Bijlage 4 Toelichting en regels bestemmingsplan Achterberg West fase 2
Tekst van het document
Ambitie: Waterberging op de berg Een waterrobuustsysteem is een systeem dat een bui van 74 mm per uur kan verwerken zonder dat er wateroverlast ontstaat in woningen en bedrijfspanden op of onderaan de berg. Overtollig hemelwater wordt eerst benut, voordat het wordt afgevoerd. Het systeem onder de grond, alsook boven de grond, is hierop berekend. Er is sprake van het volledig benutten van de berg om regenwater vast te houden, als alle mogelijkheden worden gebruikt om regenwater te infiltreren, te bergen en vast te houden. Dit geldt voor zowel openbaar terrein als particulier terrein. Toets Binnen het plan is voldoende aandacht voor ruimtelijke adaptie. In het plan speelt groen in combinatie met water en los van elkaar een belangrijke rol. In het genoemde Landschapsplan is de groenstructuur van het plan te weergegeven. Daarnaast is er een beplantingsplan opgesteld voor het plangebied, zie Bijlage 5. In dit plan is aangegeven welke bomen, heesters, hagen en gevelgroen is voorzien. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin het beplantingsplan wordt geborgd. Het hemelwater wordt zo veel mogelijk geïnfiltreerd, opgevangen in wadi's en bij grote hoeveelheden water, ook wateroverloopmogelijkheden gecreëerd. In Bijlage 10 is de watertoets opgenomen waarin wordt aangegeven hoe in de wateropvang wordt voorzien.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
27
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.
4.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld. Toets Op basis van dit bestemmingsplan wordt een woonwijk met 111 woningen mogelijk gemaakt. Er is geen sprake van een activiteit die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig is.
Voor deze ontwikkeling kan aansluiting worden gezocht bij 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Er geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht bij: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden, waar het onderhavige project ruimschoots onder blijft. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Per 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie nodig wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMER-plichtig zijn). Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf, dus ook bij de ontwikkeling van onderhavig plan. Voor onderhavige ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r. opgesteld. De aanmeldnotitie m.e.r. is als Bijlage 1 van dit bestemmingsplan opgenomen.
Gelet op de uitkomsten van deze aanmeldnotitie, waaruit blijkt dat er als gevolg van het bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden is het niet noodzakelijk om een milieueffectrapport op te stellen. Al met al kan geconcludeerd worden dat het plan geen negatieve effecten heeft op het milieu en dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
28
4.2
Milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.
Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering Toets Momenteel bestaat het plangebied voornamelijk uit agrarische gronden. In de omgeving van het plangebied zijn verschillende functies aanwezig. Ten noorden van het plangebied bevinden zich agrarische bedrijven. Verder is er een bedrijfsbestemming en gemengde bestemming rond het plangebied. Ten noordoosten bevindt zich de supermarkt Plus. Ten zuidoosten van het plangebied is een woonzorglocatie te vinden. Met het voorliggende plan wordt een woonwijk gerealiseerd met enkel woningen. Echter kan gelet op de verschillende bestaande functies aan de rand van het plangebied en de ligging nabij de ontsluitingswegen en de N322 en spoorlijn gesteld worden dat er sprake is van een 'gemengd gebied'. Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar gezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate worden aangetast. Het voorliggende plan maakt de functie 'wonen' mogelijk. Dit
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
29
betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het leefklimaat van omwonenden. Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Of anderzijds, als de nieuwe functie de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven belemmert. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een gebouw met de supermarkt Plus en overige kleine bedrijfsmatige functies, zoals een verloskundigenpraktijk. Voor deze functies geldt de milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 meter in een gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Aan de woonzorglocatie ten zuidoosten van het plangebied kan de milieucategorie 1 toegekend worden. Ook hier geldt een richtafstand van 0 meter in een gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Aan de noordzijde van de Cuneraweg liggen een aantal agrarische bedrijven. Het belangrijkste hinderaspect voor een agrarisch bedrijf (veehouderij) is geur. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op het aspect geur. Belangrijkste conclusie is dat middels afwijkende geurregels omliggende veehouderijen niet onredelijk belemmerd worden. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied is aanvaardbaar. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de omliggende bedrijven niet extra belemmerd worden in de bedrijfsvoering.
Het aspect milieuzonering veroorzaakt geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.3
Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen; ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Het betreft de afstand die wordt gemeten tussen het emissiepunt tot het geurgevoelige object. Daarnaast geldt er voor alle stallen een minimale afstand de buitenzijde van de gevel van een dierenverblijf van 50 en 25 meter respectievelijk binnen en buiten de bebouwde kom.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. Toets Woningen zijn geurgevoelige objecten, waardoor getoetst moet worden aan het aspect geur. Het plangebied is nu onderdeel van het buitengebied, echter door ontwikkeling van een woonwijk met per saldo 108 woningen, verandert dit type naar 'bebouwde kom'. Dat betekent dat er een afstand van 100 meter geldt. De woningen die ten zuiden van de Cuneraweg liggen en min of meer onderdeel worden van de nieuwe woonwijk gaan dan ook toebehoren tot de bebouwde kom. Binnen een straal van 100 meter liggen een viertal agrarische bedrijven, te weten aan de Cuneraweg 150, Cuneraweg 166, Cuneraweg 168 en Lijnweg 21: Cuneraweg 150: Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf, aan de Cuneraweg 150, bevindt zich op een afstand van ca. 40 meter van de nieuwe woningen. De stallen, waar eventueel
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
30
vee gehouden kan worden, bevinden zich op een afstand van ca. 60 m van de beoogde nieuwe woningen. Conform de vergunning mogen bij dit agrarisch bedrijf 6 schapen, 18 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, 2 fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar, 32 vleeskalveren tot circa 8 maanden, 4 geiten ouder dan 1 jaar en 130 legkippen worden gehouden; Cuneraweg 166: aan de Cuneraweg 166 is een agrarisch bedrijf gevestigd. Conform vergunning mogen hier 140 vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 tot 24 maanden en 140 vleeskalveren tot circa 8 maanden gehouden. De onderlinge afstand tot het plangebied bedraagt circa 50 meter; Cuneraweg 168: Ook aan de Cuneraweg 168 bevindt zich een agrarisch bedrijf (veehouderij). Conform de vergunning mogen hier 1.100 geiten ouder dan 1 jaar, 300 opfokgeiten van 61 dagen tot en met één jaar en 200 opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen gehouden worden. De onderlinge afstand tot het plangebied bedraagt circa 54 meter. Ook hier geldt dat de stallen op grotere afstand (ca. 75 m) liggen en dat er reeds woningen aanwezig zijn op een kortere afstand; Lijnweg 21: aan de Lijnweg 21 ligt een agrarisch bedrijf. Conform de vergunning mag hier het volgende gehouden worden: 30 schapen, 45 geiten ouder dan 1 jaar, 10 opfokgeiten 61 dagen tot en met 1 jaar, 10 opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen, 10 legkippen.
40 konijnen, 4 volwassen pony’s, 4 pony’s in opfok. De onderlinge afstand bedraagt circa 52 meter. Doordat de afstand van 100 meter niet wordt gehaald, en omdat de geurnorm vanwege de geurbelasting van enkele veehouderijen wordt overschreden, worden de agrarische bedrijven aan de Cuneraweg 150, Cuneraweg 166, Cuneraweg 168, Cuneraweg 174 en Lijnweg 21 mogelijk beperkt door het voorgenomen plan. Een gemeente kan afwijkende geurnormen hanteren binnen bepaalde grenzen en een geurverordening vaststellen. Rhenen is een concentratiegebied. De gemeente Rhenen beschikt niet over een geurverordening en daarmee gelden de volgende normen: 1. 3,0 OUE/m3 op een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (voor dieren met geuremissiefactor); 2. 14,0 OUE/m3 op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom (voor dieren met geuremissiefactor); 3. 100 meter vanaf een emissiepunt tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (voor dieren zonder geuremissiefactor); 4. 50 meter vanaf een emissiepunt tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom (voor dieren zonder geuremissiefactor); 5. 50 meter vanaf een gevel van een dierenverblijf tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (voor alle dieren); 6. 25 meter vanaf een gevel van een dierenverblijf tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom (voor alle dieren).
Voor deze planontwikkeling is een Geurgebiedsvisie vastgesteld (De Roever Omgevingsadvies, d.d. 1 november 2024 ref. 20230839.v03). Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 2. In de geurgebiedsvisie wordt onderzoek gedaan naar de (mogelijke) gevolgen van de standaard geurnormen en afstandseisen die in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) zijn opgenomen en de wenselijkheid om lokaal geldende geurnormen en afstanden vast te stellen. Met de huidige geurnormen en afstandseisen uit de Wgv, kunnen ruimtelijke ontwikkelingen belemmerd of onmogelijk worden gemaakt door de aanwezigheid van veehouderijen in de omgeving. Daarnaast kunnen ruimtelijke ontwikkelingen of bestaande geurgevoelige objecten een belemmering vormen voor veehouderijen. In de visie is de geurbeoordeling opgenomen waarin de afstanden zijn geanalyseerd en de voorgrondbelasting en de achtergrondbelasting zijn berekend. Voorgrondbelasting In paragraaf 4.1 van de rapportage is toegelicht dat ter plaatse van het plangebied niet wordt voldaan aan de geurnorm van 3 ouE/m3. De voorgrondbelasting bedraagt maximaal 7,5 ouE/m3 door toedoen van de vergunde situatie veehouderij aan Cuneraweg 168. Hierbij merkt het adviesbureau op dat de op 20 april 2023 aangevraagde situatie leidt tot een hoogst berekende voorgrondbelasting ter plaatse van het plangebied van 3,5 ouE/m3.
De voorgrondbelasting bedraagt maximaal 7,5 ouE/m3 door toedoen van de vergunde situatie veehouderij aan Cuneraweg 166. Door toedoen van overige veehouderijen is de voorgrondbelasting ter plaatse van het plangebied lager (ook in de berekende worst-case situaties).
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
31
In paragraaf 3.5 van de toelichting is toegelicht dat de Wgv de mogelijkheid biedt de geurnorm aan te passen naar ten hoogste 14 ouE/m3. Dat niet wordt voldaan aan de geurnorm van 3 ouE/m3 houdt ook niet per definitie in dat geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wanneer de gemeente Rhenen besluit om ter plaatse van het plangebied de geurnorm van 3 ouE/m3 voor geurgevoelige objecten in een bebouwde kom aan te passen naar 7,5 ouE/m3 worden veehouderijen niet in de belangen geschaad. Uit tabel 2 in paragraaf 3.5 van de rapportage blijkt dat bij deze voorgrondbelasting sprake is van een ‘matig’ woon- en leefklimaat. Het woon- en leefklimaat is dan minder dan het ‘goed’ woon- en leefklimaat dat op basis van de eigenlijke geurnorm van 3 ouE/m3 aanvaardbaar wordt geacht.
De gemeente Rhenen kan overwegen het ‘matig’ woon- en leefklimaat aanvaardbaar te achten, waarbij het de volgende redenen kan betrekken: het plangebied vormt een overgangsgebied van de dorpskern van Achterberg naar het omliggende agrarische gebied; het ‘matig’ woon- en leefklimaat doet zich alleen voor aan de noordzijde van het plangebied, op de meest noordelijke rand van de beoogde bouwvlakken (punt WB03), op andere plaatsen is sprake van een beter woon- en leefklimaat; ten aanzien van de afstandseisen is sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat; ten aanzien van de achtergrondbelasting is sprake van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat; een waarde van 7,5 ouE/m3 past binnen de bandbreedte die de Wgv biedt bij het vaststellen van een aangepaste geurnorm; de toekomstige bewoners kunnen de geursituatie meewegen in hun overweging zich ter plaatse te vestigen. Het aanpassen van de geurnorm leidt ook niet tot een beperking of verruiming van de mogelijkheden van de veehouderijen, omdat bestaande geurgevoelige objecten daarvoor maatgevend zijn. In paragraaf 4.2 van de rapportage is reeds beoordeeld dat veehouderijen niet in de belangen worden geschaad. Achtergrondbelasting De hoogst berekende achtergrondbelasting bedraagt 12,3 ouE/m3.
Uit tabel 2 in paragraaf 3.5 van de rapportage blijkt dat bij deze achtergrondbelasting sprake is van een ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat. Het woon- en leefklimaat is dan minder dan het ‘goed’ woon- en leefklimaat dat op basis van de eigenlijke geurnorm van 3 ouE/m3 aanvaardbaar wordt geacht, maar beter dan het ‘matig’ woon- en leefklimaat dat op grond van de voorgestelde geurnorm van 7,5 ouE/m3 aanvaardbaar wordt geacht. Als vuistregel geldt dat de achtergrondbelasting maatgevend is wanneer deze meer dan het dubbele bedraagt van de voorgrondbelasting. Dat is hier niet het geval. De voorgrondbelasting is maatgevend voor het woon- en leefklimaat. De gemeente Rhenen kan overwegen het ‘redelijk goed’ woon- en leefklimaat aanvaardbaar te achten, waarbij het de redenen zoals genoemd in paragraaf 4.4.2 van de rapportage kan betrekken. Verordening geurhinder en veehouderij Rhenen 2024 De raad van de gemeente Rhenen heeft in de vergadering van 10 december 2024 de Verordening geurhinder en veehouderij Rhenen 2024 vastgesteld. In deze verordening wordt de geurnorm voor het gehele plangebied vastgesteld op 7,5 ouE/m3. Voor gevoelige objecten binnen de bebouwde kom wordt in deze verordening een afstandseis van 50 meter bepaald.
Met het vaststellen van de verordening is daarnaast voor de woningen aan de noordzijde van de Cuneraweg, de even nummers 138 tot en met 178 met de tussenliggende open ruimtes, een afstandseis van 50 meter en een geurnorm van 14 ouE/m3 vastgesteld, voor zover er sprake is zijn van ligging in de bebouwde kom. Dit is gedaan omdat in de toekomst twijfel kan ontstaan of deze woningen ook tot de bebouwde kom gaan behoren. Dat kan zijn als door toekomstige ontwikkelingen een op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing ontstaat, die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur. Om zekerheid te bieden dat hierdoor de veehouderijen niet in de belangen worden geschaad is ervoor gekozen om voor deze woningen het huidige beschermingsniveau vast te leggen in de geurverordening. Op deze manier geldt voor de genoemde woningen de huidige afstandseis van 50 meter en geurnorm van 14 ouE/m3 , ongeacht de ligging binnen of buiten de bebouwde kom. Omdat het beschermingsniveau gelijk blijft aan het huidige beschermingsniveau kan het woon- en leefklimaat aanvaardbaar worden geacht. Conclusie
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
32
De ontwikkeling van Achterberg-West past binnen de afwijkende geurregels, zoals deze zijn vastgelegd in de Verordening geurhinder en veehouderij Rhenen 2024. Hiermee worden omliggende veehouderijen niet in hun belangen geschaad en is het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied aanvaardbaar.
4.4
Gezondheid
De aanwezigheid van een intensieve veehouderij kan invloed hebben op de gezondheid van omwonenden. Uit het onderzoek Veehouderij Gezondheid Omwonenden (VGO) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gebleken dat longontsteking vaker voorkomt bij mensen die in veedicht gebied wonen. Een deel van de longontstekingen is geassocieerd met het wonen in de buurt van een geitenhouderij. De oorzaak is niet duidelijk. Met andere woorden: er is wetenschappelijk geen causaal verband aangetoond tussen een hogere incidentie van longontstekingen en geitenhouderijen in de omgeving. Bij de bespreking van jurisprudentie komen wij terug op de VGO-onderzoeken en het oordeel van de hoogste bestuursrechter. Eind oktober 2020 kwam de GGD met de richtlijn 'Veehouderij en gezondheid'. De richtlijn gebruikt de GGD bij de advisering over ruimtelijke plannen. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De eerste is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2 kilometer). Gevoelige bestemmingen zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen. Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen.
De GGD-richtlijn betreft een niet-dwingende aanbeveling en deze bevat geen harde normen. De richtlijn heeft geen bindende status. De GGD heeft niet willen uitsluiten dat er nieuwe woningen komen in de omgeving van geitenhouderijen. De GGD adviseert doorgaans aan gemeenten om in hun besluitvorming het risico van longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Volgens de GGD is het risico op longontsteking het hoogst binnen een straal van 500 meter. Buiten die straal loopt het verhoogde risico af. Nu het causale verband tussen longontstekingen en geitenhouderijen niet is aangetoond, ontbreekt het inzicht in effectieve bronmaatregelen om gezondheidsrisico's te voorkomen. Jurisprudentie m.b.t. gezondheidsrisico's Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) zijn aspecten van volksgezondheid, zoals de mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven, een belang dat de raad moet meewegen bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de AbRS van 19 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT8561) en 10 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3335). Uit de jurisprudentie volgt verder dat de beoordeling van de aanvaardbaarheid van een gezondheidsrisico, primair een bestuurlijke taak is. In de uitspraak d.d.
14 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2442) overwoog de AbRS: 'Vanwege (onzekere) risico's kan uit voorzorg al dan niet worden besloten om maatregelen te nemen. Het beoordelen van een voor de maatschappij al dan niet aanvaardbaar risico in dit verband is echter primair een bestuurlijke taak.' Toets De GGDrU heeft op 21 oktober 2022 haar advies uitgebracht over woningbouw in Achterberg. De GGD adviseert de gemeente Rhenen om in de besluitvorming het risico op longontsteking zorgvuldig mee te wegen. Hierin weegt de zeer beperkte afstand van de beoogde woningbouwontwikkeling (53 - 450 m) mee, alsook het aantal huishoudens en bewoners dat de ongeveer 100 woonbestemmingen zal betrekken. Met dit advies beoogt de GGD geen nieuwe of hogere gezondheidsrisco's te laten ontstaan totdat er meer duidelijkheid is over de te nemen maatregelen om dit risico te beperken. De raad heeft zich rekenschap gegeven van de inzichten op het gebied van gezondheid en veehouderijen. Daarbij heeft de raad ook vastgesteld dat er op dit moment geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten zijn over de oorzaak van gezondheidsrisico's voor omwonenden van veehouderijen/geitenhouderijen. Er is weliswaar een verhoogde kans op longontsteking bij mensen die woonachtig zijn in de omgeving van geitenhouderijen, maar er bestaat nog geen duidelijkheid over de oorzaak daarvan.
Verder heeft de raad vastgesteld dat bij de verspreiding van fijnstof (inclusief endotoxinen,
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
33
ammoniak en micro-organismen) en geur de windrichting een belangrijke rol speelt. In Nederland komt de wind vaak uit het zuidwesten. Met zuidwestenwind gaat de verspreiding van de emissies van de veehouderij/geitenhouderij niet richting de nieuwe woonwijk Achterberg west, maar juist de andere kant op. Er is in de gemeente Rhenen een zwaarwegende, maatschappelijke en urgente behoefte aan nieuwe woningen. Woningbouwlocaties, zeker van een omvang van rond de 100 woningen, zijn in de gemeente Rhenen zeer beperkt aanwezig. Verder is de agrarische sector in Rhenen een van oudsher belangrijke sector. Rhenen is een veedicht gebied. Gelet daarop is het feitelijk onmogelijk om bij nieuwe woningbouw steeds de meeste strenge voorzorgsrichtlijnen in acht te nemen. Om de hiervoor genoemde redenen heeft de raad besloten dat het urgente maatschappelijke belang van nieuwe woningbouw op deze locatie voorrang dient te krijgen, ondanks de aanwezigheid van de nabijgelegen veehouderijen en geitenhouderij. Daarbij hecht de raad eraan dat de bewoners van de nieuwe woonwijk te informeren over de nabijheid van deze bedrijven, zodat toekomstige bewoners een bewuste keuze maken voor hun mogelijke nieuwe woning. Alles afwegend besluit de raad dat de woningbouwontwikkeling in Achterberg West past binnen een goede ruimtelijke ordening.
4.5
Bodem
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen. Toets Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek volgens NEN 5740 en NEN 5707 om ter plaatse de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen (dd. 27 oktober 2022, De Klinker B.V., K21005981.2, zie Bijlage 6).
Bij het verkennende bodemonderzoek is de onderzoekslocatie beschouwd als onverdacht. In totaal zijn er in het plangebied 54 boringen, 6 peilbuizen en 4 asbestgaten verricht. Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: De bodem op de locatie bevat plaatselijk in de bovengrond sporen baksteen; In de bovengrond zijn plaatselijk licht verhoogde gehalten minerale olie, PAK (10 van VROM), kwik, DDD (som) en lood aangetroffen; In de ondergrond is plaatselijk een licht verhoogd gehalte PAK (10 van VROM) aangetroffen. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetroffen; In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten barium, koper en molybdeen aangetroffen; Zowel visueel als analytisch is er geen asbest aangetroffen ter plaatse van de druppelzone; Bij het aanvullend onderzoek naar de toplaag, zijn geen verhoogde gehalten OCB aangetroffen; De hypothese dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. Het plangebied is wat groter dan het plangebied van het bodemonderzoek. Bepaalde bouwpercelen aan de zuidelijke zijde zijn niet (volledig) meegenomen in het onderzoek. Echter gezien de resultaten van het bodemonderzoek, geeft dit onderzoek een representatief beeld voor het volledige plangebied en daarmee afdoende voor het bestemmingsplan.
Ten behoeve van de omgevingsvergunning is aanvullend onderzoek vereist voor de niet onderzichte percelen.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
34
Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik (wonen met tuin). Voor het aspect 'bodem' blijft met onderhavig plan sprake van een goede ruimtelijke ordening.
4.6
Geluid
In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: Woningen. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal). Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies. Toets Wegverkeerslawaai Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van: a. in stedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; b.
in buitenstedelijk gebied: voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter; voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. Deze zonering geldt niet: c. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied; d. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt; e. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh). Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de N233, op ten minste 72 m uit de wegas. De woningen op de locatie staan tevens op ten minste 8 m van de Cuneraweg. De Cuneraweg is een 30 km-weg zonder geluidzone. Om de geluidsbelasting te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Adviesbureau van der Boom BV,d.d. 16 september 2024 nr. 22-027, zie Bijlage 7). De geluidbelasting door wegverkeer op de N233 bedraagt ten hoogste 49 dB na aftrek van 2 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt in één rekenpunt overschreden (rekenpunt 78). De maximale hogere waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Maatregelen aan de bron zijn financieel niet haalbaar of niet haalbaar gezien het karakter van de weg.
Maatregelen in de overdracht zijn stedenbouwkundig niet haalbaar. Voor de gevel in rekenpunt 78 (zie tabel III.2 van de rapportage) dient een hogere waarde van 49 dB te worden aangevraagd voor geluid door wegverkeer op de N233. De overige gevels van de woning zijn geluidluw voor wegverkeer. Bestaande woningen Voor de geluidbelasting door wegverkeer op de bestaande woningen is een aanvullende notitie op het genoemde akoestische onderzoek gemaakt, zie Bijlage 8. In deze notitie is in aanvulling daarop berekend wat het effect is van de verkeersaantrekkende werking van de nieuwbouw op de geluidbelasting van de maatgevende bestaande woningen in de omgeving van de ontwikkeling. Berekend is het verschil in geluidbelasting in de huidige situatie en in de situatie na het realiseren van de nieuwbouw.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
35
Uit de berekeningen blijkt dat het verschil in geluidbelasting in de overige rekenpunten hooguit 1,3 dB bedraagt. De toename van de geluidbelasting op de gevels van de woningen is geheel een gevolg van de toenemende verkeersintensiteit op de Cuneraweg. Dit is een 30 km weg zonder geluidzone. De geluidbelasting door 30 km wegen wordt niet getoetst aan de Wgh. Wel wordt de geluidbelasting getoetst aan een goed woon- en leefklimaat. Railverkeerslawaai
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
36
De locatie ligt binnen de geluidzone van de spoorlijn, op ten minste 32 m uit het spoor. Om die reden is met het akoestisch onderzoek tevens de geluidbelasting vanwege railverkeer bepaald. Om de geluidsbelasting te bepalen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Adviesbureau van der Boom BV, d.d. 16 september 2024 nr. 22-027, zie Bijlage 7). De geluidbelasting door railverkeer op de ontwikkeling bedraagt ten hoogste 62 dB. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt in 21 rekenpunten overschreden. De maximale hogere waarde van 68 dB wordt niet overschreden. Er zijn hogere waarden voor railverkeer op deze locatie nodig. Maatregelen aan de bron zijn financieel niet haalbaar. Maatregelen in de overdracht zijn stedenbouwkundig niet haalbaar. Er dient voor de gevels van woningen met een geluidbelasting van meer dan 55 dB een hogere waarde te worden aangevraagd conform tabel IV.1 van de rapportage. De oostgevels van alle woningen zijn geluidluw voor railverkeer. Berekend is de gecumuleerde geluidbelasting in rekenpunt 78 met een relevante blootstelling voor beide geluidbronnen (hoger dan de voorkeursgrenswaarde). In de overige rekenpunten is of de geluidbelasting door wegverkeer of door railverkeer relevant. De geluidbelasting door railverkeer is in het hoogst geluidbelaste rekenpunt 78 hoger dan die door wegverkeer.
De hoogste gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 62 dB en is daarmee gelijk aan de geluidbelasting door railverkeer. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex. artikel 110-g Wgh. De woningen ondervinden een geluidbelasting van ten hoogste 62 dB door railverkeer en van 56 dB zonder aftrek door wegverkeer. Voor gevels met deze geluidbelasting bedraagt de benodigde karakteristieke geluidwering ten hoogste GA;k 29 dB door railverkeer conform tabel IV.1 van de rapportage en van 23 dB door wegverkeer conform tabel III.4 van de rapportage. Voor de gevel met zowel een geluidbelasting door wegverkeer als door railverkeer kan worden uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting zoals bepaald in tabel V.1. De benodigde karakteristieke geluidwering bedraagt in dit rekenpunt ten hoogste GA;k 29 dB bij een gecumuleerde geluidbelasting van 62 dB. Industrielawaai Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een geluidgezoneerd industrie- of bedrijventerrein. Akoestisch onderzoek naar industrielawaai is derhalve niet noodzakelijk. Gecumuleerde geluidbelasting De geluidbelasting door railverkeer is in het hoogst geluidbelaste rekenpunt (rekenpunt 78) hoger dan die door wegverkeer. De hoogste gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 62 dB en is daarmee gelijk aan de geluidbelasting door railverkeer.
Conclusie Gelet op het vorenstaande kan gesteld worden dat het aspect geluid geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. Wel dient er voor verschillende woningen een hogere waarde vastgesteld te worden.
4.7
Luchtkwaliteit
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
37
In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Toets Het voorliggende initiatief maakt in totaal (per saldo) 108 nieuwe woningen mogelijk.
Dit aantal ligt ruim onder de 1.500 woningen, waardoor het een project betreft die niet in betekenende mate (NIBM) bedraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op afgerond maximaal 778 per dag gesteld worden. De berekening van het aantal verkeersbewegingen is in paragraaf 4.14 weergegeven. Hierbij wordt in de woonwijk uitgegaan van 2% vrachtverkeer, wat uitkomt op ca. 15/16 vrachtwagens per dag. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven.
Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl) Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Naast het feit de gekeken wordt of door het plan de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' verslechtert, is van belang of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. De huidige luchtkwaliteit moet voldoen aan de jaarlijkse grenswaarde. In figuur 4.3 is een uitsnede te zien van de kaart die de luchtkwaliteit van de fijnstof PM2,5. Voor de luchtkwaliteit zijn er advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en wettelijke Europese grenswaarden. In dit figuur zijn de advieswaarden vanuit de WHO
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
38
aangegeven.
Figuur 4.3: Fijnstof PM2,5 (bronr: Atlas voor de Leefomgeving) Voor het plangebied geldt een waarde van 9,1 microgram/m³ voor fijnstof . De WHO-advieswaarde is maximaal 5 microgram/m³. De nationale wettelijke waarde voor het jaargemiddelde is maximaal 25 microgram/m³ en de Europese indicatieve grenswaarde is 20. De aanwezige waarde voldoet aan de wettelijke waarde en aan de Europese grenswaarde.
Figuur 4.4: Fijnstof PM10 (bron: Atlas voor de leefomgeving) De waarde voor fijnstof PM10 ligt in het plangebied op 16 microgram/m³. De WHO-advieswaarde is maximaal 15 microgram/m³. De wettelijke EU-grenswaarde ligt op 40 microgram/m³. De aanwezige waarde voldoet aan de landelijke en EU-norm. De verwachting is dat de lucht in de toekomst schoner wordt, mede door electrificering van gemotoriseerd verkeer. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. In de nabije omgeving van het plangebied bevindt zich een geitenhouderij, aan de
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
39
Cuneraweg. Met betrekking tot geitenhouderijen en woning zijn onderzoeken gedaan, maar zijn er geen concrete toetsingskaders of rekenmodellen die gehanteerd kunnen worden. De geitenhouderij ligt op korte afstand, maar er zijn reeds bestaande woningen die zich ook in de nabijheid bevinden. De planontwikkeling is voor de geitenhouderij niet meer beperkend dan de huidige planologische situatie. Het plangebied bevindt zich aan de zuidoostzijde van het bedrijf. Met een overheersende windrichting van zuidwest in Nederland, is de windrichting gunstig voor woonklimaat in het plangebied. Voor de agrarische bedrijven geldt dat ze op basis van hun omgevingsvergunning aan strenge eisen moeten voldoen. Daarnaast is de keuze van de bewoners van het plangebied een bewuste keuze voor deze locatie waar zich bestaande bedrijven in de omgeving bevinden. Aan de zuidwestzijde van het plangebied ligt de N233, een provinciale weg met een verkeersintensiteit van meer dan 10.000 mvt/etmaal. De GGD-richtlijn adviseert niet binnen 50 meter van deze weg woningen te realiseren. De bouwvlakken bevinden zich buiten de 50 meter-grens, een aantal tuinen niet. Dit is geen wettelijke belemmering. De verwachting is dat het woon- en leefklimaat in het plangebied acceptabel is en daarmee de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor deze planontwikkeling.
4.8
Trilling
Voor het beoordeling van het trillingniveau zijn er geen wettelijke normen. Wel is er voor het beoordelen van het trillingniveau door de Stichting Bouwresearch een richtlijn (SBR Richtlijn) opgesteld. Door middel van een onderzoek kan het trillingsniveau op een locatie bepaald worden. Toets Het plangebied is gelegen op een afstand van ca. 55 m van het spoor tussen Veenendaal en Rhenen en ligt daarmee voor een deel binnen het standaard aandachtsgebied waar conform de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie van I& W van mei 2019 nader onderzoek naar trillinghinder wenselijk is. Voor het beoogde initiatief is een dergelijk onderzoek uitgevoerd (Peutz, H 8383-4-RA d.d. 3 september 2024; Bijlage 9). Op basis van de verrichte metingen kan worden geconcludeerd dat aan de in het kader van trillinghinder in woningen na te streven waarden zoals aangegeven in de Richtlijn deel B “Hinder voor personen in gebouwen door trillingen, Meet- en beoordelingsrichtlijn” van de Stichting Bouwresearch (SBR) van augustus 2006 zal worden voldaan waarmee qua trillingen sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.9
Niet Gesprongen Explosieven (NGE)
Op verschillende plekken in Nederland zijn als gevolg van de Tweede Wereldoorlog explosieven en munitie achtergebleven en niet tot ontploffing gebracht. Voor de veiligheid dienen deze niet gesprongen explosieven te worden opgespoord en opgeruimd. Over de verantwoordelijkheid van de overheid en gemeenten is wettelijk niets vastgelegd, anders dan de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor de veiligheid in de gemeente. In Rhenen is in de Tweede Wereldoorlog flink gevochten, ook zijn er bombardementen uitgevoerd. In de praktijk is gebleken dat circa 10% van de in WO II afgeworpen bommen niet is geëxplodeerd en in de bodem is achtergebleven als blindganger. Voor Rhenen centrum is onlangs in kaart gebracht welke gebieden als mogelijk verdacht op de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven kunnen worden gezien. Dat betekent dat er op die plekken tijdens graaf- of bouwwerkzaamheden een verhoogd risico is op het aantreffen van explosieven. Grondlagen die na de oorlog zijn bewerkt worden als niet verdacht gezien. Toets De gemeente Rhenen heeft op 28 juni 2016 de 'beleidsregels niet gesprongen explosieven (NGE)' vastgesteld. Daarnaast is er een CE-bodembelastingkaart aanwezig. In figuur 4.5 is een uitsnede van de kaart weergegeven. Het plangebied is in zwart aangegeven.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
40
Figuur 4.5: CE-Bodembelastingkaart (bron: Explosive Clearance Group (ECG)) De verdachte locaties zijn in het rood en roze op de kaart aangeduid. Binnen het plangebied zijn op de kaart geen verdachte locaties aangeduid. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan een verdacht gebied. Een verder onderzoek naar niet gesprongen explosieven is derhalve niet nodig. Mochten er toch grondwerkzaamheden gaan plaatsvinden in het verdachte gebied dan is een vervolgonderzoek voor detectie- en benaderingsonderzoek conform het Certificatieschema voor het Opsporen van Ontplofbare Oorlogsresten nodig. Bij toevalsvondsten dient gehandeld te worden volgens "Protocol Toevalsvondst'. Niet gesprongen explosieven vormen geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.
4.10
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Naast de bovengenoemde wetgeving zijn tevens de volgende AMvB's, Ministeriële Regelingen en/of circulaires van toepassing op de externe veiligheid: Activiteitenbesluit milieubeheer.
In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten opgenomen. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm. Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations. De circulaire is van toepassing bij een besluit ten aanzien van een LPG-tankstation onder werking van het Bevi, dat het mogelijk maakt dat er (meer) personen in de omgeving van een
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
41
LPG-tankstation aanwezig kunnen zijn. De effecten van bepaalde ongevalsscenario's staan centraal. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Beleidsregels EV-beoordeling tracébesluiten. Deze beleidsregels geven een overzicht van de over de weg vervoerde gevaarlijke stoffen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico. Toets Risicokaart Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
42
Figuur 4.6: Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl) Op deze risicokaart is niet weergegeven dat er transport gevaarlijke stoffen is toegestaan over de N233. Vanwege deze transportmogelijkheid is een rapportage opgesteld om inzicht te geven in de externe veiligheidsrisico's, zie: Bijlage 11 Notitie Externe Veiligheid Achterberg West, d.d. 2 augustus 2024). Uit dit onderzoek komt het volgende naar voren. De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Plaatsgebonden risico Er is geen sprake van een PR 10-6 contour rond de N233. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plangebied. Groepsrisico In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico gelijk aan 0.002 keer de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico is daarmee lager dan 10% van de oriëntatiewaarde en neemt niet toe. Dit betekent dat conform het Bevt in de toelichting bij het bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning alleen ingegaan dient te worden op (Bevt art. 7): 1. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die transportroute, en 2.
Voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die transportroute een ramp voordoet. Het bestuur van de veiligheidsregio dient in de gelegenheid gesteld te worden om hierover advies uit te brengen. De Vru is in gelegenheid gesteld en hun advies is overgenomen. Beschouwing scenario's Op de N233 kan een incident plaatsvinden met gevaarlijke stoffen met zowel een brand- als explosiescenario. Een dergelijk ongeval kan tot op grote afstand slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Hieronder worden de mogelijke effecten, afhankelijke van de aard van de stoffen en de omstandigheden, beschreven.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
43
Effect scenario Fakkelbrand: een fakkelbrand wordt veroorzaakt doordat na een botsing een afsluiter afbreekt van de tankwagen. Hierdoor stroomt LPG uit en ontsteekt direct. Er ontstaat een fakkel die blijft branden tot de tank leeg is of wordt afgesloten. Het effect van een fakkelbrand is warmtestraling. Dit effect kan tot op 110 meter slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Tot 135 meter is sprake van een warmtestraling van 4 kW/m2. Daarin kunnen personen eerstegraads brandwonden oplopen BLEVE: er zijn twee vormen van een BLEVE1. Namelijk een koude BLEVE wat wordt veroorzaakt door een externe beschadiging met een directe explosie tot gevolg en een Warme BLEVE welke veroorzaakt wordt door aanstraling van een met gas gevulde tankwagen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tank. Er ontstaat in beide gevallen krachtige explosie gevolgd door een drukgolf en een vuurbal. De effecten van een BLEVE zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Een warme BLEVE kan tot 380 meter slachtoffers veroorzaken. In voorliggende situatie is het spoortalud dat tussen bron en plangebied ligt nog van invloed op deze afstand. Rampenbestrijding Bij rampenbestrijding gaat het zowel om de voorbereiding op de bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval, als om het beperken van de gevolgen van een ongeval.
Om de gevolgen zoveel mogelijk te beperken, is het van belang dat de hulpverleningsdiensten niet worden belemmerd in de uitvoering van hun hulpverlenende taken Bluswatervoorziening en bereikbaarheid Voor een adequate hulpverlening door de brandweer is het van belang dat voldoende bluswater aanwezig is bij de activiteit met gevaarlijke stoffen en het plangebied. Onvoldoende geschikte waterbronnen in het plangebied en nabij de risicobron kunnen resulteren in vertragingen bij het opzetten van effectieve (brand)bestrijding. Voor de ontwikkeling van deze nieuwe woonwijk wordt geadviseerd om te investeren in primair bluswater (minimaal 30m3/uur voor grondgebonden woningen). Voor de objecten met woonzorg dient primair bluswater met een vermogen van 60m3/uur gerealiseerd te worden. Bluswatervoorzieningen zullen meegenomen worden bij de inrichting van het nieuwe openbaar gebied binnen het plangebied. Gemeente beoordeeld het inrichtingsplan van de ontwikkeling voor realisatie en kan hierin adviezen van de brandweer meenemen en afstemming zoeken met het team Operationele Voorbereiding bij de Veiligheidsregio. Tevens is het van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van de te bouwen woningen en de incidentlocatie is hierbij van essentieel belang.
Hierin is het van belang dat de wegen een onbelemmerde doorgang bieden. Bij de doorontwikkeling van het inrichtingsplan zal voor de nieuwe wegen in het plangebied het hoofdstuk 4 'Bereikbaarheid' uit de Handleiding Bluswater en Bereikbaarheid geraadpleegd worden. Bij de hooiberg op het Erf van Lienden zal rekening worden gehouden met de bereikbaarheid van een redvoertuig. Het aanrijden van een redvoertuig via de N233 zal gezien de beperkte hoogte van de tunnels ter plaatse van de 1e Poort en Achter de Lijn niet mogelijk zijn. De hooiberg moet daarom bereikbaar via een route vanaf de Cuneraweg. Zelfredzaamheid Kijkend naar de functie in het plangebied, kunnen niet alle aanwezigen als zelfredzaam worden beschouwd. In plangebied 3 (Erf van Lienden) worden verschillende woningen voor ouderen en bewoners met zorgbehoefte ontwikkeld. Om deze reden wordt een deel van de inwoners van het plangebied beperkt zelfredzaam geacht. Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het effectgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen, indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt. Belangrijk aspect hierbij is, dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen. Snel reageren is bevorderlijk.
Onderstaand worden de handelingsperspectieven van de maatgevende scenario's toegelicht. Mogelijkheden ten aanzien van een BLEVE Vanwege de korte ontstekingstijd tijd zijn de maatregelen voor een koude BLEVE op korte afstand van de bron beperkt. Om die reden is het van belang om aandacht te schenken aan bouwkundige en/of installatietechnische maatregelen. Gezien de ontwikkeltijd zijn er geen
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
44
specifieke handelingsperspectieven mogelijk. In het geval van een dreigende warme BLEVE is het advies zo snel mogelijk van de bron vandaan te vluchten. De verzamelplaats dient dan als een schuilplaats als mensen binnen in het gebouw niet meer voldoende beschermd zijn tegen het scenario. Voor alle woonerven in het plangebied geldt dat er mogelijkheden zijn om te voet van de bron af te vluchten richting de Cuneraweg en naar het parkeerterrein achter de supermarkt dat op 300 meter van de N233 ligt. Mogelijkheden ten aanzien van een fakkelbrand Afhankelijk van de situatie en de inrichting van de omgeving kan het handelingsperspectief verschillen. Een van de handelingsperspectieven is binnen blijven en schuilen (sluiten van binnendeuren vertraagt de uitbreiding van een eventuele brand). Maatregelen In gebouwen zijn mensen deels beschermd tegen het scenario BLEVE, maar tot op 90 meter afstand kunnen er, mede door de drukgolf die ontstaat, ook binnenshuis nog personen overlijden. Hoewel het plangebied op circa 40 meter van de N233 ligt, liggen slechts 3 vrijstaande woning binnen het plangebied binnen een afstand van 90 meter. Vanwege de korte ontstekingstijd zijn de maatregelen voor een koude BLEVE op korte afstand van de bron beperkt.
Voor deze woningen kunnen wel bouwkundige en/of installatietechnische maatregelen getroffen worden, zoals de positionering van de gebouwen zodat de bewoners van de risicobron af kunnen vluchten en het verminderen van glas aan de zijde van de risicobron. Gezien dat een deel van de doelgroep op het Erf van Lienden niet zelfredzaam is, komt bij een incident veel verantwoordelijkheid bij de bedrijfshulpverlening te liggen. De zorginstelling die de zorg vanuit het bestaande naastgelegen woonzorggebouw verleend heeft, vanwege de ligging van het woonzorggebouw nabij de N233, reeds een BHV organisatie staan die geoefend is met de ongevalsscenario's die hen bedreigen middels een bedrijfsnoodplan. In het bedrijfsnoodplan dient ook een strategie voor eventueel zorgbehoevende en minder zelfredzame personen op het Erf van Lienden opgenomen te worden. Tot slot moeten een aantal zaken aangaande risicocommunicatie in het plangebied geregeld worden. Voor een snelle en effectieve waarschuwing tijdens een ongeval met gevaarlijke stoffen is het van belang dat een waarschuwingssysteem de mensen in het effectgebied kan bereiken. Om die reden dienst zorggedragen te worden voor een goede dekking van de WAS-palen en/of NL-alert.