CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Bestemmingsplan Rhenen Cuneraweg 266

Raadsvergadering 20 december 2022, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Ongewijzigd vaststellen bestemmingsplan Rhenen, Cuneraweg 26619.952 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

28

Toetsing Met het voorliggende plan wordt geen nieuwe geluidshindergevoelige functie mogelijk gemaakt. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Ten aanzien van het aspect geluid geldt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de beoogde ontwikkeling op deze locatie. 4.1.5

Geluid industrielawaai 4

Door TecMaP is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de ter verwachten geluiduitstraling van de voorgenomen activiteiten op het perceel Cuneraweg 266 te Rhenen. Uit de rekenresultaten en toetsing blijkt het volgende: Directe hinder: Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) bedraagt ter plaatse van woningen en op 30 meter afstand minder dan 45 dB(A) etmaalwaarde. Er wordt ruimschoots voldaan aan de normstelling volgens het Activiteitenbesluit. Het maximale geluidniveau (LAmax) bedraagt ter plaatse van woningen minder dan 65 dB(A). Er wordt ten aanzien van de maximale geluidniveaus voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Op 30 meter afstand kunnen maximale geluidniveaus ontstaan tot maximaal 67 dB(A). De grenswaarde zoals voorgesteld in de VNG-publicatie wordt met 2 dB overschreden. Indirecte hinder: De geluidbijdrage vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt bedraagt ter plaatse van woningen aanmerkelijk minder dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Volgens de Circulaire indirecte hinder is er dan geen hinder te verwachten vanwege het verkeer dat van en naar de inrichting rijdt. Uit bovenstaande blijkt in ieder geval dat de voorgenomen activiteiten niet zullen resulteren in een aantasting van het woon- en leefklimaat bij de geluidgevoelige objecten.

Ook blijkt dat binnen het perceel verschillende activiteiten mogelijk zijn binnen de normstelling volgens het Activiteitenbesluit. De overschrijding van de maximale geluidniveaus ontstaat recht tegenover de in- en uitrit van het bedrijf. In principe treden deze overschrijdingen op bij ieder bedrijf waar vrachtwagens/tractoren tijdens de dagperiode wegrijden. Hiertoe behoren ook bedrijvigheden volgens milieucategorie 2. Omdat ter hoogte van geluidgevoelige objecten, die overigens op kortere afstand van het bedrijf zijn gelegen, wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 65 dB(A), is de voorgenomen bedrijvigheid vergelijkbaar met een bedrijvigheid volgens milieucategorie 2. Conclusie Ten aanzien van het aspect geluid geldt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de beoogde ontwikkeling op deze locatie.

4

Akoestisch onderzoek Cuneraweg 266 te Rhenen, Referentie: 20200103-02, TecMaP 3007-2021. 29

4.1.6

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

Toetsing In het plangebied worden een bedrijf in verhuur van opslagruimtes en een werkplaats mogelijk gemaakt. Een werkplaats is een beperkt kwetsbaar object. In het kader van het voorliggende plan is de risicokaart geraadpleegd (zie volgende afbeelding).

Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied

30

De risicobronnen in de omgeving van het plangebied zijn weergegeven op bovenstaande kaart. Binnen 1 kilometer van het plangebied zijn de volgden risicobronnen aanwezig: Inrichting; Transportroute over de weg (N233). Beperkte verantwoording groepsrisico Wettelijk kader Ten aanzien van het groepsrisico van de genoemde risicobronnen dient te worden ingegaan op de elementen van de verantwoording uit artikel 7 van het Bevt. Het heeft hier dan betrekking op zelfredzaamheid en beheersbaarheid/bestrijdbaarheid: a de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Beheersbaarheid / bestrijdbaarheid Allereerst is het voor de bestrijdbaarheid van een ramp of zwaar ongeval van belang om de aanrijdtijden van de brandweer voor het plangebied te inventariseren. Vanuit de brandweerkazerne Rhenen is de locatie binnen 4 minuten te bereiken, vanuit de brandweerkazerne Veenendaal binnen 5 minuten. Het uitgangspunt van het dekkingsplan van de brandweer is een opkomsttijd binnen acht minuten.

Geconcludeerd wordt dat het plangebied en diens directe omgeving goed bereikbaar is voor de brandweer. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid bij het toxische scenario worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Ten aanzien van het brandbare scenario, zet de brandweer eveneens in op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied.

Verloop bij grootschalig brandweer optreden (Bron: Scenarioboekev.nl) 31

Wel is het van belang dat zich in het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen bevinden. Het is te veronderstellen dat gezien het gegeven dat op de locatie nieuwbouw wordt gerealiseerd, voldoende voorzieningen hiervoor aanwezig zijn. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen en/of er een explosie plaatsvindt, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde toxische incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Immers, schuilen binnen de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit te overleven.

Schuilen binnen de locatie is mogelijk binnen de nieuwbouw, zeker gezien het feit dat de bebouwing als gevolg van de hedendaagse energieprestatie-eisen goed geïsoleerd is en derhalve voldoet aan de nodige veiligheidseisen. Bovenstaand advies is ook van toepassing op het brandbare scenario. Echter, ook vluchtwegen van de bron af, in dit geval richting noordwestelijke en zuidoostelijke richting via de Cuneraweg, behoren tot de mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Advies veiligheidsregio De Veiligheidsregio Utrecht is in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over 5 onderhavig plan. Zij hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid en het advies is opgenomen in de bijlagen. De veiligheidsregio adviseert om de volgende maatregelen te treffen: 1. Zelfredzaamheid Er dienen vluchtmogelijkheden van de bron af aanwezig te zijn. In dit geval van een dreigende ontploffing op de Cuneraweg. 2. Toereikende bluswatervoorziening Voor de bluswatervoorziening en daarmee de bestrijdbaarheid dient het gebied te voldoen aan de handreiking bluswatervoorziening van de VRU. 3. Risicocommunicatie Om te zorgen dat de personen in het getroffen of bedreigde gebied beter op de hoogte zijn van de mogelijkheden om zich in veiligheid te stellen is een goede risicocommunicatie van groot belang.

5

Veiligheidsregio Utrecht. Advies voorontwerpbestemmingsplan Cuneraweg 266 te Rhenen. 5 juli 2022. 32

Conclusie Het aspect externe veiligheid leidt niet tot belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.1.7

Luchtkwaliteit Algemeen De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. De wet is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om negatieve effecten op de volksgezondheid als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken. De wet voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. NIBM Bij besluitvorming is het van belang om te bepalen of een initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit. In de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM zijn uitvoeringsregels vastgesteld die betrekking hebben op het begrip NIBM. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10 In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Er geldt dat voor woningbouwlocaties met minder dan 1.500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) of 3.000 woningen (in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) geen beoordeling op luchtkwaliteit meer hoeft plaats te vinden. Toetsing NIBM Er is een berekening gemaakt middels de NIBM-tool. Voor de toename van het aantal verkeersbewegingen is hierbij uitgegaan van de representatieve bedrijfssituatie zoals opgenomen in het akoestisch onderzoek industrielawaai. Er is sprake van een toename van 22 voertuigbewegingen per etmaal, waarvan 4 voertuigbewegingen zwaar verkeer (niet zijnde personenauto’s) betreft. De resultaten van de NIBM-tool zijn hierna weergegeven.

33

3

2

Uit de berekening blijkt dat de planbijdrage 0,04 µg/m is voor NO (stikstofdioxide) en 0,01voor PM10 (fijn stof). Hiermee blijven deze planbijdragen ver onder de grens voor ‘NIBM’. Een nader onderzoek is daarom niet nodig. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden onderzocht wat de blootstelling is, om te kunnen beoordelen of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In dit kader is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Deze geeft voor 2015 inzicht in de achtergrondwaarden (verwacht kan worden dat deze achtergrondwaarden, zoals overal in Nederland, alleen maar verbeterd zijn). De afbeeldingen hierna geven een impressie van de achtergrondwaarden van resp. stikstofdioxide (NO 2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5).

2

Afbeelding achtergrondconcentraties stikstofdioxide (NO ) met aanduiding plangebied (ster) (bron: Atlas Leefomgeving)

34

Afbeelding achtergrondconcentraties fijnstof (PM10) met aanduiding plangebied (ster) (Bron: Atlas Leefomgeving)

Afbeelding achtergrondconcentraties fijnstof (PM 2,5) met aanduiding plangebied (ster) (Bron: Atlas Leefomgeving) Uit voorgaande blijkt het volgende: 3 De achtergrondconcentratie voor stikstofdioxide (NO 2) bedraagt ca. 16-18 µg/m 3 (de grenswaarde is 40 µg/m ). 3 De achtergrondconcentratie voor fijn stof (PM10) bedraagt ca. 18-19 µg/m (de 3 grenswaarde is 40 µg/m ). 3 De achtergrondconcentratie voor zeer fijn stof (PM2,5) bedraagt ca. 11-12 µg/m 3 (de grenswaarde is 25 µg/m ). Conclusie is dat dat de achtergrondwaarden van de luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) relatief laag zijn en ver onder de wettelijke grenswaarde liggen. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de blootstelling hiermee geen belemmering. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de luchtkwaliteit niet 'in betekenende mate' zal verslechteren. Ook vormt de blootstelling geen belemmering. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

35

4.2

Cultuurhistorie en archeologie

4.2.1

Cultuurhistorie Algemeen Naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten is het ook van belang om cultuurhistorische waarden in kaart te brengen bij ruimtelijke planvorming. Om die reden is een korte analyse verricht van de cultuurhistorische waarden ten aanzien van dit project. Toetsing In en in de omgeving van het plangebied bevinden zich geen bouwwerken met cultuurhistorische (steden)bouwkundige waarden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen bestaan ten aanzien van onderhavig plan.

4.2.2

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. De erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: “de veroorzaker betaalt”. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief “in situ” (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Toetsing Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Rhenen ligt het plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Binnen deze hoge verwachting 2 is voorafgaand aan bodemingrepen van 100 m die tevens dieper reiken dan 40 cm beneden het huidige maaiveld, vooraf een archeologisch onderzoek nodig.

De graafwerkzaamheden welke betrekking hebben op het realiseren van de landschappelijke inpassing zullen niet dieper gaan dan 0,4 m, hiermee wordt binnen de maximale diepte gebleven die is uitgezonderd van archeologisch onderzoek. De grondwerkzaamheden welke gepaard gaan met de sloop van overtollige bebouwing worden met grote precisie uitgevoerd. De beperkte grond die met de sloop geroerd zal worden is al eerder geroerd tijdens de bouw van de gebouwen. Er zullen met betrekking tot de sloop geen grondwerkzaamheden plaatsvinden buiten de al eerder geroerde gronden. Om verder toekomstige verstoring van archeologische waarden te voorkomen, is de dubbelbestemming inzake archeologie, uit het vigerende bestemmingsplan, overgenomen in dit bestemmingsplan.

36

Conclusie Het aspect ‘archeologie’ leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan. De archeologische dubbelbestemming uit het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied’ wordt in dit bestemmingsplan overgenomen.

4.3

Natuur

4.3.1

Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om de projectlocatie. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, dient eerst een onderzoek uitgevoerd te worden in het kader van de Wet natuurbescherming (die zowel toeziet op de gebiedsbescherming als de soortenbescherming) en eventuele andere betrokken natuurregelgeving. Uit dit onderzoek moet blijken of met de ingrepen negatieve effecten op beschermde gebieden en soorten zijn te verwachten en of daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing noodzakelijk is.

4.3.2

Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De provincie Utrecht hanteert geen externe werking als het gaat om NNN, de ontwikkeling hoeft daarom niet te worden getoetst aan de Ruimtelijke Verordening. Het plangebied ligt op circa 2 km afstand van Natura 2000-gebied Binnenveld. In Natura 2000-gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie. In het plangebied is in de huidige situatie een grondgebonden veehouderij aanwezig, welke een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet heeft voor het houden van 38 stuks overig rundvee en 39 stuks vrouwelijk jongvee (in totaal 513,1 kg NH3 per jaar). In de toekomstige situatie wordt deze grondgebonden veehouderij beeindigd. Dit betekent dat er sprake zal zijn van een afname van de stikstofuitstoot en een significante verbetering voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden is daarom uit te sluiten Soortenbescherming Het voorliggende plan ziet onder andere op de sloop van twee schuren, de sanering van een gronddepot en de realisatie van een klompenpad. Het is op voorhand niet uit te sluiten dat deze activiteiten een negatief effect hebben op beschermde planten- en diersoorten.

Er is daarom een quick scan beschermde planten en diersoorten uitge6 voerd inzake de ontwikkeling binnen het plangebied naar het voorkomen van beschermde soorten.

6

Quickscan ecologie, Cuneraweg 266 te Rhenen, Advies bureau Mertens B.V., kenmerk 2021.3936, september 2021. 37

Flora Het plangebied aan Cuneraweg 266 te Rhenen is volledig in cultuur gebracht. Gedurende het verkennend veldonderzoek op donderdag 16 september 2021 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten. Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen van vleermuizen kan volledig worden uitgesloten in de te slopen loodsen. De plannen voor de overige opstallen zijn conserverend waardoor effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen op voorhand kunnen worden uitgesloten. In de loodsen zijn geen geschikte openingen vastgesteld waarin vleermuizen kunnen verblijven. Het ontbreekt aan geschikte openingen in muren en dak. In de muren en het dak ontbreekt het aan geschikte gaten waarin vleermuizen zich kunnen ophouden. Er zijn geen open stootvoegen en het dak is volledig dicht. Alle muren zijn ook enkelwandig.

Gedurende het verkennend veldonderzoek zijn ook geen sporen van vleermuizen vastgesteld zoals keutels en afgebeten vleugels van vlinders. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Met de realisatie van de plannen gaan geen landschapselementen verloren voor vleermuizen. De loodsen vormen namelijk geen onderdeel in een doorgaand landschapselement. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen kunnen derhalve worden uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in het plangebied of aansluiten op het plangebied. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger als gevolg van de aanwezige ecotopen (cultuurgroen, verhardingen). Het plangebied is nu niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet negatief verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieve foerageerplaatsen aanwezig. Negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten.

Overige zoogdieren Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging wordt het de aanwezigheid van overige beschermde zoogdieren uitgesloten. Voor steenmarters ontbreken geschikte openingen en gaten om zich in op te houden.

38

Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op donderdag 16 september 2021 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. De plannen voor de overige opstallen zijn conserverend waardoor effecten op nesten van vogels op voorhand kunnen worden uitgesloten. De te slopen loodsen aan Cuneraweg 266 te Rhenen bezitten geen geschikte mogelijkheden voor vogels om in te verblijven. In de muren en daken ontbreekt het aan gaten waarin mussen, gierzwaluwen, kerk- en steenuil kunnen nestelen. Negatieve effecten op nesten en eieren van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen derhalve worden uitgesloten. Direct rond de loodsen kunnen algemene broedvogels broeden zoals roodborst en merel. In verband met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Amfibieën Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging kan de aanwezigheid van amfibieën volledig worden uitgesloten in het plangebied aan Cuneraweg 266 te Rhenen.

Vissen Door het ontbreken van oppervlaktewater in het plangebied Cuneraweg 266 te Rhenen, wordt de aanwezigheid van vissen uitgesloten. Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopen van het plangebied en directe omgeving ten opzichte van de verspreiding van reptielen, kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. In en rond het plangebied ontbreekt het bijvoorbeeld aan hopen organisch materiaal die dienst kunnen doen als broeihoop voor de ringslang. Het voorkomen van en negatieve effecten op reptielen kan derhalve worden uitgesloten. Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a. diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen. Negatieve effecten op overige beschermde diersoorten worden derhalve uitgesloten. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de functiewijziging aan de Cuneraweg 266 te Rhenen met bijbehorende activiteiten is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. 4.3.3

Conclusie Het aspect ‘natuur’ leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

39

4.4

Water

4.4.1

Beleidskader Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden.

Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning. Nationaal waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties. Waterplan Rhenen Het Waterplan “een berg mooi water” is door de gemeenteraad vastgesteld op 26 april 2005 en heeft ten doel effectief en efficiënt om te gaan met water in de gemeente.

De watervisie beschrijft de beoogde ontwikkeling van het water tot 2025. Het waterplan gaat in op de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterketen. Bij de streefbeelden

40

voor het bebouwd gebied ligt de nadruk op het saneren van riooloverstorten en het afkoppelen van verhard oppervlak. Voor onderhavig plan zijn de volgende relevante streefbeelden voor 2025 te noemen: Grondwateroverlast komt niet voor. Alle in- en uitbreidingen (vanaf 2005) zijn waterneutraal. Bij nieuwbouw (vanaf 2005) worden geen uitlogende materialen toegepast, zoals zink, koper en lood. Vanaf 2005 wordt in in- en uitbreidingen het regenwater van schone oppervlakken niet op de riolering geloosd. In Elst, Rhenen en Achterberg is circa 30 % van het verharde oppervlak van de riolering afgekoppeld (ten opzichte van 1998, onder voorbehoud van voldoende financiële middelen). In het waterplan is eveneens vermeld op welke plannen de watertoets van toepassing is op basis van de richtlijnen in de “Handreiking Watertoets 2”. Het benodigd overleg is afhankelijk van het soort plan en de mogelijke gevolgen voor het watersysteem. Het hiernavolgend wateradvies gaat hier nader op in. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. 4.4.2

Toetsing Onderhavig plan betreft de functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar nietagrarische bedrijven. Er vindt geen toename van de bebouwing plaats, sterker nog; de hoeveelheid bebouwing neemt af. Dit heeft in algemene zin een positief gevolg voor de waterhuishouding omdat het afstromen van hemelwater van bebouwing en verharding zal afnemen. 7

Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen. Hieruit volgt dat het plan vanuit de waterhuishouding bezien, voor het waterschap beperkt van belang is. De motivatie daarvoor is dat plannen zonder (nieuwe) ontwikkelingsmogelijkheden, zoals functiewijzigingen en actualisaties, nauwelijks tot geen effect hebben op de waterhuishouding. Dit betekent dat geen essentieel waterbelangen wordt geraakt en het waterschap op basis daarvan een positief wateradvies geeft. 4.4.3

Conclusie Het aspect ‘water’ leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig plan. De watertoets is doorlopen.

7

Watertoets, wateradvies voor ruimtelijke plannen met geen waterbelang, Waterschap Vallei en Veluwe, dossiercode 20200325-10-22838, 25 maart 2020. 41

4.5

Verkeer en parkeren

4.5.1

Verkeer Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Het plangebied is ontsloten aan de Cuneraweg. Vanaf hier zal het verkeer worden afgewikkeld via de N233 een belangrijke provinciale verkeersader. De verhuur van opslagruimtes en een werkplaats heeft een verkeersaantrekkende werking. In het akoestisch onderzoek industrielawaai is dit in beeld gebracht en blijkt dat het om circa 22 voertuigbewegingen per dag gaat. Aangenomen kan worden dat de Cuneraweg deze verkeersbewegingen zonder problemen kan verwerken en dat het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid.

4.5.2

Parkeren De gemeente Rhenen heeft voor het aspect parkeren gemeentelijk beleid vastgesteld in de beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds, welke is vastgesteld op 14 april 2011. Voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen dient gekeken te worden naar het functietype en waar de functie zal worden gerealiseerd. In navolgende tabel zijn de parkeernormen voor weergegeven: Functie

Omvang

Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief

1331 m Bvo

2

Parkeernorm buiten centrumgebied

Totale parkeerbehoefte

Max 0,9

12

Min 0,8

11

Bron: Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds Het inrichtingsplan voor de locatie ziet op de realisatie van 12 parkeerplaatsen op eigen terrein. De realisatie van deze parkeerplaatsen is bovendien in dit plan gewaarborgd, doordat het gemeentelijk parkeerbeleid in de regels is vastgelegd. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

42

5 5.1

Economische uitvoerbaarheid Inleiding Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Doorgaans is relevant de vraag of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag omhelst tevens eventuele planschade.

5.2

Beoordeling plan Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Het project zelf wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkeling van de locatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening en de anterieure exploitatieovereenkomst aan de initiatiefnemer worden doorberekend.

5.3

Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het bouwplan is voldoende aangetoond.

43

6 6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg Met de inwerkingtreding van de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure is de verplichte inspraak, alvorens een ontwerpbestemmingsplansplan ter inzage te leggen, komen te vervallen. Ook de Wet ruimtelijke ordening verplicht gemeenten niet meer tot het bieden van de mogelijkheid tot inspraak. Het Besluit ruimtelijke ordening doet dat evenmin. Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

6.2

Zienswijzen Op de procedure van het bestemmingsplan is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan heeft het ontwerpbestemmingsplan Rhenen, Cuneraweg 266 van 4 augustus 2022 tot en met 14 september 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken aan de gemeenteraad. Er zijn geen zienswijzen naar voren gebracht.

44

7 7.1

Wijze van bestemmen Inleiding Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, de planregels en een verbeelding. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding, bestaande uit een lijn, een figuur, een lettercode etc.. Via een aanduiding wordt in de planregels iets specifieks geregeld. Dit kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook eigen regels hebben. Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming betekent dat voor gronden meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming en soms gelden er een of meerdere dubbelbestemmingen.

In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra regels in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

7.2

Algemene methodiek Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen worden opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens). Planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels: in dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de planregels (artikel 2) bepaald. 45

2 Bestemmingsregels: in dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Het betreft regels voor het toegestane gebruik en bouwregels. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen, achter de bestemmingsregels. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld. 3 Algemene regels: in dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel en algemene bouw-, gebruiks-, afwijkings-, wijzigings-, en procedureregels. 4 Overgangs- en slotregels: in het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

7.3

Specifieke regeling in dit bestemmingsplan De planregels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen in de voorgaande paragraaf is beschreven. Er is in de regeling zoveel mogelijk aangesloten bij de regelingen uit de planregels van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Rhenen’. Gebruiksmogelijkheden en bebouwingsmogelijkheden sluiten dus zoveel mogelijk aan bij bestaande gemeentelijke regelingen. Het bestemmingsplan kent de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Bedrijf’, alsook de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. De bestemmingen worden hieronder nader besproken. ‘Agrarisch’ De bestemming Agrarisch is toegekend aan de gronden binnen het plangebied die niet tot het toekomstige bedrijfsperceel behoren. Binnen de bestemming ‘Agrarisch’ is het gebruik voor een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Binnen de bestemming ‘Agrarisch’ zijn geen gebouwen toegestaan. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1 de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m; 2 de bouwhoogte en de oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 4 m².

Daarnaast is het voor het college van burgemeester en wethouders mogelijk nadere eisen te stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van: b het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de gronden; c de verkeersveiligheid; d de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

46

‘Bedrijf’ De bestemming bedrijf is toegekend aan de gronden die bij het erf van het toekomstige bedrijf horen, inclusief de bedrijfswoning. Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ zijn opslagruimtes en een werkplaats toegestaan voor bedrijven tot en met milieucategorie 2 zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Daarnaast is er binnen de bestemming een bedrijfswoning toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’. De bouwregels zijn verder als volgt: 1 Bedrijfsgebouwen: moeten worden gebouwd binnen het bouwvlak, met, een maximum goothoogte van 4,5 meter en een maximum bouwhoogte van 9 meter. In to2 taal is een oppervlakte van maximaal 1331 m aan bedrijfsgebouwen toegestaan. 2 Binnen het bouwvlak is een bedrijfswoning toegestaan met een maximum inhoud 3 van 600 m een maximum goothoogte van 3 meter en een maximum bouwhoogte van 10 meter. Bij bestaande woningen is de bestaande inhoud toegestaan. 3 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de bedrijfswoning hebben een maximale 2 oppervlakte van 20 m . De goothoogte mag maximaal 3 meter bedragen en bouwhoogte maximaal 4,5 meter. 4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met uitzondering van terrein- en erfafscheidingen hebben een maximale bouwhoogte van 8 m en een maximale oppervlakte 2 van 10 m .

5 Erf- of terreinafscheidingen: de maximale hoogte van erf- en terreinafscheiding is voor de voorgellijn van de woning 1 meter en achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw 2 meter. Ten slotte zijn er binnen deze bestemming twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen die garanderen dat het landschappelijk inpassingsplan dat is bijgevoegd bij de regels moet worden gerealiseerd en instandgehouden en dat de te slopen bebouwing (zoals aangegeven in een bijlage bij de regels) moet worden gesloopt. ‘Waarde - Archeologie’ Deze dubbelbestemming beoogt eventuele archeologische relicten te beschermen en hoeft niet verder te worden toegelicht.

47

Bestemmingsplan | Regels

Rhenen, Cuneraweg 266

Gemeente Rhenen

Datum: 5 oktober 2022 Projectnummer: 200207 ID: NL.IMRO.0340.BPCuneraweg266-VA01

INHOUD REGELS

1

Inleidende regels

3

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

3 6

2

Bestemmingsregels

7

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5

Agrarisch Bedrijf Waarde - Archeologie

7 9 12

3

Algemene regels

15

Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels

15 15 15 16 17 17

4

Overgangs- en slotregels

18

Artikel 12 Artikel 13

Overgangsrecht Slotregel

18 18

De verbeelding Verbeelding met legenda

Bijlagen Bijlage 1: Staat van bedrijfsactiviteiten Bijlage 2: Te slopen agrarische bedrijfsbebouwing Bijlage 3: Landschappelijk inpassingsplan

1 Artikel 1

Inleidende regels Begrippen In deze regels wordt verstaan onder:

1.1

Plan: Het bestemmingsplan ‘Rhenen, Cuneraweg 266’, met identificatienummer NL.IMRO.0342.BPCuneraweg266-VA01 van de gemeente Rhenen;

1.2

Bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3

Aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4

Aan- en uitbouw: een bijbehorend bouwwerk, zijnde een aan een hoofdgebouw gebouwd en vanuit een hoofdgebouw rechtstreeks toegankelijke ruimte, die in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw, maar ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is. Het gebouw bestaat uit maximaal één bouwlaag al dan niet met kap. Onder een aan- en uitbouw wordt mede begrepen een keuken en/of werkkamer. Een aanbouw is een toevoeging van een afzonderlijke ruimte, terwijl een uitbouw een vergroting van een bestaande ruimte is;

1.5

Agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van agrarische producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;

1.6

Bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.7

Bedrijfsgebouw: een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten;

1.8

Bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, in overeenstemming is;

1.9

Bestaand: 1 ten aanzien van bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;

3

2 ten aanzien van gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; 1.10

Bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak;

1.11

Bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.12

Bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde bouwperceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.13

Bijgebouw: een bijbehorend bouwwerk, zijnde een vrijstaand of aan het hoofdgebouw gebouwd gebouw, dat zowel ruimtelijk (door zijn constructie of afmeting) als functioneel ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en ten dienste staat van dat hoofdgebouw, zoals bijvoorbeeld garages, bergingen, hobbyruimtes en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwen. Hierin zijn niet begrepen gebouwen die blijkens hun aard en indeling bestemd zijn voor woonvertrek (ook keuken en/of werkkamer) en overkappingen of carports met een open constructie (minder dan 2 wanden);

1.14

Bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.15

Bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.16

Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.17

Detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; onder detailhandel wordt ook gerekend verkoop via internet waarbij de goederen ter plaatse worden opgeslagen;

1.18

Extensief recreatief medegebruik: vorm van recreatief gebruik ondergeschikt aan de bestemming, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals fiets-, voet-, en ruiterpaden, picknickplaatsen, parkeerplaatsen, speelweiden, watersport en naar aard, omvang en schaal daarmee gelijk te stellen voorzieningen;

4

1.19

Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.20

Grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf dat overwegend afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende gronden als agrarisch productiemiddel;

1.21

Hoofdgebouw: een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een bouwperceel en, indien meer gebouwen op het bouwperceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

1.22

Managebedrijf: paardenhouderij, bestaande uit één of meerdere binnenrijbanen dat uitsluitend is gericht op het bieden van paardrijmogelijkheden en het geven van instructie aan derden met gebruik van paarden in eigendom van het bedrijf, al dan niet met een horecavoorziening die is gericht op het verstrekken van dranken en etenswaren aan bezoekers van het managebedrijf;

1.23

Nutsvoorziening: een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten;

1.24

Opslag: het opslaan of opgeslagen hebben van goederen en materialen, niet zijnde puin, afvalstoffen en aan hun gebruik onttrokken, gerede dan wel onklare machines, vaar-, vlieg-, en voertuigen, dan wel onderdelen daarvan;

1.25

Peil: 1 voor een bouwwerk op een bouwperceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2 voor een bouwwerk op een bouwperceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het aansluitende, afgewerkte maaiveld ter hoogte van het hoofdgebouw;

1.26

Voorgevel: de naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;

1.27

Waarden: de aan een bouwwerk, gebied of specifiek element in een gebied toegekende kenmerkende waarde op het gebied van cultuurhistorie, archeologie, geografie, aardkunde, natuur en/of ecologie;

5

1.28

Artikel 2

Woning: een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden;

Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: a de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; b de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; c de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; d de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; e de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m.

6

2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels Agrarisch Bestemmingsomschrijving De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf; b fiets- en wandelpaden; c ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - openheid’, behoud, bescherming en versterking van landschappelijke openheid, verkavelingstructuur en graften; d extensief recreatief medegebruik; e water en waterhuishoudkundige voorzieningen; f behoud en/of herstel van oever- en slootvegetaties; g groenvoorzieningen; h hobbymatig agrarisch gebruik; met de daarbij behorende: i erfbeplanting; j wegen en paden; k erven en terreinen; l bouwwerken.

3.2

Bouwregels a Gebouwen zijn niet toegestaan; b Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1 bouwwerken in de vorm van erf- en terreinafscheidingen zijn niet toegestaan; 2 de bouwhoogte en de oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 4 m².

3.3

Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2 onder a ten behoeve van de bouw van schuilgelegenheden buiten het bouwvlak, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a per volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf zijn maximaal 2 schuilgelegenheden toegestaan; b een schuilgelegenheid is uitsluitend toegestaan indien dit in het kader van een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is; c een schuilgelegenheid wordt gebouwd op meer dan 250 m afstand van de bij het agrarisch bedrijf behorende agrarische bedrijfsgebouwen, dan wel op agrarische gronden indien deze door een belangrijke barrière zijn gescheiden; d voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing, afgestemd op de kenmerken van de omgeving; e de gezamenlijke oppervlakte aan schuilgelegenheden mag niet meer dan 50 m² bedragen; f de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 4 m.

7

3.4

Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden van de gronden; b de verkeersveiligheid; c de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

3.5

Specifieke gebruiksregels Onder strijdig gebruik met deze bestemming en aanduidingen wordt in ieder geval begrepen het gebruik van de gronden ten behoeve van een manegebedrijf.

3.6

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Vergunningplicht Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op en in de hierna genoemde gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen en greppels alsmede het anderszins verlagen van de waterstand; b het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakte verhardingen groter dan 100 m².

3.6.1

3.6.2

Beoordelingscriteria Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.6.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van het werk of de werkzaamheid dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen. Onder waarden en functies worden in ieder geval verstaan de cultuurhistorische, natuurlijke en landschapswaarden in het betrokken gebied.

3.6.3

Uitzonderingen vergunningplicht Geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.6.1 is vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, behorende bij het normale onderhoud, gebruik en beheer.

8

Artikel 4 4.1

Bedrijf Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a opslagruimten; b bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 1 van deze regels; c een werkplaats ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - werkplaats’; d bedrijfswoningen; e groenvoorzieningen; f water en waterhuishoudkundige voorzieningen; g nutsvoorzieningen; met de daarbij behorende: h wegen en paden; i erven en (parkeer)terreinen; j bouwwerken;

4.2

Bouwregels Ten aanzien van de bebouwing gelden de volgende regels: a gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd worden; 2 b het bebouwingsoppervlak van bedrijfsgebouwen mag maximaal 1331 m bedragen; c een bedrijfswoning is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’, het aantal bedrijfswoningen bedraagt maximaal 2; d de maatvoering van de bebouwing mag niet meer bedragen dan in de navolgende tabel is aangegeven: Bouwwerken Bedrijfsgebouw Bedrijfswoning Aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de bedrijfswoning Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, m.u.v. terrein- en erfafscheidingen

Goothoogte in m 4,5 3

Bouwhoogte in m 9 10

3

4,5

20

8

10

9

Inhoud 3 in m

Oppervlak2 te in m

600

Dakhelling

Minimaal 30° Maximaal 60°

Terrein- en erfafscheidingen

1 m voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw en 2 m daarachter e in aanvulling op het bepaalde in lid d bedraagt de maximale inhoud van de bedrijfswoning maximaal de genoemde maat, met dien verstande dat in het geval de bestaande inhoud van de bedrijfswoning groter is, tevens de bestaande inhoud is 3 toegestaan tot een maximum van 750 m . 4.3

Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2 sub b voor het vergroten van de toegestane oppervlakte aan gebouwen met maximaal 15% van die oppervlakte, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a de bedrijfseconomische noodzaak van de uitbreiding is aangetoond; b vergroting geen overmatige verkeersaantrekkende werking heeft; c de omgevingsvergunning geen nadelige gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid; d de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet worden aangetast; e de omgevingsvergunning niet leidt tot een aantasting van het landschappelijk karakter van het gebied; f parkeren plaatsvindt op eigen terrein; g voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing, afgestemd op de kenmerken van de omgeving; h vergroting van de oppervlakte niet leidt tot nadelige gevolgen voor de natuurwaarden; i vergroting van de oppervlakte niet leidt tot een onevenredige toename van de hinder op nabijgelegen hindergevoelige functies.

4.4 4.4.1

Specifieke gebruiksregels Toegestaan gebruik a Uitsluitend opslag ten behoeve van bedrijven zoals aangegeven in lid 4.1 is toegestaan. Opslag van puin, afvalstoffen en aan hun gebruik onttrokken, gerede dan wel onklare machines, vaar-, vlieg-, en voertuigen, dan wel onderdelen daarvan, valt niet onder toegestaan gebruik; b Onder strijdig gebruik met de bestemming wordt in ieder geval begrepen: 1 detailhandel; 2 een gebruik van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij de bedrijfswoning ten behoeve van functies anders dan stalling en berging.

4.4.2

Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing a Bouwwerken mogen uitsluitend in gebruik worden genomen ten behoeve van de doeleinden zoals genoemd in artikel 4.1 onder a en b onder de voorwaarde dat: 1 de landschappelijke inpassing aangelegd is conform het in bijlage 3 opgenomen 'Landschappelijk inpassingsplan' en; 2 in stand gehouden wordt conform het in bijlage 3 opgenomen 'Landschappelijk inpassingsplan'.

10

b In afwijking van het bepaalde onder a mogen gebouwen overeenkomstig de bestemming worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 12 maanden na inwerkingtreding van het bestemmingsplan, uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de inrichtingsmaatregelen conform het in bijlage 3 opgenomen ‘Landschappelijk inpassingsplan’. 4.4.3

Voorwaardelijke verplichting sloop bedrijfsgebouwen a Voordat de bouwwerken in gebruik worden genomen dienen de bestaande voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, zoals opgenomen in bijlage 2 ‘te slopen voormalige agrarische bedrijfsgebouwen’ gesloopt te zijn. b In afwijking van het bepaalde onder a mogen bouwwerken overeenkomstig de bestemming worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 12 maanden na inwerkingtreding van het bestemmingsplan, de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen gesloopt dienen te zijn.

4.5 4.5.1

Afwijken van de gebruiksregels Landschappelijke inpassing Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.4.2 teneinde een andere landschappelijke inpassing toe te staan dan in bijlage 3 'Landschappelijk inpassingsplan' is opgenomen, mits dit in lijn is met de uitgangspunten van het 'Landschappelijk inpassingsplan'.

4.5.2

Hogere milieucategorie Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4.1 lid b ten behoeve het vestigen van bedrijven die zijn genoemd in categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten van bijlage 1 die naar de aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten genoemd in bijlage 1.

11

Artikel 5 5.1

Waarde - Archeologie Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

5.2 5.2.1

Bouwregels Algemeen Op de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie’ mogen geen gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.

5.2.2

Uitzonderingen In afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.1 mogen op of in deze gronden gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, mits het gaat om: a vervanging van bestaande gebouwen of bouwwerken waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en uitsluitend de bestaande fundering wordt benut; b een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met een oppervlakte van ten 2 hoogste 100 m ; c een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.

5.2.3

Afwijken van de bouwregels a Bij een vergunning van Burgemeester en Wethouders kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.2.1 met inachtneming van de voor deze gronden geldende overige bouwregels. b Vergunning als bedoeld in artikel 5.2.3 lid a wordt verleend indien bij de aanvraag vergunning een archeologisch rapport wordt overlegd waaruit naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders blijkt dat: 1 de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld; 2 archeologische waarden door het uitvoeren van bouwactiviteiten niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; 3 er geen archeologische waarden zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12003327/1