Bijlage 2 Rapport behorend bij Archeologische beleidskaart Rhenen
Tekst van het document
4.10.3 De Tweede Wereldoorlog: algemeen Tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben zich binnen de gemeente Rhenen grootschalige oorlogshandelingen voorgedaan. Het gaat daarbij met name om gevechten in de meidagen van 1940, waarbij door de Nederlandse verdedigers gepoogd werd een doorgang naar het westen onmogelijk te maken. De gevechten om de Grebbeberg hebben daarbij een haast mythische status gekregen in de naoorlogse geschiedschrijving over de Duitse invasie van Nederland, waarbij het al dan niet moedige optreden van de verdedigers en Duitse oorlogsmisdrijven altijd twistpunten zijn gebleven.174 Tijdens de Tweede Wereldoorlog vonden er diverse vliegtuigcrashes plaats in het gebied, waarbij een deel een mogelijke archeologische weerslag heeft. Tijdens de Duitse bezetting werden diverse percelen binnen de gemeente gevorderd voor de Duitse Wehrmacht, onder andere voor de inrichting van een munitiedepot en een benzinedepot. In 1944 en 1945 zijn er door de Duitse bezetter voorbereide stellingen aangelegd langs Nederrijn en is de Grebbelinie op kleine schaal herbewapend. Deze stellingen waren ingericht als opvangstellingen ten behoeve van het afslaan van doorgebroken geallieerde eenheden en bestonden hoofdzakelijk uit aarden veldstellingen.
Vanaf het begin van de geallieerde operatie Market Garden kende de gemeente Rhenen de aanwezigheid van diverse Duitse fronteenheden, waaronder een eenheid grotendeels bestaande uit Nederlandse vrijwilligers in de Waffen-SS. Na de bevrijding, als gevolg van de capitulatieonderhandelingen in mei 1945, is een aantal percelen in de gemeente tijdelijk ingericht geweest als krijgsgevangenkamp voor ontwapende Duitse troepen. Al deze fasen hebben hun sporen nagelaten in het landschap en het bodemarchief.
4.10.4 De Tweede Wereldoorlog: mobilisatie en meidagen 1940 Mobilisatie Enkele dagen voor de Duitse inval in Polen werd het evident dat Duitsland zich ook opmaakte voor een militair ingrijpen in West-Europa. Nederland kon op dat moment niet meer om het oorlogsgevaar heen en kondigde op 24 augustus 1939 de voormobilisatie aan, waarbij 50.000 man onder de wapenen geroepen werden. Enkele dagen later, op 28 augustus, volgde de algehele mobilisatie. Binnen enkele dagen zijn er 280.000 man in actieve dienst. Omdat Nederland het neutraliteitsprincipe hanteerde, vonden er in de eerste maanden nauwelijks schietoefeningen plaats. In plaats daarvan 174
Historiek 2023.
beleidsactualisaties Rhenen
77
werd er begonnen met de aanleg en uitbreiding van verdedigingsstellingen die een dreiging vanuit het oosten moesten tegengaan. De verdediging werd ingericht in een aantal (deels reeds bestaande) successieve linies, waaronder de Maaslinie, de Peel-Raamstelling, de IJssellinie, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Grebbelinie. Deze laatste werd in de mobilisatieperiode uitgebreid en herbewapend. In de directe omgeving van het grondgebied van Rhenen werden verdedigingsstellingen aangelegd onder het Tweede Legerkorps.175 Herbewapening, inrichting en bemanning van de Grebbelinie De modernisering van de Grebbelinie vond grotendeels plaats volgens de Franse defensieve doctrine, waarbij sterk gestoeld werd op successieve infanteriestellingen, met name bestaande uit loopgraven. Deze zouden conform die doctrine in drie lijnen worden aangebracht: de frontlijn, de stoplijn en een derde opvanglinie. In de omgeving van Rhenen werd besloten de afstand tussen de front- en stoplijn te vergroten op basis van de lokale landschappelijke eigenschappen. Omdat deze lijnen zo ver uit elkaar lagen, soms wel een kilometer, werden er op verschillende plekken tussenliggende verdedigingsstructuren aangebracht. Er werden tussen deze linies geen verbindingsloopgraven aangebracht.
Daardoor werd het in de praktijk moeilijker voor de eenheden in de stoplijn om de frontlijn te ondersteunen, en werd ook het richten van artillerievuur lastiger. Een derde opvanglinie werd geplaatst achter de bestaande spoorwegbedding die van zuid naar noord door het gebied van de huidige gemeente loopt. Deze derde linie bestond uit losliggende infanteriestellingen, commandoposten en bevoorradingsposten.176 De frontlinie, die ten noorden van de Grebbeberg ook vaak uit losliggende elementen bestond, was voorzien van kazematten. Deze kazematten, van het G-type (gietstalen koepel) en S-type (‘stekelvarken’), waren voorzien van lichte of zware mitrailleurs. Voorts waren langs mogelijke opmarsroutes, zoals langs de verharde wegen, kazematten en stellingen voor pantserafweergeschut aangebracht. Tussen en voor de weerstandslijnen waren in de regel, maar niet altijd, versperringen aangebracht, waaronder prikkeldraadversperringen. Communicatiemiddelen waren tijdens de inrichting van de linies niet voldoende voorradig, waardoor de communicatie tussen de linies bemoeilijkt werd. Dit zou de verdedigers in de Meidagen van 1940 parten gaan spelen. Langs de gehele Grebbelinie waren, net zoals in eerdere bouwfasen van de linie, inundatievlakken voorzien. Op drie plekken waren deze inundaties echter niet (voldoende) mogelijk.
In deze zogenaamde accessen, bij Amersfoort, Veenendaal en de Grebbeberg, was inundatie dus grotendeels uitgesloten en was de verdediging kwetsbaarder voor grondaanvallen. Dat was ook de reden dat het Duits opperbevel besloten had om op deze laatste locatie hun doorbraakpoging door de Grebbelinie te concentreren. In deze accessen waren extra defensieve maatregelen voorzien en aangebracht, zoals een tankgracht en voorposten. Deze voorposten, vooruitgeschoven stellingen, waren niet voorzien van zwaardere wapens en bestonden grotendeels uit veldstellingen, maar waren wel in de diepte aangebracht zodat de vuurkracht van de verdedigers in theorie geoptimaliseerd was. Dergelijke voorposten werden dus ook aangebracht in het vlakke gebied tussen de Grebbeberg en Wageningen. In de praktijk bleken deze posten echter grotendeels waardeloos, aangezien er grote aantallen obstakels tussen de individuele stellingen aanwezig waren. Daardoor was er geen overlappend en elkaar dekkend schootsveld en kon de aanvaller dus relatief gestructureerd te werk gaan om de stellingen op te rollen. Voorts waren de zware wapens van de twee compagnieën die de voorposten moesten bezetten geconcentreerd opgesteld, in plaats van verdeeld over de voorposten.
Omdat Rhenen, gezien het gebrek aan inundaties, gezien werd als een kwetsbaar punt, werden rond het access relatief veel zware wapens geplaatst, waaronder vuurmonden van 7,5, 10,5 en 12 cm. Op de Grebbeberg zelf waren zes batterijen artillerie opgesteld. Deze artillerie was bedoeld om ondersteuning te leveren op de korte en middellange afstand. In contrast met de artillerie was er een groot gebrek aan luchtdoelgeschut en lichtere luchtafweerwapens. Er was bijvoorbeeld slechts één zware batterij luchtdoelartillerie met drie stuks Vickers 75 mm aanwezig rond Rhenen. Naast deze materiele zaken was er een relatief groot aantal manschappen beschikbaar om de stellingen te bemannen. Door de inrichting van de drie opeenvolgende linies was er echter niet genoeg bewegingsruimte om alle manschappen effectief in te zetten. Wel waren er enkele tactische reserve-eenheden aanwezig die gebruikt konden worden voor, bijvoorbeeld, kleinschalige tegenaanvallen. De verdediging van de Grebbeberg werd toegewezen aan het 8e Regiment Infanterie (8RI), dat ondersteund werd door het 19e Regiment Infanterie (19RI) en een gedeelte van het 11e Regiment Infanterie (11RI). Deze eenheden vielen onder de 4e Divisie, dat weer viel onder het Tweede Legerkorps. De individuele compagnieën werden in de diepte in de Grebbelinie opgesteld, met een wat grotere concentratie in de frontlijn.
Het hoornwerk werd tijdens de mobilisatie eveneens gemoderniseerd met infanterie- en pantserafweerstellingen en werd ingedeeld in drie compartimenten. Elk compartiment werd bemand door ongeveer 100 militairen. Binnen Ouwehands Dierenpark bevond zich verder een bataljonshoofdkwartier en verschillende steunpunten.177 175 176 177
78
Amersfoort & Kamphuis 2010, 35-88. De slag om de Grebbeberg en Betuwestelling in mei 1940 2023; Amersfoort & Kamphuis 2010, 35-88, 261-320. De slag om de Grebbeberg en Betuwestelling in mei 1940 2023; Amersfoort & Kamphuis, 35-88.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
Afb. 4.28 Een luchtfoto van een Nederlandse artilleriestelling (rode kaders) aan de Achterbergse Straatweg in de winter van 1939-1940 (bron: NIMH, objectnummer 2155_008058, bewerkt).
Meidagen 1940 De Tweede Wereldoorlog begon voor Nederland in de vroege ochtend van 10 mei 1940. Tijdens het zorgvuldig voorbereide Fall Gelb overschreden Duitse troepen de landsgrens en landde parachutisten rond diverse high profile doelen, waaronder vliegveld Waalhaven bij Rotterdam en bij de Moerdijk. Op diverse plekken in het land hielden de vaak slecht getrainde Nederlandse troepen tijdelijk stand. Toen de Duitse opmars bij Rotterdam leek te stagneren, besloot de Duitse legerleiding om de stad te bombarderen. Uit vrees voor meer bombardementen ging de Nederlandse opperbevelhebber, Henri Winkelman, op 15 mei over tot capitulatie.178 Een van de speerpunten van de Duitse aanval op Festung Holland was het doorbreken van de verdediging van het westen van Nederland, een successieve doorbraak door de IJsselinie en het oostfront van de vesting Holland. Daarbij hoorde dus ook een doorbraak door de Grebbelinie. De aanval op de Grebbelinie zou uitgevoerd worden door het Duitse X. Armeekorps onder General der Artillerie Christian Hansen. De aanvalsmacht bestond uit de 227. Infanterie Division die aangevuld was met, onder andere, het SS-Leibstandarte Adolf Hitler en de 207. Infanterie Division, aangevuld met SS-Standarte Der Führer. Deze laatsten zouden ingezet worden tegen de Grebbelinie bij Rhenen. Op 10 mei 1940 doorbrak het X.
Armeekorps de IJssellinie, onder andere bij Westervoort en Doesburg, waarna SS-Standarte Der Führer in de avonduren van de eerste oorlogsdag Wageningen wist te bereiken.179 Verder was op diezelfde dag een groot deel van de burgerbevolking van Rhenen en omstreken geëvacueerd conform een goed voorbereid vooropgezet plan. Het idee was dat de evacuees naar Goeree-Overflakkee gebracht zouden worden, maar door de gevechten bij Rotterdam bleek dit niet mogelijk. Veel evacuees kwamen daarom terecht rond Krimpen aan de Lek. 180 In de vroege ochtenduren van 11 mei opende Duitse artillerie het vuur op de voorpostenlinie tussen Wageningen en Rhenen. Dit vuur zorgde voor een danige onderbreking van de Nederlandse communicatielijnen met deze vooruitgeschoven posten en wist een aantal van die posten effectief uit te schakelen. Bij zonsopkomst opende SSStandarte Der Führer het vuur over de breedte van het gehele front. De SS-Standarte zette vervolgens de aanval in met twee bataljons en een bataljon in reserve. De noordelijke voorposten wisten maar moeilijk stand te houden tegen het 178 179 180
NIMH, toeg.nr. 418, inv.nr. 28 t/m 115. Amersfoort & Kamphuis 2010, 261-320; Minjon (red.) 2015, 86-159; Brongers 1971; Beekman & Kurwoski 1981, 155-182. Jacobs 2008, 422-429.
beleidsactualisaties Rhenen
79
eerste bataljon, waardoor een deel van de bemanning vluchtte naar boerderij De Kruiponder. Ondanks dat de rest van de Nederlandse secties relatief goed stand wisten te houden, zorgde dit incident voor instabiliteit in de verdediging. Door gebruik te maken van deze meevaller en de obstakels die in het terrein aanwezig waren wisten de aanvallers de voorposten systematisch op te rollen, door telkens omtrekkende bewegingen te maken en de losse secties in te sluiten. Vooral de tegenstand van de 1e sectie, die zich op de zuidelijke flank bevond, legde geen windeieren voor de Nederlanders en stuitte na overgave op hard optreden van de SS’ers. Uiteindelijk bleef alleen nog de sectie van sergeant-majoor Blom weerstand bieden in de voorpostenlijn. Na hevige tegenstand geleverd te hebben gaf ook deze positie zich rond 17.30 over. Door deze relatief voordelige gang van zaken was het II. Bataillon van Der Führer van plan om nog rond 22.00 diezelfde avond een aanval te pogen op de frontlijn.181
Afb. 4.29 Verwoesting in Rhenen na de gevechten in mei 1940 (bron: NIMH, objectnummer 2000-1438-045).
Generaal Haberts, commandant van het Tweede Legerkorps, had inmiddels bevolen tot het heroveren van de voorposten. Dat zou uitgevoerd moeten worden door een aanval van II-19RI met ondersteuning van elementen van III8RI die vanaf de Rijn aan wal gezet zouden worden door het schip Hr.Ms. Freyr. Tijdens het oprukken van III-19RI langs het hoornwerk werd de eenheid onder vuur genomen door 8RI, dat geen idee van de tegenaanval had. Verder was ook de Freyr niet komen opdagen. Door deze tegenslagen had de aanval geen schijn van kans. Tegelijkertijd was de Duitse aanval, die gepland was voor 22.00, eveneens komen te vervallen. De hele nacht en de ochtend van 12 mei werd er door Duitse batterijen artillerievuur afgegeven vanaf posities rond Wageningen. Kort na het middaguur werd het vuur geconcentreerd op het hoornwerk en het voorste deel van de Grebbeberg zelf. Om 12.40 zette het II. en III. Bataillon van het SS-regiment de aanval in op de in chaos verkerende, deels teruggetrokken en munitieloze verdedigers van 8RI. Het hoornwerk werd daarbij relatief snel onder Duitse controle gebracht, terwijl de aanval verder doorgezet werd langs de ‘holle weg’ tussen Wageningen en Rhenen, de Grebbeberg op.
Daarbij werden enkele kazematten die de holle weg zekerden van achteren aangevallen en buiten werking gebracht, waardoor Der Führer een sterk bruggenhoofd had gecreëerd aan de oostzijde van de Grift. Dit bruggenhoofd werd vervolgens naar het noorden en westen toe uitgebreid. Aan de westzijde werden nog enkele kazematten uitgeschakeld voordat de stoplijn werd bereikt. De holle weg lag echter nog onder flankerend vuur van secties van het II bataljon van 8RI, waardoor de I. Bataillon van Der Führer genoodzaakt was deze flank aan te vallen, waardoor paniek uitbrak en de Nederlandse verdedigers zich terugtrokken.
181
80
Amersfoort & Kamphuis 2010, 261-320; Minjon (red.) 2015, 86-159; Brongers 1971; Beekman & Kurwoski 1981, 155-182.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
In de avond van 12 mei hadden de Duitsers de controle over de frontlijn van 1-II-8RI en het hele gebied voor de stoplijn van I-8RI. Een beroemd geworden incident op die dag was de tegenaanval van reserve-majoor Jacometti, commandant van II-8RI. Hij besloot de aanvallers met een gerichte kleinschalige actie van de berg ‘te werpen’ en ‘er met de blanke klewang op in te gaan’. Door slechte coördinatie en een onderschatting van de tegenstander, waarbij ook nog eens eigen vuur werd afgegeven, mislukte de aanval jammerlijk. Jacometti sneuvelde zelf bij deze actie toen hij een stuk bouwland overstak.182 Naast deze tegenaanval vonden er nog enkele andere soortgelijke acties plaats, die echter allemaal onsuccesvol bleken. In diezelfde avond zette de III. Bataillon van de Standarte, onder Obersturmbannführer Wäckerle, de aanval richting het westen langs de weg naar Rhenen voort. Ze wisten daarbij zo ver te komen als de Stoomhamer bij de spoorwegovergang vlak voor de stad. Door deze snelle opmars brak er paniek uit bij de troepen die nog standhielden op de Grebbeberg, waardoor een deel van hen richting Rhenen vluchtte. 183
Afb. 4.30 Overzicht van drie dagen strijd op de Grebberg met in rood de Duitse aanvalsrichtingen, in zwart de Nederlandse bewegingen (bron: Sectie Krijgsgeschiedenis van den Generalen Staf 1947, via De Slag om de Grebbeberg en de Betuwestelling in Mei 1940).
Na een nacht van verwarring werd er op 13 mei een sterke Nederlandse tegenaanval uitgevoerd uit Achterberg richting het zuidoosten, dwars door de linies van 8RI, in een poging om de doorgebroken Duitse troepen terug achter de frontlijn te drukken. Na een inzet van 48 uur werd Der Führer afgelost door het 322. Infanterie Regiment, waarvan twee bataljons op de 13e door Rhenen zouden moeten oprukken. De SS zou gelijktijdig door Achterberg oprukken en contact maken met het 322. Infanterie Regiment in Rhenen. Als gevolg van deze planning zou de aanval direct in contact zou komen met de Nederlandse tegenaanval. Als gevolg van logistieke verwarring trokken de slecht uitgeruste en voorbereide Nederlandse aanvallers pas rond 07.00 op richting het zuidoosten. Rond 11.00 werd een aanval op de Duitse posities uitgevoerd door Nederlandse vliegtuigen, die daarbij een aantal 50 kg bommen wierpen en doelen mitrailleerden. Niet lang daarna maakte de Nederlandse tegenaanval contact met de eveneens oprukkende SS. Door slechte coördinatie en deze onverwachte tegenstand ontaarde de Nederlandse tegenaanval al snel in chaos. Rond 12.30 begonnen de eerste aanvallers zich alweer terug te trekken, en een bombardement door Stuka’s maakte een vroegtijdig eind aan de actie. Ondertussen voerde het 322. Infanterie Regiment de druk op de stoplijn flink op.
Hun tweede aanvalspoging bleek succesvol, deze sloeg een gat in de stoplijn en wist die vervolgens van achteren op te rollen. Langs de weg naar Rhenen hield alleen de commandopost van I-8RI op het terrein van Ouwehands Dierenpark stand, maar bleek al snel omsingeld. Pas toen alle munitie op was gaf majoor Landzaat, de commandant van de eenheid, zijn mannen toestemming de post te verlaten. Alleen de majoor zelf bleef aanwezig en sneuvelde toen het paviljoen waar hij zich in bevond kapotgeschoten werd.184 182 183 184
De slag om de Grebbeberg en de Betuwestelling in mei 1940 2023. Amersfoort & Kamphuis 2010, 261-320; Minjon (red.) 2015, 86-159; Brongers 1971; Beekman & Kurwoski 1981, 155-182. Amersfoort & Kamphuis 2010, 261-320; Minjon (red.) 2015, 86-159; Brongers 1971; Beekman & Kurwoski 1981, 155-182.
beleidsactualisaties Rhenen
81
Nadat het 322. Infanterie Regiment de Grebbeberg onder controle had gekregen zette het de aanval voort op de Nederlandse stellingen langs de spoorlijn bij Rhenen zelf. Ook deze posities werden effectief aangevallen door Duitse duikbommenwerpers. De aanval had een groot effect op de moraal van de verdedigers, waardoor een groot deel op de vlucht sloeg. Rond 20.30 gaf generaal Van Voorst tot Voorst, de commandant van het Veldleger, gezien de kritieke situatie in Rhenen aan de eenheden in de Grebbelinie opdracht om terug te trekken op de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Later die avond trok het 322. Infanterie Regiment Rhenen binnen. Dat betekende het einde van de gevechten rond Rhenen in 1940. Generaal Winkelman capituleerde uiteindelijk een dag later het gehele Nederlandse leger.185 De gevechten in mei 1940 hebben veel sporen nagelaten in de gemeente. Behalve een zeer gelaagd herdenkingslandschap, met onder andere het Militair Ereveld Grebbeberg en diverse monumenten, zijn er ook grote hoeveelheden fysieke overblijfselen van de strijd aanwezig, zoals restanten van loopgraven en oorlogsschade. Op de Grebbeberg zijn in het verleden reeds meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd, waaronder gravend onderzoek.186 Behalve sporen van de gevechten zelf hebben die gebeurtenissen ook verder van het front sporen nagelaten.
Door Duitse troepen werden er bijvoorbeeld tijdens de gevechten enkele kamers in hotel Rustoord gevorderd ter gebruik als noodhospitaal. Volgens een schrijven aan de gemeente werden deze kamers geheel onder het bloed teruggevonden.187 Gezien de centrale positie die de gevechten om de Grebbeberg in het Nederlands collectief geheugen over de Duitse invasie inneemt, zijn de fysieke sporen van deze gebeurtenissen van groot belang.
4.10.5 De Tweede Wereldoorlog: bezetting Wederopbouw 1940 Na de gevechten in mei 1940 werd er al snel begonnen met de wederopbouw van de stad en de omgeving, die daarbij zeer veel schade had geleden. Een deel van de mannelijke bewoners van de omgeving van de Grebbeberg die niet geëvacueerd waren, werd door de Duitsers ingezet om lijken te bergen.188 De mensen die terugkwamen uit de evacuatie en wiens huizen vernield waren, werden in eerste instantie primitief gehuisvest in houten schuurtjes, die met enige regelmaat gebouwd waren van hout dat afkomstig was van de stellingen van de Grebbelinie. Zo werden er tegenover de Veerweg houten winkeltjes gebouwd uit restmateriaal.189 Eten en andere goederen werden gedistribueerd vanuit De Stoomhamer.190 Ook Ouwehands Dierenpark werd herbouwd, waarbij grote aanpassingen gedaan werden aan de inrichting van het terrein. Zo werd de ingang verlegd van de Heimersteinselaan naar de Grebbeweg en werden er nieuwe dierenverblijven gebouwd. Het park zou ook tijdens de bezetting een geliefd bezoekoord zijn voor Duitse militairen, evenals de ernaast ingerichte begraafplaats voor gevallenen.191 Voor de wederopbouw van Rhenen en omgeving werd de in juli 1940 opgerichte Opbouwdienst ingezet. Deze bestond hoofdzakelijk uit gedemobiliseerde Nederlandse militairen.
De organisatie hield zich met name bezig met het opruimen van Nederlandse stellingen en het opbouwen van vernielde panden. In augustus 1940 werd de zogenoemde Grebbecommissie door de commissaris van de koningin van de provincie Utrecht in het leven geroepen. Deze commissie was belast met de technische wederopbouw, de kredietvoorziening en de charitatieve hulp aan de bevolking in de omgeving van de Grebbeberg. Met name de schadevergoeding voor oorlogsgetroffenen bleek problematisch te zijn. Voor Rhenen werd door het gemeentebestuur een wederopbouwplan opgesteld waarin onder andere straatverruiming een prominente plek innam. Met de daadwerkelijke wederopbouw van de stad werd pas begonnen in januari 1941. De geplande nieuwbouw werd pas voltooid in 1943 en de afwikkeling van de schades kon pas in de jaren ’50 geheel worden afgerond.192 In het kader van de wederopbouw vond in de stad tevens archeologisch onderzoek plaats, onder leiding van G.G. Labouchere. 193 Heldenfriedhof Grebbeberg Na de Duitse inname van de Grebbeberg werd er al relatief snel begonnen aan de aanleg van grafvelden, waarin zowel de Nederlandse als Duitse gesneuvelden begraven werden. Gedurende de Tweede Wereldoorlog werden er door de Duitse autoriteiten diverse herdenkingsdiensten gehouden voor de Duitse gesneuvelden, en werden Nederlandse herdenkingsdiensten toegestaan.
Tijdens de bezetting werd het Heldenfriedhof Grebbeberg ook gebruik ter (her)begraving van elders in het gebied van Feldkommandatur 724 (Utrecht) omgekomen Duitse militairen, waaronder uit de Kriegsmarine, Luftwaffe en Heer. Zo werd bijvoorbeeld in december 1941 een jonge Duitse Matrose van de
185
Amersfoort & Kamphuis 2010, 261-320; Minjon (red.) 2015, 86-159; Brongers 1971; Beekman & Kurwoski 1981, 155-182. Bijvoorbeeld Wijnen 2013; Schute 2014. 187 RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1927. 188 Deys et al. 1995, 26. 189 Koekoek-Sloggatt 1985, Koekoek & Deys 1980, z.p. 190 Koekoek-Sloggatt 1985, Koekoek & Deys 1980, 41. 191 Koekoek-Sloggatt 1985, Koekoek & Deys 1980, 44; Deys et al. 1995, 26. 192 Deys et al. 1995, 31-66; Deys 2006, 440-449. 193 Deys et al. 1995, 76. 186
82
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
Kriegsmarine bijgezet die op de 8e van die maand door roodvonk en longontsteking in Arnhem was gestorven. Verder werden er bijvoorbeeld ook piloten bijgezet die op Fliegerhorst Soesterberg om het leven zijn gekomen.194 Schuilgelegenheden en luchtbescherming Direct na de Duitse inval was er een sterkte toename in geallieerde luchtactiviteit boven het bezette Nederland. Zo vonden er bombardementsvluchten plaats op doelen in Duitsland en militaire en industriële doelen in Nederland. Daarbij kwamen er met grote regelmaat bommen terecht op Nederlands grondgebied. Derhalve werden de activiteiten van de civiele Luchtbeschermingsdienst (LBD) sterk uitgebreid. In het kader daarvan werden er ook binnen de grenzen van de huidige gemeente Rhenen schuilgelegenheden aangelegd. Zo werd er in 1943 door het bevoegd gezag een gemeentebrede inventarisatie uitgevoerd van gelegenheden die mogelijk als schuilbunker ingericht konden worden. Meerdere kelders werden als gevolg daarvan als schuilgelegenheid ingericht. Verder bevond zich bij het gemeentehuis een schuilloopgraaf die in 1939 is aangelegd. In 1943 werd deze als ‘niet meer betrouwbaar’ aangemerkt.
Er werden in 1943 plannen gemaakt om deze loopgraaf te vervangen voor een bakstenen schuilbunker, hetgeen door materiaalschaarste waarschijnlijk nooit ten uitvoer is gekomen.195 Verder werden maatregelen doorgevoerd om de LBD verder op sterkte te brengen. Dat betekende onder andere dat de auto’s van zeven Rhenenaren gevorderd konden worden in geval van nood en dat alle schoolhoofden verplicht waren om cursussen luchtbescherming te volgen.196 Dat dit geen overbodige luxe was, blijkt uit meldingen van bombardementen op het grondgebied van de gemeente, zoals in de nacht van 22 op 23 juni 1943. Daarbij vielen ongeveer 43 brandbommen rond de Herenstraat, de Bruine Engeseweg en Grebbeweg. Mogelijk ging het hierbij om een noodafworp. Zo vonden er gedurende de bezettingsjaren met enige regelmaat bombardementen plaats binnen de gemeente. Verder werd er in de zomer van 1944 door de Wehrmacht aan de gemeente opdracht gegeven tot het aanbrengen en onderhouden van Fliegerdeckungsanlagen langs de grote wegen. Zo werden er Deckungslocher aangebracht langs de Cuneraweg en de Rijksweg van Wageningen naar Amerongen. Op 10 augustus 1944 schreef de Ortskommandant van Rhenen dat hem opgevallen was dat de Deckungslocher aan de straat van de Grebbeberg naar Veenendaal steeds dichtgeworpen werden, met de mededeling dat de burgemeester verantwoordelijk was voor de instandhouding van deze gaten.
Naast deze schuilgelegenheden werden er ook diverse panden en structuren gevorderd ten behoeve van de gemeentelijke luchtbeschermingsdienst, zoals de watertoren ‘De Koerheuvel’, die gebruikt werd als uitkijkpost. 197 Vliegtuigcrashes Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het luchtruim boven Nederland internsief gebruikt door overvliegende toestellen van diverse nationaliteiten. In de meidagen van 1940 vonden er diverse luchtgevechten plaats boven Nederland, werden er grote aantallen Duitse toestellen neergehaald door Nederlands afweergeschut en vonden er met grote regelmaat bombardementsvluchten plaats naar diverse doelen, zoals vliegvelden, Nederlandse verdedigingswerken en
Afb. 4.31 De crashplaats van Douglas C-47A Skytrain 42-93001 zoals te zien op een luchtfoto van 8 april 1945 (bron: WUR Geoportal, Flight 028, Run 04, Photo 3059). 194
BArch, toeg.nr. RW 37, inv.nr. 67 en 70. RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1884. 196 Deys et al. 1995, 12-13. 197 RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1884. 195
beleidsactualisaties Rhenen
83
infrastructuur. Direct na de Duitse inval begonnen de Britten, en later ook de Amerikanen, met het uitvoeren van luchtaanvallen op Duitse doelen in Nederland en Duitsland, waarbij de vliegroutes veelal over Nederlands grondgebied lagen. Derhalve is er onder deze vliegroutes een luchtverdedigingssysteem aangebracht ter bestrijding van deze bommenwerpervloten, met name bestaande uit Flak-batterijen (Flieger Abwehr Kanonen, luchtdoelgeschut) en een gordel waarin Duitse jachttoestellen actief waren (zowel tijdens dag- en nachtjacht, waaronder de Kammhuberlinie).
Afb. 4.32 De waarschijnlijke crashplaats van een onbekend Duits toestel die in de nacht van 20 op 21 juli neerstortte te Rhenen. Links is de waarschijnlijke inslagkrater zichtbaar op een foto van 24 december 1944, terwijl de krater op de rechter foto van 26 maart 1944 nog niet te zien is (bron: WUR Geoportal, Flight 125, Run 02, Photo 4127 en Flight 349, Run 01, Photo 3013). Tabel 4.1 Overzicht van op de kaart opgenomen vliegtuigcrashes (waarvan de locatie met zekerheid vastgesteld kon worden). Datum
Type
Eenheid
Nummer
Locatie
6/7 oktober 1942
Halifax Mk. II
No. 405 Squadron
W7763
Ten noorden van de Elsterberg (indicatief)
21/22 december 1942
Avro Lancaster Mk. I
No. 207 Squadron
W4191
De Eikelkamp (Elst)
16/17 juni 1944
Avro Lancaster Mk. I
No. 55 Squadron
LM134
Achterberg
20/21 juli 1944
Onbekend Duits toestel
Onbekend
Onbekend
Achterberg
18 september 1944
Douglas C-47A Skytrain
314 Troop Carrier Group, 61 Squadron
42-92839
Rhenen (uiterwaarden)
18 september 1944
Douglas C-47A Skytrain
314 Troop Carrier Group, 61 Squadron
42-93001
Achterberg198
Mede als gevolg hiervan zijn er op Nederlands grondgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog duizenden toestellen neergestort. Een klein deel hiervan is binnen de grenzen van de huidige gemeente Rhenen neergekomen. Binnen de gemeentegrenzen zijn drie toestellen neergestort die op weg waren naar, of op de terugweg waren van, een bombardementsvlucht op Duitsland. Eén daarvan betrof Avro Lancaster LM134, die na een luchtgevecht neerstortte langs de Oude Veensegrindweg. In de stukken van de Luchtbeschermingsdienst van de gemeente Rhenen wordt daarover gemeld: “In den nacht van 16 op 17 juni 1944 te omstreeks 1.10 uur vond boven de gemeente Rhenen een luchtgevecht plaats tusschen twee vliegtuigen, waarvan door de laaghangende bewolking niet de hoogte, noch de richting waarin werd gevlogen kon worden vastgesteld. Waarschijnlijk ten gevolge van dit gevecht, geraakte een der vliegtuigen in brand en ontplofte in de lucht op geringe hoogte, waarna het brandend neerstortte op den Oude Veenschengrindweg en
198 In een naoorlogs rapport in RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1884 wordt de crash van een Amerikaans toestel op 23 september 1944 gemeld. De Skytrain 4293001 wordt echter niet gemeld. Daarom lijkt het aannemelijk dat genoemd toestel bedoeld wordt.
84
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
gedeeltelijk op bouwland bezaaid met koren en bebouwd met aardappelen. […] Bij onmiddellijk ingesteld onderzoek bleek mij, dat het toestel totaal vernield was […] Levende personen werden ter plaatse niet meer aangetroffen […]”199 Daarnaast zijn er twee Douglas C-47 Skytrains neergestort, één die op de heenweg was voor het droppen van parachutisten op Drop Zone Y bij Ede tijdens Operation Market Garden, en een toestel dat op de terugweg was van diezelfde actie. Op de Militaire relictenkaart zijn uitsluitend vliegtuigcrashes opgenomen waarvan de locatie van neerstorten met (enige) zekerheid kon worden vastgesteld, en waarbij verwacht kan worden dat deze crashes een duidelijke archeologische neerslag kunnen hebben. Zo zijn noodlandingen en toestellen die in de lucht zijn ontploft niet op de kaart opgenomen. Eveneens zijn de arrestaties van geallieerde vliegeniers in de gemeente, zoals op 7 maart 1944 te Elst, niet meegenomen in de analyse.200 Hieronder zijn de crashes vermeld die opgenomen zijn op de kaart.201 NAD-kampen De Nederlandse Arbeidsdienst (Nederlandsche Arbeidsdienst, NAD) was een organisatie die zich bezighield met het uitvoeren van werkprojecten in Nederland tijdens de bezettingsjaren. In eerste instantie was deze werkinzet (Arbeitseinsatz) vrijwillig, maar later werd ze verplicht.
De NAD ontstond uit de Nederlandse Opbouwdienst, die in juni 1940 was opgericht om de ontmanteling van het Nederlandse leger in goede banen te leiden en massale werkeloosheid onder de ex-militairen te voorkomen. Gedurende de oorlog kreeg de NAD een steeds nationaalsocialistischer karakter, en werd de structuur van de organisatie steeds meer gestoeld op die van de Duitse Reichsarbeitsdienst (RAD). Uiteindelijk is binnen de NAD actief geronseld voor de Waffen-SS en het Nationalsozialistisches Kraftfahrkorps (NSKK). De NAD had de beschikking over tientallen barakkenkampen en terreinen verspreid over Nederland.
Afb. 4.33 Een postkaart uit het NAD-kamp De Eikelkamp in Elst. Op de voorgrond is de bureaubarak zichtbaar (bron: collectie Nationaal Oorlogs- en Verzetsmuseum Overloon/Liberty Park, beeldnummer 141544).
Binnen de huidige grenzen van de gemeente Rhenen bevonden zich twee kampen, NAD-kamp De Eikelkamp te Elst en een kamp op de hoek van Nieuwe Veenendaalseweg en de Bergweg. De Eikelkamp, dat eerst een kamp van de Opbouwdienst was geweest, was bedoeld ter legering van de NAD-afdeling 316 en bestond uit een aantal barakken met een centrale tuin en appelplaats en enkele bijgebouwen. Op luchtfotomateriaal van 19 november 1944 is te zien dat
199 200 201
RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1884. RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1884. SGLO crashdatabase 2023; Traces of War 2023; Deys et al. 1995, 87; Z.A. 2015, 68.
beleidsactualisaties Rhenen
85
er op dat moment reeds schuilloopgraven zijn aangebracht op het terrein.202 In de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog, na het vertrek van de NAD, zijn er mogelijk Duitse fronteenheden gelegerd geweest in het kamp. Ten noorden van Rhenen werd voorts in 1943 een barakkenkamp aangelegd voor de Nederlandse Arbeidsdienst. De plannen voor dit kamp werden reeds in 1942 opgesteld. Het kamp bestond uit 14 barakken, een landschapstuin en diverse ondersteunende voorzieningen. Het kamp bevond zich aan de huidige Nieuwe Veenendaalseweg. Op luchtfotomateriaal is te zien dat ook in dit kamp schuilloopgraven aangelegd waren in 1945, hetgeen mogelijk betekent dat het kamp later in gebruik is geweest bij Duitse fronteenheden. Verder is op hetzelfde luchtfotomateriaal zichtbaar dat op dat moment enkele barakken vernield zijn.203
Afb. 4.34 Bouwtekening van het Arbeidsdienstkamp ten noorden van Rhenen (bron: RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1925).
Duitse inkwartieringen en infrastructuur Diverse panden werden tijdens de bezetting gevorderd door de Duitse Wehrmacht of andere Duitse instanties. Verder vonden er binnen de gemeentegrenzen vrij veel inkwartieringen plaats. Zo werden er in augustus 1944 leden van het Spielkörper ‘Das lachende Füllhorn’ van Kraft durch Freude ingekwartierd in de Herenstraat en Bantuinweg.204 Dit reizende cabaret- en variétégezelschap maakte in de zomer van 1944 een tour door Nederland, en speelde onder andere ook in Groningen en Winschoten.205 In diezelfde zomer streek de Kraftfahr-Kompanie z.b.V. 270 neer in de gemeente, die in elk geval tot september 1944 rond de Veenendaalseweg zou verblijven. 206 Een andere opvallende inkwartiering is die van de höherer Wehrmacht-Nachrichten-Führer beim Wehrmacht-Befehlshaber in den Niederlanden, ook in augustus 1944. Het platform van het hotel De Koerheuvel werd meerdere malen door diverse eenheden, waaronder in mei en april 1944 Nachschub-Stab z.b.V.266 en juli en augustus 1944 Kraftfahr-Kompanie z.b.V. 270, als uitkijkpost gevorderd. In september 1944 werd de voltallige bezetting van Strafvollstreckungszug Feld-LuftgauKommando Belgien/Nordfrankreich in Hotel De Grebbeberg ondergebracht. Deze eenheid was belast met de tenuitvoerbrenging van straffen, zoals executies.
Eind september streek de Oberfeld-Kommandantur 672 (Brussel) voor enige dagen neer in Rhenen, mogelijk omdat de Kommandatur rond dit moment onder geallieerde druk terug moest trekken uit België.207 In april 1944 werden er enkele stukken bos bij de Sparreboomsche Berg gevorderd door Nachschub-Stab z.b.V.266 voor het “Splittersicheren Eingrabens von LKW’s mit guter Tarnung”.208 Van deze zogenoemde Splitterboxen zijn tegenwoordig nog steeds sporen in het landschap waar te nemen.209 Ook hebben Duitse eenheden infrastructuur aangebracht en in stand gehouden, zoals aan het einde van 1944 een veer over de Nederrijn bij Remmerden.210 Armee Munitionslager Marlen, munitiedepot Prattenburgse Bos en benzinedepot Willem III plantage In de bossen van Amerongen bevond zich gedurende de Tweede Wereldoorlog een Duits munitiedepot, ArmeeMunitionslager (AML) ‘Marlen’. Dit was min of meer een voortzetting van de Nederlandse vooroorlogse depots bij Amerongen en Remmerden. Het depot van Remmerden is tijdens de bezetting voor zover bekend niet gebruikt voor 202
Van Breen 2004; WUR Geoportal, Flight 064, Run 11, Photo 3140; Deys 1995, 113; RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1927. Van Breen 2004; WUR Geoportal, Flight 028, Run 06, Photo 3105; Deys 1995, 113; RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1927. 204 RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1927. 205 Deutsche Zeitung in den Niederlanden, 17 juni 1944 via Delpher 2023. 206 RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1927. 207 RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1927. 208 RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1925. 209 Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) 2023. 210 NIMH, toeg.nr. 575, inv.nr. 224.
203
86
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
munitieopslag, maar mogelijk wel voor de opslag van brandstof. Door het verzet werden tijdens de Tweede Wereldoorlog observaties gedaan rond het depot in Amerongen. Daarbij werd vastgesteld dat de infrastructuur bestond uit deels ingegraven ‘houten bunkers’ en geheel ingegraven bunkers. De ingang van het complex was waarschijnlijk gelegen aan de zuidwestelijke hoek van het bos richting Amerongen. Het depot voorzag in de behoeften van diverse Festungen, zoals Festung Den Helder en Hoek van Holland en fronteenheden.211 In maart 1944 stond Marlen in dienst van Kampfgruppenverband Mitte, Kampfgruppe Mai en Kampfgruppe Nijmegen.212 Op 1 mei 1944 bevond zich 5.120 ton en op 1 augustus 1944 netto 3.733 ton munitie in het AML.213 Het depot gaf in september 1944 onder andere munitie uit aan de eenheden van Von Tettau en Duitse eenheden die ingezet waren voor de blokkade van de geallieerde opmars naar het noorden langs het Albertkanaal. In september en oktober van dat jaar bestond de bemanning van het depot in elk geval uit Nachschub-Kompanie 3/518 (NLD) en Munitions-Verwaltungs-Kompanie 622. Deze ressorteerde onder Stab von Allweyer in Zeist. Tevens bevond zich hier op dat moment eveneens een Holzlager. 214 Tijdens de gevechten bij Arnhem in september 1944 werd er uit AML Marlen munitie uitgegeven aan, onder andere, Division Tettau en het II. SS. Pz.
Ak.215 Na Market Garden leverde het depot aan de 15. Armee (AOK 15). Op 3 oktober werden bijvoorbeeld 2.000 Eihandgranaten 39 en 1.000 brisantgranaatpatronen in het kaliber 7,5 cm voor de PaK 40 en twee dagen later nog eens onder andere 48.000 Schützenminen en 1.000 Hafthohlladungen aan het AML toegewezen voor uitgave aan het AOK. In oktober werd er in AML Marlen eveneens tijdelijk buitgemaakte munitie opgeslagen, dat door ‘Fehlens der beiden angekündigten Feldzeug-Kp.’ moeilijk elders ondergebracht kon worden.216 Gedurende november 1944 werd het depot geleidelijk geëvacueerd naar het verder van het front gelegen AML Motte in Salland, waarna het op 21 november te boek stond als ‘aufgelöst’.217 Een dag eerder zou er echter nog 676 ton munitie opgeslagen hebben gelegen. Op 11 december 1944 melde ook de 15. Armee dat het depot verlaten was.218 De restmunitie werd verdeeld over andere AML’s in het achterland en de munitie bestemd voor de kustbevoorrading werd op 4 november overgebracht naar het voormalige brandstofdepot in Woudenberg (ABL Bella).219 Ook in het noorden van het bosgebied bevond zich een munitieopslagplaats. Deze locatie in het Prattenburgse Bos wordt vermeld in verzetsbronnen en is eveneens zichtbaar op luchtfotomateriaal van 8 april 1945.
220 Op 3 mei 1944 werd door het verzet gemeld dat er ‘grote hoeveelheden munitie’ opgeslagen lagen op deze locatie en dat het terrein met prikkeldraad omheind was en zeer streng werd bewaakt.221 Op 30 mei van dat jaar werd er gemeld dat er op station Veenendaal zeer veel munitie arriveerde ter opslag in het Prattenburgse Bos, in allerlei kalibers maar met name kleinkalibermunitie. De overige munitie werd verder getransporteerd naar Rhenen en was bestemd voor het depot in de Amerongse Bossen (AML Marlen).222 In gemeentebronnen wordt gemeld dat het terrein reeds in juni 1941 ‘für Wehrmachtzwecke’ is gevorderd door de Wehrmacht via de Wehrmachtskommandatur Amersfoort. Gelijktijdig werden ook enige panden aan de Cuneraweg gevorderd. In maart 1944 werden verder enkele panden langs de straat Veenendaal-Elst gevorderd door het Marine Artillerie Zeugambt.223 Mogelijk hield het depot dus verband met marineartillerie.
Op 20 november 1944 werden naast het terrein als represaille op een vuurgevecht twee dagen eerder zes verzetsmensen uit de strafgevangenis van Utrecht doodgeschoten door een vuurpeloton, dat onder andere bestond uit leden van het Marine Artillerie Zeugambt.224 Op 3 maart 1944 lag echter ook Nachschub-Kompanie 4/518 (NLD) in Veenendaal.225 De derde compagnie van die eenheid bevond zich op dat moment in het munitiedepot in Amerongen, hetgeen wellicht een indicatie is dat het depot in de Prattenburgse Bos mogelijk onder AML Marlen viel. Er zijn tegenwoordig op de locatie van het depot nog sporen zichtbaar in het landschap. In de laatste maanden van 1940 en het begin van 1941 bevond zich eveneens een benzinedepot in de Willem III plantage te Elst. Deze werd bewaakt door Landesschutzen-Regiment 177 en viel onder de Oberquatiermeisterabteilung Belgien. Op 14 maart 1941 werd het depot door de Duitse bezetting verlaten.226
211
Schriftelijke mededeling dhr. M. Reinders, 2 augustus 2023. BArch, toeg.nr. RW 37, inv.nr. 45. 213 AOK 25: Anlagen zum KTB der Oberquartiermeisters – Kriegsgliederungen u.a. (1). Staatsarchief van de Russische Federatie; BArch, toeg.nr. RW 37, inv.nr. 45. 214 AOK 25: Anlagen zum KTB der Oberquartiermeisters – Kriegsgliederungen u.a. (1). Staatsarchief van de Russische Federatie. 215 KTB Oberkwartiermeister Wehrmachtsbefehlshaber in den Niederlanden 01-07-1944 t/m 31-12-1944, Staatsarchief van de Russische Federatie. 216 KTB Oberkwartiermeister Wehrmachtsbefehlshaber in den Niederlanden 01-07-1944 t/m 31-12-1944, Staatsarchief van de Russische Federatie. 217 Schriftelijke mededeling M. Reinders, 2 augustus 2023; KTB Oberkwartiermeister Wehrmachtsbefehlshaber in den Niederlanden 01-07-1944 t/m 31-121944, Staatsarchief van de Russische Federatie. 218 AOK 25: Anlagen zum KTB der Oberquartiermeisters – Kriegsgliederungen u.a. (1). Staatsarchief van de Russische Federatie. 219 Schriftelijke mededeling M. Reinders, 2 augustus 2023; KTB Oberkwartiermeister Wehrmachtsbefehlshaber in den Niederlanden 01-07-1944 t/m 31-121944, Staatsarchief van de Russische Federatie. 220 WUR Geoportal, Flight 028, Run 02, Photo 4023. 221 NIMH toeg.nr. 575, inv.nr. 393. 222 NIMH, toeg.nr. 575, inv.nr. 416a. 223 RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1925. 224 Van den Heuvel 2015, 133-139. 225 BArch, toeg.nr.
RW 37, inv.nr. 132. 226 RAZU, toeg.nr. 244, inv.nr. 1925 en 1927. 212
beleidsactualisaties Rhenen
87
Luchtdoelartillerie Tijdens de Duitse bezetting werden er rond belangrijke doelen en onder aanvliegroutes naar doelen in Nederland en Duitsland op diverse plekken maatregelen genomen tegen vliegtuigen, waaronder het aanleggen van grote hoeveelheden Flak-stellingen. Verder werd er in de regel ook luchtdoelgeschut geplaatst in de directe nabijheid van belangrijke infrastructurele objecten, zoals bruggen, veren en belangrijke kruispunten. Ook in de directe omgeving van Rhenen werden luchtdoelbatterijen opgesteld, bestaande uit luchtdoelgeschut in het kaliber 2 cm. Deze Flak werd ingezet tegen laagvliegende toestellen, en werden vaak dicht bij potentiële doelwitten geplaatst. Zo werd er aan het einde van 1944 licht luchtdoelgeschut geplaatst bij Remmerden, aan de noord- en zuidzijde van de Nederrijn, ter bescherming van het veer aldaar.227 Op 28 oktober 1944 kwam een Duitse luchtdoelartillerist van de 4./le. Flak. Abt. 668 (v) door een treffer van een granaatscherf in zijn achterhoofd om in Rhenen, hetgeen een indicatie is dat deze eenheid op dat moment eveneens ingezet was in de omgeving.228 Onderduiklocatie ‘De Put’ Binnen de gemeente Rhenen vond tijdens de Tweede Wereldoorlog het nodige verzet tegen de Duitse bezetting plaats. Zover bekend vond de eerste organisatie van het verzet in 1943 plaats, toen voormalig onderofficier Drost in contact kwam met de heren Prak en Westera.
Zij besloten een kleine organisatie op te richten om spionageactiviteiten te ondernemen. Deze organisatie groeide door en was uiteindelijk waarschijnlijk gelieerd aan de Groep Albrecht. Na Market Garden in september 1944 werd het onderbrengen van onderduikers, wapens en andere voorraden in de bestaande onderduiklocaties te gevaarlijk geacht en werd er in samenwerking met de Knokploeg Veenendaal begonnen met de aanleg van een tweetal overdekte putten met een afmeting van circa 4,5 bij 4,5 meter op het landgoed Prattenburg. Een put werd bestemd als onderkomen, terwijl de andere bedoeld was voor de opslag van wapens en munitie. In het onderkomen werden twaalf britsen geïnstalleerd, die op sommige momenten door maar liefst zestien man in beslag werden genomen. Vanuit ‘de put’, zoals de onderduikholen bekend stonden, werden ook sabotageacties uitgevoerd. Zo werd in 1945 een deel spoorlijn opgeblazen tussen Rhenen en Amersfoort, net ten oosten van Veenendaal. In februari 1945 werd de schuillocatie bekend bij de bezettingsautoriteiten. De verzetsgroep werd echter op tijd gewaarschuwd en wist het complex daags voor de inval te evacueren.229 Afb. 4.35 Foto van de ingang van een van de schuilgaten van onderduiklocatie ‘De Put’ (bron: Z.A. 2015, 57).
4.10.6 De Tweede Wereldoorlog: Frontperiode Duitse verdedigingswerken Na de rampzalige terugtocht van Duitse troepen uit Frankrijk werd er in augustus en september 1944 in allerijl begonnen met de organisatie van de verdediging van Nederlands en Duits grondgebied. Halsoverkop werden er eenheden gemobiliseerd in Duitsland, die gaten in de verdediging moesten opvullen langs de grens met België. Tegelijkertijd werd er begonnen met de aanleg van enkele ad-hoc verdedigings- en opvanglinies in Nederland, met name langs de 227 228 229
88
NIMH, toeg.nr. 575, inv.nr. 224. BArch, Graberkartei Werner Borgelt G-B 271/1397. Deys et al. 1995, 140-147.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
grote waterwegen. Veel van deze verdedigingslinies kunnen gezien worden als een uitbreiding van de Westwall, gelegen langs de westgrens van Duitsland. Deze linie is gebouwd in de jaren ’30 en 1940, en was in 1944 dermate verouderd dat deze in de diepte moest worden uitgebreid en herbewapend moest worden. Verder hield de Westwall in noordelijke richting op ter hoogte van Kleve, hetgeen betekende dat er voor de geallieerden een kans bestond om deze te omzeilen. Derhalve werd er vanaf augustus 1944 gepoogd dit gat te dichten door het aanbrengen van aanvullende linies in Nederland en Duitsland, zoals de Holland-Stellung en de Leuwe-Stellung. Deze uitbreiding en herbewapening werd uitgevoerd door Duitse eenheden, dwangarbeiders, Duitse reservisten, Reichsarbeitsdienst, Organisation Todt en Hitler Jugend. Duitse eenheden die aan deze stellingen werkten, waren vaak ingericht als Kampfgruppe, wat betekende dat ze behalve een genierol ook een gevechtsrol konden vervullen. Zo kon het voorkomen dat eenheden die stellingen aan het aanleggen waren, tegelijk ingezet werden in gevechtssituaties.230 Ook in de omgeving van de huidige gemeente Rhenen werden onder dit programma verdedigingswerken aangebracht. Zo werd min of meer parallel aan de Grebbelinie de Panther-Stellung aangebracht.
De aanleg van deze linie viel hier onder verantwoordelijkheid van Stab Knaus, later Festungs-Pionier-Stab 32. Dat de linie grotendeels pas zeer laat is aangebracht, blijkt uit het feit dat er op 25 januari 1945 pas tien MG- en mortierstellingen, één onderkomen en 56 Panzerdeckungslöcher opgeleverd waren. Een maand later was 46% van de stelling slechts Ungenügend Ausgebaut, terwijl geen enkel deel van de stelling volledig klaar was. De Panther-Stellung liep in de omgeving van Rhenen grofweg langs de Bisschop Davidsgrift, met het schootsveld richting het zuidwesten. Daarmee kwamen de oude inundatievelden van de Grebbellinie voor de Panther-Stellung te liggen. Dat betekent dus dat vrijwel alle structuren van deze linie net buiten het huidige grondgebied van de gemeente Rhenen aangelegd zijn. Wel zijn er defensieve structuren aangebracht aan de noordzijde van de Nederrijn en op de Heuvelrug, die in eerste instantie voornamelijk bedoeld waren als opvangstelling achter de frontlijn. Daarbij werd ook een aantal oude Nederlandse kazematten van de Grebbelinie weer in staat van paraatheid gebracht.231 In de uiterwaarden van de Nederrijn en in de winterdijk hiervan Afb.4.36 Tekeningen van de theoretische indeling van een loopgraafsysteem (onder) en doorsneden van loopgraven zonder beschoeiing (boven).
In de praktijk werd er met grote regelmaat afgeweken van de voorschriften en werd de indeling van een dergelijk systeem bijvoorbeeld aan de lokale tactische situatie en op voorraad zijnde materialen aangepast (bron: Z.A. 1944, blad 1 en 2).
werden stellingen voor pantserafweergeschut en mitrailleurstellingen gegraven.232 De verdedigingswerken die aangebracht werden bestonden behalve uit betonnen structuren hoofdzakelijk uit veldstellingen, zoals grotendeels aaneengeschakelde loopgraven, mitrailleur- en andere vuurstellingen, onderkomens en vuurstellingen voor mortieren en geschut. Overige structuren Naast verdedigingswerken zijn er binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Rhenen nog enkele andere frontgerelateerde structuren aangebracht. Zo werd er ter hoogte van Remmerden een veer over de Rijn in operatie gebracht. Dit veer was bedoeld voor de oversteek van Duitse fronteenheden die van en naar het front onderweg waren. Zowel aan de noord- als zuidzijde van de Nederrijn werden veerhoofden aangebracht, die aan weerszijde beschermd werden door luchtdoelgeschut. Volgens een verzetsbron uit december 1944 bestond dit luchtdoelgeschut uit zowel ‘4-loops FLAK’ (waarschijnlijk 2-cm-Flakvierling 38) als enkelloops luchtdoelgeschut. De munitie voor dit geschut werd opgeslagen in panden van de steenfabriek aldaar.233 Op luchtfotomateriaal van 19 november 1944 is te zien dat er zich op dat moment
230
Kershaw 2008. BArch, toeg.nr. RH11-III, inv.nr. 197K en 205; NIMH, toeg.nr. 575, inv.nr. 463; Van Zanten 2020. 232 NIMH, toeg.nr. 575, inv.nr. 320. 233 NIMH, toeg.nr. 575, inv.nr. 224. 231
beleidsactualisaties Rhenen
89
reeds veldstellingen voor luchtdoelgeschut bevonden op deze locatie.234 Verder werden enkele panden in de gemeente gevorderd ter onderbrenging van Duitse fronteenheden, waaronder elementen van de 34. SS-Freiwilligen-GrenadierDivision ‘Landstorm Nederland’. Een compagnie van deze laatste eenheid werden bijvoorbeeld ondergebracht in de openbare school van Elst.235 Evacuatie In het najaar van 1944 werd de bevolking van Rhenen, Achterberg en Elst nogmaals geëvacueerd, ditmaal door de Duitse bezettingsautoriteiten. Na het mislukken van Operation Market Garden werd de druk op Duitse eenheden in het gebied groot. Vanaf 1944 bestond er bij het Duitse opperbevel angst voor sabotageacties en belemmerende handelingen vanuit de plaatselijke bevolking in de bezette gebieden. Behalve het beschermen van de burgerbevolking en het vrijhouden van infrastructuur en bebouwing ten behoeve van de eigen handelingsvrijheid waren de angst voor sabotageacties een reden om over te gaan tot evacuatie. Tussen 3 en 22 oktober 1944 werden de burgers stapsgewijs uit het gebied verwijderd. De meeste evacuees kwamen terecht in Amerongen, Leersum, Doorn en Driebergen. Op 15 februari 1945 werd het gedeelte ten westen van de provinciale weg Elst-Veenendaal en het noordelijke deel van Achterberg weer vrijgegeven en mochten de bewoners weer terugkeren.
In maart werden wederom delen van het geëvacueerde gebied vrijgegeven. De rest van de bevolking kon pas na de bevrijding gefaseerd terugkeren.236 Afb. 4.37 Tekening van het veer bij Remmerden zoals opgesteld door Groep Albrecht (bron: NIMH, toeg.nr. 575, inv.nr. 224).
Duitse fronteenheden in Rhenen Vanaf september 1944, tijdens en na het mislukken van operatie Market Garden, viel Rhenen in het militaire achterland van het front in de Betuwe en bij Arnhem. Het bosgebied van de Utrechtse Heuvelrug was uitermate geschikt voor het camoufleren van troepenbewegingen en het gebruik als uitgangsposities voor fronteenheden. Daarom was het in de laatste maanden van 1944 een komen en gaan van Duitse troepen, waarbij op grote schaal veldstellingen zoals onderkomens (ingegraven houten structuren ter onderbrenging van troepen) en Splitterboxen (voor het scherfvrij opstellen van voertuigen) aangebracht werden. In september 1944 bevond zich bijvoorbeeld Afb. 4.38 Tekeningen van ingegraven onderkomens zoals deze in grote getalen tijdens de frontperiode zijn aangelegd. Deze konden op allerlei manieren worden aangebracht en er bestonden diverse standaardtypen. Hier afgebeeld is een onderkomen voor een Gruppe (Gruppenunterstand, links) en een onderkomen voor een halve Gruppe (Halbgruppenunterstand, rechts) (bron: Z.A. 1944, blad 55 en 61).
234 235 236
90
WUR Geoportal, Flight 064, Run 12, Photo 4135. NIMH, toeg.nr. 575, inv.nr. 320. Deys et al. 1995, 114-117.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
de Führungs- und Ausbildungsstab z.b.V. in Rhenen. Zij kregen op 25 september onder andere 2000 Riegelminen, 300 Panzerfäuste, 10 ton prikkeldraad en 5 ton springmiddelen toegewezen.237 In december 1944 heeft het tot infanterie omgevormde Fliegerhorst-Bataillon 2 (Soesterberg) stelling genomen op de Grebbeberg en in Rhenen zelf.238 In januari 1945 bevond zich in elk geval de Panzerjäger-Kompanie van de 6. Fallschirmjäger-Division in Rhenen en in Veenendaal bevond zich op dat moment nog steeds Fliegerhorst-Bataillon 2.239 Naast deze eenheden is er een heel scala aan Duitse eenheden van diverse pluimage door Rhenen en omgeving gekomen. Na en tijdens de nadering van het front werd de verdediging van de regio primair opgenomen door elementen van de 34. SS-Freiwilligen-Grenadier-Division ‘Landstorm Nederland’, dat bestond uit Nederlandse vrijwilligers. De eenheid was overigens al eerder in het gebied ondergebracht geweest en was zelfs in de directe omgeving, in Ede en Veenendaal, gevormd. Na een desastreuse inzet tegen de geallieerde luchtlandingen in september 1944 werden de bataljons van de divisie teruggetrokken naar hun oorspronkelijke legerplaatsen, voor zover die nog niet waren geëvacueerd of door de geallieerden ingenomen, en werden vanaf daar opnieuw ingezet. 240
Afb. 4.39 Lid van 34. SS-Freiwilligen-Grenadier-Division ‘Landstorm Nederland’ na gevangenname in 1945 (bron: NA, toegangsnr. 2.24.01.03, inv.nr. 900-3413).
Geallieerde operaties en de nadering van het front Na de mislukking van Operation Market Garden stagneerde het front tussen Arnhem en Nijmegen, tussen de Nederrijn en de Waal. Dit ‘eiland’ werd door de geallieerde troepen aldaar ‘The Island’ genoemd en zou maandenlang het toneel zijn van hevige gevechten met weinig terreinwinst. Ook Rhenen en omgeving kwamen in deze periode regelmatig onder artillerievuur te liggen. In maart en begin april 1945 was de westkant van het eiland in handen van eenheden van de 34. SS-Freiwilligen-Grenadier-Division ‘Landstorm Nederland’. Tijdens Operation Destroyer, die plaatsvond tussen 2 en 4 april 1945, werd het eiland door de Britse 49th (West Riding) Division, een aantal infanteriebrigades en de Canadese 5th Canadian Armoured Division eindelijk gezuiverd van Duitse troepen en wisten geallieerde troepen in de nacht van 4 op 5 april de laatste Duitse militairen te verdrijven. Daarmee was Operation Destroyer formeel afgesloten.241 De 49th 237
Staatsarchief van de Russische Federatie, toeg.nr. 12473, inv.nr. 610. Staatsarchief van de Russische Federatie, toeg.nr. 12473, inv.nr. 53. 239 Staatsarchief van de Russische Federatie, toeg.nr. 12473, inv.nr. 229. 240 Van Roekel 2020, 249-251. 241 Stacey 1960, 567-568. 238
beleidsactualisaties Rhenen
91
Infantry Division hergroepeerde zich vervolgens voor de aanval op Arnhem met Operation Anger, ook wel bekend als de tweede slag om Arnhem. Ook deze aanval werd geleid door deze divisie met ondersteuning van de 5th Canadian Armoured Division, evenals de Royal Air Force en boten van de Royal Navy. Doordat de Duitse verdedigers goed zicht hadden op de Nederrijn vanaf de hoogtes bij Westerbouwing en het leggen van rookschermen mislukte, werd er besloten Arnhem aan te vallen vanaf de IJssel. Het plan voor Operation Anger bestond uit drie verschillende fasen. Tijdens de eerste fase zou de Britse 56th British Infantry Brigade ’s nachts de IJssel oversteken in Buffalo IV’s van het Ontario Regiment en daarna het oostelijk en zuidelijk deel van de stad zuiveren. In de tweede fase de zou de Britse 146th British Infantry Brigade de hoogtes ten noorden van Arnhem aanvallen en bezetten. In de laatste fase zou de 147th British Infantry Brigade de 56th passeren en de hoogtes ten westen van de stad bezetten, evenals de noordoever van de Nederrijn. Tegelijk met de eerste fase zou er een afleidingsoperatie startten aan de zuidoever van de Nederrijn door de zogenoemde Murphy-Force.
Als alle hoogtes rond de stad veilig in geallieerde handen waren zou de 5th Canadian Armoured Division door de stad oprukken richting het westen.242 In navolging van de start van Operation Cannonshot verder noordelijk bij Deventer, werd Operation Anger eindelijk in gang gezet. Op 12 april werden de Duitse posities bestookt met een enorme artilleriebarrage en door vliegtuigen van de Second Tactical Airforce. In de avond, na vertraging door defecte en ontbrekende stormboten, staken de eerste Britse eenheden de IJssel over. Fase 1 was hiermee in volle gang. Na het Gloucestershire Regiment stak in een tweede golf ook de South Wales Borderers de rivier over onder zwaar Duits artillerievuur. Na de oversteek rukten ze relatief snel op naar de stad, waar het momentum echter verloren ging. Daarom werd ook de 1/7th Battalion (Duke of Wellington) Regiment de IJssel over gestuurd, alhoewel deze eigenlijk pas in fase 3 zouden landen.243 Om 12 uur ’s nachts was een geplande Bailey-brug eindelijk compleet en kon er zwaarder verkeer de IJssel oversteken, waaronder tanks. Hierdoor kon ook fase 2 van de operatie van start gaan. Troepen van de 146th Brigade en tanks van het Ontario Regiment trokken op richting de stad, waarbij er slag geleverd werd bij de Enka-fabriek in het oosten van Arnhem.
Aan het einde van 13 april was het grootste deel van Arnhem in geallieerde handen en was het Duitse verzet grotendeels gebroken. In de ochtend van 14 april stak vervolgens in fase 3 de 147th Brigade de Nederrijn over om vervolgens de 56th Brigade te passeren. In en rond Arnhem werd onder andere nog slag geleverd met Nederlandse eenheden van de 34. SS-Freiwilligen Grenadier-Division ‘Landstorm Nederland’. Aan het einde van de dag waren alle doelen bereikt en was Arnhem bevrijd. Die nacht begon de 5th Armoured Division met haar opmars richting het hoger gelegen gebied ten noorden van Arnhem. De divisie trok onder Operation Cleanser direct door naar het noorden om het gebied tussen Arnhem en het IJsselmeer te zuiveren van Duitsers en de Duitse troepen in West-Nederland af te sluiten.244 Startlijn van de operatie ten zuiden van het plangebied was de Schelmseweg in Arnhem. Bij Otterlo, in het tweede deel van Cleanser, werden de oprukkende geallieerde eenheden in de avond van 16 en 17 april aangevallen door een sterke Duitse troepenmacht die probeerde naar het westen uit te breken, echter zonder succes. 245 De British Colombia Dragoons stootte door naar Voorthuizen, in een poging om de naar het westen doorbrekende Duitse eenheden rond Apeldoorn af te grendelen. De Cape Breton Highlanders wisten Barneveld zonder tegenstand in te nemen.
De Duitse eenheden rond Apeldoorn wisten een tijd lang een smalle corridor tussen het IJsselmeer en de oprukkende geallieerden in stand te houden, die in de morgen van 18 april echter definitief gesloten werd. Een groot deel van de Duitse 6. Fallschirmjäger-Division was echter ontsnapt.246 Tijdens Operation Cleanser rukte de 56th en 147th Brigades op richting het westen, in de richting van Wageningen en Ede. Deze beweging werd ingezet om 18.00 in de avond van 16 april, waarna de 147th op die dag tot ongeveer halverwege Arnhem en Ede wist te komen. De Duitse verdediging was tijdens deze actie vrijwel non-existent en bestond uit een aantal geïsoleerde weerstandsnesten. In de ochtend van 17 april ondervond de eenheid wat meer weerstand in de vorm van scherpschutters, maar na een korte maar felle artilleriebeschieting en een actie met tanks werd Ede in de vroege middag ingenomen. De 56th Brigade trok op via twee assen, richting Wageningen en Bennekom. Aan het einde van de 17e waren zowel Wageningen als Bennekom zonder al te veel weerstand ingenomen. Als gevolg van ‘politieke redenen’, namelijk de angst dat de Duitse verdediger het gebied rond Utrecht zou inunderen met alle gevolgen voor de burgerbevolking van dien, werd besloten halt te houden voor de Grebbelinie, grofweg op de lijn Lunteren, Ede, Bennekom en Wageningen.