CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1c bijlagen bij de toelichting

Raadsvergadering 20 december 2022, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Rhenen Keldermanspad19.636 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bijlagen bij de toelichting

Rhenen Keldermanspad

33

34

Rhenen Keldermanspad

Bijlage 1

Bodemonderzoek

Rhenen Keldermanspad

35

34

Rhenen Keldermanspad

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Keldermanspad ong. Rhenen 19-2278-R01AvH

COLOFON

Opdrachtgever

Dhr. S. van de

Contactbedrijf

Buro SRO Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem Contactpersoon: Dhr. R. Rutgers

Locatie

Keldermanspad ong. te Rhenen

Type onderzoek

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Verkennend asbestonderzoek NEN 5707

Rapportnummer

19-2278-R01AvH

Datum rapport

16 september 2019

Auteur

Dhr. A.J. van Houwelingen Projectleider Bodem

Kwaliteitscontrole

Mevr. M. Penders Projectleider Bodem

Inventerra Nijverheidsweg 34 3341 LJ Hendrik-Ido-Ambacht (078) 682 24 55 info@inventerra.nl

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Keldermanspad ong. te Rhenen 19-2278-R01AvH

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING .......................................................................................................................... 1

2.

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK NEN 5725 .............................................................. 2 2.1 2.2 2.3

3.

ONDERZOEKSSTRATEGIE .................................................................................................... 5 3.1 3.2

4.

Algemeen....................................................................................................................... 2 Verzamelde informatie vooronderzoek ............................................................................... 2 Hypothese ...................................................................................................................... 4

Onderzoeksstrategie verkennend bodemonderzoek NEN 5740 .............................................. 5 Onderzoeksstrategie verkennend asbestonderzoek NEN 5707 ............................................... 5

UITVOERING EN RESULTATEN VERKENNEND ONDERZOEK NEN 5740 ................................. 6 4.1 4.2

Uitvoering veldwerk ......................................................................................................... 6 Uitvoering chemisch-analytisch onderzoek ......................................................................... 7

5.

UITVOERING EN RESULTATEN ASBESTONDERZOEK NEN 5707 ............................................ 9

6.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .................................................................................... 10

BIJLAGEN 1.

2. 3. 4. 5. 6.

Weergave onderzoekslocatie 1.1 Kadastrale gegevens en omgevingskaart 1.2 Situatietekening 1.3 Foto’s Boorprofielen Analysecertificaten Toetsingskader Resultaten vooronderzoek Kwaliteitsaspecten van het onderzoek

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Keldermanspad ong. te Rhenen 19-2278-R01AvH

1. INLEIDING

In opdracht van de heer S. van de heeft Inventerra in augustus en september 2019 een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5707 verricht op de locatie aan het Keldermanspad ong. te Rhenen. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de geplande nieuwbouw van een woning. Het doel is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de geplande nieuwbouw. Kwaliteit Inventerra is door Normec Certifications gecertificeerd voor de BRL SIKB 2000, protocol 2001, 2002 en 2018 (certificaatnummer EC-SIK-20241) en de BRL SIKB 6000, protocol 6001 en 6002 (certificaatnummer EC-SIK-60009) en is tevens door TÜV Nederland gecertificeerd voor de algemene kwaliteitsnorm NEN-ENISO 9001. De genoemde beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 is onderdeel van een certificatiesysteem voor het gehele proces van veldwerk bij milieuhygiënisch onderzoek, inclusief alle secundaire processen, dat begint bij de acceptatie van het veldwerk en dat eindigt bij de overdracht van veldgegevens en monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkrapportage, aan de opdrachtgever. Op dit bodemonderzoek zijn de volgende protocollen, behorende bij de BRL SIKB 2000, van toepassing: ☒ 2001 – Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van ☒

grondmonsters en waterpassen. 2002 – Het nemen van watermonsters.

☒

2018 – Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem.

De beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 is niet van toepassing op: • de processen vóór het veldwerk, zoals vraagstelling, gegevens verzamelen en onderzoeksvoorstel; • de processen ná het veldwerk, zoals laboratoriumanalyses, interpretatie van analyse- en veldwerkresultaten en advies; • veldwerk anders dan middels de technieken boringen, steken en graven van sleuven, inclusief alle veldwerk dat volgt op deze technieken zoals plaatsen van peilbuizen of bemonsteren van peilbuizen; • de monsterneming in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Inventerra verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of de onderhavige onderzoekslocatie en verklaart daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in Kwalibo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer).

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Keldermanspad ong. te Rhenen 19-2278-R01AvH

pag. 1 van 10

2. MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK NEN 5725

2.1

Algemeen

Om inzicht te krijgen over de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek. De aanleiding voor het navolgend beschreven vooronderzoek is het opstellen van een hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van het uit te voeren bodemonderzoek (aanleiding A uit de NEN 5725:2017). Ten behoeve hiervan dient in ieder geval informatie te worden verzameld over: • Bodemopbouw en geohydrologie, inclusief informatie over de verwachte aan- of afwezigheid van antropogene lagen in de bodem; • Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit op basis van de bodemkwaliteitskaart, reeds uitgevoerde bodemonderzoeken en of mogelijk sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging; • Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situaties, asbest, activiteiten en/of ongewone voorvallen, op basis van het voormalige en huidige gebruik.

Voor het verzamelen van de benodigde informatie kunnen meerdere informatiebronnen worden geraadpleegd, zoals: • Informatie/interview(s) eigenaar en/of opdrachtgever • Archieven gemeente, milieudienst en/of provincie • Online bronnen zoals Bodemloket.nl en Topotijdreis.nl • Bodemkwaliteitskaarten • Topografische kaarten • Geohydrologische kaarten Verder dient een terreinverkenning te worden uitgevoerd. Deze kan eventueel meteen voorafgaand aan de uitvoering van het veldwerk worden uitgevoerd. Vermeld dient te worden dat de verantwoordelijkheid voor de resultaten van onderhavig onderzoek wordt beperkt tot de aan deze resultaten ten grondslag liggende en op het moment van onderzoek ter beschikking staande gegevens, alsmede de bij de terreininspectie(s) ter plaatse van de onderzoekslocatie geconstateerde situatie. 2.2

Verzamelde informatie vooronderzoek

In de navolgende tabel is de tijdens het vooronderzoek verzamelde relevante informatie weergegeven. Tabel 1

Overzicht verzamelde informatie vooronderzoek

Gegevens onderzoekslocatie Adres

Keldermanspad ong. te Rhenen

Kadaster

Rhenen, sectie F, nr. 2014 (ged.)

XY-coördinaten

X: 167.365

Begrenzing onderzoekslocatie

De begrenzing van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1. De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt ca. 700 m².

Huidig gebruik

Vervallen schuren, rondom braakliggend

Toekomstig gebruik

Gepland is de nieuwbouw van een woning.

Omgeving

Noord: Keldermanspad Oost: grasland Zuid: grasland West: woning

Y: 440.840

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Keldermanspad ong. te Rhenen 19-2278-R01AvH

pag. 2 van 10

Vervolg tabel 1

Overzicht verzamelde informatie vooronderzoek

Overige informatie vooronderzoek Informatie eigenaar / opdrachtgever

Geen bijzonderheden

Terreinverkenning

•

•

Er zijn 2 vervallen schuren aanwezig. Rondom is het terrein braakliggend met plaatselijk hoge begroeiing, zoals bramenstruiken en brandnetels. Plaatselijk ligt puin (o.a. dakpannen). Bij de terreininspectie is aandacht besteed aan het voorkomen van verdachte punten, zoals brandplaatsen, terreinophogingen of verzakkingen, aanwezigheid van puin op de bodem en de aanwezigheid van asbestverdachte bouw- en/of verhardingsmaterialen. Behoudens puin zijn voornoemde aspecten niet waargenomen.

Kaartmateriaal

• •

BAG-viewer: De schuren dateren uit 1922. Topotijdreis: Tot 1929 was de locatie onbebouwd. Daarna is bebouwing op de locatie aangegeven. Voor zover te herleiden zijn er geen kassen, boomgaarden of sloten aanwezig geweest op de onderzoekslocatie.

Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU)

•

Bodeminformatie onderzoekslocatie: Bij de Omgevingsdienst is geen informatie beschikbaar over de aanwezigheid van (voormalige) ondergrondse tanks. Ook is er geen informatie over eerder uitgevoerde bodemonderzoeken of de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Bodeminformatie aangrenzende percelen: Het westelijk aangrenzende terrein is sinds eind jaren ’20 begin jaren ’30 in gebruik als opslagterrein van Schuilenburg, een containerbedrijf en groothandel in zand en grind. Daarvoor was er een melkfabriek gevestigd. Op de locatie was in het verleden een ondergrondse dieseltank (10,000 liter) met afleverzuil aanwezig. De oorspronkelijke bedrijfsactiviteiten zijn sinds circa 2011 beëindigd. Op deze locatie zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd, waar bij de ondergrondse afleverzuil ca. 25 m³ met olie verontreinigde grond is aangetroffen. Verder blijkt dat de zintuiglijk met puin en verbrandingsresten verontreinigde grond licht tot matig verontreinigd is met diverse zware metalen, PAK en PCB. Tevens zijn een drietal spots met sterke verontreiniging van zware metalen en PAK aangetroffen. Op de locatie is geen asbest aangetroffen. In november 2014 is een bodemsanering uitgevoerd. Hierbij is langs de zuidgrens een gedempte sloot aangetroffen, waarin sprake bleek van sterk met zware metalen verontreinigde grond.

Bij de uitgevoerde bodemsanering is alle sterk verontreinigde grond op de locatie verwijderd. Vervolgens is de gehele locatie afgedekt met 50 cm schone grond. Het evaluatierapport is opgesteld door Vink Milieutechnisch Adviesbureau b.v. (projectnummer P14M0136, d.d. 25 februari 2015).

•

Bodemloket.nl

Geen aanvullende informatie

Bodemkwaliteitskaart

De locatie is niet gezoneerd.

Geohydrologie (DinoLoket en Grondwaterkaarten TNO)

Tot ca. 2 m-mv is sprake van zandige afzettingen van de Formatie van Boxtel. Hieronder bevindt zich een pakket van gestuwde afzettingen tot een diepte van ca. 16 m-mv. Stromingsrichting van het freatisch grondwater (<10 m): beïnvloed door lokale factoren Stromingsrichting grondwater in watervoerend pakket: zuidwestelijk

In bijlage 1 zijn de foto’s, gemaakt tijdens de terreininspectie, en de situatietekening(en) bijgevoegd. In bijlage 5 zijn relevante gegevens van het vooronderzoek opgenomen.

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Keldermanspad ong. te Rhenen 19-2278-R01AvH

pag. 3 van 10

2.3

Hypothese

Ten behoeve van het opstellen van de onderzoekshypothese(s) dienen de volgende onderzoeksvragen te worden beantwoord: Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie? De begrenzing van de onderzoekslocatie is weergegeven op de situatietekening in bijlage 1. Is sprake van bodemvreemde lagen en waar bevinden deze zich? Er is op grond van het vooronderzoek geen aanleiding om te verwachten dat op de locatie sprake is van bodemvreemde lagen, met uitzondering van mogelijke bijmengingen van puin in de bodem. Is de bodem asbestverdacht? Vanwege de aanwezigheid van puin op (en in) de bodem is de bodem verdacht voor asbest. Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij te onderscheiden? De locatie ligt in een niet gezoneerd gebied. Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Er wordt niet verwacht dat eventuele activiteiten op de omliggende percelen de bodemkwaliteit op het onderzoeksterrein negatief hebben beïnvloed. Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Er is op de locatie nog geen bodemonderzoek uitgevoerd; derhalve is de uitvoering van bodemonderzoek nodig.

Wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Vanwege de aanwezigheid van puin op (en in) de bodem wordt rekening gehouden met verontreinigingen met voornamelijk zware metalen, PAK en asbest. Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn verdachte parameters? Ter plaatse van (het overige deel van) de onderzoekslocatie zijn geen potentiële bronnen van bodemverontreiniging bekend. Direct ten zuiden van de onderzoekslocatie is mogelijk een gedempte sloot gelegen. Welke hypothese en strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek? Voor wat betreft de algemene bodemkwaliteit wordt er vanuit gegaan dat sprake is van een diffuse bodembelasting en is de onderzoeksstrategie voor een ‘diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL, NEN 5740) van toepassing. Vanwege de aanwezigheid van puin op (en in) de bodem kan niet uitgesloten worden dat de bodem verdacht is voor asbest. Derhalve wordt tevens asbestonderzoek uitgevoerd, waarbij wordt uitgegaan dat er sprake is van bodem (<50% bodemvreemd materiaal), waarvoor de NEN 5707 van toepassing is (Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, strategie voor een verdachte locatie, diffuus belast, heterogeen verdeeld).

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Keldermanspad ong. te Rhenen 19-2278-R01AvH

pag. 4 van 10

3. ONDERZOEKSSTRATEGIE

3.1

Onderzoeksstrategie verkennend bodemonderzoek NEN 5740

Op basis van de in het vorige hoofdstuk geformuleerde hypothese en onderzoeksstrategie is de minimaal benodigde onderzoeksinspanning bepaald. In onderstaande tabel is aangegeven welke werkzaamheden en analyses volgens de NEN 5740 worden verricht. Tabel 2

Veldwerkzaamheden en analyses

Locatie

Strategie

Opp. ca. 700 m2

VED-HE-NL

Verklaring tabel: m-mv: meter-maaiveld NENG :

NENW :

Veldwerk

Analyses

boringen

peilbuizen

bg/vd

og

gw

5x 0,5 m-vd 1x 2,0 m-mv

1x

3x NENG

1x NENG

1x NENW

bg: bovengrond

vd: verdachte laag

og: ondergrond

gw: grondwater

standaard pakket grond (droge stofgehalte, organisch stof- en lutumgehalte, 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 VROM), polychloorbifenylen (PCB), minerale olie) standaard pakket grondwater (9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOCl, 11 stuks), minerale olie)

Aangezien het niet mogelijk was om inpandig te boren kan geen uitspraak worden gedaan over de bodemkwaliteit onder de bebouwing. 3.2

Onderzoeksstrategie verkennend asbestonderzoek NEN 5707

Op basis van de in het vorige hoofdstuk geformuleerde hypothese en onderzoeksstrategie is de minimaal benodigde onderzoeksinspanning bepaald. De volgende werkzaamheden worden (na een maaiveldinspectie en in combinatie met het verkennend bodemonderzoek) uitgevoerd: Tabel 3

Veldwerkzaamheden en analyses

Locatie, opp.

Opp. ca. 700 m2

Strategie

diffuus heterogeen

Veldwerk

Analyses

inspectiegaten 30x30 cm

waarvan doorgeboord

vd

5x (tot max. 0,5 m-mv)

1x (tot max. 2,0 m-mv)

1x asbest (<20 mm)

Verklaring tabel: m-mv : meter-maaiveld vd : verdachte laag

De opgegraven en opgeboorde grond wordt gezeefd en/of uitgeharkt en visueel geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (AVM, grove fractie >20 mm). Indien deze worden aangetroffen dienen die eveneens te worden geanalyseerd.

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Keldermanspad ong. te Rhenen 19-2278-R01AvH

pag. 5 van 10

4. UITVOERING EN RESULTATEN VERKENNEND ONDERZOEK NEN 5740

4.1

Uitvoering veldwerk

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen) en 2002 (Het nemen van grondwatermonsters). De uitvoerend veldmedewerker, dhr. P. van Achterberg, is in dit kader geregistreerd bij Rijkswaterstaat Leefomgeving. Op 26 augustus 2019 zijn in totaal 7 boringen (boringen 101 t/m 107) geplaatst, in diepte variërend van 1,0 – 3,5 m-mv. Boring 106 is afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek. De situering van de boringen en de peilbuis en enkele overzichtsfoto’s zijn weergegeven in bijlage 1.2 en 1.3. Het omhoog gebrachte bodemmateriaal is ter plaatse zintuiglijk beoordeeld, de vrijgekomen grond is geclassificeerd en bodemvreemde elementen en waarneembare afwijkingen (zoals kleur, geur, bijmengingen, verontreinigingen) zijn beschreven in boorprofielen, welke in bijlage 2 zijn bijgevoegd. Bij iedere boring zijn monsters genomen van de te onderscheiden bodemlagen. De bodem op de locatie bestaat tot 1,5 m-mv uit zand, waaronder een 1,3 meter dikke zandige kleilaag voorkomt. Hieronder komt tot de maximale boordiepte zand voor. De bovengrond is tot 0,5 à 1,0 m-mv zwak puinhoudend. Bij boring 106 zijn van 0 tot 0,5 m-mv asbestverdachte materialen aangetroffen.

Het grondwater bevond zich tijdens het veldwerk op een diepte van 2,0 m-mv. Het grondwater uit de geplaatste peilbuis 106 is op 5 september 2019 door dhr. P. van Achterberg zorgvuldig afgepompt en bemonsterd. De resultaten van de veldmetingen en eventuele bijzonderheden zijn weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 4

Resultaten veldmetingen en waarnemingen tijdens monstername grondwater

Peilbuis

Filterstelling (m-mv)

Grondwaterstand (m-mv)

pH

EGV (µS/cm)

Troebelheid (NTU)*

Bijzonderheden

106

2,50 - 3,50

1,90

6,5

772

9,6

-

Verklaring tabel: pH: zuurgraad EGV: elektrisch geleidend vermogen *: Bij een NTU >10 dient het grondwater als troebel te worden beschouwd

Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen kritieke afwijkingen van de proceseisen opgetreden.

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Keldermanspad ong. te Rhenen 19-2278-R01AvH

pag. 6 van 10

4.2

Uitvoering chemisch-analytisch onderzoek

In navolgende tabel is een overzicht opgenomen van de geanalyseerde grond- en grondwatermonsters en de uitgevoerde analyses. Tabel 5

Overzicht grond- en grondwatermonsters

Grond

Boring met traject (m-mv)

Analyse

Toelichting

MM1

101 (0,00 - 0,50) 102 (0,00 - 0,50)

NENG

Bovengrond zuidelijk terrein, zand, zwak puinhoudend

MM2

103 (0,00 - 0,50) 104 (0,00 - 0,50) 105 (0,00 - 0,50) 107 (0,00 - 0,50)

NENG

Bovengrond noordelijk terrein, zand, zwak puinhoudend

MM3

103 (0,50 - 1,00) 104 (0,50 - 1,00) 105 (0,50 - 1,00) 107 (0,50 - 1,00)

NENG

Ondergrond, zand, zwak puinhoudend

MM4

101 (1,50 - 2,00) 106 (1,50 - 2,00)

NENG

Ondergrond, klei, zonder bodemvreemde materialen

Grondwater

Filterstelling (m-mv)

Analyse

Toelichting

106

2,50 - 3,50

NENW

-

Verklaring tabel: NENG : standaard pakket grond (9 zware metalen, PAK, PCB en minerale olie), organische stof en lutum NENW : standaard pakket grondwater (9 zware metalen, vluchtige aromatische en gehalogeneerde koolwaterstoffen en minerale olie)

In navolgende tabel is de interpretatie van de toetsing van de analyseresultaten van de geanalyseerde grond- en grondwatermonsters weergegeven. Daarbij zijn alleen de parameters vermeld die verhoogd zijn ten opzichte van de achtergrond- c.q. streefwaarde(n). De analysecertificaten zijn bijgevoegd in bijlage 3. In bijlage 4 is het wettelijk toetsingskader beschreven en is de uitgebreide toetsing van de analyseresultaten bijgevoegd. Tabel 6

Overschrijdingstabel grond- en grondwatermonsters

Grond

Traject (m-mv)

> AW

>T

>I

0,00 - 0,50

Koper (0,03) Zink (0,22) Kwik (-) Lood (0,19) PAK (0,09)

-

-

0,00 - 0,50

Zink (0,27) Cadmium (-) Kwik (0,01) Lood (0,16) PAK (0,05)

-

-

MM3

0,50 - 1,00

Zink (0,31) Cadmium (-) Kwik (-) Lood (0,2) PAK (0,04)

-

-

MM4

1,50 - 2,00

-

-

-

Grondwater

Filterstelling (m-mv)

>S

>T

>I

106-1-1

2,50 - 3,50

Molybdeen (0,05)

-

-

MM1

MM2

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Keldermanspad ong. te Rhenen 19-2278-R01AvH

pag. 7 van 10

Verklaring tabel: > AW : overschrijding achtergrondwaarde(n) >S : overschrijding streefwaarde(n) >T : overschrijding voormalige tussenwaarde(n) >I : overschrijding interventiewaarde(n) : geen overschrijding (getal) : verontreinigingsfactor t.o.v. de interventiewaarde (interventiewaarde is factor 1) (-) : verontreinigingsfactor is kleiner dan 0,01

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Keldermanspad ong. te Rhenen 19-2278-R01AvH

pag. 8 van 10

5. UITVOERING EN RESULTATEN ASBESTONDERZOEK NEN 5707

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen 2001 en 2018. De uitvoerend veldmedewerker van Inventerra, dhr. P. van Achterberg, is in dit kader geregistreerd bij Rijkswaterstaat Leefomgeving. Een groot deel van het maaiveld is dicht begroeid. Derhalve kon het maaiveld ter plaatse niet worden geïnspecteerd. De maaiveldinspectie heeft zich daarom beperkt tot het terrein ter plaatse van en nabij de te graven inspectiegaten. Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Voor het asbestonderzoek zijn, op 26 augustus 2019, 5 inspectiegaten gegraven, gecodeerd G01 t/m G05. De inspectiegaten hebben een oppervlakte van 0,3 m x 0,3 m en een diepte van circa 0,5 m-mv. Tevens is gebruik gemaakt van de boringen van het verkennend bodemonderzoek voor inspectie en bemonstering van de ondergrond. De situering van de inspectiegaten is weergegeven op de tekening in bijlage 1.2. In bijlage 1.3 zijn enkele foto’s opgenomen. Van de gegraven inspectiegaten zijn profielbeschrijvingen gemaakt, welke in bijlage 2 zijn bijgevoegd. De opgegraven / opgeboorde grond is gezeefd / uitgeharkt. In de bodemlaag van 0,0 tot 0,5 m-mv zijn in inspectiegat G05 asbestverdachte materialen aangetroffen. Dit betreft 4 stukken golfplaat met een totaalgewicht van 228 gram en 8 stukken golfplaat met een totaalgewicht van 193,5 gram.

In het opgegraven en opgeboorde bodemmateriaal van de overige inspectiegaten is visueel geen asbestverdacht materiaal in de fractie >20 mm aangetroffen. De samenstelling van de mengmonsters en de resultaten van de analyses zijn in de navolgende tabel weergegeven. De analysecertificaten zijn bijgevoegd in bijlage 3. Tabel 7

Overzicht grondmonsters en analyseresultaten

Mengmonster

inspectiegaten

Diepte (m-mv)

Toelichting Zandige bovengrond, zwak puinhoudend Zandige ondergrond, zwak puinhoudend Zandige bovengrond waarin AVM is aangetroffen

Gewogen asbestgehalte

AMM01

G01 t/m G04

0,00 – 0,50

n.a.

AMM02

G03 t/m G05

0,50 – 1,00

AMM03

G05

0,00 – 0,50

AVM01

G05

0,00 – 0,50

Golfplaat

10-15 % chrysotiel 2 – 5 % crocidoliet

AVM02

G05

0,00 – 0,50

Vlakke plaat

2-5 % chrysotiel

n.a. 64 mg/kgds

n.a. = niet geanalyseerd

Omdat in inspectiegat G05 ook asbest in de grove fractie >20 mm is aangetoond, is het nodig om het totale gewogen asbestgehalte (fijne fractie én grove fractie) in dit inspectiegat te berekenen. De berekening van het asbestgehalte is opgenomen in bijlage 4. Hieruit blijkt dat het totale gewogen asbestgehalte ca. 3.200 mg/kgds bedraagt. Voor asbest geldt een interventiewaarde van 100 mg/kgds en een waarde van 50 mg/kgds waarboven nader onderzoek nodig is.

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Keldermanspad ong. te Rhenen 19-2278-R01AvH

pag. 9 van 10

6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

In opdracht van de heer S. van de heeft Inventerra in augustus en september 2019 een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 en een verkennend asbestonderzoek conform de NEN 5707 verricht op de locatie aan het Keldermanspad ong. te Rhenen. Op de locatie, met een oppervlakte van ca. 700 m2 zijn 2 vervallen schuren aanwezig. Het terrein rondom is braakliggend. De aanleiding voor het bodemonderzoek is de geplande nieuwbouw van een woning. Het doel is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de geplande nieuwbouw. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor een diffuse verontreiniging met zware metalen, PAK en asbest. Op grond van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd: • De puinhoudende zandige bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv, MM1 en MM2) en de puinhoudende zandige ondergrond (0,5 – 1,0 m-mv, MM3) zijn licht verontreinigd met diverse zware metalen en PAK. • In de kleiige ondergrond zonder bodemvreemde materialen (1,5 – 2,0 m-mv, MM4) zijn geen verontreinigingen aangetoond. • In het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 106) is een licht verhoogde concentratie molybdeen vastgesteld.

De licht verhoogde concentratie molybdeen wordt als een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde beschouwd. • Bij het uitgevoerde asbestonderzoek is zowel visueel als analytisch ter plaatse van inspectiegat G05 een verontreiniging met asbest aangetoond. Het berekende gewogen gehalte overschrijdt de interventiewaarde. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is de hypothese ‘verdacht voor verontreiniging ’ bevestigd, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten zware metalen en PAK in de grond en de aangetoonde verontreiniging met asbest. De lichte verontreinigingen met zware metalen en PAK in de grond vormen geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek of aanvullende maatregelen. Omdat voor asbest de waarde van 50 mg/kgds in de grond wordt overschreden wordt geadviseerd om een nader onderzoek uit te voeren, om na te gaan of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en daarmee van een saneringsnoodzaak in de zin van de Wet bodembescherming. Dit onderzoek is onder Kwalibo (een onderdeel van het Besluit bodemkwaliteit) uitgevoerd. Het betreft echter géén partijkeuring. Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan er sprake zijn van beperkingen in de hergebruiksmogelijkheden en/of van verwerkingskosten.

Ook kan door derden, ongeacht de resultaten van dit bodemonderzoek, een keuring van de af te voeren partij verlangd worden en/of een onderzoek naar PFAS. Bij graafwerkzaamheden in de grond dient rekening gehouden te worden met eventueel te treffen veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 400. Voor verdere informatie hierover kunt u zich tot Inventerra wenden.

Verkennend (asbest)bodemonderzoek Keldermanspad ong. te Rhenen 19-2278-R01AvH

pag. 10 van 10

Bijlage 2

Flora en Fauna onderzoek

Rhenen Keldermanspad

37

38

Rhenen Keldermanspad

BURO SRO T.a.v. dhr. R. Rutgers Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG Arnhem

Datum

29 augustus 2019

Kenmerk

BE/2019/515/r

Uw kenmerk

Email d.d. 12 augustus 2019

Auteur(s)

S. Schuuring

Collegiale toets

T.W.D. Schrader

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan het Keldermanspad ong. te Rhenen Aan het Keldermanspad ong. te Rhenen (kadastraal perceel F2014) zijn een grasveld ter grootte van 0,35 ha. en twee vervallen schuren gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de vervallen schuren op de planlocatie te saneren ten behoeve van de realisatie van een woning. Het vigerende bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkelingen en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Buro SRO begeleidt de ruimtelijke ontwikkeling en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna.

Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan het Keldermanspad ong. te Rhenen. De planlocatie bestaat uit een grasveld van ca. 0,35 ha. met een laag onderhoudsbeeld en twee vervallen schuren, opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en zadeldak met dakpannen. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een agrarische omgeving tegen de uiterwaarden van de Neder-Rijn, met weilanden en de dorpskern van Rhenen, met woningen, wegen, parkeerplaatsen en een kerk. De planlocatie ligt ca. 100 m ten noorden van de rivier de Neder-Rijn en ca. 3,9 km ten noorden van de snelweg A15.

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan het Keldermanspad ong. te Rhenen. De luchtfoto is verouderd, op het perceel ten westen van de planlocatie zijn reeds woningen gerealiseerd (bron: arcgis.com).

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ingrepen betreffen het saneren van de vervallen schuren ten behoeve van de realisatie van een woning. Tevens zal de bestemming ‘tuin’ van het plangebied worden gewijzigd naar de bestemming ‘wonen’ en ‘groen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •

saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straaten hoveniers)werkzaamheden.

Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).

2

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2019. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 5/8 bewolkt, 22 Celsius en windkracht 2-3 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe.

In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:

3

Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Dwergspitsmuis

Konijn

Wezel

Egel

Meerkikker

Woelrat

Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: dreps en korensla (NDFF, 2009-2019). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Dreps is een gras die groeit op zonnige, matig droge, lichtelijk kalkarme en matig voedselrijke grond. Het habitat betreft voornamelijk akkers, maar soms ook spoorbermen of braakliggende grond in ruderaal gebied. Ook korensla groeit voornamelijk op zonnige, kalkarme en matig voedselrijke grond zoals graan akkers en bermen ( FLORON verspreidingsatlas). De planlocatie voornamelijk begroeid door raaigras en braam. Beide vormen indicatoren voor een voedselrijke bodem.

Deze soorten groeien daarbij erg snel, waardoor dreps en korensla worden weg geconcurreerd door deze soorten. De aanwezigheid van dreps en korensla is derhalve uitgesloten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerdistel, akkerwinde, braam, druif, echte kruisdistel, gewone berenklauw, groot kaasjeskruid, grote brandnetel, haagwinde, klimop, raaigras, rolklaver. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. Het plangebied is een voedselrijke weide in de uiterwaarden van de rivier de Neder-Rijn. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn.

In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, steenmarter, vos, wezel, wild zwijn en woelrat (NDFF, 2009-2019). Voor de bever, boommarter, rode eekhoorn, steenmarter en wild zwijn geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

4

Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land: moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017). Binnen de planlocatie of aangrenzend daaraan is geen oppervlaktewater aanwezig. De rivier de Neder-Rijn, waar het voorkomen van bevers bekend is, ligt ca. 100 m ten zuiden van de planlocatie. De afstand tussen de rivier en de planlocatie is te groot voor bevers om over land af te leggen. Tevens liggen er tussen de planlocatie en de Neder-Rijn een dijk en twee wegen welke barrières vormen, en is het tussenliggende gebied open waardoor beschutting ontbreekt. Bovendien is er voor bevers nauwelijks voedsel aanwezig, waardoor zij geen reden hebben om het plangebied te betreden. De aanwezigheid van de bever binnen de planlocatie is derhalve uitgesloten. Bossen van allerlei typen en leeftijden zijn uitstekende leefgebieden voor boommarters. De rusten nestplaatsen zijn vaak aanwezig in boomholten, holen gemaakt door andere dieren of onder takkenbossen. De soort komt ook voor in stadsparken met voldoende (oude) bomen en vakantiehuizen of schuren in of aan de rand van natuurgebieden (Zoogdiervereniging boommarter, 2019). Binnen de planlocatie zijn slechts enkele kleine bomen aanwezig.

Deze vormen niet voldoende habitat, waardoor foerageergebied, migratieroutes of geschikte locaties voor vaste rust- en verblijfplaatsen ontbreken. Er zijn dan ook geen sporen (uitwerpselen, prooiresten, prenten) of verblijfplaatsen van marterachtigen aangetroffen binnen het plangebied. De aanwezigheid van de boommarter binnen de planlocatie is derhalve uitgesloten. Eekhoorns leven in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2019). Het stapelvoedsel bestaat uit zaden en noten. Eekhoorns bouwen op minstens 5 m hoogte slaapnesten in bomen, in de voortplantingsperiode bouwt het vrouwtje een groter kraamnest. Binnen de planlocatie zijn slechts enkele kleine bomen aanwezig. Deze vormen niet genoeg habitat voor de rode eekhoorn. Hierdoor ontbreekt het functioneel leefgebied van de rode eekhoorn. De aanwezigheid van de soort binnen het plangebied is derhalve uitgesloten. Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes (Zoogdiervereniging steenmarter, 2019).

In het bijzonder heeft de steenmarter een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. Daarbij is de aanwezigheid van elementen als groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen die kunnen dienen als foerageer- en jachtgebied van belang. De directe omgeving van de planlocatie heeft een open karakter, waardoor er weinig beschutting is voor de steenmarter. Verblijven en territoria van steenmarters gaan gepaard met sporen als prooiresten, uitwerpselen en geurmarkeringen. Deze zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Tevens geven de bewoners van aangrenzende woningen aan geen marters te hebben gezien of overlast hiervan te hebben ervaren. Het is derhalve zeer onwaarschijnlijk dat de planlocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de steenmarter. Tevens blijft een groot deel van de planlocatie onveranderd. Het is mogelijk dat een steenmarter sporadisch de planlocatie passeert, maar het maakt geen onderdeel van het functioneel leefgebied en deze wordt niet benadeeld door de beoogde ingrepen. Negatieve effecten op de steenmarter zijn derhalve uitgesloten. Het wild zwijn komt voor in droge en natte voedselrijke loofbossen en gemengde bossen. Hij heeft een duidelijke voorkeur voor eiken- en beukenbossen aangezien daar in de herfst veel eikels en beukennootjes (de zogenaamde ‘mast’) te vinden zijn.

Een voorwaarde die wilde zwijnen aan een bos stellen is de aanwezigheid van natte/moerassige plaatsen, waar ze in zogenaamde 'zoelen' (ondiepe poelen) modderbaden kunnen nemen (zoogdiervereniging). De planlocatie ligt niet in of aangrenzend aan een bos. Tevens is er voor het wild zwijn geen voedsel aanwezig binnen de planlocatie. De aanwezigheid van het wild zwijn is derhalve uitgesloten.

5

Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF, 2009-2019).

Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd. De vervallen schuren zijn nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. In de schuren zijn geen openingen aanwezig die leiden tot een beschutte ruimte. Wegens het ontbreken van muren met spouw is het voor vleermuizen onmogelijk om in de schuren een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.

Figuur 2

6

Binnenzijde van één van de vervallen schuren. Hier is duidelijk te zien dat er geen beschutte ruimtes zijn waar vleermuizen een geschikte verblijfplaats kunnen vinden.

De enkele solitaire bomen zijn geïnspecteerd op potentiële openingen als ingerotte holtes, spleten en andere openingen welke kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen. Dergelijke openingen zijn niet waargenomen. Negatieve effecten ten aanzien van boombewonende vleermuizen kunnen uitgesloten worden. Hoewel het is uitgesloten dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied. Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen worden deze niet aangetast. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting.

Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Binnen de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor aquatisch habitat ontbreekt. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieën: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF, 2009-2019). Voor de kamsalamander en rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De kamsalamander wordt waargenomen in bosrijk gebied met houtwallen of struweel. Veelal wordt het gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voorplantingswater. De samenhang van geschikte land-habitats en geschikte watersystemen is essentieel voor de geschiktheid van een gebied en de verspreiding van de soort.

Het voortplantingswater heeft een rijke watervegetatie, is licht voedselrijk, niet zuur, slechts beperkt beschaduwd en er mogen geen vissen of watervogels in voorkomen. In het rivierengebied wordt de kamsalamander regelmatig waargenomen in laag-dynamische stangen, kolken en kleiputten (Ravon kamsalamander, 2019). Binnen het plangebied of direct aangrenzend daaraan is aquatisch habitat van de kamsalamander afwezig. Doordat de kamsalamander niet ver van het voortplantingswater migreert, is de aanwezigheid van de soort binnen de planlocatie uitgesloten. De dichtstbijzijnde waarneming van de rugstreeppad is gedaan op een afstand van ca. 1,2 km en is afkomstig uit 2016. Tussen deze locatie en de planlocatie zijn geen barrières aanwezig. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009).

Momenteel wordt het voorkomen van rugstreeppad op de planlocatie niet verwacht wegens het ontbreken van functioneel leefgebied in de vorm van vergraafbaar zand, ondiepe poeltjes of geschikte overwinteringslocaties. Desalniettemin kan de rugstreeppad opduiken wanneer zandige terreinen ontstaan tijdens graaf- en bouwwerkzaamheden (bijlage 2). Derhalve wordt geadviseerd om maatregelen te treffen om kolonisatie door de rugstreeppad tijdens de werkzaamheden te voorkomen. In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de hazelworm en de ringslang (NDFF, 2009-2019). Beide soorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming en hiervoor geldt geen vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

7

Hazelwormen leven over het algemeen in open bossen, bosranden, heidegebieden, houtwallen en struwelen, steenachtige biotopen en tuinen (RAVON hazelworm, 2019). Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit regenwormen en naaktslakken. Hazelwormen zijn actief in de periode maart – oktober, waarna er overwinterd wordt in droge holten, al dan niet zelf gegraven, of spleten in rotsen (Creemers & Van Delft, 2009). Binnen het plangebied is geen bosgebied aanwezig. Er ontbreekt dan ook een strooisellaag waarin de hazelworm zich kan ophouden. Ook stenen, struwelen of vergelijkbare dekkende structuren ontbreken. De aanwezigheid van de hazelworm is derhalve uitgesloten. Ringslangen jagen langs het water en zonnen op open, rustige plekken. Op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben en opgeworpen broeihopen, worden eieren gelegd. De slang overwintert op droge plaatsen in holen, compost- en bladhopen, houtstapels, onder oude boomstammen en in dichte struiken. Ringslangen kunnen goed zwemmen en grote afstanden afleggen. Voor het broedbiotoop is het van belang dat er in geruime mate broeihopen van organisch materiaal aanwezig zijn (Ravon ringslang, 2019). Binnen het plangebied ontbreekt oppervlaktewater en daarmee jachtterritorium van de ringslang. Tevens ontbreken geschikte broedhopen.

Binnen de planlocatie zijn enkele muizenholen aanwezig, maar door het ontbreken van andere habitatselementen is het aannemelijk dat de ringslang hier geen structureel gebruik van maakt. Bovendien zal het merendeel van deze muizenholen behouden blijven in de beoogde ontwikkelingen. Negatieve effecten op de ringslang zijn derhalve uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen In het plangebied en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkelingen bevindt zich geen oppervlaktewater. Effecten op (beschermde) vissen zijn per definitie uitgesloten. Insecten, libellen en andere ongewervelden In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de sleedoornpage (NDFF, 2009-2019). De sleedoornpage wordt aangetroffen in houtwallen, bosranden en sleedoornstruweel. De waardplant is voornamelijk sleedoorn, maar ook andere Prunus-soorten worden bezocht. Binnen de planlocatie zijn houtwallen of struwelen van geen Prunus-soorten aanwezig.

Het is derhalve uitgesloten dat de planlocatie onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van de sleedoornpage. In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van de platte schijfhoren. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: boerenzwaluw, houtduif, kauw en kleine mantelmeeuw.

8

Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als sperwer, ransuil en buizerd kan uitgesloten worden. Tijdens het veldbezoek zijn op en rondom palen en andere hoge punten geen sporen van roofvogels of uilen (krijtsporen, prooiresten, braakbalen e.d.) aangetroffen die duiden op een vast jachtterritorium. Het is desondanks mogelijk dat de planlocatie sporadisch wordt benut door foeragerende uilen en/of roofvogels. De functionaliteit van het plangebied wordt hierin echter niet aangetast. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing, en bouwt zijn nesten onder dakpannen tegen het isolerende dakbeschot of in kieren in de muur. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten.

Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene planten, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De aanwezige schuren binnen het plangebied zijn vervallen en op vele plaatsen is het dak ingestort. Bovendien is er geen dakbeschot aanwezig, waardoor er voor huismussen hier geen geschikte nestlocaties aanwezig zijn. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ontwikkelingen leiden tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteren niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken. Een vereiste voor broedmogelijkheid is dat het hoger ligt dan 3 m. Gierzwaluwen kunnen namelijk niet op eigen kracht opstijgen en moeten zich voor het eerste deel van hun vlucht laten vallen om snelheid te vergaren (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is een koloniebroeder en is derhalve vaak te vinden in woonwijken waar broedgelegenheid is in meerdere gebouwen. In de bebouwing zijn geen openingen aangetroffen die leiden tot een geschikte nestlocatie van de gierzwaluw.

Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 15 m ligt het Natura 2000-gebied Rijntakken (figuur 2).

De planlocatie ligt op een afstand van circa 5 m ten noorden van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3).

9

Figuur 2

De planlocatie ligt op een afstand van 15 m tot het Natura 2000-gebied Rijntakken (bron: nationaal Georegister PDOK).

Figuur 3

De planlocatie ligt op een afstand van circa 5 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: nationaal Georegister PDOK).

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woning, welke mogelijk leidt tot een zeer beperkte verkeerstoename. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke en zeer beperkte toename in stikstofuitstoot (projecteffect). Over de langere termijn kan door de toevoeging van een woning mogelijk sprake zijn van een toename van stikstofdepositie in het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Vóór de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) werd beargumenteerd dat de afstand tot het Natura 2000-gebied dusdanig groot is, dat er geen effecten t.a.v. de stikstofdepositie zullen optreden. De Raad van State heeft echter beoordeeld dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo’n toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunning plichtig.

10

Uiterlijk in september 2019 komt er nieuwe versie uit van de AERIUS Calculator beschikbaar. De huidige versie werkt nog met een drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar, terwijl ook effecten tussen de 0 en 0,05 inzichtelijk gemaakt dienen te worden. Dit rekenmodel wordt in het najaar landelijk voorgeschreven als rekeninstrument voor de toestemmingverlening. Ook werken het Rijk en provincies samen aan een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen. Deze komen tegelijk met de voorgeschreven calculator beschikbaar. De herbeoordeling d.m.v. de herziene AERIUS Calculator moet daarom plaatsvinden voor alle nog niet onherroepelijke plannen of projecten waarvan uit een Aerius-berekening is gebleken dat de toename van de depositie: •

•

•

Onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar blijft. De in het PAS gehanteerde drempelwaarden zijn volgens de Afdeling niet goed onderbouwd en mogen daarom niet langer worden gebruikt (zolang de onderbouwing niet is verbeterd), óf: Binnen het PAS gemeld moest worden. Dit was het geval voor alle projecten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan of gelijk aan 1 mol/ha/jaar, zolang er althans nog voldoende depositieruimte beschikbaar was, óf: Groter is dan 1 mol/ha/jaar (en dus binnen het PAS vergunningplicht) maar waarvan de vergunning nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval wanneer tegen het besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld (bron:ww.tauw.nl).

Ondanks de uitspraak is het (beperkt) mogelijk om uw plannen/projecten op korte termijn door te laten gaan. Uit herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken: • •

•

Dat er ook zonder drempelwaarde géén toename van depositie wordt berekend, óf: Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12097688/1