Bijlage 2 Rapport behorend bij Archeologische beleidskaart Rhenen
Tekst van het document
Deze laag wordt gekenmerkt door een vuilgrijze, onnatuurlijke kleur en de aanwezigheid van scherven en is vaak sterk aangetast door latere grondbewerking of grotendeels opgenomen in het plaggendek. 40
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
Vaak is onder het plaggendek nog een restant van het oorspronkelijke bodemprofiel aanwezig. Indien sprake is geweest van een snelle ophoging, bijvoorbeeld als gevolg van egalisatiewerkzaamheden ten tijde van de ontginning, dan zal onder het plaggendek nog een intacte Ah-horizont aanwezig zijn van het oorspronkelijke, natuurlijke bodemprofiel (het oude loopvlak). Deze laag onderscheidt zich vaak door een hoger humusgehalte en een wat donkerder kleur. Door verploeging is de Ah-horizont echter meestal opgenomen in het plaggendek. Indien de oorspronkelijke bodem bestond uit een podzolbodem kunnen dieper nog onverstoorde E-, B- en/of BC- horizonten voorkomen.67
n
Plaggendek
Het oorspronkelijke bodemprofiel op de stuwwal bestond uit holt- of loopodzolgronden en in de lagere gordeldekzanden uit laaren veldpodzolgronden (zie A). Tot de 12e-13e eeuw werden de hoger gelegen delen van het landschap gebruikt voor bewoning en de aanleg van akkers en grafvelden. Hierdoor werd de bovengrond van het oorspronkelijke bodemprofiel verstoord en ontstond een cultuurlaag. Palen, waterputten en voorraadkuilen lieten diepere sporen in het bodemprofiel achter (zie B). Omstreeks de 13e eeuw werden de nederzettingen verplaatst naar de overgang van de hogere naar de lagere delen. De reliëfrijke, hogere delen werden vanaf deze periode op grote schaal ontbost en geëgaliseerd, zodat een groot aaneengesloten, vlakgelegen akkercomplex ontstond (zie C). Hierbij zijn de hogere delen van de zandgronden gedeeltelijk onthoofd, waardoor alleen de BC-horizont nog resteert. Het vrijgekomen zand werd gebruikt om de dekzandlaagten op te vullen, waardoor vaak het gehele (veld)podzolprofiel bewaard is gebleven. Vanaf ongeveer de 15e eeuw is men, in combinatie met de voornoemde egalisatie, begonnen met het bemesten van de akkers met materiaal uit de potstal. Het rundvee stond in de potstal op een laag strooisel, dat bestond uit o.a. roggestro, plaggen en een mengsel van vergane bladeren, onkruid, bosstrooisel e.d.
Om de zoveel dagen werd een nieuwe laag strooisel in de stal gegooid dat vermengd raakte met de mest van de dieren. Als de potstal vol was, werd de plaggenmest op het erf opgeslagen om verder te fermenteren, waarna het werd uitgereden over de akker. Hierdoor ontstond in de loop der eeuwen een dik, humeus dek, het zogenaamde esdek of plaggendek (zie D). De plaggendekken werden herhaaldelijk meerdere spaden diep gespit, waardoor de oude cultuurlagen vaak geheel in het onderste deel van het plaggendek zijn opgenomen (zie E). Door variatie in de gebruikte plaggen- en strooisel voor de potstal en spitactiviteiten kunnen in het plaggendek meerdere sublagen aanwezig zijn.68
Afb. 3.12 Vorming van een plaggendek in archeologisch perspectief.
Archeologische resten ter plaatse van een enkeerdgrond hebben veelal een hoge ensemble waarde en bevatten veelal een schat aan informatie over de periode midden-laat neolithicum tot aan de nieuwe tijd.69 Archeologische resten uit deze periode en eventueel aanwezige oudere resten worden door de afdekking met een esdek beschermd tegen invloeden van bovenaf.
67 De Bakker & Schelling 1989; Damoiseaux 1982. 68 69
Theuws, Verhoeven & Van Regteren Altena 1988; Spek 2004. Spek 2004.
beleidsactualisaties Rhenen
41
Podzolgronden Op de grofzandige tot grindige sandr- en puinwaaierafzettingen, de stuwwallen, de hellingafzettingen en de fijnere gordeldekzanden komen van nature podzolgronden voor. Podzolering is een proces waarbij zwakke humuszuren uitgespoeld worden naar diepere lagen. Het ijzer dat in het zand aanwezig is, wordt door deze zuren opgelost en naar een dieper niveau meegevoerd. Hierdoor ontstaat een uitspoelingslaag (E-horizont) en op een dieper niveau een inspoelingslaag (Bhs-horizont).70 Bij een intact bodemprofiel van een podzolbodem hebben de bodemhorizonten tezamen een dikte van minder dan 50 cm. Eventuele archeologische resten kunnen derhalve worden verwacht binnen 50 cm beneden maaiveld. In de delen van de gemeente waar gordeldekzanden aan het oppervlak gelegen zijn, aan de noordoostzijde van de stuwwal, komen veld- en laarpodzolen voor. Veld- en laarpodzolgronden hebben een lage tot matige bodemvruchtbaarheid en zijn relatief natte bodems met een hoge grondwaterstand. 71 Op de sandr, aan de zuidwestzijde van de stuwwal, komen plaatselijk loopodzolgronden voor. Verreweg het grootste deel van de gemeente Rhenen bestaat uit holtpodzolgronden. Dit bodentype wordt voornamelijk op de stuwwal aangetroffen, maar ook op de sandr. Holt- en loopodzolgronden zijn over het algemeen wat lemiger bodems dan laar- en veldpodzolgronden en daardoor wat vruchtbaarder.
Duinvaaggronden Ter plaatse van de stuifzanden bevinden zich duinvaaggronden. Dit zijn relatief jonge bodems met een zeer dunne humushoudende bovengrond (A-horizont tot 10 cm) die op het nog weinig door bodemvorming veranderde moedermateriaal ligt (C-horizont). De grondwaterstand is bij duinvaaggronden meestal laag zodat er geen roestverschijnselen zichtbaar zijn.72 De bodemvruchtbaarheid is slecht. Archeologische resten kunnen bij een intact bodemprofiel in theorie worden verwacht op of binnen 30 cm beneden maaiveld. Vanwege de jonge leeftijd van dit bodemtype is dat echter vaak niet het geval. In (voormalig) actieve stuifzandgebieden dient rekening te worden gehouden met verschillende sedimentatiefasen, waarbij oudere bodems (en dus leefniveaus) kunnen zijn afgedekt met jongere stuifzanden. Onder een vondstloze C-horizont van dergelijke bodems kunnen dan nog begraven bodems met bewoningssporen en/of oudere vondstniveaus voorkomen. Indien archeologische resten overstoven zijn, dan biedt het stuifzanddek juist bescherming tegen invloeden van bovenaf, wat de gaafheid van vindplaatsen en de conservering van archeologische resten ten goede komt. Beekeerdgronden en gooreerdgronden Op de gordeldekzanden in het deel van de gemeente Rhenen behorende tot de Gelderse Vallei komen heden ten dage beek- en gooreerdgronden voor.
Deze bodems liggen tussen het veengebied langs het Valleikanaal en de stuwwal in en waren ten tijde van de maximale veenuitbreiding bedekt met veen (zie paragraaf 3.1). Beekeerdgronden en gooreerdgronden zijn kenmerkend voor gebieden met een hoge grondwaterstand, waar de organische stof in de humushoudende bovengrond minder snel wordt afgebroken. Door de aanvoer van organische stof ontstaat na verloop van tijd een bodem met een matig dik humeus dek (15-30 cm). De beekeerdgronden bevatten roestvlekken tot in de bovengrond. De aanwezigheid van roestvlekken duidt op een (zeer) slechte ontwateringstoestand van de ondergrond van deze bodem.73 De bodemvruchtbaarheid van de beekeerdgronden is matig, die van de gooreerdgronden over het algemeen slecht. Archeologische resten kunnen worden aangetroffen binnen 30 cm beneden maaiveld. De natte tot vochtige bodemgesteldheid zorgt er voor dat eventueel aanwezige archeologische resten (met name organisch materiaal) goed geconserveerd blijven.
3.2.3 Veengronden Van het oorspronkelijke veen binnen de gemeente Rhenen is nog steeds een behoorlijk areaal over. Dit veen bevindt zich allemaal in het lager gelegen deel van de gemeente behorende tot de Gelderse Vallei en ligt in een strook van circa 500 meter langs het Valleikanaal. De veendikte heeft invloed op het bodemtype, omdat de bovenste 120 cm van een bodem naamgevend is. Indien binnen 80 cm beneden maaiveld een laag van tenminste 40 cm materiaal met veel organische stof (moerig materiaal) aanwezig is, dan valt de bodem onder de veengronden. 74 Wanneer minder moerig materiaal aanwezig is, valt de bodem onder de moerige gronden. Daar waar het veen over hoger gelegen delen van het
70
De Bakker en Schelling 1989. Spek 2004. 72 De Bakker en Schelling 1989. 73 De Bakker en Schelling 1989. 74 De Bakker en Schelling 1989. 71
42
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
landschap heen is gegroeid, kan onder het veen nog de voormalige podzolbodem aanwezig zijn. Indien dit binnen 120 cm beneden maaiveld is, is dit als zodanig in de bodemclassificatie weergegeven. Veengronden Binnen de gemeente Rhenen komen koopveengronden, meerveengronden en weideveengronden voor. Meerveengronden zijn veengronden, waarvan de top is bedekt of vermengd met zand. De oorspronkelijke venige kleibovengrond is opgehoogd met een dun zandpakket van 5 á 10 cm dikte. Het veen in de diepere ondergrond betreft grof rietzeggeveen. Het opbrengen van het zand heeft ervoor gezorgd dat deze veengebieden beter bruikbaar zijn voor beweiding.75 De bovengrond van koopveengronden bestaat uit kleiig veen en/of venige klei en is 15 tot 20 cm dik. Dit veen is matig veraard.76 Onder de toplaag komt meestal vrij grof rietzeggeveen voor. De bodem is erg nat en alleen geschikt voor weidegrond. Weideveengronden betreffen veengronden met een 30 cm dikke bovengrond bestaande uit zware, roestige, humeuze klei. Deze bovenlaag gaat via een dun pakket zeer donkere venige klei over in kleiig, vrij grof rietzeggeveen. Ook deze gronden zijn nat. In de wintermaanden kan het grondwater tot aan het maaiveld reiken. Vandaar dat ook dit soort gronden in gebruik zijn als weidegronden. Het veen is gevormd ter plaatse van gedurende het hele jaar natte omstandigheden.
Eventuele archeologische resten kunnen in het veen worden aangetroffen, maar ook in de top van het dekzand onder het veen. Eventueel aanwezige resten zullen door de vochtige omstandigheden en de afdekking met een veenpakket goed geconserveerd zijn (met name organisch materiaal). Moerige gronden Op iets grotere afstand van het Valleikanaal, in de gebieden waarvan het dekzand net iets hoger gelegen is dan ter plekken van de veengronden, bevinden zich de moerige eerdgronden. Het veenpakket is bij een moerige eerdgrond dunner dan ter plaatse van de veengronden. Oorspronkelijk bevond zich ook hier een dikker veenpakket, maar dat is als gevolg van ontginning en oxidatie grotendeels verdwenen. De bodemvruchtbaarheid is over het algemeen slecht. Ter plaatse van nog intacte dekzandverhogingen onder het veen kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit de perioden van voor de veenvorming (paleolithicum-neolithicum). Daar waar de onderliggende bodem nog door een veenlaag wordt afgedekt, zullen eventueel aanwezige archeologische resten nog gaaf en goed geconserveerd zijn, met name het organisch materiaal. Omdat het veen ter plaatse van de dekzandverhogingen minder dik was dan in de laagtes, is het echter mogelijk dat de top van de dekzandkopjes, en daarmee het archeologisch relevante niveau, reeds is verstoord tijdens de ontginning.
Op de flanken daarentegen kunnen de archeologische waarden nog goed bewaard zijn gebleven.
3.2.4 Kleigronden Een relatief klein deel van de gemeente Rhenen bestaat uit kleigronden. Het gaat hierbij om de smalle strook in de uiterwaarden langs de Nederrijn en een gebied aan de zuidoostzijde van de gemeente. De kleigronden zijn gevormd in sediment dat is afgezet door rivieren. Zoals in paragraaf 3.1 uiteen is gezet, zijn gedurende het holoceen verschillende rivieren actief geweest binnen de gemeente Rhenen. In de uiterwaarden is het oudere riviersediment grotendeels opgeruimd door de Nederrijn. De afzettingen en derhalve ook de bodems in dit deel van het kleigebied, zijn derhalve relatief jong. Als gevolg hiervan zijn deze bodems nog kalkrijk. In het gebied ingeklemd tussen de Grebbedijk, het Valleikanaal en de grens met de gemeente Ede-Wageningen (zie ook afbeelding 3.6) zijn de kleigronden afgezet door de Herveld stroomgordel. Deze rivier was actief gedurende het laat neolithicum tot en met de ijzertijd. De sedimenten liggen derhalve al ruim twee millennia aan het oppervlak. Bodemvorming heeft hier veel langer de tijd gehad. Als gevolg daarvan zijn de kleibodems hier kalkloos. Kalkloze kleigronden Binnen de gemeente Rhenen komen kalkloze drechtvaaggronden, kalkloze poldervaaggronden en kalkloze ooivaagronden voor. De kalkloze drechtvaaggronden hebben een 5 tot 10 cm dikke humeuze bovengrond. Deze bouwvoor gaat over in grijze, roestige kalkloze zware klei.
Binnen de gemeente Rhenen betreft het komklei dat door de Herveld stroomgordel is afgezet op veen. Het veen bevindt zich over het algemeen op een diepte van 80 tot 100 cm. Onder het veen bevindt
75 76
Stiboka 1973. De Bakker en Schelling 1989.
beleidsactualisaties Rhenen
43
zich gordeldekzand dat veelal binnen 150 cm aanwezig is. De bodemvruchtbaarheid is slecht. Deze gronden zijn in gebruik als weidegronden. Binnen de gemeente Rhenen komen drie typen kalkloze poldervaaggronden voor. Het betreft o.a. de kalkloze poldervaaggronden die zijn gevormd in zavel en lichte klei. Deze bodemsoort bevindt zich in de gebieden waar de klei door de Herveld stroomgordel als komafzettingen direct over de gordeldekzanden is afgezet. Het dekzand bevindt zich veelal op een diepte van 40 tot 80 cm-mv. De bodemvruchtbaarheid is slecht, het landgebruik bestaat derhalve uit weidegrond. Ter plaatse van de nog in het landschap als zodanig zichtbare restgeulen van de Herveld stroomgordel bevinden zich eveneens kalkloze poldervaaggronden, maar dan gevormd in zware klei. De bouwvoor bestaat uit een 10 tot 20 cm dik pakket, matig humeuze klei. Vanwege de relatief lage ligging is de bodem sterk ijzerhoudend. Onder de bouwvoor bestaat de bodem uit grijs tot lichtgrijze zware klei. De bodemvruchtbaarheid is over het algemeen slecht. Tot slot is er nog sprake van de zogenaamde bruine komgrond (eveneens een kalkloze poldervaagrond). Ook dit betreft over het algemeen komafzettingen van de Herveld stroomgordel. Ze wijken af van de overige zware kleigronden door hun opvallende bruine kleur. De bodems zijn diep ontwaterd, wat waarschijnlijk de bruine kleur tot gevolg heeft gehad.
Ook in dit geval is de bodemvruchtbaarheid slecht. Op de oeverwallen van de Herveld stroomgordel bevinden zich de kalkloze ooivaaggronden. Aangezien dit type bodem goed ontwaterd is, heeft het weinig tot geen duidelijke hydromorfe kenmerken. In de diepere ondergrond is vaak nog gelaagdheid zichtbaar. De 15 tot 20 cm dikke bouwvoor is matig humeus. De kalkloze ooivaaggronden binnen de gemeente Rhenen zijn gevormd in zware zavel en lichte klei. In de diepere ondergrond kunnen matig fijne tot matig grove rivierzanden voorkomen. De bodemvruchtbaarheid van dit type bodem is goed. Dat is ook terug te zien in het huidige bodemgebruik. Er komen akkers, boomgaarden en weiden voor. Kalkrijke kleigronden Binnen de gemeente Rhenen komen ook kalkrijke poldervaaggronden en kalkrijke ooivaagronden voor. Deze bodemtypes zijn allemaal gelegen in de uiterwaarden. Kalkrijke ooivaaggronden bevinden zich binnen de gemeente Rhenen deels op de hoger gelegen meanderruggen van de Nederrijn. De bodems zijn zeer homogeen, op een dunne Ah-horizont na. De bodemvruchtbaarheid van dit type bodem is matig tot goed. Binnen de gemeente Rhenen zijn de gronden desondanks alleen in gebruik als weidegrond. Dit is het gevolg van het feit dat ze buitendijks liggen en derhalve bij hoog water vaak onder water staan. Daarbij komt dat delen zijn vergraven voor de winning van klei of voor het omzetten naar natuur.
Binnen de gemeente Rhenen komen drie typen kalkrijke poldervaaggronden voor. Het betreft o.a. de kalkrijke poldervaaggronden die zijn gevormd in zware zavel en lichte klei. Ook deze bodems bevinden zich over het algemeen op de wat hoger gelegen delen in de uiterwaarden. De bovengrond is tot een diepte van 30 à 35 cm homogeen. Daaronder wordt veelal grijze, gelaagde zavel of lichte klei aangetroffen. De bodemvruchtbaarheid van deze gronden is matig tot goed. Desondanks is dit bodemtype binnen de gemeente Rhenen alleen in gebruik als weidegrond. Dit is ook in dit geval het gevolg van het feit dat deze bodems buitendijks liggen en derhalve bij hoog water vaak onder water staan. Daarbij komt dat delen zijn vergraven voor de winning van klei. Binnen de uiterwaarden van de gemeente Rhenen komen ook kalkrijke poldervaagronden die zijn gevormd in zavel. Deze gronden zijn veelal afgegraven ten behoeve van de steenfabrieken die binnen de gemeente aanwezig waren. De niet bruikbare grond werd teruggestort, waardoor de gronden veelal een heterogeen uiterlijk hebben. De bodemvruchtbaarheid is matig. Het grondgebruik bestaat overwegend uit grasland, maar er zijn ook enkele akkers aanwezig. Dit ondanks dat het gebied bij hoge waterstanden regelmatig onder water staat. Tot slot komen er in de uiterwaarden ook nog kalkhouden poldervaaggronden voor die zijn gevormd in zware klei.
Dit betreft een relatief klein deel van de uiterwaarden ter hoogte van Elst. Dit terrein is relatief laag gelegen en staat vaak onder water. De bodemvruchtbaarheid is slecht en het grondgebruik bestaat uit weidegronden.
44
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
4
Bewoningsgeschiedenis
M.A. Tolboom
4.1 Inleiding De vorming van het landschap en de bewoningsgeschiedenis hangen nauw met elkaar samen. De gemeente Rhenen is gelegen in een landschap dat zich kenmerkt door de aanwezigheid van een dominant aanwezige verhoging in het landschap (de Utrechtse Heuvelrug). Aan de noordoostzijde van de stuwwal bevindt zich een dekzandlandschap bestaande uit een dekzandvlakte, voorzien van dekzandwelvingen en -kopjes (Utrechts-Gelderse Vallei). Deze is gedurende het holoceen (deels) bedekt geraakt met een dik pakket veen dat als gevolg van veenwinning heden ten dage weer grotendeels is verdwenen. De zuidzijde van de stuwwal is in de loop der tijd aangesneden en geërodeerd door de Nederrijn. In de nu volgende paragrafen wordt de bewoningsgeschiedenis per periode beschreven, toegespitst op het grondgebied van de gemeente Rhenen. Hiervoor dienen de vindplaatsenkaarten per periode als basis. De vindplaatsenkaarten staan afgebeeld bij de betreffende periode. De informatie over deze vindplaatsen is verwerkt in een vindplaatsencatalogus, waarin alle relevante vindplaatsen binnen de gemeente Rhenen zijn genummerd (cat.nr 1 t/m 1078, bijlage 11B). De gegevens in deze catalogus zijn (deels) overgenomen uit ARCHIS. Omdat de dateringen in ARCHIS in een aantal gevallen over meerdere perioden zijn geadministreerd, komen enkele vindplaatsen voor op meerdere vindplaatsenkaarten.
Vondsten uit een specifieke periode komen in zo’n geval minder duidelijk in beeld. Hoe de archeologische inventarisatie is uitgevoerd en hoe de vindplaatsenkaarten tot stand zijn gekomen, staat beschreven in hoofdstuk 5. Voor het beschrijven van de bewoningsgeschiedenis is ook een aantal publicaties geraadpleegd, zoals de toelichting op de totstandkoming van de bestaande archeologische beleidskaart.77 Delen van deze toelichting, inclusief literatuurverwijzing, zijn overgenomen in onderhavig rapport. Daarnaast zijn enkele periodespecifieke overzichtswerken ingezien voor het algemene beeld dat we (op basis van archeologisch onderzoek) van een periode of regio hebben. Paragraaf 4.9 geeft een overzicht van de historische kernen en verschillende soorten historische relicten binnen de gemeente Rhenen. De kernen en relicten staan afgebeeld op de historische relictenkaart (bijlage 3) en zijn opgenomen in een catalogus (bijlage 11C).
4.2 Paleolithicum – mesolithicum (35.000 – 5.300 voor Chr.) De bewoning kenmerkte zich in deze periode door kampementen waar rondtrekkende groepjes mensen zich tijdelijk vestigden. Zij leefden van de jacht op grote en kleine dieren, van vis en van het seizoensgebonden aanbod van de natuur aan planten, fruit en noten. De archeologische neerslag van deze periode wordt voornamelijk gevormd door werktuigen die gemaakt zijn van vuursteen en natuursteen, en door artefacten van materialen als bot, gewei, git. Botanische resten, uitgezonderd resten in verkoolde vorm, ontbreken.78 Landschappelijk gezien moet Rhenen in deze periode geschikt zijn geweest voor bewoning, ook in die delen die momenteel relatief laag en nat zijn. Van vernatting van het landschap, waardoor delen in het landschap in latere perioden juist minder in trek waren om zich in te vestiging, was in het paleo- en mesolithicum nog nauwelijks tot geen sprake. De beschikbaarheid van water moet voor zowel mens als dier belangrijk zijn geweest. Een combinatie van lage, natte met hoge, droge zones én een grote biodiversiteit vormden de meest ideale situatie voor een vestigingslocatie. In de inventarisatie komen 126 vindplaatsen met een datering vanaf het paleolithicum in beeld. Vaak zijn dit vindplaatsen met een veel jongere einddatering, bijvoorbeeld in de brons- of ijzertijd.
Als we kijken naar vindplaatsen met een einddatering in het paleolithicum, dan komen we uit op negentien locaties. Deze locaties betreffen in de meeste
77
Brugman et al. 2011, 40-52.
78
Peeters et al. 2017; Bakels 2005; Lauwerier, Kolfschoten & Van Wijngaarden-Bakker 2005.
beleidsactualisaties Rhenen
45
gevallen losse vondsten van diverse soorten vuurstenen werktuigen en een stuk dierlijk bot (cat.nr. 500). Eén vondst is verzameld in 2019 tijdens een proefsleuvenonderzoek (cat.nr. 1026) in Elst. De vondst is gedetermineerd als een artefact uit het midden-paleolithicum.79
Afb. 4.1 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit het paleo- en mesolithicum.
Er zijn relatief veel vindplaatsen bekend uit het midden-paleolithicum (300.000-35.000 voor Chr.); dit zijn de oudste sporen van menselijke aanwezigheid binnen de gemeente. Ze zijn afkomstig uit drie zand- en grindgroeves: Kwintelooyen aan de noordzijde van de stuwwal en Leccius de Ridder en Vogelenzang aan de zuidzijde van de stuwwal.80 De stuwwal bestaat uit gestuwde fluviatiele afzettingen uit het Onder- en Midden-Pleistoceen. Vanaf 1977 werden door A.M. Wouters, C.J.H. Franssen en andere amateurarcheologen in de laatste twee genoemde groeves bij stenenvangers duizenden midden-paleolithische vuurstenen artefacten verzameld. In de groeve Kwintelrooyen vond eind jaren 70 en begin jaren 80 van de vorige eeuw uitgebreid geologisch, paleontologisch en archeologisch onderzoek plaats. De artefacten van prehistorische mensen (waarschijnlijk Homo heidelbergensis) waren afkomstig uit een grofzandige laag met grind en stenen die tot de Formatie van Urk wordt gerekend. Mogelijk betrof het allerlei kampplaatsen. De laag is afgezet door een snelstromende, meanderende voorganger van de Rijn in de eerste helft van het Saalien tijdens het Hoogeveen-interstadiaal (250.000 – 300.000 voor Chr.). Ook zijn naast deze artefacten van de ‘Rhenen-industrie’ botten van zoogdieren gevonden (o.a.
bosolifant en nijlpaard (warmere periode), en mammoet en wolharige neushoorn (koudere periode)).81 Niet alleen deze, maar ook veel andere vindplaatsen met een begindatering in het paleolithicum zijn gesitueerd op (en vaak langs de randen van) de stuwwal en de smeltwatervlaktes. Enkele vindplaatsen liggen in het lager gelegen dekzandlandschap ten noordoosten van de stuwwal, waaronder een laat-paleolithische vondst (cat.nr. 247, gelegen binnen AMK-terrein 11540). Dat geeft aan dat ook deze lager gelegen zone werd bezocht. In die periode was dit een lager gelegen dekzandvlakte die nog niet was bedekt met veen. Het is echter duidelijk dat er beduidend minder vindplaatsen aanwezig zijn in de dekzandvlaktes die later met veen bedekt zijn geraakt. AMK-terrein 11540 bevindt zich op een deels afgegraven dekzandrug, die is afgedekt door een verploegde veenlaag.
79 80 81
46
Pels-Ouweneel & Kerkhoven 2021 (concept), 33. Niekus & Stapert 2005; Verbeek & Janssens 2007. Brugman et al. 2011, 41.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
Voor het mesolithicum komen vijftien vindplaatsen in beeld. Ook hier geldt dat de meeste vindplaatsen een jongere einddatering hebben, tot in de vroege prehistorie, maar ook tot in een veel jongere periode. Vier vindplaatsen hebben een einddatering in het mesolithicum. Het gaat om losse vondsten van vuurstenen werktuigen, gelegen op de stuwwal (cat.nr. 165, 340, 524 en 906). Twee AMK-terreinen, nrs. 4854 en 4855, gelegen in Remmerden, hebben een ruime datering vanaf het mesolithicum tot en met de late middeleeuwen. De oudste vondsten op beide terreinen hebben meestal een ruime datering in het paleolithicum tot in de vroege prehistorie. Alleen op AMK-terrein 4855 is een stuk vuursteen in het mesolithicum gedateerd (cat.nr. 245). Overige aanwijzingen voor tijdelijke verblijfplaatsen in de vorm van sporen, zoals haardkuilen, zijn er niet voor het paleoen mesolithicum.
4.3 Neolithicum (5.300 – 2.000 voor Chr.) Gedurende de nieuwe steentijd (neolithicum) deden zich grote veranderingen voor. In deze periode deden aardewerk, veeteelt en landbouw hun intrede. Hierdoor veranderde langzamerhand de economische (en culturele) levenswijze. Geleidelijk ging men over naar een meer sedentair bestaan. De eerste neolithische landbouwers vestigden zich in het Zuid-Nederlandse lössgebied (circa 5.300 voor Chr.). In de daaropvolgende eeuwen verbreidde het neolithisatieproces zich geleidelijk over de rest van Nederland. Door contacten met de boeren in het zuiden namen de jagers-verzamelaars geleidelijk aan aspecten van deze nieuwe manier van leven over. Zo werd niet alleen de akkerbouw en veeteelt, maar ook het gebruik van aardewerk in andere delen van ons land geïntroduceerd. Daarnaast bleef het jagen en verzamelen een belangrijke bron van voedsel, waardoor tijdelijke kampementen voor deze periode nog steeds zijn te verwachten. 82 Hoe het neolithisatieproces zich verbreidde, is afhankelijk van de contacten die men had met andere mensen en culturen. In het zuiden van Nederland waren deze contacten vooral met Centraal-Europa en Engeland. In NoordNederland waren juist contacten met Noord-Europa. Dit verschil is ook bepalend voor de periode waarin de veranderingen zich voltrokken. In Noord-Nederland kwam neolithisatie wat later op gang dan in Zuid-Nederland.
Ook in materiële cultuur zijn er verschillen tussen Noord- en Zuid-Nederland.83
Afb. 4.2 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit het neolithicum. 82 83
Louwe Kooijmans 2005, 249. Van Gijn & Louwe Kooijmans 2005, 208.
beleidsactualisaties Rhenen
47
Cultureel gezien is Midden-Nederland verwant aan Noord-Nederland. Zodoende zou de regio bewoond kunnen zijn door mensen van de Swifterbantcultuur (5000-3400 voor Chr.) en later door mensen van de Trechterbekercultuur (34002850 voor Chr.). De Swifterbantcultuur kenmerkt zich door kleine kampementen die vooral herkenbaar zijn aan clusters van haardkuilen. Ook kunnen inhumatiegraven, paalsporen en kuilen voorkomen. Men deed nog niet aan landbouw en veeteelt. De Trechterbekercultuur kenmerkt zich door megalietgraven en meer permanente nederzettingen. Er werd al meer landbouw en veeteelt bedreven.84 Er zijn 233 vindplaatsen met een begindatering in het neolithicum bekend. Hiervan hebben 39 een einddatering in het neolithicum. Dit betreft meestal losse vondsten van vuursteen en aardewerk. De aanwezigheid van aardewerk is in ieder geval een aanwijzing voor een meer sedentair bestaan en dus voor bewoning. Waar die bewoning plaatsvond, is niet bekend. Concrete bewoningssporen, zoals huisplattegronden, zijn voor het neolithicum niet bekend. Neolithische, niet nader te bepalen grondsporen zijn alleen gezien in Elst (cat.nr. 2). Op een locatie in Achterberg met grondsporen in de vorm van een huisplattegrond blijkt enkel sprake te zijn van vondsten (cat.nr. 523). Het verspreidingsbeeld van de vindplaatsen uit het neolithicum vertoont hetzelfde beeld als de voorgaande periode.
Begravingen uit de Swifterbant- en Trechterbekercultuur zijn niet bekend. De vindplaatsen liggen met name op (de flanken van) de stuwwal en de smeltwatervlaktes en op de hogere delen in het dekzandlandschap. Eénendertig AMK-terreinen herbergen sporen van bewoning of grafheuvels. Deze terreinen hebben een brede datering in het neolithicum tot en met de bronstijd of jonger. Na het midden-neolithicum begroef men de doden in vlakgraven of onder een grafheuvel. Het fenomeen grafheuvel blijft tot en met de midden-bronstijd B (tot 1100 voor Chr.) in gebruik. Vlakgraven zijn binnen de gemeente niet bekend. Grafheuvels wel, daarvan zijn 84 exemplaren met een datering vanaf het neolithicum (meestal laat-neolithicum, vanaf 2850 voor Chr.) gemeld. Geen van de grafheuvels is enkel in het neolithicum gedateerd, maar de datering loopt door tot in de bronstijd of in de ijzertijd. Andere meldingen hebben oudere begindatering en/of een jongere einddatering gekregen. Als resultaat van het Project Erfgoed Gezocht zijn 41 grafheuvels toegevoegd. Met dit project is in het kader van burgerwetenschap de Utrechtse Heuvelrug met behulp van hoogtekaarten afgezocht op grafheuvels (en raatakkers en karrensporen).85 De grafheuvels liggen met name op de hogere delen van de stuwwal langs zowel de noordelijke als de zuidelijke zijde.
4.4 Bronstijd (2.000 – 800 voor Chr.) De overgang van het neolithicum naar de bronstijd heeft zeer geleidelijk plaatsgevonden. Vuursteen en natuursteen bleven belangrijke grondstoffen voor het vervaardigen van artefacten. Nieuw was het toepassen van eerst koper en later ook brons voor het maken van gereedschappen en wapens. De grondstoffen hiervoor waren niet beschikbaar in de directe omgeving en moesten dus van andere plekken worden gehaald. Nederzettingen uit het laat-neolithicum en de vroege bronstijd zijn nauwelijks bekend. Men vermoedt dat dat komt omdat men simpelweg weinig kuilen groef in deze periode. Mogelijk waren gebouwen in die tijd ook licht geconstrueerd, wat geen grote of diepe paalkuilen achterlaat. Er was destijds nog sprake van een grote mate van mobiliteit; men trok rond binnen een bepaald gebied. De jacht speelde nog een grote rol in deze levenswijze. Voor de midden-bronstijd werd dit anders; van deze periode vinden we vaak afvalkuilen terug en gebouwen uit deze periode zijn beter zichtbaar door een zwaardere constructie. Net als in het neolithicum zijn ook in de bronstijd culturele verschillen te herkennen in het grafritueel en in aardewerkvormen. Midden-Nederland is te rekenen tot de Hilversumcultuur. In de inventarisatie komen 102 vindplaatsen met een begindatering in de bronstijd in beeld. Hiervan hebben er 34 een einddatering in de bronstijd.
Deze 34 vindplaatsen betreffen nagenoeg allemaal meldingen van losse vondsten met af en toe de waarneming van een grondspoor. Onder de vindplaatsen zijn meerdere soorten bronstijdaardewerk gemeld: Laren-, wikkeldraad-, Hilversum- en Drakenstein-aardewerk. Daarnaast zijn ook metalen en stenen bijlen, armbanden en een lans bekend. Uit deze meldingen blijkt in ieder geval dat er menselijke activiteit was in de regio. Een armband is aangetroffen in een crematiegraf dat waarschijnlijk deel uitmaakte van een groter, verder onbepaald grafveld aan de Tabaksweg in Elst (cat.nr. 522). Bewoningssporen uit de bronstijd zijn bekend van grootschalig onderzoek op het bedrijventerrein van Remmerden (cat.nr. 4). Op dit terrein, tevens AMK-terrein (nr. 4854), hebben meerdere onderzoeken plaatsgevonden, waaruit blijkt dat deze locatie vanaf de vroege bronstijd tot in de ijzertijd bewoond was. Voor de vroege bronstijd zijn geen concrete 84 85
48
Scholte Lubberink, Keunen & Willemse 2015, 35-37. Z.n. 2021.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
gebouwen herkend; het gebruik van het terrein blijkt voornamelijk uit vondstspreidingen en enkele losse sporen. In de tweede helft van de midden-bronstijd stapte men over op een meer sedentaire bestaanswijze. Bronstijd-nederzettingen in het rivierengebied bestonden waarschijnlijk uit meerdere gelijktijdige boerderijen die op een afstand van 10 tot 80 m van elkaar gelegen waren. Ze verplaatsen zich niet binnen een specifiek territorium of akkercomplex (‘zwervende erven’), maar er lijkt in het rivierengebied eerder sprake te zijn van geleidelijke groei en veranderingen. In Remmerden zijn uit deze periode en de late bronstijd enkele sporen van gebouwen teruggevonden en meerdere grote en kleine kuilen. Huizen hadden waarschijnlijk een levensduur van 50 tot 100 jaar. Er zullen dus meerdere generaties hebben gewoond.
Afb. 4.3 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de bronstijd.
Ook in Elst zijn sporen uit de bronstijd bekend (cat.nr. 25). Een kringgreppel en twee kuilenclusters dateren uit de vroege bronstijd. Uit de midden-bronstijd dateren een spieker en een diepe kuil. Het zwaartepunt van de bewoning ligt hier waarschijnlijk vanaf de tweede helft van de late bronstijd en loopt door tot in de eerste helft van de vroege ijzertijd. Beide vindplaatsen in zowel Remmerden als Elst liggen op de lagere delen van de stuwwal, in een smeltwatervlakte en, of nabij, een droogdal. Het begravingsritueel in de bronstijd volgde de tradities uit het laat-neolithicum. In de late bronstijd kwam een ander grafritueel in gebruik. In plaats van lijkbegraving, cremeerde men de overledene en zette men deze resten in urnen bij in grote grafvelden, de zogenaamde urnenvelden. Het graf werd soms afgedekt met een kleine heuvel, maar grote grafheuvels zoals in de periode hiervoor, ontbreken. Er zijn negentien vindplaatsen met een begindatering in de bronstijd (einddatering kan doorlopen tot in de ijzertijd) met begravingen. Twaalf van deze vindplaatsen betreffen grafheuvels en vier een urnenveld. Twee grafheuvels zijn in het kader van het grafheuvelonderzoek van de universiteit Leiden onderzocht: de Unitas 1, een grafheuvel uit de vroege bronstijd (AMK-terrein 7145, cat.nr. 239) en Delfin 190, een grafheuvel uit de midden-bronstijd (AMK-terrein 7146, cat.nr. 285).
In Archis hebben beide grafheuvels nog een ruime datering vanaf het laat-neolithicum tot en met de ijzertijd. De grafheuvels maken deel uit van een cluster grafheuvels. De urnenvelden dateren uit de late bronstijd tot en met de vroege ijzertijd. Van de urnenvelden betreft één locatie een melding van aardewerk, niet van sporen of crematieresten of een verhoging in het landschap (cat.nr. 494). Een tweede vindplaatse zou op basis van de informatie in Archis een grafheuvel kunnen zijn, terwijl de locatie als urnenveld staat geadministreerd (cat.nr. 957). Deze locatie ligt binnen de grenzen van AMK-terrein 7183, ‘een terrein met sporen van beleidsactualisaties Rhenen
49
twee naast elkaar gelegen urnheuvels’. In een van de heuvels zijn fragmenten van een urn uit de ijzertijd gevonden. Hier lopen wellicht twee complexen door elkaar; de urn is een bijzetting uit de late bronstijd of ijzertijd in een oudere grafheuvel. De andere ‘urnheuvel’ betreft vindplaats 1055, een grafheuvel. In de directe omgeving van deze twee grafheuvels, of ‘urnheuvels’, liggen meer grafheuvels (datering NEOLA-IJZ). Tot slot zijn twee vindplaatsen, cat.nr. 803 en 806, toe te schrijven aan hetzelfde urnenveld. Beide liggen binnen de grenzen van AMK-terrein 12203. Er zijn fragmenten van urnen uit de vroege ijzertijd en crematieresten gevonden. In Rhenen bevindt zich een urnenveld uit de late bronstijd of vroege ijzertijd (cat.nr. 1). Dit urnenveld is aangetroffen nabij een grafheuvel uit de vroege ijzertijd.
4.5 IJzertijd (800 – 12 voor Chr.) De manier van leven in de ijzertijd verschilde niet wezenlijk van dat van de bronstijd. Het beeld is dat solitaire boerderijen en kleine nederzettingen van twee of drie huizen zich op korte afstand verplaatsten. Op de hellingen van de stuwwal lagen raatakkercomplexen, de zogenaamde Celtic fields, waarbinnen zich verspreid boerenerven bevonden.86 Een Celtic field is een reeks van akkers, vaak met een oppervlak van 30 x 30 m, die met wallen van elkaar waren gescheiden. Deze akkers werden intensief gebruikt. Terreinen verder van de boerderij af werden minder intensief gebruikt. Binnen het geheel van het Celtic field bevonden zich meerdere bewoningslocaties, die afwisselend bewoond waren. Binnen een Celtic field zijn dus meerdere bewoningsfasen te verwachten.87
Afb. 4.4 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de ijzertijd.
Van alle vindplaatsen binnen de gemeente Rhenen dateren er 233 uit de ijzertijd. Hiervan hebben 143 een einddatering in de ijzertijd. De vindplaatsen liggen voornamelijk langs de randen van de stuwwal en op de smeltwatervlakte, met een hoge concentratie langs de zuidzijde van de stuwwal. In het lager gelegen dekzandlandschap aan de noordoostzijde van de stuwwal, dat in deze periode grotendeels was bedekt met een dik pakket veen, bevinden zich significant minder vindplaatsen. In het westen van Achterberg is een deel van een nederzetting uit de ijzertijd opgegraven (cat.nrs. 57 en 1025). De meeste sporen dateren uit de midden- en late ijzertijd.88 Ook ten oosten van Achterberg is een deel van een 86 87 88
50
Scholte Lubberink, Keunen & Willemsen 2015, 40. Harsema 2005. Van Benthem 2020.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
ijzertijdnederzetting aangetroffen (cat.nr. 60).89 Bij beide opgravingsterreinen is geen hoofdgebouw aangetroffen, alleen bijgebouwen. Het nederzettingsterrein moet dus in beide gevallen groter zijn geweest dan het opgravingsareaal. Op het terrein ten oosten van Achterberg is gebleken dat er twee concentraties sporen zijn op een onderlinge afstand van 50 meter. Deze tussenliggende ruimte is nagenoeg leeg aan sporen. Het vlakhoogtereliëf laat hier een iets lager deel van het landschap zien. Hier is wellicht sprake van twee verschillende vindplaatsen of twee verschillende activiteitenzones, mogelijk erven, die deel uitmaken van één vindplaats. De datering van de oostelijke zone ligt rond de midden-ijzertijd. De westelijke zone is vanwege het ontbreken van (goed daterend) vondstmateriaal niet te dateren.90 In Elst zijn bewoningssporen uit de ijzertijd vastgesteld tijdens een opgraving (cat.nrs. 18 en 25) en een proefsleuvenonderzoek dat gevolgd is door een archeologische begeleiding (cat.nr. 63). Op de locatie ‘Het Bosje’ is geconstateerd dat het terrein bewoond was in de bronstijd, dat de bewoning in de loop van de vroege ijzertijd ophoudt en dat het terrein vervolgens in gebruik werd genomen als grafveld. In de midden-ijzertijd is er weer bewoning.
Er zijn geen aanwijzingen voor bewoning ná de late ijzertijd.91 De bewoning uit de bronstijd op het bedrijventerrein in Remmerden zet zich aldaar niet voort in de ijzertijd. Wel zijn delen van een ijzertijdnederzetting gedocumenteerd ter hoogte van de rotonde aan de N225 (cat.nr. 23). In de inventarisatie komen achttien vindplaatsen met ‘Celtic fields’ voor en twee beschermde archeologische monumenten (532461 en 4855). Eén vindplaats ligt op de noordzijde van de stuwwal, de rest op de zuidzijde, met concentraties bij Remmerden en Elst. Geen van de vindplaatsen is gesitueerd binnen de grenzen van een archeologisch monument. In 2004 is met een archeologische inspectie een Celtic field vastgesteld op de stuwwal bij Remmerden, ten noorden van het bedrijventerrein (cat.nr. 10). De toelichting in Archis vermeldt dat dit Celtic-fieldsysteem zich uitstrekt vanaf de rand van de stuwwal tot aan het dal van de Rijn. Er zijn minstens drie wallen waargenomen, waarvan ook het bodemprofiel wijst op de aanwezigheid van een prehistorische akker. Met het Project Erfgoed Gezocht zijn voor de gemeente Rhenen vier terreinen gemarkeerd waar op het AHN Celtic fields zijn gezien.92 Enkele vindplaatsen liggen binnen of nabij de grenzen van deze terreinen. Begraven deed men in eerste instantie, zoals bij de bronstijd vermeld, in urnenvelden.
Een urnenveld werd over meerdere eeuwen gebruikt als begraafplaats. In de loop van de ijzertijd ging men er ook toe over om brandstapels inclusief de crematieresten met een heuvel te bedekken, in plaats van de crematieresten bij elkaar te verzamelen. Een dergelijke heuvel wordt een brandheuvel genoemd. Vanaf de midden-ijzertijd veranderde het grafgebruik. De grote urnenvelden raakten buiten gebruik en men nam nieuwe begraafplaatsen in gebruik.93 In de inventarisatie zijn zes meldingen van een urnenveld aanwezig. Vier van deze meldingen dateren vanaf de late bronstijd (par. 4.4), twee vindplaatsen zijn gedateerd in de ijzertijd. Deze beide laatste vindplaatsen betreffen meldingen van aardewerk, niet van sporen of crematie (cat.nr. 495 en 565). Soms zijn meldingen van crematieresten in de inventarisatie terug te vinden onder een ander complextype, zoals de crematiegraven die in Elst zijn gevonden tijdens een opgraving op de locatie ‘Het Bosje’ (cat.nr. 25). Bewoning op dit terrein hield op in de loop van de vroege ijzertijd, waarna het in gebruik is genomen als grafveld. Van dit grafveld zijn vier verspreid liggende crematiegraven uit de midden-ijzertijd teruggevonden. Tijdens de bouw van de kerk op een aangrenzend terrein aan de Tabaksweg is een cluster van vier crematiegraven gezien (cat.nr. 522).
Dit cluster is gedateerd op de overgang van de vroege naar de midden-ijzertijd.94 Deze acht graven zijn samen als één vindplaats te beschouwen. In Remmerden is ten noorden van de bebouwde kom ter hoogte van het bedrijventerrein (par. 4.4) een urnenveld aangesneden tijdens een proefsleuvenonderzoek (cat.nr. 26). Ten noorden van het urnenveld is een zone met bewoningssporen (midden-bronstijd tot en met ijzertijd) aangetroffen. De vindplaats is niet verder onderzocht omdat is afgezien van verdere ontwikkeling van het terrein.95
89
Ter Wal 2020. Ter Wal 2020, 177-178, afb. 7.1. 91 Meurkens 2009a; Meurkens 2008. 92 Z.n. 2021, 49-50. 93 Hessing & Kooi 2005, 637, 650. 94 Meurkens 2009a, 107. 95 Meurkens 2009b. 90
beleidsactualisaties Rhenen
51
Een urnenveld uit de late bronstijd of vroege ijzertijd is reeds genoemd bij de bronstijd (cat.nr. 1). De nabijgelegen grafheuvel (bekend als de Koerheuvel) blijkt het rijk gevulde graf van een lokale vorst uit de 7 e eeuw voor Chr. te zijn.96
4.6 Romeinse Tijd (12 voor Chr. – 450 na Chr.) Twaalf voor Chr. wordt als begin van de Romeinse tijd in Nederland beschouwd. Halverwege de eerste eeuw na Chr. is het zuiden van Nederland onderdeel geworden van het Romeinse rijk en vormde de Rijn de rijksgrens, de limes. Op de zuidelijke oever van de Rijn verschenen legerplaatsen en wachttorens van waaruit het verkeer over de rivier in de gaten kon worden gehouden. De rivier vormde voor de hier gelegerde troepen een essentiële verkeersader voor de aanvoer van mensen en goederen. Het grondgebied van de gemeente Rhenen ligt aan de noordelijke oever van de Rijn en maakte dus geen deel uit van deze nieuwe politiek-bestuurlijke eenheid. Dat betekent echter niet dat beide oevers van de Rijn in isolement van elkaar verkeerden of dat de nieuwe sociaal-politieke realiteit op de zuidoever geen impact had op het leven ten noorden van de rivier.97
Afb. 4.5 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de Romeinse tijd.
Het fenomeen Celtic field verdween. Bewoning in de Romeinse tijd is gekarakteriseerd als solitair gelegen huisplaatsen (Einzelhöfe), gehuchten bestaande uit meerdere gelijktijdige erven (small rural settlements) en volledig omgreppelde nederzettingen (enclosed settlements). De vernatting van het landschap in de Gelderse Vallei had als gevolg dat de nederzettingen naar de hogere delen van het landschap werden verplaatst. In de omgeving van Rhenen bestond de bewoning uit kleine nederzettingen van alleenstaande boerderijen. In de 2e eeuw nam de omvang van de bewoning toe. De nederzettingen waren meer geclusterde eenheden en bestonden uit meerdere gelijktijdige erven die van elkaar gescheiden waren door hekwerken of greppels en wegen. Sommige nederzettingen in de noordelijke regio’s namen waarschijnlijk een belangrijke plaats in binnen handelsnetwerken met de Romeinen. Tegen het einde van de 4e en in de 5e eeuw nam de omvang van de nederzettingen weer af en was er weer sprake van verspreide bewoning. Dit is waarschijnlijk te verklaren door het wegvallen van het Romeinse gezag in Zuid-Nederland.98
96 97 98
52
Van Heeringen 1999. Brugman et al. 2011, 46. Scholte Lubberink, Keunen & Willemsen 2015, 41-42, 171-172; Van der Velde 2007, 586-587.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
Uit de inventarisatie komen 242 vindplaatsen naar voren die in de Romeinse tijd zijn gedateerd. Hiervan zijn er slechts 83 waarvan de begindatering in de Romeinse tijd valt, waarvan 50 met een einddatering in de Romeinse tijd. De vindplaatsen liggen voornamelijk langs de randen van of op de stuwwal en de smeltwatervlaktes. Enkele liggen in het lager gelegen dekzandlandschap ten noorden van de stuwwal. Het gaat vaak om vondstmeldingen van aardewerk of metaal of om een waarneming van een grondspoor, waaruit is op te maken dat er enige menselijke activiteit in de Romeinse tijd moet zijn geweest. Concrete bewoningssporen zijn er echter niet. Er zijn wel sterke vermoedens van een grafveld op een terrein langs de Utrechtseweg tussen Rhenen en Remmerden (AMK-terrein 7188). Op dit terrein zijn onder andere crematieresten gevonden en is rood verbrand zand gezien. Het aangetroffen aardewerk is Romeins handgevormd, maar er is ook een Terra sigillata kom gevonden (cat.nr. 74). Hieruit blijkt dat er contacten moeten zijn geweest met de Romeinen. Rituele deposities kunnen te maken hebben met de bouw, herbouw of het verlaten van een huis (een bouwoffer), of met het vereren van goden, bijvoorbeeld in de buurt van een cultusgebouw.
In het geval van een bouwoffer kunnen voorwerpen van bijvoorbeeld aardewerk in een kuil of een paalkuil, die een duidelijke relatie hebben met het gebouw waartoe de kuil of paalkuil hoort, worden gedeponeerd. Deze voorwerpen zijn dan niet willekeurig afgedankt, maar er is aandacht besteed aan hoe de voorwerpen in een kuil zijn geplaatst. Ook zijn er bouwoffers bekend van dierlijke resten. In Zuid-Nederland zijn voor deze periode, en de bronstijd, ook deposities bekend van een groot aantal weefgewichten of meerdere in elkaar gestapelde potten of grote vondstconcentraties in kuilen of paalsporen.99 Ook zijn deposities uit de ijzertijd, maar ook de bronstijd, bekend, die niet aan een specifieke context zijn toe te schrijven en waarvan het de vraag wat de achterliggende gedachte of intentie van de depositie is. Het fenomeen bronsdepot is hiervan een goed voorbeeld. In een dergelijke depositie kan een enkel voorwerp zijn afgedankt, of een groep voorwerpen (wapens, gebruiksvoorwerpen), of bijvoorbeeld schroot of halffabrikaten van een smidse. Deposities kunnen uiteraard ook bestaan uit andersoortige voorwerpen, zoals sieraden, en van andere materialen, bijvoorbeeld vuursteen. Dat kan variëren per periode.
Het is duidelijk dat dergelijke voorwerpen bewust ergens zijn achtergelaten, vaak in lege, onbewoonde gebieden, zoals beekdalen, vennen, moerassen of veengebieden.100 Dergelijke deposities kunnen al vanaf het neolithicum voorkomen. In Rhenen is één vondstlocatie uit de Romeinse tijd aangemerkt als ‘Depot’. Oudere locaties zijn niet bekend binnen de gemeente (of in ieder geval niet als zodanig aangemerkt in Archis). Het betreft de vondst van een gouden ketting en een gouden halsring, beide uit de laatRomeinse tijd B of de vroege middeleeuwen A (cat.nr. 614). De vondst is gedaan in Achterberg, in een lager gelegen deel van het dekzandlandschap op de overgang naar het veengebied.
4.7 Vroege middeleeuwen (450 – 1050 na Chr.) De vroege middeleeuwen worden onderverdeeld in de Merovingische en Karolingische perioden. De Merovingen waren een dynastie van Frankische koningen die in de 5e tot in de 8e eeuw in een steeds veranderend gebied in delen van België, Frankrijk en Duitsland regeerden. Halverwege de 8e eeuw werden de Merovingen onttroond door de Karolingen. Zij regeerden tot aan het einde van de 10e eeuw. In de 7e eeuw werd het centrale rivierengebied in Nederland opnieuw het toneel van machtsstrijd. Frankische groepen uit het zuiden en oosten en Friezen vanuit het westen kregen belangstelling voor het gebied. Dit leidde tot schermutselingen en veldslagen. Friezen en Franken hadden afwisselend de overhand in het gebied. Met de Merovingische Franken kwam het christendom in de 6e eeuw vanuit het zuiden naar Midden-Nederland. In de stad Utrecht werd een kerkje in het Romeinse castellum gebouwd om de kerstening van de Friezen in gang te zetten. Rond dezelfde tijd kwamen Engelse monniken, waaronder Willibrord, het christelijke geloof verspreiden. De overlevering wil dat Willibrord, nadat hij in 695 tot aartsbisschop der Friezen was gewijd, rond 700 na Chr. Cunera heilig heeft verklaard (zie ook paragraaf 4.9.1). De locatie van waar Cunera vermoedelijk was begraven, staat bekend als het Cunerabergje.
Deze locatie is een beschermd Rijksmonument (AMK-terrein 45959, cat.nr. 206). Het betreft een heuvel met de overblijfselen van de aan de Heilige Cunera gewijde kapel, en mogelijk ook het graf van de Heilge Cunera. De kapel zou uit het begin van de 16e eeuw dateren.
99
Van der Linde 2016, 185. Van den Broeke 2005, 662-663.
100
beleidsactualisaties Rhenen
53
Binnen de gemeente Rhenen zijn 94 vindplaatsen bekend met een startdatering in de vroege middeleeuwen. Hiervan hebben 44 vindplaatsen een einddatering in de vroege middeleeuwen. De vindplaatsen liggen voornamelijk langs de randen van de stuwwal en op de smeltwatervlaktes, geclusterd bij Elst, Remmerden, Rhenen en Achterberg. Eén melding ligt in het lager gelegen dekzandlandschap. Men neemt aan dat op de overgang van de Romeinse tijd naar de vroege middeleeuwen de Gelderse Vallei, ten noorden van Rhenen, ontvolkt raakt. De omvang van nederzettingen nam af en ze werden uiteindelijk verlaten. Verspreid zullen nog wel solitair gelegen huisplaatsen aanwezig zijn geweest, die zich verplaatsten over de hogere delen van het landschap. Door vernatting van het landschap waren de lager gelegen delen van het landschap, net als in de Romeinse tijd, minder tot niet geschikt voor bewoning. Maar niet iedereen ging weg. Rond de stuwwal van Rhenen zijn meerdere grafvelden bekend waaruit bewoningscontinuïteit blijkt. Er zijn grafvelden bekend te Elst (cat.nr. 38), Remmerden (cat.nr. 251), Rhenen-Donderberg (cat.nr. 221), Rhenen-Laarsenberg (cat.nr. 625) en Achterberg (cat.nr. 642). Een deel van de graven in de grafvelden van Rhenen en Elst is bijzonder vanwege de afmetingen, de constructie, de rijke, elitaire grafgiften en de combinatie met paardengraven.101
Afb. 4.6 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de vroege middeleeuwen.
Het grafveld van Elst kwam in beeld in 1981 tijdens rioleringswerkzaamheden. Het grafveld is opgegraven door de toenmalige ROB en heeft 250 graven opgeleverd: crematiegraven, inhumatiegraven en paardengraven, en mogelijk een hondengraf. Het grafveld dateert uit de periode 450-750. In de laatste fase van het grafveld lijkt crematie en inhumatie naast elkaar voor te komen. Het idee is dat onder invloed van het christendom men in de loop van de 8 e eeuw in de buurt van kerken ging begraven, waardoor de oudere begraafplaatsen niet meer in gebruik waren.102 AMK-terrein 4858 (terrein van archeologische waarde) grenst aan deze vondstlocatie en houdt verband met het grafveld, samen met enkele andere vindplaatsen (cat.nr. 273). In Remmerden zijn op het industrieterrein in 1988 enkele crematie- en inhumatiegraven gedocumenteerd in een bouwput. Het lijkt erop dat de oostrand van een grafveld is aangesneden en dat het grafveld zich in westelijke richting uitstrekt. De vondsten duiden vooralsnog op een datering in de 7e eeuw. Een vroeger begin van het grafveld is niet uit
101 102
54
Scholte Lubberink, Keunen & Willemsen 2015, 42-44, 172. Van Tent 1985, 9-13.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
te sluiten.103 AMK-terrein 11554 (terrein van hoge archeologische waarde) grenst aan deze vondstlocatie en houdt verband met het grafveld. Het grafveld dat bekend staat onder het toponiem Donderberg ligt ten westen van Rhenen. Het is opgegraven in 1951 en heeft circa 800 inhumatiegraven en 300 crematiegraven opgeleverd. Het grafveld is in de late 4 e eeuw in gebruik genomen. Het grafveld is tot in de eerste helft van de 8e eeuw in gebruik gebleven.104 AMK-terrein 7180 (terrein van hoge archeologische waarde) houdt verband met dit grafveld; het is een ‘Terrein met sporen van een vroegmiddeleeuws grafveld dat in 1951 werd opgegraven. Deze opgraving vond ten oosten van het huidige terrein plaats’. Het grafveld Rhenen-Laarsenberg ligt op de flank van de noordelijke kant van de stuwwal. Het is ontdekt tijdens ontgravingen in 1892. Er is sprake van zowel crematie- als inhumatiegraven. Het grafveld was in ieder geval in gebruik in de 6e en 7e eeuw.105 Het grafveld Achterberg (geen AMK-terrein) is eveneens gevonden in 1951. Het grafveld dateert uit de 6e of 7e eeuw. Dit terrein is in 1996 gewaardeerd door middel van proefsleuven. Met dit onderzoek zijn de grenzen van het grafveld vastgesteld, waarna dit terrein is vrij gehouden van bebouwing.
In de toelichting is de wens uitgesproken om dit terrein zichtbaar te maken als AMK-terrein, maar dat is niet gebeurd.106 Gezien het aantal en de omvang van de grafvelden, moet de omgeving bewoond zijn geweest. De nederzettingen van deze bewoners zijn niet (archeologisch) bekend. De laat-7e-/vroeg-8e-eeuwse ringwalburg op de Heimenberg bij Rhenen, een verdedigingswerk, wordt in verband gebracht met de vermoedelijke elitegroepen (cat.nr. 3, 159, 240). 107 De Heimenberg is een beschermd Rijksmonument (AMK-terrein 45944). Bewoningssporen uit de 8e tot 10e eeuw binnen Rhenen zijn schaars. Bewoning (in de vorm van grondsporen) is bekend of wordt vermoed in Elst (cat.nr. 39), Rhenen (cat.nr. 54)108 en Achterberg (cat.nr. 517)109, maar deze sporen geven geen overzicht in de ontwikkeling van nederzettingen binnen Rhenen. Dat er bewoning was, blijkt ook uit vermeldingen in vroegmiddeleeuwse oorkonden. Deze vermeldingen hebben betrekking op nederzettingen of bossen op de flanken van de stuwwal.110 In Remmerden is een muntschat gevonden (cat.nr. 7). De muntschat bestaat uit 141 zilveren sceattas en 98 gouden triens uit de 7e eeuw. De munten zijn gevonden tijdens een verkenning in 1988 die vanwege de vele vondsten is uitgebreid tot een opgraving. De munten zijn verspreid over een oppervlak van zo’n 600 m 2 aangetroffen.
De directe omgeving is ook opgegraven, maar daar kwam geen archeologische informatie uit voort die iets zegt over de context van de vondst. Als het een muntschat is, waren de munten aanvankelijk bij elkaar opgeborgen en in de grond geplaatst, maar zijn de munten als gevolg van bewerking van het land verspreid geraakt. Met een opgraving in 2005 op een aangrenzend terrein zijn nog drie gouden en een zilveren munt gevonden (cat.nr. 11). De vondst van deze 7e-eeuwse muntschat is gekoppeld aan de onrustige tijd in het gebied rond 700, die werd veroorzaakt door verschillende oorlogen tussen de Friezen en de Franken. Zij streden om de macht in het rivierengebied met belangrijke handelsplaatsen als Dorestad.111
4.8 Late middeleeuwen en Nieuwe tijd (1050 – heden) Tegen het eind van de vroege middeleeuwen, maar vooral ook vanaf de late middeleeuwen, werden grote delen van het landschap opnieuw in gebruik genomen en bewoond. Er was een periode van droogte, waardoor de hoger gelegen delen van het landschap juist minder geschikt waren voor bewoning. Voor de late middeleeuwen geldt dat hier regionaal gezien meer over bekend is dan over de voorgaande perioden. Het aantal geschreven bronnen neemt sterk toe. De toename van de bevolkingsdichtheid die was ingezet in de voorgaande periode zette door. De bestaande gehuchten en dorpen in de regio namen toe in omvang. Vanaf de late middeleeuwen kwamen ook steden tot ontwikkeling. Die ontwikkeling kwam tot stand onder invloed van een aantal factoren. Er was sprake van een bevolkingstoename, wat leidde tot specialisatie en arbeidsverdeling, wat vervolgens leidde tot ruilen van goederen en het ontstaan van markten. 103
Van Tent 1996a, 56-57. Heidinga 1990, 20. De vondsten zijn gepubliceerd: Wagner & Ypey 2011. 105 Heidinga 1990, 21-23. 106 Van Dockum & Van Rooijen 1998, 105; Ypey 1959, 100. 107 Van Doesburg 2008; Heidinga 1990. 108 Halverstad 2015. 109 Ter Brugge 1998, 69-70. 110 Scholte Lubberink, Keunen & Willemsen 2015, 49. 111 Van Hoof 2005, 68-70; Van Tent 1996b. 104
beleidsactualisaties Rhenen
55
De nederzettingen die in deze periode zijn ontstaan, kennen vaak meerdere bewoningsfasen. De aanwezigheid van een doorgaande weg lijkt voor deze nederzettingen een grote rol te spelen. In de late middeleeuwen gingen de ontginningen, die aan het eind van de vroege middeleeuwen op gang waren gekomen, onverminderd door. De erven waren meer plaatsvast, waardoor eventuele nieuwbouw op hetzelfde erf plaatsvond. 112 Historische kernen, kleinere nederzettingen, in de vorm van geclusterde bebouwing, en boerderijen die we nu nog kennen en kunnen herkennen op de oudste kadastrale kaarten van het begin van de 19e eeuw, kunnen hun oorsprong hebben in de vroege en late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Deze geclusterde bebouwing, de historische kernen, staat samen met andere historische bebouwing afgebeeld op de historische relictenkaart (bijlage 3). Belangrijke kernen zijn Elst, Remmerden en Achterberg. Rhenen heeft zich in de late middeleeuwen ontwikkeld tot een stad. In paragraaf 4.9 zal nader worden ingegaan op deze kernen. Binnen de gemeente Rhenen bevinden zich 192 vindplaatsen uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Deze vindplaatsen liggen op de flanken van de stuwwal, op de smeltwatervlakte en op de hogere delen van het dekzandgebied aan de noordzijde van de stuwwal.
Van deze 192 vindplaatsen hebben er 86 een einddatering in de late middeleeuwen; 39 hebben een begintijd in de nieuwe tijd. Bewoning in deze periode blijkt uit de vele diverse soorten vondsten van zowel particuliere meldingen als uit onderzoek van archeologische bedrijven. Omvangrijke nederzettingsterreinen zijn top op heden echter niet middels archeologisch onderzoek aangetroffen. Laat middeleeuwse bewoning wordt wel vermoed in bijvoorbeeld Achterberg, waar ter plaatse van een fietstunnel laatmiddeleeuwse bewoning is te vermoeden (cat.nr. 15). Met een proefsleuvenonderzoek zijn paalsporen aangetroffen die mogelijk aan een structuur zijn toe te schrijven.113 De werkzaamheden aan de fietstunnel zijn archeologisch begeleid. Van dit onderzoek is geen rapport beschikbaar in Archis.
Afb. 4.7 Archeolandschappelijke eenhedenkaart met daarop de bekende vindplaatsen uit de late middeleeuwen.
Ook binnen de historische kern van Achterberg zijn er aanwijzingen voor bewoning uit de 13 e of 14e eeuw (cat.nr. 59). Deze bewoning blijkt niet uit de aanwezigheid van huisplattegronden (deze konden niet gereconstrueerd worden), maar wel uit de aanwezigheid van zes waterputten en erfgreppels. Deze waterputten hoorden bij erven die aan de Cuneraweg
112 113
56
Scholte Lubberink, Keunen & Willemsen 2015, 174-175. Lohof , 2001.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
lagen. De erven zijn herkenbaar aan de erfgreppels die haaks op de Cuneraweg zijn georiënteerd. De greppels deelden het terrein op in percelen van 17 tot 20 m breed.114 Ter hoogte van het fietspad langs de N225 tussen Rhenen en Remmerden zijn met een proefsleuvenonderzoek paalsporen gevonden die mogelijk van een tabaksschuur zijn (ouder dan 1832, cat.nr. 35). Deze resten konden niet nader onderzocht worden tijdens een begeleiding van werkzaamheden.115 In de late middeleeuwen was Utrecht een vorstendom binnen het Heilige Roomse Rijk, dat was ontstaan uit delen van het Frankische Rijk. De bisschoppen van Utrecht oefenden als vorst de landsheerlijkheid uit over het Sticht. Het gebied lag tussen de Graafschappen Holland en Gelre in. Tussen 1156 en 1178 was Godfried van Rhenen bisschop van Utrecht. Hij liet kort na 1160-1163 bij Achterberg het kasteel Ter Horst bouwen. Ter plaatse bevond zich al een versterking, die in de eerste helft van de 12e eeuw door de vader van Godfried was gebouwd. Deze bestond waarschijnlijk uit een gracht met palissade, waarbinnen een huis heeft gestaan. Die houten versterking werd in 1163, waarschijnlijk in een strijd met Gelre, verbrand, waarna de bisschop een nieuwe hoofdburcht in steen liet optrekken. In 1178 vermaakte Godfried van Rhenen het strategisch gelegen kasteel aan de Utrechtse kerk.