Bijlage 1 Wijzigingsbesluit Omgevingsplan Franseweg 44-46 Elst
Tekst van het document
Deze diversiteit en de bouw van vele aan- en uitbouwen aan de voorkanten en zijkanten geven de linten een gedifferentieerd en bescheiden karakter. Grootschalige ontwikkelingen ten aanzien van dit deelgebied zijn niet te verwachten. Het beleid van de gemeente is gericht op het toestaan van normale ontwikkelingen. Dit betekent dat er beperkte ruimte geboden moet worden voor verandering en uitbreiding van bestaande functies. Een probleem hierbij is dat de huidige situatie in detail vaak zeer grillig is, zodat ook kleine veranderingen tot minder gewenste situaties kunnen leiden.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
30
Er wordt gestreefd naar ruime bouwstroken waarbij gevarieerde mogelijkheden voor vernieuwing en uitbreiding van de bestaande bebouwing bestaan, en zelfs mogelijkheden voor invulling van gaten waar dat in ruimtelijk opzicht geen bezwaren oplevert. Dit houdt ook in dat op sommige plaatsen een grillige plaatsing op de kavel toegestaan is, enerzijds om een eigen karakter van de situatie te kunnen behouden, anderzijds om te verhinderen dat nieuwe bebouwing op storende wijze het uitzicht vanuit of de toegankelijkheid van de omringende woningen beïnvloedt. Welstandscriteria Algemeen •
De bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande ste-denbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen.
Plaatsing •
De hoofdgevel of representatieve zijde is op de belangrijkste openbare ruimte gericht. Hiermee wordt de straat of een openbare groene ruimte bedoeld.
Massa en vorm • • • •
De hoofdvorm past binnen de oorspronkelijke parcellering; De gevelopbouw is samenhangend en evenwichtig; Nieuwe invullingen kunnen modern zijn, mits in samenhang met omliggende kwaliteiten; Aan- en uitbouwen, alsmede bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa.
Detaillering, kleur- en materiaalgebruik • • •
Bestaande ornamentiek en (versierende) detailleringen worde bij (ver)bouw gerespecteerd; Er wordt gebruik gemaakt van ingetogen kleuren. Hiermee worden tinten bedoeld als bruin, donkerrood, groen, e.d.; Er wordt gebruik gemaakt van natuurlijke materialen zoals baksteen, hout en pleisterwerk.
Het initiatief voorziet in de realisatie van een woonerf op het achterterrein aan de Franseweg 44-46. Het straatbeeld wordt met de invulling van dit achtererf niet verstoord. De bestaande boerderijwoning aan de Franseweg wordt gesloopt en herbouwd ter plekke van de huidige toerit tot het achtererf. De plaatsing, massa en vorm blijven gelijk aan de huidige situatie; hiermee wordt recht gedaan aan het feit dat het bestaande straatbeeld het uitgangspunt vormt voor nieuwe ontwikkelingen. Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een beeldkwaliteitsplan opgesteld voor de uitstraling en vormgeving van de toekomstige woningen. Dit beeldkwaliteitsplan is in samenhang met het stedenbouwkundig ontwerp besproken met Welstand en akkoord bevonden. 4.6.6.1 Conclusie Het planvoornemen is in eerste instantie niet in strijd met de Welstandsnota.
4.7 Conclusie relevant ruimtelijk beleid De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met ruimtelijke belangen van de verschillende overheden en past binnen het relevante ruimtelijke beleid.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
31
5. Fysieke leefomgeving 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal aspecten zijn nadere onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze ruimtelijke motivering toegevoegd.
5.2 Bodem en asbest 5.2.1 Beoordelingskader Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. 5.2.2 Verkennend bodem- en asbestonderzoek Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling aan de Franseweg 44-46 te Elst heeft BOOT bv een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 en NEN 5707 uitgevoerd ter plekke van het plangebied. De uitkomsten van dit onderzoek zijn in deze paragraaf beschreven. De volledige rapportage is als bijlage 2 bij de toelichting opgenomen. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: •
• • • •
In de bovengrond met bijmengingen zijn licht verhoogde concentraties (zware metalen, PAKtotaal en PCB) en plaatselijk matig verhoogde concentraties lood en zink aanwezig. In de zintuiglijk schone ondergrond zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. In de ondergrond met bijmengingen zijn licht verhoogde concentraties (zware metalen en PAKtotaal) aangetoond. Omdat de tussenwaarden worden overschreden is er aanleiding voor uitvoering van nader onderzoek; Op het maaiveld van de gehele onderzoekslocatie is visueel geen asbest aangetroffen. In de bodem is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen. Ter plaatse van de drupzone is in de bodem analytisch asbest aangetroffen. Vervolgonderzoek met SEM-analyse is nog noodzakelijk, omdat in de fijne fractie asbest respirabele vezels zijn aangetoond, maar de hoeveelheid nog niet is bepaald; De aangetoonde concentraties in de bodem vormen in milieuhygiënische zin geen belemmering voor het huidig of toekomstig gebruik (wonen). De plaatselijk aangetroffen matig verhoogde concentraties met zink en met name lood kunnen bij een gevoeliger gebruik (wonen met tuin/moestuin/kinderspeelplaatsen) voor het betreffende bevoegde gezag aanleiding geven voor aanvullende maatregelen.
Aanbevelingen •
De grondmonsters zijn ter indicatie getoetst aan Besluit bodemkwaliteit. Hieruit blijkt dat één mengmonster en separaat monster worden ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse industrie. Geadviseerd wordt hier rekening mee te houden bij de uitvoering van grondwerkzaamheden en het eventueel herschikken van grond en/of de afvoer van grond naar elders;
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
32
•
Indien het niet mogelijk is om bij de ontwikkeling van de onderzoekslocatie met een gesloten grondbalans te werken, dient grond van de locatie afgevoerd te worden. Mogelijk kan in overleg met de gemeente een toepassing worden gezocht in het kader van actief bodembeheer (bodembeheerplan en bodemkwaliteitskaart). Zonodig dient eerst een partijkeuring AP04 uitgevoerd te worden.
Het verkennend bodemonderzoek is beoordeeld door de Omgevingsdienst regio Utrecht. Hieruit volgt dat nader onderzoek nog noodzakelijk is. Omdat het plangebied in de huidige situatie nog grotendeels bebouwd (bewoond en in gebruik) is en derhalve onderzoek onder de bebouwing nog niet mogelijk is, zal dit onderzoek uitgevoerd worden in het kader van de omgevingsvergunning voor de bouw van de beoogde woningen. In de huidige situatie is het plangebied tevens reeds bestemd als ‘Wonen’ waarmee ten behoeve van de bestemmingswijziging geen noodzaak is voor het uitvoeren van bodemonderzoek. In het kader van de omgevingsvergunning voor bouwen dient zekerheid te zijn over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en de noodzaak van eventuele sanering. Naar aanleiding van de beoordeling door de Omgevingsdienst regio Utrecht is bekeken of de dakgoten van de garageboxen aan de zijde van de Driftweg zijn aangesloten op het riool. Uit locatiebezoek is gebleken dat dit het geval is en het regenwater via een regenpijp op het riool is aangesloten. Hiermee vindt er geen uitspoeling van asbesthoudende toepassingen in de bodem van percelen van derden. Alle hiervoor benodigde ingrepen (o.a. eventuele benodigde sanering of afvoeren van grond) zullen in dit kader dus eveneens uitgevoerd moeten worden.
In de stichtingskostenberekening voor de planontwikkeling is rekening gehouden met een worst case scenario voor de benodigde sanering. De kosten die mogelijkerwijs voortkomen uit de benodigde saneringen hebben derhalve geen negatief effect op de financiële haalbaarheid van het plan. 5.2.2.1 Conclusie verkennend bodem- en asbestonderzoek Het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek maakt onderdeel uit van de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen. 5.2.3 Asbestinventarisatie De bestaande boerderijwoning en garageboxen op het achtererf zullen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling gesloopt worden. Zowel de boerderijwoning als de garageboxen dateren qua bouwjaar van vóór 1990. Daarmee zijn deze gebouwen formeel asbestverdacht. In het kader van de sloopmelding zal een asbestinventarisatie moeten worden uitgevoerd om vast te stellen of er asbesthoudende toepassingen aanwezig zijn in de betreffende gebouwen. 5.2.3.1 Conclusie asbestinventarisatie Nader onderzoek en asbestsanering worden uitgevoerd in het kader van de sloopmelding. De kosten voor het onderzoek en eventueel verwijderen van asbesthoudende bronnen is in de kostenraming voor de herontwikkeling van het terrein opgenomen en vormt geen financieel risico voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Derhalve vormt het aspect ‘asbest’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.2.4 Conclusie Met inachtneming van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘bodem en asbest’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.3 Verkeer en parkeren In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie te bepalen, wordt doorgaans de CROW-publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
33
gehanteerd. Voor deze locatie is het gemiddelde kencijfer voor ‘Rest bebouwde kom’ en ‘weinig stedelijk’ van toepassing. 5.3.1 Verkeer Het plangebied wordt aan de zuidzijde ontsloten via de Franseweg, welke in westelijke en oostelijke richting een centrale ontsluitingsweg vormt voor de kern Elst. In oostelijke richting sluit de Franseweg aan op de N416 richting Veenendaal. In oostelijke richting sluit de Franseweg aan op de Schoolweg richting het centrum van Elst en verderop de Bosweg. Als gevolg van de beoogde woningbouw binnen het plangebied zal er sprake zijn van een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Het gebruik in de bestaande situatie (bestaande boerderijwoning met 4 wooneenheden, garageboxen op het achterterrein) en de nieuwe situatie (15 woningen) kennen een verschil in verkeersaantrekkende werking. Om tot een goede inschatting van de verandering in verkeersgeneratie te komen dient de toekomstige situatie te worden afgezet tegen de verkeersgeneratie in de bestaande situatie. Deze berekening is gemaakt op basis van kengetallen uit de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Onderstaande tabellen geven de verkeersaantrekkende werking in de huidige en toekomstige situatie weer.
Bij het bepalen van de verkeersaantrekkende werking van de garageboxen op het achterterrein is uitgegaan van gebruik ten behoeve van parkeren of opslag, vergelijkbaar voor een garage aan huis. Garages (aan huis dan wel separaat) worden in het kader van parkeren beschouwd als 0,4 parkeerplekken. Een middelgrote woning levert per dag 7,6 verkeersbewegingen op met een parkeernorm van 1,6. Voor een separate garagebox, tellend als 25% van de parkeerbehoefte van een middelgrote woning, zou dit een ver-keersaantrekkende werking van (7,6 / 4) 1,9 verkeersbewegingen per dag genereren. In onderstaande tabel is deze inschatting als uitgangspunt voor de verkeersaantrekkende werking van de garageboxen aangehouden. Verkeersgeneratie huidig gebruik (uitgaande van volledig gebruik) Woningtype
Verkeersaantrekkende Aantal werking (per woning/functie, per dag)
Totaal verkeersaantrekkende werking
Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)
4,1
4
16,4
Garageboxen
1,9
17
32,3
TOTAAL
48,7
Verkeersgeneratie toekomstig gebruik Functie
Verkeersaantrekkende Aantal werking (per woning, per dag)
Totaal verkeersaantrekkende werking
Koop, huis, tussen/hoek 7,4
10
74
Koop, appartement, midden
5
30
6,0
TOTAAL
104
Op basis van bovengenoemde woningtypen, aantallen en omgevingstype (weinig stedelijk, rest bebouwde kom) worden in totaal maximaal 104 verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd op een gemiddelde weekdag met de voorgenomen ontwikkeling. Met volledig gebruik van de huidige functies genereert het plangebied een verkeersaantrekkende werking van circa 48,7
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
34
verkeersbewegingen per etmaal. Hiermee komt de toename neer op circa 55,3 extra verkeersbewegingen per etmaal ten opzichte van volledig gebruik in de huidige situatie. Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten middels een enkele aansluiting op de Franseweg. Via deze centrale as door de kern Elst is in westelijke richting het centrum van het dorp en de Bosweg te bereiken. In oostelijke richting sluit de Franseweg aan op de N416 richting Veenendaal (noordelijke richting) en de N225 tussen Amerongen en Rhenen (in zuidelijke richting). Met name in oostelijke richting zal derhalve ontsluiting richting kernen in de lokale en regionale omgeving plaatsvinden. In lijn hiermee wordt aangenomen dat het verkeer zich niet gelijkmatig over beide richtingen zal verdelen, maar in grotere mate in oostelijke richting zal rijden. Hiertoe is uitgegaan van een verhouding van 30% in westelijke en 70% in oostelijke richting. De netto toename aan verkeersbewegingen per richting over de Franseweg bedraagt in dat geval 16,6 verkeersbewegingen per dag extra in westelijke richting en 38,7 verkeersbewegingen per dag extra in oostelijke richting. Gezien de diversiteit aan richtingen waarin het verkeer zich zal verdelen en de relatief beperkte toename van verkeer ten gevolge van onderhavig plan wordt geconcludeerd dat de omliggende infrastructuur geen hinder zal ondervinden ten gevolge van de ontwikkeling.
Vanuit verkeerskundige aspecten bestaan er dan ook geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling van deze locatie. 5.3.1.1 Conclusie verkeer Het aspect ‘verkeer’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.3.2 Parkeren Ten behoeve van borging van parkeernormen in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen heeft de gemeente Rhenen op 6 maart 2018 het ‘Paraplubestemmingsplan Parkeren’ vastgesteld. Hierin is vastgelegd dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of veranderen van de functie van een bouwperceel vast dient te staan dat er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid ter plekke. Voor bestemmingsplannen betekent het dat aangetoond dient te worden dat, ten behoeve van de te realiseren functies/bestemmingen, kan worden voorzien in de benodigde parkeergelegenheid. Op 30 maart 2023 heeft de gemeente Rhenen de nieuwe Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds vastgesteld. Vanaf genoemde datum zijn deze parkeernormen geldend en tevens voor dit bestemmingsplan van toepassing. Voor de Beleidsnota parkeernormen zijn kengetallen uit de CROW-publicaties gebruikt en gebaseerd op de lokale situatie in de gemeente Rhenen. Onderstaand is de parkeerbehoefte conform de gemiddelde gemeentelijke normen opgenomen voor het plan.
Gezien de gebruiksoppervlaktes van de grondgebonden woningen (90 m2) en appartementen (60-70 m2) is het woningtype ‘goedkoop’ aangehouden in de berekening van de parkeerbehoefte. Parkeerbehoefte Woningtype
Parkeernorm (per woning)
Aantal
Totaal parkeerbehoefte
Woning goedkoop
1,55
15
7,75
TOTAAL
23,25
Het parkeren ten behoeve van de woningen is verdeeld in zowel openbaar parkeren als op eigen terrein (bij de grondgebonden woningen). Op onderstaande afbeelding is het aantal parkeerplekken weergegeven. In totaal worden er 24 parkeerplekken gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte zoals in bovenstaande tabel omschreven.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
35
Beoogde parkeerkoffers en parkeren op eigen terrein, rood omkaderd (bron: Van Verseveld & partners) 5.3.2.1 Conclusie parkeren Met de realisatie van de beoogde parkeerkoffers en parkeerplekken op eigen terrein kan worden voorzien in voldoende parkeerruimte conform de gemeentelijke parkeernormen. Het plan kan en zal daarmee voorzien in voldoende parkeergelegenheid binnen het plangebied. 5.3.3 Conclusie Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.4 Activiteiten en milieuzonering 5.4.1 Beoordelingskader Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)’, zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen. 5.4.2 Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 15 woningen. De beoogde woningen betreffen gevoelige functies in het kader van activiteiten en milieuzonering. Hiertoe dient rekening te worden gehouden met de afstand tot bestaande bedrijven en inrichtingen in de omgeving.
5.4.3 Toetsing Met de beoogde toevoeging van woningen binnen het plangebied aan de Franseweg worden gevoelige objecten toegevoegd aan de omgeving. Daarom moet in de omgeving worden nagegaan
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
36
of er mogelijk bedrijven of inrichtingen aanwezig zijn die invloed hebben op de ontwikkelingen. Onderstaande tabel geeft de bedrijven in de omgeving weer, inclusief richtafstanden voor de verschillende relevante milieuaspecten.
Voordat bepaald kan worden of de beoogde woningen binnen de richtafstanden van bedrijven of inrichtingen in de omgeving zijn gelegen, dient bepaald te worden tot welk gebiedstype het plangebied behoort. In de VNG-publicatie ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ zijn nog steeds twee omgevingstyperingen opgenomen voor de omgevingskwaliteit: •
•
‘Rustige woonwijk en rustig buitengebied’: ‘Een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.’ ‘Gemengd gebied’: ‘Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.’
De omgeving van het plangebied kan, gezien de aanwezigheid van overwegend activiteiten gerelateerd aan wonen, gekarakteriseerd worden als ‘rustige woonwijk’. Hiertoe zijn de in de VNGpublicatie genoemde richtafstanden van toepassing. Niettemin zijn er geen bedrijven en/of inrichtingen in de omgeving die mogelijk voor hinder zullen zorgen daar het plangebied op voldoende grote afstand van deze functies is gelegen. 5.4.4 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.5 Geluid 5.5.1 Beoordelingskader Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2.1 lid 4, Omgevingswet).
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
37
De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s van het Bkl. Het vaststellen van het omgevingsplan die deze toelaten, moet aan twee eisen voldoen: • •
houd rekening met geluid; voorzie in aanvaardbaar geluid.
5.5.2 Toetsing wegverkeerslawaai Met de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling worden er geluidgevoelige gebouwen aan de omgeving toegevoegd. Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. In de omgeving van het plangebied zijn geen provinciale- of rijkswegen gesitueerd. Ook komen er geen 50 km/u-gezoneerde gemeentewegen voor. De Franseweg betreft een 30 km/u-gezoneerde weg met klinker-verharding. Daarnaast dienen in het kader van wegverkeerslawaai in een onderzoek alle wegen betrokken te worden die een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 verkeersbewegingen per etmaal kennen. Om te bepalen wat het effect is van wegverkeerslawaai op de gevels van de beoogde geluidgevoelige gebouwen, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De uitkomsten hiervan zijn hieronder weergegeven. Het volledige rapport is als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen. Uit het uitgevoerde onderzoek volgt dat de geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen ten hoogste 53 Lden bedraagt en daarmee voldoet aan de standaardwaarde. Er gelden derhalve vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
5.5.2.1 Conclusie wegverkeerslawaai Het aspect 'wegverkeerslawaai' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.5.3 Toetsing industrielawaai Zoals vastgesteld in paragraaf 5.4.3 zijn er in de omgeving van het plangebied geen bedrijven of inrichtingen gesitueerd die mogelijk voor geluidhinder ter plekke van de beoogde woningen aan de Franseweg 44-46 kunnen zorgen. Derhalve is onderzoek naar effect van industrielawaai op de beoogde woningen niet noodzakelijk. Omgekeerd hebben de beoogde woningen geen effect op omliggende gevoelige functies. 5.5.3.1 Conclusie industrielawaai Het aspect ‘industrielawaai’ vormt geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.5.4 Conclusie Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.6 Agrarische geurhinder 5.6.1 Beoordelingskader De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: • •
Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
38
De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Voor geur afkomstig van onder andere het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren gelden vanuit het omgevingsplan geurregels. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden conform artikel 22.98 van het omgevingsplan waarden gegeven waaraan voldaan dient te worden bij een geurgevoelig object. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor kan gebruik gemaakt worden van de richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Milieuzonering Nieuwe Stijl’. Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Tuinen vallen dus niet onder de noemer geurgevoelige objecten. De beoogde woningen binnen het plangebied dienen aangemerkt te worden als geurgevoelige objecten in het kader van de beoordeling van omliggende agrarische inrichtingen. 5.6.2 Toetsing agrarische geurhinder Aan de Engweg 18 ten noorden van het plangebied is planologisch een intensieve veehouderij toegestaan. Op deze locatie worden echter in de huidige situatie geen dieren gehouden.
Gezien de afstand tot het plangebied, circa 270 meter, zal deze locatie geen hinder veroorzaken voor de beoogde woningen aan de Franseweg 44-46. Omgekeerd vormen de woningen geen belemmering voor deze potentiële locatie voor een veehouderij; er zijn immers bestaande woningen gesitueerd tussen het plangebied en de locatie aan de Engweg 18 die de bedrijfsactiviteiten ter plekke beperken. Verder zijn er geen veehouderijen in de omgeving van het plangebied gesitueerd. 5.6.3 Conclusie Het aspect ‘agrarische geurhinder’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7 Luchtkwaliteit 5.7.1 Beoordelingskader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1. Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. 2. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
39
In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.7.2 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 15 woningen. Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën van gevallen die vallen onder NIBM zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl. De voorgenomen ontwikkeling draagt om deze reden niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit blijkt eveneens uit de berekening op basis van de NIBM-tool (zie onderstaande afbeelding). Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek is niet noodzakelijk. Tevens is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd om de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied vast te stellen. Hieruit blijkt dat ten aanzien van NO2, PM10, PM2,5 en EC geen grenswaarden worden overschreden in de omgeving van het plangebied. Derhalve kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied aan de Franseweg. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Berekening luchtkwaliteit op basis van NIBM-tool
5.8 Gezonde fysieke leefomgeving 5.8.1 Beoordelingskader De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
40
In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan. 5.8.2 Toetsing gezonde fysieke leefomgeving Met het voorgenomen plan worden de bestaande panden binnen het plangebied van dit wijzigingsbesluit gesloopt. Het betreffen een oude boerderij en twee rijen garageboxen. De garageboxen zijn voorzien van daken bestaande uit golfplaten. Uit asbestinventarisatie in het kader van de omgevingsvergunning activiteit bouwen dient vastgesteld te worden of er inderdaad sprake is van asbesthoudende toepassingen. Indien dit het geval is, zal sanering plaatsvinden. Het verwijderen van asbesthoudend materiaal draagt bij aan een gezondere fysieke leefomgeving. Voor het plan is onder meer een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Hierin is aangegeven waar er rond de woningen ruimte komt voor groen en recreatie. Ten opzichte van de huidige situatie zal er meer kwalitatief groen binnen het plangebied worden toegepast.
Daarnaast wordt er ruimte vrijgemaakt voor het realiseren van een kleine hoogstamboomgaard met speelruimte voor kinderen. Deze functies dragen bij aan meervoudig gebruik van de openbare ruimte; naast wonen en parkeren is er ook ruimte voor spelen en recreëren. Tot slot is in voorgaande paragrafen onderzocht welke effecten het planvoornemen ondervindt van aspecten met betrekking tot een gezonde leefomgeving, zoals geluid, geur en luchtkwaliteit. Uit de afweging voor deze aspecten blijkt dat geen van deze thema’s zorgt voor een verslechtering van de fysieke leefomgeving. 5.8.3 Conclusie Het aspect ‘gezonde fysieke leefomgeving’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.9 Watertoets Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten van Rijk, provincies en gemeenten. Ruimtelijke plannen moeten voorzien zijn van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Het waterschap kijkt of in een plan voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. 5.9.1 Beleid 5.9.1.1 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Het beleid van het Hoogheemraadschap is vastgelegd in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (‘Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam’). Het WBP beschrijft de ambities en inzet om de waterdoelen voor dit gebied te bereiken. Het is een wettelijk verplicht document dat elke zes jaar gemaakt wordt. Hierbij wordt rekening gehouden met Europese en landelijke richtlijnen en plannen, en visies van andere overheden. Het WBP is opgedeeld in een aantal relevante thema’s: • • •
Zuiver afvalwater; Energieneutraal en circulair; Waterveilige leef- en werkomgeving; Robuust en gezond watersysteem in een klimaatbestendig gebied;
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
41
•
Waterbewust leven en genieten van water.
Het Hoogheemraadschap hanteert daarnaast beleidsregels op grond van de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018. Bij versnelde afvoer en lozing van extra aangelegd verhard oppervlak wordt het stand-still beginsel gehanteerd. Dit wil zeggen dat er ten gevolge van de aanleg geen extra peilstijging mag optreden. In de Uitvoeringsregels bij de Keur is een stroomschema opgenomen, waarmee wordt bepaald of er extra verhard oppervlak, waarvan versnelde afvoer en lozing naar oppervlaktewater plaatsvindt, gecompenseerd moet worden door extra oppervlaktewater te graven. Er wordt een ondergrens gesteld aan de compensatieplicht. Deze grens is voor stedelijk gebied 500 m2 en voor landelijk gebied 5.000 m2. Deze grens is gesteld zodat niet iedere uitbreiding van verhard oppervlak direct tot een compensatieplicht leidt. In landelijk gebied zijn de gevolgen van uitbreiding van verhard oppervlak minder groot dan in stedelijk gebied. Daarnaast leidt wateroverlast in stedelijk gebied gemiddeld tot meer overlast dan in het landelijk gebied. Toename aan verhard oppervlak dient volledig te worden gecompenseerd: dit wil zeggen dat er in stedelijk gebied een oppervlak van 15% van de toename van verhard oppervlak aan nieuw oppervlaktewater wordt gegraven en in landelijk gebied 10%.
5.9.1.2 Waterbeleid gemeente Rhenen De gemeente Rhenen heeft haar waterbeleid vastgelegd in een verbreed gemeentelijk rioleringsplan plus (2015-2019). In het vGRP+ is ook het waterplan “een berg mooi water” van de gemeente Rhenen geëvalueerd en opgenomen. In het vGRP+ streeft de gemeente naar: • • •
Bescherming van de volksgezondheid; Een goede leef- en werkomgeving; Bescherming van het milieu.
Dit doet de gemeente door te voldoen aan haar wettelijke zorgplichten ten aanzien van het opvangen en afvoeren van afvalwater, het opvangen en bergen van afvloeiend hemelwater en het nemen van maatregelen indien sprake is van wateroverlast. 5.9.2 Watertoets In het kader van onderhavig planvoornemen is de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de ingevoerde gegevens wordt geconcludeerd dat de korte procedure doorlopen dient te worden. Er kan worden volstaan met een standaard wateradvies van het waterschap, welke in onderstaande paragraaf is opgenomen. De watertoets is als bijlage 4 bij de toelichting opgenomen. Advies waterschap Advies afvoer hemelwater In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Afvalwater kan worden afgevoerd naar vuilwaterriool/DWAriool. Toename oppervlakteverharding In de toekomstige situatie is sprake van een zekere mate van toename aan verhard oppervlak binnen het plangebied.
In de huidige situatie is de locatie van de boerderijwoning, de toerit tot het achtererf en een deel van het achtererf (de garageboxen en het tussenliggend terrein) reeds verhard. In de toekomstige situatie blijft de verharding op het voorste deel van het plangebied grotendeels gelijk, zij het dat de boerderijwoning en toerit van locatie wisselen. Op het achtererf is sprake van toename aan verharding vanwege de realisatie van de grondgebonden woningen, het gezamenlijk erf, de inrit vanaf de Franseweg en de erfverhardingen bij de woningen. In onderstaande tabellen is het verhard oppervlak in de huidige en toekomstige situatie tegen elkaar afgezet.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
42
Tabel 5.1: verhard oppervlak huidige situatie Onderdeel
Opp. in m2
% verhard
Verhard opp. in m2
Bebouwing
624
100
624
Erfverharding
580
100
580
Totaal verharding
1.204
Tabel 5.2: verhard oppervlak toekomstige situatie Onderdeel
Opp. in m2
% verhard
Verhard opp. in m2
Bebouwing (hoofdgebouwen*)
464
100
464
Tuin
562
50
281
Erf- en toegangsweg
583
100
583
Parkeerkoffers (halfverhard)
214
50
107
Totaal verharding 1.435 *De bergingen bij de hoofdgebouwen worden voorzien van sedumdaken, hebben derhalve een waterbergende functie en zijn om die reden niet meegenomen in het bepalen van het toekomstig verhard oppervlak. In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak toe met 231 m2. Deze toename aan verhard oppervlak leidt tot een bergingsopgave binnen het plangebied van 231 * 15% = 34,65 m2. Centraal in het woonhofje zijn twee wadi’s beoogd met allebei een oppervlakte van circa 34 m2 (totaal 68 m2). Op basis van de eisen uit het gemeentelijk beleid ten aanzien van waterberging dient 60 mm water vastgehouden te worden. Met de beoogde wadi’s kan worden voorzien in de benodigde waterberging.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
43
Locatie wadi's aangegeven op schetsontwerp (bron: Ontwerpbureau Luijendijk) Afvoer hemelwater Het hemelwater dat neerslaat op oppervlakteverhardingen en bebouwing binnen het plangebied wordt ofwel oppervlakkig afgevoerd naar de daarvoor bedoelde waterbergingen ofwel geïnfiltreerd op eigen terrein. Op eigen terrein is er ruimte in de tuinen en op de daken van de bergingen (uitgevoerd als sedumdaken) om water te bergen en te infiltreren. Afvoer afvalwater Het afvalwater afkomstig van de beoogde woningen wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel onder de Franseweg. 5.9.3 Conclusie Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.10 Flora en fauna 5.10.1 Beoordelingskader De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
44
Flora- en fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: ‘Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:
• •
Er soorten aanwezig zijn; Welke soorten dat zijn.
Gebiedsbescherming Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Neder-land voor ruim 160 gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze ma-ken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruit-gang van de biodiversiteit. Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.
Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee;
5.10.2 Onderzoek flora & fauna Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Gras Advies een quickscan flora & fauna uitgevoerd ter plekke van het plangebied. De uitkomsten van deze quickscan zijn in deze paragraaf opgenomen. De volledige rapportage is als bijlage 5 bij de toelichting opgenomen. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen zijn als volgt: 1. De aanwezigheid van beschermde soorten kan niet worden uitgesloten. Dit betreft de aanwezigheid van vleermuizen, huismus, gierzwaluw, steenmarter en rugstreeppad. Vervolgonderzoek is nodig om de aan- of afwezigheid van deze soorten vast te stellen. 2. Het plangebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bosschages in het plangebied als broedlocatie gebruiken.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
45
Een nader onderzoek is niet noodzakelijk, onder voorwaarde dat er buiten het broedseizoen om wordt gewerkt of onder voorwaarde dat eventuele nesten in de bosschages tijdens het broedseizoen niet worden verstoord. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Wet natuurbescherming. Mocht er binnen het broedseizoen werkzaamheden gepland staan dan moet het gebied maximaal drie dagen vóór aanvang van de werkzaamheden door een ecoloog worden vrijgegeven middels een broedvogelinspectie. Tijdens de werkzaamheden wordt aangeraden mitigerende maatregelen te treffen om het gebied broedvrij te houden. 3. Een substantieel, negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op de stikstofemissie in de toekomstige gebruiksfase en daarmee op Natura 2000-gebieden is aannemelijk en derhalve nader onderzocht middels een AERIUS-berekening. De uitkomsten van deze berekening zijn in paragraaf 5.9.3 beschreven. 4. De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: “De zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het a) voorkomen, b) beperken en c) ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur.
Uit de quickscan volgt dat de aanwezigheid van een aantal beschermde soorten binnen het plangebied niet kan worden uitgesloten en aanvullend onderzoek benodigd is. 5.10.3 Aanvullende soortenonderzoeken Op basis van de uitkomsten van de quickscan zijn aanvullende soortenonderzoeken uitgevoerd naar de soorten zoals genoemd in paragraaf 5.9.2. De uitkomsten van de aanvullende soortenonderzoek zijn in deze paragraaf beschreven. De volledige rapportage is als bijlage 6 bij de toelichting opgenomen. De aanwezigheid van essentiële habitatfuncties binnen het plangebied kan worden uitgesloten voor alle in paragraaf 5.9.2 genoemde soorten. Het plangebied maakt mogelijk deel uit van het leefgebied van diverse (zang)vogels. Nesten van broedende vogels en hun omgeving zijn wettelijk beschermd en mogen niet worden verstoord. Verstoring wordt voorkomen door: • • •
Verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, of Maatregelen te nemen zodat nesten geen hinder ondervinden, of Een broedvogelinspectie en vrijgave te laten plaatsvinden vóór aanvang van desbetreffende werkzaamheden.
Om verstoring door licht op foeragerende vleermuizen in en rondom het plangebied te voorkomen, wordt geadviseerd enkel overdag te werken. 5.10.4 Stikstofdepositie De voorgenomen ontwikkeling resulteert mogelijk in een verandering van stikstofemissie en – depositie. Om te onderzoeken of er sprake is van een significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie, is een berekening van verandering in stikstofemissie en –depositie vereist voor de realisatie- en gebruiksfase. Hiertoe heeft Gras Advies een AERIUS-berekening uitgevoerd en dit verwerkt in een rapportage. Het rapport is als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. 5.10.4.1 AERIUS-berekening De realisatie- en gebruiksfase resulteren niet in een toename van boven de 0,00 mol N/ha/jaar op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Hiermee is een significant negatief effect op Natura 2000gebieden uitgesloten. Voor de voorgenomen ontwikkeling is er daarom met betrekking tot stikstofdepositie geen vergunning benodigd.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
46
5.10.5 Conclusie Het aspect ‘flora en fauna’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.11 Archeologie en cultuurhistorie 5.11.1 Beoordelingskader Algemeen De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Archeologie Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m2 in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m2 vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.
Cultuurhistorie Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultuureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels. 5.11.2 Archeologie Het plangebied ligt conform de gemeentelijke beleidskaart in de zone ‘categorie 4 – hoge archeologische verwachting’. Het betreft een landschappelijke zone met naar verwachting een hoge dichtheid aan archeologische sporen. De beleidsdoelstelling voor deze categorie is archeologisch vooronderzoek om vast te stellen of er sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden. In het geldend bestemmingsplan is dit vertaald naar een regeling die stelt dat voor ontwikkelingen waarvoor bodemingrepen groter dan 100 m2 benodigd zijn of dieper dan 30 cm er een verplichting geldt tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek. De regeling omvat tevens een vrijstelling wanneer het vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing betreft, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid. Het planvoornemen ziet echter toe op het realiseren van bebouwing buiten de bestaande bebouwingscontouren. De genoemde vrijstelling is derhalve niet van toepassing en daarmee is het uitvoeren van archeologisch onderzoek verplicht.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
47
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Rhenen (plangebied aangeduid met blauw bolletje) 5.11.2.1 Programma van Eisen t.b.v. proefsleuvenonderzoek In 2019 is ter plekke van het plangebied reeds een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd door The Missing Link. Hieruit is gebleken dat de aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem niet kan worden uitgesloten en derhalve vervolgonderzoek in de vorm van een archeologisch proefsleuvenonderzoek benodigd is. Vooruitlopend op het proefsleuvenonderzoek is door Greenhouse Advies een Programma van Eisen (PvE) opgesteld, welke als bijlage 8 bij deze toelichting is opgenomen. Het PvE is door het bevoegd gezag (gemeente Rhenen) beoordeeld en geaccordeerd op 3 april 2023. In de regels en op de plankaart als onderdeel van het wijzigingsbesluit op het omgevingsplan voor het plangebied is ten behoeve van de borging van de archeologische waarden een gebiedsaanduiding en regeling opgenomen. Bodemroerende werkzaamheden zijn, vanaf de aangegeven oppervlaktes, zonder rapportage waaruit archeologische vrijstelling volgt, niet toegestaan. 5.11.2.2 Conclusie archeologie Met inachtneming van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘archeologie’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.11.3 Cultuurhistorie De verplichting om ook cultuurhistorische waarden te beschermen is in de Omgevingswet meegenomen.
De instructieregels uit artikel 5.130 lid 2 van het Bkl geven aan voor welke punten onder meer bescherming benodigd is (o.a. ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en aantasting van de omgeving of karakteristieke stadsgezichten, dorpsgezichten en cultuurlandschappen. 5.11.3.1 Aanwezige cultuurhistorische waarden Voor het bepalen van de cultuurhistorische waarde van het plangebied is de Cultuurhistorische Atlas (CHAT) van de provincie Utrecht geraadpleegd. Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle gebouwen of bouwwerken aanwezig.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
48
Uitsnede kaartbeeld Cultuurhistorische Atlas provincie Utrecht (plangebied rood omkaderd) Wel behoort de Franseweg volgens de provinciale omgevingsverordening tot de cultuurhistorische infrastructuur. Het planvoornemen heeft geen direct effect op de Franseweg als cultuurhistorische infrastructuur, maar leidt wel tot een aanpassing van de bebouwing langs dit lint. In het kader van vooroverleg is met de welstandscommissie (Mooisticht) afstemming geweest over het bouwplan en zijn de vanuit stedenbouwkundige en cultuurhistorische opzichten relevante aspecten vastgelegd in het beeldkwaliteitsplan. De welstandscommissie is akkoord met het bouwplan. Er kan derhalve geconcludeerd worden dat er geen aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische waarden van de Franseweg. 5.11.4 Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.12 Omgevingsveiligheid 5.12.1 Beoordelingskader Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Externe veiligheid heeft derhalve een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Het Besluit activiteiten leefomgeving omvat met name de regelgeving op het gebied van externe veiligheid als het gaat over het aanwijzen van milieubelastende activiteiten en vergunningplichten (afdeling 5.1.2 Bkl). In het Besluit kwaliteit leefomgeving komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden, risico, aandachtsgebieden, belemmeringengebieden voor buisleidingen en risicoen explosieaandachtsgebieden. Ook zijn in bijlage 7 van het Bkl activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreffen de volgende activiteiten: • • •
Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Be-sluit activiteiten leefomgeving.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
49
•
Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
Aandachtsgebieden Onder de Omgevingswet werken gemeenten met aandachtsgebieden voor het aspect externe veiligheid. Hiermee is beoogd dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. 5.12.2 Toetsing Middels onderstaande uitsnede van de risicokaart Nederland zijn de volgende aspecten van externe veiligheid onderzocht: • • • •
risicovolle inrichtingen; transport over weg, water en spoor; hogedrukaardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen; bovengrondse hoogspanningslijnen.
Uitsnede risicokaart (plangebied rood omkaderd) (bron: www.risicokaart.nl) Risicovolle inrichtingen In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gesitueerd. Risicovol wegtransport en transport via spoor- en waterwegen Ten oosten van het plangebied is de N416 tussen Elst en Veenendaal gesitueerd; het betreft een provinciale weg die op gemeentelijke aanwijzing bestemd is voor het transport van gevaarlijke stoffen. Het plangebied is gelegen op ruim 300 meter van de N416. Aangezien de aanwezigen binnen het plangebied zelfredzaam zijn, worden er geen verdere maatregelen nodig geacht ten aanzien van omgevingsveiligheid voor wat betreft deze risicobron. Deze transportroute vormt derhalve geen risico voor de voorgenomen ontwikkeling aan de Franseweg 44-46. Verder zijn er geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied gesitueerd. Risicovolle (buis)leidingen Ten zuiden van de kern Elst loopt evenwijdig aan de Rijksstraatweg een aardgastransportleiding van Gasunie. De buisleiding heeft een diameter van 15,2 cm en een maximale werkdruk van 40 bar. Het invloedsgebied van deze leiding bedraagt 70 meter. Het plangebied is gelegen op circa 560 meter
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
50
ten noorden van deze buisleiding en ligt derhalve buiten het invloedsgebied. Daarmee vormt deze aardgastransportleiding geen risico voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.12.3 Conclusie Duidelijk is dat er in de omgeving van het plangebied geen objecten of transportroutes zijn gelegen die in het kader van omgevingsveiligheid dienen te worden beschouwd. Het plangebied ligt niet binnen een aandachtsgebied voor externe veiligheid. Het aspect ‘omgevingsveiligheid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.13 Milieueffectrapportage 5.13.1 Beoordelingskader De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De wettelijke basis voor de m.e.r. ligt in Europa: • •
De mer-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor projecten; De smb-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s.
Daarnaast geldt het verdrag van Espoo, inclusief het SEA-protocol, als er grensoverschrijdende milieueffecten kunnen zijn. De eisen van de bovengenoemde richtlijnen en het verdrag zijn nationaal omgezet in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De Commissie m.e.r. is geregeld in artikel 17.5 van de Omgevingswet en hoofdstuk 12 van het Omgevingsbesluit. Voor het bepalen of een plan eventueel mer-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-mer-beoordeling twee mogelijke resultaten: 1. Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. 2. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Er zijn twee situaties waarin een plan-mer-beoordeling aan de orde kan komen: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage 5 bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-mer-plichtig. In dit geval dient een plan-mer-beoordeling te worden uitgevoerd. 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage 5 Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage 5 van het Omgevingsbesluit. Een planmer-beoordeling is aan orde indien: a.
Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft; b. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.
4 juni 2024 | TAM-omgevingsplan ‘Franseweg 44-46, Elst’ | Pro Ruimte
51
5.13.2 Toetsing Uit toetsing aan artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet volgt dat het besluit tot wijziging van het omgevingsplan voor onderhavig project valt onder mogelijkheid 2 zoals hierboven beschreven. Het besluit bevat namelijk wél een activiteit uit kolom 3 van bijlage 4 van het Omgevingsbesluit [J11] de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, maar er wordt niet voldaan aan de drempelwaarden die zijn vastgelegd in kolom 2 (gevallen waarin de mer-plicht geldt). Er kan derhalve worden volstaan met een plan-mer-beoordeling indien voldaan wordt aan de onderdelen a en b van lid 2 zoals hierboven beschreven. Het plan aan de Franseweg 44-46 betreft een kleine wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Rhenen; ter plaatse is de functie wonen reeds toegestaan, echter ontbreekt voor de beoogde woningen een passend bouwvlak. Ten opzichte van het gemeentelijk omgevingsplan als geheel betreft het plan een klein gebied op lokaal niveau waarvoor gemeente het bevoegd gezag is. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat volstaan kan worden met een plan-merbeoordeling. In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 5 van deze ruimtelijke motivering.
Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde plan-mer-beoordeling in het kader van artikel 16.36 lid 3 en 4 van de Omgevingswet. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit wijzigingsbesluit te kunnen nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze ruimtelijke motivering een besluit nemen over de uitkomst van de plan-m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor dit wijzigingsbesluit. 5.13.3 Conclusie Het aspect 'milieueffectrapportage' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.14 Conclusie fysieke leefomgeving Met inachtneming van hetgeen omschreven in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksrapportages en resultaten uit eventuele vervolgonderzoeken, is er met uitvoering van voorliggend plan sprake van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.