Bijlage 1 Bestemmingsplan Rhenen Cuneraweg 266
Tekst van het document
c Aan de vergunning als bedoeld in artikel 5.2.3 lid a kunnen Burgemeester en Wethouders in ieder geval de volgende voorwaarden verbinden: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2 de verplichting tot het laten doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE); 3 de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE).
12
5.3 5.3.1
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning verplicht is Het is verboden op of in de gronden met de bestemming ‘Waarde - Archeologie’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van Burgemeester en Wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren zulks ongeacht het bepaalde bij de andere op deze gronden rustende bestemmingen: a het ontgronden, afgraven, saneren, onderzuigen, egaliseren, verlagen, afplaggen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; b het ophogen van de bodem hoger dan 100 cm; c het graven, verbreden, verdiepen van watergangen en waterpartijen; d het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen; e het rooien van diepwortelende beplantingen en bomen, waarbij de stobben worden verwijderd; f het aanleggen van drainage; g het aanleggen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; h het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; i het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; j het verwijderen van ondergrondse fundamenten en het verwijderen en/of uittrekken van heipalen.
5.3.2
Uitzonderingen Het in artikel 5.3.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden: a die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 5.2.3 in acht is genomen; b die in het kader van het normale beheer en onderhoud worden uitgevoerd; c die worden uitgevoerd in bestaande weg- en/of leidingcunetten; 2 d die een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m ; e die niet dieper reiken dan 40 cm beneden peil; f die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een daartoe gecertificeerde instantie; g waarmee op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan: 1 is begonnen, voor zover daarvoor tot dat tijdstip geen omgevingsvergunning was vereist; 2 is of mag worden begonnen krachtens een verleende omgevingsvergunning.
5.3.3
Voorwaarden omgevingsvergunning a Vergunning als bedoeld in artikel 5.3.1 wordt verleend indien bij de aanvraag vergunning een archeologisch rapport wordt overlegd waaruit naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders blijkt dat: 1 de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate is vastgesteld; 2 archeologische waarden door het uitvoeren van de werken en/of werkzaamheden niet of niet onevenredig worden geschaad, dan wel afdoende maatregelen zijn getroffen tot behoud van die waarden; 3 er geen archeologische waarden zijn.
13
b Aan de vergunning als bedoeld in artikel 5.3.1 lid a kunnen Burgemeester en Wethouders in ieder geval de volgende voorwaarden verbinden: 1 de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2 de verplichting tot het laten doen van opgravingen door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE); 3 de verplichting de uitvoering van de bouwwerkzaamheden die leiden tot bodemverstoring te laten begeleiden door een daartoe gecertificeerde instantie, volgens de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en een door Burgemeester en Wethouders goedgekeurd archeologisch Programma van Eisen (PvE). 5.4
Advies Indien sprake is van een activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, wint de aanvrager vooraf archeologisch advies in bij de door Burgemeester en Wethouders aangewezen archeologisch deskundige.
5.5
Beoordeling Alvorens de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.2.3 lid a en artikel 5.3.1 lid a te verlenen, vragen Burgemeester en Wethouders advies aan een archeologisch deskundige.
5.6
Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ de regels van het plan te wijzigen zodanig dat de dubbelbestemming naar ligging wordt verschoven of naar omvang wordt vergroot of verkleind en in voorkomend geval wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na archeologisch onderzoek, daartoe aanleiding geeft.
14
3
Algemene regels
Artikel 6
Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7 7.1
Algemene bouwregels Afwijkende maatvoering Indien de bestaande bebouwing afwijkt van de in deze regels gegeven voorschriften ten aanzien van: goot- en bouwhoogte; oppervlakte; inhoud; afstanden en situering; afdekking van gebouwen; zijn bestaande maten, hellingen, dan wel afstanden en situering eveneens toegestaan.
7.2
Artikel 8
Onderkeldering Onderkeldering is uitsluitend toegestaan onder (bedrijfs)woningen en bedrijfsgebouwen en in maximaal één laag waarvan de diepte niet meer dan 3 m mag bedragen.
Algemene gebruiksregels
8.1
Strijdig gebruik Onder een gebruik strijdig met het bestemmingsplan wordt in elk geval verstaan: a het gebruik van een bijgebouw ten behoeve van (zelfstandige) bewoning, uitgezonderd voor zover toegelaten binnen het plan; b het in enigerlei vorm buiten de bedrijfsgebouwen opslaan of opgeslagen hebben van goederen en materialen van welke soort dan ook, uitgezonderd voor zover toegelaten binnen het plan; c het gebruik van gebouwen ten behoeve van een binnenbak, uitgezonderd voor zover toegelaten binnen het plan; d het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van windturbines/windmolens en zendmasten/antennemasten, uitgezonderd voor zover toegelaten binnen het plan.
8.2
Parkeren Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of voor het veranderen van de functie van een bouwperceel, staat vast dat voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de beleidsregels van de 'Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds' (d.d. 14 april 2011), wordt gerealiseerd. Indien gedurende de planperiode de beleidsregels parkeren wijzigen, gelden de gewijzigde regels.
15
8.3
Binnenplanse afwijking parkeren Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.2 en één of meer bepalingen van deze beleidsregels buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing – gelet op het belang waarvoor deze beleidsregels tot stand is gebracht – leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
8.4
Uitzondering strijdig gebruik Onder een gebruik, strijdig met het bestemmingsplan wordt niet verstaan het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van weekmarkten, jaarmarkten, evenementen, festiviteiten, manifestaties en horecaterrein, indien en voor zover daarvoor ingevolge een wettelijk voorschrift, vergunning, of ontheffing is verleend.
Artikel 9
Algemene afwijkingsregels Bij een omgevingsvergunning kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, worden afgeweken van: a de in de bestemmingsregels gegeven maten en afmetingen tot niet meer dan 10% van die maten en afmetingen; b de bestemmingsregels en toestaan dat bestemmingsgrenzen ten behoeve van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven; c de bestemmingsregels en toestaan dat bestemmingsgrenzen en bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft, dit tot een maximum van 1 m; d de bestemmingsregels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van het bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits: 1 de inhoud per gebouwtje niet meer bedraagt dan 60 m³; 2 de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4 m; e het bepaalde ten aanzien van het tijdelijk gebruik van bijgebouwen bij woningen en bedrijfswoningen, en toestaan dat een bijgebouw wordt verbouwd en gebruikt ten behoeve van bewoning,
met dien verstande dat: 1 het bewoning betreft in het kader van mantelzorg, hetgeen te dient worden aangetoond aan de hand van een CIZ-indicatie; 2 de oppervlakte van het bijgebouw niet meer mag bedragen dan 80 m²; 3 van het vervallen van de noodzaak van mantelzorg dient door of vanwege de gebruiker van het hoofdgebouw waaraan of waarbij de mantelzorg is verleend, aan burgemeester en wethouders schriftelijk mededeling te worden gedaan; 4 indien de noodzaak van mantelzorg is vervallen gaat het bevoegd gezag over tot intrekking van de omgevingsvergunning.
16
f
Artikel 10 10.1
Artikel 11
het bepaalde ten aanzien van de bestemmingsregels bij woningen en bedrijfswoningen, en toestaan dat een tijdelijke woonunit wordt geplaatst en gebruikt, met dien verstande dat: 1 het bewoning betreft in het kader van mantelzorg, hetgeen te dient worden aangetoond aan de hand van een CIZ-indicatie; 2 de oppervlakte van de tijdelijke woonunit niet meer mag bedragen dan 80 m²; 3 de bouwhoogte van de tijdelijke woonunit niet meer mag bedragen dan 4 m; 4 de afstand van de tijdelijke woonunit tot aangrenzende percelen dient minimaal 2 m te bedragen; 5 de maximale afstand van de tijdelijke woonunit tot het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 15 m; 6 van het vervallen van de noodzaak van mantelzorg dient door of vanwege de gebruiker van het hoofdgebouw waaraan of waarbij de mantelzorg is verleend, aan burgemeester en wethouders schriftelijk mededeling te worden gedaan; 7 indien de noodzaak van mantelzorg is vervallen gaat het bevoegd gezag over tot intrekking van de omgevingsvergunning; 8 bij de toepassing van de bevoegdheid tot vergunningverlening dienen de wettelijke bepalingen inzake natuurregelgeving, water en archeologie, in acht te worden genomen.
Algemene wijzigingsregels Wijzigingsbevoegdheid archeologie Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door: a de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat: 1 op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; 2 wel aanwezige archeologische waarden in voldoende mate zijn veilig gesteld; b de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' toe te kennen aan gronden, grenzend aan deze dubbelbestemming, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van bedoelde dubbelbestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.
Algemene procedureregels
11.1
Procedure nadere eisen Met betrekking tot de voorbereiding van het stellen van nadere eisen ingevolge artikel 3.6 lid onder d Wro door burgemeester en wethouders, is Afdeling 3.4 (Uniforme openbare voorbereidingsprocedure) van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
11.2
Verwijzing naar andere wettelijke regelingen Bij een verwijzing naar andere wettelijke regelingen is bedoeld de desbetreffende wet zoals die luidt op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
17
4 Artikel 12
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht
12.1
Overgangsrecht bouwwerken a Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1 gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2 na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a. een omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a. met maximaal 10%. c Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
12.2
Overgangsrecht gebruik a Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c Indien het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan één jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 13
Slotregel Deze regels worden aangehaald als ‘Regels van het bestemmingsplan Rhenen, Cuneraweg 266’, van de gemeente Rhenen.
18
LEGENDA
A 1215
PLANGEBIED A 1216
plangebied
BESTEMMINGEN Agrarisch
A 1217
A Bedrijf
B A 1394
Waarde - Archeologie
WR-A A 1212
AANDUIDINGEN A 1213
bedrijfswoning (bw)
A 1395 17
Spoo
specifieke vorm van agrarisch - openheid
n rlaa
A 1154
(sa-o) specifieke vorm van bedrijf - werkplaats
A 1085 14
(sb-wp) bouwvlak
A 685 A 1165
VERKLARING A 1274 BGT- en kadastrale gegevens
35 37
A 684 A 1218 1515/ BY
A 1169
eg
A 1237
jes w
A 1158
Ka mp
A 1214
A 1159
A 1161
WR-A
28
2
A A 1275
(sa-o) A 1414
A 1160
A 1415
280
A 1109 A 1463 274
A 1163
A 1411
A 1409
A 1238
A 1413
26
8
A 1168
A 1157
A 1167
A 1417
A 1412
A 859
(sb-wp) 26 6B
A 1410 26
6-
26
6C
A 1416
(bw)
A 1331
B A 1172
G 3398 Cu n
A 1462
er aw e
g
A 1173
A 1239 2 62
A 1330
1NA 874
bestemmingsplan
G 3473
Rhenen, Cuneraweg 266
G 2607 34
7
we
g
A 1183
jes
A 1190
Ka
mp
A 1131
A 1186 A 1130
schaal : 1 : 1000 datum : formaat : A1 datum ondergrond : projectnummer : 200207 voorontwerp : bladnummer : 1 ontwerp : aantal bladen : 1 vaststelling : Identificatiecode : NL.IMRO.0340.BPCuneraweg266-VA01 gemeente
34
5A 25 8
Rhenen adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
Postbus 479, 6800 AL Arnhem l T 026 357 69 11 I www.sab.nl
05-10-2022 24-03-2020 08-07-2022 -