CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Rapport behorend bij Archeologische beleidskaart Rhenen

Raadsvergadering 24 september 2024, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Actualisatie archeologische verwachtings- en beleids(advies)kaart Rhenen49.258 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Het slot diende als landsheerlijke vesting tegen Gelre, als bisschoppelijk bestuurscentrum en als gevangenis. Verdedigers van Ter Horst werden gehuisvest tegenover het kasteel in de buurtschap De Dijk. Bewoners van de buurtschap konden in tijden van oorlog hun toevlucht zoeken op het kasteelterrein. In de volgende eeuwen werd het kasteel meerdere malen verpand en werd in 1429 met geweld ontworsteld aan de greep van hertog Arnold van Gelre, om een eeuw later, in 1527, weer in handen van Karel van Gelre te komen. In 1528 werd begonnen met de afbraak van het kasteel. Het kasteel is een wettelijk beschermd archeologisch monument (AMK-terrein 1144). De restanten van het voorterrein en De Dijk hebben een hoge archeologische waarde (AMK-terrein 11544).116 Delen van het kasteel zijn opgegraven (cat.nr. 242 en 667). Langs De Dijk heeft zich de historische kern van Achterberg ontwikkeld.

Afb. 4.8 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de nieuwe tijd.

De ontwikkelingen die in de middeleeuwen waren ingezet zetten zich voort in de nieuwe tijd. De bevolkingsdichtheid nam nog steeds toe met een steeds groter worden druk op het landschap als gevolg. De bevolkingsgroei werd voornamelijk opgevangen in de al bestaande dorpen en in de stad Rhenen, als gevolg waarvan deze zich begonnen uit 114 115 116

Ter Wal 2020, Schute 2010, 11. Brugman et al. 2011, 48-49 (Van Kalveen 2008, 78; Renaud 1995, 259-260).

beleidsactualisaties Rhenen

57

te breiden. Het landbouwareaal breidde zich steeds verder uit en er kwamen nieuwe industrieën op. De ontwikkeling van nieuwe technieken kwam in een stroomversnelling wat een grote impact op de bevolking had. Als gevolg van nieuwe technieken in de landbouw nam de opbrengst per hectare toe waardoor aan de toegenomen vraag kon worden voldaan. Deze ontwikkelingen in de landbouw hadden voor de gemeente Rhenen ook gevolgen. De ontginningen in het veengebied gingen verder. De ingebruikname van veengronden voor akkerbouw doeleinden leidde tot wateroverlast als gevolg van inklinking van de grond. Het betrof wateroverlast vanwege de hoge grondwaterstanden. In de nieuwe tijd kon men dit middels het graven van het Valleikanaal enigszins behappen. Binnen de gemeente Rhenen kwam echter ook een nieuwe vorm van landbouw op vanwege de gunstige ligging op de stuwwal; de tabaksindustrie. Hier zal in paragraaf 4.9.1 nader op worden ingegaan. Na de Tweede Wereldoorlog nam de groei van de dorpen en steden in de regio, net als elders in Nederland, verder toe. Binnen de gemeente Rhenen heeft dat tot een sterke groei van met name Rhenen geleid. Ook Elst is echter sterk uitgebreid. De uitbreiding van Remmerden betrof voornamelijk industrie. Ook Achterberg groeide, zij het in mindere mate. Ook de landbouw intensiveerde na 1950.

Dit kwam vooral tot uitdrukking in grootschalige ruilverkavelingprojecten die het aangezicht van het landschap in sommige delen van de regio sterk hebben veranderd. Ook binnen de gemeente Rhenen hebben enkele ruilverkavelingsprojecten plaatsgevonden. Desalniettemin hebben grote delen van de gemeente hun oorspronkelijke aanzicht behouden, met name op de bosrijke stuwwal.

4.9 De historische bebouwing binnen de gemeente Rhenen H. Willems

De bewoning in Rhenen en omgeving komt gedurende de late middeleeuwen en de nieuwe tijd verder tot ontwikkeling, met daarbij ook de nodige economische activiteiten die van invloed zijn op de groei van de verschillende historische kernen binnen de gemeente. Deze paragraaf gaat in op de ontwikkeling van de stad Rhenen en de verschillende historische kernen zoals weergegeven op de Historische relictenkaart (bijlage 3). Alle bebouwing die op de eerste kadastrale kaart van 1832 staat weergegeven, is als historisch punt aangegeven op de Historische relictenkaart (bijlage 3). Informatie over de historische punten is terug te vinden in de catalogus van historische punten (bijlage 11C).

4.9.1 Rhenen Na de Romeinse tijd lag Rhenen en omgeving in de invloedssfeer van zowel de Friezen (in het westen) als de Franken (in het midden en oosten). In de 8e eeuw veroverde de Frankische hofmeier Karel Martel (689-741) deze streek. In de tijd van Karel de Grote (768-814) lagen in het huidige gebied van de gemeente Rhenen drie zogenaamde villae. Villae waren grote omheinde hoeven met een gesloten huishouding en een eigen grondbezit. Meestal werden deze villae door een vorst aan oud-militairen of aan een klooster in beheer gegeven. De oudste historische vermelding die waarschijnlijk verwijst naar Rhenen dateert van 855 (villa Hreni). In die tijd zal Rhenen niet meer zijn geweest dan een gehucht en vormden de inwoners een agrarische gemeenschap. Hun bestaan was gebaseerd op een gemengde agrarische bedrijfsvoering (akkerbouw en veeteelt). Tevens werd er in het nabijgelegen veengebied ten noordoosten van de stuwwal turf gestoken. 117 Het grondgebied rondom Rhenen wisselde nog een aantal maal van eigenaar. Vanaf 1449 was de Utrechtse bisschop alleenheerser in Rhenen. Met het einde van de landsheerlijke macht van de bisschoppen werd keizer Karel V (1500-1558) de nieuwe heer. Aangezien hij ook landsheer van Gelre was, kwam een einde aan het strategisch belang van het stadje op de grens van het Sticht en Gelre. De nieuwe landsheer werd uiteindelijk de Staten van Utrecht.

118 Rhenen zal aanvankelijk een weinig beduidende nederzetting zijn geweest. Het ontstond aan de handelsweg die van Utrecht naar onder meer Keulen liep. Niet ver ten noorden van de nederzetting stond het bisschoppelijke kasteel Ter Horst dat in 1160 gesticht is. Ten oosten van Rhenen lag nog een verdedigingswerk, een wal-/vluchtburg, en wel op de zuidpunt van de Grebbeberg. Rondom 1200 wijzigden de omstandigheden rondom de nederzetting echter aanzienlijk. De rivier de Rijn verlegde haar loop. Lag Rhenen tot dan toe aan een nevengeul, nu kwam de hoofdstroom van de (Neder) Rijn op een kleine afstand ten zuiden van de nederzetting te liggen. Dit maakte het voor de bisschop van Utrecht interessant om hier een watertol in te stellen. En aangezien de passerende schepen voor het betalen van de tol toch moesten aanleggen, werd het aantrekkelijk om maar gelijk handel te drijven. Mogelijk werd de nederzetting vanwege haar toenemend economisch belang in de 13e eeuw voorzien van een omwalling met een palissade, maar dat is niet zeker. Ook is het niet geheel 117 118

58

https://www.razu.nl/rhenen-en-achterberg/; Cox 2008, 73. Cox 2008, 69-72.; https://www.razu.nl/rhenen-en-achterberg/

Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen

duidelijk wanneer Rhenen stadsrechten verworven heeft. De eerste stadsvermelding dateert van 1258, maar aangenomen wordt dat rond 1250 de stadsrechten door de Utrechtse bisschop werden verleend. De reden daarvoor was, naast de economische groei, de strategische positie die Rhenen in die tijd in nam. Het vormde de meest oostelijke nederzetting van het Sticht langs de Nederrijn, op de grens met het (vijandelijke) graafschap Gelre.119

Afb. 4.9 Plattegrond van Rhenen van de hand van Jacob van Deventer, omstreeks 1550 (HUA 206058).

De verdediging van de omgeving werd aanvankelijk door het bisschoppelijke slot De Horst in Achterberg verzorgd, maar in 1346 werd de stad Rhenen van een stenen ommuring voorzien op kosten van de Utrechtse bisschop Jan van Arkel. De stad groeide daarmee uit tot de meest strategische voorpost van de bisschoppen tegen de hertogen van Gelre.120 In die muur waren drie stadspoorten opgenomen. In het westen de Westpoort (ook Utrechtsepoort genoemd), in het oosten de Bergpoort en in het zuiden de Rijnpoort. Aan de zuidzijde van de stads werd een natte gracht gerealiseerd, de Natte Doelen genaamd. Ten noorden van de stad was het niet mogelijk een natte gracht aan te leggen vanwege de hoogte van het terrein. Derhalve werd hier een droge gracht aangelegd: de Droge Doelen. Tussen de grachten en de eigenlijke stadsmuur lag een strook grond/talud welke met stekelige struiken begroeid was. Tussen de gracht en deze strook grond was een lagere muur opgetrokken. Deze was bedoeld om de eigenlijke stadsmuur te beschermen en om te voorkomen dat het talud en vervolgens de eigenlijke stadsmuur zou worden ondergraven. 121 In tijden van oorlogsdreiging moest de verdediging van de stad in eerste instantie door de inwoners van de stad zelf gedragen worden, maar omdat Rhenen een betrekkelijk kleine stad was, moest er herhaaldelijk een beroep gedaan worden op verdedigers die van elders kwamen.

119 Cox 2008, 73; Giesen-Geurts & Kooiman 1991, 17-18. In 1395 werden de stadrechten van Rhenen herbevestigd door bisschop Frederik III van Blankenheim. 120 https://www.razu.nl/rhenen-en-achterberg/ 121 Deys 2014a, 21-22; Schoemaker 2008, 120.

beleidsactualisaties Rhenen

59

Behalve economische voorspoed kregen de inwoners van Rhenen ook te maken met de nodige rampspoed. In de jaren 1400, 1481, 1483, 1499 en 1527 werd Rhenen belegerd en ingenomen, waarbij de verovering in 1400 tot gevolg had dat een groot deel van de stad afbranden.122In de zomer van 1499 stond de ‘Grote Gaarde’, het huurleger van de hertog van Kleef, voor de poorten van Rhenen. Na een kort beleg werd de stad ingenomen. Op een schilderij over dit beleg (zie afb 4.10) zijn onder meer de gracht, de voormuur, het talud als de hoofdmuur afgebeeld. Aan het einde van de 15e, begin 16e eeuw bleken, als gevolg van een gewijzigde oorlogsvoering, de verdedigingswerken van verschillende steden, waaronder Rhenen, verouderd. De hoge stenen muren, torens en poorten bleken niet bestand tegen het geschut. Derhalve werden in het geval van Rhenen bolwerken voor de stadspoorten opgetrokken. Enerzijds om de achterliggende verdedigingswerken te beschermen anderzijds om op deze verhoogde ommuurde terreinen kanonnen voor de verdediging te plaatsen.123

Afb. 4.10 Schilderij van het beleg van Rhenen in 1499 (Rijksmuseum, Meester van Rhenen, ca. 1499-ca. 1525).

Met het sluiten van het Traktaat van Venlo in 1543 waarbij het Sticht (en dus ook Rhenen) tot Habsburgs gebied werd verklaard, kwam er een einde aan de Gelderse aanvallen op de grensvesting. Er trad een periode van relatieve rust in. Deze rust was van betrekkelijk korte duur. In 1568 begon de Tachtigjarige Oorlog en deze opstand tegen de koning van Spanje had ook gevolgen voor Rhenen. Aan het begin van de Opstand werd de stadsverdediging opgevoerd. Er waren zowel zorgen om de opstandelingen als ook om de troepen in Spaanse dienst. In 1578/1579 koos Rhenen de kant van de opstandelingen.124 Vanwege een gebrek aan geld, maar ook vanwege de onrustige tijden, konden de vestingwerken nauwelijks onderhouden worden. Pas eind 16e eeuw was men in de gelegenheid uitgebreide herstelwerkzaamheden uit te voeren.

Afb. 4.11 Bolwerk voor de westelijke toegangspoort met op de achtergrond de toren van de Cunerakerk, ca. 1625 (HUA, 804908). 122 123 124

60

https://www.razu.nl/rhenen-en-achterberg/ Deys 2014a, 22. Deys 2014b, 31.

Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen

Toen ’s-Hertogenbosch in 1629 in Staatse handen viel, had dat een positieve effect op de veiligheid van grote delen ten noorden van de grote rivieren, waaronder ook Rhenen en omstreken.125 In het vervolg van de Tachtigjarige oorlog (15681648) zou Rhenen geen rol van betekenis meer spelen, hetgeen er ook toe leidde dat de verdedigingswerken niet meer gemoderniseerd werden. Dit laatste zal er mede toe bijgedragen hebben dat tijdens de Franse inval in 1672 het stadsbestuur van Rhenen de onderhandelingen opende met de oprukkende Franse troepen. De bedoeling was het stadje over te geven aan de Fransen in de hoop op de garantie dat er in dat geval niet geplunderd zou worden. Uit wraak voor deze actie van het stadsbestuur werd Rhenen vervolgens door de Staatse troepen geplunderd.126

Afb. 4.12 Na het vertrek van de Franse troepen in 1673 lag Rhenen er gehavend bij. Gezicht vanuit het westen van de hand van C. Bouttats, 1674 (HUA, 200106).

Bij het vertrek van de Franse bezetter in 1673 werden verschillende gebouwen en ook delen van de vestingwerken in Rhenen verwoest. Vervolgens zou er een lange periode van rust intreden. Omdat de verdedigingswerken in de 18e en 19e eeuw feitelijk geen verdedigende functie meer hadden, en onderhoud zeer kostbaar was, besloot men in 1840 over te gaan tot sloop van de Rhenense poorten en een groot deel van de ommuring.127 Op de vrijkomende terreinen werden wandelparken aangelegd naar ontwerp van de firma Zocher. De bouw van nieuwe wijken buiten de stad zou ingezet worden na de Eerste Wereldoorlog. In 1921 werd het tuindorp ‘Vreewijk’ opgeleverd. Deze wijk lag een half uur gaans buiten (ten noorden van) de stad en was vooral bedoeld voor de huisvesting van arbeiders in de sigarenfabrieken, de steenindustrie en voor bouwvakkers. 128 Pas tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de stad weer getroffen door oorlogsgeweld. In het begin van de oorlog, bij de hevige gevechten aan de Grebbelinie, werden in het centrum ruim 160 woningen verwoest en circa 1000 huizen zwaar beschadigd. Aan het einde van de oorlog kreeg het stadje nogmaals te maken met oorlogsgeweld, nu werd het door de geallieerden onder vuur genomen. Nog tijdens de oorlog werd een begin gemaakt met de wederopbouw van het stadje naar plannen 129 van de architecten C. Pouderoyen en J.B. van der Haar.

De maat van de oude stad was daarbij toonaangevend. Stedenbouwkundig werden enkele wijzigingen doorgevoerd. Dit leidde er onder meer toe dat de provinciale weg die voorheen om de stad heen liep nu door het centrum kwam te lopen.130 Pas na de Tweede wereldoorlog kwamen meerdere nieuwbouwwijken aan de west-, noord- en oostkant van de oude binnenstad tot stand.131

125

Deys 2014b, 31. https://www.razu.nl/rhenen-en-achterberg/ 127 Wel werden in de 19e eeuw ’s-avonds de stadspoorten nog gesloten om ongewenst volk buiten te houden. Van Laar & L. Bultje-van Dillen 2008, 79. 128 Van Laar 2008, p. 375. 129 Dit ontwerpen waren geïnspireerd door de ideeën van de Delftse School. 130 https://www.razu.nl/rhenen-en-achterberg; Deys 2014a, 447-448. 131 Giesen-Geurts & Kooiman 1991, 29, 32. 126

beleidsactualisaties Rhenen

61

Economie Zoals eerder vermeld was Rhenen van oorsprong een agrarische nederzetting. Er waren gemengde bedrijven aanwezig met een accent op akkerbouw en bosbouw. In Rhenen zelf ontstond een bescheiden stedelijke economie. Er werden markten gehouden en ambachtslui vestigden zich in de stad. Bisschoppelijke activiteiten als tolheffing en muntslag zorgden tijdelijk voor extra nering, maar na verloop van tijd werden deze activiteiten naar Wijk bij Duurstede verplaatst. Toen de bossen grotendeels gekapt waren, werden de ontstane heidegronden benut voor schapenbeweiding. De mest van de schapen werd benut voor de akkerbouw en vanaf de zeventiende eeuw voor de tabaksteelt. De intensieve teelt van tabak vergde veel mest en aangezien de teelt in Rhenen en omgeving lang in stand bleef, vond de herbebossing hier later plaats dan elders op de Utrechtse Heuvelrug. De heide was immers nodig voor het weiden van de schapen. De introductie van kunstmest leidde er toe dat het aantal schapen steeds kleiner werd, met als gevolg dat herbebossing kon plaats vinden. Aan het begin van de 19e eeuw was de economische bedrijvigheid in en rondom Rhenen nog steeds kleinschalig. Naast drie grote boerderijen en 27 kleine boerderijen waren er 300 keuters of kleine arbeiders.

Van der Aa schreef in 1847 dat het voornaamste middel van bestaan de landbouw en de tabaksteelt was, “eigenlijke handel wordt er niet gedreven”. Verder noteerde hij dat jaar een bierbrouwerij, twee grutterijen, twee korenmolens, twee leerlooierijen, een steenbakkerij, drie wolkammerijen en een olieslagerij.132 Gaandeweg de twintigste eeuw ontwikkelde de stad zich tot een verzorgingscentrum voor de onmiddellijke omgeving en kwam er een bescheiden winkelaanbod tot stand.133 Tabaksteelt In Rhenen en omgeving werd al vóór 1640 een aanvang genomen met het verbouwen van tabak. De op het zuiden gerichte hellingen van de Utrechtse Heuvelrug ‘vingen’ veel zon en waren daarom geschikt voor het telen van de tabaksplanten. In eerste instantie was deze tabak bedoeld voor de verwerking tot snuif- en pruimtabak. In de 19e eeuw werd het ook gebruikt als dekblad voor sigaren. Tussen 1660 en 1720 is duidelijk sprake van een toename van de teelt, daarna trad een periode van stabilisatie op. In het midden van de 19e eeuw is er weer sprake van een groei. Zo werd in 1852 de Plantage Willem III in gebruik genomen. Maar al snel nam de aanvoer van tabak vanuit Amerika en NederlandsIndië toe. Deze tabak was van betere kwaliteit en verdrong stilaan de Nederlandse tabak uit de markt. In de twintigste eeuw schakelden de Rhenense tabakstelers over op tuinbouw. De Plantage Willem III werd een fruitkwekerij.

Omstreeks 1949 deed zich nog een opleving in de teelt voor, toen de overzeese aanvoer stokte. Na 1970 was het gedaan met de tabakskwekerij.134

Afb. 4.13 Een perceeltje tabaksplanten omgeven door een windhaag nabij de Koerheuvel in 1967 (In: Cruyningen & De Putter, 2008, 299.)

132 133 134

62

Van der Aa 1847, 451. https://www.razu.nl/rhenen-en-achterberg; Cruyningen & De Putter, 2008, 296-298.

Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen

Tabak als zijnde een tropisch gewas was niet gemakkelijk te telen in Nederland. Het heeft een vorstvrijeperiode nodig van 120 dagen en een warm, vochtig en windvrijklimaat. Half mei, als de kans op nachtvorst was geweken, werden de voorgezaaide plantjes in de volle grond geplant. Tabak werd verbouwd op kleine perceeltjes die in de omgeving van Rhenen niet groter waren dan 2 à 3 are. Om windluwe omstandigheden te creëren, werden rondom de akkertjes windsingels aangelegd in de vorm van houten staken die onderling verbonden werden en waartegen klimbonen werden geplant. De tabaksplanten zelf werden in bedden of wallen geplant. Het voordeel daarvan was dat een teveel aan water snel werd afgevoerd en dat de aarde in deze bedden/wallen sneller opwarmde. Tabak groeide immers het best in droge warme aarde. Verder was een goede bemesting nodig. Plaggenmest, dat veel plantaardige bestanddelen bevatte, leverde een smakelijk brandbaar blad op, geschikt om te roken. Tabak geteeld met dierlijke mest gaf een stinkend blad als dat verbrand werd. Toch ging men in Nederland vanaf de 18e eeuw over op dierlijke mest en dan werd met name schapenmest gebruikt. Dit was mogelijk omdat in Nederland de tabak vooral voor snuif- en pruimtabak werd geproduceerd. Toen in de tweede helft van de 19e eeuw de bladeren vooral als dekblad van sigaren werden geteeld, kon ook andere dierlijke mest worden gebruikt.

De aanvoer van voldoende mest was een belangrijke kostenpost in de tabaksteelt. Het relatief goedkoopst was de aanvoer van de mest per schip. Derhalve dat de tabaksteelt veelal in de buurt van waterwegen was geconcentreerd. Het transporteren van de mest per paard en wagen meer landinwaarts was niet rendabel genoeg. Het lijkt er op dat de introductie van kunstmest er toe leidde dat ook ten noorden van Rhenen tabaksteelt van de grond kwam. Nadat de tabaksteelt minder rendeerde, werden er ander gewassen op de percelen verbouwd. De grond bleek heel geschikt voor intensieve tuinbouw. 135 Gedurende de periode dat de tabaksplant op het land groeide, had het boerengezin er veel werk aan: wieden, aanaarden, toppen, dieven. Als alles goed ging, kon eind juli de eerste oogst binnen gehaald worden; de onderste bladeren. De bovenste bladeren werden in september geoogst. Daarna volgde het drogen van het blad. Hiervoor werden de tabaksschuren gebouwd; grote lange (driebeukige) gebouwen waarin de ventilatie en toetreding van daglicht geregeld kon worden. De gevels bestonden veelal uit gepotdekselde horizontaal georiënteerde planken en waren voorzien van hangende, opklapbare luiken. Deze dienden voor de ventilatie in de schuur die nodig was om de bladeren te drogen. Verticale gevelplanken kwamen ook wel voor.

De tabaksbladeren werden aan spijlen geregen en in de schuur gedroogd aan houten latwerken (de zogenaamde hanken) die aan de gebinten waren bevestigd. Na het drogen volgde nog de fase van het fermenteren. Daarna werden de bladeren verkocht aan handelaren. Van de tabaksschuren resteren er nog maar weinigen, thans zijn ze veelal opgenomen in de lintbebouwing.136 Op de historische relictenkaart zijn nog veel van deze tabaksschuren weergegeven (bijlage 3). Verering van Cunera Een andere bron van inkomsten was de verering van de heilige Cunera met de daaraan gekoppelde bedevaart. Volgens de legende ging de Engelse prinses Cunera in gezelschap van een grote groep vrouwen rond het jaar 337 op bedevaart naar Rome. Op de terugreis over de Rijn werden ze overvallen door Atilla de Hun en de meeste van hen werden vermoord. Cunera werd echter gered door koning Radboud, de koning van de Rijn. Hij nam haar mee naar zijn burcht te Rhenen. Eenmaal in Rhenen bleek Cunera een voorbeeldige en deugdzame vrouw. Ze trok zich het lot van de armen erg aan en hielp hen met raad en daad en de resten van het voedsel uit het paleis. Op deze wijze werd zij zeer geliefd onder de bevolking. Ook koning Radboud was onder de indruk van Cunera en raakte zeer op haar gesteld.

137 De echtgenote van de koning was echter niet gecharmeerd van deze zonderlinge indringster en wurgde haar met Cunera’s eigen sjaal toen de koning van huis was. Toen de misdaad aan het licht kwam, liet de koning het lichaam van Cunera, met de ‘worgdoek’ nog om haar hals, opgraven en herbegraven. Op het graf van Cunera geschiedden allerlei wonderen. Deze legende dateert uit de 14e eeuw maar gaat waarschijnlijk terug op oudere voorbeelden. 138 Vermoedelijk heeft de eerste Utrechtse bisschop Willibrord (658-739) Cunera heilig verklaard op aandringen van de lokale bevolking. De legende wil dat toen het graf ten tijde van de heiligverklaring werd geopend, Cunera en de worgdoek intact werden aangetroffen. Het lichaam werd bijgezet in de Rhenense Pieterskerk, die sindsdien aan de heilige Cunera is gewijd. Het achterliggende motief om Cunere heilig te laten verklaren was om het verhaal te vermarkten en om van Rhenen een bedevaartplaats te maken. Op deze wijze kon geld gegenereerd worden. Nadat in 1400 de oude Rhenense kerk door brand was verwoest, werd een nieuwe kerk opgetrokken gewijd aan Cunera, beschermheilige van keelzieken en paarden. De verering kwam goed op gang en de jaarlijkse Cuneraprocessie werd druk bezocht. Via aflaten werd veel geld verdiend en was Rhenen in staat een grote kerk met dito toren (1492) te bouwen en in stand te houden (catalogusnr.

2 op de historische relictenkaart). Nadat Rhenen in 1578 de zijde van de opstandelingen had gekozen kwam een einde aan de verering van Cunera en vielen de inkomsten van de pelgrims weg.139

135

Cruyningen & De Putter, 2008, 298-301. Cruyningen & De Putter, 2008, 302-303, 305; Maas & van Son 2023, 28-29. 137 https://cuneragilde-rhenen.nl. 138 Brugman et al. 2011, 47 (Van Doesburg 2008, 42; www.collectieutrecht.nl; Staal 2008). 139 https://www.razu.nl/rhenen-en-achterberg/ 136

beleidsactualisaties Rhenen

63

4.9.2 Elst Elst is een esdorp op de zuidflank van de Utrechtse Heuvelrug, gelegen op de sandrafzettingen. Vanouds her was hier sprake van een lintbebouwing langs de Rijksstraatweg Utrecht-Arnhem en wat bebouwing aan de noordelijker gelegen Franseweg. Jarenlang was er niet echt sprake van een centrumvorming. In 1819 verrees er pas een kerk.

Afb. 4.14 Detail van Elst en omgeving omstreeks 1915. Er is sprake van lintbebouwing langs de Rijksstraatweg en de Franseweg/Prinsenweg. Ten oosten van het dorp ligt de Plantage Willem III. In de uiterwaarde liggen twee steenovens (HUA 210088).

In de 19e eeuw was de tabaksteelt een belangrijke bron van inkomsten in Elst. Met name de tabaksplantage Willem III, gesticht in 1853, was van belang door haar grootte. Na 1850 kende het dorp een bescheiden uitbreiding richting Rhenen in de vorm van huizen van tabaksplanters en middenstanders. In het dorp is thans nog een aantal 19e -eeuwse tabaksschuren aanwezig. Na verloop van tijd heeft er enige verdichting plaats gevonden langs de Rijksstraatweg, maar het is pas in recente jaren dat het dorp door nieuwbouw is uitgegroeid tot een forensendorp.

4.9.3 Remmerden Remmerden is een buurtschap ten westen van Rhenen, gelegen aan de Utrechtsestraatweg tussen Rhenen en Elst. Tegenwoordig is het grotendeels een bedrijventerrein. Eind 19 e eeuw was hier ook al industrie in de vorm van een steenbakkerij. De aanwezigheid van de mens in dit gebied gaat echter ver terug: er bevinden zich hier drie beschermde archeologische sites met restanten van in totaal negen prehistorische grafheuvels. Ook in de vroege middeleeuwen moet hier sprake zijn geweest van menselijke activiteit. In 1988 werd bij bouwwerkzaamheden een vroegmiddeleeuwse muntschat ontdekt.140 In de omgeving van Remmerden ligt het landgoed Remmerstein, waarvan delen beschermd zijn als rijksmonument.

140

64

https://oudrhenen.nl/elst-en-remmerden-werkgroep/geschiedenis-2/; https://nl.wikipedia.org/wiki/Remmerden

Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen

4.9.4 Achterberg Achterberg is een esdorp gelegen ten noordoosten van Rhenen. Uit archeologisch onderzoek is naar voren gekomen dat hier in de middeleeuwen reeds bewoning heeft plaatsgevonden en wel in de vorm van een soort lintbebouwing langs de weg die thans de Cuneraweg heet. Hier werden boerderijen opgericht op de scheiding van bouwland, heide en bossen aan de ene zijde (de Utrechtse Heuvelrug) en het veen aan de andere zijde (de Gelderse Vallei). Tussen 1156 en 1178 werd aan de voet van de Grebbeberg, op de grens van het Sticht en Gelre, kasteel Ter Horst gebouwd. Dit kasteel diende als gevangenis, bestuurscentrum en militaire veste. Rond het kasteel ontstond een kleine concentratie van bewoning, het begin van het ontstaan van het dorp. In 1528 werd het kasteel afgebroken en niet meer herbouwd. Van dit kasteel is weinig meer zichtbaar in het landschap.141

Afb. 4.15 Schaapskudde op de Hoogesteeg te Achterberg, 1910-1920. De mest van de schapen werd onder meer gebruikt in de tabaksteelt (HUA_6854).

Eind 15e begon men met het afgraven van het nabij gelegen veen. Uiteindelijk bleef er drassig land over dat slechts als hooiland gebruikt kon worden. De kwaliteit van dit hooiland was erg slecht. Naast hooiland beschikten de boeren in Achterberg over bouwland, weiland en heide.142 Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog, bij de slag om de Grebbeberg, moesten de inwoners van Achterberg hun huizen/boerderijen verlaten. Bij terugkomst bleek er veel schade te zijn. Zo was een 40-tal boerderijen nagenoeg geheel verwoest. Evenals in Rhenen vond de wederopbouw nog tijdens de oorlog plaats in de trant van de Delftse school. Dat betekende dat vastgehouden werd aan de traditionele wijze van bouwen zowel wat materialen als vormgeving betreft. Behalve wederopbouw werd in de periode 1940-1945 een ruilverkavelingsplan doorgevoerd. Werd de landbouw tot dan toe gekenmerkt door veelal kleinschalige bedrijven, gaandeweg de twintigste eeuw trad er een schaalvergroting op.143

4.9.5 Buitenplaatsen/kastelen De Rhenense buitenplaatsen waren aanvankelijk gelegen aan de noordzijde van de Heuvelrug. Men bouwde niet op de stuwwal zelf maar aan de voet van de stuwwal, op de overgang naar een gebied met een moerassig karakter; het veengebied. Op deze overgang werden bouwlanden aangelegd waarbij de Cuneraweg als ontsluitingsweg diende. Aan

141 142 143

https://nl.wikipedia.org/wiki/Achterberg_(Utrecht); Van Rooijen & Strous, 2008, 500; Maas & van Son 2023, 14-15. Van Rooijen & Strous, 2008, 501. Van Rooijen & Strous, 2008, 505-508.

beleidsactualisaties Rhenen

65

deze weg verrezen boerderijen in lintbebouwing. Enkele van deze boerderijen groeiden uit tot buitenplaatsen. Een uitzondering daarop vormt het huis Levendaal dat in 1820 werd gesloopt. Dit was van oorsprong een kasteel. 144 Er is nu bovengronds niets meer van over, maar ondergronds kunnen er nog wel resten bewaard zijn gebleven. Vandaar dat dit een AMK-terrein betreft (monumentnr. 7179). In het begin van de 20e eeuw werden nog een aantal buitenplaatsen gesticht: De Tangh en De Hugt. Dit maal op de zuidhelling van de Heuvelrug. Deze hebben geen agrarische oorsprong. De eigenaren kozen de locaties om hun uitzicht en representatieve situering. 145 Remmerstein Kasteel Remmerstein betreft een van oorsprong versterkt huis of woontoren uit de late middeleeuwen. Het versterkte huis (ook wel Rammesteyn en Rammerstein genoemd) was in de 15e eeuw een thins-/cynsgoed van het Duitse huis te Rhenen (AMK-terrein 45950). Dat wil zeggen dat de eigenaar van Remmerstein geacht werd jaarlijks een belasting af te dragen aan het Duitse huis. Pas later werd het een allodiaal goed. Volgens de vroeg-17e-eeuwse lijst van ridderhofsteden was het huis Remmerstein afkomstig van het geslacht Van Rhenen. Het was, getuige een tekening uit 1731, een omgracht en onderkelderd versterkt huis van twee bouwlagen met bakstenen tuitgevels een uitgebouwde ingangspartij en een erker.

Mogelijk was het gebouw wat aan de kleine kant, want naast het pand, buiten de gracht, werd een nieuw herenhuis gebouwd. Dit huis omvatte vijf kamers beneden en zes kamers boven. Uit de 18 e eeuw dateert ook een kaart waarop een grote tuin met geometrische patronen is weergegeven. 146 Uit een beschrijving van begin 19e eeuw krijgen we een idee van de omvang van het landgoed. Het goed omvatte ruim 101 ha, een herenhuis met tuinmanswoning en opstallen, drie boerderijen en een bos van 60 morgen groot met een boswachtershuis. 147

Afb. 4.16 Gezicht op het huis Remmerstein vanuit het zuidoosten, 1731 (HUA 201794).

Rond 1818 werden diverse gebouwen van het landgoed ter sloop aangeboden door de toenmalige bezitters. Twee jaar later was van de bebouwing weinig meer over. Daarop liet de nieuwe eigenaar jonkheer Beelaerts van Blokland een nieuw herenhuis bouwen op de plek van het oude.148 Dit huis zou begin 20e eeuw afbranden. Op dezelfde plek werd een nieuw huis opgetrokken dat later bekend stond onder de naam Klein Remmestein. De eigenaar van het landgoed heeft hier maar kort in gewoond. In 1912/1913 werd te midden van de 18e-eeuwse geometrische lanenstructuur op de stuwwal een nieuw landhuis gebouwd. De architect hiervan was S. de Clerq. De fraaie tuin werd aangelegd door D.F. Tersteeg (catalogusnr. VII).149 Het landgoed wordt tot op heden in stand gehouden. 144

Olde Meierink 2008, 209-210. Maas & van Son 2023, 27. 146 https://www.utrechtsebuitenplaatsen.nl; https://oudrhenen.nl; Olde Meierink 2008, 208, 210, 212-213; Mulder, 2008, 286. 147 Mulder 2008, 289. 148 Mulder 2008, 291, 293. 149 Mulder 2008, 294; https://oudrhenen.nl 145

66

Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen

Nabij de plek waar het oude ‘kasteel’ stond, werd rond 1890 een duiventoren opgetrokken. Deze werd in 1910 afgebroken, aangezien er sprake was van een verzakking, en vervangen door het exemplaar dat er nu nog staat. Overigens is ook bij deze nieuwe toren weer sprake van verzakking.150 Heimerstein Heimerstein (ook wel Hamerstein of Hemerstein genaamd) is de naam van een voormalig kasteel en van het huidige landgoed bij Achterberg (catalogusnr. IV). Het kasteel komt voor in de sage van Cunera, waarin het bewoond werd door koning Heimo, die in deze legende een hoofdrol speelt. Het kasteel wordt in 1401 voor het eerst vermeld. Toen werd het huis nog Hamersteyn genoemd. Het was in bezit van de Utrechtse bisschop, maar werd doorgaans ‘uitgeleend’ aan een kastelein of burggraaf. In 1419 werd het verworven door Johan Borre van Hemert en na een periode van wisselend eigenaarschap kwam het in 1581 in handen van een van de twee burgemeesters van Rhenen, Renger de Bruijn. Later is er ook sprake van een goed op deze locatie.

Afb. 4.17 Kasteel Heimerstein, in het midden van de 18e eeuw getekend door Jan de Beijer (bron: Kasten in Nederland 2023).

Tekeningen van Pronk uit 1731 en van Jan de Beijer uit 1750 geven een beeld weer van een huis met een L- of T-vormige plattegrond, dat uit het eind van de 16e, begin van de 17e eeuw lijkt te dateren. Het omvat tweeënhalve bouwlaag onder haaks op elkaar staande zadeldaken. Haaks op de achterzijde van het linker deel stond een rechthoekige vleugel van anderhalve bouwlaag onder een zadeldak. Tegen de voorzijde van het rechter deel stond een erkerachtige uitbouw van anderhalve bouwlaag. Voor 1836 is dit huis ingrijpend verbouwd tot een rechthoekig landhuis van twee bouwlagen met aan weerszijden twee lagere paviljoens. Na 1836 is dit huis aan de achterzijde vergroot met twee uitbouwen van twee bouwlagen. Na verschillende malen van particuliere eigenaar te hebben gewisseld, werd het huis in de jaren 20 van de vorige eeuw verkocht, waarna het werd ingericht als tehuis voor verstandelijk gehandicapten. Het kasteel is tijdens de gevechten in mei 1940 volledig verwoest. De oranjerie en het koetshuis bleven gespaard. Op de plek van het oude huis is in 1951-52 het huidige pand gebouwd, dat tegenwoordig nog steeds een tehuis voor verstandelijk gehandicapten vormt.151 Levendaal Kasteel Levendaal, van oorsprong Laar geheten, is een voormalig kasteel in de buurt van het buurtschap Laareind.

In de 14e eeuw kreeg de eigenaar van het land, Dideric Sobbe, toestemming om een kasteel op het terrein te bouwen. Het kasteel wisselde in de periode daarna regelmatig van eigenaar. Het geheel was omgracht en voorzien van een ophaalbrug. Uit archeologisch onderzoek in 1943, voorafgaand aan het bergen van een groot deel van het bouwmateriaal voor de wederopbouw van de Cunerakerk, blijkt dat het kasteel een rechthoekig grondplan had met muren met een dikte van 1,4 meter. Aan de achterkant is een uitbouw van later datum geplaatst.152 150 151 152

Mulder 2008, 295. Mogelijk werd de mest van de duiven gebruikt bij de teelt van tabaksplanten. Kastelen in Nederland 2023; Kastelen en buitenplaatsen in Utrecht 2023. Kastelen en buitenplaatsen in Utrecht 2023.

beleidsactualisaties Rhenen

67

Afgaande op de prent van J. de Beijer uit 1745 was Levendaal in de 18e eeuw een huis met een kasteelachtige uitstraling. Het bestond uit twee haaks op elkaar staande vleugels waarvan de hoofdvleugel mogelijk een onderkelderde zaalbouw was met een omvang van zo’n 9 bij 14 meter. Ook het voorplein waarop zich dienstgebouwen en het poortgebouw bevonden, was voorzien van een gracht. Het geheel werd omgeven door een singel. Aan het eind van de 18e eeuw is sprake van een lanenstelsel met een hoofdlaan en aftakkingen die zich in westelijke en oostelijke richting liepen. De huidige Levendaalseweg vormt een onderdeel van het westelijke lanenstelsel. Van het huis is thans niets meer over, het werd 1820 gesloopt.153 Thans betreft het een AMK-terrein (monumentnr. 7179).

Afb. 4.18 De buitenplaats Levendaal in 1745 van de hand van J. de Beijer. Rechts is het poortgebouw zichtbaar (HUA_107383).

Prattenburg Prattenburg is thans een landgoed en buitenplaats (catalogusnr. 1). Het landgoed omvat ruim 430 hectare, grotendeels bestaande uit bos. Op het landgoed staat een in 1887 gebouwd huis met kasteelachtig uiterlijk omgeven door een tuin in de landschapsstijl. Het landgoed wordt voor het eerst in 1474 genoemd wanneer een boerderij met landerijen onder de naam "Grootveld" wordt verkocht. De boerderij met landerijen zou nog een aantal maal van eigenaar verwisselen. Wanneer de boerderij werd vervangen door een buitenplaats met de naam "Prattenburg" is onbekend. Op een afbeelding uit 1731 zien we een eenvoudig rechthoekig gebouw van twee verdiepingen, gedekt met een dwars zadeldak tussen bakstenen topgevels (zie Afb. 4.19). In 1887 gaf jhr. mr. Lodewijk Henrik Johan Marie, die burgemeester van Veenendaal was, lid van de Tweede Kamer en lid van de Gedeputeerde Staten van Utrecht, opdracht aan architect E.G. Wentink uit Schalkwijk het tegenwoordige kasteelachtige huis te bouwen. Het nieuwe huis Prattenburg werd in eclectische stijl gebouwd op de plaats van het voorgaande huis, dat in oorsprong dateert uit de late 16e eeuw of vroege 17e eeuw. De woontoren rust op 15e- en 16eeeuwse fundamenten. In 1956 werd het huis gerestaureerd en verbouwd door de architect J.B. van der Haar. Hij verving de oorspronkelijke hoofdingang in de toren op de noordwesthoek door de huidige entree.

153

68

Olde Meierink 2008, 211.

Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen

Afb. 4.19 Het huis Prattenburg omvat in 1731 een stenen huis tegen een boerderij aangebouwd. Deze tekening is vervaardigd door L.P. Serrurier, naar een tekening van C. Pronk (HUA 201759).

De tuin dateert in zijn huidige opzet voor een belangrijk deel uit de 19e eeuw, waarbij bij de aanleg gebruik is gemaakt van oudere 18e-eeuwse en vroeg-19-eeuwse laanstructuren. De thans nog bestaande historische tuin- en parkaanleg in landschapsstijl kwam in enkele fasen aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw tot stand. Het park rondom het huis werd in 1896 door Otto Schulz ontworpen en aangelegd. Leonard Springer heeft in 1922 de omgeving van het huis verfraaid door de aanplant van veel bloeiende heesters.

Afb. 4.20 Het huis Prattenburg. Deze opname dateert uit de periode 1937-1947 (HUA 12247).

Omstreeks 1901 werden beide waterpartijen (natuurlijke vennetjes) vergraven tot één grote, diep gelegen slingervijver die omgeven wordt door rododendrons en waarvan Hendrik Copijn de ontwerper geweest moet zijn. Op het terrein is verder sprake van een toegangspoort, koetshuis, een tuinmanswoning, een zondagsschool, de Cunerahoeve, de Ursulahoeve en de Julianahoeve.154

154

https://nl.wikipedia.org/wiki/Prattenburg; https://www.prattenburg.nl/landgoed/historie/; https://oudrhenen.nl, 2023.

beleidsactualisaties Rhenen

69

4.9.6 Bijzondere gebouwen Koningspaleis Dit gebouw werd in de jaren 1630/1631 in opdracht van Frederik V van de Palts, de Winterkoning van Bohemen, gebouwd. Deze leefde vanaf 1620 in ballingschap in de Republiek. Frederik kocht in 1629 de gebouwen van het voormalige Agnietenklooster tussen de Cunerakerk en de westelijke stadsmuur. Hij liet de gebouwen slopen en ter plaatse een paleis bouwen. Tussen 1630 en 1631 werd het paleis gerealiseerd naar een ontwerp van de Haagse schilderarchitect Bartholomeus van Bassen. Frederik van de Palts heeft er slechts een jaar kunnen resideren: in 1632 is hij gestorven. Het paleis kwam leeg te staan. In de loop van de geschiedenis is het verhuurd geweest door de eigenaren, de keurvorsten van Hannover. In 1794 diende het nog enige tijd als militair hospitaal voor Engelse soldaten. Inmiddels was het gebouw echter ernstig in verval geraakt. In 1812 werd het dan ook voor afbraak verkocht.

Afb. 4.21 Het Koningshuis te Rhenen met op de achtergrond de toren van de Cunerakerk. Getekend door H. Spilman, vervaardigd in de periode 1740-1750 (HUA 200114).

Het was een langgerekt, U-vormig complex van dertien gevelopeningen breed en twee bouwlagen en een kapverdieping hoog met aan de uiteinden topgevels in de trant van Vredeman de Vries. De naar het noorden gerichte voorgevel was het rijkst versierd. Tussen de vensters waren pilasters aangebracht, boven de vensters van de begane grond afwisselend driehoekige en segmentvormige frontons. 155 Cunerakerk De huidige Cunerakerk, (catalogusnr. 2) heeft mogelijk één of meer voorgangers gehad. In 1016 wordt voor het eerst in schriftelijke bronnen melding gemaakt van een kerk in Rhenen. Deze kerk was gewijd aan Sint Pieter. Als gevolg van de toename van het aantal pelgrims die de Cunera-bedevaart ondernamen, werd de bestaande kerk te klein en werden plannen gemaakt voor de bouw van een nieuwe kerk.156 Het gebouw zoals het er nu staat, is een laat-gotische, in steen overwelfde hallenkerk met dwarsschip, een éénbeukig koor en een forste westelijke toren. De omvang van het gebouw en dan met name de toren is vooral te verklaren uit de bedevaarten naar de hier bewaarde relieken van Sint Cunera. Bekend is dat ten behoeve van de financiering van het godshuis in 1451 een aflaat werd verstrekt. De huidige toren is van later datum. Volgens de opschriften in het portaal werd dit werk in 1492 gestart en voltooid in 1531. Het is een van de mooiste laat-gotische torens in ons land.

155 156

70

http://kasteleninutrecht.eu https://www.cunerakerk.nl

Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen

Eind 19e eeuw en in de 20e eeuw zijn verschillende malen herstelwerkzaamheden aan de kerk nodig geweest aangezien ze getroffen werd door rampspoed. In 1897 brandde de toren uit, in 1934 brandden de daken van het kerkgebouw af, en in 1940 en 1945 werd het gebouw getroffen door oorlogsgeweld.157

Afb. 4.22 De Cunerakerk gefotografeerd in noordelijke richting vanaf de Rijnkade (gefotografeerd op 12 oktober 2023 door M.J. van Putten).

Korenmolen Rhenen Aan de noordzijde van de stad Rhenen staat, aan het huidige Konining Elizabethplantsoen 3, de Binnenmolen op de oude stadsmuur (catalogusnr. 3). Het betreft thans een ronde stenen stellingmolen uit 1893. Daarvoor stond hier een veel oudere standerdmolen. De molen staat op een zogenaamde molenbelt, die op haar beurt gesteund wordt door een deel van de oude verdedigingswerken (een bolwerk). In 1934 werd de molen inwendig grotendeels gesloopt en verbouwd tot café-restaurant. In 1970 is de molen verbouwd tot woning.158 Korenmolen Elst Aan de Oude Weg 8 in Elst staat een in 1855 gebouwde korenmolen. Deze wordt ’t Wissel genoemd (catalogusnr. 8). 159

4.9.7 Steenfabrieken Steenfabrieken worden veelvuldig in de uiterwaarden aangetroffen omdat daar de benodigde grondstof klei in overvloed te vinden is. Ook in de gemeente Rhenen is dat het geval. Zo is op de eerste Kadastrale kaart uit circa 1825 al een steenoven aangeduid ten zuidoosten van de stad (Steenfabriek Leccius de Ridder, cat. nr. 12 op de Historische Relictenkaart, bijlage 3) In latere jaren zouden nog drie van dergelijke steenfabrieken worden gebouwd. De ligging in de uiterwaard heeft een belangrijk nadeel: het gebied kan elk jaar onder water komen te staan. De geschiedenis van de steenfabrieken in de uiterwaarden van de Nederrijn gaat ver terug. Blijkbaar stond op de plek waar later de steenfabriek Timmermans ontstond, ten westen van Elst, al in de 17 e eeuw een steenoven. Dat blijkt uit het feit dat ene Joost Barten in 1660 van het kapittel van Sint Pieter, de grondeigenaar, opdracht kreeg op deze plaats de “steenplaets te removeren en de steencuylen te slechten”. Daarna zou het tot 1877 duren voordat op nagenoeg dezelfde plek weer een steenfabriek zou verrijzen: de Steenfabriek Timmermans (cat.nr. 13 op de Historische Relictenkaart, bijlage 3). Stenen bakken was indertijd seizoenswerk waarbij in het voorjaar en de zomer de winning en de menging van de klei plaatsvond. In deze periode vormde men ook de stenen en liet men de ‘groene’ stenen drogen.

In de herfst kon het bakproces uitgevoerd worden in een veldoven, gestookt met snoeihout uit de uiterwaarden. Tegen de tijd dat de rivier voor hoogwater zorgde, was het seizoen achter de rug. Gaandeweg moderniseerde de fabriek Timmersmans. In 1881 waren er 50 medewerkers in dienst en gebeurde alles nog met de hand. Maar enkele jaren later werd er een 157 158 159

https://reliwiki.nl; Kolman e.a. 1996, 195-197; Maas & van Son 2023, 18-19. https://www.molendatabase.nl/molens/ten-bruggencate-nr-01776-bis https://www.molendatabase.nl/molens/ten-bruggencate-nr-02483

beleidsactualisaties Rhenen

71

stoommachine in bedrijf genomen, met bijbehorende schoorsteen, en wordt er een aansluiting gerealiseerd met de tramlijn Utrecht-Arnhem. Met behulp van de tram werden steenkolen aangevoerd en de bakstenen afgevoerd. De oude oven verving men door een vlamoven, die op zijn beurt in 1983 weer vervangen werd door een tunneloven. Begin 21e eeuw viel het doek voor deze steenfabriek. De laatste eigenaar hevelde de productie over naar andere vestigingen en verkocht het fabriekscomplex in 2009 aan Rijkswaterstaat. In het kader ‘Ruimte voor de rivieren’ zijn de fabrieksgebouwen gesloopt en het bedrijventerrein afgegraven. Ter herinnering aan het industriële verleden is onder meer de schoorsteen, zij het in ingekorte vorm, behouden.160 Naast de steenfabrieken van Timmermans en de Ridder is de gemeente Rhenen nog een steenfabriek rijk geweest. Het betrof de fabriek Overbetuwe (cat.nr. 14). Deze fabriek stond in Remmerden en is van 1898 tot 1993 actief geweest. Naast de steenfabrieken die in de gemeente Rhenen lagen, stonden er ook twee kalkzandsteenfabrieken. Een van deze fabrieken, Vogelenzang genaamd (cat.nr. 15) is in 1914 gesticht. De keus viel op Rhenen omdat daar volop zand in de vorm van de Grebbeberg aanwezig was en de Nederrijn voor een goede infrastructuur zorgde.

Via de rivier kon goedkoop kalk, steenkolen, later olie, aangevoerd worden en kon het product (kalksteen) makkelijk worden afgevoerd. De winning van het zand heeft een grote grove opgeleverd, welke momenteel de Grebbeplas wordt genoemd. In 2001 werd het bedrijf gesloten.161

Afb. 4.23 Zicht op de kalksteenfabriek Vogelenzang ten zuidoosten van Rhenen rond 1915 (HUA 11935).

De andere steenfabriek die kalkzandsteen produceerde, betrof de Steenfabriek Leccius de Ridder (cat. nr. 12). Hier werden al vanaf begin 19e eeuw stenen gebakken, maar vanaf 1900 ging men hier kalkzandsteen produceren. Ook in dit geval werden de benodigde grondstoffen deels via de Nederrijn aangevoerd. Het zand kwam deels uit de groeve van de firma Vogelenzang, maar ook uit de zandgroeve Kwintelooijen op de noordflank van de stuwwal. Hier is zo'n zes miljoen m³ zand gewonnen.

160 161

72

https://www.usine-utrecht.nl/steenfabriek-timmermans-elst-rhenen/; https://oudrhenen.nl http://industriespoor.nl/Vogelenzang.htm

Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen

4.10 Militaire geschiedenis van Rhenen D.E.P.C.M. Beckers162

4.10.1 Vroege en late middeleeuwen Kastelen en burchten In de gemeente Rhenen bevonden zich diverse kastelen en burchten uit de vroege en late middeleeuwen. Deze kastelen hebben grotendeels een defensieve functie gekend, naast functies als bijvoorbeeld woonhuis of machtscentrum. Enkele van deze kastelen zijn tegenwoordig nog aanwezig. In paragraaf 4.9.5 is een aantal van deze landgoederen al besproken. Hieronder worden nog enkele van deze (voormalige) burchten en kastelen behandeld. Heimenberg Op het uiteinde van de Utrechtse Heuvelrug ten oosten van Rhenen bevindt zich de zogenoemde Heimenberg. Dit is een ringwalburcht aan de rand van de steilrand tussen de stuwwal en het lager gelegen rivierenlandschap. De Heimenberg vormt een van de grootste archeologische monumenten van Nederland. Reeds in de 19e en het begin van de 20e eeuw werd het complex archeologisch onderzocht door de archeologen Reuvens, Janssen en Holwerda. In 2001 is er een beperkt gravend archeologisch onderzoek uitgevoerd op het terrein. Door de voormalige Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) werden daarbij enkele smalle sleuven aangelegd ter hoogte van de aanwezige doorgangen door de omwalling om zodoende het complex te kunnen dateren. Uit het onderzoek bleek dat er onder de huidige binnenwal een 1,4 meter diepe gedempte gracht aanwezig was.

De demping van de eerste gracht kon op basis van 14C-dateringen relatief betrouwbaar gedateerd worden tussen 650-710 na Chr., hetgeen overeenkomt met de resultaten van pollenanalyses. Vervolgens hebben er tijdens een aantal andere fasen uitbreidingen plaatsgevonden van de wallen en grachten. De laatste fase van de omwalling kon gedateerd worden in de periode tussen 1030 en 1220 na Chr., met een chronologisch hiaat tussen de derde en voorgaande fasen van de wal. Ondanks dat er aangenomen wordt dat het complex een defensieve functie heeft gehad, kan het zijn dat de aard van het bouwwerk anders was. Zo is er, buiten de sleufjes van de ROB, geen onderzoek gedaan binnen of buiten het complex, waardoor eventuele bebouwing binnen het terrein niet gereconstrueerd of aangetoond kan worden. Het kan ook zijn dat het hierbij gaat om, bijvoorbeeld, een locatie met een religieuze functie of bijvoorbeeld een sociaal centrum. 163 Vestingstad Rhenen Rhenen is een vestingstad aan de Nederrijn, die al vanaf de late middeleeuwen versterkt is geweest. De exacte aard van de toekenning van stadsrechten aan Rhenen is al geruime tijd een punt van discussie. In 1258 is een document

Afb. 4.24 Luchtfoto uit de periode voor de Tweede Wereldoorlog. De contouren van de vestingwerken van Rhenen zijn hierop goed zichtbaar (bron: NIMH, objectnummer 2011-0423).

162 163

Onder auspiciën van J.F. van der Weerden Van Doesburg 2008, 36-45.

beleidsactualisaties Rhenen

73

uitgeschreven door bisschop Van Vianden waarin staat dat hij de burgers van Rhenen in hun privileges erkent. Daardoor bestaat er een vermoeden dat de stad al ouder was, en dat er al eerder opdracht gegeven was tot het aanbrengen van verdedigingswerken rond de stad. De bouw en ingebruikname van de verdedigingsstructuren rond Rhenen zijn grofweg in drie fasen in te delen. Waarschijnlijk werd dus al voor 1258 begonnen met het aanbrengen van aarden wallen en grachten. Ook is het niet precies bekend op welk moment Rhenen voor het eerst een stenen stadsmuur kreeg. Tijdens archeologisch onderzoek zijn indicaties aangetroffen dat de stenen in de onderste laag van de eerste fase van de keermuur dateren uit de periode omstreeks 1320, maar het kan zijn dat de stenen hergebruikt zijn na deze periode. In 1346 kreeg de stad van bisschop Van Arkel opdracht om de stadsverdediging te versterken met een stenen ommuring. Vervolgens werd er in 1528 een nieuw ontwerp gemaakt voor de vesting. Zeer waarschijnlijk werden hierbij bestaande muren verstevigd en werden er bastions en torens toegevoegd aan het geheel. De daadwerkelijke werkzaamheden hiervoor vingen pas aan rond 1540. De stad was uiteindelijk dus omgeven met een stenen muur met bastions, en was voorzien van een drietal toegangspoorten, te weten de Bergsepoort, de Utrechtsepoort en de Rhijnpoort.

In de 18e en 19e eeuw begonnen de stadsmuren langzaam te verdwijnen en verloren daardoor sterk aan betekenis. In 1873 werd er tenslotte besloten om grote delen van de muren structureel op te ruimen. In de stad zijn nog diverse zichtbare overblijfselen te vinden van deze verdedigingswerken, zoals delen van de stadsmuur ten zuiden van de Cuneratoren. Rond de kruising van het huidige Elisabethplantsoen en het Molenpad met de Molenstraat is voorts een deel van de muur te vinden met een deels intacte toren.164 De stad heeft een rol gespeeld in diverse oorlogen. Zo bevond zich in het Koningshuis aan het huidige Frederik van de Paltshof tijdens de strijd tussen Pruissen, Frankrijk en Engeland een Brits noodhospitaal. De bijbehorende veldbegraafplaats bevond zich waarschijnlijk in de directe omgeving van de Paardenmarkt.165 Kasteel ter Horst Kasteel ter Horst is een kasteel dat gelegen is ten zuidoosten van Achterberg. De eerste fase van het kasteel of castrum bestond zeer waarschijnlijk uit een omgracht huiscomplex dat in elk geval voor 1163 gebouwd moet zijn. In dat jaar brandde het complex af als gevolg van oorlogshandelingen, waarna de bisschop van Utrecht een nieuwe hoofdburcht liet bouwen. Dit betrof een stenen versterkte woning. Na een periode van wisselend eigenaarschap werd er in 1528 met de afbraak begonnen.

Veel van de bouwmaterialen werden gebruikt voor de bouw van kasteel Vredenburg in Utrecht.

Afb. 4.25 Kasteel Ter Horst te Achterberg rond 1730 (bron: Historische Vereniging Oudheidkamer Rhenen en Omstreken 2023).

164 165

74

Maas & Vredenberg (red.) 2014; Combrink 1981, 18-49; Schoemaker 2008, 120-131. Schriftelijke mededeling T. Maas 2024; Deys 1990, 20-33.

Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen

Gedurende de bestaansgeschiedenis van het kasteel heeft het gediend als gevangenis, bestuurscentrum en verdedigingswerk met een militaire functie.166 Kasteel Valkenburg In de directe omgeving van Achterberg bevond zich nog een kasteel, Kasteel Valkenburg. Over dit kasteel is relatief weinig bekend, met name als gevolg van het grotendeels ontbreken van geschreven bronnen. Bij opgravingen werden echter funderingsconstructies van een omgracht versterkt huis aangetroffen, waarbij er vermoed werd dat het ging om kasteel Valkenburg. Uit historische bronnen is echter wel bekend dat het kasteel in elk geval voor 1528, waarschijnlijk omstreeks 1394, moet zijn gebouwd. Uit een tekening is bekend dat het complex bestond uit een groot versterkt huis dat voorzien was van een tweetal torens.167 Veldslagen en belegeringen Rhenen en de directe omgeving van de stad zijn gedurende de afgelopen eeuwen meermaals het toneel geweest van veldslagen. Ook is de stad Rhenen meerdere malen belegerd. Ook de Heimenberg speelde vanwege de strategische ligging een rol in krijgshandelingen, zoals tijdens een oorlog tussen de graven van Holland en Gelre in 1196. 168 In de 15e eeuw ontstond er een jarenlange strijd om de bisschopszetel van Utrecht en allerlei daarin verweven conflicten, de zogenoemde Stichtse Oorlog.

De legers van Holland en Gelre troffen elkaar hierbij regelmatig in gewapende conflicten, en probeerden zodoende hun kandidaten voor de zetel te laten installeren. Rhenen stond in die periode aan de zijde van bisschop David van Bourgondië. Door tegenstanders werd de stad in 1483 overvallen, waarbij bisschopsgezinde notabelen vermoord werden. In 1499 vond er wederom een conflict plaats in deze context, toen het conflict tussen het sticht Utrecht en het hertogdom Kleef uitliep op een plundertocht door Kleefse ridders. Begin juli 1499 trok een Kleefs leger op naar Rhenen via Doetinchem. In Rhenen werd een klein garnizoen ondergebracht dat de verdediging van de stad op zich moest nemen. Rhenen werd vervolgens door het Kleefse leger omsingeld en belegerd, waarna plundering, moord, brandstichting en verkrachtingen plaatsvonden. Na het bezetten van de stad trok het leger door naar Utrecht, waar buiten de muren gebouwen in brand werden gestoken, en daarna via Bunnik terug naar het hertogdom Kleef.169 In het rampjaar 1672 werd Rhenen beschoten, in brand gestoken en geplunderd door oprukkende Franse troepen. 170

4.10.2 Achttiende en negentiende eeuw, Eerste Wereldoorlog en het Interbellum Grebbelinie Het drassige gebied van de Gelderse Vallei nam vanaf de 16e eeuw toe aan belang voor incorporatie in de verdediging van Holland. In die eeuw werden er plannen gemaakt voor de realisatie van een aantal schansen om de toegang tot het gebied onder controle te houden. Hiervan is alleen de schans bij Woudenberg gerealiseerd. Toen in 1629 Spaansgezinde legers optrokken richting het westen van Nederland werd het gebied met succes geïnundeerd en werd een aantal verdedigingswerken opgericht, waaronder het huidige Werk aan de Roode Haan te Veenendaal. Uiteindelijk werd er onder de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in 1744 begonnen met de aanleg van de Grebbelinie als voorverdediging van de Hollandse Waterlinie. Er werd onder andere een aarden wal aangelegd die ervoor moest zorgen dat het Gelderse deel van de vallei volledig geïnundeerd kon worden. Ook het Hoornwerk aan de Grebbe werd aangelegd in deze periode. In 1786 werd de linie verder uitgebouwd, waarbij er enkele lunetten en forten werden aangebracht. Na de oorlogsverklaring van Frankrijk aan Nederland in 1793 werd het inundatiewerk voor het eerst in werking gebracht, met matig succes. In 1794 vond er een hernieuwde Franse aanval plaats, waarbij de inundaties succesvol werden toegepast tot januari 1794.

In die maand vroor het inundatievlak dicht waardoor de Fransen troepen zonder problemen de vlakte konden oversteken. Tijdens de Franse bezetting werd de linie wederom verder uitgebreid, onder andere met de Prolongatie van de Grebbelinie tussen Spees en Ochten. In 1809 werd de linie opgeheven als verdedigingswerk. In het midden van de 19e eeuw werd het belang van de linie echter weer onderkend en in 1860 was de Grebbelinie een van de belangrijkste verdedigingswerken van Nederland. Daartoe werden de inundatiewerken verbeterd, waardoor de inundatietijd terugliep van 20 naar 12 dagen. In 1874 werd de Grebbelinie opgenomen in de Vestingwet en werd het een voorpostenopstelling voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de Grebbelinie niet permanent bezet en in 1926 werd zelfs een groot deel van de verdedigingswerken opgeheven. In 1939 werd de linie een laatste keer in staat van paraatheid gebracht en vanaf februari 1940 was het Nederlandse opperbevel zelfs van plan om de hoofdverdediging van de Vesting Holland in de Grebbelinie te voeren.171

166

Kastelen in Nederland 2023; Kuys 2008, 94-101. Kastelen in Nederland 2023; Kastelen en Buitenplaatsen in Utrecht 2023. 168 Van Doesburg 2008, 36-45. 169 Maas & Vredenberg (red.) 2014; Combrink 1981, 18-49. 170 Combrink 1981, 67-71. 171 Rietberg 2010; Blommestein 1978; Rietberg 2004; Visser 2007; Werkhoven 2011. 167

beleidsactualisaties Rhenen

75

Hoornwerk aan de Grebbe en de Grebbelinie in Rhenen De meest prominente elementen van de Grebbelinie in de huidige gemeente Rhenen werden gevormd door het Hoornwerk aan de Grebbe en de ten zuiden daarvan liggende bastions. Het hoornwerk werd op een relatief eenvoudig te verdedigen locatie aan de voet van de Heimenberg aangebracht, aan de noordoever van de Nederrijn. Het hoornwerk en de bijbehorende vier (in eerste instantie vijf) bastions werden aangelegd tussen 1743 en 1745, terwijl de linkervleugel werd gedekt door een lunet. Het geheel werd omgeven door een dubbele natte gracht, en achter het werk bevond zich een inundatiesluis. Zodoende kon de Grebbedijk, destijds een belangrijke verkeersader, afgesloten worden en had men controle over het verkeer over de Nederrijn. In 1785 werden er posities voor geschut aangelegd en werd de borstwering verhoogd. Zo werd er op de Heimenberg naast vuurbanketten ook een Rijnbatterij en een bergbatterij aangebracht. In de 18e eeuw bood het werk plaats aan meer dan 1.200 manschappen. In het midden van de 19e eeuw, toen de Grebbelinie weer aan belang toenam en de straatweg tussen Rhenen en Wageningen net was aangelegd, vonden er wederom enkele veranderingen plaats. Zo moesten een aantal opstelplaatsen voor geschut wijken voor de weg en werden de geschutopstellingen van de tenaille vergroot ter compensatie hiervoor.

In de mobilisatieperiode van 1939 en 1940 werd de verdediging van de Grebbeberg voor de laatste keer gemoderniseerd.172 Dit wordt beschreven in paragraaf 4.10.4.

Afb. 4.26 Het hoornwerk aan de Grebbe op de Eerste kadastrale kaarten omstreeks 1820.

Schietbaan van de burgerwacht Tijdens het interbellum werden er in Nederland meerdere burgermilities opgericht, waaronder de Vrijwillige Burgerwacht en de Vrijwillige Landstorm. De Burgerwacht in Nederland werd opgericht in 1918 uit angst voor een sterke communistische arbeidersbeweging en revolutionaire activiteiten. De burgerwachten bestonden uit gewapende burgers die ingezet zouden kunnen worden bij een opstand. De Vrijwilliger Burgerwacht is tijdens de Duitse bezetting door de autoriteiten ontbonden. De Vrijwillige Landstorm was een meer militaire organisatie die voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog werd opgericht om de Nederlandse defensieve capaciteiten te versterken. In 1918 werd de Landstorm aangevuld met de Bijzondere Vrijwillige Landstorm, die eveneens als taak had om revolutionaire dreigingen tegen te gaan en de ‘orde en rust’ te handhaven. Deelnemers in de Landstorm oefenden en trainden in hun vrije tijd en werden voorzien van uitrusting en wapens.173 In Rhenen bevond zich een schietbaan waar geoefend werd door deze organisaties. Het is niet bekend tot wanneer de baan precies in gebruik was, maar op luchtfotomateriaal uit 1944 lijkt de baan nog onderhouden te zijn. De schietbaan lijkt twee oriëntaties gehad te hebben, waarbij het mogelijk twee faseringen betreft.

Op het terrein is op luchtfotomateriaal eveneens een vroege oefenloopgraaf zichtbaar, die mogelijk is aangelegd en gebruikt is door de Vrijwillige Landstorm.

172 173

76

Rietberg 2010; Blommestein 1978; Rietberg 2004; Visser 2007; Werkhoven 2011. Vrijwillige Landstorm 2024.

Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen

Afb. 4.27 Een ontwerptekening van een schietbaan voor de burgerwacht in Deurne. De schietbaan in Rhenen zal er wellicht vergelijkbaar hebben uitgezien. Op een dergelijke schietbaan kunnen verschillende elementen zijn aangebracht, zoals in dit geval een overdekt hok voor de schutters, schietpoorten om afzwaaiers te voorkomen, een verdiepte schietbaan, een observatiepost en een kogelvanger (bron: Deurne Wiki 2024).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14464309/1