Bijlage 1c bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. Tot de vernieuwde AERIUS Calculator er is, verlenen het Rijk en provincies geen toestemming voor activiteiten die extra stikstofdepositie veroorzaken in Natura 2000-gebieden. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
11
Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan meldingsplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen is niet meldingsplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Binnen de beoogde ontwikkelingen worden enkele bomen gekapt. Deze houtopstanden vallen onder type b. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming.
Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
12
Conclusies Samenvatting De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
-
-
-
-
-
-
n
n
n
+
-
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat andere soort
-
+
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek/ Aerius
Natura 2000
15 m
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
5m
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
ja
nee
Bomen
ja
ja
nee
n
-
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
vleermuizen
zoogdieren
- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)
vaatplanten
Tabel 2 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. Legenda
Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels de AERIUS calculator te worden vastgesteld of er sprake is van een toename in stikstofdepositie. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient het plangebied ongeschikt of ontoegankelijk te worden gehouden voor rugstreeppad en dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Conclusie De beoogde sloop van twee vervallen schuren en realisatie van een woning aan het Keldermanspad ong. te Rhenen leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen aan het Keldermanspad ong. te Rhenen uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).
13
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • Gedurende de werkzaamheden dient het terrein ongeschikt of ontoegankelijk gehouden te worden voor rugstreeppad. Belangrijk is dat er geen vergraafbaar zand en ondiepe plassen binnen het plangebied aanwezig zijn.
Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van minimaal 50 cm hoog en minimaal 10 cm ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie te allen tijde kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. • Ten aanzien van stikstofdepositie dient te worden bepaald of het project leidt tot een toename van stikstofdepositie. Hierbij dient zowel het projecteffect (uitvoering van werkzaamheden) als de gebruikssituatie te worden berekend. Indien dit niet mogelijk is of er blijft na berekening onduidelijk of er daadwerkelijk sprake is van een effect wordt geadviseerd om de AERIUS calculator te gebruiken die (naar verwachting) in september 2019 beschikbaar wordt gesteld.
14
Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kamsalamander Triturus cristatus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5 e druk 2015, Zeist.
Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff-ecogrid.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.webkaart.provincie-utrecht.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl
15
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.
Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. S. Schuuring
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad Bijlage 3 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
16
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan het Keldermanspa dong. Te Rhenen en bestaat uit een grasveld en twee vervallen schuren.
Figuur 2
Grasveld binnen de planlocatie.
17
Figuur 3
18
Overzicht over de planlocatie vanaf de naastgelegen dijk.
Bijlage 2
Ecologie rugstreeppad
Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen met een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. Mannetjes komen hier doorgaans eerder aan dan de vrouwtjes (Creemers & Van Delft, 2009). De voortplanting vindt plaats in de periode april september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen Het geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamisch milieu met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat.
Het voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden. Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en vegetatieloze wateren, waar weinig sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor het winterhabitat is dat deze locaties vorstvrij moeten zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatie omvangen en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatie specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een populatie minimaal uit 50 - 200 dieren bestaat en in verbinding staat met andere populaties (RVO, 2011).
19
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Indien uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Middels onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van EL&I, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
20
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
Overige soorten
21
Ten aanzien van Overige soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
22
Bijlage 3
Voortoets stikstofdepositie
Rhenen Keldermanspad
39
40
Rhenen Keldermanspad
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad Gemeente Rhenen
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 1
Gegevens over het plan: Plannaam: Datum: Projectnummer Buro SRO:
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 30-03-2020 46.10.13
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
Dhr. S van de
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:
Dhr. L. Arends Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.Buro-SRO.nl
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding ................................................................................................................................. 5
1.1
Doelstelling onderzoek ..................................................................................................................... 5
1.2
Projectbeschrijving ........................................................................................................................... 5
1.3
Maatgevende Natura 2000-gebieden ............................................................................................... 6
Hoofdstuk 2
Wettelijk kader....................................................................................................................... 7
2.1
Landelijke wet- en regelgeving ......................................................................................................... 7
2.2
Voortoets......................................................................................................................................... 7
2.3
Passende beoordeling ...................................................................................................................... 8
Hoofdstuk 3
Berekeningssystematiek......................................................................................................... 9
3.1
Gebruikt rekenmodel ....................................................................................................................... 9
3.2
Input rekenmodel ............................................................................................................................ 9
3.2.1 Toekomstig gebruik .......................................................................................................................... 9 3.2.2 Aanlegfase ........................................................................................................................................ 9 Hoofdstuk 4
Resultaten berekening .......................................................................................................... 11
4.1 Gebruiksfase ......................................................................................................................................... 11 4.2 Aanlegfase ............................................................................................................................................ 12 Hoofdstuk 5
Conclusies ............................................................................................................................. 14
Bijlagen
.............................................................................................................................................. 15
Bijlage 1: Aeriusberekening toekomstig gebruik .......................................................................................... 17 Bijlage 2: Aeriusberekening aanlegfase........................................................................................................ 19 Bijlage 3: Elektrische mobiele werktuigen .................................................................................................... 21
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 3
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 4
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Doelstelling onderzoek
Het voornemen bestaat om aan het Keldermanspad een nieuwe woning te bouwen. Hiervoor wordt het bestemmingsplan herzien. Het realiseren en gebruiken van een woning zorgt voor een uitstoot van stikstof door verkeersbewegingen en door mobiele werktuigen. Doel van dit onderzoek is toetsing van mogelijke (negatieve) effecten op Natura 2000-gebieden, als gevolg van de activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt, aan de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van een voortoets in het kader van de Wet natuurbescherming is de toekomstige gewenste situatie gemodelleerd op basis van de aangeleverde gegevens door de opdrachtgever, ervaringscijfers en kengetallen. De depositie is op de omliggende Natura 2000-gebieden berekend en getoetst of het plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. Voorliggende rapportage geeft een overzicht van de gehanteerde uitgangspunten en rekenmethodiek, de berekende resultaten en de conclusie.
1.2
Projectbeschrijving
Het plangebied is gelegen aan het Keldermanspad aan de rand van de stad Rhenen, ten zuiden van de binnenstad van Rhenen. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Ligging van het plangebied In het plangebied wordt één vrijstaande woning gebouwd. Navolgende afbeelding toont de toekomstige situatie.
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 5
1.3
Maatgevende Natura 2000-gebieden
Voor het uitvoeren van de stikstofdepositieberekening moet rekening gehouden worden met Natura 2000gebieden. Aerius toetst automatisch aan alle Natura 2000-gebieden in Nederland en aan nabijgelegen buitenlandse Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen en maatgevende Natura 2000-gebied voor dit project is Rijntakken. Deze ligt op een afstand van circa 50 meter van het project. Op de afbeelding hieronder zijn het plangebied en de betreffende Natura 2000-gebieden weergegeven.
Ligging plangebied in relatie tot de maatgevende Natura 2000 gebieden Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 6
Hoofdstuk 2 2.1
Wettelijk kader
Landelijke wet- en regelgeving
In het kader van de toets aan de Wet Natuurbescherming wordt bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen en projecten dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. De beoordeling van plannen, projecten en andere handelingen is uitgewerkt in paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming. Met het verdwijnen van het Programma Aanpak Stikstof is de ontwikkelingsruimte en standaard grenswaarde voor projecten niet meer beschikbaar. Op 10 december 2019 hebben alle provincies, waarvan de provincie Fryslân onder voorbehoud, de beleidsregels voor intern en extern salderen vastgesteld. Dit vormt het nieuwe beleid op basis waarvan de vergunningverlening binnen de Wet natuurbescherming met betrekking tot stikstofdepositie plaatsvindt.
2.2
Voortoets
Een voortoets heeft tot doel te onderzoeken of er sprake kan zijn van significante gevolgen voor beschermde Natura 2000 gebieden. De significantie van de gevolgen voor een gebied als gevolg van een plan worden afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. De instandhoudingsdoelstellingen zijn neergelegd in het aanwijzingsbesluit en zijn uitgewerkt in het beheerplan voor dat gebied. Wanneer een plan of project gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen daarvan niet in gevaar brengt, zijn significante gevolgen uitgesloten. Bij de voortoets wordt bekeken of het bestemmingsplan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben. In hoeverre stikstofdepositie voor significante gevolgen op Natura 2000-gebieden kan zorgen, wordt in eerste instantie bepaald door te bezien of de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt tot een toename van stikstofdepositie leiden. Hierbij mag een vergelijking worden gemaakt met het bestaande gebruik binnen het project zelf (intern salderen) of mag met het stoppen van een stikstofuitstotende activiteit elders worden gecompenseerd (extern salderen).
Van plannen die ten opzichte van de feitelijke situatie geen toename van de stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats waarvan de Kritische Depositie Waarde (KDW) wordt overschreden, zijn significante gevolgen met zekerheid uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. In het geval uit de voortoets blijkt dat: - de ontwikkeling wel kan leiden tot een toename van stikstofdepositie op één of meer in het kader van Natura 2000 beschermde stikstofgevoelige habitat; - van deze habitats de KDW al wordt overschreden of door de toename van de stikstofdepositie kan worden overschreden; dient een volgende stap gezet te worden. Op dat moment wordt door middel van een ecologische voortoets onderzocht of ecologische significante effecten uitgesloten kunnen worden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om kleine deposities en/of deposities voor een korte tijd. Mocht dat laatste ook niet het geval zijn dan is een passende beoordeling noodzakelijk.
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 7
2.3
Passende beoordeling
Wanneer een plan significante negatieve gevolgen kan hebben, moet het bestuursorgaan ingevolge de Wet natuurbescherming een passende beoordeling opstellen vóórdat het plan kan worden vastgesteld. Deze passende beoordeling moet de zekerheid geven dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Het bestemmingsplan zal rekening moeten houden met de in het aanwijzingsbesluit voor het betrokken gebied vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen en de wijze waarop deze zijn uitgewerkt in het voor het gebied vastgestelde beheerplan. Als het bevoegd gezag (in veel gevallen Provinciale Staten) op grond van de passende beoordeling niet de vereiste zekerheid heeft verkregen dat een plan de natuurlijke kenmerken niet zal aantasten, kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. Dat is alleen anders als er geen alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, sprake is van dwingende redenen van openbaar belang en compenserende maatregelen worden getroffen, dan kan een plan toch worden vastgesteld.
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 8
Hoofdstuk 3 3.1
Berekeningssystematiek
Gebruikt rekenmodel
De rekenkern van AERIUS wordt gevormd door het Operationeel Prioritaire Stoffen model (OPS) van het RIVM. Dit model berekent de verspreiding van stikstof door de lucht en de depositie. OPS houdt daarbij rekening met verschillende factoren die de verspreiding en depositie van stikstof beïnvloeden, bijvoorbeeld de windrichting en -kracht, de ruwheid van het terrein en de hoogte van de vegetatie. Voor wegverkeer wordt gebruikt gemaakt van Standaard Rekenmethode 2 (SRM2). Daarmee sluit AERIUS aan op de modellering in het Nationaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit.
3.2
Input rekenmodel
Belangrijk voor elk rekenmodel is de kwaliteit van de input. In deze paragraaf wordt voor elk onderdeel de bijbehorende uitgangspunten beschreven en onderbouwd.
3.2.1 Toekomstig gebruik Verkeersbewegingen Het plangebied is gelegen aan het Keldermanspad. Met betrekking tot het beoogde plan is het van belang te kijken naar de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen. Op basis van de publicatie 317: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie van de CROW geldt voor een vrijstaande woning in de schil van het centrum als kengetal een verkeersaantrekkende werking van maximaal 8,1 verkeersbewegingen per etmaal per woning. Dit is het gemiddelde van de bandbreedte voor een dergelijke woning in een weinig stedelijke gemeente. Verkeersbewegingen worden in Aerius als lijnbronnen weergegeven. Deze lijnbronnen worden ingetekend van de woning tot het punt waar de verkeersbewegingen opgaan in het algemene verkeer. In dit geval is de route doorgetrokken van de nieuwe woning tot aan de Herenstraat. Op deze route gaat het verkeer op in het algemene verkeer. Overige bronnen De woningen worden gasloos uitgevoerd. Daarmee is er geen sprake van een verbrandingsinstallatie in het huis. Mogelijke stikstofuitstoot door de toekomstige woningen en bijgebouwen is kleinschalig en incidenteel en daardoor niet modelleerbaar.
3.2.2 Aanlegfase Naast het toekomstig gebruik is ook de stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase van het project van belang. Bij de realisatie van de woning zijn gedurende korte tijd werktuigen en machines van de bouwer in het plangebied aanwezig, ook de verkeersbewegingen van de werklieden van en naar de bouwplaats geven een korte toename van stikstof emissie. Van een deel van de machines (handgereedschap, snelbouwkranen, liften) wordt ervan uit gegaan dat deze elektrisch zijn en dus geen stikstofuitstoot veroorzaken. Voor de daadwerkelijke aanleg is nog geen bestek gemaakt. Daarom is er op basis van vergelijkbare projecten en ervaringen elders een zo goed mogelijke raming gemaakt van de activiteiten die zorgen voor stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase. In deze berekening is ervan uitgegaan dat de aanlegfase van het project maximaal 1 jaar duurt.
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 9
Mobiele werktuigen Er zijn mobiele werktuigen nodig voor het realiseren van de woning. Voor het invoeren van de mobiele werktuigen is een inschatting gemaakt van het aantal draaiuren, type machine en leeftijd van het materiaal waarmee de uitstoot NOx door Aerius is bepaald. De uitstoot van de mobiele werktuigen wordt in Aerius als een vlakbron ingetekend, op de locatie van de in aanbouw zijnde woning. De overige machines zoals vrachtwagens voor de aan- en afvoer van materieel vallen onder de verkeersbewegingen. Voor dit project wordt ervan uitgegaan dat er in ieder geval een elektrische snelbouwkraan, verreiker en minigraver worden gebruikt (zie bijlage 3 voor voorbeelden). In de vorige versie van het rapport (versie 20-092019) was een dumper opgenomen als mobiel werktuig. Omdat een dumper niet continue op de bouwlocatie wordt gebruikt, maar alleen voor af- en aanvoer zorgt, is deze in dit nieuwe rapport gemodelleerd als verkeersbewegingen van zwaar vrachtverkeer: 4 verkeersbewegingen per maand. Onderstaande tabel toont de ingevoerde mobiele werktuigen, dit zijn alleen de werktuigen die een stikstofuitstoot veroorzaken. Type werktuig Mobiele graafmachine
Vermogen (kWh) 100
Bouwjaar 2015
Draaiuren per jaar 8
Vermogen Voor elk werk wordt door een bouwer normaal gesproken een machine ingezet met het laagste vermogen dat werkbaar is voor de uitvoering. Dit omdat machines met een hoger vermogen meer brandstofverbruik hebben. Bij de selectie van het vermogen is dan ook gekozen voor een gemiddeld vermogen passend bij het werk. Bouwjaar Voor wat betreft het bouw jaar is gekeken naar de gemiddelde levensduur van de gebruikte werktuigen. Hierbij is aangesloten bij de mediane levensduur (TNO-rapport 2009) van de betreffende werktuigen, afgerond op hele jaren. Het jaar van uitvoering minus de levensduur geeft een goede raming van het gemiddelde bouwjaar van de gebruikte machines. Draaiuren Het aantal draaiuren is op basis van vergelijkbare projecten bepaald en waar nodig omgerekend naar de locatiespecifieke omstandigheden. Verkeersbewegingen Tijdens de aanlegfase zal er sprake zijn van verkeersbewegingen door de werklieden die met de bouw van de woning bezig zijn. Bij de gemaakte inschatting van het aantal verkeersbewegingen van licht verkeer is er rekening mee gehouden dat werklieden met werkbusjes arriveren, waarbij er meerdere werklieden in één werkbus zitten. Daarnaast zorgen de aan- en afvoer van materiaal en de mobiele werktuigen voor verkeersbewegingen door middelzwaar en zwaar vrachtverkeer. De schatting van de verkeersbewegingen in de aanlegfase is weergegeven in onderstaande tabel.
Type verkeer Licht Middel zwaar Zwaar
Gem. aantal per maand 24 12 10
Verkeersbewegingen worden in Aerius als lijnbronnen weergegeven. Deze lijnbronnen worden ingetekend van de woning tot het punt waar de verkeersbewegingen opgaan in het algemene verkeer. In dit geval is de route doorgetrokken van de nieuwe woning tot aan het punt waar het verkeer op snelheid is op de Herenstraat. Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 10
Hoofdstuk 4
Resultaten berekening
4.1 Gebruiksfase In het model is de beoogde situatie ingevoerd. Op navolgende uitsnede zijn de bronnen weergegeven die van invloed zijn op de stikstofdepositie van het initiatief. Bron 1 betreft de verkeersbewegingen.
Afbeelding ingevoerde bronnen Aerius gebruiksfase Toename emissies door verkeersbewegingen Uit de berekening volgt dat door het toekomstig aantal verkeersbewegingen (conform paragraaf 3.2.1) de uitstoot van NOx minder dan 1 kg/j bedraagt.
Stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden De uitstoot van NOx als gevolg van het toekomstig gebruik zorgt niet voor een bijdrage hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden. Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 11
4.2 Aanlegfase Op navolgende uitsnede zijn de bronnen weergegeven die van invloed zijn op de stikstofdepositie van het initiatief tijdens de aanlegfase. Bron 1 en 3 betreft de verkeersbewegingen en bron 2 betreft de mobiele werktuigen.
Afbeelding ingevoerde bronnen Aerius aanlegfase Toename emissies door mobiele werktuigen Uit navolgende tabellen volgt dat door de mobiele werktuigen in de aanlegfase (conform paragraaf 3.2.2) de uitstoot van NOx minder dan 1 kg/j bedraagt.
Toename emissies door verkeersbewegingen Uit navolgende tabellen volgt dat door de verkeersbewegingen in de aanlegfase (conform paragraaf 3.2.2) de uitstoot van NOx minder dan 1 kg/j bedraagt.
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 12
Stikstofdepositie de Natura 2000-gebieden De uitstoot van NOx als gevolg van de mobiele werktuigen en de verkeersbewegingen in de aanlegfase zorgt niet voor een bijdrage hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden.
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 13
Hoofdstuk 5
Conclusies
De berekening ten behoeve van de Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een aanpassing van de bestemming. Het plan voorziet in het realiseren van 1 woning aan het Keldermanspad in Rhenen. Toekomstig gebruik Het toekomstig gebruik van de woning veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden geen bijdrage aan stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j. Aanlegfase De aanleg van de woning veroorzaakt op Natura 2000-gebieden op basis van de inschatting van de werkzaamheden geen bijdrage aan stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j. Eindconclusie Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd neemt de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase niet toe. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000 gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project.
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 14
Bijlagen
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 15
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 16
Bijlage 1: Aeriusberekening toekomstig gebruik
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 17
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Gebruiksfase Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. S3mAzurYmwMG (17 februari 2020) pagina 1/5
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Buro SRO Oost
Keldermanspad, 3911 KD Rhenen
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Keldermanspad
S3mAzurYmwMG
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
17 februari 2020, 10:13
2019
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
< 1 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Bouwen 1 woning
Gebruiksfase
S3mAzurYmwMG (17 februari 2020) pagina 2/5
Resultaten
Locatie Gebruiksfase
Emissie Gebruiksfase
Bron Sector
Wegverkeer Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
Resultaten
Gebruiksfase
Emissie NH3
Emissie NOx
< 1 kg/j
< 1 kg/j
S3mAzurYmwMG (17 februari 2020) pagina 3/5
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Gebruiksfase
NOx NH3
Resultaten
Soort
Voertuig
Standaard
Licht verkeer
Gebruiksfase
Wegverkeer 167257, 440952 < 1 kg/j < 1 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
8,1 / etmaal NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
S3mAzurYmwMG (17 februari 2020) pagina 4/5
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2019A_20200211_3b24c29c22 Database versie 2019A_20200212_3b24c29c22 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2019A
Resultaten
Gebruiksfase
S3mAzurYmwMG (17 februari 2020) pagina 5/5
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 18
Bijlage 2: Aeriusberekening aanlegfase
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 19
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening aanlegfase Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RSTjRnHhjf6X (12 maart 2020) pagina 1/6
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Buro SRO Oost
Keldermanspad, 3911 KD Rhenen
Omschrijving
AERIUS kenmerk
Keldermanspad
RSTjRnHhjf6X
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
12 maart 2020, 04:07
2019
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
< 1 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Bouw 1 woning
aanlegfase
RSTjRnHhjf6X (12 maart 2020) pagina 2/6
Resultaten
Locatie aanlegfase
Emissie aanlegfase
Bron Sector
Wegverkeer bouw woning Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
Mobiele werktuigen Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie
Wegverkeer bouw woning Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
Resultaten
aanlegfase
Emissie NH3
Emissie NOx
< 1 kg/j
< 1 kg/j
-
< 1 kg/j
< 1 kg/j
< 1 kg/j
RSTjRnHhjf6X (12 maart 2020) pagina 3/6
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
aanlegfase
NOx NH3
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
12,0 / maand NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Middelzwaar vrachtverkeer
6,0 / maand NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
5,0 / maand NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Naam Locatie (X,Y) NOx
Resultaten
Wegverkeer bouw woning 167255, 440972 < 1 kg/j < 1 kg/j
Voertuig
Omschrijving
AFW
graafmachine
aanlegfase
Brandstof verbruik (l/j)
Mobiele werktuigen 167363, 440844 < 1 kg/j
Uitstoot hoogte (m)
Spreiding (m)
Warmte Stof inhoud (MW)
Emissie
4,0
2,0
0,0 NOx
< 1 kg/j
RSTjRnHhjf6X (12 maart 2020) pagina 4/6
Resultaten
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Wegverkeer bouw woning 167255, 440970 < 1 kg/j < 1 kg/j
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen Stof
Emissie
Standaard
Licht verkeer
12,0 / maand NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Middelzwaar vrachtverkeer
6,0 / maand NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
Standaard
Zwaar vrachtverkeer
5,0 / maand NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
aanlegfase
RSTjRnHhjf6X (12 maart 2020) pagina 5/6
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2019A_20200211_3b24c29c22 Database versie 2019A_20200226_89548b118c Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2019A
Resultaten
aanlegfase
RSTjRnHhjf6X (12 maart 2020) pagina 6/6
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 20
Bijlage 3: Elektrische mobiele werktuigen Verreiker Manitou MRT 2150 Privilège Bi Energy Bouwjaar: 2011 https://bultena.nl/wp-content/uploads/2018/12/Flyer.pdf
Minigraver JCB 19C-1E 20 kWh batterijen Bouwjaar 2019 https://www.jcb.com/nl-nl/products/minigraafmachines/19c-1e
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 21
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 22
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 23
Voortoets stikstofdepositie Rhenen Keldermanspad 24
Bijlage 4
Archeologisch onderzoek
Rhenen Keldermanspad
41
42
Rhenen Keldermanspad
Transect-rapport 2394 Rhenen, Keldermanspad (ong.) Gemeente Rhenen (UT)
Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl
Colofon Titel
Rapportnummer
Rhenen, Keldermanspad (ong.). Gemeente Rhenen (UT). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Transect-rapport 2394
Auteur
M. Verboom-Jansen MSc en J. Rap MA
Versie
Concept, versie 1.0
Datum
19-10-2019
Projectnummer
19080015
Onderzoeksmelding
4740414100
Opdrachtgever
Buro SRO Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Bevoegde overheid
Gemeente Rhenen
Beheer en plaats documentatie Toetsing rapport bevoegde overheid
Transect b.v., Nieuwegein Nog niet goedgekeurd
Omslagafbeelding
Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek.
Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector
Datum 19-11-2019
Paraaf
ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 F: 030-7620706 E: informatie@transect.nl
Samenvatting In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v. in oktober 2019 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan het Keldermanspad (ong.) in Rhenen (gemeente Rhenen). De aanleiding van het onderzoek is de sloop van de bestaande schuren en de bouw van een nieuwe woning. Het onderhavig onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging. In het bestemmingsplan ‘Rhenen stad (2012)’ heeft het plangebied een archeologische waarde (‘dubbelbestemming waarde-archeologie 3’). Deze waarde kan met de geplande ingrepen worden aangetast. Hierom is archeologisch vooronderzoek nodig om inzicht te krijgen in of en in hoeverre de werkzaamheden van invloed zijn op de archeologische waarde in het plangebied. Daarom is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd, bestaande uit een bureauonderzoek en een booronderzoek (BO + IVO-O). Uit het vooronderzoek is gebleken dat in het plangebied sprake is van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Deze verwachting hangt samen met de ligging van het plangebied aan de rand van de historische stad Rhenen, ter plaatse van de stadgracht. Tijdens het veldonderzoek is vanaf maaiveldhoogte een pakket ophooglagen aangetroffen dat waarschijnlijk samenhangt met de demping van de gracht en de ophoging van het gebied ter bescherming van de stad.
In dit pakket kunnen archeologische resten aanwezig zijn vanaf maaiveld tot in de beddingafzettingen van de Nederrijn, op een diepte van 150-230 cm -Mv (5,71-6,34 m +NAP). Dergelijke resten kunnen dateren uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Gezien de ligging van het plangebied ter plaatse van de gracht en naast de historische kern van Rhenen, ligt het zwaartepunt van de verwachting in de periode Vroege Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Advies In het plangebied is vastgesteld dat sprake is van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Daarom adviseren wij in het nieuw op te stellen bestemmingsplan de bestaande onderzoekgrenzen (>100 m² en dieper dan 30 cm -Mv) in de dubbelbestemming archeologie te handhaven. Ten aanzien van de voorgenomen ingrepen - de sloop van de bestaande schuren en de realisatie van nieuwe woningen in de toekomst - (circa 240 m²), adviseren wij om aanvullend archeologisch onderzoek uit te voeren. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P). Voorafgaand aan dit onderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld. Dit document dient te worden goedgekeurd door de bevoegde overheid, de gemeente Rhenen. Het bovenstaande vormt een advies.
Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Rhenen, om op basis van de resultaten van dit rapport een selectiebesluit te nemen over de daadwerkelijke omgang met eventuele archeologische resten in het plangebied.
Inhoud 1.
Aanleiding.............................................................................................................................. 4
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek ............................................................. 5
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied ................................................................... 6
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik ............................................................. 8
5.
Beleidskader .......................................................................................................................... 9
6.
Landschap, geomorfologie en bodem ................................................................................. 10
7.
Archeologische waarden en onderzoeken .......................................................................... 12
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen ............................................... 15
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting ..................................................................... 21
10.
Resultaten veldonderzoek ................................................................................................... 23
11.
Beantwoording onderzoeksvragen ..................................................................................... 26
12.
Conclusies en advies............................................................................................................ 27
13.
Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................... 28
Archeologische periode-indeling voor Nederland .............................................................. 30 Situatie ................................................................................................................................ 31 Inrichtingsschets.................................................................................................................. 32 Archeologiebeleid ............................................................................................................... 33 Stroomgordels ..................................................................................................................... 35 Geomorfologie .................................................................................................................... 36 Maaiveldhoogte .................................................................................................................. 37 Maaiveldhoogte detail ........................................................................................................ 38 Bodem ................................................................................................................................. 39 Archeologische waarden en onderzoeken ..........................................................................
40 Boorpuntenkaart ................................................................................................................. 41 Foto’s van boringen ............................................................................................................. 42 Boorbeschrijvingen.............................................................................................................. 44
1. Aanleiding In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v. 1 in oktober 2019 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan het Keldermanspad (ong.) in Rhenen (gemeente Rhenen). De aanleiding van het onderzoek is de sloop van de bestaande schuren en de bouw van een nieuwe woning. Het onderhavig onderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging. In het bestemmingsplan ‘Rhenen stad (2012)’ van de gemeente Rhenen heeft het plangebied een archeologische waarde (‘dubbelbestemming waarde-archeologie 3’). Dit betekent dat in het plangebied archeologische resten worden verwacht. De archeologische resten kunnen met de geplande ingrepen worden aangetast. Hierom is archeologisch vooronderzoek nodig om inzicht te krijgen in of en in hoeverre de werkzaamheden van invloed zijn op de archeologische waarde in het plangebied. Het archeologisch vooronderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek en een booronderzoek (BO + IVO-O).
1
Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
4
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik binnen en rondom het plangebied, wordt de kans bepaald dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Cultuurhistorische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze gegevens zijn aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur en van lokale amateurs of verenigingen. Hiertoe is contact opgenomen met de Historische Vereniging Oudheidkamer Rhenen en omstreken met een verzoek om aanvullende informatie.
De Historische Vereniging heeft aangegeven geen relevante informatie te hebben betreffende het plangebied. Het bouwarchief is niet geraadpleegd omdat volgens de initiatiefnemer geen bouwtekeningen van de aanwezige schuren zijn aangeleverd bij de gemeente ten tijde van de bouw. Een volledige lijst van geraadpleegde bronnen is opgenomen in hoofdstuk 13. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). Het onderzoek probeert aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: 1.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen?
2.
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?
3.
In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)?
4.
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?
Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocollen 4002 (bureauonderzoek) en 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). 5
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Plaats
Rhenen
Toponiem
Keldermanspad (ong.)
Gemeente
Rhenen
Provincie
Utrecht
Kaartblad
39E
Perceelnummer(s)
RNN01, sectie F, nummer 2014
Centrumcoördinaat
167.363/440.818
Oppervlakte
Circa 4000 m2
Binnen het archeologisch onderzoek is onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen de bodemingrepen worden uitgevoerd. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied, in een straal van circa 500 m, dat bij het onderzoek wordt betrokken om tot een beter inzicht te komen in de landschappelijke, archeologische en (cultuur)historische situatie in het plangebied. Het plangebied ligt aan het Keldermanspad (ong.) in Rhenen (gemeente Rheden). Het omvat het perceel dat kadastraal bekend staat als RN01, sectie F, nummer 2014. De grenzen van het plangebied komen overeen met de kadastrale grenzen van dit perceel. Zo komt het dat de oppervlakte van het plangebied circa 4000 m2 bedraagt. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 en bijlage 2. Van de oppervlakte van het plangebied is momenteel ongeveer 245 m 2 bebouwd met schuren. In het noorden van het plangebied zijn verder een aantal bomen aanwezig. De rest van het plangebied is in gebruik als weiland.
6
Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart. Bron topografische kaart: PDOK (www.pdok.nl).
7
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Planvorming
Sloop bestaande bebouwing, nieuwbouw woning
Aard bodemverstoringen
Graafwerkzaamheden
Verstoringsoppervlakte
Circa 410 m2
Verstoringsdiepte
Onbekend
De initiatiefnemer heeft het voornemen om de twee bestaande schuren in het plangebied te slopen. Deze beslaan circa 245 m2. Hierna zal een woning in het plangebied worden gerealiseerd op ongeveer dezelfde locatie. De woning zal dus in het noorden van het plangebied worden gerealiseerd. Het nieuwe bouwvlak beslaat 262 m2. Hiervan wordt idealiter 238 m2 bebouwd. In het huidige stadium van de plannen zijn er nog twee opties voor de nieuwbouw, waarvan nog niet bekend is welke het gaat worden (zie bijlage 3 voor de inrichtingsschetsen). Ten noorden van het bouwvlak wordt een oprit gerealiseerd (ongeveer 170 m2). Hoe diep de bodem ontgraven wordt voor de nieuwbouw en de oprit is niet bekend in het huidige stadium van de plannen. Het totale te verstoren oppervlakte komt hierbij op ongeveer 410 m2.Een inrichtingsschets is opgenomen in bijlage 3. In de rest van het plangebied zullen geen gebouwen worden gerealiseerd. Dit krijgt de bestemming ‘groen.’
8
5. Beleidskader Onderzoekskader
Bestemmingsplanwijziging
Beleidskader
Bestemmingsplan Rhenen Stad (2012)
Onderzoeksgrens
100 m2 dieper dan 30 cm –mv.
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Met ingang van juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2021 in werking zal treden. De gemeente Rhenen heeft het archeologiebeleid verankerd in het bestemmingsplan ‘Rhenen Stad (2012)’ middels dubbelbestemmingen. Het bestemmingsplan regelt en beschermt archeologie in juridisch-planologische zin. De vertaalslag heeft plaatsgevonden aan de hand van de gemeentelijke beleidskaart van Rhenen (bijlage 4). Op deze kaart is te zien dat het plangebied in een zone valt met een onbekende archeologische verwachting. Dit is in het bestemmingsplan vertaald naar een ‘dubbelbestemming archeologie waarde-3’.
Voor het gebied met ‘waarde-archeologie 3’ geldt dat initiatieven waarbij bodemingrepen niet dieper reiken dan 0,3 m –Mv en kleiner zijn dan 100 m2 worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Bij de herinrichting in het plangebied worden bovenstaande grenzen echter overschreden. Hierdoor is in het plangebied archeologisch onderzoek in het kader van de bestemmingsplanwijziging noodzakelijk.
9
6. Landschap, geomorfologie en bodem Geologie
Formatie van Echteld op Formatie van Boxtel; rivierklei op zand
Geomorfologie
Smeltwaterwaaier (5G11)
Maaiveldhoogte
Circa 8 m + NAP
Bodem
Bebouwing
Grondwatertrap
Onbekend
Landschap Het plangebied ligt op de overgang van het stuwwallenlandschap van de Utrechtse heuvelrug en het rivierenlandschap van de Rijn (Berendsen, 2005). Landschappelijke gradiëntzones zoals deze waren in het verleden aantrekkelijk voor bewoning en andersoortig gebruik. Het stuwwallenlandschap van de Utrechtse heuvelrug is ontstaan in de voorlaatste ijstijd, het Saalien (370000-130000 jaar geleden). Tijdens deze koude periode lag er tot in Midden-Nederland landijs. Het landijs stuwde de daar al aanwezige oudere grofzandige rivierafzettingen van de Rijn en Maas voor zich uit. Hierdoor zijn stuwwallen ontstaan. Aan de randen van de stuwwallen komt lokaal verspoeld sediment voor. Dit verspoelde sediment is hier afgezet als gevolg van smeltwaterstromen die ontstonden door afsmelting van landijs (zogenoemde ‘sandr-afzettingen’; Laagpakket van Schaarsbergen binnen de Formatie van Drenthe; de Mulder et al., 2003). In de laatste ijstijd (het Weichselien, circa 120000 – 10000 jaar geleden) was er geen sprake van de aanwezigheid van landijs. In die periode kende Nederland wel een zeer koud en droog klimaat. Er was als gevolg van het ongunstige klimaat weinig vegetatie aanwezig. Door het ontbreken van vegetatie konden grote hoeveelheden zand worden weggeblazen door de wind. Dit ‘stuifzand’ werd dan verderop weer afgezet als dekzand.