Bijlage 1 Bestemmingsplan Rhenen Cuneraweg 266
Tekst van het document
Bestemmingsplan | Toelichting
Rhenen, Cuneraweg 266
Gemeente Rhenen
Datum: 5 oktober 2022 Projectnummer: 200207 ID: NL.IMRO.0340.BPCuneraweg266-VA01
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding en doelstelling Plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
3 3 4 6
2
Bestaande en toekomstige situatie
7
2.1 2.2
Bestaande situatie Toekomstige situatie
7 7
3
Beleid en regelgeving
11
3.1 3.2 3.3 3.4
Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid
11 13 19 20
4
Milieu- en omgevingsaspecten
22
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Milieuaspecten Cultuurhistorie en archeologie Natuur Water Verkeer en parkeren
22 36 37 40 42
5
Economische uitvoerbaarheid
43
5.1 5.2 5.3
Inleiding Beoordeling plan Conclusie
43 43 43
6
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
44
6.1 6.2
Overleg Zienswijzen
44 44
7
Wijze van bestemmen
45
7.1 7.2 7.3
Inleiding Algemene methodiek Specifieke regeling in dit bestemmingsplan
45 45 46
Bijlagen Bijlage 1: Advies ruimtelijke kwaliteit Bijlage 2: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 3: Quick scan soortenbescherming Bijlage 4: Watertoets Bijlage 5: Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek Bijlage 6: Asbestinventarisatie Bijlage 7: Advies Veiligheidsregio Utrecht
1 1.1
Inleiding Aanleiding en doelstelling Op het perceel aan de Cuneraweg 266 in de gemeente Rhenen, bevindt zich een voormalig rundveebedrijf met daaraan ondergeschikt een bedrijf voor agrarisch loonwerk en grondverzet. In de loop der jaren zijn de agrarische bedrijfsactiviteiten afgenomen en worden de opstallen die op het perceel aanwezig zijn verhuurd aan derden. De initiatiefnemer wenst geheel met de agrarische bedrijfsactiviteiten te stoppen en het bedrijf te richten op het verhuren van opslagruimten en een werkplaats aan derden. Om deze functieverandering mogelijk te maken moet het geldende bestemmingsplan worden herzien. De initiatiefnemer heeft hiertoe een principeverzoek ingediend. De gemeente Rhenen heeft op 11 oktober 2019 aangegeven onder voorwaarden akkoord te zijn met dit verzoek. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een planologisch-juridisch kader dat de voorgenomen functie verandering mogelijk maakt.
1.2
Plangebied Het plangebied bevindt zich in de gemeente Rhenen ten zuidoosten van de kern Veenendaal. In de nabijheid van het perceel bevinden zich een aantal agrarische bedrijven en woningen. Het plangebied wordt in zuidwestelijke richting ontsloten door de Cuneraweg. De Cuneraweg bestaat ter hoogte van het plangebied uit een provinciale weg (N233) met parallel een ontsluitingsweg voor de aanliggende percelen. De N233 is een verbindingsweg tussen de A12 en de A15. Ten oosten van het plangebied ligt de spoorlijn Utrecht – Rhenen.
Globale ligging van het plangebied Cuneraweg 266 (Rode cirkel).
3
Luchtfoto met globale begrenzing van het plangebied (bron: pdok.nl).
1.3
Vigerend bestemmingsplan Binnen het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Rhenen buitengebied’ dat op 10 november 2011 is vastgesteld. Het bestemmingsplan is als gevolg van een gerechtelijke uitspraak op 14 juni 2013 partieel herzien en zodoende is bestemmingsplan ‘Buitengebied 2010, partiële herziening 2012’ van kracht op de planlocatie. Op grond van dit bestemmingsplan geldt binnen het plangebied de bestemming ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’. Verder ligt het perceel binnen de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - openheid’, de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – hoge verwachtingswaarde’. Naast het zojuist genoemde bestemmingsplan is ook paraplubestemmingsplan ‘Parkeren’ van kracht, welke is vastgesteld op 6 maart 2018.
4
Uitsnede verbeelding van het geconsolideerde bestemmingsplan ‘Buitengebied Rhenen’ met een globale aanduiding van het plangebied (rode lijn). De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn ter plaatse van het plangebied bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, behoud, bescherming en versterking van landschappelijke openheid, verkavelingsstructuur en graften, inwoning, extensief recreatief medegebruik, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en behoud en/of herstel van oever- en slootvegetaties en groenvoorzieningen. Ook zijn bijbehorende erfbeplanting, wegen en paden, erven en terreinen en bouwwerken toegestaan. Daarnaast is de uitoefening van nevenactiviteiten toegestaan welke per adres zijn aangegeven in de bij de regels van het bestemmingsplan behorende bijlage 1 ‘Lijst bestaande (neven)activiteiten’. Alleen de bestaande oppervlakte aan nevenactiviteiten is toegestaan en de activiteiten moeten in de agrarische bedrijfsgebouwen plaatsvinden. Buitenactiviteiten moeten worden uitgevoerd binnen het bouwvlak, dan wel direct aansluitend aan het bouwvlak. Bij het agrarisch bedrijf aan de Cuneraweg 266 is als nevenactiviteit een loonwerk- en grondverzetbedrijf toegestaan. Het voornemen van de initiatiefnemer om binnen het plangebied een niet-agrarisch bedrijf te exploiteren past niet binnen het vigerende bestemmingsplan.
In artikel 3.8 lid f van het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch’ naar de bestemming ‘Bedrijf’. Het initiatief voldoet echter niet aan de voorwaarde dat 50% van de bestaande bebouwing moet worden gesloopt. Dit betekent dat geen gebruik kan worden gemaakt van de wijzigingsbepaling en dat het bestemmingsplan moet worden herzien om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.
5
1.4
Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. De toelichting besluit met hoofdstukken over de economische uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 5), de maatschappelijke uitvoerbaarheid (hoofdstuk 6) en de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (Hoofdstuk 7).
6
2 2.1
Bestaande en toekomstige situatie Bestaande situatie Op het perceel aan de Cuneraweg 266 , kadastraal bekend gemeente Rhenen, sectie A, nr. 1172, 1410, 1413, 1414 & 1416, wordt een rundveehouderij geëxploiteerd met als nevenactiviteit een agrarisch loonwerk- en grondverzetsbedrijf. Ten behoeve van dit bedrijf zijn op het perceel een aantal opstallen en twee bedrijfswoningen aanwezig. 2 In totaal hebben deze opstallen een oppervlakte van 1. 712 m . Ten behoeve van de nevenactiviteit is op het perceel tevens een gronddepot met een oppervlakte van 550 2 m aanwezig. Sinds 1992 worden op het perceel tevens agrarische opstallen verhuurd aan derden. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn door teruglopende inkomsten door de jaren heen in omvang afgenomen. Om dit op de vangen is de initiatiefnemer steeds meer opstallen gaan verhuren. In de huidige situatie wordt op het perceel nog maar een klein aantal stuks rundvee gehouden.
Impressie van het plangebied, zicht op de voorzijde de Cuneralaan 266 (Bron: Google Streetview).
2.2
Toekomstige situatie Algemeen De initiatiefnemer wil de agrarische bedrijfsactiviteiten en het loon- en grondwerkbedrijf op het perceel beëindigen ten behoeve van een niet-agrarisch bedrijf in de vorm van de verhuur van opslagruimten en een werkplaats aan derden. De verhuuractiviteiten zullen plaatsvinden in een deel van de bestaande bedrijfsbebouwing. Het overige deel van de bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en het aanwezige gronddepot wordt verwijderd en bij de omliggende weilanden gevoegd. De bestaande bedrijfswoningen en bijgebouwen blijven in de toekomstige situatie gehandhaafd. Bedrijfsbebouwing In de volgende figuur en tabel zijn de te slopen en behouden (bedrijfs)bebouwing 2 weergegeven. In totaal wordt er 433 m aan bedrijfsbebouwing gesloopt en blijft 1.331 2 m aan bedrijfsbebouwing behouden ten behoeve van de verhuuractiviteiten. Door de sloop van de gebouwen aan de oostzijde van het erf wordt het bouwblok verkleind.
7
Het ensemble blijft zo compact mogelijk en de samenhang in bebouwing wordt niet aangetast.
Te slopen voormalige agrarische bedrijfsbebouwing (paars), te behouden bedrijfsbebouwing (blauw) en te behouden bedrijfswoning en bijgebouwen (oranje en geel) Te slopen bedrijfsbebouwing 2
Gebouw/onderdeel
Oppervlakte (m )
D
20,9
E
112,8
F
134,0
I
68,5
L
96,8
Totaal:
433
Te behouden bedrijfsbebouwing 2
Gebouw/onderdeel
Oppervlakte (m )
C
236,3
G1
23,4
G2
8
H1
133,6
H2
205,8
J
212,2
K
417,3
M
42,4
P
52
Totaal:
1331
8
Landschappelijke inpassing Het bedrijfsperceel zal als geheel landschappelijk worden ingepast. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie volgende afbeelding), dat als bijlage bij de regels van het voorliggende plan is gevoegd. Het plangebied ligt binnen het veenontginningenlandschap, dat wordt gekenmerkt door opstrekkende kavels met kavelsloten als begrenzing. Binnen dit landschap is het van belang dat waardevolle zichtlijnen behouden blijven. De onbebouwde percelen tussen de erven zijn zeer waardevol door het zicht op het achterliggende landschap. Het is belangrijk dat deze percelen onbebouwd blijven. Aandacht dient uit te gaan naar meer beplantingen op de erfscheidingen. Het nieuwe bedrijfserf wordt landschappelijk ingepast op basis van de landschappelijke kernkwaliteiten ter plaatse, het landschapsontwikkelingsplan en het beeldkwaliteitsplan. De volgende aspecten zijn als uitgangspunt genomen: 1. bestaande gebouwen worden hergebruikt voor een nieuwe functie, waardoor het oorspronkelijke karakter van de bebouwing behouden blijft; 2. het herstellen van de verkavelingsstructuur en het intensiever accentueren van agrarische perceelsgrenzen met landschapselementen, zoals houtsingels (vnl. els) of knotwilgen; 3. het in standhouden van langgerekte percelen; 4. Het versterken van de dieptewerking van de strokenverkaveling; 5.
Het toevoegen van landschapselementen; 6. Het toevoegen van streekeigen beplantingssoorten; 7. Het toevoegen van een klein veldje fruitbomen voor de woning; In de toekomstige situatie wordt ingezet op hergebruik van de bestaande bebouwing, een compact bebouwingscluster en het herstel van de oorspronkelijke verkavelingsstructuur (en daarmee de cultuurhistorische hoofdstructuur) ter plaatse. Door de gebouwen aan de oostzijde buiten de oorspronkelijke kavelgrens te slopen wordt het erfverkleind, zonder dat het ensemble de samenhang in bebouwing verliest. Tegelijkertijd wordt hierdoor de oorspronkelijke verkavelingsstructuur hersteld, doordat een historische verkavelingslijn op het perceel wordt teruggebracht. Langs deze herstelde oorspronkelijke verkavelingslijn wordt een greppel aangelegd, begeleid door een aantal bomen, bestaande uit knotwilg en zwarte els (nr. 1 op volgende afbeelding). Deze greppels zijn kenmerkend voor het veenontginningenlandschap en benadrukken de (oorspronkelijke) verkavelingsstructuur. De greppels zijn hiermee van cultuurhistorische waarde. Ook de knotwilg en zwarte els zijn kenmerkend voor het landschapstype. Deze accentueren in de gewenste situatie de dieptewerking van het veenontginningenlandschap. Langs de bebouwing worden de bomen wat dichter op elkaar aangeplant om het zicht op deze gebouwen op een natuurlijke wijze te onttrekken.
Het achterste deel van het perceel wordt vrijgehouden van opgaande beplanting. Het bermkruidenmengsel wordt wel doorgetrokken tot aan de Spoorlaan om de beleving
9
van het landschap ter plaatse te vergroten en een ecologische verbindingszone te creëren. Voor de woning wordt een fruitboomgaard aangeplant (nr. 4 op volgende afbeelding), zoals deze veelal te vinden zijn binnen het landschapstype. Middels deze aanplant wordt het voorerf geaccentueerd en ontstaat er meer contrast tussen de bedrijfslocatie en de naastgelegen open strokenverkaveling. Op dit voorerf wordt reeds gewerkt met hagen.
Uitsnede landschappelijk inpassingsplan van het plangebied.
10
3
Beleid en regelgeving
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. In de structuurvisie schetst het Rijk de ambities voor concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid tot 2040 (lange termijn) en doelen, belangen en opgaven tot 2028 (middellange termijn). De centrale visie wordt uiteengezet in drie hoofddoelstellingen voor de middellange termijn (2028), namelijk “concurrerend, bereikbaar en leefbaar&veilig”. Voor de drie rijksdoelen zijn de onderwerpen van nationaal belang benoemd waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. In de structuurvisie zijn dertien nationale belangen benoemd. De nationale belangen, die worden benoemd, betreffen de internationale concurrentiepositie, het gebruik van de ondergrond, het behouden en versterken van vervoer- en transportsystemen, de milieukwaliteit, de waterveiligheid en zoetwatervoorziening en behoud en versterken van natuur en cultuurhistorische waarden. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken, hierbuiten hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Toetsing Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden waarover de SVIR een specifieke uitspraak doet. Het initiatief is hiermee niet strijdig met het beleid uit de SVIR.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Deze onderwerpen worden in het Barro exact ingekaderd en begrensd. Per project worden regels gegeven die gemeenten direct of indirect (via provincies) moeten laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Het nationale belang dat het stellen van
11
regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Toetsing Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de onderwerpen uit het Barro. Er zijn daarom geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De Ladder is in artikel 3.1.6 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat met de ladder wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.
Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing De ladder voor duurzame verstedelijking richt zich op stedelijke ontwikkeling waarbij 1 een regionaal belang van toepassing is. Op basis van jurisprudentie kan worden gesteld dat ontwikkelingen waarbij geen sprake is van een nieuw ruimtebeslag niet worden gezien als stedelijke ontwikkeling. Onderhavig plan betreft in hoofdzaak een functionele omvorming van een agrarisch bedrijf naar een bedrijf voor het verhuren van opslagruimten en een werkplaats aan derden, zonder dat hierbij sprake is van een toevoeging van bebouwing. Per saldo is sprake van een afname van de bebouwing, als gevolg van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing.
1
Als enkel sprake is van een planologische functiewijziging dan is in beginsel geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (tenzij het een functiewijziging van zodanige aard en omvang betreft) (ABRvS 20 april 2016; ECLI:NL:RVS:2016:1075). 12
Toepassing van de ladder is daarom niet nodig. Het initiatief is hiermee niet strijdig met het beleid ten aanzien van de ladder voor duurzame verstedelijking. 3.1.4
Conclusie rijksbeleid Het voorliggende plan is kleinschalig en voorziet in een afname van bebouwing en agrarische bedrijvigheid in het buitengebied. Het plan raakt hierdoor geen nationale belangen uit het SVIR of Barro. Vanuit rijksbeleid zijn er daarom geen specifieke voorwaarden voor het plan. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie provincie Utrecht Op 10 maart 2021 heeft Provinciale Staten de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In de Omgevingsvisie legt de provincie het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2050 vast. Het nieuwe ruimtelijke beleid heeft als hoofdvraag: ‘Hoe willen wij dat onze provincie er in 2050 er uitziet?’. In de omgevingsvisie komen de volgende aspecten aan de orde: Woningbouw in principe binnen steden en dorpen en rondom knooppunten; De beschikbare ruimte meervoudig gebruiken; Het vergroten van de duurzaamheid; Specifiek in spelen op wat gebieden nodig hebben. In de Omgevingsvisie ligt de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie vormt een samenhangend pakket met de instrumenten Programma’s en Omgevingsverordening. In de omgevingsvisie worden groen, water, energie, bebouwing, infrastructuur, cultuurhistorie en landelijk gebied in onderlinge samenhang bezien. Hiermee wordt ruimte geboden voor duurzaam gebruik en ontwikkeling, voor sociale samenhang en wordt zorg gedragen voor behoud of verbetering van kwaliteit in de Utrechtse leefomgeving.
In het omgevingsbeleid worden staan twee centrale uitgangspunten centraal: kiezen gebiedsgericht voor integrale, toekomstgerichte oplossingen waarmee de Utrechtse kwaliteiten per saldo behouden of versterken, zo nodig met compenserende maatregelen. concentreren en combineren van nieuwe ontwikkelingen, om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. Er blijft ook ruimte beschikbaar voor lokale opgaven. Toetsing Raadpleging van de digitale versie van de Omgevingsvisie wijst uit dat in het plangebied een aantal provinciale belangen spelen. Navolgend wordt hier op ingegaan.
13
Landschap In de Omgevingsvisie ligt het plangebied binnen het landschap Gelderse vallei. De provincie Utrecht heeft hiervoor de volgende kernkwaliteiten opgesteld: rijk gevarieerde kleinschaligheid; stelsel van beken, griften en kanalen; Grebbelinie overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank). Bij ontwikkelingen in de Gelderse Vallei vindt de provincie het vooral belangrijk dat de kleinschaligheid van het landschap wordt behouden. In het verleden zijn al veel kleinschalige landschapselementen verdwenen, waardoor ruimten groter zijn geworden. Ze hebben hun functie verloren en zijn verwijderd. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor het waarborgen en ontwikkelen van de contrasten in de te onderscheiden deelgebieden van de Gelderse Vallei. Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van de Gelderse Vallei verschillende accenten. Een uitgebreidere beschrijving en handvatten voor het omgaan met de kernkwaliteiten zijn opgenomen in de Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen. De provincie vraagt gemeenten en initiatiefnemers bij ontwikkelingen hiervan gebruik te maken. Met het voorliggende plan neemt de totale hoeveelheid bebouwing af, doordat een deel van de bedrijfsgebouwen wordt gesloopt. Doordat de bebouwing aan de oostzijde wordt gesloopt, ontstaat een compactere kavel. Daarnaast wordt het gehele perceel landschappelijk ingepast (zie paragraaf 2.2).
Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarbij onder andere gebruik is gemaakt van de kwaliteitsgids voor Utrechtse landschappen. Om deze reden wordt gesteld dat het plan past binnen dit provinciale kader en bijdraagt aan de kernkwaliteiten van de Gelderse Vallei. Landbouw Het perceel ligt binnen het gebied dat in de omgevingsvisie is aangemerkt als landelijk gebied. Als een agrarisch bedrijf stopt, is het beleid erop gericht vrijgekomen bedrijfscomplex te behouden voor landbouw. Vestiging van een niet agrarisch bedrijf is mogelijk, mits wordt voorzien in de sloop van 50% van de bedrijfsbebouwing. Afwijken van de in de regels genoemde sloopverplichtingen is mogelijk als dit leidt tot meer ruimtelijke kwaliteit. Ook kan zo worden afgeweken van de regels dat ruimtevoor-ruimtewoningen op de oorspronkelijke kavel moeten worden gebouwd en dat daarbij àlle voormalige bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt. Bij de beoordeling van extra kwaliteit kunnen onder andere de volgende aspecten een rol spelen: herstel van landschapselementen; versterking van de cultuurhistorische hoofdstructuur (agrarisch cultuurlandschap); oplossingen voor de wateropgave; de verbetering van het woonmilieu in een aangrenzende kern. In de provinciale verordening is naar aanleiding van dit onderdeel uit de omgevingsvisie een bindende regeling opgenomen.
In paragraaf 3.2.2 zal het voorliggende bestemmingsplan aan deze regeling worden getoetst.
14
3.2.2
Omgevingsverordening provincie Utrecht De interim omgevingsverordening (IOVPU) is op 10 maart 2021 vastgesteld. In de verordening zijn instructieregels opgenomen die in acht genomen moeten worden bij het maken van nieuwe ruimtelijke plannen. Op deze manier kan het provinciale ruimtelijke beleid ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Hieronder worden de meest belangrijke instructieregels behandeld. Toetsing Cultuurhistorie Het plangebied valt binnen de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) en is aangewezen voor ‘Archeologie’. In artikel 7.7 van de Provinciale verordening zijn bepalingen opgenomen ter behoud en versterking van de samenhangende cultuurhistorisch waardevolle structuren en elementen van bovenlokaal belang. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Historische buitenplaatszones’, ‘Militair erfgoed’, ‘Agrarisch cultuurlandschap’ en ‘Archeologie’ mogen geen nieuwe bestemmingen en regels mogelijk maken die leiden tot een onevenredige aantasting van deze waarden. Ten behoeve van het plan worden de gronden beperkt geroerd. De graafwerkzaamheden welke betrekking hebben op het realiseren van de landschappelijke inpassing zal niet dieper gaan dan 0,4 m, hiermee wordt binnen de maximale diepte gebleven die is uitgezonderd van archeologisch onderzoek.
De grondwerkzaamheden welke gepaard gaan met de sloop van overtollige bebouwing wordt met grote precisie uitgevoerd. De beperkte grond die met de sloop geroerd zal worden is al eerder geroerd tijdens de bouw van de gebouwen. Er zullen met betrekking tot de sloop geen grondwerkzaamheden plaats vinden buiten de al eerder geroerde gronden. Het plan is hierdoor niet van invloed op eventueel aanwezige archeologische waarden en leidt derhalve niet tot een onevenredige aantasting van de in het plangebied voorkomende waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur. Landschap In artikel 7.9 van de Provinciale verordening zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van voorkomende landschappelijke kernkwaliteiten. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Eemland’, ‘Gelderse Vallei’, ‘Groene Hart’, ‘Rivierenland’ en ‘Utrechtse Heuvelrug’ mag geen nieuwe bestemmingen en regels mogelijk maken die leiden tot een onevenredige aantasting van deze waarden. Het plangebied is gelegen binnen het landschap ‘Gelderse Vallei’, op de grens met het landschap ‘Utrechtse Heuvelrug’ en is derhalve gesitueerd binnen de contouren van de voor ‘Landschap’ aangewezen gronden. Op het perceel wordt geen bebouwing toegevoegd of landschapselementen verwijderd. Bestaande waarden worden derhalve niet geschaad. Wel dient het project landschappelijk goed te worden ingepast.
De landschappelijke kernkwaliteiten zijn daarom als uitgangspunt genomen bij het uitwerken van het landschappelijk inpassingsplan (zie paragraaf 2.2).
15
Functiewijziging Met betrekking tot functiewijziging is het volgende artikel in de omgevingsverordening opgenomen: Art. 9.9 IOVPU: Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen ‘landelijk gebied’ kan bestemmingen en regels bevatten die toestaan dat op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd de bedrijfswoning en overige bedrijfsgebouwen een stedelijke functie, niet zijnde wonen, krijgen, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw of, in het geval van een glastuinbouwbedrijf, het bouwperceel ligt niet in een concentratiegebied glastuinbouw; en b. door sloop wordt de oppervlakte van de fysiek aanwezige bebouwing met 50% gereduceerd, waarbij te behouden historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing niet in de berekening wordt betrokken; tenzij: I. het gaat om een nieuwe functie die voorziet in een kleinschalige woonzorgvoorziening; of II. het gaat om een nieuwe functie die bijdraagt aan recreatieve beleving of recreatief gebruik waaraan in het gebied nadrukkelijk behoefte bestaat; III. het gaat om de hervestiging van één of enkele bedrijven die op hun oorspronkelijke locatie een ruimtelijk obstakel vormden of de kwaliteit van de leefomgeving ernstig aantasten en die op de nieuwe locatie, nabij de kern, goed inpasbaar zijn; IV.
het gaat om vestiging van bedrijven die vanwege hun werkzaamheden met zwaar rijdend materieel zich voornamelijk richten op het landelijk gebied; V. er is sprake van twee of meer bouwpercelen waar de agrarische functie is beëindigd en op de betrokken bouwpercelen gezamenlijk wordt het vereiste slooppercentage van 50% wel gehaald of; VI. de ruimtelijke kwaliteit wordt op een andere wijze verhoogd dan alleen door sloop van bebouwing, in een mate die een lager slooppercentage van 50% rechtvaardigt; c. te handhaven en nieuw op te richten bedrijfsgebouwen worden zo compact mogelijk gesitueerd binnen het voormalige bouwperceel en het bouwperceel wordt evenredig met de oppervlakte gesloopte gebouwen verkleind; d. de bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden worden behouden; en e. de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.
16
Het onderliggende plan voldoet aan de voorwaarden die in art. 9.9 van de Provinciale Verordening worden gesteld. Hieronder volgt een toetsing aan de verschillende voorwaarden: a De gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet is verleend voor het houden van 38 stuks overig rundvee en 39 stuks vrouwelijk jongvee (in totaal 513,1 kg NH3 per jaar). Dit veebestand is niet toereikend om een winstgevend agrarisch bedrijf te kunnen exploiteren. Het agrarisch bouwperceel is daarnaast gesitueerd op korte afstand van natuurgebieden. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 200 meter het Natuur Netwerk Nederland (tevens Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug). Op circa 2 kilometer van het plangebied bevindt zich daarnaast Natura 2000-gebied Binnenveld en op circa 3 kilometer het Natura 2000-gebied Rijntakken. Uitbreiding van het veebestand ter plaatse is derhalve niet mogelijk en ook niet wenselijk. Cliënt heeft daarnaast niet voldoende gronden ter beschikking om op de locatie een grondgebonden veehouderij te kunnen exploiteren. Het bouwperceel is derhalve niet optimaal gesitueerd en niet goed uitgerust voor de grondgebonden landbouw. b Er wordt minder dan 50% van de bebouwing gesloopt, namelijk 23,4% van de fysiek aanwezige bebouwing ter plaatse.
De ruimtelijke kwaliteit dient derhalve op een andere wijze worden verhoogd dan alleen door sloop van bebouwing, in een mate die een lager slooppercentage dan 50% rechtvaardigt. In de PRV wordt hiervoor een veelheid aan verschillende situaties en mogelijkheden beschreven. Dit biedt ruimte aan flexibiliteit, maar zorgt er ook voor dat de regels niet altijd eenvoudig toe te passen zijn. Derhalve is door de provincie de handreiking ‘nieuwe functies op vrijkomende agrarische bouwpercelen’ opgesteld. In paragraaf 3.2.3 is het voorliggende plan getoetst aan deze handreiking en wordt beschreven op welke wijze het plan de benodigde extra bijdrage levert aan ruimtelijke kwaliteit. c Er worden geen nieuwe gebouwen opgericht. De voormalige agrarische bedrijfsgebouwen die bouwkundig in slechte staat zijn en niet herbruikbaar zijn, worden gesloopt. De overige gebouwen blijven gehandhaafd en worden niet verplaatst. Deze zijn bouwkundig namelijk nog in goede staat en verplaatsing heeft kapitaalvernietiging tot gevolg. Door de sloop van de gebouwen aan de oostzijde van het erf wordt de omvang van het bouwblok verkleind. Het terugbrengen van de sloot en de kavelrandbeplanting, versterkt de oorspronkelijke verkavelingsstructuur.
Tevens wordt middels een landschappelijk inpassingsplan in het bestemmingsplan vastgelegd en gewaarborgd dat het deel waar de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, groen wordt ingericht. Het te gebruiken bouwperceel wordt derhalve evenredig met de te slopen oppervlakte verkleind. Bij toekomstig verval en de daaruit voorkomende herbouw van bedrijfsbebouwing, kan de toekomstige situering van deze bedrijfsbebouwing opnieuw beoordeeld worden.
17
d De landschappelijke en cultuurhistorisch waarden in het plangebied bestaan voornamelijk uit de doorzichten tussen de erven en de oorspronkelijke verkavelingsstructuren. In de toekomstige situatie wordt het erf compacter gemaakt, waardoor de dieptewerking van het veenontginningenlandschap verder geaccentueerd wordt en de bebouwing binnen de oorspronkelijke kavelgrenzen komt te liggen. In de gewenste situatie wordt het perceel landschappelijk ingepast. De landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden op het perceel worden derhalve versterkt. e De omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd. Dit is nader onderbouwd in paragraaf 4.1.3. 3.2.3
Handreiking ‘nieuwe functies op vrijkomende agrarische bouwpercelen’ Algemeen In de Provinciale Ruimtelijke Verordening wordt een veelheid aan verschillende situaties en mogelijkheden voor functieverandering beschreven. Dit biedt ruimte aan flexibiliteit, maar zorgt er ook voor dat de regels niet altijd eenvoudig toe te passen zijn. Derhalve is door de provincie de handreiking ‘nieuwe functies op vrijkomende agrarische bouwpercelen’ opgesteld. Hoofdstuk 4 van de handreiking gaat over de gevallen waarbij van de standaardmaatvoering afgeweken kan worden (minder slopen of juist meer bouwen) door extra ruimtelijke kwaliteit in een gebied toe te voegen. In de handreiking is ingegaan op een aantal concrete vormen van ruimtelijke kwaliteit, waaronder: het herstel van landschapselementen; ontwikkelen van natuur in de groene contour; het herstel van de cultuurhistorische hoofdstructuur; oplossingen voor de wateropgave rondom de locatie; verbetering van het woonmilieu in de aangrenzende kern; sanering van niet-grondgebonden veehouderij uit de nabijheid van (beoogde) natuurgebieden. Toetsing Met het voorliggende plan wordt minder dan 50% van de bedrijfsbebouwing gesloopt. Hiermee wordt afgeweken van de standaard maatvoering in het functieveranderingsbeleid. Binnen het plangebied wordt op de volgende manier vormgegeven aan het toevoegen van extra ruimtelijke kwaliteit: 1.
Er wordt een nevenactiviteit op het perceel planologisch definitief beëindigd: de werkzaamheden met betrekking tot het agrarisch loonwerk- en grondverzet stoppen en er vinden in de gewenste situatie op de locatie geen puinbreekactiviteiten 2 of gronddepotactiviteiten (nu over een oppervlakte van 550 m ) meer plaats. Deze gronden worden weer in gebruik genomen als weide (hersteld). 2. Door de sloop van de bebouwing aan de oostzijde van het erf, komt de bebouwing aan deze zijde weer binnen de oorspronkelijke kavelgrens te liggen. De oorspronkelijke verkavelingsstructuur wordt teruggebracht door het aanleggen van een greppel en bomenrij op de nieuwe kavelgrens. Er wordt derhalve een extra landschappelijke en cultuurhistorische bijdrage geleverd binnen het plangebied.
18
Ervenconsulent MooiSticht heeft positief geadviseerd over de vraag of binnen het plangebied sprake is van voldoende ruimtelijke kwaliteit om te kunnen afwijken van de eis dat ten minste 50% van de bedrijfsbebouwing moet worden gesloopt. Dit advies is opgenomen in bijlage 1 van deze toelichting. 3.2.4
Conclusie provinciaal beleid Het voorliggende plan past binnen het provinciale beleid.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Regio Foodvalley functieveranderingsbeleid Algemeen In het functieveranderingsbeleid is beschreven hoe betrokken gemeenten om willen gaan met het toenemende probleem van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. Er wordt gestreefd naar een ruimtelijk verantwoorde inzet van sloopmeters om tot een kwaliteitsverbetering van het buitengebied te komen. Uitgangspunten zijn een goede ruimtelijke kwaliteit, een duurzaam economisch perspectief en behoud van een sterke agrarische structuur. Het functieveranderingsbeleid bevat de regelingen voor functieverandering naar wonen en werken. Toetsing Alhoewel de gemeente Rhenen betrokken is bij dit beleid, valt zij door haar ligging binnen de provincie Utrecht onder het regime van het functieveranderingsbeleid zoals opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Aan dit beleid hoeft derhalve niet te worden getoetst.
3.3.2
Menukaart Regio Foodvalley Algemeen De Regio FoodValley heeft de “Menukaart Regio FoodValley (hierna te noemen: de Menukaart)” opgesteld voor ontwikkelingen in het buitengebied. De Menukaart bevat de beleidsregels en praktische tools om maatwerk te bieden bij de uitbreiding van bedrijven in het buitengebied. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de gemeenten in de provincie Gelderland en gemeenten in de provincie Utrecht. Voor de gemeenten in de provincie Utrecht geldt dat bij uitbreiding van niet-agrarische bedrijven het provinciale functieveranderingsbeleid van toepassing is en als maximum geldt. Voor uitbreiding van niet-agrarische bedrijven met maximaal 20% van de bebouwingsmogelijkheden die niet past in het geldende bestemmingsplan is de menukaart van toepassing. Bij een ruimere uitbreiding is de menukaart ook van toepassing. De maatschappelijke tegenprestaties zijn verdeeld in verschillende categorieën en per type bedrijf aangegeven. Voor niet-agrarische bedrijven betreffen dit tegenprestaties binnen de thema’s ‘ruimtelijke kwaliteit’, ‘milieu’ en water’. Toetsing In onderhavige situatie is geen sprake van de uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf, maar van het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit op het perceel op een andere
19
wijze dan alleen door sloop van bebouwing, in een mate die een lager slooppercentage dan 50% rechtvaardigt. In paragraaf 3.2.3 is reeds aangetoond dat wordt voldaan aan hetgeen zoals bepaald in hoofdstuk 4 van de handreiking ‘nieuwe functies op vrijkomende agrarische bouwpercelen’ (gevallen waarbij van de standaardmaatvoering afgeweken kan worden). In deze handreiking is ingegaan op een aantal concrete vormen van ruimtelijke kwaliteit. Aan de menukaart hoeft derhalve niet te worden getoetst. In de menukaart wordt verwezen naar de kwaliteitsgids Gelderse Vallei (provincie Utrecht). Deze gids is als uitgangspunt gebruikt bij het opstellen van het landschappelijk inpassingsplan (basisinpassing en extra investering) (zie paragraaf 2.2). Het plan is derhalve in lijn met de menukaart. 3.3.3
Conclusie regionaal beleid Het voorliggende plan past binnen het regionale beleid.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Landschapsontwikkelingsplan Binnenveld In het uitvoeringsplan van de Structuurvisie is de ontwikkeling van het Binnenveld als één van de prioritaire thema’s aangegeven, wil de visie op verstedelijking zinvol zijn. Doel van de samenwerkende gemeenten is te komen tot een integrale aanpak voor het gehele Binnenveld om daarmee het groene karakter van het Binnenveld te behouden, gerelateerd aan de omliggende natuurgebieden van de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug, ecologische verbindingen en eco-passages. De WERV gemeenten hebben in 2007 het Landschapsontwikkelingsplan Binnenveld opgesteld. Het plan geeft richting aan de gezamenlijke inspanning van de vier gemeenten voor de kwaliteit van het Binnenveld. De landschapsontwikkelingsvisie geeft de ruimtelijke visie op de gewenste ontwikkeling. De WERV gemeenten willen het Binnenveld behouden als aantrekkelijk gemeenschappelijk uitloopgebied. Daarbij wordt onder meer nagestreefd het landschap van het Binnenveld te behouden en de landschappelijke differentiatie te versterken. Initiatieven voor functieverandering, vernieuwing en landgoedvorming worden begeleid; dit gebeurt met het oog op nieuwe ruimtelijke kwaliteit. Daartoe is een beeldkwaliteitsplan opgesteld waarin de eisen aan functieveranderingen en ontwikkelingen worden opgesomd.
Toetsing Het initiatief betreft een functiewijziging van agrarisch bedrijf naar een bedrijf in verhuur van opslag- en werkruimtes. Hierbij wordt tevens overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt. Het gehele perceel wordt landschappelijk ingepast. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie paragraaf 2.2), waarin onder andere het Landschapsontwikkelingsplan is betrokken. Het initiatief past hiermee in de kaders van het LOP.
20
3.4.2
Beeldkwaliteitsplan Binnenveld Dit beeldkwaliteitsplan (BKP) moet zich richten op de ruimtelijke kwaliteit van alle nieuwe bebouwing én landschappelijke inpassing als handvat naast- of aanvullend op de Welstandsnota. Het BKP is dus vooral bedoeld als begeleiding van bouwaanvragen op de erven in het Binnenveld. Het moet leiden tot een betere landschappelijke inpassing van ontwikkelingen op de verschillende bebouwde erven in het Binnenveld. Daarbij kan met name gedacht worden aan vergroting van agrarische bedrijven en functieverandering van vrijkomende voormalig agrarische gebouwen. Het BKP verdeelt het Binnenveld in verschillende soorten landschappen, waarvoor de zes herkenbare cultuurhistorische landschappen uit het LOP de basis vormen. Deze zijn in het beeldkwaliteitsplan vertaald in landschappelijke deelgebieden. Per deelgebied zijn vervolgens richtlijnen opgenomen op drie verschillende schaalniveaus: het landschap, het erf en de bebouwing. Voor het hele Binnenveld geldt dat bij functieverandering een bijdrage geleverd moet worden aan de verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Bij voorkeur worden bestaande gebouwen hergebruikt voor een nieuwe functie, waardoor het oorspronkelijke karakter van de bebouwing behouden blijft. In de oorspronkelijke agrarische erven zijn karakteristieke en waardevolle boerderijen te herkennen als hoofdgebouw.
Indien op een dergelijk erf sprake is van functieverandering, dan is in beginsel het uitgangspunt dat alle nieuwe bebouwing, wat betreft goothoogte en positie op het erf ondergeschikt is aan de oude boerderij. Dit betreft in ieder geval de bijgebouwen en eventuele bedrijfsgebouwen. In het geval dat naast de oude boerderij een nieuw woongebouw wordt opgericht dient het nieuwe woongebouw visueel ondergeschikt te zijn aan de oude boerderij. Dit kan worden bereikt door middel van de plaatsing van deze gebouwen achter of naast het woongebouw, door het hanteren van lagere goothoogtes (nokhoogte kan juist hoger zijn) en door het aanbrengen van beplanting. Toetsing Het initiatief betreft een functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar een bedrijf in verhuur van opslag- en werkruimtes. Hierbij wordt tevens overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt. Het gehele perceel wordt landschappelijk ingepast. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie paragraaf 2.2), waarbij onder andere het Beeldkwaliteitsplan Binnenveld is betrokken. Het initiatief past hiermee in de kaders van het Beeldkwaliteitsplan.
3.4.3
Conclusie gemeentelijke beleid Het voorliggende plan past binnen het beleid van de gemeente Rhenen.
21
4
Milieu- en omgevingsaspecten In een bestemmingsplan moet aandacht worden besteed aan milieu- en omgevingsaspecten. Vooral bij de ontwikkeling van nieuwe functies en nieuwbouw is het belangrijk om te weten of bijvoorbeeld de bodem schoon is of de luchtkwaliteit goed is. De nadruk in dit hoofdstuk ligt dan ook op het beschrijven van de mogelijke gevolgen van de beoogde ontwikkeling voor het milieu en andere omgevingsaspecten.
4.1
Milieuaspecten
4.1.1
M.e.r.-beoordeling Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Een wijzigingsplan kan plan-m.e.r.-plichtig zijn. Dit is het geval als het plan kaders stelt voor latere m.e.r.-plichtige activiteiten en/of als voor het plan een passende beoordeling nodig is. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.-plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt. Toetsing Jurisprudentie wijst uit dat met name de aard en omvang van een project bepalen of gesproken moet worden van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie D.11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het voorliggende plan maakt in het plangebied een bedrijf dat opslagruimten en een werkplaats verhuurt aan derden mogelijk. In de huidige situatie is in het plangebied reeds een agrarisch bedrijf mogelijk. Er wordt bebouwing gesloopt en daarvoor in de plaats worden geen nieuwe bouwmogelijkheden geboden.
De ontwikkeling is daarmee kleinschalig te noemen en er is geen sprake van nieuw ruimtebeslag. Gelet op de aard en omvang van dit plan is er daarom geen sprake van een activiteit zoals genoemd in het Besluit m.e.r. Conclusie Een nadere beoordeling in een (vormvrije) m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.
4.1.2
Bodem Algemeen In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten wor22
den uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Toetsing In het plangebied wordt een agrarisch bedrijf met niet-agrarische nevenactiviteit omgevormd naar een niet-agrarisch bedrijf. Om inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de planlocatie is een vooronderzoek (conform NEN 5725), verkennend bodemonderzoek (conform NEN 5740) en een asbest in grondonderzoek (conform NEN 5707) uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn 2 gebundeld in bijlage 5 . Naast de zojuist genoemde onderzoeken is ook een asbestin3 ventarisatie uitgevoerd naar 6 bijgebouwen . Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie verdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op de NEN 5740. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' voor het verkennend asbest in grondonderzoek (deellocatie A) stand houdt. Ter plaats van gat 17 is asbest aangetroffen. Het gehalte overschrijdt de grenswaarde voor nader asbest in grondonderzoek (50 mg/kg d.s.). In sommige van de overige onderzochte gaten is ook asbest aangetroffen, maar wordt de grenswaarde voor nader asbest in grondonderzoek niet overschreden.
Hierbij wordt wel opgemerkt dat in mengmonster MM-D (afkomstig van de gaten 16 en 18) een gehalte aan respirabele vezels van 57 mg/kg d.s. is aangetoond. Dit gehalte overschrijdt de grenswaarde ‘onaanvaardbare risico’s buiten’ uit het protocol asbest in de circulaire bodemsanering. Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'verdachte locatie' voor het verkennend bodemonderzoek (deellocatie B) stand houdt. Enkele parameters zijn in de vaste bodem en het grondwater aangetoond in een gehalte waarbij in lichte mate sprake is van verontreiniging. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt mogelijk een belemmering voor de bestemmingsplanwijziging. Aanbevelingen De onderzoeksresultaten geven aanleiding om nader asbest in grondonderzoek te adviseren. Ter plaatse van gat 17 is asbest boven de grenswaarde voor nader asbest in grondonderzoek aangetoond. Ter plaatse van de overige gaten is geen asbest boven de grenswaarde voor nader asbest in grondonderzoek aangetoond. Ter plaatse van de spoelzone waar de gaten 16 en 18 zijn gegraven overschrijdt het gehalte respirabele vezels de grenswaarde ‘onaanvaardbare risico’s buiten’ uit het protocol asbest in de circulaire bodemsanering. 2
PJ Milieu BV. Verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek, Cuneraweg 268 Rhenen. 18067701A, 18 oktober 2018.
3
PJ Milieu BV. Asbestinventarisatie 6 bijgebouwen Cuneraweg 268 Rhenen. 16067702K, 1 oktober 2018. 23
De ‘asbest’verontreiniging met losse vezels ter plaatse van bovenstaande spoelzone kan ontstaan zijn na 1993. Daarmee is er sprake van een nieuw geval van verontreiniging. Omdat het in bezit hebben van een asbestdak niet als handeling kan worden gezien (correspondentie Bodem+) is er geen sprake van zorgplicht. Dergelijke gevallen kunnen onder de Wet Bodemscherming afgehandeld worden als zijnde oude gevallen. In de bodem ter plaatse van de spoelzone is over een oppervlakte van circa 15 m² sprake van de aanwezigheid van asbest waarbij er sprake is van de noodzaak tot spoedige sanering. De interventiewaarde wordt niet overschreden zodat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. De omvang van de gehalten met humane risico’s bedraagt circa 1,5 m³. De asbestverontreiniging dient op korte termijn te worden gesaneerd omdat er sprake is van humane risico’s. De procedure voor de sanering is niet omschreven in de wet- en regelgeving. De volgende aanpak wordt voorgesteld: voorafgaande aan de sanering van de asbestverontreiniging dient een saneringsplan of BUS-melding te worden opgesteld, ingediend bij en goedgekeurd door de provincie Gelderland. Het onderzoek is onder Kwalibo (een onderdeel van het Besluit bodemkwaliteit) uitgevoerd. Het betreft echter geen partijkeuring.
Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan er sprake zijn van verwerkingskosten. Door derden kan, ongeacht de resultaten van dit bodemonderzoek, een keuring van de af te voeren partij verlangd worden. Asbestinventarisatie in 6 bijgebouwen Op basis van het vooronderzoek, de visuele inspectie en de analyseresultaten concludeert PJ Milieu BV dat in en aan een deel van de 6 bijgebouwen asbesthoudende materialen aanwezig zijn. Deze asbestinventarisatie betreft een volledige asbestinventarisatie van direct waarneembare asbest. Er is geen (uitgebreid) destructief onderzoek uitgevoerd. Er zijn geen aanwijzingen dat er overige asbesthoudende materialen in verborgen gebouwdelen (zoals bijvoorbeeld funderingen en verborgen ruimten) aanwezig zullen zijn. Een aanvullende asbestinventarisatie achten wij niet noodzakelijk. Wel wordt geadviseerd tijdens de sloopwerkzaamheden alert te zijn op de aanwezigheid van ‘verborgen’ asbesthoudende materialen. Dit asbestinventarisatie rapport kan worden gebruikt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning in verband met de sloop van de 6 bijgebouwen. Conclusie 2 Ten aanzien van het aspect bodem geldt dat er een sanering van 15 m met betrekking tot asbest in de bodem moet plaats vinden. Met bijgevoegde asbestinventarisatie kan de omgevingsvergunning aangevraagd worden om de 6 bijgebouwen te slopen.
24
4.1.3
Milieuzonering Algemeen Indien door middel van een project nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid aansluiting te zoeken bij de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom kan deze publicatie worden gebruikt voor het op verantwoorde wijze inpassen van bedrijvigheid in de fysieke omgeving. De VNG-handreiking geeft op systematische wijze informatie over de milieukenmerken van vrijwel alle voorkomende bedrijfstypen. Het biedt daarmee een hulpmiddel om ruimtelijke ordening en milieu op gemeentelijk niveau op elkaar af te stemmen. Toetsing 1. Hinder vanuit plangebied op omgeving Binnen het plangebied wordt een agrarisch bedrijf omgevormd tot een bedrijf voor verhuur van opslagruimtes en- een werkruimte. In het vigerende bestemmingsplan is opgenomen dat de voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden bestemd zijn voor bedrijven genoemd in categorie 1 en categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, opgenomen in bijlage 3 van de bijbehorende regels. Een opslaggebouw wordt in de VGNpublicatie bedrijven en milieuzonering aangemerkt als een categorie 2 bedrijf ‘Opslaggebouwen (verhuur opslag ruimte)’.
Binnen het plangebied is echter ook een timmer2 werkplaats aanwezig (< 200 m ). Deze werkplaats wordt aangemerkt als een categorie 3.1 activiteit. Middels een omgevingsvergunning kan het mogelijk worden gemaakt dat bedrijven die zijn genoemd in categorie 3.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten van bijlage 3, en die naar de aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijven uit categorie 1 en 2, op een locatie gevestigd worden. Voor een timmerwerkplaats gelden onderstaande richtafstanden: Richtafstanden SBIOmschrijving 2008 Geur Stof Geluid Gevaar HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D. 162-1 Timmerwerkfabrieken, vervaardiging 0 30 50 0 overige artikelen van hout, p.o. < 200 m2
Categorie
3.1
De richtafstand voor een bedrijf met milieucategorie 3 is 50 m uitgaand van een rustige woonwijk en 30 m uitgaand van een gemengd gebied. De omgeving kan gezien de ligging in het buitengebied, de menging van woonfuncties en niet-woonfuncties en de verkeersintensiteiten op de N233, worden ingeschaald als gemengd gebied. Dit betekent dat een richtafstand van 30 meter moet worden aangehouden ten opzichte van omliggende gevoelige functies. De richtafstanden voor geur, stof en gevaar voldoen aan de grootste richtafstand voor een categorie 2 bedrijf. Voor het aspect geluid geldt echter een grotere richtafstand. Er dient derhalve te worden aangetoond dat de activiteit met betrekking tot het aspect geluid vergelijkbaar is met een categorie 2 bedrijf. Hiervoor is een akoestisch onder25
zoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat op 30 meter afstand het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau minder bedraagt dan 45 dB(A) etmaalwaarde en er maximale geluidsniveaus kunnen ontstaan tot maximaal 67 dB(A). De grenswaarde zoals voorgesteld in de VNG-publicatie wordt derhalve met 2 dB overschreven. De overschrijding van de maximale geluidniveaus ontstaat recht tegenover de in- en uitrit van het bedrijf. In principe treden deze overschrijdingen op bij ieder bedrijf waar vrachtwagens/tractoren tijdens de dagperiode wegrijden. Hiertoe behoren ook bedrijvigheden volgens milieucategorie 2. Omdat ter hoogte van geluidgevoelige objecten, die overigens op kortere afstand van het bedrijf zijn gelegen, wel wordt voldaan aan de grenswaarde van 65 dB(A), is de voorgenomen bedrijvigheid vergelijkbaar met een bedrijvigheid volgens milieucategorie 2. Binnen 30 meter van de werkplaats is één gevoelige functies aanwezig: de bedrijfswoning aan de Cuneraweg 268. Een akoestisch onderzoek industrielawaai is uitgevoerd om aan te tonen dat ter plaatse van deze woning sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting (zie paragraaf 4.1.5). Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de woning het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau minder dan 45 dB(A) bedraagt en het maximale geluidsniveau minder dan 65 dB(A) bedraagt.
Er wordt derhalve ruimschoots voldaan aan de normstelling en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. 2. Hinder vanuit omgeving op plangebied In het plangebied wordt een nieuwe gevoelige functie mogelijk gemaakt. Eén van de gebouwen wordt namelijk in gebruik genomen als timmerwerkplaats. Hier zijn vijf dagen per week voor tenminste 2 uur per dag personen aanwezig. Derhalve dient mogelijke hinder vanuit de omgeving op het plangebied te worden beoordeeld. Op de locatie Cuneraweg 268 wordt een rundveehouderij in combinatie met een loonen grondverzetbedrijf geëxploiteerd. Volgens de VNG publicatie wordt dit type bedrijvigheid aangemerkt als een categorie 3.1 & 3.2 bedrijf. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van respectievelijk 50 meter (geur) bij een rundveehouderij en 30 meter (geluid) bij een agrarisch loonbedrijf, uitgaand van een gemengd gebied. SBI2008
Omschrijving
Geur
Richtafstanden Stof Geluid Gevaar
LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW 0141, Fokken en houden van rundvee 100 30 0142 016-0 Dienstverlening t.b.v. de landbouw 016-1 - algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o. 30 10 2 > 500 m
Categorie
30
0
3.2
50
10
3.1
Agrarisch loonbedrijf De afstand van de bestemming op het perceel Cuneraweg 268 tot de werkplaats op het perceel Cuneraweg 266 bedraagt 24 meter. Aan de afstand van 30 meter wordt derhalve niet voldaan. De 30 m heeft enkel betrekking op het aspect geluid. De richtafstanden voor geur, stof en gevaar bedragen voor een agrarisch loonbedrijf in ge26
mengd gebied namelijk respectievelijk 10, 0 en 0 meter. Aan deze afstanden wordt wel voldaan. Binnen de 30 meter bevindt zich de ontsluitingsweg en de bedrijfswoning van het perceel Cuneraweg 268. De ontsluitingsweg loopt direct langs de woningen aan de Cuneraweg 266, 255A en 266C. In 2018 heeft de eigenaar van het perceel aan de Cuneraweg 268 een akoestisch onderzoek laten uitvoeren naar de geluidshinder van de bedrijfsactiviteiten in relatie tot deze woningen. Uit de resultaten is gebleken dat bij de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. De werkplaats is gesitueerd op eenzelfde afstand als de woning Cuneraweg 266A. Voor de werkplaats kan derhalve een goed leefklimaat worden geborgd. Rundveehouderij De afstand van de bestemming op het perceel Cuneraweg 268 tot de werkplaats op het perceel Cuneraweg 266 bedraagt 24 meter. Aan de (vaste) afstand van 50 meter voor het aspect geur wordt derhalve niet voldaan. De richtafstanden voor stof, geluid en gevaar bedragen voor een rundveehouderij in gemengd gebied namelijk respectievelijk 10, 10 en 0 meter. Aan deze afstanden wordt wel voldaan. Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 naast het Activiteitenbesluit het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen.
De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (de tweede soort staat ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaalt in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als een veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden op basis van artikel 3. lid 2 van de Wgv gelden de volgende eisen: binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter; buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij buiten danwel binnen de bebouwde kom.
27
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat. De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel. De werkplaats bevindt zich op een afstand van 55 meter van het dichtstbijzijnde bedrijfsgebouw waarin dieren kunnen verblijven. Vanwege de situering van de woning aan de Cuneraweg 268 en de toegang van het bedrijfserf is het niet aannemelijk dat binnen 50 meter een dierenverblijf zal worden opgericht. Voor de werkplaats kan derhalve een goed leefklimaat worden geborgd. Ook wordt op basis van deze redenering geconcludeerd dat het naast gelegen veehouderij niet onevenredig belemmerd wordt.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 4.1.4
Geluid wegverkeerslawaai Algemeen Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar geluidsbelasting op een bepaalde afstand van geluidsgevoelige functies. De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een plan aandacht te worden besteed aan het aspect geluid. In de Wet geluidhinder (Wgh) is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de geluidsbelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan geluidgevoelige functies. Aangezien de projectlocatie niet gelegen is binnen de zone van een spoorweg en/of in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein, is alleen aandacht besteed aan het aspect wegverkeerslawaai. Op basis van de Wet geluidhinder heeft een weg een onderzoekszone. Dat is niet het geval bij wegen waar een maximum snelheid geldt van 30 km per uur. Voor de relevante wegen geldt deze maximum snelheid. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet echter worden aangetoond dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het geval geen sprake is van een normale woonstraat.