het veenpakket, hoe groter de bodemdaling. De uitstoot van broeikasgassen vindt plaats in de bovenste laag van de bodem ten gevolge van de drooglegging en verdamping. De grondwaterstand is samen met de veensoort bepalend voor de uitstoot. Dit maakt dat gebieden met een grote drooglegging en met dunne veenpakketten soms meer CO2 uitstoten dan gebieden met dikke veenpakketten waar de grondwaterstanden en slootpeilen hoger zijn. Een belangrijk nieuw inzicht dat hierdoor is verkregen, is dat niet alleen de dikke veenpakketten, maar ook de kleidek-op-veenpakketten bijdragen aan CO2 uitstoot. Dit zijn veenbodems met een relatief dun kleidek, tot 40 centimeter dikte en ook hier zijn mogelijkheden om uitstoot van broeikasgassen uit de bodems te verminderen via vernattingsmaatregelen. Zie hiervoor de CO2-kaart (kaart 10 in bijlage XI) en de bodemdalingskaart (kaart 11 in bijlage XI).