CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp-Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026 - 2035

Commissie Ruimte en Economie 9 december 2025, gemeente RhenenBij agendapunt: Achtergrondinformatie Programma Landelijk Gebied54.317 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 7

Provinciebreed gemiddeld 3,0%, ofwel 2800ha. Tussen 2023 en 2025 is de groenblauwe dooradering gegroeid voornamelijk door uitbreiding ANLb, een nieuwe tussenstand volgt begin 2026.

Klimaatmitigatie

2030 (peiljaar 2018)

Er is nog geen significante reductie. Er zijn al wel veel processen in gang gezet, maar ze kosten tijd en daardoor is er nog slechts ca. 650 ha gerealiseerd. Er is nog geen significante reductie. Er zijn al wel veel processen in gang gezet, maar ze kosten tijd en daardoor is er nog slechts ca. 650 ha gerealiseerd. 1405 ha bosaanplant (svz 31-122023)

2030

-

2030 (peiljaar 2021)

-

Reductie uitstoot broeikasgassen uit veenbodems

0,09Mton CO2eq/jr uit veenbodems (of 0,06 Mton na de herijking)

2030 (peiljaar 2018)

Afremmen bodemdaling

De bodemdaling in het landelijk veenweidegebied is met gemiddeld 50% geremd

2050

CO2-opslag CO2-opslag Reductie methaanuitstoot uit veehouderij Landbouw

Voor Utrecht 0,010 Mton CO2eq door 1500ha bosaanplant 0,5 Mton in minerale landbouwbodems (=landelijk doel, er is geen provinciale verdeling) 0,3 Mton (Uit Ontwerp-NPLG, zie Klimaatplan 2025-2035 voor het landelijk doel)

Perspectief voor de landbouw

De tien ambities uit het provinciale Streefbeeld ‘Toekomst Landbouw en Voedsel provincie Utrecht 2050’ (2025)

Verschilt per ambitie

-

Biologische landbouw

15% van het landbouwareaal

2030

8.6% van het landbouwareaal

2030

Ongeveer 30% van de bedrijven neemt deel aan ANLb (svz jan. 2025). De restopgave is daarmee ca 20%.

Natuurinclusieve landbouw

50% van grondgebonden bedrijven

Tabel 2. Overzicht doelen

20

3. Structurerende principes 3.1 Inleiding In het vorige hoofdstuk hebben we de eerste bouwsteen van het UPLG beschreven: een overzicht van de opgaven en doelen die aan de basis staan van dit UPLG. Deze opgaven en doelen vloeien voort uit nationale en internationale wet- en regelgeving of harde bestuurlijke afspraken op het gebied van water en bodem, natuur, klimaat en landbouw. Door te werken aan deze doelen dragen we via het UPLG bij aan de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, een klimaatbestendig water- en bodemsysteem en herstel en uitbreiding van onze natuur en stimuleren we de ontwikkeling naar een duurzame natuurinclusieve landbouw. Dit hoofdstuk beschrijft hoe we nader invulling geven aan deze opgaven en doelen. Dat doen we aan de hand van de vier thema’s van dit UPLG: water en bodem, natuur, klimaat en landbouw. Per thema beschrijven we onze aanpak. De kern van deze aanpak hebben we vastgelegd in zogeheten ‘structurerende principes’. In dit UPLG hanteren we in totaal 17 structurerende principes die bedoeld zijn als een ‘richtingaanwijzer’ bij het betreffende vraagstuk. Waar ze ruimtelijk van aard zijn geven we dat aan. Deze structurerende principes vormen de uitgangspunten die het UPLG hanteert voor de uitvoering van het beleid zoals dat wordt vormgegeven in hoofdstuk 4.

Daarin worden deze structurerende principes per landschap vertaald naar concrete maatregelen. Definitie structurerende principes: Structurerende principes zijn de uitgangspunten die het UPLG meegeeft aan de uitvoering in het landelijk gebied. Ze dienen daarbij als richtingaanwijzer voor de (ruimtelijke) keuzes die op gebiedsniveau worden gemaakt. We beginnen dit hoofdstuk met een toelichting op de eerste drie meer algemene ruimtelijk structurerende principes. Daarna volgen de overige 14 structurerende principes die themagericht zijn: water en bodem, natuur, klimaat en landbouw. Bij alle thema’s hanteren we in dit hoofdstuk de volgende indeling: ▪ Toelichting (het waarom van dit thema) ▪ Onze aanpak (startend met het structurerend principe in een kadertje).

3.2 Drie algemene structurerende principes 3.2.1 Voortbouwen op landschappen en hoofdstructuren Toelichting (het waarom) De provincie Utrecht is zeer gevarieerd met vijf karakteristieke landschappen en diverse hoofdstructuren binnen deze landschappen. Het behouden en versterken hiervan is een belangrijk uitgangspunt voor het Utrechtse ruimtelijke beleid. Mede om die reden zijn deze vijf landschappen een belangrijk vertrekpunt voor dit UPLG. Dit sluit ook goed aan bij het principe van ‘water en bodem sturend’, waarin de (natuurlijke) systemen leidend zijn (systeembenadering). De verschillende landschappen in Utrecht zijn ontstaan vanuit verschillen in het bodem- en watersysteem, waaraan het landgebruik zich heeft aangepast. Het bodem- en watersysteem vormt derhalve de basis voor onze leefomgeving. Het functioneert als één samenhangend systeem. Zie ook de verbeelding van het bodem- en watersysteem van de provincie Utrecht in bijlage VII. Onze aanpak Structurerend principe 1 (ruimtelijk): De landschappen en hoofdstructuren als basis We nemen de vijf Utrechtse landschappen en de door de landschappen lopende hoofdstructuren als basis voor de aanpak in het landelijk gebied. We nemen dus Utrechtse landschappen en de door de landschappen lopende hoofdstructuren als basis voor het realiseren van de UPLG-doelen.

Dit betekent dat we bij het nemen van maatregelen goed in beeld hebben wat de kenmerken en potenties zijn van de het betreffende landschap en het bijbehorende bodem- en watersysteem. In afstemming met de provinciale Omgevingsvisie onderscheiden we de volgende vijf landschappen in de provincie: 1. Groene Hart; 2. Eemland; 21

3. Utrechtse Heuvelrug (inclusief Langbroekerweteringgebied); 4. Kromme Rijngebied en Schalkwijk; 5. Gelderse Vallei. Zie kaart 1 voor de begrenzing van de landschappen in bijlage XI. De hoofdstructuren die door de landschappen lopen, zijn de volgende (zie Bijlage VII voor verdere toelichting): ▪ Het bodem- en watersysteem; ▪ Het samenhangend groot natuursysteem; ▪ De groenblauwe en recreatieve hoofdstructuur; ▪ De cultuurhistorische hoofdstructuur. Deze vier hoofdstructuren zijn de grote dragers van de ruimtelijke variatie en de ruimtelijke kwaliteiten binnen onze provincie en daarmee ook van de toekomstbestendige ontwikkelingsmogelijkheden. We zetten daarom in op behoud en versterking van deze hoofdstructuren. Dit is belangrijk om verschillende redenen. De eerste twee structuren (bodem- en watersysteem, natuur) vormen de basis voor de systeembenadering die wij aanhouden. Immers, herstel van de natuur moet op systeemniveau en in samenhang met het bodem- en watersysteem plaatsvinden. Samen vormen deze twee systemen de basis voor veel van de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. De groenblauwe en recreatieve en cultuurhistorische structuren hebben vaak overlap met de eerste twee en daar waar deze samenkomen vormen ze een krachtige drager voor groenblauwe ontwikkelingen en inrichtingsmaatregelen.

3.2.2 Opgaven combineren Toelichting (het waarom) Het voorgaande hoofdstuk (doelen en opgaven) laat zien dat in het landelijk gebied van onze provincie vanuit de UPLG-opgaven een aanzienlijke ruimtevraag bestaat. Ook vanuit woningbouw, werken en mobiliteit, duurzame energie, recreatie etc. komen ruimtevragen op het landelijk gebied af. Het zijn grote en urgente ruimtevragen en als we ze allemaal naast elkaar zouden leggen, is onze provincie te klein. Daarom is het belangrijk om functies zoveel mogelijk te combineren, zowel bij de beleidsontwikkeling als in de uitvoering. Meervoudig gebruik van de ruimte is om deze reden in dit UPLG een belangrijk uitgangspunt, overeenkomstig de uitgangspunten van de provinciale Omgevingsvisie. Een inschatting van de ruimtevraag voor het landelijk gebied vanuit de UPLG-opgaven is lastig te geven, omdat een simpele optelsom niet volstaat. Waar mogelijk combineren we immers ook de opgaven. De combinatiemogelijkheden verschillen sterk per opgave en zijn vaak ook gebiedsafhankelijk. Het zoeken naar functiecombinaties is een ontwerpopgave waarin in een gebied met alle partijen moet worden gezocht naar de best mogelijke combinatie om de gewenste ruimtevragen zo goed mogelijk te realiseren.

Onze aanpak Structurerend principe 2 (ruimtelijk): Combineren van ruimte vragende opgaven We combineren waar mogelijk ruimte vragende opgaven met elkaar, zowel die vanuit de UPLG-doelen als die vanuit andere ambities en opgaven. We zetten, waar mogelijk, maximaal in op het ruimtelijk slim combineren van functies en opgaven. Onderstaand wordt aan de hand van een aantal voorbeelden geschetst welke functies goed te combineren zijn. Dit is geen volledige lijst van alle mogelijke functiecombinaties, maar een greep uit een aantal voorbeelden. ▪ Combineren binnen natuuropgaven: Hoewel niet alle natuuropgaven met elkaar te combineren zijn, bestaan er goede kansen voor combinatie van de opgaven voor natuurherstel Natura 2000-gebieden, de afronding van het Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour, de realisatie van de Bossenstrategie en het invullen van de VHR-arealen. Voor verdere uitleg zie 3.4.4. ▪ Combineren van landbouw en natuur: landbouw kan goed gecombineerd worden met versterking en uitbreiding van weidevogelgebieden, met agroforestry en groenblauwe dooradering. Uitbreiding van het areaal agrarisch natuurbeheer biedt hiervoor goede mogelijkheden en ook een mogelijk nieuw instrument zoals gedeeltelijke afwaardering. Dit laatste wil zeggen dat in ruil voor langjarige beperkingen in het gebruik van de grond (bijv.

later maaien, minder mest, dulden van hogere grondwaterstand etc.) een deel van de

22

▪

▪

▪ ▪

▪

waarde wordt ‘afgekocht’. De functie van de grond blijft agrarisch, maar met een kwalitatieve verplichting om de gebruiksvoorwaarden te borgen. Combineren van landbouw en energieopwekking: Dit biedt veel kansen, maar is niet overal mogelijk of wenselijk. In RES-verband zijn regionale afspraken gemaakt over de opgaven voor de duurzame opwekking van energie. We zetten ons in op het realiseren van deze opgaven in de daartoe aangewezen zoekgebieden voor zonne-energie, waarbij het de voorkeur heeft om vooral op daken van woningen en bedrijven en op voor de landbouw minder geschikte gronden energie op te wekken. Op basis van bestuurlijke afspraken uit 2023 over de ‘Voorkeursvolgorde zon’ is de inzet om landbouw- en natuurgronden zoveel mogelijk te vrijwaren van zonnepanelen. Hierbij gelden enkele uitzonderingen, zoals de voorwaarden tijdelijkheid en multifunctioneel gebruik. We sluiten zonne-energie op landbouwgronden niet uit als dat nodig is om de RESafspraken na te komen of voor het realiseren van de ambities uit de Energievisie (2024). Duurzame energieopwekking kan bovendien bijdragen aan verdienmodellen van de agrarische ondernemers. De realisatie hiervan is daarom altijd maatwerk per gebied. Combineren van water met andere functies: Ruimte voor water is in veel gevallen goed te combineren met andere functies.

Zo kunnen waterbergingsgebieden periodiek overstromen, maar staat hier het overgrote deel van het jaar geen water in. In het verlengde hiervan is een deel van deze gebieden goed te gebruiken als natuurgebied, grasland, of recreatieterrein. Grondwaterbeschermingsgebieden zijn te combineren met ruimte-extensieve functies, zoals natuur en recreatie. Combineren van de klimaatopgave met natuur en landbouw: Vernatten van veenweidegebieden gaat goed samen met weidevogelgraslanden en moerasnatuur. Combineren van Groen Groeit Mee- en UPLG-opgaven: In de Omgevingsvisie is als ambitie opgenomen om het (recreatie)groen in gelijke tred te ontwikkelen met de verstedelijkingsopgave (rood). Aan de hand van vijf groene waarden geven we hier invulling aan vanuit het Programma Groen Groeit Mee: toegankelijk groen, duurzame (natuurinclusieve kringloop-) landbouw, veerkrachtige natuur, beleefbaar landschap en zichtbaar water. Deze vijf waarden zijn goed te combineren met de UPLG-doelen. We zetten in op het in onderlinge samenhang realiseren van deze opgaven. Combineren van functies met recreatie: Veel functies zijn goed te combineren met recreatie. Denk bijvoorbeeld aan water(berging), energieopwekking, natuur en landbouw.

Bloeidaal en De Schammer Tegen de A28 aan, aan de rand van de steden Amersfoort en Leusden, liggen natuurgebied Bloeidaal en recreatiegebied De Schammer. Deze gebieden zijn in 2010-2011 aangelegd en zijn een schoolvoorbeeld van succesvolle functiecombinaties: natuur, recreatie en waterberging. Met een rijkdom aan bloemen, talloze vogelsoorten, bruisende beken en moeraslanden heeft het gebied natuurwaarden die je niet zou verwachten langs een drukke snelweg. Het is een populaire plek voor inwoners van omliggende gemeenten om te recreëren in het buitengebied. Tegelijkertijd beschermt het de stad tegen het water, dat vanuit vijf beken samenkomt rondom Amersfoort. “Tot aan dit project fungeerde de A28 als een soort van dijk voor de stad, wat geen ideale situatie was,” aldus de toenmalige betrokken medewerker vanuit gemeente Amersfoort. “Met Bloeidaal en De Schammer kregen we er als stad een flink natuur- en recreatiegebied bij, waarin de waterstand kon fluctueren. De afgelopen jaren heeft het terrein door zware regenval al een aantal keren blank gestaan. Ik weet niet wat er gebeurd was als we dit gebied niet hadden aangelegd.”

23

3.2.3 Verbinding tussen stad en land Toelichting (het waarom) In Utrecht liggen stad en platteland altijd dicht bij elkaar. Stad en land zijn daarom onlosmakelijk met elkaar verbonden. In het landelijk gebied rondom steden en dorpen komen opgaven vanuit stedelijk gebied en landelijk gebied samen. Denk aan opgaven voor recreatie, gezonde leefomgeving, natuur in en om de stad, een landbouw die dicht bij de bewoners staat en klimaatadaptatie, gekoppeld aan de opgaven voor wonen, werken en mobiliteit. De relatie stad-land is al langer een beleidsmatig aandachtspunt. Een goed voorbeeld hiervan is ons 'kernrandzonebeleid’ waarmee we al gedurende een flink aantal jaren het versterken van de stad-landverbindingen stimuleren. Onze aanpak Structurerend principe 3 (ruimtelijk): Versterken stad-landrelatie We versterken de verbinding tussen stad en land met focus op groenblauwe en recreatieve verbindingen, klimaatadaptatie, biodiversiteit en regionaal voedsel. ▪

▪

▪

▪

Robuuste structuren: We versterken de scheggen en andere groenblauwe en recreatieve structuren en linten die stad en land letterlijk verbinden, aansluitend bij waterlopen en andere landschappelijke en cultuurhistorische structuren. Dit doen we onder meer via het programma Groen Groeit Mee, onze inzet op groenblauwe dooradering en de aanpak via het programma Biodiversiteit in Stad en Dorp. Voldoende beleefbaar groen: We realiseren beleefbaar en toegankelijk groen door voldoende aanwezigheid van recreatievoorzieningen, zoals wandel- en fietspaden en speelbossen. Uitloopgebieden nabij steden en dorpen helpen de soms te grote recreatiedruk op de Utrechtse Heuvelrug en andere natuurgebieden te verminderen. Landbouw dichtbij: We werken aan een landbouw die dicht bij de bewoners staat, waarbij de agrariërs regionaal voedsel en circulaire bouwmaterialen produceren en via korte ketens vermarkten. Zo draagt de Utrechtse boer bij aan het landschap, gezond voedsel en een duurzame en gezonde leefomgeving en draagt de consument bij aan verdienmogelijkheden voor de agrarische ondernemer. Klimaatadaptatie: In het buitengebied dicht bij de stad realiseren we (zoek)gebieden voor waterberging om bij piekbuien de stad te ontzien en creëren schaduwrijke fiets- en wandelpaden en voldoende waterpartijen vanwege hittestress.

24

3.3 Water en bodem 3.3.1 Kaderrichtlijn Water Toelichting (het waarom) Grond- en oppervlaktewater van goede kwaliteit is belangrijk voor een gezonde leefomgeving voor mens en natuur. Daarom moeten alle EU-lidstaten in 2027 voldoen aan de doelen op het gebied van oppervlaktewater en grondwater vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Het bereiken van de KRW-doelen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van Rijk en regio. Via generiek rijksbeleid en via de maatregelen die zijn opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen zijn al veel maatregelen in gang gezet. De waterbeheerders spelen hierin een belangrijke rol. Maar daarmee worden niet alle doelen gehaald. Dit blijkt onder andere uit het ‘Koepelrapport Tussenevaluatie KRW’ van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (20-12-2024). Hierin staat dat Nederland - en ook de provincie Utrecht - de KRWdoelen om uiteenlopende redenen in 2027 niet gaan halen. De KRW verplicht ons en alle andere overheden om alle instrumenten te overwegen en in te zetten voor het realiseren van de KRW-doelen. Zie Bijlage III waarin de toestand van de Utrechtse waterlichamen (grond- en oppervlaktewater) is aangegeven in relatie tot de KRW-doelen.

Uit landelijk onderzoek en monitoring blijkt dat om de ecologische KRW-doelen te halen met name extra maatregelen nodig zijn op het gebied van nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen en de invasieve exoten als de Amerikaanse rivierkreeft. Vooral in de veenweidegebieden vormen de invasieve exoten een belangrijke belemmering voor herstel van het waterleven. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de KRW-restopgave ten aanzien van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen ligt met het vervallen van het NPLG formeel weer bij het Rijk. Ook voor grootschalig wegvangen van rivierkreeften heeft het Rijk een eerste verantwoordelijkheid. Naast de KRW-waterlichamen voor oppervlaktewater bestaat 90% van het Utrechtse oppervlaktewater uit 'overig water'. Deze niet-KRW-wateren kunnen lokaal van grote ecologische waarde zijn. Veel van deze wateren zijn verbonden met KRW-waterlichamen en beïnvloeden daardoor de kwaliteit. Daarom zijn ook voor deze wateren die maatregelen belangrijk die zowel lokaal als voor het grotere stroomgebied effect hebben (zoals de groenblauwe dooradering). De provincie Utrecht heeft daarom in het Bodem- en Waterprogramma Provincie Utrecht (2022) doelen vastgesteld voor deze wateren gericht op waterplanten. Alleen in het gebied van waterschap Vallei en Veluwe zijn ook doelen benoemd voor macrofauna.

De provincies zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de maatregelen voor de grondwaterlichamen. In alle vier Utrechtse grondwaterlichamen zijn de toetsen op de generieke doelen goed. We voldoen aan de KRW-toets voor de waterbalans, dus onttrekkingen zijn in evenwicht met de aanvulling. Ook voldoen we aan de normen voor chemische stoffen en voor intrusie van zout. Wel meten we op diverse plekken gewasbeschermingsmiddelen in het ondiepe en diepe grondwater, waardoor we op termijn mogelijk niet meer aan de KRW-normen voldoen. Hier ligt een opgave om achteruitgang op de KRW-doelen te voorkomen. Op de regionale/lokale doelen voor beschermde gebieden (grondwaterbeschermingsgebieden, Natura 2000-gebieden) zijn de toetsen minder goed en zijn aanvullende maatregelen nodig. De KRW gaat ook over hydrologisch herstel van Natura 2000-gebieden, over zoetwatervoorziening (balans aanvullen en onttrekken) en over beekdalen. De waterbeheerders zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de maatregelen voor de oppervlaktewaterlichamen. Uit de landelijke Tussenevaluatie KRW blijkt geen enkel van de 60 oppervlaktewaterlichamen in Utrecht aan alle KRW-doelen te voldoen, ondanks dat veel parameters goed scoren. Dit komt door het ‘one out-all out’ principe.

Hoewel het de primaire verantwoordelijkheid voor het nemen van maatregelen bij de waterbeheerders ligt, heeft de provincie hierin ook een rol. Veel van de UPLG-maatregelen dragen immers ook bij aan de KRW-doelen. Daarom streven we naar maximale synergie bij het realiseren van de verschillende opgaven.

25

Onze aanpak Structurerend principe 4: Maximale inzet op KRW-doelen ▪ We zetten ons vanuit het UPLG maximaal in voor de KRW-doelen, onder andere via de reductie van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen en via ecologisch beheer en inrichting van sloten en oevers. ▪ Bij de uitvoering daarvan in de gebieden streven we naar maximale synergie met de KRW-maatregelen zodat de UPLG-maatregelen op gebiedsniveau helpend zijn bij het realiseren van de KRW-doelen. Hiervoor doen we het volgende: ▪ Alles op alles strategie vanuit de KRW-lijnen: De doelstellingen van de KRW zijn zwaarwegend en we werken er samen met de waterschappen met grote urgentie aan. Zowel landelijk als provinciaal volgen we een ‘alles op alles-strategie’ om zo dicht mogelijk bij de urgente KRW-doelstellingen (2027) te komen. Binnen de provincie hebben we hiervoor het ‘Uitvoeringsprogramma Impuls KRW 2025-2027’. In deze impuls-notitie is op een rij gezet welke extra acties en maatregelen nodig zijn en welke provinciale instrumenten we hiervoor gaan inzetten. We onderscheiden 13 aanvullende KRW-maatregelen, onder andere op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen in relatie tot grondwaterbeschermingsgebieden. De Impulsmaatregelen zijn aanvullend op de 19 KRW-maatregelen die al waren opgenomen in het Bodem- en Waterprogramma Provincie Utrecht 2022-2027 en die grotendeels ook al in uitvoering zijn.

Deze aanvullende maatregelen worden onderdeel van de voorgestelde wijzigingen in de Omgevingsverordening 2026. De verplichting van de KRW vervalt niet per eind 2027. Na 2027 is het de belangrijkste opgave om de goede waterkwaliteit structureel te borgen. Met onze gebiedspartners blijven we daarom werken aan de vereisten van de Europese KRW. ▪ UPLG-maatregelen inzetten voor realiseren KRW-doelen: Bij de UPLG-maatregelen houden we goed in beeld dat negatieve effecten op KRW-doelen moeten worden voorkomen. Veel UPLG-maatregelen ondersteunen de realisatie van de KRW-doelen, zoals: 1. Reductie van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen; 2. Ecologisch beheer en inrichting van sloten en oevers; 3. Maatregelen voor herstel hydrologisch systeem Natura 2000-gebieden. Ter toelichting hierop het volgende: Ad 1: Reductie van het gebruik en uit/afspoeling nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen ▪ Utrechtse Monitor duurzame Landbouw (UMDL): De UMDL wordt uitgerold in de melkveehouderij en fruitteelt. De UMDL is een vrijwillig kennis- en monitoringsinstrument ten behoeve van natuurinclusieve kringlooplandbouw. Met behulp van zogenaamde ‘Kritische Prestatie Indicatoren’ kan via doelsturing op bedrijfsniveau integraal worden gewerkt aan verbetering van de water- natuur- en bodemkwaliteit (zie voor verdere toelichting op de UMDL-paragraaf 3.6.3).

▪ Aanscherping beleid gewasbeschermingsmiddelen: Voor de grondwaterbeschermingsgebieden loopt dit via de KRW-impulsmaatregelen (zie hiervoor). Voor de Natura 2000-gebieden loopt dit via het traject van de natuurbeheerplannen (zie 3.4.2). ▪ Gebiedsplannen: We stimuleren ondernemers om op het niveau van de polder of het deelstroomgebied met een gebiedsplan te komen gericht op een integrale aanpak van zowel de waterkwaliteit als -kwantiteit. Dit doen we onder andere via de gebiedsprocessen en middels regelingen, zoals de Gemeenschappelijk Landbouwbeleid-subsidieregeling ‘Gebiedsgerichte Samenwerking’. ▪ Bedrijfsplannen: Door boeren te ondersteunen met bedrijfsplannen op het gebied van water en bodem en op het gebied van ecologisch beheer van sloten, kan maatwerk worden geleverd per bedrijf. Het doel is een gebiedsbrede goede landbouwpraktijk te realiseren, waarbij de uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen minimaal is en alle sloten en oevers ecologisch worden beheerd. ▪ Beekdalen: Hier is vermindering van de uit- en afspoeling van nutriënten zeer belangrijk (zie 4.6). Ad 2: Ecologisch beheer en inrichting van sloten en oevers ▪ Ecologisch beheer en inrichting: We zetten in op ecologisch beheer van sloten en oevers.

Ecologisch beheer bestaat uit het gefaseerd maaien van de waterbodem en oevers zodat hier altijd planten blijven staan voor dieren om te kunnen schuilen. De randen langs de watergang zijn vrij van bemesting en gewasbeschermingsmiddelen en worden later gemaaid of beweid dan de rest van het perceel, waardoor de biodiversiteit groter is en de oevers steviger. Dit is nodig om een soortenrijke en stevige wortelende vegetatie te stimuleren en zo bij te dragen aan de ecologische doelen van de KRW. Ook wordt op deze manier uit- en afspoeling van nutriënten tegengegaan. Dit sluit aan bij de bufferstroken die op basis van het 26

▪

▪

7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn (inclusief Addendum) per 1 maart 2023 verplicht zijn langs alle watergangen. In deze bufferstroken mogen geen mest en bestrijdingsmiddelen gebruikt worden. In het veenweidengebied zijn stevige en begroeide oevers randvoorwaardelijk om afkalving tegen te gaan bij het opzetten van slootpeilen. Voor het stimuleren van ecologisch beheer van sloten en oevers maken we gebruik van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). Ecologisch beheerde sloten en oevers dragen ook bij aan de doelen voor de (groen)blauwe dooradering (zie 3.4.7) Invasieve exoten: De expansieve groei van de invasieve exoten als Amerikaanse rivierkreeft, maar ook bijvoorbeeld Cabomba, Reuzenberenklauw of Ongelijkbladig vederkruid, is een grote bedreiging voor het aquatische ecosysteem in de Nederlandse wateren en daarmee ook voor het halen van de doelen van de KRW. Amerikaanse rivierkreeften komen vooral voor in West-Nederland, maar rukken ook op in OostNederland. De verantwoordelijkheid voor bestrijding ervan ligt in eerste instantie bij het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN). Maar als provincie Utrecht hebben we een eigen programma voor invasieve exoten, waaronder de Amerikaanse rivierkreeft. Vanuit dit programma financieren we onderzoek naar bestrijdings- en beheermethoden.

Ad 3. Maatregelen voor herstel hydrologisch systeem Natura 2000-gebieden ▪ De grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden moeten in 2027 hydrologisch op orde zijn. We zetten hierop in via dit UPLG met de structurerende principes 6 (Grondwatersysteem in balans), 8 (Natuurherstel Natura 2000-gebieden) en 9 (Overgangsgebieden rondom de Natura 2000-gebieden). Verdere uitwerking per Natura 2000-gebied vindt plaats via de lijn van de natuurbeheerplannen die momenteel voor ieder Natura 2000-gebied worden geactualiseerd.

3.3.2 Klimaatbestendig water- en bodemsysteem Toelichting (het waarom) Het veranderende klimaat met extreme weersituaties vraagt om aanpassingen in het watersysteem, grondgebruik en ruimtelijke inrichting. Keuzes zijn nodig voor het realiseren van voldoende water, schoon water, ruimte voor water en een vitale bodem. We zoeken naar manieren om wateroverlast te voorkomen en voldoende water beschikbaar te hebben voor droge tijden. Naast maatregelen in het watersysteem zijn ruimtelijke maatregelen nodig om water vast te houden, te bufferen en te bergen. Onze aanpak Structurerend principe 5 (ruimtelijk): Ruimte voor water We anticiperen op het veranderende klimaat door (boven)regionaal en lokaal meer water vast te houden, te bufferen en te bergen voor tijden van droogte en opvang van piekbuien. We reserveren hiervoor voldoende ruimte en borgen dit in regelgeving en (gebieds)afspraken. We richten ons daarbij op het volgende: ▪ Opvang van piekbuien: Voor het hoofdwatersysteem realiseren we noodoverloopgebieden en piekbergingen in de omgeving van het Amsterdam-Rijnkanaal. Voor het regionale watersysteem benoemen we enkele zoekgebieden voor waterberging. En we werken ernaar toe dat de laagste delen van de polders/afvoergebieden (indicatie: 10-15%) geschikt zijn voor water op maaiveld.

▪ Droogte en waterbeschikbaarheid: We houden meer water vast in de Utrechtse Heuvelrug en de beekdalen. In de lage delen van de provincie verkennen we het verkleinen van de watervraag op watersysteemniveau. Duidelijk is dat de te nemen maatregelen om ruimtelijke keuzes vragen. Vaak gaat het om een vrijwaring van gebieden tegen ontwikkelingen die de waterbergingsfunctie in de weg staan en kan de waterbergingsfunctie met de huidige functie worden gecombineerd. Juist voor dit onderwerp is het van belang om de kennis over de lange termijn te versterken. Immers, op basis hiervan worden de bovenregionale afspraken gemaakt. Daarom sluiten we aan bij studies en scenario’s uit parallelle trajecten in het Deltaprogramma en in de ruimtelijke ordening (Nota Ruimte en NOVEX) waarin de wateropgaven voor 2050 en 2100 in beeld zijn gebracht en een nieuwe landelijke zoetwaterverdeling wordt opgesteld. Concreet zijn het voorkeursscenario van de nieuwe Deltaregio Centraal Holland en het ontwikkelperspectief van de NOVEX-gebieden het meest van belang. Het voorkeursscenario Centraal Holland is in ontwikkeling en behelst een integrale aanpak voor wateroverlast, watertekort en waterveiligheid, zowel in het water- als het ruimtelijke domein. Het ontwikkelperspectief Groene Hart geeft richting aan de toekomst van het Groene Hart en de keuzes 27

die moeten worden gemaakt. Mede op basis van deze lange termijn ontwikkelvisies nemen we op verschillende schaalniveaus (ruimtelijke) maatregelen voor het opvangen van piekbuien en lange perioden van regenval en tegengaan droogte: Waterberging in relatie tot het hoofdwatersysteem (noodoverloopgebieden en piekbergingen): Extra ruimte voor waterberging is nodig voor extreme neerslagsituaties waarbij het hoofdwatersysteem het water niet aan kan, daarop een maalstop wordt doorgevoerd en vervolgens het systeem dreigt te overstromen. Om het stedelijk gebied te ontzien, wordt bekeken of dit kan worden opgevangen door middel van de aanwijzing van grote waterbergingsgebieden in (delen van) polders als piekberging, of als noodoverloopgebied. Het gaat dan om opvang van water in extreme situaties. Dat zijn situaties die slechts incidenteel voorkomen (orde grootte 1/20 jaar- 1x per eeuw). Deze polders behouden dan hun (meestal agrarische) functie, maar wel worden restricties opgelegd ten aanzien van onomkeerbare ruimtelijke ontwikkelingen. Binnen de Deltaregio Centraal Holland zijn meerdere polders onderzocht op de (hydrologische) geschiktheid, waarvan enkele in de provincie Utrecht liggen. De polders die (hydrologisch/ technisch) geschikt zijn, kunnen in de Omgevingsvisie worden opgenomen als zoekgebied.

Of ze echt worden aangewezen, hangt ook af van andere zaken zoals het huidig grondgebruik, kosten en de (technische) maatregelen die hiervoor nodig zijn in het hoofdwatersysteem. Hieraan ligt een integrale (ruimtelijke) analyse ten grondslag. In de tussentijd moet worden voorkomen dat in deze polders niet omkeerbare ontwikkelingen worden gepland die de waterbergingsfunctie in de weg staan. Dit vraagt afstemming en overleg met de waterschappen. Deze polders zijn wat betreft het Utrechtse deel weergegeven op kaart 2 in bijlage XI als zoekgebied voor waterberging in het hoofdwatersysteem vanuit het Deltaprogramma Centraal Holland. Waterberging in het regionale watersysteem: Door de klimaatverandering is extra bergingsruimte nodig om klimaatbestendig te zijn. Voor hevige neerslagsituaties die frequent voorkomen, wijzen we extra waterbergingsruimte aan in de polders en beekdalen, zodat ook in de toekomst wateroverlast beperkt blijft. ▪ In peilgestuurde gebieden zetten we erop in dat de laagste delen van polders/afvoergebieden (indicatie: 1015%) geschikt zijn voor water op maaiveld bij hoge neerslag en dat daar bij nieuwe ontwikkelingen rekening mee wordt gehouden (zie kaart 3 10% laagste delen van de polders). Dit kan bijvoorbeeld door verruiming van het maaiveldcriterium (het deel van het gebied dat niet aan de wateroverlast norm hoeft te voldoen).

Hierover zijn we in gesprek met de waterschappen en andere betrokkenen. Het vraagt wel nog nadere uitwerking. De omvang is mede afhankelijk van lokale situaties, zoals de robuustheid van het watersysteem. ▪ In overleg met de waterschappen definiëren we daarnaast voor de extremere situaties ‘zoekgebieden voor waterberging’ (zie kaart 2 Zoekgebieden waterberging), rekening houdend met de impact op bestaande functies en (kwetsbare) objecten. De zoekgebieden voor waterberging worden onderdeel van de voorgestelde wijzigingen van de Omgevingsvisie (2026). Dit zijn gebieden die vaak met enkele aanpassingen in de inrichting van het watersysteem geschikt kunnen worden gemaakt om bij hevige neerslagsituaties het water tijdelijk vast te houden, bijvoorbeeld om stedelijke gebieden te ontzien. De frequentie van voorkomen is circa eens per 10-50 jaar. Hier zal vaak voortzetting van het reguliere landgebruik mogelijk zijn, met afspraken over nadeelcompensatie. In sommige gevallen kan het gunstig zijn om dit te combineren met andere ruimte vragende opgaven zoals natuur of recreatie. Onderscheid wordt gemaakt in zoekgebieden in poldergebieden en gebieden in de beekdalen (gebied waterschap Vallei en Veluwe) waar sprake is van natuurlijke inundatie bij extreme neerslag en hogere afvoeren. Waterschap Vallei en Veluwe hanteert de term “Beperkingengebied natuurlijke laagte voor deze gebieden”.

Droogte en waterbeschikbaarheid: Met de klimaatverandering krijgen we te maken met toenemende droogte, afnemende water toevoer via de rivieren en meer verdamping. Om toekomstige zoetwatertekorten tegen te gaan, zijn watersysteemmaatregelen nodig, zoals het vasthouden van water. Dit kan de beschikbaarheid vergroten, echter dit zal onvoldoende zijn. De beschikbaarheid van schoon zoet water gaat op termijn (in voorjaar en zomer) afnemen. Daarom zullen we meer weerbaar moeten worden tegen droogte. De kansen daarvoor verschillen sterk tussen de hoge en lage delen van de provincie. We houden daarbij de volgende tweedeling aan: ▪ Hogere delen van de provincie (Heuvelrug, beekdalen): We kiezen ervoor om op de hogere delen van de Utrechtse Heuvelrug meer water in de bodem te laten infiltreren en dit op de flanken beter vast te houden, waardoor we de grondwatervoorraad kunnen vergroten. Dit is belangrijk om de verdroging van de natuur 28

▪

terug te dringen en om tegemoet te komen aan de grotere vraag naar drinkwater. Om tot een robuuste en toekomstbestendige invulling te komen, is aanpassing van het landgebruik soms nodig. We werken hieraan samen met de gebiedspartijen, onder andere via het ambitiedocument ‘Blauwe Agenda’. In de beekdalen gaat het vooral om een tragere afvoer van het water, zoals dat geldt voor de plannen gericht op beekherstel in de Gelderse Vallei (maatregelpakket 6). Wateropgaven zijn hier goed te combineren met de natuuropgaven. Lage delen van de provincie: Uit verschillende studies blijkt dat het grootschalig conserveren van water (dus water vasthouden in daarvoor aangewezen gebieden voor droge tijden) in de lage delen van de provincie lastig realiseerbaar is. Een en ander vraagt zeer veel ruimte die tevens slecht te combineren is met ruimte voor waterberging (bij te veel water). Ook reductie van de watervraag is vaak lastig in de poldergebieden. Dit vanwege de vernatting van de veenweiden die vanuit klimaatdoelstellingen nodig is en hetgeen weer extra watervraag oplevert. De diepe droogmakerijen bieden kansen, omdat dit hotspots zijn wat betreft de watervraag en ontwatering. Voor het drooghouden van deze zeer laaggelegen polders wordt continu veel (zoet) water naar zee afgevoerd.

Daarnaast zorgen de droogmakerijen voor een grote watervraag en bodemdaling/CO2-uitstoot in de omliggende gebieden door de wegzijging van water naar de droogmakerij. Oplossingen zijn - gezien het huidige landgebruik - zeer lastig te vinden. We willen daarom samen met de waterschappen, andere provincies en het Rijk verkennen welke lange termijn oplossingen te vinden zijn om het watersysteem meer duurzaam in te richten.

Lokale aanpak klimaatadaptatie: Ook op lokaal niveau is het nodig te werken aan de gevolgen van het veranderend klimaat. Op lokaal niveau gaat het dan om het opvangen van piekbuien, het tegengaan van droogte en het omgaan met hittestress. De gemeenten spelen hierin een belangrijke rol, in samenwerking met de waterschappen en de grondeigenaren. De provincie heeft op dit lokale niveau vooral een stimulerende rol, door partijen bij elkaar te brengen, gemeenten te voorzien van kennis, goede voorbeelden te delen, of door financiële steun te verlenen. De provincie levert binnen dat kader bijdragen aan diverse stimuleringsregelingen en programma’s. Op landelijk niveau wordt hiervoor ook samengewerkt in het ‘Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw’ en het ‘Actieprogramma klimaatadaptatie van en met natuur’.

3.3.3 Grondwatersysteem in balans Toelichting (het waarom) Veel natuurgebieden hebben last van verdroging omdat ten behoeve van de landbouw de grondwaterstanden in de omgeving laag worden gehouden en er voor verschillende doeleinden water wordt onttrokken aan de bodem. Dit wordt in veengebieden versterkt doordat de lagere grondwaterstanden voor landbouw zorgen voor extra bodemdaling, waardoor de landbouwgebieden steeds verder lager komen te liggen dan natuurgebieden en het lastiger wordt de natuurgebieden nat te houden. Door het veranderende klimaat met grotere weersextremen wordt dit in de toekomst zonder aanvullende maatregelen alleen maar erger. Zie de adviezen van de Ecologische Autoriteit over de Natura 2000-gebieden, waar herstel van het hydrologisch systeem voor veel gebieden als urgent is aangemerkt. Hoewel de Heuvelrug geen Natura 2000-gebied is, heeft het gebied te maken met min of meer dezelfde drukfactoren, onder andere als het gaat om verdroging. Onze aanpak Structurerend principe 6 (ruimtelijk): Grondwatersysteem in balans We brengen het grondwatersysteem in balans. Hierbij geven we voorrang aan herstel van het hydrologisch systeem van de kwetsbare Natura 2000-gebieden en aan het robuust maken van het hydrologisch systeem van de Heuvelrug. We streven naar een duurzame inpassing van bestaande en nieuwe drinkwaterwinningen. ▪

▪

Herstel watersysteem Heuvelrug: Op de hogere delen van de Utrechtse Heuvelrug vergroten we de grondwatervoorraad door meer water in de bodem te laten infiltreren en dit op de flanken beter vast te houden. Herstel hydrologisch systeem Natura 2000-gebieden: Hiervoor zijn de Natuurdoelanalyses en de adviezen van de Ecologische autoriteit zeer bepalend. Dit is maatwerk per Natura 2000-gebied (zie verder 3.4.2 en bijlage IV).

29

▪

▪

▪

▪

Grondwateronttrekkingsplafonds: Grondwateronttrekkingsplafonds geven beperkingen voor de optelsom van grondwateronttrekkingen binnen een bepaald gebied. Voor de gehele provincie geven we invulling aan het onttrekkingenplafond nadat de Handreiking die het Rijk hierover momenteel opstelt, is uitgekomen. Drinkwaterwinningen: We streven naar een duurzame inpassing van drinkwaterwinningen als onderdeel van een robuust en toekomstbestendig watersysteem. Dit betekent optimalisatie van bestaande winningen (afgestemd op de omgeving) en een goede inpassing van nieuwe winningen (op de juiste plek in het watersysteem). De prioritering vanuit de ‘Kamerbrief Water en bodem sturend’ (november 2022) over de drinkwaterwinningen bij ruimtelijke keuzen vormt een belangrijk principe dat we in de provincie Utrecht toepassen. De prioritering is als volgt: ‘Nieuwe drinkwateronttrekkingen worden toegestaan, mits ze duurzaam inpasbaar zijn, ook in relatie tot de verdrogingsproblematiek en het effect op bestaand gebruik.’ Voor de korte termijn krijgt het drinkwaterbelang daar waar nodig en onder strikte voorwaarden prioriteit, vanwege de leveringsplicht van drinkwaterbedrijven en de zorgplicht van overheden. Drinkwaterwinningen In 2024 hebben GS de drie regionale actieplannen ‘Beschikbaarheid drinkwaterbronnen 2030’ vastgesteld (één per drinkwaterbedrijf).

Deze plannen beschrijven de projecten van de drinkwaterbedrijven en de inzet van overheden die op korte termijn nodig zijn om ervoor te zorgen dat in 2030 voldoende drinkwater beschikbaar is. In aanvulling op de actieplannen werken we met alle betrokken partijen aan een Regioplan Drinkwater Utrecht, zowel om de actie te houden op de opgave tot 2030 als om voldoende drinkwater ná 2030 beschikbaar te hebben (inclusief inzet op waterbesparing en aanvullende bronnen zoals oppervlaktewater). De benodigde drinkwatercapaciteit op de middellange termijn (2050-2080) en mogelijke uitbreidingen zijn nog onzeker. Op de kaart D in bijlage III. KRW zijn de beschermingszones voor grondwateronttrekkingen aangegeven op basis van de bestaande en vergunde onttrekkingen voor drinkwater. Momenteel wordt gewerkt aan de voorbereiding van een nieuwe winning bij Schalkwijk en een uitbreiding van een bestaande winning bij Eemdijk. Voor de winning bij Benschop is een beschermingszone aangewezen. Hier wordt gewerkt aan het operationeel maken van deze drinkwaterwinning. Inzetten op waterbesparing: Naast het slimmer/beter inrichten van het watersysteem, is het ook heel belangrijk om op het gebruik van water te besparen. De limieten van het duurzaam gebruik van het grondwatersysteem beginnen namelijk in beeld te komen.

We zetten daarom samen met onze waterpartners in op bewustwording/gedragsverandering en daar waar mogelijk technische, financiële of juridische oplossingen om bij te dragen aan een vermindering van de watervraag aan het systeem.

3.3.4 Vitale bodems Toelichting (het waarom) Een vitale bodem is de basis van een gezond landelijk en stedelijk gebied. Een vitale bodem levert vele (ecosysteem)diensten. Zo zorgt een vitale bodem voor een goede kwaliteit en kwantiteit van de voedselproductie (verhogen bodemvruchtbaarheid), heeft het een zuiverende werking en beschermt het ons drinkwater. Een vitale bodem houdt meer water vast (betere sponswerking) waardoor - in combinatie met een flexibel waterbergend watersysteem - grote hoeveelheden regenwater kunnen worden opgevangen en vastgehouden. Hierdoor is de weerbaarheid tegen de klimaatverandering groter. Ook kan een vitale bodem (meer) koolstof opslaan en zo bijdragen aan het behalen van de klimaatdoelstellingen. Met een vitale bodem is ook de natuur gezonder en weerbaarder en wordt de (bodem)biodiversiteit versterkt. Of een bodem vitaal/gezond is, hangt af van verschillende bodemeigenschappen, zoals de structuur van de bodem, het organisch stofgehalte, de bodemchemie en het bodemleven. Bij gezonde bodems zijn deze fysische, chemische en biologische eigenschappen op orde, zodat zij de diensten kunnen leveren die van belang zijn voor mens en milieu. In de Europese bodemstrategie is de ambitie opgenomen om alle bodems tegen 2050 gezond te hebben.

De Europese bodemmonitoringsrichtlijn sluit hierop aan en heeft tot doel om een kader voor bodemmonitoring voor alle bodems in de EU tot stand te brengen en de bodemgezondheid in de Unie voortdurend te verbeteren. Op Rijksniveau wordt via het Nationaal Programma Landbouwbodems, de Kamerbrief Water en Bodem sturend en het in ontwikkeling zijnde Nationaal Programma Bodem, Ondergrond en Grondwater ingezet op een vitale bodem.

30

Onze aanpak Structurerend principe 7: vitale bodem We sluiten aan bij de Europese bodemmonitoringsrichtlijn en zetten in op een vitalere Utrechtse bodem. Dit doen we door agrarische ondernemers en terreinbeherende organisaties te ondersteunen bij duurzaam bodembeheer en door bodemvitaliteit mee te nemen in de gebiedsprocessen. We zetten in op een vitalere Utrechtse bodem. We doen dit onder andere met behulp van de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw, waarbij door agrariërs onder andere aan een vitalere bodem wordt gewerkt. Verhogen bodem organische stof en vergroten aandeel permanent grasland zijn belangrijke KPI's. Voor landbouw zetten we conform het landelijke beleid in op duurzaam beheerde landbouwbodems in 2030. Hiervoor brengen we de bodemkwaliteit van landbouwbodems in beeld. We werken samen met de waterschappen om ‘Bedrijfsbodem- en waterplannen’ te stimuleren in de landbouw. De grondgebonden Utrechtse landbouwsectoren zijn ook steeds meer gericht op duurzaam bodembeheer, onder andere omdat boeren de klimaatverandering als eerste merken. In en rondom natuurgebieden werken we samen met de terreinbeheerders en de waterschappen aan de verbetering van het watersysteem, zodat basenrijk grondwater of oppervlaktewater de bodem kan bufferen. Het meenemen van bodemvitaliteit in de gebiedsprocessen moet nog verder worden vormgegeven.

Hierbij zijn de landelijke ontwikkelingen richtinggevend.

3.3.5 Beekdalen Toelichting (het waarom) Beekdalen zijn gradiëntrijke landschappen met veel fysieke variatie zoals hoogteverschillen en bodemopbouw. Dit maakt het beekdallandschap uniek en daarmee waardevol voor de natuur. De afgelopen tientallen jaren hebben grootschalige veranderingen in het landgebruik en de waterhuishouding geleid tot een transformatie van het beekdallandschap en veranderingen in het functioneren van de beeksystemen. Daarbij hebben verminderde infiltratie, het versneld afvoeren door kanalisatie, overdimensionering en verstuwing en grondwateronttrekking de beekhydrologie sterk veranderd. Door sterke sturing op het waterpeil behoren beekdalinundaties in de midden- en benedenlopen grotendeels tot het verleden. Deze veranderingen in de hydrologie en de morfologie worden nog eens versterkt door de gevolgen van klimaatverandering: extremere piekafvoeren - met wateroverlast als gevolg en perioden van droogte, met droogvallende beken als gevolg. De zichtbare consequenties van de achteruitgang van het beekdallandschap – wateroverlast en droogvallende beken - maken duidelijk dat herstel op stroomgebiedsniveau noodzakelijk is. Dat wil zeggen water vasthouden, bergen, vertraagd afvoeren en ruimte maken voor de beek.

Ook de opgave ten aanzien van de vermindering van de uit- en afspoeling van nutriënten vraagt om een aanpak op stroomgebiedsniveau, de beken worden namelijk in het bovenstroomse gebied veelal gevoed door grondwater en over de gehele beek met oppervlaktewater uit het haarvatensysteem. De grote knelpunten voor het bereiken van de KRW-doelen zijn - naast nutriënten - te relateren aan de beschikbaarheid en de juiste stroomsnelheid van het water (dus droogval en piekbuien) en beschaduwing van de beek. Hier ligt ook een directe relatie met de watertemperatuur, een knelpunt dat als gevolg van klimaatverandering steeds meer opgang doet. Naast het vasthouden, speelt ook het infiltreren van water in het inzijggebied – dat vervolgens de beken voedt – een aanvullende rol. Het grootschalig herstel van beekdalen levert een bijdrage aan verschillende beleidsopgaven. Behalve voor de natuur-, water en klimaatopgave, levert het een bijdrage aan het verbeteren van de waterkwaliteit en daarmee aan het doelbereik voor de Kaderrichtlijn Water. In het Addendum bij het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn is grootschalig beekherstel expliciet genoemd als kansrijke maatregel en in de RLN-systematiek van het Rijk worden de beekdalen aangemerkt als prioritaire gebieden. De Utrechtse beken liggen allemaal in het oostelijk deel van onze provincie.

Het zijn er zeven: zes daarvan liggen bovenstrooms in Gelderland en benedenstrooms in Utrecht, één beek ligt geheel in Utrecht. Deze beken zijn landschappelijk waardevol, vormen een belangrijk onderdeel van het groenblauwe raamwerk en zijn potentieel van grote betekenis voor natuur en biodiversiteit. Om die reden zijn ze opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland. 31

De beken zijn ook allemaal aangewezen als KRW-waterlichaam. Zie ook kaart 4 voor de ligging van de beken in bijlage XI. Onze aanpak Structurerend principe 8 (ruimtelijk): Integrale aanpak beekdalen We herstellen de beekdalsystemen in het Utrechtse deel van de Gelderse Vallei door het vertragen van de waterafvoer gericht op het verbeteren van de waterbeschikbaarheid en de waterkwaliteit. Dit doen we in samenhang met het realiseren van de natuuropgaven. We nemen daartoe met een integrale aanpak maatregelen in het gehele stroomgebied van de beken en reserveren voldoende ruimte voor de combinatie van opgaven (het gehele afwateringsgebied). Voor de beekherstelopgave werken we samen met Waterschap Vallei en Veluwe en de provincie Gelderland. We hebben de ambitie om alle zeven beken over de gehele lengte zo natuurlijk mogelijk en klimaatbestendig in te richten en zo bij te dragen aan de doelen van de Kaderrichtlijn Water, de natuurdoelen (Natuurnetwerk Nederland, VHR en de aanleg van bos) en klimaatadaptatie. Om wateroverlast (in met name stedelijk gebied) te voorkomen wordt in de beekdalen ruimte voor waterberging gereserveerd. De zoekgebieden hiervoor staan op kaart 2 in bijlage XI aangegeven als “Beperkingengebied natuurlijke laagte”. De verschillende opgaves, zoals het verbeteren van de waterkwaliteit en natuur, zijn (ruimtelijk) goed te combineren.

Een deel van het beekherstel is samen met Waterschap Vallei en Veluwe al in eerdere jaren uitgevoerd. Ongeveer 60% van de beektrajecten is al eerder natuurlijker ingericht. Het werk ‘afmaken’ is nu van belang om de realisatie van de eerdergenoemde doelen dichterbij te brengen. Dit betreft de ongeveer 40% van de beektrajecten waar nog niets is gedaan, alsmede een aantal trajecten waar aanvullende maatregelen nodig zijn. Deze restopgave wordt onder het beleidsregime van een nieuw bekenprogramma uitgevoerd. De komende jaren gaan we aan de slag met deelprojecten die al op de korte termijn te realiseren zijn. De totaalopgave is echter groter en wordt op dit moment door beide provincies en Waterschap Vallei en Veluwe uitgewerkt. Dit moet leiden tot een uitvoeringsstrategie voor de lange termijn, die onder meer gaat landen in het maatregelpakket voor het 4e Stroomgebiedsbeheer-programma, met maatregelen die genomen worden tussen 2028 en 2034.Hierbij hebben we de volgende inhoudelijke aandachtspunten: Herinrichting van het beeksysteem: ▪ Aanpassingen in het profiel en de aanleg van inundatievlakken (overstromingsvlakken), gericht op voldoende stroming over een zo lang mogelijke periode in het jaar. ▪ Hermeandering van rechtgetrokken beektrajecten, gericht op het minder snel afvoeren van water en aanbrengen van meer variatie in de leefgebieden van planten en dieren.

▪ Aanleg beekbegeleidende beplanting en herstel van verbindingen leefgebieden voor planten en dieren. ▪ Ruimte voor waterberging in de beekdalen. Verbetering waterkwaliteit: In het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn van het Rijk wordt de instelling van brede bufferzones van 200 meter in de beekdalen als mogelijke oplossing voor de waterkwaliteitsproblemen genoemd. We denken dat het gewenste effect ook grotendeels bereikt kan worden door de inzet van andere maatregelen. Denk hierbij aan de herinrichting van het beeksysteem en een aanpak gebaseerd op voorlichting richting de grondeigenaren in het gehele stroomgebied. Daarbij hoort een gerichte inzet van relevante instrumenten, zoals agrarisch natuurbeheer met randenbeheer, groenblauwe dooradering, natuurvriendelijk slootkantenbeheer, de Ecoregeling voor agrariërs en de aanleg van nieuwe landschapselementen langs perceelsgrenzen. Het agrarisch collectief kan hierin een belangrijke rol spelen.

32

3.4 Natuur 3.4.1 Inleiding Een rijke natuur, met een grote verscheidenheid aan planten- en dierensoorten, is waardevol op zichzelf. Maar wij mensen hebben de natuur ook nodig. Een gevarieerde en veerkrachtige natuur is van groot belang voor de productie van gezond voedsel, een schone lucht, schoon drinkwater en een prettige leefomgeving. Zo is een diversiteit aan insecten bijvoorbeeld nodig voor de bestuiving van planten in de landbouw. Ook is aangetoond dat veel groen in onze omgeving goed is voor onze gezondheid. De natuur staat door verschillende factoren onder druk, waaronder stikstofuitstoot, versnippering, verdroging, klimaatverandering en ruimtebeslag voor andere functies. Daarom pakken we die drukfactoren voor natuur aan en werken we aan het realiseren van een gevarieerde en veerkrachtige natuur, aan robuuste (natuur)netwerken en verbindingen en aan meer biodiversiteit en natuurinclusieve vormen van landbouw met landschapselementen in agrarische gebieden. Dat laatste is ook belangrijk, want ook de ‘meer algemene’ natuur buiten de beschermde natuurgebieden levert ook een belangrijke bijdrage aan de biodiversiteit.

3.4.2 Natuurherstel in Natura 2000-gebieden Toelichting (het waarom) De Natura 2000-gebieden zijn beschermde gebieden onder de Vogel- en Habitatrichtlijn. Per Natura 2000-gebied zijn door het Rijk instandhoudingsdoelen vastgesteld die bijdragen aan een ‘gunstige staat van instandhouding’ op landelijk niveau voor de aangewezen habitattypen en soorten. De doelen zijn per gebied geformuleerd in termen van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang (populatiegrootte of oppervlakte habitattype of leefgebied van de soort) en “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit (van het habitattype of het leefgebied van de soort). Ook geldt voor deze gebieden een verslechteringsverbod ten opzichte van het moment dat het Natura 2000-gebied door de Europese Commissie is aangewezen. Voor de meeste gebieden was dit in het jaar 2000 (Vogelrichtlijn) of 2004 (Habitatrichtlijn). In Utrecht hebben we negen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Daarnaast is er het nietstikstofgevoelige Natura 2000-gebied Eemmeer en Gooimeer Zuidoever. Vijf Natura 2000-gebieden zijn de provinciegrens overschrijdend. Voor alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in Nederland worden periodiek natuurdoelanalyses (NDA’s) opgesteld. Deze beoordelen de huidige toestand van het Natura 2000-gebied en of maatregelen nodig zijn om de natuur te behouden en daar waar nodig te verbeteren.

Ze geven aan wat de belangrijkste drukfactoren zijn voor het niet behalen van de instandhoudingsdoelen en wat nodig is om de effecten daarvan te beperken. De NDA’s zijn beoordeeld door de Ecologische Autoriteit, een onafhankelijke instantie die door het Rijk in het leven is geroepen om gezaghebbende uitspraken te doen op het gebied van aantasting en herstel van natuur. Hiermee vormen NDA’s een belangrijk monitoringsinstrument. De Ecologische Autoriteit heeft nagegaan of de meest recente NDA’s de benodigde ecologische informatie bevatten. Zij heeft gekeken of de conclusies die in de meest recente NDA’s worden getrokken, te begrijpen zijn en met de juiste wetenschappelijke informatie zijn onderbouwd. Als kennis ontbreekt in de NDA - bijvoorbeeld omdat gegevens nog niet beschikbaar of verouderd zijn - heeft de Ecologische Autoriteit bekeken of dan op de juiste manier met deze onzekerheden is omgegaan en hoe deze kennis alsnog kan worden opgehaald. De EA heeft een aantal kennisleemten in de NDA’s geconstateerd. Daarom is op basis van hun adviezen een lijst aan onderzoeksmaatregelen opgesteld. Uit dit onderzoek kunnen nieuwe maatregelen volgen. Tegelijkertijd geeft de EA nadrukkelijk aan dat de momenteel beschikbare gegevens voldoende richting geven voor het uitwerken van maatregelen die urgent moeten worden uitgevoerd.

In de NDA's en de beoordeling door de Ecologische Autoriteit is vastgesteld dat voor een aantal beschermde soorten en habitats een verslechtering heeft plaatsgevonden danwel niet kan worden uitgesloten. Daarmee is Nederland als lidstaat, en GS als bevoegd gezag, in overtreding. De NDA’s en adviezen van de Ecologische Autoriteit beschrijven een totaalpakket aan maatregelen die, op basis van de meest recente wetenschappelijke inzichten, veelal op korte termijn moeten worden genomen om de natuur te herstellen en bij te dragen aan het bereiken van de Gunstige Staat van Instandhouding van de beschermde habitats en soorten. 33

Een belangrijke algemene conclusie van de Ecologische Autoriteit is dat in de meeste gevallen systeemherstel nodig is. Dit betekent dat ook maatregelen buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden moeten worden uitgevoerd. Hierbij gaat het vooral om reductie van de stikstofemissie, aanpassing van de waterhuishouding en het vergroten en verbinden van habitats en leefgebieden. Wat betreft stikstofdepositie wordt bij vrijwel alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden momenteel de Kritische Depositiewaarde overschreden. Met name in de Natura 2000-gebieden met habitattypen veenmosrietlanden en blauwgraslanden is de huidige stikstofdepositie tot tweemaal hoger dan de Kritische Depositiewaarde. Onze aanpak Structurerend principe 9: Natuurherstel Natura 2000-gebieden We nemen passende maatregelen om (verdere) verslechtering van de Natura 2000-gebieden te voorkomen en waar nodig herstel van de beschermde soorten en habitats te realiseren. De Natuurdoelanalyses (NDA’s) en de beoordeling daarvan door de Ecologische Autoriteit zijn zwaarwegend en kaderstellend voor de te nemen maatregelen, zowel binnen als buiten de Natura 2000-gebieden. Om verdere verslechtering van de Natura 2000-gebieden te voorkomen, geven we zo spoedig mogelijk uitvoering aan de zwaarwegende adviezen van de Ecologische Autoriteit op basis van de NDA’s (zie bijlage IV voor een samenvatting van de NDA’s).

Op hoofdlijnen gaat het nemen van herstelmaatregelen in en rondom de Natura 2000-gebieden om: optimaliseren van het beheer, herstel van het hydrologische systeem, reductie van stikstofdepositie, uitbreiden van het natuurareaal, het realiseren van ecologische verbindingen tussen natuurgebieden en het bestrijden van invasieve exoten. Een aantal maatregelen in de NDA’s en de adviezen van de Ecologische Autoriteit is op hoofdlijnen verwoord, of betreffen onderzoeksvragen op basis waarvan de te nemen maatregelen worden bepaald. Ook werken we ons kennis- en monitoringsprogramma verder uit. De herstelmaatregelen borgen we in beheerplannen: voor vijf Natura 2000-gebieden zijn we als provincie Utrecht voortouwnemer. De voortouwnemer is het bevoegd gezag dat over het algemeen het grootste deel van het Natura 2000-gebied vertegenwoordigt. De voortouwnemer is verantwoordelijk voor het hele proces om tot een beheerplan te komen, inclusief aanspreekpunt voor de buitenwereld. De verantwoordelijkheid voor de andere vijf Natura 2000-gebieden - die slechts gedeeltelijk binnen onze provincie liggen - ligt bij onze buurprovincies. Uiteraard dragen we in die situaties wel bij aan de (inhoudelijke) keuzes die in het Natura 2000-beheerplan worden gemaakt. De beheerplannen worden in overleg met onze gebiedspartners en de betrokken grondeigenaren opgesteld.

Daarbij hanteren we een integrale aanpak, zodat ook andere opgaven waar mogelijk worden meegenomen. De Rijksmiddelen vanuit UPLG-Maatregelpakket 4 (overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden) en Programma Natuur-fase 2 vormen de financiële onderlegger voor de verdere uitwerking. In heel Nederland, waaronder provincie Utrecht geldt een vergunningplicht voor het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen voor bedrijven in en rondom Natura 2000-gebieden. Belangrijk daarbij is dat significante nadelige effecten op de Natura 2000-gebieden moeten worden uitgesloten. Begin dit jaar is er een rechterlijke uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2025:1428) die aangeeft dat geen uitzondering wordt gemaakt op deze ‘strenge’ juridische norm. In veel van de Natura 2000-beheerplannen in onze provincie bestaat nu nog een vrijstelling voor het gebruik van dergelijke middelen. Momenteel zijn wij bezig de vijf Natura 2000-beheerplannen, waar we als provincie Utrecht voortouwnemer van zijn, te actualiseren. De verwachting is dat de vrijstelling niet kan worden voortgezet, omdat negatieve effecten op voorhand niet kunnen worden uitgesloten. In het kader van de actualisatie van de natuurbeheerplannen hebben wij overleg met de betreffende bedrijven.

Ook brengen wij het vervallen van vrijstellingen in bij de actualisatie van de beheerplannen van de andere Natura 2000-gebieden, waar onze buurprovincies voortouwnemer van zijn. We brengen schadelijke effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op Natura 2000-gebieden in beeld. Samen met de telers werken we, in lijn met het coalitieakkoord en het beleid van de KRW-impuls, naar uitfasering van het gebruik van die schadelijke middelen. Daarnaast zetten we in op een helder landelijk beleid betreffende (de toelating van) gewasbeschermingsmiddelen. 34

De Utrechtse Heuvelrug met uitgestrekte bossen, heidevelden en schraallanden is geen Natura 2000-gebied, maar wel onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland en daarmee voor onze provincie als natuurgebied van groot belang. Omdat het geen Natura 2000-gebied is, is voor dit gebied geen NDA gemaakt. We hebben als provincie wel aanwijzingen dat de natuurkwaliteiten op de Heuvelrug onder grote druk staan door verdroging, versnippering, stikstofoverlast en recreatie. Daarom wordt voor de Heuvelrug nu een met een NDA te vergelijken onderzoek uitgevoerd om de natuurkwaliteiten en de drukfactoren goed in beeld te krijgen (zie ook 4.4.5). Structurerend principe 10 (ruimtelijk): Overgangsgebieden rondom de Natura 2000-gebieden Wij realiseren overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden, waarbinnen we (systeem)maatregelen nemen om in de Natura 2000-gebieden te komen tot natuurherstel. Hiertoe treffen we maatregelen met betrekking tot hydrologie, connectiviteit, nieuw natuurareaal en stikstofreductie. Het landgebruik in de omgeving van Natura 2000-gebieden is vaak een belangrijk knelpunt om in voldoende mate te kunnen borgen dat zicht blijft bestaan op het behalen van de instandhoudingsdoelen van de relevante habitats en doelsoorten in deze gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16361482/1