Bijlage 4 Toelichting en regels bestemmingsplan Achterberg West fase 2
Tekst van het document
Om te zorgen dat de personen in het getroffen of bedreigde gebied beter op de hoogte zijn van de mogelijkheden om zich in veiligheid te stellen is een goede risicocommunicatie van belang. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.
4.11
Water
Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet.
Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
45
bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties. Beleid Waterschap Vallei en Veluwe In november 2021 heeft het Waterschap Vallei en Veluwe het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) vastgesteld. De doelen van het BOP zijn gecategoriseerd in vijf onderwerpen: Waterveiligheid; Werken aan de bescherming van de inwoners en van het gebied tegen overstromingen. Bij het op orde houden en brengen van de waterkeringen wordt rekening gehouden met andere functies en waarden op en aan de dijk, zoals natuur en biodiveriteit, ruimtelijke kwaliteit en recreatie. Er wordt samengewerkt met inwoners en gebiedspartners. Watersysteem; Het waterschap werkt aan toekomstbestendig en klmaatrobuus grond- en oppervlaktwatersysteem dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Meer focus op ecologie en waterkwaliteit, en is zich bewust van de eindige maakbaarheid en toenemend belang van bewustwording en acceptatie bij gebiedspartners. Wonen en zuiveren; In stedelijk gebied wordt water zoveel mogelijk vastgehouden en infiltreren het in de bodem door meer groen en water in de stad.
De klimaatadaptatie bevordert de biodiversiteit en draagt bij aan het waterbewustzijn en het verhogen van de leefbaarheid. In samenwerkingsverbanden met gemeenten wordt gewerkt aan uitvoeren van klimaatadaptieve maatregelen en het verbeteren van het huidige watersysteem en rioolsysteem. Circulaire Economie; Het Waterschap wil in 2050 volledig circulair zijn en dragen daarin actief bij aan de transitie nar een regionale, circulaire economie. Energietransitie; Het Waterschap is het eerste energieneutrale waterschap in Nederland. In 2050 wordt alle energie uit hernieuwbare bronnen en is de CO2-uitstoot met 95% verminderd. Nu wordt er gestreefd naar een klimaatpositieve bijdrage aan de leefomgeving. Waterplan Rhenen Het Waterplan “een berg mooi water” is door de gemeenteraad vastgesteld op 26 april 2005 en heeft ten doel effectief en efficiënt om te gaan met water in de gemeente. De watervisie beschrijft de beoogde ontwikkeling van het water tot 2025. Het waterplan gaat in op de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterketen. Bij de streefbeelden voor het bebouwd gebied ligt de nadruk op het saneren van riooloverstorten en het afkoppelen van verhard oppervlak. Voor onderhavig plan zijn de volgende relevante streefbeelden voor 2025 te noemen: Grondwateroverlast komt niet voor. Alle in- en uitbreidingen (vanaf 2005) zijn waterneutraal.
Bij nieuwbouw (vanaf 2005) worden geen uitlogende materialen toegepast, zoals zink, koper en lood. Vanaf 2005 wordt bij in- en uitbreidingen het regenwater van schone oppervlakken niet op de riolering geloosd. In Elst, Rhenen en Achterberg is circa 30% van het verharde oppervlak van de riolering afgekoppeld (ten opzichte van 1998, onder voorbehoud van voldoende financiële middelen). In het waterplan is eveneens vermeld op welke plannen de watertoets van toepassing is op basis van de richtlijnen in de “Handreiking Watertoets 2”. Het benodigd overleg is afhankelijk van het soort plan en de mogelijke gevolgen voor het watersysteem. Het hiernavolgend wateradvies gaat hier nader op in. Water Rioolplan Rhenen 2023 - 2027 De gemeente heeft de taak om te zorgen voor riolering en het stedelijk water. Tevens een zorgplicht voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor grondwatermaatregelen. In dit plan is omschreven hoe de gemeente deze taken uitvoert. Het Water Rioolplan Rhenen 2023-2027 is de opvolger van het verbreed GRP. Het plan heeft een nauwe relatie met de Beleidsplan Ruimtelijke Adaptatie 2022-2027. De doelen voor de planperiode zijn:
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
46
1. Zorgen voor inzameling van stedelijk afvalwater 2. Zorgen voor transport van stedelijk afvalwater 3. Zorgen voor inzameling van hemelwater (voor zover dit niet door de particulier wordt gedaan) 4. Zorgen voor verwerking van ingezameld hemelwater 5. Zorgen dat (voor zover mogelijk) het grondwater de bestemming van een gebied niet structureel belemmert. Ruimtelijk adaptief werken is uitgangspunt voor alle ruimtelijke plannen. Vuil water wordt getransporteerd naar de rioolwaterzuiveringsinrichting en schoon water zo min mogelijk transporteren, daarvoor zijn afkoppelen en infiltreren belangrijke middelen. Watertoetsproces Een aantal zaken m.b.t. het plangebied op de rij: De GHG bedraagt circa 7,85 m + NAP; Verwacht wordt dat de doorlatendheid van de bodem redelijk tot goed is. Uitgangssituatie is dat er een duurzaam gescheiden watersysteem aangelegd zal worden. Dit houdt in dat er diverse wadi’s aangelegd zullen worden om het hemelwater op te kunnen vangen. Op hoofdlijnen worden een 2-tal typen wadi’s onderscheiden. Een 2 tal wadi’s met een bergende en infiltrerende functie en wadi’s met een transport en infiltrerende functie; De bergingseis die door waterschap Vallei en Veluwe gehanteerd, is vertaald naar het plangebied.
De bergingseis bedraagt 78 mm berging en 1,6 ltr/s/ha afvoer naar oppervlaktewater; Voor het lozen op de Friese Wetering is een lozingsvergunning vereist; Het ontwerp van het vuilwaterriool dient gebaseerd te zijn op de te verwachten lozingshoeveelheid; Toets Voor het plangebied is een watertoets opgesteld. De bijgevoegde rapportage (d.d. 28 oktober 2024, projectnr. SLW230461503A StadLandWater), zie Bijlage 10. Toetsing waterhuishoudkundige aspecten met plan Bestaande situatie De klimaatatlas van Vallei en Veluwe laat zien in welke gebieden het hemelwater zich verzameld en waar er wateroverlast plaats zal vinden. Deze uitkomsten zijn getoetst in de praktijk met o.a. inwoners. Zij hebben aangegeven dat zij zich zorgen maken over de ontwikkeling van dit gebied i.r.t. wateroverlast. Hieronder is te zien wat de gevolgen zijn van een bui van 70 mm. 70 mm is meer dan een standaard bui, maar uit ervaring van de gemeente is dit een bui die regelmatig voorkomt in Rhenen. De gebieden die blauw aangegeven zijn ondervinden bij een bui van 70 mm wateroverlast (water intreden in gebouw en blijft staan op de weg waardoor verkeer wordt gehinderd en onveilige situaties ontstaan)
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
47
Figuur 4.7: Wateroverlast bui 70mm klimaateffectanalyse (bron: Klimaateffectatlas Vallei en Veluwe hevige neerslag) In 2014 en 2015 zijn er extreme buien gevallen in Rhenen. Deze regenbuien zorgden voor extreem wateroverlast voor de beoogde bouwlocatie. Er was toen sprake van buien van meer dan 80 mm. Het waterschap heeft aan de Lijnweg en de Cuneraweg duikers vergroot, damwanden geplaatst rondom woningen aan de Lijnweg en een primaire watergang aangelegd. De primaire watergang is te vinden aan de linkerkant van de tweede poort. De overlast ontstaat met name vanwege de afstroming uit Rhenen richting Achterberg. De klimaatanalyse is na de aanleg van deze maatregelen opgesteld.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
48
Figuur 4.8: Wateroverlast bij bui 74 mm binnenstedelijk klimaateffectatlas Vallei en Veluwe (bron: Klimaateffectatlas Vallei en Veluwe hevige neerslag 2024) Riolering en afvalwaterketen - Toename afvalwater Ten gevolge van de ontwikkeling zal er sprake zijn van een toename van afvalwater. In onderstaande berekening is deze toename bepaald: 109 woningen * 2,5 inwoner/won. * 120 ltr/p/p/d = 32.700 ltr/d = 32,7 m³/d. Riolering en afvalwaterketen - Bestaande riolering De inzameling en afvoer van afvalwater zal plaatsvinden via een nieuw te realiseren dwa-rioolstelsel met rioolgemaal. Via het rioolgemaal gaat een persleiding naar het bestaande stelsel ter plaatse van de Cuneraweg. Er zal een uitlegger naar de Cuneraweg worden gerealiseerd, deze wordt tijdelijk afgedopt. In de toekomst, als het riool in de Cuneraweg vervangen wordt, kan de uitlegger op het nieuwe vrijvervalriool worden aangesloten en wordt het rioolgemaal verwijderd. Waterberging - Toename verhard oppervlak Het plangebied heeft een bruto oppervlak van circa 56.900 m² (5,69 ha). Bij het bepalen van de toekomstige verhardingen is uitgegaan van de onderstaande verdeling bij de kavels. De kavels zijn onderverdeeld in 4 typen te weten vrijstaand (70% verh.), 2-onder-1 kap (80% verh.), rijwoningen (90% verh.) en appartementen (100% verh.).
In onderstaande tabel wordt een globaal overzicht gegeven van de toekomstige verharde oppervlakken
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
49
Figuur 4.9: Overzicht toekomstige verharde oppervlakken (bron: Stadlandwater) Waterberging - Kansen infiltratie in de bodem Uit de meetresultaten blijkt dat de gemiddelde K-waarde over het algemeen 0,7 - 1,5 meter per dag bedraagt. Op basis van deze meetwaarden kan de doorlatendheidscapaciteit als matig worden bestempeld. Uit de praktijk van de gemeente Rhenen blijkt ook dat infiltreren in dit gebied erg lastig is. Vandaar dat als uitgangpunt wordt gehanteerd dat er geen infiltratie plaatsvindt in het gebied. Waterberging - Voldoende ruimte waterberging Binnen het plangebied wordt gestreefd om al het afstromende hemelwater oppervlakkig af te laten voeren naar de daarvoor bestemde watergangen in het plangebied. Het plan is voldoende ruim opgezet met aaneengesloten groenstroken waar realisatie van waterberging mogelijk is. Waterberging zal voornamelijk plaatsvinden in de watergangen met flauwe taluds aan de buitenzijdes van het plan. De watergangen in het plan worden door middel van duikers aan elkaar gekoppeld, zodat er een robuust watersysteem ontstaat. Zie ook paragraaf 5.5. Het waterbergende systeem ligt over het gehele projectgebied op dezelfde hoogte, doordat het hele systeem in verbinding staat zal de wet van de communiceerde vaten optreden. De waterberging is berekend op basis van een 3D model van het waterbergende systeem.
Hiervoor is gekozen omdat de variabele/flauwe taluds en de organische vormen in het waterbergende systeem er voor zorgen dat dit ingewikkeld wordt om te berekenen via excel/handmatig. De waterberging en het overschot is te zien in figuur 15 van de rapportage . In bijlage 4 van de rapportage is een inrichtingstekening opgenomen met onder meer de oplossing voor de waterberging. Oppervlaktewater kwaliteit - Lozing op bestaand oppervlaktewater Vanuit het plangebied wordt via een 4 tal lozingsconstructies water geloosd worden op de bestaande A-watergang (De Friese Wetering). Het stuwpeil is 8,40 m +NAP. Alle buien kleiner of gelijk aan T = 100 + 10% dienen vertraagd afgevoerd te worden op de A-watergang met een intensiteit van 1,6 ltr/s/ha. Op basis van de bruto plangrootte bedraagt deze hoeveelheid 5,69 ha x 1,6 ltr/s/ha = 9,10 ltr/s (32,8 m³/h). De dimensionering en detailontwerp van de lozingsconstructies vindt plaats in overleg met de gemeente Rhenen en Waterschap Vallei en Veluwe. In deze lozingsconstructies zal er rekening worden gehouden met de landelijke afvoernorm zodat de waterbergende voorzieningen leeg kunnen lopen. Dit wordt in een later stadium van het project uitgewerkt en ter controle ingediend bij de gemeente Rhenen en het Waterschap Vallei en Veluwe.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
50
Afvoer van overtollig water afkomstig van buiten het plangebied dient ook in de toekomst gewaarborgd te zijn. Met verwijzing naar paragraaf 2.11 zal het afstromende hemelwater vanaf de spoortunnel door het plan geleid worden. Het water dat afkomstig is van buiten het plangebied kan worden opgevangen in de overcapaciteit die terug te vinden is in figuur 15 van de rapportage. Grondwateroverlast - Dempen van sloten In het projectgebied zijn een aantal bestaande C-watergangen aanwezig. Deze worden voor het grootste deel gehandhaafd. Er zijn een aantal locatie waar de watergang gedeeltelijk gedempt dient te worden. Deze delen worden vervangen door duikers. De delen waar de bestaande watergangen geheel gedempt worden zijn gering en er wordt nagenoeg geen effect op de grondwaterstand verwacht. Waar nodig wordt een drain aangebracht om wateroverlast op deze plekken te voorkomen. Inrichting en beheer - Eigendom oppervlaktewater waterschap Voor de wijze waarop geloosd zal gaan worden op de A-watergang gelden de eisen en randvoorwaarden van waterschap Vallei en Veluwe. Voor de technische uitwerking van deze lozingsconstructie wordt afstemming gezocht met Waterschap Vallei en Veluwe. De lozingsconstructies komen in eigendom en beheer van de gemeente Rhenen. Voor deze lozing en de lozingsconstructie is een lozingsvergunning benodigd.
Volksgezondheid - Overstort gemengde stelsel Geconstateerd is dat er een gemengde overstort loost op de Friese Wetering, deze overstort komt uit de BBB Bergweg/Lijnweg. Het gevolg van deze overstort is dat de waterkwaliteit van de Friese Wetering periodiek bepaald wordt door deze riooloverstort vanuit het gemengde rioleringsstelsel. Bij een locatiebezoek is geconstateerd dat erna een hevige bui diverse bestanddelen aangetroffen zijn in de Friese Wetering afkomstig uit het (gemengde) rioolstelsel. Om toekomstige vermenging van dit verdunde rioolwater te voorkomen met het ingezamelde hemelwater in de watergangen binnen het plangebied zullen er stuwen worden aangebracht. De overstorthoogte van deze stuwen zijn afgestemd op het maximale waterpeil in de Friese Wetering, zodat er geen water terugstroomt in het plangebied. In extreme situaties kan water via de fietstunnel in het plangebied komen. Ook in dit water kan verdund zijn met water vanuit riool overstorten vanuit de gemengde riolering. Echter zal dit zeer sterk verdund zijn, omdat alleen in extreme situaties water via de fietstunnel in het plangebied komt.
Toekomstig watersysteem Ontwatering Gangbare normen voor de ontwateringsdiepte (verschil tussen maaiveld en gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), waarbij het vloerpeil van de woningen 0,20 tot 0,30 m boven het omringend maaiveld wordt aangelegd, zijn: 1,00 m voor woningen/ bedrijven met kruipruimten (bouwpeil t.o.v. GHG); 0,60 m voor woningen zonder kruipruimten (bouwpeil t.o.v. GHG); 0,50 m voor tuinen en openbare groenvoorzieningen; 0,90 - 1,10 m voor primaire wegen; 0,70 m voor secundaire wegen. De GHG bedraagt circa 7,85 m +NAP. Hiermee dienen de bouwpeilen van de woningen minimaal gelijk te zijn aan 8,85 m +NAP. De maaiveldhoogte van het plangebied varieert van ongeveer 8,00 - 9,00 m +NAP ten noorden van het plangebied en 8,00 - 10,00 m +NAP aan de zuidzijde van het plangebied. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er een gedeeltelijke ophoging plaats moet vinden om de minimale ontwateringsdiepten te kunnen realiseren. In het inrichtingsplan in bijlage 4 van de rapportage zijn de peilen indicatief weergegeven. De laagste vloerpeilen bedragen 8,85 m +NAP en de laagste wegpeilen 8,55 m +NAP. Infiltratiekansen Uit de meetresultaten blijkt dat de gemiddelde K-waarde over het algemeen 0,7 - 1,5 meter per dag bedraagt. Op basis van deze meetwaarden kan de doorlatendheidscapaciteit als matig worden bestempeld.
Uit de praktijk blijkt ook dat infiltreren in dit gebied erg lastig is. Vandaar dat als uitgangpunt wordt gehanteerd dat er geen infiltratieplaatsvindt in het gebied. Behandeling afvalwater Door de realisatie van het bouwplan zal het aanbod van vuilwater toenemen. De berekende/ geschatte toename bedraagt circa 32,7 m³/d. Het afvalwater zal via een nieuw aan te leggen
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
51
riolering en gemaal aangesloten worden op het bestaande rioleringssysteem. Het rioleringsplan op hoofdlijnen is weergegeven in bijlage 5 van de rapportage. Behandeling hemelwater Algemeen Als uitgangspunt geldt dat het nieuw verhard oppervlak niet wordt aangekoppeld, maar duurzaam gescheiden zal worden. Het vasthouden en bergen van opgevangen hemelwater dient binnen de planlocatie ingepast te worden. De bergingseis die gehanteerd wordt door Waterschap Vallei en Veluwe is dat een bui overeenkomstig met T = 100 + 10% klimaatverandering (78 mm) geborgen moet kunnen worden binnen de plangrenzen. Deze 78 mm wordt gerekend over die oppervlakken die leiden tot een versnelde afvoer en dus verharde oppervlakken. Met verwijzing naar paragraaf voert 29.913 m² verhard afvoerende oppervlak versneld af. Deze hoeveelheid dient binnen de plangrenzen vastgehouden te worden en komt omgerekend op 29.913 x 78 mm = 2.333 m³ berging. Systeemkeuze Binnen het plangebied wordt gestreefd om het afstromende hemelwater zo veel als mogelijk oppervlakkig af te laten voeren naar de daarvoor bestemde watergangen. Alleen bij de zorgwoningen wordt een hemelwaterriool aangelegd, omdat hier de afstanden naar de watergangen te groot zijn voor oppervlakkige afstroming.
De nieuwe watergangen en waterbergingen in het plangebied hebben onderin een smal profiel en zijn voorzien van (zeer) flauwe taluds waar water op geborgen kan worden. De bodem van de nieuw aan te leggen watergangen in het projectgebied hebben een breedte van 1,00 m. De taluds naast de watergangen hebben een talud van 1:2, en verlopen daarna naar flauwe taluds (aan de zijde van de waterberging). Het principe in onderstaand figuur weergegeven
Figuur 4.10 Principe watergangen met berging De bodemhoogte van de nieuw watergangen bedraagt 7,60 m +NAP en zullen in droge periodes droogvallen. Dit is in de huidige situatie ook het geval met de bestaande watergangen in het plangebied en Friese Wetering. De bestaande watergang die in het plangebied is opgenomen heeft een bodemhoogte van ca. 7,90 m +NAP. Op vier locaties in het plangebied komen constructies waarbij het overtollig hemelwater als de berging gevuld is geloosd kan worden op de Friese Wetering. Het stuwpeil komt op 8,40 m +NAP. Het laagste wegpeil in het plangebied ligt op 8,55 m +NAP. Het stuwpeil is hoger dan de Cuneraweg, zodat er geen water vanuit de Friese Wetering het plangebied instroomt. Daarnaast worden de constructies van openingen voorzien, zodat in situatie van minder dan T=100 het geborgen hemelwater met maximaal de landelijke afvoer naar de Friese Wetering afgevoerd kan worden. De constructies worden nog nader uitgewerkt in samenspraak met gemeente Rhenen en waterschap Vallei en Veluwe. Bij een bui T=10 (43 mm) stijgt de waterhoogte in de beringsvoorzieningen tot 30 cm. Bij een bui T=100 stijgt het waterniveau met 50 cm. Alle watergangen in het plangebied zijn met elkaar verbonden door duikers ø 500 mm, zodat er een robuust systeem ontstaat.
In een extreme situatie en als er water vanuit het spoortunnel het plangebied inkomt, kan dit water via de bestaande watergang en de nieuwe watergangen met berging geloosd worden op de Friese Wetering Conclusie en aanbevelingen Het bouwplan betreft de realisatie van een 103-tal woningen en 6 appartementen omliggende wegen, parkeerplaatsen, trottoirs en groen; De GHG bedraagt circa 7,85 m + NAP; De doorlatendheid van de bodem is gemeten op ca. 1 m/d, maar het uitgangspunt voor dit plan is dat er geen infiltratie plaatsvindt. Uitgangssituatie is dat er een duurzaam gescheiden watersysteem aangelegd zal worden. Dit houdt in dat er diverse, droogvallende, watergangen met flauw talud aangelegd worden om het hemelwater op te kunnen vangen. De bergingseis die door waterschap Vallei en Veluwe wordt gehanteerd, is uitgewerkt in het plangebied. De bergingseis bedraagt 78 mm berging en een afvoer van 1,6 ltr/s/ha
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
52
naar oppervlaktewater; De stuw met geknepen afvoer dient nog verder uit gedetailleerd te worden. Dit dient uitgevoerd te worden conform de eisen en randvoorwaarden van waterschap Vallei en Veluwe en de gemeente Rhenen; Voor het lozen op de Friese Wetering is een lozingsvergunning vereist; Het ontwerp van het vuilwaterriool dient gebaseerd te zijn op de te verwachten lozingshoeveelheid Conclusie Gelezen en met inachtneming van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan het aspect 'water'.
4.12
Ecologie
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening). Toetsing Bij dit bestemmingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een quickscan natuurwaardenonderzoek (Bijlage 12). De resultaten zijn in de volgende alinea's opgenomen. Gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Overige negatieve effecten op Natura2000-gebieden kunnen wèl worden uitgesloten.
Stikstofdepositie Het plangebied ligt op minimaal 1,91 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Rijntakken. Om te bepalen of de ontwikkeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (zie Bijlage 14). Uit de berekening met de AERIUS Calculator (release 2024.0.1) is gebleken dat in de bouw- en gebruiksfase geen rekenresultaten berekend zijn die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee vormt stikstofdepositie geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Soortenbescherming De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied voor beschermde reptielen en dag- en nachtvlinders.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien het plangebied bouwrijp gemaakt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
53
amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied vormt geen functioneel leefgebied voor beschermde reptielen of beschermde dag- of nachtvlinders. In de weide aan de oostkant van het plangebied staat een bezette ooievaarspaal. Aangezien het nest van een ooievaar jaarrond beschermd moet er voor het verplaatsen van de ooievaarspaal ontheffing aangevraagd worden. Van de andere in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien het plangebied bouwrijp gemaakt wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Om de betekenis van het plangebied voor huismussen en steenuilen vast te kunnen stellen, wordt geadviseerd aanvullend onderzoek te verrichten.
Er zijn in het plangebied geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats in het plangebied bezetten. Om de aanwezigheid van een verblijfplaats volledig uit te kunnen sluiten, wordt geadviseerd aanvullend onderzoek te verrichten naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: Stikstofberekening uitvoeren voor zowel ontwikkel- als gebruiksfase; Ontheffing aanvragen voor verplaatsen ooievaarsnest; Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; Geen beschermde grondgebonden zoogdieren of amfibieën doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein natuurvrij maken); Aanvullend onderzoek uitvoeren naar verblijfplaatsen vleermuizen; Aanvullend onderzoek uitvoeren naar functie van het plangebied voor steenuilen; Aanvullend onderzoek uitvoeren naar nestplaatsen van huismussen in het plangebied. Deze aanvullende onderzoeken worden in aparte rapportage gerapporteerd. Nader onderzoek In het nadere onderzoek (d.d. 1 december 2023, projectnr 5968 Natuurbank Overijssel) is er nader onderzoek verricht naar aanwezigheid van nesten van huismussen, aanwezigheid van steenuilen en verblijfsplaatse van vleermuizen in het onderzoeksgebied. De resultaten van dit nadere onderzoek zijn: Vleermuizen: Tijdens alle bezoeken werden gewone dwergvleermuizen waargenomen.
Het betrof hoofdzakelijk foeragerende of langsvliegende dieren, die ten oosten van het onderzoeksgebied vlogen. Een enkele maal werd door een gewone dwergvleermuis kortstondig gefoerageerd in het plangebied, rond de gebouwen en beplanting. Op 19-6 werden twee langsvliegende rosse vleermuizen waargenomen en tijdens beide bezoek in het najaar werk een (hoog) overvliegende rosse vleermuis waargenomen (zonder binding aan plangebied).
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
54
Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied vastgesteld. Huismus Er zijn in het geheel geen huismussen waargenomen in het onderzoeksgebied. Ook zijn geen nesten vastgesteld in het onderzoeksgebied. Steenuil Er zijn geen steenuilen gehoor of gezien tijdens het onderzoek. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied geen functioneel leefgebied van steenuilen betreft. Conclusie nader onderzoek Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt geen verblijfplaats van vleermuizen, geen nestplaats van huismussen en geen nestplaats of functioneel leefgebied van steenuilen negatief beïnvloed. Nadere motivering haas, konijn en kleine marterachtigen Vanaf 1 september 2024 zijn in de provincie Utrecht activiteiten in leefgebieden van de haas, het konijn en kleine marterachtigen niet langer vrijgesteld van de verbodsbepalingen zoals genoemd in de Omgevingswet. Het plangebied wordt niet geschikt geacht voor een rust- of voortplantingsplaats voor kleine marterachtigen zoals de bunzing en hermelijn. Het plangebied bestaat grotendeels uit intensief beheerd agrarisch landschap met Engels raaigras, dit is voor kleine marterachtigen ongeschikt om een rust- of verblijfplaats te bezetten.
In het groen in het noordelijke en oostelijke gedeelte van het plangebied kan de wezel echter niet uitgesloten worden, dit is voor bunzing een te klein gebied. Bunzing heeft een voorkeur voor vochtige, gevarieerde gebieden. Hermelijn is zo schaars geworden, dat deze soort eigenlijk volledig teruggedrongen is tot (natte) natuurgebieden. Omdat voorliggend plangebied eventueel geschikt wordt geacht voor de wezel, zal voor de wezel een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden voor de compensatie van negatieve effecten door het plan. Bij eerdere bezoeken van ecologisch deskundige zijn geen verblijfplaatsen of sporen van konijnen en hazen aangetroffen. Op basis hiervan wordt verwacht dat het plan geen negatieve effecten zal hebben op deze soorten. Vanwege de gewijzigde regelgeving zal om de aanwezigheid uit te sluiten nog nader onderzoek uitgevoerd worden. Indien uit dit onderzoek toch blijkt dat deze soorten voorkomen in het plangebied, zal voor aanvang van werkzaamheden ook hiervoor een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het beoogde plan.
4.13
Archeologie en Cultuurhistorie
Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Als bij uitvoering van werkzaamheden anders dan het doen van opgravingen, vondsten worden gedaan waarvan wordt vermoed dat het archeologische vondsten betreft, is het op grond van art. 5.10 van de Erfgoedwet verplicht om deze te melden bij de bevoegde overheid. Om praktische redenen kan deze melding worden gedaan bij de gemeente. De melding dient vergezeld te gaan van foto's van de vondst en gegevens over de exacte locatie van de vondst.
Met de invoering van de Wet op de archeologisch monumentenzorg in 2007 is de verantwoordelijkheid voor bodemarchief naar de gemeenten gedelegeerd. De gemeente Rhenen beschikt over een archeologische beleidskaart. Dit archeologiebeleid is overgenomen in het geldende bestemmingsplan en daarin heeft het plangebied de dubbelbestemming
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
55
"Waarde-Archeologie" en een aanduiding voor een hoge verwachtingswaarde. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Archeologie Het plangebied beschikt over verschillende archeologische dubbelbestemmingen. Het meest oostelijke gedeelte is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' (bestemmingsplan 'Kern Achterberg 2012'). Voor deze gronden geldt dat er een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij bouwwerken met een opperlvakte van meer dan 100 m² of bouwwerken met graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm. De overige gronden beschikken over de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' met de gebiedsaanduiding 'overige zone - hoge verwachtingswaarde' (bestemmingsplan 'Buitengebied Rhenen').
Ook voor deze gronden geldt dat er een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden bij bouwwerken met een oppervlakte van 100 m² of meer. Deze waarden worden met het voorliggende plan overschreden. Om die reden is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd. In Bijlage 15 is het archeologisch onderzoek voor het deelgebied Nieuwe Erven bijgevoegd. Daarnaast zijn er in het verleden verschillende onderzoeken uitgevoerd voor de overige deelgebieden. De uitkomsten van deze onderzoeken zijn in het archeologisch onderzoek voor het deelgebied Nieuwe Erven meegenomen. Figuur 4.11 toont de verschillende onderzochte gebieden.
Figuur 4.11: Overzicht onderzochte locaties (bron: mw. P Fijma, regio-archeoloog van de ODRU) In het centrale blauw gearceerde terrein wordt archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht op basis van het booronderzoek van RAAP in 1995 (Visscher 1995). In het oranje gearceerde terrein wordt een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk geacht op basis van ditzelfde booronderzoek. De ROB heeft hier vervolgens aanvullend onderzoek gedaan. En ook de Wergroep Archeologie Rhenen heeft onderzoek gedaan in enkele
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
56
wegcunetten. Hierbij zijn resten van vroeg-middeleeuws grafveld en een (vroeg)middeleeuwse nederzetting vastgesteld. Op basis daarvan is destijds besloten op het perceel nr. 4460 geen woningen te realiseren. Aan de zuidwestzijde van dit terrein is ter voorbereiding van de bouw van een zorgcomplex een nederzetting uit de IJzertijd opgegraven (van Benthem 2020). Deze archeologische vindplaats is destijds niet begrensd en loopt vrijwel zeker naar het noorden door tot in het bestemmingsplangebied. Voor het dik rood omrande gebied (waaronder het groene gedeelte) is het nieuwe archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uit het uitgevoerde archeologisch onderzoek zijn voor het deelgebied Nieuwe Erven (dik rood omrand in figuur 4.11) de volgende resultaten naar voren gekomen. De bodemopbouw in het plangebied is vrij uniform en bestaat van ondiep naar diep achtereenvolgens uit de (sub)recente bouwvoor, een menglaag en de natuurlijke ondergrond van hellingafspoelingsmateriaal (matig siltig, matig fijn zand met kiezels). In alle boringen is de bodemopbouw (sub)recent verstoord tot in de C-horizont als gevolg van verploeging. Er zijn geen archeologische lagen of archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De hoge archeologische verwachting voor het plangebied kan daarom worden bijgesteld naar laag, met als indicatie verstoord.
Op basis van de tijdens het booronderzoek aangetroffen bodemverstoringen en het ontbreken van archeologische indicatoren en archeologische lagen wordt de kans dat in het plangebied intacte archeologische resten aanwezig zijn laag ingeschat. Conclusie De opgenomen regels bieden voldoende bescherming voor de bescherming van de eventuele archeologische waarden in het plangebied. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen gemeentelijke monumenten of rijksmonumenten aanwezig. Het dichtsbijzijnde monumentale object is de Spoorbrug ten westen van het plangebied. De Spoorbrug, onderdeel uitmakend van de spoorlijn amersfoort-Rhenen, liep door naar Kesteren tot de Tweede Wereldoorlog. Het viaduct is in 1882 gebouwd. Het plan heeft verder geen invloed op dit monumentale object.
Ook andere cultuurhistorische elementen zijn niet aanwezig binnen het plangebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
4.14
Verkeer / parkeren
Verkeer In het plangebied worden woonstraten aangelegd voor het ontsluiten van de woningen. Deze aan te leggen straten worden ontsloten op de Cuneraweg. Dit is een de ontsluitingsweg (geasfalteerd) vanuit Achterberg in westelijke richting, waar een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur. Na circa 450 m in westelijke richting, sluit de Cuneraweg aan op de provinciale weg (N233) waar het verkeer verder kan worden afgewikkeld. De toename van verkeersbewegingen is in de tabel aangegeven. Hiervoor is de richtlijn van de CROW "Toekomstbestendig parkeren" gehanteerd. Voor dit plan geldt een stedelijkheidsgraad van het CBS 'niet stedelijk' (<500 adressen per km²) en het gebied valt onder het criterium 'rest bebouwde kom'.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
57
Het gaat om een totaal van afgerond maximaal 778 extra verkeersbewegingen vanuit de nieuwe woonwijk. De ontsluiting van de woonwijk op de Cuneraweg is ten westen van de kern Achterberg en kan op een afstand van 450 m aansluiten op de N322. Hiervoor hoeft het verkeer niet de kern te doorkruisen, waardoor er weinig aanwonenden de extra verkeersbewegingen ervaren. Door de maximumsnelheid van 30 km/uur en daarmee de lage snelheid van het heersende verkeer en extra verkeer, zal de verkeersveiligheid niet in het gedrang komen. Door adviesbureau C2 Akrtch is nader in beeld gebracht hoe de verkeersafwikkeling van de woningbouwlocatie zal verlopen. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 16. De belangrijkste conclusies met betrekking tot het effect op bestaande routes en spoortunnels is als volgt: Bestaande routes: Geen van de gebruikte routes in Achterberg heeft nu en in de toekomst een intensiteit hoger dan 5.000 motorvoertuigen per etmaal. Het extra verkeer van en naar Achterberg-West tast daardoor in zijn algemeenheid nergens de (verkeers)leefbaarheid aan. Ook op de vrij smalle Uitweg-Bovenweg en Bovenweg voorzien we geen problemen, gelet op het geringe verkeersaanbod dat niet boven de 500 motorvoertuigen per etmaal uitkomt. Doordat de verkeersgeneratie minimaal is, is aanpassing van de Bovenweg- Uitweg niet noodzakelijk.
Een verkeerskundige knip van de Bovenweg, zoals wordt voorgesteld in een zienswijze, is daarmee ook niet noodzakelijk; Spoortunnels: De N233 is ter hoogte van de 2e poort voorzien van een aparte uitvoegstrook voor verkeer vanuit Veenendaal. Het adviesbureau voorziet hier, gelet op de geringe procentuele toename, geen problemen rondom de verkeersafwikkeling. Ter hoogte van de 1e Poort zijn geen uit- of invoegvoorzieningen getroffen op de N233. Dit lijkt op basis van de toekomstige etmaal- en spitsuurintensiteiten ook niet nodig. Wel wordt geadviseerd om de situatie na realisatie van Achterberg-West, samen met de verantwoordelijk wegbeheerder (Provincie Utrecht), te monitoren. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan. Parkeren Het woningbouwgebied is ingedeeld in drie gebieden: De Nieuwe Erven, De Binnenerven en het Erf van Lienden. Elk gebied heeft zijn eigen parkeergelegenheid. Voor het berekenen van de benodigde parkeerplaatsen voor de woningen, is de Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds van de gemeente Rhenen gehanteerd. In de nota is het centrumgebied aangegeven, alle andere percelen binnen de gemeente vallen onder 'buiten centrumgebied'. Vanwege het rurale karakter van Achterberg en de invloed hiervan op het
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
58
autogebruik is in principe de maximale norm uit de nota gehanteerd. Uitzondering hierop is het erf van Lienden dat autoluw van opzet is en waar een woonzorg-concept op van toepassing is. De doelgroep van dit erf is voor een groot deel ouderen en zorgbehoevenden. De woningen voor jongere doelgroepen op dit erf zijn geschikt voor 1 á 2 persoons huishoudens of voor starters. Voor deze doelgroepen geldt dat het autobezit lager is dan gemiddeld. Daarbij kan er met het winkelcentrum op loopafstand van het erf zonder autogebruik in primaire levensvoorzieningen worden voorzien. Een en ander maakt dat voor dit erf gerekend is met de minimumnorm uit de nota. In de onderstaande tabel is per deelgebied de parkeerbehoefte weergegeven.
Uit de berekening volgt een parkeerbehoefte van in totaal 195 (afgerond) parkeerplaatsen. In het plangebied zijn in totaal 201 parkeerplaatsen aanwezig en daarmee voorziet deze planontwikkeling ruim voldoende in het parkeren op eigen terrein. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.
4.15
Duurzaamheid
In een duurzame leefomgeving wordt bewust omgegaan met energie, klimaat, grondstoffen, ruimte, water en groen. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn een logisch moment om de verschillende aspecten van duurzame stedenbouw vanaf het begin in de planvorming mee te nemen. Bouwbesluit Wettelijk kan er in Nederland geen verdere verduurzaming worden afgedwongen dan via het Bouwbesluit. Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. Sinds 2020 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan de BENG-eisen. Dit is rijksbeleid, waarbij BENG staat voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen. De gemeente Rhenen heeft zich aangesloten bij het Convenant Duurzaam Bouwen vna de Provincie Utrecht. Daarmee heeft de gemeente de ambitie uitgesproken om op allerlei aspecten van duurzaamheid, variërend van energie tot natuur inclusief bouwen, verder te willen gaan dan de wettelijke normen. Kansen Bij de herinrichting van een perceel en bij nieuwbouw liggen kansen om duurzaamheid te verbeteren. Het energieneutraal maken van een gebouw kan beter bij de bouw dan achteraf. Nieuwbouw biedt de kans om meteen voor een duurzame wijze van verwarming te kiezen, maar ook andere duurzaamheidsaspecten zijn bij nieuwbouw relatief eenvoudig te realiseren, zoals het opwekken van duurzame energie.
Het is van belang de kansen voor het opwekken van duurzame energie te benutten om de gestelde toename van duurzaam opgewerkte energie te behalen. Sinds 01-07-2018 moeten nieuwe woningen gasloos worden gebouwd. Daarnaast kan bij de inrichting van de buitenruimte rekening worden gehouden met water- en hittestress. Het aanplanten van groen is goed voor de klimaatbestendigheid, omdat het bijdraagt aan het verminderen van de hittestress en het verbeteren van het watervasthoudend vermogen van het gebied. Toets
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
59
Door de bouw van 108 woningen is de kans op een toename van hittestress aanwezig. Toch is de te verwachte toename van hittestress beperkt. Dit komt doordat er in de huidige situatie voornamelijk sprake is van grasland, een ruimtegebruik waar weinig verkoelende werking van uitgaat. Om deze reden is het plangebied op dit moment al niet aangewezen als koele plek in de Klimaateffectatlas. Bomen, en in mindere mate bosschages in openbaar groen, hebben een veel groter koelend effect dan grasland. Doordat in het plan een ruime hoeveelheid bomen en openbaar groen is opgenomen, is de verwachte toename van hittestress beperkt. Daarnaast wordt de groene ruimte gecombineerd met de opvang van hemelwater. Het water kan infiltreren in de bodem en bij teveel water, kan deze worden afgevoerd. In het landschapsplan is de inrichting van het plangebied opgenomen en te zien waar het groen zowel in openbaar gebied als op particulier terrein wordt ingericht. Tot slot worden de woningen gasloos gebouwd, conform de wettelijke verplichting en zullen voldoen aan de gestelde BENG-normen. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheid voor realiseren van een bron voor warmtepompen.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
60
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Planopzet en systematiek
De in Hoofdstuk 2 beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.
5.2
Toelichting op de regels
5.2.1
Opbouw
In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht. Inleidende regels Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Bestemmingsregels De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit: bestemmingsomschrijving: De omschrijving van de doeleinden.
Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies; bouwregels: In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart); afwijken van de bouwregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken; specifieke gebruiksregels: In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
61
bestemmingsomschrijving genoemde functies; afwijken van de gebruiksregels: Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen; wijzigingsregels In dit onderdeel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden gekoppeld aan de desbetreffende bestemming. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel: Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld; Algemene bouwregels: In dit artikel worden de algemene bouwregels voor het bouwen beschreven, onverminderd het bepaalde in de overige artikelen; Algemene gebruiksregels: Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin; Algemene aanduidingsregels: In dit artikel worden de algemene aanduidingsregels beschreven; Algemene afwijkingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan
geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Algemene wijzigingsregels: In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven; Overige regels: Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing. Overgangs- en slotregels Overgangsrecht: Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro.
Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet; Slotregel: Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald. 5.2.2
Bestemmingen
Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen: Groen
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
62
Binnen deze bestemming worden de (belangrijkste) groenvoorzieningen ondergebracht. Hierbinnen is ook de aanleg van paden en een speelvoorziening mogelijk. Ook kleinere groengebieden zijn opgenomen in deze bestemming, omdat ze als groenstructuur belangrijk zijn voor de wijk. Verkeer en verblijfgebied Binnen deze bestemming vallen de gebiedsontsluitingswegen, de erftoegangswegen als ook paden en parkeervoorzieningen. Met uitzondering van de meest waardevolle groene ruimtes en beplantingen zijn ook de groenvoorzieningen onder deze bestemming gebracht. Een voordeel hiervan is dat zonder ingrijpende procedures ondergeschikte wijzigingen kunnen worden aangebracht in het stratenbeloop. Tevens zijn speelvoorzieningen mogelijk binnen deze bestemming. Wonen Voor alle typen woningen is deze bestemming opgenomen. Voor de hoofdgebouwen zijn bouwvlakken opgenomen, waarbinnen deze moeten worden opgericht. Voor Door middel van de bouwaanduidingen 'tae', 'vrij', 'gs' en 'aeg' wordt aangegeven welke type woningen zijn toegestaan, respectievelijk twee-aaneen, aaneengebouwde woningen en vrijstaande woningen. Voor de woningen is een maximaal goot- en bouwhoogte op de verbeelding aangeduid. De bouwdiepte voor de bouwstroken zijn 10 meter. Voor de vrijstaande woning is het bouwvlak aangepast aan het stedenbouwkundig ontwerp.
Voor de bijbehorede bouwwerken geldt een maximaal bebouwingspercentage van 25% van het achtererfgebied met een maximale oppervlakte van 150 m². Waarde-Archeologie-3 In de geldende bestemmingsplannen hebben de betreffende gronden een archeologische dubbelbestemming. Deze is overgenomen in dit bestemmingsplan. Binnen deze dubbelbestemming geldt een onderzoeksplicht bij het realiseren van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm. Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden wordt in voorliggend plan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' overgenomen.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
63
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
64
Hoofdstuk 7 7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. Provincie Utrecht Conform het door de provincie Utrecht gehanteerde beleid is het plan voor vooroverleg verzonden aan de provincie. De provincie heeft in haar reactie aangegeven dat het onderdeel Groen Groeit Mee (GGM) concreter opgenomen moest worden in het plan. De maatregelen voor GGM zijn vervolgens concreet met de provincie kortgesloten en opgenomen in het plan. Veiligheidsregio Utrecht (Vru) De Veiligheidsregio Utrecht (Vru) is eveneens om advies gevraagd. Op 21 oktober 2024 heeft de Vru een advies uitgebracht. De aanbevelingen uit dit advies zijn verwerkt in voorliggend bestemmingsplan.
Waterschap Vallei en Veluwe Op 26 juni 2023 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vallei en Veluwe. De conclusie van die digitale toets is dat de normale procedure moet worden gevolgd en dat er over een viertal onderwerpen advies moet worden gevraagd, dat betreft in het algemeen, de toename van de verharding, leggerwatergang en de riooltransporleiding. De aanpassingen van het plan die tussen ontwerp en vaststelling zijn doorgevoerd en de daarmee samenhangende gewijzigde toename van verharding en bergingsmogelijkheden zijn in oktober 2024 afgestemd met het waterschap. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.
7.2
Inspraak
Voor deze woningontwikkeling heeft uitgebreide participatie plaatsgevonden in de vorm van een eerste presentatie (januari 2022) en de uitnodiging aan de omwonenden om in gesprek te gaan met de initiatiefnemers. Deze reacties zijn samengevat en hebben al dan niet tot aanpassing geleid. In februari 2023 was er een inloopbijeenkomst georganiseerd voor iedereen met interesse in dit plan. In Bijlage 17 is het participatieverslag opgenomen.
7.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 28 december 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn zestien zienswijzen binnengekomen. Een overzicht van de zienswijzen en de beantwoording hiervan zijn opgenomen in de zienswijzennota, opgenomen in Bijlage 18.
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
65
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01
66
Regels
bestemmingsplan Achterberg West fase 2 NL.IMRO.0340.BPAchterbergW2-VA01