CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Ombuigingen voor een sluitende begroting 2026 1 (nieuwe versie, 7 juli toegevoegd - verwerkte correctienota)

Raadsvergadering 8 juli 2025, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsbesluit Resultaat project ombuigingen54.728 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

1b. Opbrengst in anders: Toelichting:

1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: Structureel, als de samenwerking slaagt.

2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting: Het risico is dat de samenwerking met de buurgemeente niet slaagt. In dat geval blijft 1 Fte nodig en kan de verwachte besparing niet worden gerealiseerd.

3. Op welke termijn? Toelichting: Tweede helft van 2025, als de samenwerking slaagt. Dit is eind Q2 2025 duidelijk.

4. Wat is de impact van deze ombuiging op inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen? Niet X

Redelijk

Groot

Niet X

Redelijk

Groot

Toelichting: Geen.

5. Wat is de organisatie impact van deze ombuiging?

Toelichting inhoudelijk: Geen.

Toelichting formatief:

6. Advies Toelichting: Neem de maatregel over Let op: alleen als de samenwerking met de buurgemeente slaagt.

EINDE FORMULIER

KERNTAAK Kerntaak Taakveld

Individuele voorzieningen Wmo 6.71c Dagbesteding (Wmo)

ONDERZOEKSVRAAG Onderzoeksvraag vanuit de data-analyses We geven voor dagbesteding Wmo tussen de 12 en 23 euro per inwoner meer uit dan vergelijkbare gemeenten. De beleidsvrijheid in dit taakveld is 35%. Waarom zijn de kosten voor dagbesteding per inwoner hoger dan in andere gemeenten waar we ons mee vergelijken?

Antwoord onderzoeksvraag data-analyses Wanneer we alle maatwerkvoorzieningen samen bekijken, wijken onze uitgaven nauwelijks af van die van vergelijkbare gemeenten. De bevolkingsopbouw laat zien dat er sprake is van dubbele vergrijzing: er zijn meer ouderen. En deze groep wordt steeds ouder. Daarnaast zijn er relatief weinig collectieve voorzieningen beschikbaar.

OMBUIGING

Ombuiging:

A10 We nemen maatregelen om de kosten van dagbesteding Wmo te verlagen.

Toelichting

1. Wat is een aannemelijke opbrengst (euro's of anders) 1a. Opbrengst in euro's: 2025 wordt apart genoemd omdat er wellicht kosten in 2025 gemaakt worden die resulteren in opbrengst later.

€

2025 -10.000,00

2026 -10.000,00

2027 PM

2028 -

2029 -

Toelichting: Meer inzet op collectieve en preventieve zorgvormen biedt kansen om te besparen op de lichtere vormen van dagbesteding. Het vraagt een geschatte investering van €20.000 in de periode 2025–2026 om dit verder te onderzoeken en te beoordelen wat dit incidenteel en/of structureel kan opleveren. Verschillende vormen van dagbesteding Binnen dagbesteding Wmo maken we onderscheid tussen licht, midden en zwaar. De zware vorm wordt zelden ingezet. Als we meer inzetten op collectieve (preventieve) voorzieningen, raakt dit vooral de groep met een lichte indicatie. Inzetten op collectief aanbod Een belangrijk aandachtspunt is de groep cliënten met ‘dagbesteding licht’ of ‘dagbesteding regulier’. Voor hen kan mogelijk een collectief aanbod worden ontwikkeld, dat voldoende ondersteuning biedt. Dit leidt niet tot besparing op de duurdere vormen van zorg, maar juist op de lichtere, vaker voorkomende voorzieningen. Voorbeeld: pilot dementie-ondersteuning Een voorbeeld hiervan is de pilot ‘Ontmoeting+’ die in april 2025 start voor mensen in het voor-, begin- en middenstadium van dementie. Deze wordt georganiseerd door Welzijn Rivierstroom voor twee uur per week. Bij een grotere groep deelnemers kan het aanbod worden uitgebreid.

Deze ombuiging vraagt om gerichte investering en goed onderzoek Wat kunnen we organiseren om maatwerk te voorkomen? Kunnen we aansluiten bij initiatieven van andere gemeenten? En: is de doelgroep groot genoeg om een collectieve voorziening rendabel op te zetten in onze gemeente? 1b. Opbrengst in anders: Toelichting:

1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: Het vraagt een geschatte investering van €20.000 in de periode 2025–2026 om dit verder te onderzoeken en te beoordelen wat dit incidenteel en/of structureel kan opleveren.

2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting: Er is een risico dat er collectieve voorzieningen worden opgezet waar te weinig mensen gebruik van maken. Ook kan het gebeuren dat er toch nog maatwerk nodig is. Daarnaast kost het een investering om goed te bepalen welke collectieve voorzieningen nodig en passend zijn.

3. Op welke termijn? Toelichting: De jaren 2025 en 2026 zijn nodig om dit verder te verkennen. In deze periode kunnen we in gesprek gaan met andere gemeenten, zorgaanbieders en welzijnsorganisaties.

4. Wat is de impact van deze ombuiging op inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen? Niet x

Redelijk

Groot

Niet

Redelijk x

Groot

Toelichting:

5. Wat is de organisatie impact van deze ombuiging?

Toelichting inhoudelijk: Het vraagt inzet van tijd, capiciteit en financiële middelen. Eerst om goed te onderzoeken wat nodig is. En daarna om de nieuwe voorzieningen op te zetten.

Toelichting formatief:

6. Advies Toelichting: Niet investeren en verder onderzoeken De investering die hiervoor nodig is, levert op de lange termijn waarschijnlijk te weinig op. Daarom is het niet verstandig om daar nu €20.000 in te investeren.

EINDE FORMULIER

KERNTAAK Kerntaak Taakveld

Individuele voorzieningen Jeugd 6.72a Jeugdzorg begeleiding

ONDERZOEKSVRAAG Onderzoeksvraag vanuit de data-analyses Onderzoeksvraag 1: Welke maatregelen gebruiken gemeenten van vergelijkbare grootte in de begeleiding van jeugd? En kunnen wij daar iets van overnemen?

Onderzoeksvraag 2: Er zit tussen de 75 en 86 euro per inwoner verschil in uitgaven behandeling Jeugd in vergelijking met alle referentiegroepen. De beleidsvrijheid is 35%. Waarom zijn de kosten voor jeugdbehandeling in onze gemeente hoger?

Onderzoeksvraag 3: Er zit tussen de 5 en 14 euro per inwoner verschil in uitgaven dagbesteding Jeugd in vergelijking met alle referentiegroepen. De beleidsvrijheid is 35%. Waarom zijn de kosten voor dagbesteding voor jeugd in onze gemeente hoger?

Antwoord onderzoeksvraag 1 data-analyses In de regio Foodvalley gemeenten worden regelmatig maatregelen besproken om ambulante jeugdhulp (begeleiding, behandeling, dagbesteding) te beperken. Recent ontving gemeente Raalte advies van Berenschot om complexe casussen van € 50.000 tot € 100.000 opnieuw te beoordelen. Antwoord onderzoeksvraag 2 data-analyses De kosten voor behandeling kunnen hoger zijn, omdat we meer kinderen in ambulante jeugdhulp hebben (hogere aantallen) of omdat we te maken hebben met complexere problematiek. Hierdoor wordt specialistische jeugdhulp (met hogere tarieven) ingezet in plaats van basis ambulante jeugdhulp. Een andere reden kan zijn dat de referentiegemeenten meer voorliggende voorzieningen hebben (een andere iv3code). Het kan ook zijn dat wij meer jeugdhulp bieden of meer problematiek hebben dan de vergelijkbare gemeenten.

Antwoord onderzoeksvraag 3 data-analyses De kosten van dagbesteding kunnen hoger zijn door uitval bij het onderwijs. Voor kinderen die op school uitvielen, betaalde de gemeente voorheen de dagbesteding, omdat scholen en samenwerkingsverbanden vaak geen toereikend budget hadden. De gemeente nam dan de volledige betaling over om de juiste hulp te bieden. De nieuwe Verordening Jeugdhulp 2025 stelt dat elke partij zijn verantwoordelijkheid moet nemen en bijdraagt aan de kosten (afgebakend met Passend Onderwijs). Als dit niet gebeurt, wordt er geen jeugdhulp gegeven, tenzij er sprake is van onveiligheid.

OMBUIGING

Ombuiging:

A12

We nemen maatregelen om de kosten van ambulante jeugdhulp te verlagen. (A12 t/m A14)

Toelichting

1. Wat is een aannemelijke opbrengst (euro's of anders) 1a. Opbrengst in euro's: 2025 wordt apart genoemd omdat er wellicht kosten in 2025 gemaakt worden die resulteren in opbrengst later.

€

2025 -

2026 188.000

2027 188.000

2028 188.000

2029 188.000

Toelichting: We verwachten een besparing op jeugdzorg door herbeoordeling van complexe casussen, strakkere sturing op het proces en mogelijk via voorliggende voorzieningen. Een deel vraagt nog om onderzoek. Let op: deze maatregelen moeten eerst worden uitgevoerd en geëvalueerd. Pas daarna kan ombuiging C3 starten. De evaluatie van deze maatregelen gebeurt bij de perspectiefnota in 2027. Dit is vergelijkbaar met de aanpak van A9 en C4. Herbeoordeling van complexe casussen Door herbeoordeling van complexe ambulante casussen (begeleiding, behandeling en dagbesteding) verwachten we een besparing van ongeveer 2,5% van het totale jeugd-zorgbudget van 2024: € 188.000. De exacte opbrengst is nog niet bekend, want we onderzoeken nog om hoeveel casussen het gaat. Dit bedrag is dus een voorlopige inschatting. Meer sturing op het primaire proces We sturen strakker op het primaire proces. Dat doen we via twee acties: - De invoering van de nieuwe verordening Jeugdhulp met strakkere regels. - De tijdelijke inzet van een teamleider bij het Jeugdteam. Extra besparing via voorliggende voorzieningen We kijken ook of extra besparing mogelijk is door gebruik te maken van voorliggende voorzieningen. Dit vraagt aanvullend onderzoek, onderbouwd met data en een businesscase. Zie hiervoor ook format D8 pilot ‘Inloop ADHD & Autisme’.

1b. Opbrengst in anders: Toelichting: Dit nemen we mee in de voorjaarsrapportage 2025: 1. De verwachte landelijke groei van 4,7% (ca. € 309.000,-) in de jeugdhulp in 2025 niet te begroten, omdat deze naar verwachting wordt afgeremd door de nieuwe Verordening Jeugdhulp 2025. 2. Uitvoering van het actieplan leidt tot een verlaging van ambulante zorg van € 188.000. 3. De verhoging van de verblijfskosten in 2024 van € 500.000 te beschouwen als een incidentele verhoging (in 2024).

1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: Structureel.

2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting: Herbeoordeling leidt mogelijk niet tot besparing Het is mogelijk dat uit de herbeoordeling complexe casussen blijkt dat de huidige hulp juist is beschikt. In dat geval daalt de jeugdhulpuitgave niet. Landelijke groei niet begroot Er wordt landelijk een groei van 4,7% (€ 309.000) in jeugdhulp verwacht. Die groei is niet meegenomen in de begroting, maar kan zich toch voordoen, ook met de toepassing van de nieuwe verordening Jeugd. Aantal aanvragen blijft onzeker Jeugdhulp is een open-einderegeling. Het is vooraf niet te voorspellen hoeveel aanvragen er komen voor begeleiding, behandeling of dagbesteding. Verwijzing door derden buiten onze invloed Ook anderen kunnen jeugdigen verwijzen naar jeugdhulp, zoals huisartsen of gecertificeerde instellingen. Hier hebben we als gemeente weinig grip op. Lopende beschikkingen blijven geldig Er zijn nu nog lopende beschikkingen waar rechten aan ontleend kunnen worden. Pas bij een herbeschikking geldt de nieuwe verordening Jeugdhulp 2025. Geen dagbesteding bij uitblijven co-financiering onderwijs Als scholen of samenwerkingsverbanden niet meebetalen aan jeugdhulp, kunnen kinderen zonder passende plek blijven zitten. Dit kan leiden tot uitval of thuiszitten.

Beperkte capaciteit Er is nu minder capaciteit beschikbaar door langdurige ziekte en openstaande vacatures.

3. Op welke termijn? Toelichting: Het heronderzoek van complexe en dure ambulante casussen gebeurt in het tweede kwartaal van 2025. De uitvoering van de nieuwe verordening Jeugdhulp 2025 en de aanpassing van werkprocessen zijn al gestart, nadat de gemeenteraad deze heeft vastgesteld.

4. Wat is de impact van deze ombuiging op inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen? Niet

Redelijk x

Groot

Redelijk x

Groot

Toelichting: Ouders worden gevraagd meer zelf te doen en hun netwerk in te zetten. Maatschappelijke organisaties, scholen en samenwerkingsverbanden worden gevraagd hun eigen verantwoordelijkheid te nemen.

5. Wat is de organisatie impact van deze ombuiging? Niet Toelichting inhoudelijk: Het Jeugdteam wordt gevraagd op een andere manier te gaan werken. Door capaciteitsproblemen is dat op dit moment lastiger.

Toelichting formatief:

6. Advies Toelichting: We zijn al begonnen met de uitvoering, met aandacht voor de genoemde risico’s.

EINDE FORMULIER

KERNTAAK Kerntaak Taakveld

Individuele voorzieningen WMO Alle

ONDERZOEKSVRAAG Onderzoeksvraag vanuit de data-analyses Op basis van de jaarrekeningen geven wij gemiddeld €14 per inwoner meer uit aan de Wmo dan vergelijkbare gemeenten. Op basis van de begroting 2025 en de begroting 2024 (inclusief NJN) is dat ook zo. Hoe komt dat?

Antwoord onderzoeksvraag data-analyses Wanneer we alle maatwerkvoorzieningen samen bekijken, wijken onze uitgaven nauwelijks af van die van vergelijkbare gemeenten. Verschil in sociaaleconomische achtergrond Uit analyse blijkt dat onze gemeente een gemiddelde score heeft op de SES-WOA (sociaaleconomische status op basis van welvaart, opleiding en arbeid). De referentiegemeenten hebben een hoge tot zeer hoge SESWOA-score. In die gemeenten is over het algemeen minder ondersteuning nodig. Meer taken binnen het sociaal team Ons sociaal team voert ook taken uit zoals bemoeizorg, algemeen maatschappelijk werk, mantelzorgondersteuning en het verstrekken van gehandicaptenparkeerkaarten. Dit zijn geen officiële Wmo-taken, maar worden wel binnen het sociaal team uitgevoerd. In andere gemeenten vallen deze taken soms onder andere regelingen en tellen ze niet mee in de Wmo-uitgaven. Vergelijken is lastig Door deze verschillen is het moeilijk om uitgaven tussen gemeenten goed te vergelijken. Dat kan verklaren waarom onze gemiddelde Wmo-uitgaven hoger lijken. Let op: verschillende soorten SES De SES-WOA die hier wordt gebruikt is een beleidsinstrument en bevat andere gegevens dan de SES uit IV-3. De SES in IV-3 is gebaseerd op de toekenning van rijksmiddelen aan gemeenten (een financiële indicator). Daardoor is vergelijken binnen het sociaal domein op basis van IV-3 niet goed mogelijk.

OMBUIGING

Ombuiging:

C4

We passen geen indexatie toe op de zorgbudgetten van de Wmo. Als het budget op is, stellen we een wachtlijst in.

Toelichting

1. Wat is een aannemelijke opbrengst (euro's of anders) 1a. Opbrengst in euro's: 2025 wordt apart genoemd omdat er wellicht kosten in 2025 gemaakt worden die resulteren in opbrengst later.

€

2025 -

2026 -

2027 106.146

2028 106.146

2029 106.146

Toelichting: Als de tarieven voor Wmo niet worden geïndexeerd, kan dit een besparing opleveren van ongeveer € 106.146 voor begeleiding, dagbesteding en huishoudelijke ondersteuning. Reële tarieven zijn verplicht Gemeenten zijn wettelijk verplicht om zorgaanbieders een reëel tarief te betalen voor hun diensten. Contractuele afspraken De indexatie voor 2025 is vastgesteld voor begeleiding, dagbesteding en hulpmiddelen. Deze wordt volgens onze contracten uitbetaald. De indexatie voor huishoudelijke ondersteuning is nog niet vastgesteld. Dit hangt af van de cao VVT, die nog in onderhandeling is. Ook hier zijn er contractuele afspraken. Indexatie 2025: begeleiding en dagbesteding Voor 2025 is de indexatie voor begeleiding en dagbesteding vastgesteld op +3,8%. De begroting voor deze onderdelen is € 1.311.953 en € 344.929, samen € 1.656.882. 3,8% van dit bedrag is € 62.962. Indexatie 2025: huishoudelijke ondersteuning De indexatie voor huishoudelijke ondersteuning is nog niet vastgesteld. Dit hangt af van de cao VVT, die nog in onderhandeling is. Het voorstel is om de lonen per 1 juli 2025 met 4% te verhogen. Over het hele jaar komt dit neer op een loonstijging van ongeveer 2%. Daar komen ook nog veranderingen in loonschalen en andere aanpassingen bij. Door andere cao-maatregelen wordt de verwachte stijging nu geschat op 3%.

De begroting voor huishoudelijke ondersteuning is € 1.439.467. 3% van dit bedrag is € 43.184. Gevolg van niet indexeren Als we deze indexatie niet toe passen op de zorgbudgetten van de Wmo, is er niet genoeg geld om alle Wmo-cliënten te helpen. Tegen het einde van het jaar is het budget op en kunnen nieuwe cliënten geen ondersteuning meer krijgen. Er ontstaat dan een wachtlijst. Deze wordt pas aan het begin van het volgende jaar ingelopen met het nieuwe budget. Huidige situatie: kleine wachtlijst Er is nu al een kleine wachtlijst bij het Sociaal Team, met ongeveer 20 meldingen. Deze wachtlijst bestaat sinds 2023. Spoedmeldingen worden wel direct opgepakt. Let op: vervolg van deze maatregel Omdat ombuiging A9 onderdeel is van het raadsvoorstel 'taakstelling Sociaal Domein 2025', wordt eerst een evaluatie gedaan. Deze ombuiging wordt daarna pas meegenomen in de perspectiefnota 2027. 1b. Opbrengst in anders: Toelichting:

1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: Structureel. Het niet indexeren werkt structureel door.

2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting: In strijd met het open einde karakter van de Wmo De Wmo is een open einde regeling. Dat betekent dat er geen vast maximumbedrag is vastgesteld voor de uitgaven. We moeten zorg blijven geven aan iedereen die er recht op heeft, ook als het budget op is. Deze maatregel (geen indexatie en zorg uitstellen bij uitputting van het budget) is in tegenspraak met dit principe. Zorg wordt later gestart, niet geweigerd Vanaf het moment dat het budget is uitgenut, geven consulenten geen nieuwe indicaties meer af. Zij blijven wel onderzoeken uitvoeren, maar de zorg start pas later. Dit schuift alle nieuwe cliënten door naar het volgende jaar. Zorgplicht wordt juridisch geschonden De wettelijke termijnen voor onderzoek worden dan wel gehaald. Maar zodra er een toekenningsbeschikking is, heeft de gemeente een zorgplicht. Als de zorg bewust wordt uitgesteld vanwege een budgetplafond, is dat een schending van deze plicht. Dit kan juridisch worden aangevochten. Piek door uitgestelde indicaties Omdat nieuwe indicaties allemaal een jaar later starten, ontstaat er een piek in herindicaties. Dit zorgt mogelijk voor personeelstekort, omdat het werk dan niet meer gelijkmatig over het jaar is verdeeld. Problemen worden ernstiger door wachttijd Als mensen langer moeten wachten, kunnen hun problemen verergeren.

Ook het aantal bezwaren kan toenemen. Vooral complexe situaties worden dan nog complexer en vragen uiteindelijk meer inzet en geld. Wachtlijsten groeien elk jaar verder Als deze maatregel structureel wordt doorgevoerd, worden de wachtlijsten elk jaar langer. Het moment waarop geen meldingen meer worden opgepakt, schuift dan steeds verder naar voren in het jaar. Het idee dat een deel van de mensen afziet van zorg tijdens de wachtlijstperiode klopt waarschijnlijk niet. Voor begeleiding en dagbesteding zijn er weinig tot geen eigen alternatieven. Dus het percentage dat zichzelf oplost, is naar verwachting minimaal.

3. Op welke termijn? Toelichting: In 2027.

4. Wat is de impact van deze ombuiging op inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen? Niet Redelijk Groot x Toelichting: Wachtlijsten voor Wmo-ondersteuning Er ontstaat een wachtlijst voor inwoners die gebruik willen maken van de Wmo. Vooral inwoners met complexe problemen moeten langer wachten. Hierdoor kunnen hun problemen erger worden. Grote piek Gecontracteerde zorgaanbieders krijgen in de laatste maanden geen nieuwe indicaties. Daardoor hebben zij tijdelijk minder cliënten. Per 1 januari moeten de zorgaanbieders een grote piek van aanvragen verwerken om de opgebouwde wachtlijst weg te werken. Het is mogelijk dat zij deze piek niet aankunnen. Hierdoor is er nog steeds geen ondersteuning voor cliënten. En moeten zij opnieuw langer wachten op de juiste hulp. Effect op kwaliteit en tevredenheid Door de langere wachttijden daalt de kwaliteit van de ondersteuning. Inwoners zijn daardoor minder tevreden over de zorg. Huishoudelijke hulp al onder druk Voor huishoudelijke hulp is er nu al een wachtlijst. Deze maatregel is hier eigenlijk al van kracht. Gelukkig kunnen sommige cliënten zelf een andere oplossing zoeken, zoals hulp van familie of het zelf regelen van ondersteuning.

5. Wat is de organisatie impact van deze ombuiging? Niet Redelijk Groot x Toelichting inhoudelijk: Verdeling van het werk Door de opgebouwde wachtlijst worden alle zorgvragen en herindicaties op 1 januari van het nieuwe jaar gepland. In de maanden daarvoor is er juist weinig werk. Hierdoor is het werk niet gelijkmatig verdeeld over het jaar. Herindicaties zijn niet te verschuiven Herindicaties kun je niet naar voren halen, omdat de doelen voor cliënten meestal voor een jaar zijn vastgesteld. Verder uitstellen is ook niet wenselijk. Je loopt dan het risico dat je de mogelijkheid mist om eerder af te schalen. Stabiel team komt onder druk Het Sociaal Team dat de Wmo uitvoert, is een stabiel team met weinig verloop. Dat is zeldzaam in deze tijd. Door deze maatregelen komt er meer druk op het werk en op het contact met cliënten. Hierdoor is er een risico dat medewerkers alsnog vertrekken, wat ten koste gaat van de continuïteit van het team. Toelichting formatief:

6. Advies Toelichting: Niet overnemen Het overnemen van deze maatregel wordt ten zeerste ontraden. Grote impact op inwoners Uitgestelde zorg kan grote gevolgen hebben voor inwoners. Dit geldt ook voor urgente meldingen, zoals bij huiselijk geweld of verward gedrag. Door het uitstellen van hulp kunnen situaties verergeren. In strijd met het karakter van de Wmo De maatregel past niet bij het open einde karakter van de Wmo. In de praktijk werkt deze maatregel als een budgetplafond. Dit roept juridische en inhoudelijke bezwaren op. Moeilijk uit te leggen aan inwoners Medewerkers kunnen deze maatregel moeilijk uitleggen, vooral als inwoners bezwaar maken. Dit zorgt voor spanningen en onbegrip. Extra druk op sociaal team Het bewust nemen van het risico op verergerde problematiek legt extra druk op het sociaal team. Vooral rond 1 januari ontstaat er een piek in werkdruk.

EINDE FORMULIER

KERNTAAK Kerntaak Taakveld

6.6

Individuele voorzieningen WMO Maatwerkvoorzieningen WMO

ONDERZOEKSVRAAG Onderzoeksvraag vanuit de data-analyses Kunnen we Wmo-vervoer slimmer organiseren?

Antwoord onderzoeksvraag data-analyses Ja, het vervoer kan slimmer worden georganiseerd. Door het versnipperde aanbod en de losse financiering te bundelen tot één herkenbaar aanbod met één of twee aanbieders, kan de beschikbare vervoerscapaciteit beter worden benut.

OMBUIGING

Ombuiging:

C19 We organiseren het Wmo-vervoer slimmer.

Toelichting

1. Wat is een aannemelijke opbrengst (euro's of anders) 1a. Opbrengst in euro's: 2025 wordt apart genoemd omdat er wellicht kosten in 2025 gemaakt worden die resulteren in opbrengst later.

€

2025 -

2026 -

2027 -

2028 -

2029 -

Toelichting: Het aanbieden van mobiliteitsoplossingen aan inwoners die geen eigen vervoer of OV kunnen gebruiken, voorkomt dat de kosten verder stijgen. Een besparing levert het naar verwachting niet op. Wettelijke taak voor de gemeente We zijn wettelijk verplicht om vervoer te regelen voor inwoners die niet zelf of via het OV kunnen reizen. Hoe dit geregeld wordt, is vormvrij. Huidige aanpak We werken samen met BVO Valleihopper en ondersteunen particuliere initiatieven zoals Automaatje. Deze oplossingen helpen inwoners mobiel te blijven en voorkomen duurdere alternatieven.

1b. Opbrengst in anders: Toelichting: De verwachting is dat we met slimmer gebruik van de bestaande capaciteit kunnen voldoen aan de (toenemende) vraag, zonder dat de kosten significant stijgen.

1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: Structureel

2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting: Herstructurering kan extra kosten met zich meebrengen, zoals investeringen of frictiekosten.

3. Op welke termijn? Toelichting: Dit is een ontwikkeling voor de lange termijn. De eerste stappen kunnen vanaf 2027 worden gezet.

4. Wat is de impact van deze ombuiging op inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen? Niet

Redelijk

Groot x

Toelichting: Voor de doelgroep kan de impact groot zijn. Dat kan negatief zijn, omdat bestaand aanbod verandert of verdwijnt. Maar het kan ook positief zijn, doordat de kwaliteit van het aanbod verbetert.

5. Wat is de organisatie impact van deze ombuiging? Niet

Redelijk x

Groot

Toelichting inhoudelijk: Op de lange termijn zijn er minder contract- en subsidiepartijen. Dat maakt het beheer eenvoudiger.

Toelichting formatief:

6. Advies Toelichting: Onderzoek of deze ontwikkeling door te voeren is We onderzoeken of we voldoende capaciteit hebben om deze ombuiging door te voeren. Niet om direct kosten te besparen, maar om de kwaliteit van het aanbod te verbeteren en de kosten op de lange termijn beter te kunnen beheersen.

EINDE FORMULIER

KERNTAAK Kerntaak Taakveld

Individuele voorzieningen Wmo 6.71a Huishoudelijke ondersteuning

ONDERZOEKSVRAAG Onderzoeksvraag vanuit de data-analyses n.v.t.

Antwoord onderzoeksvraag data-analyses

OMBUIGING

Ombuiging:

D17 We verwijderen de module strijken als basismodule uit het toekenningsmodel voor huishoudelijke ondersteuning.

Toelichting

1. Wat is een aannemelijke opbrengst (euro's of anders) 1a. Opbrengst in euro's: 2025 wordt apart genoemd omdat er wellicht kosten in 2025 gemaakt worden die resulteren in opbrengst later.

2025 €

2026 29.468

2027 29.468

2028 29.468

2029 29.468

Toelichting: Het verwijderen van strijken uit de basismodule voor huishoudelijke ondersteuning levert naar verwachting een besparing op van € 29.468. Dit bedrag kan iets afwijken door afronding op kwartieren en aanpassingen in de wasvoorziening. Strijken geen onderdeel meer van de basismodule Strijken kan uit de basismodule van het toekenningsmodel voor huishoudelijke hulp worden gehaald. Een schoon en leefbaar huis blijft een basisvoorziening, maar strijken valt daar niet standaard onder. Voor strijken zijn er algemeen gebruikelijke oplossingen, zoals kleding die minder gestreken hoeft te worden of de stomerij. Alleen als er medische redenen zijn, blijft strijken onderdeel van de ondersteuning. We hebben 66 cliënten met in totaal 1.330 minuten strijken 1.330 minuten strijken x 0,626 (gemiddeld tarief 2024): € 832,58 € 832,58 x 52 weken x verzilveringspercentage HO 85%: € 36.800 Bij herziening worden er extra minuten toegevoegd voor de wasvoorziening Zes minuten bij een eenpersoonshuishouden en zeven minuten bij een tweepersoonshuishouden. Deze aanpassing volgt uit een herziening van het toekenningsmodel HHM.

29 cliënten (1p hh)x 6 minuten wasvoorziening x 0,626 x 52 weken x 85%: € 4.814 13 cliënten (2p hh) x 7 minuten wasvoorziening x 0,626 x 52 weken x 85%: € 2.51 De verwachte besparing is € 29.468 € 36.800 – € 4.814 – € 2.518: € 29.468 Omdat de tijdsberekening in het model altijd op kwartieren wordt afgerond, kan de uiteindelijke besparing iets afwijken.

1b. Opbrengst in anders: Toelichting:

1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: Structureel, omdat we de strijkmodule dan verwijderen.

2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting: Er kunnen bezwaarprocedures volgen tegen het verwijderen van strijken uit de basismodule. Daarnaast kan het voorkomen dat iemand om medische redenen toch hulp nodig heeft bij het strijken van kleding. In dat geval wordt het toch toegekend.

3. Op welke termijn? Toelichting: Vanaf 2026.

4. Wat is de impact van deze ombuiging op inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen? Niet

Redelijk x

Groot

Toelichting: Voor mensen die nu nog hulp krijgen bij strijken, is het even wennen dat dit stopt. Zij kunnen kiezen voor strijkvrije of kreukvrije kleding.

5. Wat is de organisatie impact van deze ombuiging? Niet

Redelijk x

Groot

Toelichting inhoudelijk: Het uitwerken kost tijdelijk extra tijd, maar kan waarschijnlijk gedaan worden binnen de huidige formatie.

Toelichting formatief:

6. Advies Toelichting: Verwijder de strijkmodule Verwijder de strijkmodule uit het toekenningsmodel voor huishoudelijke ondersteuning. Strijken is geen basisvoorziening en er zijn gebruikelijke alternatieven beschikbaar. Bij medische noodzaak kan strijken individueel worden toegekend. De wijziging levert een structurele besparing op en kan waarschijnlijk binnen de huidige formatie worden uitgevoerd.

EINDE FORMULIER

4d. Infrastructuur, ruimte en milieu

KERNTAAK Kerntaak Taakveld

8.3

Infrastructuur, ruimte en milieu Wonen en Bouwen

ONDERZOEKSVRAAG Onderzoeksvraag vanuit de data-analyses Kunnen we stoppen met de inhuur specialist Wonen en Zorg in 2025?

Antwoord onderzoeksvraag data-analyses Er is een contract met de specialist tot 31 oktober 2025. Daarna is stoppen mogelijk.

OMBUIGING

Ombuiging:

C21 We stoppen met de specialist Wonen en Zorg in 2025 en 2026.

Toelichting

1. Wat is een aannemelijke opbrengst (euro's of anders) 1a. Opbrengst in euro's: 2025 wordt apart genoemd omdat er wellicht kosten in 2025 gemaakt worden die resulteren in opbrengst later.

€

2025 35.280

2026 50.000

2027 -

2028 -

2029 -

Toelichting: Door te stoppen met de inhuur van de projectleider wonen met zorg na 31 oktober 2025 kunnen we in 2025 € 35.280 besparen. En in 2026 € 50.000. Huidige situatie We hebben nu een contract met een specialist (projectleider Wonen met Zorg) tot en met 31 oktober 2025. Daarna is stoppen mogelijk. Financiering in 2025 Voor 2025 is € 50.000 beschikbaar gesteld vanuit het bestuursprogramma voor de inhuur van een projectleider wonen met zorg. Het contract loopt tot en met 31 oktober 2025 en kost € 44.160. De kosten worden gedekt uit: - Een provinciale subsidie van € 29.440. - Een deel van het beschikbare budget van € 50.000 Van het beschikbare budget is na aftrek nog € 35.280 over. Besparing in 2026 Voor 2026 is opnieuw € 50.000 beschikbaar gesteld voor inhuur vanuit het bestuursprogramma. Als we stoppen met inhuur per eind 2025, kunnen we dit hele bedrag in 2026 besparen. Dat is een besparing van € 50.000.

1b. Opbrengst in anders: Toelichting:

1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: Het is een incidentele besparing, omdat het gaat om tijdelijk extra geld uit het Bestuursprogramma voor 2025 en 2026. Na 2026 stopt deze bijdrage.

2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting: Samenwerking aan Volkshuisvestingsprogramma Op dit moment werken we samen met partners op het gebied van wonen, welzijn en zorg aan een Volkshuisvestingsprogramma. Dit programma krijgt een concrete uitvoeringsagenda. Het werkveld wonen-welzijn-zorg verandert snel De komende jaren is veel samenwerking nodig tussen de gemeente, zorg- en welzijnspartijen en de woningcorporatie. Dit vraagt inzet van de gemeente Om onze regierol goed uit te voeren, is het nodig om een projectleider in te huren of het aantal fte’s uit te breiden. Risico bij stoppen Als we nu stoppen, is er een risico dat het werk en de samenwerking die tot nu toe zijn opgebouwd, niet worden voortgezet. Dan is een deel van de inspanning mogelijk voor niets geweest.

3. Op welke termijn? Toelichting: Na 31 oktober 2025.

4. Wat is de impact van deze ombuiging op inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen? Niet

Redelijk

Groot X

Toelichting: Gemeente als regisseur Voor inwoners en maatschappelijke organisaties is de gemeente de partij die de regie moet nemen. Samenwerking is belangrijk Het gaat om goede en efficiënte samenwerking tussen alle betrokken partijen. Doel: zelfstandig wonen en goede huisvesting Dankzij die samenwerking kunnen inwoners zo lang mogelijk zelfstandig en prettig blijven wonen. Ook zorgt dit voor genoeg goede huisvesting en sterke inzet van maatschappelijke organisaties die samen hun rol pakken.

5. Wat is de organisatie impact van deze ombuiging? Niet

Redelijk

Groot X

Toelichting inhoudelijk: Gevolgen van de ombuiging Door deze ombuiging kan de noodzakelijke inzet, zoals nu wordt opgehaald binnen het Volkshuisvestingsprogramma, niet worden uitgevoerd. Voorbeeld uit de praktijk Een concreet voorbeeld is het samenbrengen van zorg- en welzijnspartijen met de woningcorporatie. Zij werken samen aan ideeën om wonen en zorg beter te combineren. Zonder inzet vanuit de gemeente komt dit niet goed van de grond. Nieuw beleid vraagt inzet We werken op dit moment aan nieuw beleid. Daarin staat wat we als gemeente willen doen. Zonder inhuur kunnen we die plannen en verwachtingen niet waarmaken. Alternatief: eigen capaciteit Als we het toch met eigen mensen willen doen, moeten we duidelijke keuzes maken in wat wel en niet kan. Toelichting formatief:

6. Advies Toelichting: Niet overnemen Zonder de benodigde inzet kunnen de huidige plannen en verwachtingen binnen het Volkshuisvestingsprogramma niet worden waargemaakt.

EINDE FORMULIER

KERNTAAK Kerntaak Taakveld

Infrastructuur, ruimte en milieu 2.2 Parkeren

ONDERZOEKSVRAAG Onderzoeksvraag vanuit de data-analyses De lasten zijn tussen de 8 en de 14 euro per inwoner hoger dan alle referentiegroepen. Waarom? De beleidsvrijheid in dit taakveld is 90%. Rhenen heeft geen betaald parkeren. Wat valt hier dan onder qua lasten? In 2025 wordt nieuw parkeerbeleid opgesteld en vastgesteld. In hoeverre worden kosten van het parkeren hierin duidelijk en is er een mogelijkheid om de lasten te drukken?

Antwoord onderzoeksvraag data-analyses De lasten op het vlak van parkeren zijn voor het overgrote deel verbonden aan de exploitatie van parkeergarage Het Rhenense Hof. Referentiegemeenten van vergelijkbare grootte hebben doorgaans geen eigen parkeergarage, waardoor de kosten per inwoner voor Rhenen in vergelijking relatief hoog uitkomen. Eigendomssituatie De parkeergarage maakt onderdeel uit van een multifunctioneel complex met woningen en detailhandel, waarvan het eigendom is verdeeld over meerdere eigenaren die samen een VvE vormen. De garage is opgedeeld in een openbaar gedeelte en een privé-gedeelte. De gemeente is eigenaar van het openbare gedeelte, met daarin 179 parkeerplaatsen. Daarvan zijn er 164 daadwerkelijk openbaar. De resterende 15 plaatsen zijn gereserveerd voor bewoners/gebruikers van twee gebouwen die gelijktijdig met de parkeergarage zijn ontwikkeld. Daarnaast heeft de gemeente een overeenkomst met de Albert Heijn boven de garage over de structurele beschikbaarheid van parkeerplek in de garage voor klanten. Het private gedeelte van de garage is fysiek afgescheiden van het openbare deel en is eigendom van de bewoners van de woningen boven de garage. Opbouw kosten/inkomsten garage Structurele beheerskosten omvatten onder meer onderhoud van gebouw en installaties, schoonmaak en beveiliging. Hiervoor zijn langlopende contracten met derde partijen afgesloten.

Bovendien heeft de gemeente binnen de VvE geen doorslaggevende stem. Zodoende is er op korte- tot middellange termijn weinig speelruimte voor bezuinigingen. De gemeente haalt structureel inkomsten uit het beschikbaar stellen van ruimte in de garage voor klanten van de Albert Heijn. In verhouding tot de beheerskosten die de gemeente heeft, zijn de inkomsten uit de overeenkomst met Albert Heijn gering. Buiten de overeenkomst met Albert Heijn zijn de inkomsten uit de parkeergarage gering. Hoewel de parkeergarage bij oplevering klaar is gemaakt voor invoering van betaald parkeren, is er destijds door de raad een bewuste keuze gemaakt geen betaald parkeren in te voeren. Niet in de garage, niet in Rhenen als geheel. Overweging daarbij was de aantrekkelijkheid en bereikbaarheid van Rhenen. Betaald parkeren zou een negatief gevolg hebben op de omzet van detailhandel en horeca in het centrum en de centrumfunctie van Rhenen ondermijnen.

OMBUIGING

Ombuiging:

A3 We verkopen ons deel van parkeergarage Het Rhenense Hof.

Toelichting

1. Wat is een aannemelijke opbrengst (euro's of anders) 1a. Opbrengst in euro's: 2025 wordt apart genoemd omdat er wellicht kosten in 2025 gemaakt worden die resulteren in opbrengst later.

€

2025 -

2026 -

2027 -

2028 200.000

2029 200.000

Toelichting: Volledige verkoop van de parkeergarage Bij deze ombuiging verkopen we ons volledige deel van de parkeergarage. Dat levert eenmalig geld op en bespaart structureel kosten. Vanaf 2028 gaat het om een structurele besparing van 200.000 euro per jaar. We verwachten dat de verkoop op z’n vroegst eind 2027 kan plaatsvinden. Eigendomssituatie De parkeergarage hoort bij een multifunctioneel complex met woningen en winkels. Dit gebouw heeft meerdere eigenaren. Samen vormen zij een Vereniging van Eigenaren (VvE). De parkeergarage heeft twee delen: een openbaar deel en een privédeel. De gemeente is eigenaar van het openbare deel. Scenario’s Er zijn drie manieren om de structurele kosten van de parkeergarage te verlagen: 1.Scenario 1: Efficiënter beheer. Dit heeft geen gevolgen voor het parkeerbeleid. 2.Scenario 2: We voeren betaald parkeren in in het openbare deel van de garage. Dit heeft wél gevolgen voor het parkeerbeleid. Zo krijgen we meer inkomsten. 3.Scenario 3: We verkopen (een deel van) de gemeentelijke garage. Dat levert één keer geld op én zorgt voor blijvende besparing op beheerkosten. Dit heeft wél gevolgen voor het parkeerbeleid. Kanttekening We werken op dit moment aan een actualisatie van het parkeerbeleid. Op 21 mei bespreekt de gemeenteraad de belangrijkste keuzes.

Daarbij hoort ook een besluit over de parkeergarage en over mogelijk betaald parkeren (zie format D25). De uitkomst van deze bespreking nemen we mee in dit voorstel. Scenario 1: efficiënter beheer, gebruik blijft gelijk De gemeente blijft eigenaar van het openbare deel van de garage. We zoeken naar manieren om de beheerkosten te verlagen of eerlijker te verdelen met de andere eigenaren. Op korte termijn is geen besparing mogelijk door lopende contracten. Scenario 2: betaald parkeren invoeren We voeren betaald parkeren in om meer inkomsten te krijgen. De opbrengst is onzeker. Die hangt af van het tarief, minder gebruik door klanten (omdat er buiten gratis parkeren is) en het aanpassen van een bestaande afspraak met de Albert Heijn. De kosten voor het invoeren zijn wel laag, omdat het systeem er al ligt. Scenario 3: verkoop van (een deel van) de gemeentelijke garage We verkopen (een deel van) van ons deel in de parkeergarage. Dat levert eenmalig geld op en bespaart op jaarlijkse beheerkosten. 3A: Volledige verkoop Het hele gemeentelijke deel van de garage wordt verkocht. Dit vraagt een voorbereidingstijd van 1,5 jaar. Dit levert, naast de eenmalige opbrengst van de verkoop, een jaarlijkse besparing van ongeveer 200.000 euro op de beheerkosten vanaf 2028. Er zijn wel eenmalige kosten, zoals het afkopen van afspraken met de Albert Heijn en andere gebruikers.

We verliezen met dit scenario een stuk controle over de garage als sturingsinstrument in het parkeerbeleid. 3B: Verkoop overcapaciteit Alleen de ongebruikte plekken worden verkocht (minstens 20 – 40 stuks). Dit levert incidenteel geld op en verlaagt de structurele jaarlijkse beheerkosten. De precieze opbrengst hangt af van wanneer en hoeveel plekken over zijn. Dit vraagt om een beslissing over wat verantwoord is op basis van de parkeertellingen. De afspraak met Albert Heijn moet mogelijk worden aangepast. Met dit scenario zorgen we voor de huidige parkeerbehoefte, maar verliezen we de mogelijkheid om de extra parkeerplaatsen in de toekomst voor andere doelen te gebruiken.

1b. Opbrengst in anders: Toelichting:

1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: Scenario 1 richt zich op een structurele verlaging van beheerskosten. Scenario 2 richt zich op een structurele verhoging van inkomsten uit exploitatie. Scenario 3a stopt de exploitatie van de garage. Daardoor verdwijnen de structurele kosten en inkomsten. De verkoop levert een incidentele opbrengst op. Scenario 3b en 3c zorgen voor een structurele verlaging van beheerskosten. Daarnaast is er een incidentele opbrengst uit verkoop of, in scenario 3c, structurele inkomsten uit verhuur. Alle scenario’s kunnen leiden tot incidentele of structurele kosten of verlies van inkomsten, doordat bestaande huurafspraken moeten worden aangepast of stopgezet.

2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting: Minder grip op parkeerbeleid Scenario 2 t/m 3c zorgen ervoor dat de gemeente (deels) grip verliest op het parkeerbeleid. De parkeergarage is nu een belangrijk middel om te sturen, vooral in de binnenstad. Minder invloed beperkt de mogelijkheden om woningbouw en andere ruimtelijke ontwikkelingen te ondersteunen. Ook wordt het lastiger om voldoende parkeerplekken te garanderen voor ondernemers en bezoekers. Risico op verplaatsing van parkeerdruk (scenario 2) Als alleen in de garage betaald parkeren wordt ingevoerd (scenario 2), is het risico groot dat bezoekers uitwijken naar gratis plekken op straat. Dat leidt tot ondergebruik van de garage en extra druk op straatparkeren. Dit is een inefficiënt gebruik van de beschikbare capaciteit. Alleen invoering van betaald parkeren in een groter gebied kan dit tegengaan, maar dat vraagt om brede beleidskeuzes en is mogelijk niet haalbaar in een kleinere stad als Rhenen. Invoering van betaald parkeren in de hele binnenstad is uitgewerkt in D25. Verlies van sturingsmiddel (scenario 3a en 3b) Bij volledige of gedeeltelijke verkoop van de gemeentelijke parkeercapaciteit (scenario 3a en 3b) verliest de gemeente structureel de mogelijkheid om de garage te gebruiken als beleidsinstrument.

Daarmee verdwijnt een belangrijk middel om toekomstige parkeerbehoeften te sturen of op te vangen. Beperkt risico bij scenario 3c Scenario 3c geeft de gemeente de meeste ruimte om te blijven sturen. Bij strategische verkoop of verhuur behoudt de gemeente invloed en blijft de parkeergarage (deels) beschikbaar voor beleidsdoelen. Zo kunnen woningbouw en andere ontwikkelingen beter worden ondersteund.

3. Op welke termijn? Toelichting: Scenario 1 is op korte termijn niet haalbaar vanwege lopende contracten. Scenario 2 t/m 3c lijken sneller uit te voeren, maar eerst moet duidelijk worden of bestaande afspraken met huurders en verplichtingen binnen de VvE kunnen worden aangepast of stopgezet. Alleen dan zijn betaald parkeren, verkoop of verhuur mogelijk. Scenario 3c kan meer tijd kosten, omdat de verkoop van plekken afhankelijk is van wanneer nieuwe (woningbouw)projecten in de buurt starten.

4. Wat is de impact van deze ombuiging op inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen? Niet

Redelijk x

Groot x

Toelichting: Zie 2.

5. Wat is de organisatie impact van deze ombuiging? Niet Redelijk Groot X x Toelichting inhoudelijk: Scenario’s 2 t/m 3c veranderen het parkeerbeleid. Dat raakt niet alleen team Mobiliteit, maar ook teams als Ruimtelijke Ordening (RO) en Vergunningen, die beleid moeten toetsen. Ook moeten we zorgen dat besluiten over de parkeergarage passen bij de actualisatie van het parkeerbeleid, die nu loopt. Als we pas ná de vaststelling van het nieuwe beleid besluiten nemen over de parkeergarage, kan dat het nieuwe beleid ondermijnen. Daarom is het belangrijk om beide processen goed op elkaar af te stemmen. We doen dat door de keuzes over de parkeergarage actief met de raad te bespreken tijdens de raadsconsultatie over het parkeerbeleid.

Toelichting formatief: In alle scenario’s is tijdelijk extra inzet nodig om de effecten van de ombuiging goed in beeld te brengen en uit te werken hoe we deze kunnen uitvoeren. Scenario 1 heeft geen blijvend effect op de formatie. Scenario 2 vraagt iets meer formatie, omdat betaald parkeren wordt toegevoegd aan het werk. Scenario 3a zorgt voor een kleine afname van formatie, omdat het beheer van de garage wegvalt. Scenario 3b en 3c houden de gemeente betrokken bij de exploitatie. De uitvoering kan ingewikkelder worden, waardoor het werk gelijk blijft of iets toeneemt.

6. Advies Toelichting: Behoud de parkeergarage in de huidige vorm En onderzoek op langere termijn besparingen in de exploitatie. Of als alternatief: verken scenario 3c verder, met focus op strategisch en gedeeltelijk afstoten van overcapaciteit. Het advies is om niet te kiezen voor scenario 2, het invoeren van betaald parkeren in de garage De verwachte opbrengsten zijn onzeker en kunnen tegenvallen. Tegelijk neemt de bezetting van de garage waarschijnlijk af en verschuift de parkeerdruk naar de al overvolle parkeerplekken op straat. Dit ondermijnt het recent ingevoerde vergunninghoudersbeleid in het centrum. Een bredere invoering van betaald parkeren in de binnenstad is onderzocht (zie D25), maar brengt nog grotere gevolgen met zich mee. Scenario’s waarbij de gemeente (een deel van) de garage verkoopt, zorgen voor minder grip op het parkeerbeleid. Dit raakt ook andere doelen, zoals woningbouw en ruimtelijke ontwikkeling in de binnenstad. Alleen scenario 3c, waarbij strategisch en deels wordt afgestoten, biedt ruimte om dit beleidsmatig te verantwoorden.

EINDE FORMULIER

KERNTAAK Kerntaak Taakveld

Infrastructuur, ruimte en milieu 8.1 Ruimtelijke Ordening

ONDERZOEKSVRAAG Onderzoeksvraag vanuit de data-analyses In het taakveld ruimtelijke ordening is er een verschil in uitgaven van 14 tot 31 euro per inwoner vergeleken met andere, vergelijkbare gemeenten. Binnen dit taakveld is 70% beleidsvrijheid: we bepalen dus grotendeels zelf hoe we het geld inzetten. Welke producten vallen onder het taakveld ruimtelijke ordening? Zijn onze kosten gedekt? Betalen initiatiefnemers genoeg om onze uitgaven te dekken? Valt vergunningverlening onder dit taakveld? Zo ja: op welke manier worden kosten met leges gedekt? Hoeveel informatieverzoeken krijgen we voordat een vergunningtraject wordt gestart?

Antwoord onderzoeksvraag data-analyses Wat valt er in 2025 onder taakveld 8.1 Ruimtelijke ordening? In 2025 zijn er voor taakveld 8.1 de volgende kosten en inkomsten begroot: Ruimtelijke ordening algemeen: budget voor de ODRU (ongeveer de helft van het totale bedrag van taakveld 8.1) Budget voor de regio Foodvalley Omgevingswet: uitvoering, opleidingen, uitvragen advies Principeverzoeken en schetsplannen: inkomsten via leges Wijzigingen bestemmingsplan of omgevingsplan: inkomsten via anterieure overeenkomsten Faciliterende gronden: advies en interne kosten voor gemeentelijke projecten Planvorming MVA grondexploitatie: gemeentelijke projecten Personeelskosten voor ruimtelijke ontwikkeling en Han (medewerkers toezicht en juristen handhaving) Omgevingsdienst drukt sterk op taakveld 8.1 Bijna de helft van het budget in taakveld 8.1 gaat naar de ODRU (Omgevingsdienst Regio Utrecht). Een aantal referentiegemeenten gaf per inwoner minder uit aan dit taakveld. We hebben gevraagd waar zij de kosten voor hun omgevingsdienst hebben geboekt. Wat opvalt: bij deze gemeenten vallen de kosten niet onder taakveld 8.1, maar onder andere taakvelden, zoals 7.3 Milieubeheer. Als wij dat ook zouden doen, zijn onze uitgaven per inwoner in taakveld 8.1 niet hoger dan het gemiddelde van de referentiegemeenten (uitgaande van het grootste verschil van €31 per inwoner).

Fusie omgevingsdiensten en gevolgen voor de gemeente De ODRU is onze omgevingsdienst. Zij ondersteunen en adviseren ons bij milieu- en omgevingszaken. Per 1 januari 2026 fuseert de ODRU naar verwachting met de omgevingsdienst RUD (Regionale Uitvoeringsdienst). Het fusietraject is in volle gang. De nieuwe organisatie gaat de ODU (Omgevingsdienst Utrecht) heten. In het derde en vierde kwartaal van 2025 moeten deelnemende gemeenten, waaronder wij, een besluit nemen over deelname aan de nieuwe regeling. Daarna volgt ons besluit over het uitvoeringsprogramma voor 2026. De kosten voor de ODRU hangen af van hun tarieven. Elk jaar nemen we die op in onze begroting via een indexering. In een dienstverleningsovereenkomst staat hoeveel gegarandeerde uren we jaarlijks afnemen. Op basis hiervan wordt het uitvoeringsprogramma opgesteld, met daarin zowel gegarandeerde als variabele uren (extra uren die we kunnen inkopen). De kosten zijn verder afhankelijk van het aantal projecten en de complexiteit van het gevraagde advies. Elk jaar evalueren we de inzet en het budget van de ODRU. Een groot deel van het werk van de omgevingsdienst is wettelijk verplicht of maatwerk op aanvraag. Veel milieutaken, zoals toezicht op milieu-inrichtingen, moeten wettelijk via de omgevingsdienst. Andere taken zelf uitvoeren is vaak minder efficiënt, omdat we dan mensen moeten inhuren of extra moeten opleiden.

Door de fusie is het nog onduidelijk wat de kosten van de nieuwe omgevingsdienst worden. Ook is nog niet bekend hoe de kosten precies zijn opgebouwd. Naar verwachting komt hier in de zomer van 2025 meer duidelijkheid over. Valt vergunningverlening onder dit taakveld? Alleen de opbrengsten van schetsplannen die team Vergunningen behandelt, vallen onder taakveld 8.1. Dit komt omdat schetsplannen en principeverzoeken samen zijn opgenomen in paragraaf 2.2 (Voorfase) van de Verordening Leges Omgevingsvergunningen 2025 van de gemeente Rhenen. Andere kosten voor vergunningen vallen hier niet onder. Die horen bij taakveld 8.3 Wonen en Bouwen. Kostendekkend werken We moeten verder onderzoeken of we kostendekkend zijn richting initiatiefnemers. Dit wordt verder uitgewerkt in dit format.

OMBUIGING

Ombuiging:

A18 We verlagen de ODRU-kosten en zorgen dat anterieure overeenkomsten meer kosten dekken.

Toelichting

1. Wat is een aannemelijke opbrengst (euro's of anders) 1a. Opbrengst in euro's: 2025 wordt apart genoemd omdat er wellicht kosten in 2025 gemaakt worden die resulteren in opbrengst later.

€

2025 -

2026 36.000

2027 36.000

2028 36.000

2029 36.000

Toelichting: Door de fusie van de omgevingsdiensten kunnen we vanaf 2026 tot 5% minder uren afnemen. Dat levert een besparing op van ongeveer €36.000. Verder wordt onderzocht of de kostendekkendheid van projecten kan worden verhoogd met anterieure overeenkomsten. Hier is nog geen concreet bedrag voor. Verlaging van budget en uren omgevingsdienst door fusie In het fusietraject wordt nagedacht over een nieuwe systematiek om de kosten te bepalen voor de diensten die gemeenten afnemen bij de nieuwe omgevingsdienst (ODU). Gemeenten gaan daarbij een vaste bijdrage betalen. Deze afspraak wordt vastgelegd in een nieuwe dienstverleningsovereenkomst. Gemeenten kunnen daarnaast extra flexibele uren inkopen. Wat de vaste bijdrage precies wordt, is nu nog onzeker. Naar verwachting komt hier in de loop van dit jaar meer duidelijkheid over. Door de fusie kunnen er de komende jaren schaalvoordelen ontstaan. Daardoor kan de vaste bijdrage mogelijk omlaag. Het kan dan zijn dat we als gemeente juist meer uren kunnen afnemen van de omgevingsdienst. Maar de fusie biedt ook vrijheid om het aantal uren te verlagen. De totale uren die we nu afnemen (gegarandeerde uren en variabele 't-uren') zijn 5960 uur. 5% daarvan is 298 uur. Met een uurtarief (ODRU) van €123 komt dat neer op €36.000. Maar de kostenbesparing in 2026 wordt waarschijnlijk tenietgedaan door de kosten van het fusietraject.

Verhogen van kostendekkendheid door anterieure overeenkomsten Momenteel werken we aan de actualisatie van het model voor intentieovereenkomsten. Daarbij kijken we onder andere naar de standaardraming van de kosten. Bij sommige projecten gebruiken we zo’n overeenkomst al. Het doel is om dit vaker te doen bij ruimtelijke, niet-gemeentelijke projecten. In een intentieovereenkomst kan een voorschot op de verwachte kosten worden opgenomen. Gaat het project uiteindelijk niet door? Dan kunnen we met dit voorschot (een deel van) de voorbereidingskosten dekken. Daarnaast gaan we kijken hoe we de inkomsten uit anterieure overeenkomsten kunnen verhogen. Wat dit gaat opleveren is nog niet bekend. Daarom is het ook niet opgenomen in de financiele uitwerking van dit format.

1b. Opbrengst anders: Toelichting:

1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: Verlagen budget omgevingsdienst: incidenteel en structureel De kosten van de fusie zijn incidenteel. De urenreductie kan, op basis van de afspraken met de omgevingsdienst, structureel worden doorgevoerd. Ook mogelijke schaalvoordelen door de fusie zijn structureel als die zich voordoen. Verhogen kostendekkendheid anterieure overeenkomsten: structureel Het verhogen van de kostendekkendheid levert structureel extra inkomsten op. Deze inkomsten hangen wel af van het aantal projecten waarvoor we per jaar een intentieovereenkomst of anterieure overeenkomst afsluiten.

2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting: Risico’s bij verlagen budget omgevingsdienst (door fusie) Veel onzekerheid door fusietraject Het is nog niet duidelijk hoe de nieuwe kostenstructuur eruitziet. Gemeenten betalen straks een vaste bijdrage plus extra voor flexibele uren. Het uurtarief voor de flexibele uren is bekend, maar de vaste bijdrage nog niet. Hierdoor weten we nog niet wat de totale kosten in 2026 zullen zijn. Extra inspanning en weinig invloed De fusie vraagt inzet van alle 26 betrokken gemeenten, de provincie en de omgevingsdienst zelf. We hebben weinig invloed op de uitkomst. Krappe urenplanning We begroten nu al krap in uren. Minder uren betekent dat we minder wettelijke taken kunnen uitvoeren of minder kunnen doen voor onze inwoners. Dit raakt vooral (woning)bouwprojecten. Minder ruimte voor nieuwe plannen Als de uren op zijn, kunnen we geen nieuwe plannen meer in behandeling nemen. Initiatiefnemers krijgen dan ‘nee’ te horen, omdat we geen ruimte meer hebben bij de omgevingsdienst voor beoordeling. Hoger tarief bij extra uren Als we later toch extra uren nodig hebben, betalen we een hoger tarief. Dan is de besparing weg of vallen de kosten zelfs hoger uit. Incidentele kosten in 2026 In 2026 moeten we door de fusiekosten mogelijk nog meer besparen om de €36.000 ombuiging te halen.

Voor de jaren daarna is nog onzeker wat de kosten worden. Risico’s bij verhogen kostendekkendheid anterieure overeenkomsten Hogere kosten voor initiatiefnemers Als we meer kosten doorberekenen in de overeenkomst, kan dit projecten onaantrekkelijk maken. Doorgerekende woonlasten Initiatiefnemers kunnen de hogere kosten doorrekenen aan toekomstige bewoners. Dit verhoogt de woonlasten. Afhankelijk van aantal projecten Het aantal anterieure overeenkomsten verschilt per jaar. We weten dus nooit zeker hoeveel inkomsten we krijgen.

3. Op welke termijn? Toelichting: 2026.

4. Wat is de impact van deze ombuiging op inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen? Niet

Redelijk X

Groot

Toelichting: Zie punt 2.

5. Wat is de organisatie impact van deze ombuiging? Niet Redelijk Groot X Toelichting inhoudelijk: We hebben in het verleden bewust gekozen om kennis over bijvoorbeeld bodem, milieu en archeologie niet zelf in huis te houden, maar hiervoor de omgevingsdienst in te schakelen. Als we deze taken nu (gedeeltelijk) niet meer willen afnemen bij de omgevingsdienst, moeten we die kennis opnieuw zelf organiseren. Dat kan door nieuwe mensen aan te nemen of bestaande medewerkers bij te scholen. Een andere optie is om het advies in te kopen bij een commercieel bureau. Maar dat is mogelijk duurder dan de omgevingsdienst. Dan besparen we geen of minder kosten en halen we onze ombuigingsdoelstelling misschien niet. Toelichting formatief:

6. Advies Toelichting: Het is op dit moment niet realistisch om minder uren af te nemen bij de omgevingsdienst Dit past niet bij de ambitie om meer woningen te bouwen. Op de middellange termijn zijn er wel mogelijkheden om structureel te besparen. Dat kan bijvoorbeeld door schaalvoordelen na de fusie. Hiervoor is inzet nodig van alle deelnemende gemeenten en de omgevingsdienst. Omdat er nog veel onzeker is rond de fusie, is het belangrijk om de ontwikkelingen goed te blijven volgen. Onderzoek hoe de inkomsten uit anterieure overeenkomsten verhoogd kunnen worden Het proces kan worden voortgezet, maar er zijn nu nog geen bedragen aan te koppelen.

EINDE FORMULIER

KERNTAAK Kerntaak Taakveld

7.4

Infrastructuur, ruimte en milieu Milieubeheer

ONDERZOEKSVRAAG Onderzoeksvraag vanuit de data-analyses Wat zijn de investeringskosten van verduurzamen? hoeveel scheelt dit in exploitatiekosten?

Antwoord onderzoeksvraag data-analyses Voor het verduurzamen van gemeentelijke gebouwen is in totaal €990.000 begroot, verspreid over drie jaar. Hiervan is €660.000 al beschikbaar en €330.000 opgenomen als investering. De jaarlijkse kosten (kapitaallast) van deze investering zijn €62.000. In deze berekening zijn mogelijke subsidies nog niet meegerekend.

OMBUIGING

Ombuiging:

C28 We stellen de verduurzaming van ons gemeentelijk vastgoed uit of voeren deze niet uit.

Toelichting

1. Wat is een aannemelijke opbrengst (euro's of anders) 1a. Opbrengst in euro's: 2025 wordt apart genoemd omdat er wellicht kosten in 2025 gemaakt worden die resulteren in opbrengst later.

€

2025 -

2026 42.000

2027 62.000

2028 62.000

2029 62.000

Toelichting: Verduurzamen levert jaarlijks €30.447 op, maar kost €990.000. Met jaarlijkse kapitaallasten van €62.000. Uitstel voorkomt die kosten tijdelijk, maar leidt tot hogere energie- en bouwkosten en mogelijk verlies van €66.000 subsidie. Wat wordt aangepakt? We hebben een routekaart opgesteld om maatschappelijk vastgoed te verduurzamen. Daarin staat dat de komende drie tot vier jaar vier gebouwen worden aangepakt: - Het Huis van de gemeente - Het Bestegoed - Dorpshuis Achterberg - Stadsmuseum Deze gebouwen zorgen samen voor een groot deel van de gemeentelijke CO2-uitstoot. Gemeente moet verduurzamen voor 2050 Nederland moet volgens de Klimaatwet in 2050 volledig klimaatneutraal zijn. Uiterlijk in 2050 moet gemeentelijk vastgoed dus verduurzaamd zijn. Volgens het coalitieakkoord 2022–2026 neemt de gemeente een voorbeeldrol in verduurzaming van haar eigen gebouwen. Klimaatdoelen 2030 In 2030 mag de CO2-uitstoot van gebouwen in Nederland niet hoger zijn dan 13,2 megaton. Dat is 47% minder dan in 2021. Door deze vier gebouwen aan te pakken, draagt de gemeente bij aan het behalen van deze doelstelling. Structurele opbrengst verduurzaming Voor de verduurzaming van het Huis van de gemeente is al een DUMAVA-subsidie van €66.000 toegekend.

Na uitvoering levert verduurzaming van de vier gebouwen jaarlijks een structureel exploitatieresultaat van €30.447 op: - Het Huis van de gemeente: €9.621 - Het Bestegoed: €3.913 - Dorpshuis Achterberg: €14.206 - Stadsmuseum: €2.707 De investering verdient zich terug in ongeveer 12 jaar. Scenario 1: niet verduurzamen tot 2049 In dit scenario wordt ervoor gekozen om de verduurzaming van gemeentelijke gebouwen uit te stellen tot vlak voor het landelijke einddoel in 2050. Technisch gezien is dit mogelijk. We besparen dan op korte termijn €990.000 aan investeringskosten. Ook de jaarlijkse kapitaallasten van €62.000 worden uitgesteld zolang de verduurzaming niet wordt uitgevoerd. Nadelen: - De eerder toegekende subsidie van €66.000 voor de verduurzaming van het Huis van de gemeente moet worden terugbetaald als de uitvoering niet vóór juni 2026 start. - De bouwkosten en loonkosten stijgen elk jaar, waardoor verduurzamen in de toekomst duurder wordt. - De energielasten blijven hoog. Vooral de gasprijzen zullen waarschijnlijk verder stijgen. - De klimaatdoelen voor 2030 worden in dit scenario niet gehaald, wat afbreuk doet aan de voorbeeldrol van de gemeente. Scenario 2: uitstellen met maximaal 4 jaar In dit scenario wordt de verduurzaming niet direct opgepakt, maar uitgesteld tot maximaal vier jaar.

Dit biedt iets meer flexibiliteit, maar de uitvoering blijft op relatief korte termijn nodig. Nadelen: - Ook in dit scenario vervalt de subsidie van €66.000 als de verduurzaming van het Huis van de gemeente niet vóór juni 2026 is uitgevoerd. - De investering wordt uitgesteld, maar moet later alsnog worden gedaan. Er is dus geen echte besparing. - In de tussentijd blijven de kosten voor materialen en arbeid stijgen, net als de energieprijzen. - Uitstel vertraagt het behalen van de klimaatdoelen, terwijl andere gemeenten mogelijk al stappen zetten. 1b. Opbrengst in anders: Toelichting:

1c. Incidenteel of structureel? Toelichting: De besparing op de investering is eenmalig en dus incidenteel.

2. Wat zijn de belangrijke risico's bij realisatie van bij deze ombuiging? Toelichting: Risico’s bij scenario 1: niet verduurzamen tot 2049 Energielasten blijven stijgen De gebouwen gebruiken nu gasinstallaties. Omdat de gasprijzen blijven stijgen, nemen de energiekosten toe. Dit is nadelig voor de gemeentelijke begroting. Subsidie gaat verloren De toegekende subsidie van €66.000 vervalt als er niet vóór juni 2026 wordt gestart. Gemeente geeft geen goed voorbeeld De gemeente verwacht dat inwoners en bedrijven verduurzamen. Zelf niets doen past daar niet bij. Vertraging in CO2-reductie Door niet te verduurzamen, daalt de uitstoot pas veel later. Dit vertraagt het halen van de klimaatdoelen. Risico’s bij scenario 2: uitstel van maximaal 4 jaar Subsidie vervalt, kans op nieuwe aanvraag is klein Als de subsidie nu vervalt, is de kans klein dat een nieuwe aanvraag wordt goedgekeurd. Dat maakt de businesscase minder aantrekkelijk. Regeling stopt mogelijk in 2029 De huidige DUMAVA-regeling kan stoppen voor 2030. Zonder subsidie moet de gemeente alles zelf betalen. Bouwkosten stijgen elk jaar Arbeid en materialen worden elk jaar duurder. Uitstel betekent dus hogere kosten. Energielasten blijven stijgen De gebouwen draaien nog op gas. Bij uitstel blijven de energiekosten stijgen. Ook dit is slecht voor de gemeentelijke begroting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15774628/3