CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Meerjarenbegroting 2026-2029-digitaal

Raadsvergadering 11 november 2025, gemeente RhenenBij agendapunt: 14973- Meerjarenbegroting 2026-202934.483 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

3.1.2 Het (gemeentelijk) beleid De gemeenteraad bepaalt welke gemeentelijke lokale lasten inwoners betalen en tevens de hoogte van de tarieven. In het bestuursprogramma 2022 – 2026 is vastgelegd dat we streven naar een gematigde ontwikkeling van de belastingdruk voor onze inwoners. a. Voor de OZB-tarieven wordt de waardeontwikkeling op de tarieven gecorrigeerd en houden we rekening met een gewogen inflatiepercentage. Voor 2026 is een verhoging van 2,35%

Begroting 2026

toegepast. Bij de OZB is de waardeontwikkeling van de woningen en niet-woningen in de periode 1-1-2024 en 1-1-2025 in het tarief verrekend. Voor een gemiddelde woning komt het OZB bedrag in 2026 dan uit op het bedrag 2025 verhoogd met 2,35%. b. De leges zijn maximaal 100% kostendekkend. Als het kostendekkingspercentage onder de 100% ligt, dan zijn de leges verhoogd het gewogen inflatiepercentage van 2,35%. c. Voor de bestemmingsheffingen (riool en afval) zijn de lasten en baten geactualiseerd op basis van verwachte kostenontwikkelingen. Vervolgens is een 100% kostendekkend tarief berekend waarbij bepaalde kosten op basis van eerder besluitvorming buiten het tarief worden gehouden. Kwijtscheldingen Inwoners met weinig vermogen en een laag inkomen kunnen in aanmerking komen voor gehele of gedeeltelijke kwijtscheldingen voor de aan gebruikers geheven belastingen (hondenbelasting alleen eerste hond). De raming voor toegekende kwijtschelding is met € 112.400 gelijk aan de raming van de begroting 2025. Ambitie vermindering restafval Eind 2020 is het afval- en grondstoffenbeleid gemeente Rhenen 2020-2030 vastgesteld. Het doel van dit beleid is het bronscheidingspercentage te verhogen en het aantal kilo’s restafval per inwoner te verlagen naar 30kg in 2030.

Met de eerste fase uit het uitvoeringsprogramma van het afval- en grondstoffenbeleid is de bronscheiding gestegen tot 74% en het restafval afgenomen tot 130kg per inwoner per jaar. In het bestuursprogramma heeft het college opgenomen dat ze het restafval conform de doelstelling in 2026 willen terugbrengen tot 70kg per inwoner per jaar. De huidige gekozen maatregelen hebben echter steeds minder effect op het behalen van de beoogde doelstellingen, waardoor deze tussendoelstelling niet gehaald gaat worden. In 2024 zagen we een stijging terug in de hoeveelheid restafval per inwoner per jaar; van 122kg in 2023 naar 126kg. Mede dankzij informatiecampagnes die het scheiden van afval onder de aandacht brengen, zoals de PMD-campagne in 2024 en de pilot die in 2025 wordt uitgevoerd bij ondergrondse containers, verwachten we in 2025 een daling te zien naar vermoedelijk 120kg restafval per inwoner per jaar. In lijn met de keuze van de raad in Q4 2024 om het huidige inzamelsysteem verder te optimaliseren, wordt de komende jaren gewerkt aan de uitvoer van bijbehorende maatregelen. Naar verwachting daalt hiermee het aandeel restafval tot 114kg per inwoner per jaar. 64

H 3.3.1 | LOKALE HEFFINGEN

Begroting 2026

3.1.3 Inkomsten lokale heffingen

Inkomsten uit belastingen (x € 1.000)

De totale geraamde inkomsten uit de lokale heffingen bedragen € 14.066.000. Dit is € 584.000 hoger dan de raming in de begroting 2025 bij de leges- en belastingverordeningen. De verdeling naar soort inkomsten is in onderstaande tabel weergegeven. Inkomsten uit lokale heffingen (x € 1.000) Begroting

Begroting 2025

Jaarrekening

2026

verordening december 2024

2024

Subtotaal belastingen

6.617 V

6.089 V

5.950 V

Subtotaal rechten

1.770 V

2.144 V

1.524 V

Subtotaal (bestemmings)heffingen*

5.679 V

5.224 V

4.627 V

14.066 V

13.457 V

12.101 V

Totaal belastingen, leges en heffingen

Begroting

Begroting 2025

Jaarrekening

2026

verordening december 2024

2024

OZB eigendom woningen

4.011 V

3.921 V

3.816 N

OZB eigendom en gebruik niet-woningen

1.901 V

1.741 V

1.680 N

Hondenbelasting

150 V

149 V

154 N

Toeristenbelasting

469 V

207 V

217 N

Precariobelasting

41 V

26 V

38 N

Eigendom roerende woon-/bedrijfsruimten

1V

1V

0N

Ondernemersfonds

45 V

45 V

43 N

Totaal belastingen

6.617 V

6.089 V

5.950 N

Tarieven Tariefontwikkeling belastingen

*Bij de opbrengsten is geen rekening gehouden met de belastingteruggave in verband met de maatregel woonlastendemping (2024: € 581.000 2025: € 1.162.700)

Begroting 2026

Verordening 2025

OZB eigendom woningen

0,0967%

0,1016%

OZB eigendom niet-woningen

0,5121%

0,5158%

OZB gebruik niet-woningen

n.v.t.

n.v.t.

Hondenbelasting 1e hond

€ 72,00

€ 70,00

3.1.3.1 Belastingen nader toegelicht Zoals in paragraaf 1.1 aangegeven zijn de inkomsten uit belastingen niet gelabeld. Deze kunnen voor alle gemeentelijke taken en voorzieningen worden ingezet.

Hondenbelasting 2e hond

€ 180,00

€ 176,00

Hondenbelasting 3e en volgende hond

€ 201,00

€ 196,00

Hondenbelasting per kennel

€ 478,00

€ 467,00

Financiën De opbrengsten uit belastingen bedragen € 6.617.000. De OZB opbrengst is € 250.000 gestegen als gevolg van de toegepaste inflatiecorrectie en de toename van het aantal woningen en bedrijven. De hogere WOZ-waarden (7% voor woningen 3% voor nietwoningen) worden gecompenseerd door verlaging van de tarieven en hebben op geen invloed op de belastingopbrengst. De sterke stijging van de toeristenbelasting met € 262.000 is een gevolg van de ombuigingsmaatregelen 2026 en 2026 (tariefstijging 60%) en de dekking van het amendement A.20.1 Toegang tot de basiszorg (tariefstijging 10,5%). Daarnaast is op basis van de opgelegde aanslagen 2024 het aantal overnachtingen toegenomen.

Toeristenbelasting

€ 3,16

€ 1,85

Ondernemersfonds

€ 500,00

€ 500,00

In de volgende onderdelen worden de lokale heffingen verder toegelicht. Bij de rechten en (bestemmings)heffingen wordt ingegaan op de kostendekking.

3.1.3.2 Rechten nader toegelicht Zoals in paragraaf 1.1 aangegeven worden rechten geheven voor diensten die geleverd worden aan een individuele aanvrager. Denk aan het aanvragen van een rijbewijs of een omgevingsvergunning. Deze rechten worden ook wel leges of retributies genoemd. Bij het heffen van rechten heeft de gemeenteraad te maken met beperkingen. Er mag geen winst gemaakt worden op de diensten en voor een aantal diensten heeft het Rijk een maximumtarief bepaald. De gemeente Rhenen kent vier verordeningen voor het heffen van rechten. De verordeningen 2025 zijn in december 2024 vastgesteld. 65

H 3.3.1 | LOKALE HEFFINGEN

Begroting 2026

Verordening

Grondslag van de heffing van leges

Kostendekking leges

1. Verordening leges 2025

Hoofdstuk 1: algemene dienstverlening

Kostendekking leges (x € 1.000)

Hoofdstuk 3: dienstverlening vallen onder Europese dienstenrichtlijnen en niet vallend onder titel 2 2. Verordening leges omgevingsvergunningen 2025

Hoofdstuk 2: dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving / omgevingsvergunning

3. Verordening lijkbezorgingsrechten 2025

Gebruik begraafplaats en verleende diensten in verband met de begraafplaats

4. Verordening marktgelden 2025 Gebruik gemeentegrond op marktdagen

Begroting

Begroting 2025

Jaarrekening

2026

verordening december 2024

2024

Verordening leges Hoofdstuk 1 en Hoofdstuk 3

55%

46%

49%

Verordening leges omgevingsvergunningen Hoofdstuk 2

55%

96%

45%

Verordening lijkbezorgingsrechten

100%

95%

83%

n.b.

n.b.

n.b.

Verordening marktgelden

Financiën Inkomsten uit rechten (x € 1.000) Begroting

Begroting 2025

Jaarrekening

2026

verordening december 2024

2024

Verordening leges omgevingsvergunningen (hoofdstuk 1 en 3)

581 V

495 V

527 V

Verordening leges omgevingsvergunningen (hoofdstuk 2)

594 V

1.077 V

376 V

Verordening lijkbezorgingsrechten

587 V

564 V

613 V

8V

8V

9V

1.770 V

2.144 V

1.524 V

Verordening marktgelden Totaal rechten

De totale opbrengsten zijn ten opzichte van de begroting 2025 € 374.000 gedaald. De legesopbrengsten bij titel 1 en 3 zijn € 86.000 hoger. De hogere opbrengst is een gevolg van de verhoging van de tarieven op basis van de ombuigingsmaatregelen 2026. De legesopbrengsten bij titel 2 worden € 483.000 lager geraamd. De verhoging van de tarieven op basis van de ombuigingsmaatregelen 2026 zorgt wel voor een hogere opbrengst maar daar tegenover staat een lagere opbrengst op basis van de bijgestelde woningbouwplanning.

Verordening leges Hoofdstuk 1 en 3 De kostendekking van de leges hoofdstuk 1 en 3 is 55%. Dit is hoger dan bij in de begroting 2025 (€ 46%). De hogere dekking wordt deels verklaard door de verhoging van de legestarieven. Daarnaast zijn de overheadkosten lager als gevolg van lagere overheadpercentages. In de diverse hoofdstukken zijn er wel verschillen in dekkingspercentages (zie bijlage Specificatie kostendekking rechten). Het dekkingspercentage voor bijzondere wetten stijgt met 32% naar 72% als gevolg van de verhoging van de tarieven voor kabels en leidingen. Het dekkingspercentage voor overige publiekszaken stijgt met 17% naar 51% als gevolg van de verhoging van de tarieven naspeuringen gemeentearchief. Het kostendekkingspercentage voor evenementen stijgt met 10% naar 17% als gevolg van de maatregel om de vrijstelling voor categorie A evenementen te schrappen. Verordening leges Hoofdstuk 2 De kostendekking van de leges titel 2 is geraamd op 55%, in de begroting 2025 was dit 99%. Het dekkingspercentage wordt in sterke mate bepaald door de opbrengst leges uit woningbouwprojecten. Op basis van de actuele woningbouwplanning is de opbrengst in 2026 € 508.000 lager dan in 2025 wat zorgt voor een verlaging van het dekkingspercentage. Verordening lijkbezorgingsrechten De kostendekking van de verordening lijkbezorgingsrechten is 100% en is daarmee 5% hoger dan in 2025.

De verhoging wordt veroorzaakt door hoger geraamde opbrengsten voor begrafenissen en opbrengst jaarlijks onderhoud graven. Evenals voor 2025 worden de tarieven in 2026 niet verhoogd. 66

H 3.3.1 | LOKALE HEFFINGEN

Begroting 2026

Verordening marktgelden De kostendekking van de verordening marktgelden wordt gelet op de beperkte omvang niet berekend. Tariefontwikkeling marktgelden Begroting 2026

Verordening 2025

3,00

2,85

Tarief per strekkende meter

Via de link/qr-code hiernaast vindt u de specificatie kostendekking rechten.

Specificatie kostendekking rechten

3.1.3.3 (Bestemmings)heffingen nader toegelicht Heffingen worden in rekening gebracht voor specifieke taken of voorzieningen met een duidelijk algemeen belang. De opbrengsten kunnen alleen besteed worden aan die specifieke taak of voorziening waarvoor de heffing is opgelegd. Het gaat hierbij om de afvalstoffen- en rioolheffing. Voor de heffingen geldt dat de gemeente niet meer mag heffen dan de kosten die zij voor de betreffende taak of voorziening maakt. Voor deze heffingen wordt de kostendekking daarom weergegeven. De gemeente Rhenen kent twee verordeningen (bestemmings)heffingen. Verordening

Grondslagen (bestemmings)heffing

Verordening rioolheffing 2025

Gebruik van riolering voor afvalwater

Verordening afvalstoffenheffing 2025

Dienstverlening voor het ophalen en verwerken van afval

Rioolheffing De kosten van rioolheffing zijn ten opzichte van de begroting 2025 gestegen met € 234.000. In de Perspectiefnota 2026 is uitgegaan van een stijging van de kosten met € 43.000. De hogere kosten worden onder meer veroorzaakt door een hoger renteomslagpercentage. Daarnaast is in het kader van de ombuigingen 2026 door de raad besloten om het tarief 100% kostendekkend te maken. Tenslotte is het in het Water Rioolplan opgenomen budget voor het opstellen van een klimaatanalyse een jaar naar voren gehaald wat zorgt voor hogere lasten in 2026 en lagere lasten in 2027. Per saldo zorgen de hogere kosten voor een stijging van het tarief rioolheffing met € 23. Voor een analyse van de verschillen verwijzen wij u naar de bijlage kostendekking heffingen. Afvalstoffenheffing De kosten van afvalverwerking zijn ten opzichte van de begroting 2025 met € 216.000. In de Perspectiefnota 2026 is uitgegaan van een stijging van de kosten met € 170.000. De hogere kosten worden onder meer veroorzaakt door hogere personeelskosten, hogere tarieven AVU en hogere kosten voor verzekeringen en belastingen. Daarnaast is in het kader van de ombuigingen 2026 door de raad besloten om het tarief 100% kostendekkend te maken. Ten opzichte van het tarief 2025 stijgt het tarief afvalstoffenheffing in 2026 met € 17. Voor een analyse van de verschillen verwijzen wij u naar de bijlage kostendekking heffingen.

Op basis van onderzoek naar bedrijfsafval gaan we in 2026 kijken welke manieren er zijn om de kosten voor het ophalen van bedrijfsafval in rekening te brengen. Dit heeft voorbereidingstijd nodig. In de Najaarsrapportage 2025 zijn de budgetten rioolbeheer en afvalinzameling en -verwerking bijgesteld. Per saldo levert dit een lagere last op € 215.000. Tezamen met het in de Voorjaarsrapportage geraamde voordeel en het saldo per 1 januari 2025 heeft de reserve heffingen een surplus van € 308.000. Dit surplus kan worden ingezet voor een extra woonlastendemping of het opvangen van eventuele tegenvallers in de exploitatie riool en afval 2025.

Financiën Inkomsten uit (bestemmings)heffingen (x € 1.000) Begroting

Begroting 2025

Jaarrekening

2026

verordening december 2024

2024

Rioolheffing

2.237 V

2.002 V

2.080 V

Afvalstoffenheffing

3.443 V

3.222 V

2.548 V

Totaal rechten

5.679 V

5.224 V

4.628 V

Kostendekking (bestemmings-)heffingen Zoals onder 3.1.1. aangegeven worden bestemmingsheffingen worden geheven voor specifieke taken of voorzieningen met een duidelijk algemeen belang. Er mag op het niveau van de verordening geen winst gemaakt worden. De gemeente Rhenen heeft twee verordeningen voor

67

H 3.3.1 | LOKALE HEFFINGEN

Begroting 2026

het heffen van bestemmingsheffingen. De verordeningen 2026 worden in december 2025 vastgesteld. Kostendekking (bestemmings-)heffingen per verordening Begroting

Begroting 2025

Jaarrekening

2026

verordening december 2024

2024

Kostendekking rioolheffing

98%

92%

113%

Kostendekking afvalstoffenheffing

97%

97%

87%

Via de link/qr-code hiernaast vindt u de

Kostendekking per heffing

kostendekking per heffing.

De stijging van de woonlasten wordt onder meer veroorzaakt door hogere lasten voor afvalinzameling en -verwerking en rioolbeheer en door een lagere woonlastendemping. Voor een analyse van de hogere lasten verwijzen wij u naar paragraaf 3.1.3.3 en bijlagen via de QR-code. Demping Woonlasten De afgelopen jaren de lastendruk van inwoners verlaagd middels een generieke maatregel waarmee de belastingaanslagen voor alle huishoudens zijn verlaagd. In 2026 wordt voor het laatste jaar de woonlastendemping toegepast met een verlaging van de belastingaanslag met € 30,90. De woonlasten stijgen in 2026 ten opzichte van 2025 met 16,7%. De stijging wordt met name veroorzaakt door de hoge woonlastendemping in 2025. De stijging van de woonlasten zonder de woonlastendemping bedraagt in 2026 4,2%. Berekening woonlastendemping

3.1.4 Lokale lastendruk De lokale lastendruk geeft aan wat een gemiddeld meerpersoonshuishouden met een eigen woning in Rhenen aan woonlasten kwijt is. De stijging van de lastendruk in 2026 ten opzichte van 2025 bedraagt € 158. Dit is een stijging van 16,7% (in de Perspectiefnota was een stijging geprognotiseerd van 16,1%). In onderstaande tabel is te zien hoe de lokale lastendruk opgebouwd is. Ontwikkeling lokale lastendruk Begroting

Begroting 2025

Jaarrekening

2026

verordening december 2024

2024

OZB-eigenaren (gemiddelde woning)

€ 469,00

€ 461,41

€ 438,82

Afvalstoffenheffing (meerpersoonshuishouden)

€ 427,00

€ 411,00

€ 328,00

Demping woonlasten*

-€ 30,90

-€ 142,77

-€ 75,88

€ 123,00

€ 110,00

€ 116,00

Rioolheffing (gebruik op basis van 118 m )

€ 119,48

€ 109,74

€ 96,07

Totaal

€ 1.107,58

€ 949,38

€ 903,01

Gebruiker

€ 515,58

€ 377,97

€ 348,19

Eigenaar

€ 592,00

€ 571,41

€ 554,82

Eigenaar en gebruiker

€ 1.107,58

€ 949,38

€ 903,01

Rioolheffing (aansluiting) 3

2025

2026

2027

2028

2029

Woonlasten

€ 1.092,15

€ 1.138,48

€ 1.172,48

€ 1.206,92

€ 1.244,19

Woonlastendemping

-€ 142,77

-€ 30,90

€ 949,38

€ 1.107,58

€ 1.172,48

€ 1.206,92

€ 1.244,19

16,7%

5,9%

2,9%

3,1%

In paragraaf 3.1.33 is aangegeven dat het surplus in de reserve heffingen kan worden aangewend om de woonlasten te dempen. Dat zou betekenen dat de woonlastendemping met € 36 wordt verhoogd en de stijging van de woonlasten ten opzichte van de begroting 2025 dan 12,9% wordt. 3.1.4.1 Lokale lastendruk in perspectief Jaarlijks publiceert het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO) de Atlas van de lokale lasten. Op basis van de gegevens van deze Atlas is voor het jaar 2025 een vergelijking gemaakt van de lokale lastendruk van de gemeente Rhenen in vergelijking met: 1. Het landelijke gemiddelde; 2. Het gemiddelde van 7 omliggende gemeenten; 3. Het gemiddelde van de 8 gemeenten in de regio Foodvalley; 4. Het gemiddelde van de gemeenten in de provincie Utrecht; 5. Het gemiddelde van de gemeenten in de provincie Gelderland. 68

H 3.3.1 | LOKALE HEFFINGEN

Begroting 2026

Vergelijking lokale lastendruk 2025 Provincie Utrecht

€ 1.161

Omliggende gemeenten

€ 1.117

Landelijk

€ 1.063

Provincie Gelderland

€ 1.055

Rhenen

€ 1.049

Foodvalley gemeenten

Via de link/qr-code hiernaast is de Atlas lokale lasten beschikbaar

€ 967

Link naar Atlas lokale lasten

N.B. In de Atlas lokale lasten is voor Rhenen een woonlast berekend van € 1.049. Die wijkt af van de berekende woonlast ad € 949,38 door een afwijking in de m3 waterverbruik voor rioolheffing en een hogere gemiddelde waarde woning voor de OZB.

69

Begroting 2026

§3.2 Weerstandsvermogen & risicobeheersing 3.2 Weerstandsvermogen en risicobeheersing In de uitvoering van onze taken zijn risico's niet te vermijden. Risico's kunnen impact hebben op de realisatie van onze doelen. Het is daarom belangrijk om ze in beeld te hebben, zorgvuldig af te wegen en passende beheersmaatregelen te nemen. Als risico’s zich voordoen dan willen wij ze financieel kunnen opvangen. De ratio weerstandsvermogen geeft een indicatie of wij hiertoe in staat zijn. Een gezond weerstandsvermogen is > 1,0. Dit betekent (x € 1.000)

dat we financiële tegenvallers kunnen opvangen zonder dat dit leidt tot ombuigingen of aanpassingen in de uitvoering van taken. In onderstaande tabel is de totale beschikbare weerstandscapaciteit in beeld gebracht naar de stand daarvan op 31 december van het betreffende jaar.

Jaarrek. 2024

BGR25-2025-NJR

BGR26-2026

BGR26-2027

BGR26-2028

BGR26-2029

Weerstandscapaciteit exploitatie (structureel):

1.138

1.241

1.598

1.603

1.608

1.613

Weerstandscapaciteit vermogen (incidenteel):

22.853

22.195

21.332

20.174

19.554

20.324

Totale weerstandscapaciteit

23.991

23.436

22.930

21.777

21.162

21.937

Weerstandscapaciteit exploitatie De weerstandscapaciteit die in de in de exploitatie beschikbaar is, dient vooral voor het opvangen van structurele financiële restrisco’s. De aanwezige weerstandscapaciteit bestaat uit: 1. raming voor onvoorzien en de 2. onbenutte belastingcapaciteit. (x € 1.000)

Jaarrek. 2024 BGR25-2025-NJR

BGR26-2026

BGR26-2027

BGR26-2028

BGR26-2029

Weerstandscapaciteit exploitatie (structureel): Raming voor onvoorzien (alleen bij begroting)

0

0

15

20

25

30

Onbenutte belastingcapaciteit

1.138

1.241

1.583

1.583

1.583

1.583

Totale weerstandscapaciteit exploitatie

1.138

1.241

1.598

1.603

1.608

1.613

1. Onvoorzien Voor het opvangen van onvoorziene incidentele lasten is jaarlijks € 10.000. beschikbaar. Voor onvoorziene structurele lasten is het bedrag € 5.000 per jaar.

2. Onbenutte belastingcapaciteit De onbenutte belastingcapaciteit richt zich op financiële ruimte bij de onroerende zakenbelasting en de bestemmingsheffingen afval en riolering. Het verschil tussen het gemiddelde OZB tarief van de gemeente en het normtarief dat door het Rijk wordt gehanteerd geeft de financiële ruimte bij de OZB weer. Bij de heffingen riolering en afval gaat het om de financiële ruimte tot aan het niveau van 100% kostendekking.

70

H 3.3.2 | WEERSTANDSVERMOGEN & RISICOBEHEERSING

Begroting 2026

Weerstandscapaciteit vermogen De weerstandscapaciteit die in het vermogen beschikbaar is, dient vooral voor het opvangen van incidentele financiële restrisco’s. Dit houdt in dat ze eenmalig kunnen worden ingezet. De aanwezige weerstandscapaciteit bestaat uit: 1. algemene reserve, 2. niet beklemde bestemmingsreserves* en de 3. stille reserves.

(x € 1.000)

* De beklemde bestemmingsreserves zijn niet meegenomen omdat we daarover niet vrij kunnen beschikken. Vaak zijn deze reserves structureel ingezet ten gunste van de exploitatie of er liggen afspraken met derden aan ten grondslag. Voorbeelden hiervan zijn de bruto methode reserves voor de dekking van de kapitaallasten van investeringen.

Jaarrek. 2024

BGR25-2025-NJR

BGR26-2026

BGR26-2027

BGR26-2028

BGR26-2029

Algemene reserve

16.511

15.053

15.058

15.031

15.005

14.981

Resultaat lopende jaar (voor bestemming resultaat)

-561

1.563

1.327

344

-162

754

Niet beklemde bestemmingsreserves

6.903

5.579

4.947

4.799

4.711

4.589

Stille reserves

P.M.

P.M.

P.M.

P.M.

P.M.

P.M.

22.853

22.195

21.332

20.174

19.554

20.324

Weerstandscapaciteit vermogen (incidenteel):

Totale weerstandscapaciteit

Algemene reserve en niet beklemde bestemmingsreserves Voor de algemene reserve geldt dat die geen specifieke bestemming heeft en daardoor vrij kan worden ingezet voor het opvangen van financiële restrisico’s. Dit geldt ook voor de niet beklemde bestemmingsreserves. Voor deze reserves heeft de raad wel een bestemming bepaald, maar deze reserves zijn niet structureel ingezet ten gunste van de exploitatie. Hierdoor kan de raad met het wijzigen van de bestemming, die reserves inzetten voor het opvangen van de restrisico’s. Stille reserves Stille reserves zijn bezittingen van de gemeente die op de balans lager zijn gewaardeerd dan de marktwaarde. Dit betekent dat verkoop van deze bezittingen een (eenmalig) financieel voordeel voor de gemeente kan opleveren. Van een stille reserve is pas sprake als het

bezit (vaste activa) niet duurzaam aan de bedrijfsuitoefening is verbonden. De meeste gemeentelijke eigendommen zoals schoolgebouwen, sportvelden en het gemeentehuis worden gebruikt voor de uitvoering van gemeentelijke taken. Deze bezittingen zijn duurzaam aan de bedrijfsuitoefening verbonden. Een eventueel hogere marktwaarde mag daarom niet meegenomen worden bij de bepalen van de hoogte van de stille reserve. Als gemeente hebben wij een beperkt aantal activa in bezit die niet duurzaam aan de bedrijfsuitoefening verbonden zijn (bijvoorbeeld verhuurde gronden en de woning aan de Kerkstraat). Voor het bepalen van de hoogte van de stille reserve dient de directe opbrengstwaarde van het bezit bekend te zijn. Ook moet het bezit direct verkoopbaar of verhandelbaar te zijn. Dit is bij het gemeentelijk bezit vaak niet van toepassing. Bij de berekening van de weerstandscapaciteit zijn de stille reserves daarom als een p.m.-post opgenomen. 71

H 3.3.2 | WEERSTANDSVERMOGEN & RISICOBEHEERSING

Begroting 2026

Weerstandsvermogen Ratio weerstandsvermogen De ratio weerstandsvermogen geeft de verhouding weer tussen de hoogte van de restrisico’s (benodigde weerstandscapaciteit) en de beschikbare middelen om deze risico’s te kunnen opvangen (beschikbare weerstandscapaciteit). Restrisico’s zijn risico’s waar geen maatregelen voor zijn getroffen om die af te dekken. Als een financieel restrisico zich in de praktijk voordoet, leidt het tot uitgaven voor de gemeente. Bij een tekort aan liquide middelen, kan het nodig zijn om een lening aan trekken. Die brengt extra rentelasten met zich mee. In de begroting 2026 komt de ratio weerstandsvermogen uit op 2,2 (jaarstukken 2024: 2,6). Daarmee kunnen we ruim 2 keer de omvang van de restrisico’s afdekken. Volgens ons eigen beleid dient de ratio groter of gelijk te zijn aan 1,0. Beschikbare weerstandscapaciteit Ratio weerstandsvermogen = Benodigde weerstandscapaciteit

22.930.000 = = 2,2 10.600.000

In grafiek hiernaast is de ontwikkeling van de ratio weerstandsvermogen vanaf 2022 gepresenteerd. We zien een sterke daling door de toegenomen risico’s bij informatieveiligheid en bij de jeugdzorg. En verder door de daling van de beschikbare weerstandscapaciteit*. Desondanks is de ratio van 2,2 nog steeds uitstekend.

Ratio weerstandsvermogen 5,0 4,0 3,0 2,0 1,0 -

JRR2022

JRR2023

JRR2024

NJR2025

BGR2026-26

NB. De ratio weerstandsvermogen uit de begroting 2025 is geactualiseerd met de toegenomen restrisico’s voor informatieveiligheid en jeugd. Deze zijn naar voren gekomen bij de risicogesprekken voor de begroting 2026 en zijn ook van toepassing op 2025. Verder is de beschikbare weerstandscapaciteit ultimo 2025 aangepast aan de actuele inzichten.

*Enkele voorbeelden daling beschikbare weerstandscapaciteit. Betreft hogere onttrekkingen of lagere toevoegingen aan reserves die niet in de begroting 2025 waren geraamd. 1. Nadelig resultaat jaarstukken 2024 t.l.v. algemene reserve: 2. Terugbetaling woonlastendemping aan algemene reserve in 2025 is vervallen i.v.m. ombuigingen: 3. Onttrekking 2025 aan algemene reserve voor sluitend maken begroting: 4. Onttrekking reserve collegeprogramma hogere woonlastendemping 2025: 5. Opheffen reserves in 2026 n.a.v. ombuigingen 8 juli 2025: 6. Onttrekkingen 2025 uit reserve budgetoverheveling:

€ 0,6 miljoen € 0,6 miljoen € 0,6 miljoen € 0,6 miljoen € 0,5 miljoen € 0,4 miljoen

72

H 3.3.2 | WEERSTANDSVERMOGEN & RISICOBEHEERSING

Begroting 2026

Risico’s - benodigde weerstandscapaciteit In onderstaande tabel zijn de top 10 restrisico’s weergegeven. De hoogte van de (rest) risico’s van nieuwe wet- en regelgeving zoals de spreidingswet zijn niet financieel vertaald.

Nr.

Risico

1

Open einde regelingen

Vooralsnog gaan we ervan uit dat het Rijk gemeenten voldoende hiervoor compenseert. Dat is echter niet het beeld in de afgelopen jaren. In onderstaand overzicht is nieuwe wet- en regelgeving daarom als N.n.b. aangemerkt.

Kans

Financieel gevolg Min.

Financieel gevolg Max.

Incidenteel of structureel?

1.1

Jeugd

90% (1x per jaar)

€ 65.000

€ 700.000

Structureel

1.2

Participatie (BUIG)

50% (1x per 2-5 jaar)

€ 65.000

€ 200.000

Structureel

1.3

Wet maatschappelijke ondersteuning

90% (1x per jaar)

€ 65.000

€ 200.000

Structureel

2

Overige risico's 2.1

Pandemieën

5% (minder dan 1x per 10 jaar)

€ 45.000

€ 150.000

Incidenteel

2.2

Vervuiling en overige schades aan de openbare ruimte

90% (1x per jaar)

€ 15.000

€ 50.000

Incidenteel

3

Klimaatveranderingen € 50.000

€ 150.000

Structureel

3.1

Hitte en droogte

70% (1x per 1-2 jaar)

3.2

Wateroverlast en waterveiligheid

50% (1x per 2-5 jaar)

€ 50.000

€ 150.000

Structureel

3.3

Kou

10% (1x per 10 jaar)

€ 125.000

€ 450.000

Structureel

4

Bedrijfsvoering 4.1

Fraude & Oplichting

5% (minder dan 1x per 10 jaar)

€ 15.000

€ 35.000

Structureel

4.2

Personeel

90% (1x per 1-2 jaar)

€ 150.000

€ 500.000

Structureel

4.3

Informatiebeveiliging

Samengesteld %: tussen 50% en 90%

€ 200.000

€ 2.450.000

Structureel + Incidenteel

4.4

ICT

50% (1x per 2-5 jaar)

€ 25.000

€ 185.000

Structureel

5

Aansprakelijkheid 5.1

Bedrijfsongevallen

10% (1x per 10 jaar)

€ 15.000

€ 50.000

Structureel

5.2

Eigen risico verzekeringen

50% (1x per 2-5 jaar)

€ 10.000

€ 30.000

Structureel

6

Grote projecten en voorzieningen 6.1

Riolering

5% (minder dan 1x per 10 jaar)

€ 100.000

€ 450.000

Structureel

6.2

Nog te verkopen grond

30% (1x per 5-10 jaar)

€-

€ 120.000

Incidenteel

6.3

Bouw MFC Rhenen

50% (1x per 2-5 jaar)

€-

€ 50.000

Incidenteel

6.4

Nieuwe bouw en/of grond initiatieven

30% (1x per 5-10 jaar)

€ 15.000

€ 50.000

Incidenteel

6.5

Langdurige bouwvertraging

10% (1x per 10 jaar)

N.n.b.

N.n.b.

Incidenteel

€ 20.000

€ 200.000

Structureel

7

Verbonden partijen en gesubsidieerde instellingen 7.1

Verbonden partijen

5% (minder dan 1x per 10 jaar)

73

H 3.3.2 | WEERSTANDSVERMOGEN & RISICOBEHEERSING

Nr.

Risico

8

Wetgeving en taken 8.1

9

Begroting 2026

Kans

Spreidingswet

Financieel gevolg Min.

Financieel gevolg Max.

Incidenteel of structureel?

50% (1x per 2-5 jaar)

N.n.b.

N.n.b.

Incidenteel

Economische effecten 9.1

Leningen

10% (1x per 10 jaar)

€ 25.000

€ 100.000

Structureel

9.2

Faillissementen (debiteuren, leveranciers)

30% (1x per 5-10 jaar)

€ 15.000

€ 35.000

Structureel

Benodigde weerstandscapaciteit: € 10.600.000 De benodigde weerstandscapaciteit is verhoogd van € 9,2 miljoen naar € 10,6 miljoen. De hoofreden voor de verhoging is dat het risico bij de openeinderegeling verhoogd is van maximaal € 0,4 miljoen naar € 0,7 miljoen. Dit komt onder andere door de groei binnen jeugdhulp de afgelopen jaren en de toegenomen kans dat kinderen (dure) verblijfszorg nodig hebben.

Kengetallen Om het inzicht in de financiële positie van gemeenten te verbeteren is vanuit de financiële wet- en regelgeving (BBV) een standaard set van financiële kengetallen voorgeschreven. In onderstaande tabel zijn deze kengetallen voor de jaren 2024 tot en met 2029 gepresenteerd (stand per 31 december). Een uitgebreide toelichting vindt u terug in het onderdeel Financieel beeld 2026-2029. Kengetallen gemeente Rhenen Kengetal ultimo jaar

Signaalwaarden GTK* 2020 provincie

JRR 2024

BGR 2025

BGR 2026-26

BGR 2026-27

BGR 2026-28

BGR 2026-29

Minst risicovol

Neutraal

Meest risicovol

1

Structurele exploitatieruimte

-3%

-4%

-2%

-1%

0%

1%

>0%

0%

<0%

2.1

Netto-schuldquote

75%

85%

85%

93%

93%

91%

<90%

90%-130%

>130%

2.2

Netto-schuldquote, gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

70%

80%

79%

87%

88%

86%

<90%

90%-130%

>130%

3

Weerstandsvermogen

2,6

2,4

2,2

-

-

-

>1,0

0,8 ≤ x < 1,0

<0,8

4

Grondexploitatie

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

0,0%

<20%

20%-35%

>35%

5

Belastingcapaciteit

98%

98%

104%

-

-

-

<95%

95%-105%

>105%

6

Solvabiliteitsratio

30%

29%

28%

28%

27%

27%

>50%

20%-50%

<20%

*GTK: Gemeenschappelijk financieel toezichtkader 2020 van de provincies 74

Begroting 2026

§3.3 Onderhoud kapitaalgoederen Met het onderhoud van kapitaalgoederen is een substantieel deel van de begroting gemoeid. Aangezien de uitgaven voor onderhoud van kapitaalgoederen op diverse beleidsvelden voorkomen, is deze paragraaf van belang voor een goed inzicht in de financiële positie. Kapitaalgoederen zijn goederen waarvoor een langdurige investering nodig is, bijvoorbeeld gebouwen en wegen. Met het onderhoud hiervan is een substantieel deel van de begroting gemoeid. In deze paragraaf worden (in overeenstemming met het BBV) voor de kapitaalgoederen het beleidskader en de financiële uitgaven aangegeven. De kapitaalgoederen zijn verdeeld in: - Wegen - Riolering en water - Groen - Gebouwen Wat we met het onderhoud aan de kapitaalgoederen willen bereiken is voor de gemeente Rhenen beschreven in de volgende nota’s: Nota

Vaststelling

Actualisatie

Kwaliteitsniveau

Achterstallig onderhoud

Openbare ruimte

(beeld)Kwaliteitsplan

2025

2030

Basis

Nee

Wegen

Beheerplan wegen

2025

2030

Basis

Nee

Mobiliteitsagenda

2022

2025

Openbare verlichting

2017

2026

Riolering

Water Riool plan

2023

2027

Normen Rioned

Nee

Groen

Groenbeleidsplan

2023

2028

Basis

Nee

Gebouwen

Efficiënt en effectief faciliteren vanuit goed eigenaarschap (vastgoedbeleid)

2021

2026

Onderhoudsplan gebouwen (MJOP)

2021

2025

Nee NEN2767

75

H 3.3.3 | ONDERHOUD KAPITAALGOEDEREN

Begroting 2026

3.3.1 Integraal onderhoud openbare ruimte

Financiële consequenties

De gemeentelijke infrastructuur bestaat uit het riool, wegen en groen. In stand houden daarvan is niet alleen onderhouden. Maar ook aanpassen als dat nodig is. Dat samengaan van onderhoud en aanpassen leidt tot integrale projecten. Op basis van capaciteit en externe ontwikkelingen wordt van deze projecten een planning opgesteld. Deze planning wordt jaarlijks vastgesteld. In de planning 2025-2030 wordt onder andere ingezet op:

Exploitatielasten wegen (x € 1.000)

2026

2027

2028

2029

Kapitaallasten (afschrijving en rente)

648

724

799

824

Groot onderhoud

271

279

287

296

Overige beheers- en onderhoudskosten (excl. personeel)

354

354

354

354

Totaal exploitatielasten wegen

1.272

1.356

1.439

1.473

Totaal exploitatiebaten wegen

-162

-162

-162

-162

Totaal exploitatiebaten en -lasten wegen

1.110

1.194

1.277

1.311

Waarde kapitaalgoederen wegen (€ 1.000)

2026

2027

2028

2029

Investeringen wegen

11.108

11.076

13.184

13.240

Investeringen openbare verlichting

2.293

2.367

2.330

2.309

Stand voorzieningen wegen (€ 1.000)

2026

2027

2028

2029

Stand per 1 januari

82

26

-28

-2

Toevoeging

271

279

287

296

Onttrekking

-327

-333

-261

-274

26

-28

-2

20

De uitvoering van: - De Platanenlaan; vernieuwen rioolstelsel en verkeersveilige inrichting van de straat; - Paardenveld; vervangen riool en inrichten als gebiedsontsluitingsweg; - Larikslaan; vernieuwen rioolstelstel en inrichten als leefbare woonstraat; - Emmalaan; vernieuwen riool en inrichten als woonstraat. Andere projecten zijn onder meer: - Nieuwe Veenendaalseweg; de voortgang van het herinrichten van deze weg is afhankelijk van de herinrichting van het Paardenveld en de nieuwbouw van het medisch centrum. - Centrumplan Elst; de uitvoering van dit plan wacht op de voortgang van het inbreidingsplan achter de Albert Heijn. Afhankelijk van de beschikbare capaciteit zal gestart worden met: - Een plan voor 30 km op de Cuneraweg ter hoogte van Zideris; - De voorbereiding van een nieuw ontwerp voor de Eikenlaan in Rhenen.

3.3.2 Wegen Het groot onderhoud aan de wegen gebeurt op basis van inspecties en indien nodig aanvullende metingen en onderzoek. Bij het groot onderhoud wordt rekening gehouden met de integrale projecten. Het dagelijks verzorgend onderhoud gebeurt volgens het kwaliteitsplan onderhoudsniveau Openbare Ruimte waartoe ook de markering en bebording behoort. Daarnaast behoort tot het onderhoud van de wegen ook de gladheidsbestrijding en het beheer en onderhoud van de openbare verlichting.

Stand per 31 december

N.B.1 Op basis van de geraamde toevoegingen en onttrekkingen (groot onderhoud) wordt de voorziening in 2027 en 2028 negatief. Dat is niet toegestaan. De toevoeging aan de voorziening zal dan worden verlaagd. N.B. 2 De raad heeft op 11 maart 2025 het beleid- en beheerplan wegen vastgesteld waarbij de voorziening onderhoud wegen is gevormd en de reserve onderhoud wegen is opgeheven. De hiermee samenhangende begrotingswijziging is verwerkt in de Najaarsrapportage 2025. De doorverwerking hiervan vindt plaats in de Voorjaarsrapportage 2026 en Perspectiefnota 2027

76

H 3.3.3 | ONDERHOUD KAPITAALGOEDEREN

Begroting 2026

3.3.3 Riool en water

3.3.4 Openbaar Groen

De gemeentelijke verantwoordelijkheid voor het opvangen en verwerken van riool-, regenen grondwater staat in de wet Milieubeheer en Waterwet. Inmiddels beheren we een stelstel van circa 140 km aan riolering, met in dat stelsel randvoorzieningen als gemalen en bergbezinkbassins. Onderhoud of vervanging is afhankelijk van de uitkomsten van inspecties, meten en berekenen. Deze informatie wordt gebruikt voor de meerjarenplanning. Waar mogelijk leidt dat tot een integraal project. Hoe wij dit stelsel onderhouden en optimaliseren is beschreven in het Waterrioolplan 2023 2027 (WRP) dat in september 2022 door de raad is vastgesteld. Het WRP bepaalt het beleid en beschrijft het beheer van het rioolstelsel en de watertaken voor de komende 5 jaar. De gemeente heeft ook een taak om de gevolgen van weersextremen zoals wateroverlast aan te pakken. Dit wordt toegelicht in de paragraaf duurzaamheid.

Onder openbaar groen worden begrepen het beheer en onderhoud van bomen, bermen, beplanting, speelvoorzieningen en begraafplaatsen (exclusief gebouwen). De drie speerpunten die genoemd zijn in het beleidsplan Groen, klimaat, biodiversiteit en leefbaarheid worden uitgedragen in de ontwikkeling en het beheer van het groen. Voor het dagelijks verzorgend onderhoud wordt het kwaliteitsplan onderhoudsniveau Openbare Ruimte gevolgd.

In het kader van groot onderhoud staan in 2026 de volgende projecten op de planning: - relinen van diverse strengen in o.a. de Bantuinweg, Cuneraweg, Veenendaalsestraatweg en koninginneweg; - aanleg verlenging riolering Cuneralaan - Vervangen riolering delen van de Cuneraweg, Zandweg, De Horst en De Dijk Financiële consequenties De kosten voor het onderhouden, beheren en vervangen van het rioolstelsel en de rioolvoorzieningen bestaat uit het dagelijks beheer en de investeringslasten van de renovaties, vervangingen en verbeteringen van de rioleringen. De financiering van de rioleringszorg wordt gedekt uit de rioolheffing. Voor de investeringen in riolering zijn de bedragen beschikbaar die overeenkomen met het Waterrioolplan 2022. Exploitatielasten riolering (x € 1.000)

2026

2027

2028

2029

Kapitaallasten (afschrijving en rente)

753

806

923

981

Overige beheers- en onderhoudskosten (exclusief personeel)

514

508

494

504

Totaal exploitatielasten riolering

1.267

1.315

1.417

1.486

Waarde kapitaalgoederen riolering (x € 1.000)

2026

2027

2028

2029

Investeringen riolering

18.041

19.173

22.278

23.864

Financiële consequenties Exploitatielasten openbaar groen (x € 1.000)

2026

2027 2028 2029

Kapitaallasten (afschrijving en rente)

44

103

101

103

Overige beheers- en onderhoudskosten (exclusief personeel)

474

464

475

465

Totaal kosten openbaar groen

517

567

575

568

Waarde kapitaalgoederen openbaar groen (x € 1.000)

2026

2027 2028 2029

Investeringen groen

205

1.367 1.335

Investeringen speelterreinen

157

156

1.301

153

154

3.3.5 Gebouwen De gemeente heeft ruim 30 gebouwen in haar bezit. De diversiteit is groot. Het betreft onder meer gebouwen voor de eigen bedrijfsvoering, multifunctionele accommodaties, scholen, gymzalen, brandweerkazernes , monumentale bouwwerken en enkele woningen voor de opvang van ontheemden. Voor de meeste gebouwen is de gemeente verantwoordelijk voor het eigenaarsbeheer. Dit bestaat uit het meerjarig onderhoud, de onderhouds- en storingscontracten, de renovatie/ vernieuwing/sloop en de contracten tot het gebruik van het object. Uitzondering zijn de scholen, doordat zij sinds 2015 zelf verantwoordelijk zijn voor het onderhoud van hun gebouwen. Als eigenaar draagt de gemeente de lasten voor afschrijving en rente (kapitaallasten) en beheerlasten als verzekeringen en heffingen. In 2026 zijn de volgend activiteiten gepland - In verband met verduurzaming en Hybride werken, wordt Huis van de gemeente (intern) verbouwd (vervangen van ventilatiesysteem en bouwen van diverse belteams overlegruimtes). 77

H 3.3.3 | ONDERHOUD KAPITAALGOEDEREN

Begroting 2026

- Onderhoudswerkzaamheden aan de monumentale stadsmuren verricht, denk aan herstel van het voegwerk en het verwijderen van de vele begroeiingen. - Ook worden diverse onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd, die in het geactualiseerde MJOP zijn opgenomen. - In verband met verduurzaming, worden bij 3 gebouwen (Dorpshuis Achterberg, Stadsmuseum en MFG Elst) voorbereidingen getroffen, en er zullen diverse onderzoeken plaats vinden, om deze gebouwen te verduurzamen. - Het vastgoed beleid word geactualiseerd. Financiële consequenties Exploitatie gebouwen (x € 1.000)

Begroting 2026 Lasten

Baten

Exploitatie saldo

Welzijn

508

-120

388

Sport

1.700

-909

791

Brandweer

135

-

135

Lijkbezorging

57

-

57

Gemeentelijk gebruik

535

-66

470

Monumenten

234

-5

229

Onderwijs

418

-246

172

Overig

719

-571

148

4.307

-1.917

2.390

Gebouwen totaal Waarde kapitaalgoederen gebouwen (x € 1.000)

2026

2027

2028

2029

Investeringen gebouwen

50.458

49.558

48.682

47.474

Via de link/qr-code vindt u de nadere specificatie van het exploitatiesaldo (lasten en

Specificatie exploitatie gebouwen in eigendom en beheer

baten) per soort gebouw voor 2026-2029.

78

Begroting 2026

§3.4 Financiering 3.4.0 Inleiding De wet- en regelgeving rond financiering bij decentrale overheden is grotendeels geregeld in de Wet financiering decentrale overheden (Fido) en de daarop gebaseerde ministeriele Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo). Deze regelgeving, de werkwijze en procedures van gemeente Rhenen zijn nader uitgewerkt in de financiële Verordening. De planning en uitvoering van treasury is opgenomen in deze paragraaf. De belangrijkste doelstelling van de regelgeving rondom financiering is het bevorderen van een stevige financieringspositie en uitstekende kredietwaardigheid van de gemeente Rhenen op de kapitaalmarkt. Hieronder volgt een toelichting op: 3.4.1 renterisico’s; 3.4.2 financieringsbehoefte; 3.4.3 rentemethodiek en renteresultaat en 3.4.4 schatkistbankieren.

3.4.1 Renterisico's Renterisico’s worden binnen de Wet Fido onderscheiden in het renterisico van de vlottende schuld en het renterisico van de vaste schuld. Voor beide soorten geldt binnen de Wet Fido een eigen norm. 3.4.1.1 Renterisico van de vlottende schuld: kasgeldlimiet De Wet Fido definieert vlottende schuld als opgenomen geldleningen met een looptijd korter of gelijk aan een jaar. Vlottende schuld, ook wel kortlopende financiering genoemd is in de regel goedkoper dan langlopende financiering. Echter, de rentelasten zijn meer aan fluctuaties onderhevig. Daarom is in de Wet Fido de omvang van de kortlopende financiering gemaximeerd door de kasgeldlimiet. Hiermee wordt voorkomen dat de fluctuatie van de korte rente een te grote invloed heeft op het niveau van de rentelasten in het begrotingsjaar. De kasgeldlimiet bedraagt voor 2026 € 5,9 miljoen. Dit betreft de omvang van de totale lasten exclusief reserves uit deze begroting (€ 69,8 miljoen) x wettelijk percentage van 8,50%.

Bij het aangaan van toekomstige kasgeldleningen zullen we rekening houden dat we niet boven bovengenoemde limiet uitkomen. 3.4.1.2 Renterisico van de vaste schuld: renterisiconorm De Wet Fido definieert vaste schuld als opgenomen geldleningen met een looptijd groter of gelijk aan een jaar. Het doel is het voorkomen van een te sterke afhankelijkheid van het renteniveau in een bepaald jaar. Om dat te bereiken mag het totaal aan renteherzieningen en aflossingen niet meer zijn dan 20% van het begrotingstotaal met een minimum van € 2,5 miljoen. De komende jaren ligt de renterisiconorm tussen de 4,63% en 5,70%. De verwachting is dat we met de huidige inschattingen van de leningenportefeuille (en een ongeveer gelijkblijvend begrotingstotaal) in de toekomst ook niet boven de renterisiconorm uitkomen. Renterisico (x € 1.000)

2026

2027

2028

2029

0

0

0

0

2. Aflossingen

3.233

3.899

3.899

4.033

3. Renterisico (1 + 2)

3.233

3.899

3.899

4.033

Renterisico in %

4,63%

5,66%

5,60%

5,70%

4. Renterisiconorm (20% van begrotingstotaal)

13.962

13.779

13.936

14.158

5. Bedrag renterisico (zie punt 3.)

3.233

3.899

3.899

4.033

6. Ruimte t.o.v. renterisiconorm (met een minimum van € 2,5 miljoen)

10.729

9.880

10.036

10.126

Ruimte t.o.v. renterisiconorm in %

15,37%

14,34%

14,40%

14,30%

Begrotingstotaal

69.810

68.895

69.679

70.791

Renterisico 1. Netto renteherziening

Toets renterisiconorm

79

H 3.3.4 | FINANCIERING

Begroting 2026

Huidige leningenportefeuille Met de spreiding van de looptijden van de vaste schulden wil de Wet Fido een sterke afhankelijkheid van het renteniveau in een jaar voorkomen. De leningenportefeuille in Rhenen bedraagt begin 2026 € 56,6 miljoen. In onderstaande tabel is het verloop van de langlopende geldleningen weergegeven. Vaste schulden met een rentetypische looptijd van 1 jaar of langer

Ultimo 2024

Ultimo 2025

Ultimo 2026

Ultimo 2027

Ultimo 2028

Ultimo 2029

53.460

56.627

63.394

59.495

55.595

51.696

0

0

0

0

4.000

8.867

53.460

56.627

63.394

59.495

59.595

60.563

Saldo huidige leningportefeuille (incl aflossingen hierop) Saldo aan te trekken leningen (incl aflossingen hierop) Totaal Vaste schulden met een rentetypische looptijd van 1 jaar of langer

3.4.2 Financieringsbehoefte Gemeenten lenen in de praktijk hoofdzakelijk voor investeringen. Het betreft vooral vervangingsinvesteringen. Voorbeelden hiervan zijn: investeringen in wegen, riolering, vastgoed, voertuigen, sportvelden. Bij het ontbreken van voldoende eigen middelen zal er geld geleend worden. Dit leidt tot een oplopende schuld. Naast de financieringsmiddelen die de gemeenten extern aantrekt op de kapitaalmarkt heeft de gemeente in de vorm van reserves en voorzieningen ook eigen financieringsmiddelen. Door de reguliere aflossingen op bestaande langlopende geldleningen (€ 2,8 miljoen) ontstaat een deel van de behoefte om te financieren. Financieringspositie 2026-2029 (x € 1.000)

In de tabel hieronder zijn de te financieren investeringen afgezet tegen de beschikbare financieringsmiddelen. In 2026 eindigen we met een financieringsoverschot van € 3,8 miljoen. Dit heeft vooral te maken met de lening die op begin 2026 gestort gaat worden van € 10 miljoen. De jaren erop is er een financieringstekort. Het betreffen cumulatieve cijfers. Oftewel als we in 2027 geld aantrekken zal ook het financieringstekort van 2028 en 2029 afnemen.

Ultimo 2026

Ultimo 2027

Ultimo 2028

Ultimo 2029

Lopende en voorgenomen investeringen per 1/1

97.141

101.564

101.773

102.762

Totale boekwaarde (a)

97.141

101.564

101.773

102.762

Stand van reserves en voorzieningen

37.698

37.789

37.480

38.066

Stand van vreemd vermogen lang (excl aan te trekken geldleningen)

63.394

59.495

55.595

51.696

Beschikbare financieringsmiddelen (b)

101.092

97.284

93.075

89.762

Financieringsoverschot / -tekort (a-b)

3.951

-4.280

-8.698

-13.000

Te financieren

Financieringsmiddelen

80

H 3.3.4 | FINANCIERING

Begroting 2026

3.4.3 Rentemethodiek en renteresultaat

3.4.4 Schatkistbankieren

De financiering van de investeringen gebeurt op basis van totaalfinanciering (met uitzondering van het Feel Fit Center). Dit betekent dat leningen die de gemeente aantrekt niet één op één zijn te koppelen aan investeringsprojecten. Alle rentelasten en baten worden verzameld in deelprogramma 7.2 “Overige algemene dekkingsmiddelen”. Om de rentelasten en baten te kunnen toerekenen aan de investeringen in de (deel)programma’s passen we de rente-omslagmethode toe. De omslagrente is voor het jaar 2026 1,59%. In de perspectiefnota werd nog uitgegaan van 1,39%. Door het verhogen van het rentepercentage voor nieuw aan te trekken geldleningen is ook de omslagrente hoger geworden. Dit heeft ook een nadelige uitwerking op de heffingen riolering en afval. Het omslagpercentage 2026 is ook gehanteerd om de rentelasten voor de jaren 2027 tot en met 2029 aan de (deel)programma’s toe te rekenen.

Schatkistbankieren houdt in dat tegoeden (liquide middelen) worden aangehouden in de Nederlandse schatkist. De wet verplicht dat alle decentrale overheden hun overtollige (liquide) middelen aanhouden in deze schatkist. Het woord overtollig verwijst naar alle middelen die decentrale overheden niet onmiddellijk nodig hebben voor de publieke taak (leveranciers en salarissen betalen bijvoorbeeld). De tegoeden bij het schatkistbankieren zijn op elk moment opneembaar. Over deze tegoeden wordt een rente vergoed die gelijk is aan de rentes die de Nederlandse staat betaalt op leningen die de Staat op de markt aantrekt. Medio augustus 2025 bedroeg de rente bij het verplicht Schatkistbankieren 1,92%.

Rentepercentage toerekening rentelasten aan de deelprogramma's (in x € 1.000) op basis van boekwaarde ultimo 2025 Rente a. Saldo werkelijke rentelasten minus rentebaten b. Doorbelasting rente aan grondexploitatie c. Doorbelasting rente aan investeringen in deelprogramma's

1.520 N 0N 1.520 N

Boekwaarde d. Boekwaarde investeringen (exclusief grondexploitatie) e. Omslagrente (c/d)

95.873 N 1,59%

Renteresultaat Het renteresultaat is het verschil tussen verwachte rentelasten en baten minus de toerekening van de rente aan de (deel)programma’s op basis van het renteomslagpercentage. Het renteresultaat voor 2026 is € 23.000. Dit betekent dat de rentelasten na aftrek van de rentebaten niet volledig zijn toegerekend aan de investeringen in de (deel)programma’s.

81

§3.5 Bedrijfsvoering Achterliggende informatie over de paragraaf Bedrijfsvoering Bedrijfsvoering heeft betrekking op alle activiteiten die nodig zijn om een organisatie te runnen. We bouwen de komende jaren aan de Rhenense bedrijfsvoering die meegroeit met de opgaven waar de organisatie voor staat. Dat vraagt om goede ondersteuning van het dagelijks werk en heldere keuzes in hoe we middelen en mensen inzetten. Voor inwoners, ondernemers en partners betekent dit dat we blijven doen wat nodig is, op een manier die werkt. Daarbij sturen we op kwaliteit, beheersbare kosten en rechtmatigheid. Met een vaste formatie moeten we kiezen en prioriteren We werken vanuit een vastgestelde formatie van 184,2 fte. Dit betekent dat we duidelijke keuzes moeten maken en prioriteiten stellen. We kunnen niet alles tegelijk. Als er keuzes nodig zijn, leggen we deze voor aan de gemeenteraad. Vast personeel is de basis, inhuur blijft soms nodig Voor een stabiele bedrijfsvoering zijn teams van vaste medewerkers belangrijk. Zij moeten beschikken over de juiste kennis en inzetbaar blijven op de lange termijn. Inhuur blijft nodig, bijvoorbeeld bij vervanging door ziekte of moeilijk in te vullen vacatures. Tegelijkertijd zetten we in op het terugdringen van structurele inhuur.

Goede middelen helpen medewerkers hun werk te doen Zowel vaste als tijdelijke medewerkers hebben betrouwbare en moderne ondersteuning nodig. Denk aan een veilige en stabiele ICT-omgeving, een goed georganiseerde informatiehuishouding en een stevige informatiebeveiliging. Sturen op inzicht en ontwikkeling We ontwikkelen de organisatie verder, met meer zicht op wat het werk oplevert voor inwoners en partners. Om kosten te beheersen en tijdig bij te sturen, sturen we steeds meer op data en meetbare doelen. Bijvoorbeeld via KPI’s voor verzuim, financiële sturing en dienstverlening. We zetten in op personeel en organisatiekracht We werken aan een organisatie die goed functioneert en past bij deze tijd. Daarbij gaan we uit van onze kernwaarden: samenwerken, flexibel zijn, vertrouwen geven en verantwoordelijkheid nemen. Deze waarden vormen de basis van ons werk. Zo zorgen we voor goede

Begroting 2026

dienstverlening aan inwoners, ondernemers, bezoekers en maatschappelijke organisaties. Tegelijk willen we een aantrekkelijke werkgever zijn én blijven. We investeren in goed werkgeverschap We werken met een formatie van 184,2 fte. In 2026 en verder willen we minder afhankelijk zijn van externe inhuur. Daarom investeren we in arbeidsmarktcommunicatie en in werving en selectie. Zo trekken we de juiste medewerkers aan en zorgen we dat ze zich aan onze organisatie willen verbinden. Daarnaast blijven we inzetten op goed werkgeverschap, het voorkomen en terugdringen van ziekteverzuim en de ontwikkeling van medewerkers. Inhuur gericht terugbrengen en zorgvuldig inzetten Externe inhuur zetten we alleen in als het echt niet anders kan. Dat doen we in vier situaties: • Bij langdurige ziekte (kortdurende uitval lossen we intern op door het werk te prioriteren); • Bij vacatures die moeilijk te vervullen zijn; • Bij specialistische kennis die tijdelijk nodig is; • Bij piekmomenten met een grote hoeveelheid werk.

Gericht terugbrengen van inhuur We willen de inzet van externe inhuur de komende jaren terugbrengen: • Van 28,8% in 2024 • Naar 25,3% in 2025 • En uiteindelijk 18,8% in 2026 (zonder de Boa’s, zie toelichting bij tabel ‘Verwachte inhuur 2026 vooraf begroot’) Dit doen we door gerichte werving, het versterken van goed werkgeverschap, het beperken van ziekteverzuim en het zorgvuldig afwegen van elke aanvraag voor inhuur. Kaders van de raad als leidraad De gemeenteraad heeft via moties en amendementen duidelijke kaders meegegeven. Deze kaders zijn voor ons leidend: • De inhuurkosten mogen niet hoger zijn dan het laatst bekende percentage uit de Personeelsmonitor van het A&O Fonds, voor gemeenten met 20.000 tot 50.000 inwoners (18,8%). Dit geldt niet voor inhuur die volledig wordt gefinancierd uit uitvoeringsmiddelen of subsidies van de provincie of het Rijk. 82

H 3.3.5 | BEDRIJFSVOERING

Begroting 2026

• Inhuur vindt alleen plaats binnen het vooraf vastgestelde budget. • We rapporteren over de voortgang in de planning- en controlrapportages. • De formatie is maximaal 184,2 FTE. Als er tussentijds uitbreiding nodig is, kan het college een goed onderbouwd voorstel doen aan de raad. • Er is een duidelijke scheiding tussen inhuur binnen- en buitenformatief. We zetten de daling van ziekteverzuim voort In 2025 is het ziekteverzuim gedaald naar 8,42%. Het landelijk gemiddelde ligt volgens de personeelsmonitor van het A&O fonds op 6,7%. In 2026 willen we deze daling voortzetten. We blijven inzetten op vitaliteit en duurzame inzetbaarheid. We signaleren op tijd, voeren gesprekken, bieden coaching en begeleiding. Ook letten we op een goede balans tussen werkdruk en belastbaarheid. We zijn ons bewust van de hoeveelheid werk en doen er alles aan om verzuim te voorkomen.

Ziekteverzuimpercentage 12% 11,1% 9,4%

8% 4% 0%

8,1% 6,0% 5,6%

7,8% 5,8%

2020

2021

Rhenen

Nederland

6,7%

2022

8,4% 6,5%

2023

2024

Vitaliteit krijgt een vaste plek in ons beleid In 2025 zijn we gestart met het opstellen van een beleidsplan voor vitaliteit. We zijn toen ook begonnen met eerste activiteiten op dit gebied. In 2026 ronden we het beleidsplan af en geven we vitaliteit een vaste plek in onze organisatie. Leren en ontwikkelen zijn belangrijk voor de toekomst De wereld verandert snel en dat vraagt veel van medewerkers en organisaties. In 2026 maken we beleid voor leren en ontwikkelen. Zo zorgen we dat medewerkers mee kunnen bewegen met veranderingen en zich verbonden voelen met de organisatie.

We voeren het arbobeleidsplan uit In 2025 is het arbobeleidsplan opgesteld. In 2026 voeren we de acties uit die hieruit voortkomen. We richten ons op het voorkomen van verzuim en het goed begeleiden van medewerkers die ziek zijn geweest. We voeren het informatiebeleidsplan verder uit In 2026 voeren we het informatiebeleidsplan 2024–2028 verder uit. We richten ons op professioneel informatiemanagement, veilige opslag en goed beheer van informatie. We bereiden nieuwe applicaties zorgvuldig voor en zoeken tegelijk naar manieren om kosten te besparen en processen te verbeteren. Het nieuwe personeelssysteem gaat live Vanaf 1 januari 2026 gebruiken we het nieuwe personeelssysteem dat in 2025 is gekozen en ingericht. In 2026 verbeteren we het systeem verder. Door automatisering krijgen we sneller inzicht en wordt het systeem makkelijker voor medewerkers en leidinggevenden. We vervangen het verouderde financiële systeem Het huidige financiële systeem wordt na 2026 niet meer ondersteund. In 2026 starten we met de voorbereiding van een nieuw systeem dat beter aansluit op moderne ICT en minder handmatig werk vraagt. We willen het nieuwe systeem in 2027 in gebruik nemen. Digitaal ondertekenen bespaart tijd en geld We willen documenten digitaal ondertekenen om efficiënter te werken. Dit bespaart papier, tijd en kosten.

We zeggen drie applicaties op Vanaf 2026 stoppen we met minstens drie softwarelicenties. Zo besparen we jaarlijks €20.000 op licentiekosten. Dit past bij de afgesproken ombuiging op ICT-uitgaven. Maar, zoals in dezelfde ombuiging staat, kost de overstap naar Cloud-systemen, nieuwe koppelingen en strengere wetgeving meer geld voor de software die we wel blijven gebruiken. Soms tot wel €10.000 per licentie. In totaal verwachten we voor sommige softwarepakketten een stijging van €25.000. We maken hiervoor een raadsvoorstel. We maken keuzes over de toekomst van ICT In 2025 ontvangen we resultaten van een benchmarkonderzoek. Op basis daarvan beslissen we hoe we ICT gaan organiseren: zelf doen, uitbesteden of samenwerken met anderen. 83

H 3.3.5 | BEDRIJFSVOERING

Implementeren Europese wetgeving NIS2 De NIS2-richtlijn (Network and Information Security Directive 2) is een Europese maatregel die als doel heeft de digitale weerbaarheid van lidstaten te versterken. In Nederland wordt deze richtlijn geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet (Cbw), die de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) zal vervangen. Hoewel de NIS2-richtlijn sinds 17 oktober 2024 van kracht is in de EU, is de nationale implementatie in Nederland vertraagd. De verwachting is dat de Cyberbeveiligingswet in het tweede kwartaal van 2026 in werking treedt. We volgen de ontwikkelingen en houden de raad tenminste tweemaal per jaar op de hoogte van concrete plannen en acties.

Begroting 2026

we prioriteiten stellen en resultaten beter in beeld brengen. Dat helpt bij verantwoording, keuzes en ondersteunt het gesprek met gemeenteraad en inwoners. Rechtmatigheid en inkoop Heldere regels, zorgvuldige uitvoering In 2026 werken we verder aan de aanbevelingen van de accountant. Eén van de belangrijkste doelen is om 4 contracten opnieuw aan te besteden zodat deze rechtmatig zijn. Alleen bij langlopende contracten is dit wellicht niet mogelijk. Verder brengen we de GIS qua rechtmatigheid op orde en blijven budgethouders opleiden en begeleiden.

Financiën en planning & control Stevige financiële basis en betere sturing We gaan aan de slag met het verbetertraject voor de planning & control-cyclus waaronder het versterken van de (financial) control en de verdere ontwikkeling van de rapportages. Daarmee verwachten wij in 2026 een zichtbare kwaliteitsverbetering op gebied van control te realiseren. De invoering van het nieuwe financiële systeem helpt ons om handmatige fouten te beperken en zorgt voor betere informatievoorziening. Dit geldt ook voor het gebruik van digitale dashboards middels power BI. Verder gaan de duidelijke afspraken in de (nieuwe) financiële verordening bijdragen aan de kwaliteit van de bestuurlijke informatievoorziening en behoren de verschillende interpretaties daarmee tot het verleden. ‘Inkoop op orde’ krijgt een vervolg met aandacht voor naleving van regels en het voorkomen van onrechtmatigheden. Communicatie en participatie We passen onze communicatie nog meer aan op wat inwoners nodig hebben We werken steeds meer op basis van data. We analyseren wat inwoners belangrijk vinden en stemmen onze communicatie daarop af. Daarbij betrekken we inwoners actief, zodat hun stem beter terugkomt in onze plannen en boodschappen. In 2026 starten we ook een pilot waarin we AI gebruiken bij het schrijven van teksten. Dit helpt om het werk slimmer en sneller te doen.

Datagedreven werken en informatievoorziening Inzicht als basis voor keuzes We ontwikkelen datagedreven werken verder om keuzes beter te kunnen onderbouwen en gericht te kunnen sturen. Door meer gebruik te maken van betrouwbare data en KPI’s kunnen 84

H 3.3.5 | BEDRIJFSVOERING

Begroting 2026

Personele capaciteit Formatie

Begroting 2026

Begroting 2025

Vaste bezetting JRR 2024

Fte/personen

(x € 1.000)

Fte/personen

(x € 1.000)

Fte/personen

(x € 1.000)

Totaal

191,15

17.368 N

191,28

16.754 N

168,70

14.296 N

Bestuur

6,94

818 N

6,94

774 N

6,94

766 N

Organisatie

184,21

16.550 N

184,34

15.980 N

161,76

13.530 N

Bestuur

6,94

818 N

6,94

774 N

6,94

766 N

Gemeenteraad*

19,00

369 N

19,00

333 N

19,00

326 N

College

4,60

577 N

4,60

542 N

4,60

547 N

Raadsgriffie

2,34

241 N

2,34

232 N

2,34

219 N

Rekenkamer*

3,00

11 N

3,00

11 N

3,00

8N

Organisatie

184,21

16.550 N

184,34

15.980 N

161,76

13.530 N

Integraal management team

4,00

619 N

4,00

602 N

3,00

445 N

Cluster Bedrijfsvoering

68,70

6.041 N

69,98

5.834 N

54,97

4.545 N

Cluster Dienstverlening

5,12

395 N

5,22

382 N

5,46

402 N

Cluster Fysiek

69,71

6.043 N

67,83

5.828 N

63,02

5.103 N

Cluster Sociaal Maatschappelijk

36,68

3.451 N

37,31

3.334 N

35,31

3.036 N

* Deze aantallen zijn in personen i.p.v. fte en worden niet in de totaaltelling meegenomen

85

H 3.3.5 | BEDRIJFSVOERING

Begroting 2026

Ontwikkeling formatie en inhuur In de begroting 2026 bedraagt de totale formatie 184,21 FTE.

Overhead

Overhead weer op niveau van 2022

Formatie per 1.000 inwoners blijft stabiel

15,51%

9,3% 9,0%

8,9%

15,22%

9,0%

2022

14,38%

14,35%

8,3%

Rhenen

15,07%

2023

2024

2025

2026

Definitie: het gaat hier om de toegestane formatie per 1.000 inwoners van de organisatie op peildatum 31 december. Toelichting: met een minimale stijging van inwoneraantallen, blijft de formatie per 1.000 inwoners stabiel. De totale formatie blijft, conform raadsbesluit, in 2026 gelijk aan de 2 jaren daarvoor.

Rhenen

2022

2023

2024

2025

2026

Definitie: overheadkosten zijn alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces als percentage van de totale lasten (exclusief reserves). Toelichting: overhead als percentage van de totale lasten daalt en zit weer op het niveau van 2022.

Inhuur Apparaatskosten

Verwachte inhuur 2026 vooraf begroot 28,8% 23,8%

25,3%

Apparaatskosten stijgen door reële ramingen inhuur

25,3% 19,5%

€ 1.020

€ 1.156

€ 1.190

€ 1.253

2024

2025

2026

€ 835

Rhenen

2022

2023

2024

2025

2026 Rhenen

Definitie: onder externe inhuur wordt verstaan het uitvoeren van werkzaamheden in opdracht van een bij de organisatie in dienst zijnde opdrachtgever, door een private organisatie met winstoogmerk, door middel van het tegen betaling inzetten van personele capaciteit en deskundigheid, zonder dat daar een arbeidsovereenkomst of aanstelling tussen organisatie en de daarbij ingezette personen aan ten grondslag ligt. Toelichting: de in de begroting geraamde inhuur betreft een percentage 19,5% voor het jaar 2026. Dat wijkt af van de 18,8% die we als norm hanteren. Dat komt omdat in de 19,5% de inhuur van BOA’s is meegenomen, De BOA’s hebben we bij de 18,8% niet meegenomen als inhuur, maar gerekend onder inkoop..

2022

2023

Definitie: apparaatskosten (ofwel organisatiekosten) zijn de noodzakelijke financiele middelen voor het inzetten van personeel (salarissen), organisatie-, huisvestings-, materieel-, automatiseringskosten e.d. voor de uitvoering van de organisatorische taken. Apparaatskosten zijn dus alle personele en materiele kosten die verbonden zijn aan het functioneren van de organisatie, exclusief griffie en bestuur per 1.000 inwoners. Toelichting: de apparaatskosten nemen toe. Dit is vooral het effect van de van het reële ramen van de inhuur en de jaarlijkse verhoging van de personeelslasten door de CAO voor gemeenteambtenaren en werkgeverslasten. 86

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16044010/3