Bijlage 2 Rapport behorend bij Archeologische beleidskaart Rhenen
Tekst van het document
Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten. Bijvoorbeeld Kok & Wijnen 2011. 26 Verkregen via de opdrachtgever. 27 Provincie Utrecht 2023. 25
22
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
deze kaarten geraadpleegde luchtfotomateriaal vaak van later datum is dan de tijdens dit onderzoek beschikbare exemplaren, kunnen niet alle waargenomen structuren getoetst worden aan luchtfotomateriaal (of ander primair bronnenmateriaal). In deze gevallen zijn de locaties zo strak afgekaderd mogelijk opgenomen op de inventarisatiekaart, maar is er in enkele gevallen een buffer noodzakelijk bevonden. Elke bron kent specifieke beperkingen in het gebruik, waardoor deze combinatie van bronnen noodzakelijk is om een zo gespecifieerd en correct mogelijk beeld te verkrijgen van de in het verleden aangelegde militaire structuren en de inrichting en gebruik hiervan. De individuele beperkingen van bronnen wordt onder andere bepaald door de functie en doel, periode van vervaardigen, omstandigheden waarin deze bron is opgesteld (bijvoorbeeld onder tijdsdruk), compleetheid van de inventaris en de opsteller/vervaardiger zelf. Dit geldt ook voor de geraadpleegde gevechtsverslagen, zowel van Duitse als van geallieerde zijde. Na afloop van de gevechtshandelingen in een bepaald gebied bestond de neiging om de eigen successen te overdrijven en de tegenslagen te bagatelliseren. Voorts verschillen gevechtsverslagen per eenheid in detail en compleetheid, afhankelijk van wie deze opgesteld heeft.
Een aanvulling met geallieerde luchtfoto’s, die onder wisselende omstandigheden zijn gemaakt, verzetsbronnen met een wisselende betrouwbaarheid en detailniveau en goed onderbouwde secundaire literatuur bieden hierbij dan ook een goede aanvulling. Opgemerkt dient te worden dat op het beschikbare luchtfotomateriaal niet alle relevante structuren zichtbaar hoeven te zijn, omdat deze bijvoorbeeld goed gecamoufleerd zijn, zich tussen of in gebouwde infrastructuur bevinden of op het moment van de opname reeds verwijderd of nog niet aangebracht waren. De volgende archieven zijn geraadpleegd bij het opstellen van de verwachting: n Bundesarchiv, Abteilung Militärarchiv, Freiburg (BArch); n Nationaal Archief, Den Haag (NA); n
National Archives and Records Administration, Washington (NARA);
n
Nationaal instituut voor Militaire Historie, Den Haag (NIMH);
n n
National Collection of Aerial Photography, Edinburgh (NCAP); NIOD Instituut voor Oorlogs- Holocaust- en Genocidestudies, Amsterdam (NIOD);
n
Regionaal Archief Zuid-Utrecht, Wijk bij Duurstede (RAZU);
n n
Staatsarchief van de Russische Federatie, Moskou (GARF); Utrechts Archief, Utrecht (UA);
n
Wageningen University Library, Wageningen. Geoportal: RAF aerial photographs.
2.4.1 Verantwoording selectie van opgenomen structuren Op de Militaire relictenkaart zijn complexen en krijgshandelingen ingetekend die een duidelijke archeologische weerslag kennen of kunnen hebben. Dit betekent dat niet alle locaties waar militaire activiteiten of krijgsgerelateerde handelingen hebben plaatsgevonden zijn weergeven. De redenen hiervoor zijn divers. Zo is er voor gekozen om uitsluitend slagvelden en oorlogshandelingen weer te geven waarbij er een direct contact geweest is tussen de strijdende partijen (waarbij er dus aantoonbaar gevochten is). Daarbij gaat het in het geval van de gemeente Rhenen hoofdzakelijk om gevechten in de meidagen van 1940. Aangenomen kan worden dat er in het geval van opmarsroutes of aanvallen zonder direct contact geen noemenswaardige archeologische weerslag van deze gebeurtenissen verwacht kan worden. Verdedigingswerken, zoals deze bijvoorbeeld in 1939-1940 en 1944-1945 zijn aangelegd binnen het grondgebied van de gemeente, kennen naar verwachting een grote archeologische weerslag. Derhalve zijn zones waarbinnen deze verdedigingswerken zijn aangelegd als vlak opgenomen op de kaart. Waar mogelijk zijn individuele (veld)stellingen, zoals loopgraven of artillerieposities, opgenomen.
Rond structuren zoals loopgraven zijn buffers opgenomen ter correctie van de eventuele afwijkingen in gegeorefereerde luchtfoto’s en eventueel aanwezige randstructuren die niet op luchtfoto’s zichtbaar hoeven te zijn (zoals borstweringen, munitie- en passeernissen en ondergrondse onderkomens). Opgemerkt dient te worden dat het niet op alle locaties mogelijk was de exacte locatie van waargenomen loopgraven met een (tweede) primaire bron te bevestigen. Ook crashlocaties van vliegtuigen zijn niet in alle gevallen meegenomen in de analyse. Dit heeft te maken met het feit dat niet alle crashlocaties aan de hand van het beschikbare bronnenmateriaal vastgesteld konden worden. Tevens zijn locaties waar noodlandingen hebben plaatsgevonden, of locaties waar vliegtuigen in de lucht in vergaande mate zijn gedesintegreerd niet ingetekend, aangezien deze in veruit de meeste gevallen slechts een oppervlakkige of geen vondststrooiing tot gevolg hebben en derhalve weinig tot geen additionele informatiewaarde dragen uit archeologisch perspectief. Ook de vele inkwartieringsadressen, geparkeerde voertuigen, mangaten (niet te verwarren met schuttersputten), hoofdkwartieren of andere militaire burelen zijn vanwege het kortstondige gebruik en de verwachte minimale archeologische weerslag (binnen bestaande gebouwen) niet als archeologische verwachting aangemerkt.
beleidsactualisaties Rhenen
23
Uitzonderingen daarop zijn gevallen waarbij verwacht wordt dat er veel materiaal achtergebleven of gedumpt is, zoals inkwartieringen in perioden dat reguliere vuilophaaldiensten niet (meer) functioneerde. Ook eventueel aanwezige versperringen en mijnenvelden zijn niet in alle gevallen weergegeven. Mijnenvelden zijn vaak na de Tweede Wereldoorlog geruimd, laten in beperkte mate sporen na en zijn vaak uitgebreid gedocumenteerd in de archieven van de EODD, waardoor de additionele informatiewaarde gering is. Ook locaties waar tijdens de bezettingsperiode bombardementen of beschietingen hebben plaatsgevonden zijn om deze reden niet meegenomen in de verdere analyse. Ditzelfde geldt ook voor uitwerkingen van munitie, zoals bom- of granaatkraters. Ook hier bestaan uitzonderingen in het geval er duidelijke indicaties zijn dat er materiaal terecht is gekomen in die structuren. Voorts zijn de locaties van opzettelijke vernielingen van civiele structuren zoals bruggen en wegen niet weergegeven op de kaart, aangezien deze naar verwachting geen aanvullende informatiewaarde kennen.
Ondanks dat de uit de bronnen bekende militaire complexen en structuren zo goed mogelijk op de Militaire relictenkaart zijn ingetekend, kunnen er binnen de lege zones losse, kleinere en/of kortstondig gebruikte/aangelegde structuren aanwezig zijn die niet in de geraadpleegde of beschikbare bronnen teruggevonden zijn. Het kan onder andere gaan om veldgraven, crashlocaties waarvan de locatie niet specifiek geduid kon worden, dumplocaties, losse wapenopstellingen en tijdelijke of civiele schuilkelders die niet op de kaart zijn ingetekend. Vanwege de aard van de raadpleegbare luchtfoto’s kan het zijn dat niet alle structuren die zichtbaar kunnen zijn op niet openbare luchtfoto’s zijn meegenomen in de analyse.
2.5
Archeologische verwachtingskaarten
Om te kunnen komen tot een archeologische verwachtingskaart is een analyse gemaakt waarbij is onderzocht waar de bekende archeologische waarnemingen zich op de nieuw gemaakte archeolandschappelijke en bodemeenhedenkaarten bevinden. Zoals in paragraaf 2.3 al kort is genoemd, liggen archeologische vindplaatsen namelijk niet willekeurig verspreid door het landschap, maar blijken ze veelal te liggen in landschappelijke zones die in het verleden geschikt waren voor bewoning of specifieke activiteiten als vuursteenwinning. Ook de bodemvruchtbaarheid speelde vanaf de introductie van landbouw een grote rol. Als gevolg hiervan zijn gebieden aan te wijzen waar veel archeologische vindplaatsen dicht bij elkaar liggen, terwijl in andere gebieden tot op heden nauwelijks archeologische resten zijn gevonden. Op basis van kennis over de relatie tussen het nederzettingspatroon en het landschap kunnen voorspellingen worden gedaan over de plaatsen waar nederzettingen aangetroffen kunnen worden. Dergelijke voorspellingen zijn vooral belangrijk voor de perioden tot de late middeleeuwen, waarvoor historische bronnen (zeer) schaars zijn (Romeinse tijd/vroege middeleeuwen) of ontbreken (prehistorie) en cartografische bronnen geheel ontbreken.
Voor de late middeleeuwen zijn meer historische bronnen beschikbaar (al is uit deze periode geen kaartmateriaal beschikbaar) terwijl voor de nieuwe tijd relatief veel historische bronnen en kaartmateriaal beschikbaar zijn. Er is met behulp van de landschappelijke eenhedenkaart en de bodemkaart enerzijds en de archeologische informatiekaart anderzijds, een tweetal verwachtingskaarten vervaardigd. Het betreft de verwachtingskaart voor Jagers en Verzamelaars28 en de verwachtingskaart voor de landbouwsamenlevingen en de Staatssamenleving. 29 In beide gevallen is vlakdekkend en op perceelsniveau zichtbaar welke archeologische verwachting er geldt voor een bepaald terrein. Deze verwachting is een weergave van het voor de betreffende kaart gebruikte verwachtingsmodel dat op basis van de voorgaande fasen is opgesteld. Hierbij is per kaart rekening gehouden met de bruikbaarheid van de verschillende (landschappelijke) eenheden voor activiteiten behorend tot de archeologische complextypen bewoning, verdediging, begraving, economie, infrastructuur en rituele activiteiten. Op de gebruikte modellen zal in hoofdstuk 6 uitgebreid worden ingegaan. Het verschil tussen de verschillende verwachtingszones is een verschil in relatieve dichtheid van te verwachten archeologische vindplaatsen.
In een zone met een hoge archeologische verwachting is, op basis van de huidige kennis binnen de archeologische wetenschap, een grotere dichtheid aan archeologische vindplaatsen te verwachten dan in zones met een lage verwachting. De verwachtingszones doen echter geen uitspraak over de potentiële waarde van eventuele vindplaatsen. Deze waarde is namelijk afhankelijk van verscheidene parameters, zoals de gaafheid van de vindplaats maar ook de mate waarin het type vindplaats binnen de regio voorkomt. Jagers en Verzamelaars De archeologische verwachtingskaart ‘Jagers en Verzamelaars’ bestaat uit de archeologische verwachtingslaag, geprojecteerd op de topografische ondergrond. De archeologische verwachtingslaag is onderverdeeld in een achttal zones, te weten; 28 29
24
(laat-)paleolithicum-mesolithicum. neolithicum-nieuwe tijd.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
n
Een zone waarbinnen een hoge verwachting geldt op het voorkomen van resten van jagers en verzamelaars. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van bewoning (jachtkampementen).
n
Een zone waarbinnen een middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van resten van jagers en verzamelaars. Ook hierbij gaat het voornamelijk om resten van bewoning (jachtkampementen).
n
Een zone waarbinnen natte contextresten van jagers en verzamelaars worden verwacht. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van rituele activiteiten (offergiften), maar ook van bewoning (dumpsites) en resten van jacht en visserij.
n n
Een zone met een lage verwachting op resten van jagers en verzamelaars. Een zone zonder verwachting op resten van jagers en verzamelaars aan het huidige oppervlak, maar waar op grotere diepte nog wel resten van jagers en verzamelaars aanwezig kunnen zijn (stuifduinen).
n
Met plaggendekken afgedekte gebieden binnen de zones met een (middel)hoge verwachting op resten van jagers en verzamelaars. De kans op het aantreffen van onverstoorde vindplaatsen wordt hier het grootst geacht (goede conservering).
n n
een zone zonder verwachting, aangezien de bodem ter plaatse is verstoord. Een zone aangeduid als aandachtsgebied, aangezien de bodem ter plaatse mogelijk is verstoord.
Naast de zones met een verwachting op resten van jagers en verzamelaars zijn ook de terreinen aangegeven waarvan met zekerheid bekend is dat zich in de ondergrond archeologische waarden bevinden. Het gaat hierbij om bekende archeologische vindplaatsen uit het paleolithicum en het mesolithicum, zoals ook weergegeven op de archeologische informatiekaart. Op de verwachtingskaart zijn de vindplaatsen echter ‘gescreend’, waarbij alleen de vindplaatsen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een kampement/nederzetting en die in de zone met een lage archeologische verwachting liggen, zijn gebufferd. Het betreft tevens terreinen met vindplaatsen van jagers en verzamelaars zoals deze voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van de RCE. Ook de door de RCE als Rijksmonument aangewezen terreinen met vindplaatsen van jagers en verzamelaars zijn op deze verwachtingskaart weergegeven. Landbouw- en Staatssamenleving De archeologische verwachtingskaart ‘Boeren- en Staatse samenleving’ bestaat eveneens uit de archeologische verwachtingslaag, geprojecteerd op de topografische ondergrond. De archeologische verwachtingslaag is in dit geval onderverdeeld in een negental zones, te weten; n
Een zone waarbinnen een hoge verwachting geldt op het voorkomen van resten van landbouwers en/of de Staatse samenleving. Het gaat hierbij om resten van bewoning, verdediging, begraving, economie en
n
infrastructuur. Een zone waarbinnen een hoge verwachting geldt op het voorkomen van resten van historische elementen uit de Staatse samenleving (of late middeleeuwen).
n
Een zone waarbinnen een middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van resten van landbouwers en/of de Staatse samenleving. Ook hierbij gaat het voornamelijk om van bewoning, verdediging, begraving, economie en infrastructuur.
n
Een zone waarbinnen natte contextresten van landbouwers worden verwacht. Het gaat hierbij voornamelijk om resten van rituele activiteiten (offergiften), maar ook van bewoning (dumpsites), infrastructuur en jacht en visserij.
n
Een zone met een lage verwachting op resten van landbouwers en/of de Staatse samenleving.
n
Een zone zonder verwachting op resten van landbouwers aan het huidige oppervlak, maar waar op grotere diepte nog wel resten van landbouwers aanwezig kunnen zijn (stuifduinen).
n
Met plaggendekken afgedekte gebieden binnen de zones met een (middel)hoge verwachting op resten van landbouwers en/of de Staatse samenleving. De kans op het aantreffen van onverstoorde vindplaatsen wordt hier het grootst geacht (goede conservering). Voor wat betreft eventuele resten uit de Staatssamenleving gaat het hierbij voornamelijk om resten van economische aard (landbouwactiviteiten).
n n
een zone zonder verwachting, aangezien de bodem ter plaatse is verstoord. Een zone aangeduid als aandachtsgebied, aangezien de bodem ter plaatse mogelijk is verstoord.
beleidsactualisaties Rhenen
25
Naast de zones met een verwachting op resten van de landbouw- en Staatssamenleving zijn ook de terreinen aangegeven waarvan met zekerheid bekend is dat zich in de ondergrond archeologische waarden bevinden. Het gaat hierbij om bekende archeologische vindplaatsen uit de periode neolithicum - nieuwe tijd, zoals ook weergegeven op de archeologische informatiekaart. Op de verwachtingskaart zijn de vindplaatsen echter ‘gescreend’, waarbij alleen de vindplaatsen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een nederzetting, begraving, economische activiteit, infrastructuur en/of rituele activiteiten en die in de zone zonder archeologische verwachting liggen, zijn gebufferd. Daarnaast gaat het om terreinen waar op basis van oud kaartmateriaal bekend is dat hier vindplaatsen aanwezig kunnen zijn. Hierbij moet worden gedacht kerken, kapellen, molens, erven ect. Daarnaast zijn ook de historische dorpskernen zoals deze voorkomen op de oudste kadastrale kaart uit het begin van de 19 de eeuw weergegeven, alsmede terreinen met vindplaatsen van de landbouw- en staatssamenleving die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van de RCE. Ook de door de RCE als Rijksmonument aangewezen terreinen met vindplaatsen van de landbouwen staatssamenleving zijn op deze verwachtingskaart weergegeven.
2.6
Verstoringen en gebieden met geringe informatie
De verwachtingskaarten geven de archeologische verwachting weer in de situatie waarbij de oorspronkelijke ondergrond niet is aangetast. Door allerlei graafwerkzaamheden in het recente verleden zoals ontgrondingen, egalisatie en bebouwing is de oorspronkelijke ondergrond, en daarmee de mogelijk aanwezige archeologische resten, plaatselijk verstoord. Om die reden zijn de terreinen waarvan bekend is dat in het recente verleden substantiële graafwerken hebben plaatsgevonden waardoor de ondergrond mogelijk verstoord is, op een verstoringskaart weergegeven (bijlage 7). De verstoringen zijn tevens op de verwachtingskaarten weergegeven. Hiertoe zijn de volgende gegevens gebruikt;30 n
Actueel Hoogtebestand Nederland: Op het AHN-3 zijn terreinen met onnatuurlijke lineaire of rechthoekige structuren zichtbaar die lager liggen dan omringende terreinen. Dit betekent dat de bodem in dergelijke percelen afgegraven of geëgaliseerd is.
n
gegevens die staan aangegeven op de bodem- en geomorfologische kaart.
Van veel van de getraceerde verstoringen is duidelijk dat ter plaatse geen archeologische resten meer te hoeven worden verwacht. Hier is de bodem dermate diep verstoord dat eventuele archeologische vindplaatsen niet meer aanwezig zijn. In sommige gevallen is het echter niet mogelijk om op basis van de beschikbare gegevens na te gaan in welke mate de graafwerkzaamheden invloed hebben gehad op de eventuele archeologische resten. Ook deze informatie is wel verwerkt op de archeologische verwachtingskaarten. Deze terreinen of percelen worden echter niet direct vrijgesteld van archeologisch onderzoek. De bodemverstoringen zijn als ‘signalerende kaartlaag’ opgenomen en dienen nog te worden getoetst aan de hand van de voorgenomen ingrepen. Het is namelijk mogelijk dat archeologische waarden nog onder de verstoorde grond aanwezig zijn.
2.7
De archeologische beleidskaart
Aan zowel de bekende archeologische waarden als de gebieden waar op basis van de modellen archeologie wordt verwacht, is in fase 4 een beleid gekoppeld, resulterend in een beleidskaart (bijlage 10). Middels deze beleidskaart kan worden nagegaan hoe om te gaan met terreinen met een archeologische waarde of terreinen waar archeologische resten verwacht worden in het ruimtelijk beleid. Op deze wijze worden eventueel aanwezige archeologische waarden in de bodem op een juiste en zorgvuldige manier behandeld. De archeologische beleidskaart moet gebruikt worden als dubbelbestemming op de omgevingsplankaart. De beleidskaart is grotendeels een rechtstreekse afgeleide van de beide archeologische verwachtingskaarten, waarbij de beide verwachtingskaarten zijn geïntegreerd tot één kaart. De verschillende landschappelijke eenheden van de verwachtingskaart voor Jagers en Verzamelaars en de verschillende bodemkundige eenheden van de verwachtingskaart voor Boeren- en Staats samenlevingen zijn op basis van hun gemeenschappelijke verwachting samengevoegd tot een aantal categorieën waaraan beleid is gekoppeld. Er is echter een aantal categorieën toegevoegd. Het betreft hier uiteraard de gebieden met een bekende archeologische waarde (AMK-terreinen en archeologische Rijksmonumenten). Maar ook zijn enkele historische elementen aan deze kaart toegevoegd.
Sommige cultuurhistorische waarden (zoals bijvoorbeeld de historische kern, maar ook puntlocaties als kerken) zijn (potentiële) archeologische vindplaatsen. Vandaar dat cultuurhistorie en archeologie niet los van elkaar kunnen worden gezien. Zo zijn op de beleidskaart zones gemarkeerd met een bepaalde archeologische verwachting, gebaseerd op de aanwezigheid van een cultuurhistorisch 30
Veel provincies hebben de beschikking over een ontgrondingenkaart of een kaart waarop de verleende ontgrondingsvergunningen zijn weergegeven. Dit kunnen nuttige kaarten zijn bij het achterhalen van verstoringen. De provincie Utrecht beschikt echter niet over een dergelijke kaart.
26
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
element. Hierbij moet bijvoorbeeld worden gedacht aan een zone rond een kerk of een oud erf waarvan vermoed wordt dat deze een middeleeuwse oorsprong heeft. Op deze wijze is de archeologische beleidskaart onderverdeeld in een zevental categorieën. Aan elke categorie zijn bepaalde beleidsregels gekoppeld. Het betreft de volgende categorieën, geprojecteerd op de topografische ondergrond: n n n
n
n
n n
Categorie 1; deze categorie bestaat uit de wettelijk beschermde Archeologische Rijksmonumenten. Categorie 2; deze categorie bestaat uit de AMK-terreinen en gewaardeerde vindplaatsen. Categorie 3; deze categorie bestaat uit de historische dorpskernen en de gebufferde historische elementen. Tot deze categorie behoren ook de gebieden waaraan op basis van de modellen een hoge verwachting is toegekend op het voorkomen van archeologische resten van jagers en verzamelaars zoals weergegeven op de betreffende verwachtingskaart. Categorie 4; deze categorie bestaat uit de gebieden waarbinnen op basis van de modellen een hoge verwachting op resten van boeren- en Staatse samenlevingen geldt. Categorie 5; deze categorie bestaat uit zones waarbinnen op basis van de modellen een middelhoge verwachting op resten van zowel jagers en verzamelaars als boeren- en Staatse samenlevingen geldt. Ook de zones met een verwachting op bijzondere, aan water gerelateerde datasets behoren tot deze categorie, evenals de relevante zones met een verwachting op aan militaire activiteiten gerelateerde vindplaatsen. Categorie 6; deze categorie bestaat uit gebieden met een lage archeologische verwachting voor alle perioden. Categorie 7; deze categorie bestaat uit afgegraven dan wel vergraven gebieden waarin geen archeologische resten worden verwacht.
Ook de reeds volledig onderzochte en vrijgegeven terreinen behoren tot deze categorie.
Per bovenstaande eenheid is het betreffende beleid beknopt op de kaart weergegeven.
2.8
Beperkingen van een verwachtingskaart
De in onderhavig rapport beschreven archeologische verwachtingskaarten en de hiervan afgeleide beleidskaart zijn met de grootst mogelijke zorgvuldigheid tot stand gekomen en zijn gebaseerd op de huidige stand van archeologische kennis. Zo is bijvoorbeeld veel moeite gedaan om de ARCHIS-gegevens aan te vullen met vindplaatsen die (nog) niet waren geregistreerd, met name door archiefonderzoek en met behulp van lokale hobby-archeologen en de binnen de gemeente actieve oudheidkundige vereniging. Dit wil echter niet zeggen dat hiermee alle bekende vindplaatsen ook daadwerkelijk zijn gelokaliseerd. Mogelijk is tijdens ploegwerkzaamheden een vindplaats opgeploegd, zonder dat de boer dit heeft doorgegeven aan de lokaal geïnteresseerden, dan wel het bevoegd gezag. Dit soort eventueel verlies aan data is niet te voorkomen, ook al gezien de beperkte hoeveelheid tijd die beschikbaar is voor een dergelijk onderzoek. Dit houdt impliciet in dat de verwachtingskaart ook niet 100% betrouwbaar kan zijn. Het woord verwachting zegt het ook al, het betreft een zo goed mogelijk onderbouwde verwachting. Zonder een archeologisch veldonderzoek kan niet met zekerheid worden vastgesteld of er wel of geen archeologische waarden in de bodem aanwezig zijn. De verwachtingskaart is een instrument om eventuele archeologische waarden zo goed mogelijk te beschermen.
Het kan echter voorkomen dat in een gebied waaraan om allerlei beargumenteerde redenen geen verwachting is gekoppeld, tijdens bouwwerkzaamheden toch belangrijke archeologische waarden aanwezig blijken te zijn. Bijvoorbeeld omdat er sprake is van kennislacunes, als gevolg waarvan de huidige theorieën niet altijd volledig genoeg zijn om tot de juiste verwachting te kunnen komen. Ook de aanwezigheid van bebouwing in dorpen en steden maken het ‘voorspellen’ van de aanwezigheid van archeologische resten erg moeilijk. Dit geldt eveneens voor het voorspellen van de gaafheid van een eventuele archeologische vindplaats. In de bewoningskernen kan namelijk sprake zijn van verstoring vanwege de aanwezige bebouwing. De aanwezigheid van archeologische resten en de gaafheid hiervan kan alleen op basis van veldonderzoek worden vastgesteld. Het is goed om hiervan bewust te zijn bij het gebruik van een archeologische beleidskaart. Planontwikkelingen waarbij bodemverstorende activiteiten zullen plaatsvinden, dienen vanuit archeologisch oogpunt bij voorkeur voornamelijk in gebieden met een lage verwachting te worden gepland. Zoals hierboven is uiteengezet betekent dit echter niet dat op dergelijke locaties geen archeologische resten aanwezig zijn. De verwachting is dat de kans op archeologie hier echter significant lager is dan in zones met een middelhoge tot hoge archeologische verwachting.
beleidsactualisaties Rhenen
27
28
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
3 3.1
Landschappelijke ontwikkeling
Landschappelijke ontwikkeling
3.1.1 Inleiding De bodemopbouw is sterk gerelateerd aan het landschap waarin men zich bevindt. De afzettingen waarin de bodem is gevormd (moedermateriaal) en de grondwaterstand hebben grote invloed op de bodemvorming. De verspreiding van archeologische vindplaatsen vertoont over het algemeen een duidelijke relatie met het landschap en de bodemgesteldheid. Bewoning vindt voornamelijk plaats op de hoger gelegen en daarmee de drogere delen van het landschap. In de periode dat de mensen als jagers en verzamelaars leefden (paleolithicum tot neolithicum, bijlage 1), vormden met name de overgangen in het landschap gunstige bewoningslocaties, vanwege de aanwezige biodiversiteit. In de periode dat mensen als landbouwers leefden (neolithicum tot en met nieuwe tijd, bijlage 1), was naast de beschikbaarheid van water ook de natuurlijke bodemvruchtbaarheid belangrijk voor locatiekeuze en de meer permanente vestiging van nederzettingen. De gemeente Rhenen bevindt zich nagenoeg geheel binnen de archeoregio ‘Utrechts-Gelders zandgebied’. Alleen een smalle zone aan de zuidzijde van de gemeente (grenzend aan de Nederrijn) wordt gerekend tot het Utrechts-Gelders rivierengebied (zie afbeelding 3.1).31 Een archeoregio is een regio met vergelijkbare landschappelijke en archeologische kenmerken.
De gebieden binnen een archeoregio kunnen bij de bepaling van de archeologische verwachting onderling vergeleken worden.32 Komen in een gebied veel vindplaatsen op een bepaald bodemtype of op een bepaalde landschapsvorm voor, dan geldt dat meestal ook voor de overige gebieden binnen de archeoregio.
Afb. 3.1 De ligging van de gemeente Rhenen binnen de archeoregio’s Utrechts- Gelders zandgebied en het Utrechts- Gelders rivierengebied (RCE 2023).
31
RCE 2023. Archeoregio: Relatief groot gebied waarbinnen zowel in de wordingsgeschiedenis als in ruimtelijke zin een zeker verband bestaat tussen archeologie en landschap. In Nederland zijn zeventien archeoregio’s gedefinieerd die het geografisch kader vormen voor het onderzoek van het bodemarchief.
32
beleidsactualisaties Rhenen
29
De provincie Utrecht heeft, los van de nationale archeoregio’s, de provincie ingedeeld in verschillende regio’s met elk hun eigen archeologische kenmerken. Binnen de gemeente Rhenen komen drie van dergelijke regio’s voor. Het betreft van noord naar zuid de Gelderse Vallei, de Utrechtse Heuvelrug en de Nederrijn en Lek.33 Om te kunnen komen tot een archeologische verwachtingskaart dient eerst inzicht te worden verkregen in de landschappelijke ontwikkeling van het gebied. In het licht van bovenstaande zal in de volgende paragrafen worden ingegaan op het ontstaan van het landschap binnen de gemeente Rhenen.
3.1.2 Pleistoceen Gedurende het Pleistoceen (2,5 miljoen jaar tot 11.650 jaar BP) zijn er verscheidene zeer koude perioden geweest (glacialen/ijstijden), afgewisseld met warmere perioden (interglacialen). Met name de laatste twee ijstijden (het Saalien en het Weichselien)34 zijn in grote mate bepalend geweest voor de vorming van het huidige landschap. Saalien Gedurende de voorlaatste ijstijd, het Saalien (370.000-130 jaar BP)35, was Nederland gedurende verschillende fases gedeeltelijk met een dik pakket landijs bedekt dat zich vanuit Scandinavië naar het zuiden toe bewoog. In deze periode werden als gevolg van het zich verplaatsende landijs in verschillende stadia de in de ondergrond aanwezige afzettingen opgestuwd en werden de stuwwalcomplexen van de Utrechtse Heuvelrug, de Veluwe, Nijmegen en het Montferland gevormd.
Afb. 3.2 De schematische weergave van de vorming van een stuwwal. 36
Voor de komst van het landijs stroomden zowel de Rijn als de Maas in noordelijke richting naar zee. Hierbij werden dikke pakketten grindhoudend grof zand afgezet, met plaatselijk leemhoudende fijne zandlagen of leemlagen. Dit sediment wordt gerekend tot de Formatie van Urk en de Formatie van Beegden.37 Binnen de gemeente Rhenen was de invloed van de Rijn het grootst. Afzettingen van de oer-Maas worden hier in mindere mate aangetroffen. Gedurende de oudste fase van de maximale landijsuitbreiding tijdens het Saalien, bevond zich in de Gelderse Vallei een grote ijstong. Deze tong, met een dikte van minsten 225 meter,38 breidde zich in zuidoostelijke richting uit. Als gevolg 33
https;//www.provincie-utrecht.nl 2024. Respectievelijk 370.000 tot 130.000 jaar BP en 115.000 tot 10.000 jaar BP. 35 BP = aantal werkelijke jaren voor 1950 AD. 36 www.geologievannederland.nl 2024. 37 De Mulder et al. 2003. 38 Berendsen 2008. 34
30
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
van de hoge druk onder de aanwezige ijskap in combinatie met de aanwezigheid van grofzandig fluviatiel sediment aan het oppervlak, trad stagnatie van de ijsstroom op. Hierdoor kon zowel in verticale als in horizontale zin erosie optreden.39 Het gevolg was het ontstaan van een groot en diep glaciaal bekken. De basis van dit bekken bevindt zich ter hoogte van de Flevopolder op een diepte van meer dan 100 m – NAP. Het bekken van de Gelderse Vallei is ter hoogte van de gemeente Rhenen veel minder diep (20 á 30 m – NAP). Het landijs nam puin en grind met zich mee. Door het uitsmelten van puin uit het landijs in combinatie met materiaal dat door het schuiven van het ijs over de ondergrond werd vermalen, werd keileem gevormd. Keileem is een mengsel van stugge leem met grote stenen en wordt bijvoorbeeld in grote delen van Drenthe in de ondiepe ondergrond aangetroffen. Vandaar dat dit sediment tot de Formatie van Drenthe wordt gerekend.40 Keileem is relatief ondoorlatend en heeft een grote invloed op de grondwaterstanden. Ook in de gemeente Rhenen is keileem aanwezig. In de Gelderse Vallei, aan de noordoostzijde van de gemeente, bevindt het zich op een diepte van circa 20 à 30 meter – NAP. Aan de noordflank van de Utrechtse Heuvelrug bevindt dit keileem zich op minder grote diepte.
41 Ook op de stuwwalen was een dun pakket keileem aanwezig, maar dat is als gevolg van erosie in de loop van de millennia grotendeels verdwenen. Veelal is hier slechts nog een dunne keienbestrooiing van over.42
Afb. 3.3 Schematische weergave van de geologische bodemopbouw in een dwarsprofiel over de Utrechtse Heuvelrug tussen Veenendaal en Elst (naar Stiboka 1973).
De zanden en grinden werden door het landijs vanuit het glaciale bekken naar de randen van het ijs gestuwd en vormden zo de nu in het landschap nog zo kenmerkende stuwwallen (zie afbeeldingen 3.2 en 3.4). In Nederland zijn de hoogste stuwwallen op de Veluwe tot meer dan 100 meter opgestuwd. De Utrechtse Heuvelrug is minder hoog, met als hoogste punt de Amerongse Berg op 70 m + NAP. Binnen de gemeente Rhenen reikt het hoogste punt ter plaatse van de Elsterberg tot circa 64 m + NAP. De meest zuidelijke uitloper van de Utrechtse Heuvelrug omvat een groot deel van de gemeente Rhenen en is daarmee verantwoordelijk voor het grote reliëfverschil binnen de gemeente. Binnen de stuwwallen zijn zogenaamde schollen herkenbaar. Dit betreft grote pakketten van grinden en zanden die door het ijs in zijn geheel zijn opgestuwd. Als gevolg daarvan staan deze lagen nu scheef en liggen ze hoger dan ze oorspronkelijk zijn afgezet. Binnen de Utrechtse Heuvelrug zijn 20 verschillende schollen bekend, afkomstig uit de
39
Berendsen 2008. Bosch 1990. 41 Dinoloket 2024. 42 Stiboka 1973. 40
beleidsactualisaties Rhenen
31
Gelderse Vallei. De schollen hebben een lengte van gemiddeld 250 meter en een dikte van maximaal 25 meter.43 De schollen kunnen sterk in samenstellening variëren, met als gevolg dat er op korte afstanden grote lithologische verschillen aanwezig zijn en zelfs verschillende grondwaterstanden. Aan het einde van het Saalien steeg de temperatuur en smolt het landijs. Het smeltwater zocht haar weg langs de laagstgelegen punten van de stuwwallen. Op sommige plekken werd de stuwwal als gevolg hiervan zo sterk aangetast dat ter plekke brede openingen ontstonden. Dit worden ijssmeltwaterdalen genoemd. Een mooi voorbeeld hiervan betreft de Darthuizerpoort bij Leersum op circa 6 km ten noordwesten van de gemeente Rhenen. Dit betreft het grootste en diepste ijssmeltwaterdal in de Utrechtse Heuvelrug. Pal ten noordwesten van de gemeente Rhenen bevindt zich een kleiner ijssmeltwaterdal. In afbeelding 3.4 zijn de ijssmeltwaterdalen middels de witte pijlen weergegeven.
Afb. 3.4 De hoogtekaart voor de regio van de gemeente Rhenen op basis van het AHN-3. Middels de bruine tinten zijn de hoog gelegen stuwwallen goed als zodanig zichtbaar. Middels de witte pijlen is de ligging van de ijssmeltwaterdalen weergegeven.
Het door het smeltwater meegevoerde grove zand en grind werd aan de zuidwestzijde van de Utrechtse Heuvelrug weer afgezet als zogenaamde fluvioglaciale afzettingen en vormden grote puinwaaiers aan de voet van de stuwwal. Dergelijke puinwaaiers worden ook wel sandrs genoemd. De sandrs bestaan over het algemeen uit matig gesorteerd, grof zand en grind. Er worden nagenoeg geen klei- of leemlagen in aangetroffen. Kenmerkend voor de sandrs is de parallelle gelaagdheid onder een relatief flauwe hellingshoek.44 Ook in de gemeente Rhenen zijn dergelijke fluvioglaciale afzettingen aanwezig. Zo bestaat het zuidwestelijke deel van de gemeente ten zuidwesten van de stuwwal voor een groot deel uit een sandr. De dorpen Elst en Remmerden zijn op de sandr gelegen. Eemien Het Eemien betreft de warmere periode (interglaciaal) tussen het Saalien en het Weichselein. Dit interglaciaal heeft geduurd van circa 130.000 jaar tot circa 115.000 jaar BP. 45 Als gevolg van de hogere temperaturen trok het ijs zich terug en steeg de zeespiegel tot een niveau hoger dan het huidige.46 Als gevolg hiervan kon de zee tot diep in de laaggelegen Gelderse Vallei doordringen. Zo zijn ten noorden van Veenendaal mariene kleien afgezet gedurende het
43
Berendsen 2008. Berendsen 2008. 45 De Mulder et al. 2003. 46 Berendsen 2008. 44
32
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
Eemien.47 Binnen de gemeente Rhenen bestaan de afzettingen uit deze periode uit brak- en zoetwaterafzettingen, bedekt met een (dun) pakket veen. Deze afzettingen bevinden zich op dieptes tussen de 12 en 8 m -NAP.48 Weichselien Hoewel in de laatste ijstijd (Weichselien, 115.000 - 11.650 jaar geleden) Nederland niet bedekt is geweest met ijs, is het klimaat wel van invloed geweest op de vorming van het huidige landschap. Er heersten periglaciale condities. De ondergrond was permanent bevroren (permafrost) en door het koude en droge klimaat was er weinig vegetatie. Vanwege de permafrost moest sneeuwsmeltwater en regenwater oppervlakkig afstromen. Hierdoor werden op de hellingen van de stuwwal sneeuwsmeltwaterdalen gevormd. Aan de voet van dergelijke sneeuwsmeltwaterdalen vormden zich soms daluitspoelingswaaiers. Vanaf het begin van het Holoceen, toen de permafrost verdween, kon het water wel in de bodem trekken. Veel van de gedurende het Weichselein gevormde dalen waren niet langer watervoerend en worden daarom ‘droge dalen’ genoemd. Op beide flanken van de Utrechtse Heuvelrug zijn binnen de gemeente Rhenen tal van dergelijke droge dalen aanwezig. Solifluctie was een ander gevolg van de permafrost. De bovenlaag van de bevroren bodem ontdooide gedurende de zomermaanden.
Deze met water verzadigde grondmassa geleed op de (steilste) hellingen van de stuwwal als een modderbrij langzaam naar beneden. Dit materiaal bevindt nu nog als een solifluctiedek aan de voet van de Utrechtse Heuvelrug en kan van de oudere afzettingen van de stuwwal worden onderscheiden door het gebrek aan gelaagdheid. Het leemgehalte is meestal ook wat hoger. Een ander fenomeen uit het Weichselien dat eveneens een grote invloed heeft gehad op het ontstaan van het huidige landschap, is de afzetting van dekzand. Met name gedurende de latere perioden van de laatste ijstijd was het klimaat droger dan in voorgaande perioden. Deze droogte in combinatie met een schaars begroeid landschap zorgde ervoor dat de wind vrij spel had, waardoor er op grote schaal zand kon worden afgezet. Dit door de wind afgezette zand wordt dekzand genoemd. In het verleden is de theorie gebezigd dat het dekzand over grote afstanden door de wind werd getransporteerd en dat al het dekzand in Nederland uit het destijds droogliggende Noordzee bekken afkomstig is. Uit mineralogisch onderzoek is echter gebleken dat dit niet voor heel Nederland geldt. De dekzanden bestaan overwegend uit materiaal van lokale herkomst.49 In het geval van de gemeente Rhenen moet gedacht worden aan het ten zuiden van de gemeente gelegen stroomgebied van de toenmalige Rijn, destijds een vlechtend riviersysteem.
In het zuidwestelijke deel van de gemeente Rhenen werd het dekzand op de fluvioglaciale ijssmeltwaterafzettingen afgezet. Hier is het dekzandpakket echter relatief dun of ontbreekt het in zijn geheel. In het noordoostelijke deel werd de Gelderse Vallei opgevuld met een dikker pakket dekzand. De oudste dekzanden zijn afgezet gedurende het Pleniglaciaal, een periode waarin de vegetatie vrijwel verdwenen was. Dit dekzand is veelal duidelijk gelaagd en bestaat uit een afwisseling van lemige en minder lemige laagjes en wordt gerekend tot het zogenaamde “Oude dekzand”. Na het Pleniglaciaal tot aan het begin van het Holoceen traden wisselend enkele klimaatsverbeteringen en verslechtingen op, waarbij wisselend bodemvorming en verstuiving plaatsvond. De dekzanden uit deze periode worden ‘jonge dekzanden’ genoemd en liggen aan de noordoostzijde van de Utrechtse Heuvelrug aan het oppervlak, aan de voet van de stuwwal, maar ook verder de Gelderse Vallei in. Het “Jong dekzand” is soms onder te verdelen in twee fasen, “Jong dekzand I” en “Jong dekzand II”. Op de overgang tussen “Jong dekzand I” en “Jong dekzand II” is op bepaalde plaatsen een dunne bodem gevormd.
Deze laag staat bekend als de Laag van Usselo en vertegenwoordigt een oude begroeiinghorizont die zich ontwikkeld heeft op een voormalig landoppervlak of als een veenlaag, daterend in het Allerød-interstadiaal.50 De zanden van het Jonge dekzand I zijn afgezet door overwegend west-noordwestelijke winden en zijn in de Gelderse Vallei als een dun deken over de Oude dekzanden afgezet. Als gevolg van de stevige westen-winden ontstonden paraboolduinen. Deze zijn met name ten oosten en ten noorden van de gemeente Rhenen goed als zodanig herkenbaar. Binnen de gemeente Rhenen zijn dergelijke paraboolduinen veel minder evident aanwezig, mogelijk vanwege de ligging aan de lijzijde van de stuwwal. Binnen de gemeente Rhenen is het dekzand aanwezig in de vorm van gordeldekzand. Gordeldekzand is dekzand dat als een gordel langs hoogtes is afgezet en wordt aangetroffen langs de noordoostflank van de Utrechtse Heuvelrug. Binnen de gordeldekzanden zijn dekzandruggen, -welvingen en vlaktes herkenbaar. Dekzandvlaktes kunnen zijn ontstaan doordat het dekzand min of meer vlak is afgezet, of doordat het dekzand al in het Weichselien is verspoeld. Binnen het gebied kunnen de dekzandvlaktes ook zijn genivelleerd, doordat lagere terreindelen met veen bedekt zijn geraakt of omdat de delen ten behoeve van zandwinning en landbouw afgegraven of geëgaliseerd zijn. 47
Stiboka 1973. Stiboka 1973. 49 Berendsen 2008. 50 Berendsen 2008. 48
beleidsactualisaties Rhenen
33
Het dekzandpakket wordt gerekend tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. 51 Het materiaal bestaat in het algemeen uit fijn zand (mediaan van 150 – 210 m) met enkele grovere zand- of grindlaagjes.52 Een derde fenomeen uit het Weichselien dat een nu nog zichtbare impact heeft gehad op het landschap betreft de pingo’s. Gedurende de koudste fase van het Weichselein, het Laat Pleniglaciaal, daalde de gemiddelde jaartemperatuur in Nederland tot -8˚ Celsius.53 Onder dergelijke koude omstandigheden konden op plaatsen waar de permafrost niet geheel aaneengesloten was en waar grondwater onder hoge druk stond, scheuren ontstaan waardoor water vanuit diepere bodemlagen naar boven kwam. Dit water bevroor en vormde een ondergrondse ijslens die aangroeide.54 Hierdoor ontstonden heuvels in het landschap. Dergelijke heuvels worden pingo’s genoemd. Momenteel bekende pingo’s in de Arctische gebieden van Canada en Rusland kunnen circa 60 m hoog worden.55 Tijdens het ontdooien van de ijslens schoof de bovenliggende grond af en vormde een randwal rond de depressie die ter plaatse van de ijslens ontstond. In dergelijke gevallen, wanneer de ijslens geheel is verdwenen, spreekt men van pingo-ruïnes. De diepte van de pingo-ruïnes is meestal circa 10 m. De diameter kan variëren van 30 tot 600 meter.56 De pingo-ruïnes vulden zich met water en groeiden gedurende het Holoceen dicht met veen.
De meeste pingo-ruïnes in Nederland bevinden zich ter plaatse van de keileemplateau’s van Drenthe en Overijssel. Op de stuwwallen van de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug komt dit fenomeen veel minder vaak voor. Het Uddelermeer nabij Uddel is hier een bekend voorbeeld van een pingoruïne op de stuwwal van de Veluwe. Binnen de gemeente Rhenen zijn echter geen pingo-ruïnes aanwezig. Wel zijn drie laagtes in kaart gebracht, al dan niet bedekt met veen. Eén hiervan bevindt zich ten oosten van Achterberg. Dit betreft een uitblazingslaagte met paraboolvormige duin aan de windafwaartse zijde en is gevormd gedurende het Weichselien. Ook de overige twee laagtes binnen de gemeente Rhenen betreffen uitblazingslaagten. Deze bevinden zich in het uiterste noorden van de gemeente en zijn veel jonger (middeleeuws) en worden geflankeerd door stuifduinen. Zoals hierboven reeds vermeld, stroomden de Rijn en de Maas voor de komst van het landijs in noordelijke richting. Als gevolg van de komst van het landijs gedurende het Saalien konden de Rijn en de Maas niet meer in noordelijke richting afwateren en werden ze gedwongen om langs de zuidrand van het ijs in westelijke richting af te buigen. Ondanks dat gedurende het Eemien weer een aftakking in noordelijke richting is ontstaan welke ook gedurende het Weichselien in gebruik was, is de westelijke loop van de grote rivieren tot op heden zo gebleven.
Gedurende de ijstijden bestonden de rivieren zoals deze ten zuiden van de gemeente Rhenen aanwezig waren uit vlechtende rivieren. Een vlechtend riviersysteem betreft een uitermate dynamisch systeem met veel relatief smalle, ondiepe geulen die zich voortdurend verplaatsten en grofzandig sediment afzetten in de vorm van zand- en grindbanken. Het sediment dat door een dergelijk systeem wordt afgezet, bestaat uit slecht gesorteerd, matig tot zeer grof, grindrijk zand. De korrelgrootte varieert sterk in zowel laterale als horizontale richting.57 In het zuidwestelijke deel van de gemeente Rhenen, ter plaatse van de uiterwaarden, zijn dergelijke grove zanden en grinden nog in de diepere ondergrond aanwezig. Dit sediment behoort tot de Formatie van Kreftenheye.58 Al gedurende het Weichselien hebben de vlechtende rivieren delen van de sandr zoals deze binnen de gemeente Rhenen aan de zuidwestzijde van de Utrechtse Heuvelrug aanwezig was, geërodeerd.
3.1.3 Holoceen Vanaf het begin van het Holoceen (vanaf 11.650 jaar geleden tot heden) trad een blijvende klimaatsverbetering op. Aanvankelijk was het klimaat nog droog en bij de nog schaarse vegetatie ontstonden plaatselijk weer zandverstuivingen. Echter, als gevolg van de doorgaande klimaatsverbetering smolt het landijs in Scandinavië en steeg de zeespiegel en daarmee ook de grondwaterspiegel. Bovendien nam de hoeveelheid neerslag toe. De vegetatie nam toe waardoor het sediment werd vastgehouden en er minder erosie optrad. Het gedurende de laatste twee ijstijden ontstane landschap werd hierdoor als het ware geconserveerd. Dit geldt voor het grootste deel van de gemeente Rhenen. De smalle strook langs de Neder-Rijn behoort echter tot het rivierengebied. Hier is gedurende het holoceen wel degelijk het een en ander veranderd. De klimaatsveranderingen hadden namelijk een grote invloed op de rivieren en daarmee ook op het landschap dat onder invloed stond van de rivieren. Het vlechtende rivierpatroon kreeg door veranderingen in het afvoerregime een meanderend karakter met enkele hoofdgeulen die zich in de oudere riviervlakte insneden.
51
De Mulder et al. 2003. Stiboka 1973. 53 Huijzer & Vandenberghe 1998. 54 Berendsen 2008. 55 De Mulder et al. 2003. 56 Berendsen 2008. 57 Huisink 1998. 58 De Mulder et al. 2003. 52
34
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
De accumulerende, meanderende rivieren ontwikkelden een duidelijke differentiatie in verschillende rivierafzettingen (beddingafzettingen, oeverafzettingen en komafzettingen). Beddingafzettingen betreffen alle afzettingen binnen de beddinggordel, die in de watervoerende rivierbedding worden afgezet, zoals het zand, afgezet in de binnenbocht van de rivier (kronkelwaard; afbeelding 3.5). Langs de geulen worden oeverwalafzettingen afgezet, die voornamelijk bestaan uit fijn zand, zavel en sterk zandige klei (afbeelding 3.5). Deze ontstaan wanneer bij hoge afvoeren de rivier buiten zijn bedding treedt. Hierbij neemt de stroomsnelheid snel af, waardoor het grovere sediment (zand, zavel en sterk zandige klei) direct naast de bedding wordt afgezet. De zich zo vormende oeverwallen worden in de loop der tijd steeds hoger. Hierdoor neemt de overstromingsfrequentie af. Het fijnere sediment, de zware klei, wordt verder van de bedding afgezet in lager gelegen delen. Deze afzettingen worden komafzettingen genoemd.59 De holocene fluviatiele afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Echteld.60
Afb. 3.5 Schematische doorsnede door de stroomgordel van een meanderende rivier (natuurlijke situatie) met bijbehorende terminologie.61
In de loop van het Holoceen hebben de rivierlopen zich verscheidene malen verlegd. Binnen de gemeente Rhenen en omgeving zijn in het verleden verschillende van dergelijke oude rivierlopen in de ondergrond aanwezig (geweest). De oudste hiervan betreft een preboreale verlaten meandergordel. Deze rivierloop schuurde volgens Cohen et al (2012) al vroeg in het holoceen langs de sandr in het zuidwestelijke deel van de gemeente op ongeveer de plek van de huidige steilrand tussen de uiterwaarden en de sandr. Van deze rivier zijn geen afzettingen meer aanwezig binnen de grenzen van de gemeente, aangezien deze door jongere rivieren als de Lek en de Nederrijn zijn geërodeerd. Wel ontstond in deze periode (begin holoceen) een voorloper van de latere Kromme Eem die vanuit de Gelderse Vallei op de riviervlakte afwaterde. In dit dal bevindt zich tegenwoordig het Valleikanaal, dat heden ten dage juist in tegenovergestelde richting stroomt. In de zuidoosthoek van de gemeente, in het gebied ten oosten van Heimerstein, werden in de loop van het holoceen de stroomgordels van Veedijk en Herveld actief.
De stroomgordel van Veedijk was gedurende het neolithicum actief vanaf circa 5105 jaar BP tot 4500 jaar BP en heeft zich tot in de pleistocene ondergrond ingesneden.62 Van deze stroomgordel zijn binnen de gemeente Rhenen echter nauwelijks meer afzettingen aanwezig, aangezien de jongere stroomgordel van Herveld zich hierin heeft ingesneden en veel sediment heeft geërodeerd. Van de Herveld stroomgordel is echter nog wel relatief veel sediment binnen de gemeente aanwezig. Deze stroomgordel was gedurende de periode laatneolithicum tot en met de ijzertijd actief vanaf circa 4755 jaar BP tot 2200 jaar BP. Van deze rivier zijn nog geulen, oeverwallen en komgebieden als zodanig herkenbaar binnen de gemeentegrenzen. Vanaf circa 2500 jaar BP (gedurende de ijzertijd) werd de Neder-Rijn actief. Deze rivier, die nog steeds langs het grondgebied van de gemeente stroomt, heeft veel van de oudere stroomgordels geërodeerd. Grote delen van de uiterwaarden binnen de gemeente behoren tot deze stroomgordel, al zijn er een paar plekken waar nog restanten van de Lek aanwezig kunnen zijn. De Lek was hier vanaf de Romeinse tijd tot de volle middeleeuwen actief (1950 jaar BP tot 850 jaar BP). 59
Berendsen 2008. De Mulder et al. 2003. 61 Berendsen 2008. 62 Cohen et al. 2012. 60
beleidsactualisaties Rhenen
35
Door natuurlijke ophoging en differentiële klink, waarbij de kleien in het komkleigebied meer inklinken dan de zanden en zavels in het stroomruggebied, zijn de oude stroomruggen in het huidige landschap nog herkenbaar aan het hoogteverschil met de omliggende komgronden. Aangezien de invloed van de rivieren binnen de gemeente Rhenen vrij gering is geweest, zijn dergelijke hoogteverschillen wat minder in het oog springend dan midden in het rivierengebied. Desalniettemin zijn in het zuidoostelijke deel van de gemeente, in het stroomgebied van de Veedijk en de Herveld stroomgordels, wel degelijk nog geulen en oeverwallen te onderscheiden. Uit archeologisch oogpunt zijn met name de oeverwallen interessante locaties. Oevers zijn van oudsher een aantrekkelijke vestigingsplaats geweest voor mensen vanwege hun hogere ligging in het landschap en de aanwezigheid van stromend water in de directe omgeving.
Afb. 3.6 De gemeente Rhenen op de stroomgordelkaart (Cohen et al. 2012). De betreffende stroomgordels zijn middels verschillende kleuren op de kaart weergegeven en voorzien van hun namen.
Ondanks dat het pleistocene landschap binnen de gemeente gedurende het holoceen weinig is veranderd aangezien er geen sediment is afgezet en er relatief weinig erosie optrad, hebben er in het lager gelegen dekzandlandschap aan de noordoostzijde van de Utrechtse Heuvelrug wel degelijk veranderingen plaatsgevonden die van invloed zijn geweest op de bewoonbaarheid van het gebied. De hogere grondwaterstanden en de toenemende hoeveelheid neerslag in combinatie met een ondoorlatende ondergrond (keileem en kleien uit het Eem) zorgden in dit gebied namelijk voor een nieuw fenomeen; het ontstaan van veengebieden.63 Vanwege de slechte ondoorlatendheid van de ondergrond werd de waterafvoer belemmerd. Ook zorgde kwel voor permanent vochtige omstandigheden, vooral in de Gelderse Vallei. Zowel kwel- als beekoverstromingswater dat bij hoge waterstanden in de Rijn vanuit de Kromme Eem werd aangevoerd, was voedselrijk en zorgden voor de vorming van broek-, zeggeveen. Ook werd hier bij hoge waterstanden een dun pakket klei afgezet. Het veen dat boven de grondwaterspiegel uitgroeide, bestond voornamelijk uit veenmosveen dat door regenwater werd gevoed (hoogveen). Het veen breidde zich vanuit de laaggelegen delen van het landschap steeds verder uit naar de hoger gelegen omliggende gebieden en bereikte een dikte van enkele meters. In de middeleeuwen werd begonnen met het steken van turf.
Eerst voor privégebruik en later op grote schaal georganiseerd. De veenwinning en ontwatering en de daarmee gepaard gaande klink en oxidatie zorgde voor een daling van het maaiveld en verandering in de waterhuishouding. Het veen werd hierdoor in rap tempo aangetast. In grote delen van het gebied waar binnen de gemeente Rhenen ooit veen aanwezig is geweest, is dat nu niet meer zo.
63
36
Laagpakket van Griendtsveen van de Formatie van Nieuwkoop, De Mulder et al. 2003.
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
Desalniettemin is in het noordoostelijke deel van de gemeente, langs het huidige Valleikanaal, nog een relatief groot gebied met veen aanwezig. Door boskap, het steken van heideplaggen en door overbeweiding verschraalde de bovengrond van de zandgronden die daardoor stuifgevoelig werd. Secundaire verstuivingen van dekzand zijn bekend vanaf de bronstijd, maar vonden voornamelijk in de middeleeuwen plaats. In de secundair verstoven zanden64 zijn duinvormen en uitblazingslaagtes aanwezig. Binnen de gemeente Rhenen komen dergelijke secundair verstoven dekzanden plaatselijk op kleine schaal voor aan de grens met de gemeente Veenendaal, ten noordwesten van kasteel Prattenburg. Afbeelding 3.7 toont de landschappelijke situatie voor de gemeente Rhenen (en omgeving) rond het begin van het holoceen.65 Ten zuiden van de gemeente bevond zich een brede riviervlakte, het overblijfsel van het vlechtende rivierensysteem uit het Weichselien. Ongeveer ter plekke van het huidige Valleikanaal bevond zich een beekdal, dat afwaterde in de grote riviervlakte. Enkele van de sneeuwsmeltwaterdalen op de Utrechtse Heuvelrug waren mogelijk nog watervoerend.
Afb 3.7. De landschappelijke situatie rond 9000 voor Chr. ter plaatse van de gemeente Rhenen en omgeving (naar Vos & de Vries 2018).
Aan het einde van het Atlanticum, rond de overgang van het mesolithicum naar het neolithicum, begon het veen te groeien. Dit begon ter plaatse van het natuurlijke beekdal ter plaatse van de huidige loop van het Valleikanaal. Rond 5500 voor Chr. bevond zich binnen de gemeente Rhenen een veengebied ter grootte van het huidige veengebied. In de loop van de tijd breidde het veengebied zich echter steeds verder uit. Zo rond 2750 voor Chr., ten tijde van het begin van de actieve fase van de Herveld stroomgordel, was het veen tot op circa 500 meter van Achterberg genaderd (zie afbeelding 3.8). Op afbeelding 3.8 is ook goed zichtbaar dat de Herveld stroomgordel grote invloed had op het landschap in het zuidoostelijke deel van de gemeente. Rond circa 500 voor Chr. bereikte het veen zijn maximale uitbreiding (zie afbeelding 3.9). Het veen reikte tot ongeveer de huidige Cuneraweg. Het noordoostelijke deel van de gemeente Rhenen was, op enkele dekzandkopjes na, niet geschikt voor bewoning. De rivier van de Herveld stroomgordel had zijn oude loop in het zuidoostelijke deel van de gemeente verlaten maar migreerde ter hoogte van Rhenen steeds verder in noordoostelijke richting waarbij het de oudere afzettingen deels opruimde. De maximale verbreiding van het veen heeft binnen de gemeente Rhenen tot in de volle middeleeuwen geduurd.
Vanaf dat moment begon de mens met de ontginning van het veengebied. Door het steken van turf en de daarmee gepaard
64 65
Laagpakket van Kootwijk van de Formatie van Boxtel, de Mulder et al. 2003. Vos & de Vries 2018.
beleidsactualisaties Rhenen
37
gaande klink en oxidatie verdween een groot deel van het veengebied en kwam het onderliggende dekzand weer aan het oppervlak te liggen.
Afb 3.8. De landschappelijke situatie rond 2750 voor Chr. ter plaatse van de gemeente Rhenen en omgeving (naar Vos & de Vries 2018).
Afb 3.9. De landschappelijke situatie rond 500 voor Chr. ter plaatse van de gemeente Rhenen en omgeving (naar Vos & de Vries 2018).
Gedurende de periode van circa 1500 jaar waarin het veen zijn maximale uitbreiding beleefde, gebeurde er in het pleistocene landschap van de gemeente Rhenen op landschappelijk gebied niet veel. Binnen het rivierengebied verlegde de rivier haar loop echter wel verscheidene keren. De Herveld hield op te bestaan en de Neder-Rijn/Lek 38
Archeologisch Beleidskaart Gemeente Rhenen
werden actief. Hierbij is in een smalle zone aan de zuidwestzijde van de gemeente, ter plaatse van de huidige uiterwaarden, sediment geërodeerd en afgezet. De rivier sneed zich in de sandr en de stuwwal in. De huidige steilrand tussen de sandr/stuwwal en de uiterwaarden dateert van circa het begin van de jaartelling (zie afbeelding 3.10). 66
Afb 3.10. De landschappelijke situatie rond 100 na Chr. ter plaatse van de gemeente Rhenen en omgeving. Rond deze tijd is de huidige steilrand tussen het pleistocene landschap en de uiterwaarden ontstaan (naar Vos & de Vries 2018).
Vanaf de volle middeleeuwen begon men niet alleen met het ontginnen van de veengebieden, maar ook met het reguleren van de grote rivieren. Er werden dijken aangelegd om het land te beschermen tegen overstromingen en er werd getracht de rivieren te beteugelen door het aanleggen van verharde kades op strategische plekken. Als gevolg hiervan werd de rivier gedwongen in haar bedding te blijven liggen. Afbeelding 3.11 toont de landschappelijke situatie rond de gemeente Rhenen en omgeving zoals deze rond 1850 aanwezig was. Het veengebied was als gevolg van ontginning turf en de daarmee gepaard gaande klink en oxidatie al grotendeels verdwenen. De Nederrijn was geheel bedijkt waardoor het land binnendijks niet meer werd beïnvloed door de rivier. Alleen ter plaatse van de uiterwaarden vond nog sedimentatie plaats bij hoge waterstanden. De landschappelijke situatie is sinds het beeld zoals weergegeven op afbeelding 3.11 niet veel meer veranderd, op het graven van zand- en kleiwinningsgaten en de aanleg van geulen in het uiterwaardgebied na. Het kaartbeeld op afbeelding 3.11 toont in het noordelijke puntje van de gemeente de gedurende de late middeleeuwen/nieuwe tijd ontstane stuifduinen. Dit was het gevolg van de toename van de intensiteit van het gebruik van het landschap door de mens gedurende deze periode.
Door boskap, het steken van heideplaggen en door overbeweiding verschraalde de bovengrond van de zandgronden. Deze werden daardoor gevoelig voor verstuiving. Binnen de gemeente Rhenen heeft echter maar op kleine schaal verstuiving plaatsgevonden. Zoals op afbeelding 3.11 zichtbaar is, heeft de gemeente Utrechtse Heuvelrug hier meer last van gehad, met grote zandverstuivingen ter plaatse van het Leersumse Veld.
66
Vos & de Vries 2018.
beleidsactualisaties Rhenen
39
Afb 3.11. De landschappelijke situatie rond 1850 na Chr. ter plaatse van de gemeente Rhenen en omgeving (naar Vos & de Vries 2018).
3.2
Bodems
3.2.1 Inleiding De bodemvruchtbaarheid speelt vanaf het moment dat de landbouw haar intrede deed een steeds grotere rol in de vestigingslocatie keuze. Er is vanaf het neolithicum dan ook sprake van een sterke relatie tussen landschappelijke ligging van archeologische sites en het aanwezige bodemtype. Vandaar dat de binnen de gemeente Rhenen aanwezige bodemtypes in kaart zijn gebracht. Op de bodemkaart zijn binnen de gemeente Rhenen in totaal 29 bodemtypen onderscheiden. In bijlage 6 is de bodemkaart weergegeven, inclusief legenda. Vanwege het grote aantal van 29 bodemeenheden zullen deze in deze paragraaf niet uitgebreid beschreven worden. In deze paragraaf zullen de bodemtypes worden samengevoegd tot drie hoofdsoorten waarna de bodemtypes per hoofdsoort kort zullen worden behandeld. Binnen de gemeente Rhenen zijn grofweg drie soorten bodems aanwezig. Dit zijn bodems gevormd in zandgrond, de bodems gevormd in rivierkleien en de bodems gevormd in veen.
3.2.2 Zandgronden Enkeerdgronden Op zowel de stuwwal, de sandr als de hoger gelegen gordeldekzanden, rondom Rhenen, Remmerden, Achterberg en langs de Cuneraweg bevinden zich relatief grote arealen aan enkeerdgronden. Enkeerdgronden bevinden zich over het algemeen rondom oude dorpskernen en worden gekenmerkt door een humeuze bovengrond, het esdek of plaggendek, van 50 cm of dikker. Het esdek is ontstaan door eeuwenlange bemesting met potstalmest (zie afbeelding 3.12). Door variaties in de aard (soort plaggen, percentage minerale bestanddelen) en de hoeveelheid van de gebruikte mest, de duur van de ophoging en de oorspronkelijke ligging (nat of droog) vertoont het plaggendek grote verschillen in dikte, kleur, humusgehalte en textuur. Het plaggendek is vaak opgebouwd uit meerdere lagen. De bouwvoor (Aap-horizont), de recent geploegde laag, is meestal 20 à 30 cm dik en bestaat uit donkergrijsbruin tot zwart, matig humeus zand. Daaronder bevinden zich vaak één of meerdere lagen (Aa-horizont), die over het algemeen naar onder toe lichter zijn en minder organische stof bevatten. Op de overgang van het plaggendek naar de onderliggende natuurlijke ondergrond kan een oude akkerlaag (Apb-horizont) voorkomen van vóór de introductie van de plaggenbemesting.