CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1c bijlagen bij de toelichting

Raadsvergadering 20 december 2022, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Rhenen Keldermanspad19.636 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het dekzand is ook tegen de randen van de stuwwal afgezet, en in de (droog)dalen die deze doorsneden. In de omgeving van het plangebied wordt dit dekzand ook wel ‘gordeldekzand’. Het gordeldekzand valt onder de Formatie van Boxtel. De ruggen die zich door het dekzand vormden zijn bewoonbaar geweest vanaf de prehistorie (Vos en De Vries, 2015). Met het verbeteren van het klimaat aan het einde van het Weichselien, raakte het dekzand weer begroeid. In de daaropvolgende periode, het Holoceen (de huidige geologische periode), werd het dekzandreliëf als het ware ‘vastgelegd’ door de begroeiing. Tijdens het Holoceen waren net ten zuiden van het plangebied verder meanderende rivieren aanwezig (bijlage 5). Een van deze rivieren betreft de Nederrijn, die actief was vanaf circa 550 v.Chr.; de andere rivier is de Lek, die actief was vanaf ongeveer 75 n.Chr. (Cohen et al., 2012). Door de rivieren zijn in de omgeving van het plangebied bovenop het dekzand oever-, kom- en geulafzettingen afgezet (Stouthamer et al., 2015). De rivieren hebben ook het stuwwallenlandschap aangesneden, waardoor de randen van de stuwwallen (en daarmee eventueel aanwezige archeologische waarden) plaatselijk geërodeerd kunnen zijn. Geomorfologie en maaiveldhoogte Volgens de geomorfologische kaart van Maas et al., (2017) ligt het plangebied op een smeltwaterwaaier (kaartcode 5G11; bijlage 6).

Deze smeltwaterwaaier (sandr) is ontstaan tijdens het vroege- en midden-pleistoceen. Direct ten zuiden van het plangebied is in een recente periode een vlakte ontstaan door afgraving en/of egalisatie (kaartcode 2M93E). Ten westen van deze afgravingen liggen meanderruggen en -geulen (kaartcode 3L42D).Tenslotte is ten noorden van het plangebied een stuwwal aanwezig (kaartcode 14B11). Op het Actueel Hoogtebestand (AHN) lijkt het plangebied zelf qua maaiveldhoogte deel uit te maken van het holocene rivierengebied (bijlage 7). Het rivierdal is herkenbaar door haar lagere ligging. In het 10

rivierdal is de maaiveldhoogte namelijk 7 à 8 m +NAP, terwijl deze naar de stuwwal oploopt naar meer dan 43 m +NAP. Binnen het plangebied zelf varieert de maaiveldhoogte tussen ongeveer 7,5 tot 8,6 m +NAP (bijlage 8). In het noorden van het plangebied neemt de maaiveldhoogte abrupt af ten opzichte van het direct ten oosten ervan gelegen perceel. Het gaat hier om hoogteverschillen van circa 60 cm. Aangezien de hoogteverschillen abrupt en perceelsgebonden optreden, is hier mogelijk sprake van afgraving. Het kan ook zo zijn dat het zuidwestelijk deel van het plangebied opgehoogd is. Bodem en grondwater Op de bodemkaart is het plangebied gekarteerd als bebouwd gebied (bijlage 9). Uit de bodemeenheden die in de omgeving gekarteerd zijn kan echter informatie over de ondergrond van het plangebied afgeleid worden. In het rivierengebied in de omgeving van het plangebied zijn kalkhoudende ooivaaggronden aanwezig (kaartcode Rd90A). Op de stuwwal hebben zich grindhoudende holtpodzolgronden (kaartcode gY30VII) en hoge bruine enkeerdgronden gevormd in grof zand (gbEZ30-VII). Gezien het feit dat het plangebied lange tijd deel uit gemaakt heeft van de uiterwaarden van de Nederrijn (zie hoofdstuk 8) is de kans groot dat binnen het plangebied ooivaaggronden aanwezig zijn. Ooivaaggronden zijn kleigronden met weinig profielontwikkeling.

Ze zijn diep bruin gekleurd en goed gehomogeniseerd (de Bakker en Schelling, 1989). De grondwatertrap binnen het plangebied is niet gekarteerd. Hoger op de stuwwal is echter sprake van een hoge grondwatertrap (VIII): het grondwater is hier pas redelijk diep in de ondergrond aan te treffen. Nabij de Nederrijn is heerst een lagere grondwatertrap. Op welk niveau het grondwater hier precies voor komt is echter niet bekend (‘NULL’ in de bodemkaart). In de uiterwaarden fluctueert de grondwaterstand mee met de rivierstand; het is de verwachting dat dit binnen het plangebied ook het geval zal zijn. Bij een relatief lage grondwatertrap (dus hoge grondwaterstand) bestaat de kans dat onverbrande organische vondsten relatief goed bewaard zijn gebleven. Boven de gemiddeld laagste grondwaterstand treden namelijk schommelingen in grondwaterstand op, waardoor oxidatie van onverbrande organische vondsten (zoals hout, leer en bot) optreedt. Deze kunnen hierdoor degraderen. Anorganische vondsten zoals metaal, aardwerk en (vuur)steen degraderen niet onder invloed van grondwaterstandfluctuaties.

11

7. Archeologische waarden en onderzoeken Wettelijk beschermde monumenten

Nee

AMK-terreinen

Nee

Archeologische waarden

Ja, vermoedelijk stadsgracht in plangebied

Archeologische verwachting Op de gemeentelijke archeologische maatregelenkaart heeft het plangebied een onbekende archeologische verwachting (bijlage 4). Het plangebied ligt direct ten zuiden van de historische kern van Rhenen, een terrein van hoge archeologische waarde op de Archeologische MonumentenKaart (AMK; bijlage 10). Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Bekende waarden Binnen het plangebied zijn geen archeologische vondsten bekend en is heeft nog niet eerder archeologisch onderzoek plaatsgevonden. In de omgeving van het plangebied zijn wel vondsten bekend en onderzoeken uitgevoerd. Door het inventariseren van de onderzoeken en het karakteriseren en typeren van de vindplaatsen, wordt inzicht verkregen in de aard en de uiterlijke kenmerken van een mogelijke vindplaats in het plangebied. Omdat de typering van de vindplaats sterk afhankelijk is van de situering in het oude landschap, is op basis van de landschappelijke vormeenheden een onderscheid gemaakt. In bijlage 10 zijn de archeologische gegevens in de directe omgeving van het plangebied ruimtelijk-geografisch weergegeven. De omschrijvingen van onderzoeken en vindplaatsen in de directe omgeving, evenals (waar mogelijk) de typering en datering worden hieronder besproken: 

Ongeveer 2 m ten noorden van het plangebied is de historische kern van Rhenen aanwezig (AMK-terrein 12204; bijlage 10). De stadkern ligt op de zuidelijke flank van de stuwwal. Nadere details worden in Archis3 niet vermeldt. De ontstaansgeschiedenis van Rhenen komt echter in hoofdstuk 8 wel aan bod.

Ook direct ten noorden van het plangebied (toponiem: Keldermanspad 2) zijn meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd, namelijk een bureauonderzoek (onderzoeksmelding 2343551100; bijlage 10), een booronderzoek (onderzoeksmelding 2393537100) en een archeologische begeleiding (onderzoeksmelding 2461909100). Het onderzochte gebied bestond bij deze onderzoeken uit twee deelgebieden, namelijk aan het Keldermanspad 2 en de Rijnstraat 24. Van deze deelgebieden ligt het deelgebied Keldermanspad 2 direct naast het plangebied, waarmee deze het meest relevant is voor het archeologische verwachtingsmodel van het onderhavige plangebied. Op basis van het bureauonderzoek werd hier verwacht dat de stadsgracht van Rhenen aanwezig was onder een ophogingspakket (Nillesen en Kremer,2011 ). Tijdens het booronderzoek is een recent opgehoogd pakket van 0,7 à 1,35 m dik aangetroffen. Hieronder bevond zich in het noorden van het deelgebied een 18e of 19eeeuwse ophogingslaag. Rond 2,4 à 3 m –Mv (5,7 à 6,4 m +NAP) is bij de boringen in het noorden van het plangebied de venige grachtbodem aangetroffen. In één boring bevonden zich onderin de grachtvulling en in de top van de onderliggende laag veel fosfaatvlekken en enkele puntjes houtskool en roodleem. De diepte van de onderkant van de grachtvulling varieerde van 5 tot 6,5 m + NAP. De gracht was dus ongeveer tussen de 1,4 en 2,1 m diep.

Opvallend was dat de gracht in het midden minder diep was dan aan de randen. Mogelijk is de stadsgracht ooit vanaf de zijkanten verdiept. De noordelijke begrenzing van de gracht is niet aangetroffen waardoor niet bekend is hoe breed de gracht was, maar gezien de boringen 12

is dit in ieder geval meer dan 25 m (aan de Rijnstraat 24). De gracht is tussen de 17 e en 19e eeuw wel versmald. In de boringen in het zuiden van deelgebied Keldermanspad 2 zijn onder het recent opgebrachte pakket direct oever- op beddingafzettingen of alleen beddingafzettingen aangetroffen. De bodem is hier verstoord tot op ongeveer 6,6 à 7,35 m +NAP. Alleen ter plaatse van de gracht worden dus nog archeologische waarden verwacht, maar daarbuiten niet meer (Holl, 2013). 

Ter hoogte van het Keldermanspad 2 is ook een archeologische begeleiding uitgevoerd ten behoeve van een bodemsanering (Bouma, 2015; onderzoeksmelding 2461909100). Bij dit onderzoek werd geconcludeerd dat de bovenste 0,8 à 1,3 m van de bodem waren verstoord. De archeologische begeleiding toonde verder aan dat de saneringsput zich geheel in de voormalige stadsgracht bevond. Alleen in de zuidoostelijke hoek is rond 3,5 m –Mv (5,2 m + NAP) de natuurlijke ondergrond bereikt (beddingafzettingen). Op de grachtbodem bevond zich een uiterst siltige en zandige kleilaag met veel puin, baksteen- en mortelresten. Deze laag was minimaal 25 cm dik. Alle dempingslagen hierboven bevatten maar weinig materiaal. Het oudste vondstmateriaal (fragment aardewerk uit 1300-1500) dat onderin de stadsgracht is aangetroffen stamde uit de Late-Middeleeuwen. Het aantreffen van dit vondstmateriaal bevestigt dat de gracht in de Late-Middeleeuwen al aanwezig was. Verder zijn vondsten verzameld die als stadsafval kunnen worden aangemerkt (aardewerk, pijpaardwerk, glas, moderne kruiskopschroeven, bouwmateriaal). Vondstmateriaal dat betrekking heeft op visserij en waterbeheer is ook niet aangetroffen. Het deel van de stadgracht dat in de werkput is aangetroffen is tussen de late 16e eeuw en vroege 19e eeuw gedempt.

In de top van de grachtvulling of net hierboven is een donkere laag aangetroffen met daarin 17 e-18eeeuws materiaal dat mogelijk wijst op een voormalige bodem, die samenhangt met de op het Kadastrale Minuutplan weergegeven tuinen (Bouma, 2015; onderzoeksmelding 2461909100).

Ongeveer 10 m ten oosten van het plangebied is in het talud van de winterdijk een ijzeren bijl uit de Late-Middeleeuwen-B-Midden-Nieuwe Tijd is aangetroffen (vondstmelding 3244677100).

Circa 15 m ten noorden van het plangebied is een vondstmelding geplaatst (vondstmelding 3246264100). Deze is echter foutief hier geplaatst, aangezien het toponiem de Weverstraat 37 is, dat zich in de historische kern van Rhenen bevindt. Aan de Weverstraat 37 is bij de aanleg van de tuin een ijzeren bijl aangetroffen. Deze dateert uit de Late-Middeleeuwen BMidden-Nieuwe Tijd.

Ongeveer 90 m ten zuidwesten van het plangebied is bij een archeologische begeleiding (toponiem: Rijnstraat) een vuursteenkern aangetroffen die dateert uit de periode tussen het Laat-Paleolithicum en de Bronstijd (vondstmelding 3246694100). De vondst is aangetroffen bij de aanleg van een riolering op een diepte van 2 m –Mv. De laag waarin de vondst lag betrof een pakket rivierafzettingen dat was gevormd tussen de zomer- en winterdijk. In hetzelfde plangebied is een booronderzoek uitgevoerd (onderzoekmeldingsnummer 2302402100). Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem vergraven is tot op circa 75 cm –Mv. Ook onder de Veerweg (een dijk) zijn geen oude bodems en geen oude bewoningslagen aangetroffen. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis van het vooronderzoek is de hoge verwachting op nederzettingsresten uit de periode IJzertijd-Nieuwe Tijd bijgesteld naar laag. Voor de periode Laat-Paleolithicum-IJzertijd was de archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek al laag, vanwege de eroderende werking van de rivier (Hagens en Leuvering, 2010).

13

Ongeveer 200 m ten noordoosten van het plangebied ligt een beschermd terrein van zeer hoge archeologische waarde (AMK-terrein 1145). Het betreft een heuvel waarin zich vermoedelijk de overblijfselen bevinden van de Cunera-kapel en mogelijk ook het graf van H. Cunera. De kapel zou uit het begin van de 16e eeuw dateren. Tevens zijn fragmenten aardewerk uit de IJzertijd en Late-Middeleeuwen aangetroffen.

Circa 450 m ten westen van het plangebied, in de uiterwaarden, ligt een terrein met sporen van een veerhuis uit de 16e-17e eeuw (AMK-terrein 7181).

Ongeveer 340 m ten westen van het plangebied (toponiem: Koerheuvel/De Maassteeg) is een graf uit de IJzertijd-Romeinse Tijd aangetroffen (vondstmelding 2847080100). Ook is een bronzen lanspunt aangetroffen uit de Midden- tot Late-Bronstijd (vondstmelding 2847226100). Over dit gebied is verder een collectiebeschrijving in Archis3 geplaatst, waarvan niet exact bekend is waar deze vondsten allemaal zijn aangetroffen (vondsmelding 3111811100). De collectie bevat munten uit de Midden-Romeinse Tijd, een bronzen bord uit de Romeinse Tijd en aardewerk uit de Romeinse Tijd en Vroege-Middeleeuwen. Alle vondsten vallen op de geomorfologische kaart in een zone met meanderruggen en geulen.

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat in het noorden van het plangebied vermoedelijk de stadgracht van Rhenen aanwezig is. Deze gracht is minstens 25 m breed en 1,4 tot 2,1 m diep. De top van de grachtvulling ligt rond 5,7 à 6,4 m +NAP. De gracht is later opgevuld en versmald. De grachtbodem kenmerkt zich door een venige tot uiterst siltige en zandige kleilaag met veel puin, baksteen- en mortelresten. Deze laag is minimaal 25 cm dik. De dempingslagen hierboven bevatten maar weinig vondstmateriaal. Verder zijn in de omgeving van het plangebied vondsten bekend uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met Romeinse tijd, en Late-Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd. Van de vondsten zijn complextypen in het algeheel niet bekend. Wat opvalt is dat ook in de stroomgordel van de Lek nog vondsten aanwezig zijn. Dit toont aan dat ook in de rivierenzone nog oudere vondsten kunnen worden aangetroffen (en niet alleen op de hogere stuwwal). Vondsten zijn dus niet allemaal geërodeerd door de zich verplaatsende meanders van de rivieren.

14

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historisch gebruik

Gracht, stadsmuur en weiland

Huidig gebruik

Weiland en schuren

Bekende verstoringen

Stortplaats gemeente

Cultuurhistorische situatie Vanaf de 8e eeuw ontstond ter hoogte van het plangebied een agrarisch systeem van nederzettingen (flankdorpen) met bouwlandcomplexen en gemeenschappelijke gronden op de zuidflank van de Utrechtse heuvelrug. Het systeem concentreerde zich langs de Cuneraweg, die zich 150 m ten noorden van het plangebied bevindt. De Cuneraweg is een vroegmiddeleeuwse route tussen Utrecht en Rhenen en vormt de oudste weg in de provincie (Blijdenstijn, 2015). Het plangebied ligt hierbij direct ten zuiden van de historische kern van Rhenen. Dit was de enige stad tussen de kleine boerennederzettingen in de buurt. De eerste vermelding van Rhenen stamt uit 885. Vanaf het begin van de 13 eeuw kwam Rhenen direct aan de rivier te liggen en werd het een belangrijke handelsplaats. In deze eeuw kreeg Rhenen ook stadsrechten, wat als gevolg had dat een stadsmuur gebouwd mocht worden. Na 1346 werd de ovaalvormige ommuring met stadspoorten aangelegd. Rhenen werd hierna echter diverse malen verwoest en uiteindelijk ingenomen in 1499 door de graaf van Gelre. Door de belegering liep de handel terug. Alleen de verering van Cunera hield de stad als pelgrimsoord nog in stand. Wel begon de stadsmuur te vervallen (Brugman et al., 2010). De stadsgracht was aan de zuidzijde van de stad watervoerend maar aan de noordzijde van de stad niet meer (Bos et al., 2015).

Vermoedelijk is de gracht tussen de late 16e en vroege 19e eeuw gedempt (Bouma, 2015). 

Op de oudst geraadpleegde kaart, die van Jacob van Deventer uit 1560, is te zien dat het noorden van het plangebied in de stadsgracht ligt (figuur 2). Op basis van de informatie uit hoofdstuk 7 blijkt dat deze stadsgracht al in de Late-Middeleeuwen aanwezig was. Ook de stadsmuur lijkt binnen het noorden van het plangebied te vallen. Het zuiden van het plangebied was in de tijd dat de kaart werd vervaardigd in gebruik als weiland. Het plangebied lag toen in de uiterwaarden van de Lek.

Op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 is te zien dat de stadsgracht naar verloop van tijd veel smaller is geworden. Op deze kaart is de gracht namelijk nog maar ongeveer 10 m breed (figuur 3). De rest van het plangebied is aan het begin van de 19e eeuw in gebruik als tuin. Aan de zuidzijde van het plangebied is een dijk (de huidige Buitenomme) aanwezig, die het plangebied scheidt van de ‘natte en woeste gronden’ - oftewel de uiterwaarden.

Tussen 1925 en 1955 verschijnt op kaarten de eerste bebouwing binnen het plangebied (figuur 4 t/m 6). De tweede schuur in het plangebied is pas gekarteerd in de periode daarna, tussen 1955 en 1980 (figuur 7). De situatie blijft ongewijzigd tot op heden (figuur 8).

Volgens www.rijksmonumenten.nl zijn binnen het plangebied geen rijksmonumenten aanwezig. Ook zijn geen gemeentelijke monumenten binnen het plangebied aanwezig (www.rhenen.nl). Binnen het plangebied worden dus geen bovengrondse bouwhistorische waarden verwacht. Militair Erfgoed Volgens de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME; www.ikme.nl) maakt het plangebied deel uit van de Grebbenlinie. De Grebbenlinie diende in de meidagen van 1940 als voorfront voor de Vesting Holland. Na de Tweede Wereldoorlog werden de laatste delen van de Grebbenlinie opgeheven als 15

vestingwerk. Rhenen zelf werd tijdens de Tweede Wereldoorlog grotendeels verwoest en snel weer opgebouwd (Brugman et al., 2010). Op de luchtfoto’s van de RAF (Royal Air Force) is het plangebied niet gefotografeerd (https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf). Deze kunnen dus niet gebruikt worden om te kijken of bijvoorbeeld loopgraven of opstellingen voor geschut in het plangebied aanwezig waren. Huidig gebruik en bodemverstoringen In het plangebied zijn momenteel twee vervallen schuren aanwezig (totaal circa 245 m2). De rest van het plangebied is in gebruik als weiland. In welke mate nog archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem. Daarom worden hier bekende en verwachte bodemverstoringen besproken:  Met de bouw van de bestaande schuren is het bodemarchief plaatselijk aangetast. De initiatiefnemer heeft bij de aankoop van de grond bouwtekeningen opgevraagd bij de gemeente. De gemeente heeft toen ter tijd aangegeven dat voor de bouw van de aanwezige schuren geen bouwtekeningen zijn ingediend. Er zijn dus geen bouwtekeningen voorhanden die inzicht kunnen verschaffen in de funderingsdiepte van de bestaande schuren.  Volgens het BodemloketTM is het plangebied niet gesaneerd.

Volgens het milieukundige onderzoek is de puinhoudende, zandige bovengrond tot 1 m –Mv licht verontreinigd met zware metalen en PAK. Dit vormt geen aanleiding tot aanvullende maatregelen. Ook is er asbest aangetroffen, waarvoor wel een vervolgonderzoek is aanbevolen. Het is nog niet bekend of de ondergrond van het plangebied gesaneerd dient te worden (Houwelingen, 2019).  Op het AHN is te zien dat het noorden van het plangebied lager ligt dan het terrein direct ten oosten ervan. Het gaat om hoogteverschillen van 60 cm. Mogelijk is de bodem dus in het nooden van het plangebied plaatselijk afgegraven. Volgens de initiatiefnemer is in het noorden van het plangebied een opslagterrein/stortplaats van de gemeente aanwezig geweest. Mogelijk is de bodem afgegraven met het verwijderen van de stortplaats.

16

Figuur 2. Het plangebied (rood omlijnd) op de kaart van Jacob van Deventer uit 1560. Bron: https://hetutrechtsarchief.nl/.

Figuur 3. Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832. Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl.

17

Figuur 4. Het plangebied (rood omlijnd) op een historische kaart uit 1900. Bron: www.topotijdreis.nl.

Figuur 5. Het plangebied (rood omlijnd) op een historische kaart uit 1925. Bron: www.topotijdreis.nl.

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12097688/1