CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

2.h Omgevingsverordening provincie Utrecht prb-2024-2766 definitief vastgesteld

Raadsvergadering 11 maart 2025, gemeente RhenenBij agendapunt: Achtergrondinformatie Projectvoorstel flexwoningen locatie Koerheuvel48.715 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Artikel 3.95 Vrijstelling activiteiten bij een viaduct, ecoduct, faunapassage of planmatige inrichting en ontwikkeling van een natuurterrein of ecologische zone Voor een takkenril, stobbewal en broeihoop nabij een viaduct, ecoduct of faunapassage of planmatige inrichting en ontwikkeling van een natuurterrein of ecologische zone worden alleen grond en baggerspecie, met inbegrip van blad, takken, stobben en boomstronken gestort als: a. de beheerder van het betrokken natuurterrein of de ecologische zone hiermee heeft ingestemd en dit schriftelijk vastgelegd en verantwoord is; b. de grond en baggerspecie zo spoedig mogelijk wordt uitgevlakt tot een maximale hoogte van 1 meter boven het maaiveld hebben; c. de ecologische meerwaarde vanuit provinciaal of gemeentelijk beleid wordt aangetoond; d. het gestorte element onderdeel uitmaakt van een ecologische zone of daarbij aansluit; en e. uitsluitend gebiedseigen materiaal wordt gebruikt.

Artikel 3.96 Vrijstelling activiteiten bij takkenwal en takkenril Voor een takkenwal of takkenril, anders dan bedoeld in Artikel 3.95, wordt alleen takhout gestort als: a. de wallen en rillen worden aangelegd tegen de buitenrand van een houtopstand; b. het gebruikte takhout afkomstig is van die nabije houtopstand; c. aanwezige of potentiële natuurwaarden op deze manier worden versterkt; d. het gebruikte takhout zo spoedig mogelijk wordt uitgevlakt tot de wallen en rillen aan de voet maximaal 1 meter breed zijn en een maximale hoogte van 1,50 meter hebben gemeten vanaf het maaiveld; en e. de wallen en rillen geen stobben of boomstronken bevatten.

Artikel 3.97 Vrijstelling activiteiten in tuin, park, landgoed of sportaccommodatie In een tuin, park, landgoed of sportaccommodatie wordt alleen grond gestort voor een wal of grondlichaam als:

37

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

a. b. c. d.

een landschapstype dat aan de stortlocatie grenst niet wordt doorkruist of onderbroken, tenzij dit aanvaardbaar is vanuit cultuurhistorische overwegingen; aanwezige bomen niet in het grondlichaam komen te staan; de wal of het grondlichaam wordt ingepland met een gebiedseigen beplantingsmengsel; en de grond zo spoedig mogelijk wordt uitgevlakt tot de wal of het grondlichaam maximaal 2 meter breed is en een maximale hoogte heeft van 1 meter gemeten vanaf het maaiveld.

Artikel 3.98 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning grondverzet In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.91, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. kaart van de planlocatie; b. locatie van het werk; c. materialen die worden toegepast; d. hoeveelheid materialen die worden toegepast; e. herkomst materialen die worden toegepast; f. afmetingen van de werkzaamheden; g. permanente of tijdelijke werkzaamheden; h. reden van de werkzaamheden; en i. start- en einddatum van de werkzaamheden.

Artikel 3.99 Meldplicht ophogen of egaliseren agrarisch gebruikt weide- en akkerperceel 1.

Het is verboden zonder melding agrarisch gebruikte weide- en akkerpercelen op te hogen of te egaliseren.

2.

De melding wordt ten minste vier weken voor het begin van de activiteit gedaan.

Artikel 3.100 Specifieke vereisten melding ophogen of egaliseren agrarisch gebruikt weide- en akkerperceel In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding als bedoeld Artikel 3.99 ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. kaart van de planlocatie; b. locatie van het werk; c. is de locatie buiten een natuurparel, waterparel, natuurnetwerk Nederland en Groene contour ; d. functie planlocatie in het omgevingsplan; e. huidig gebruik planlocatie; f. hoeveeldheid grond, heideplagsel en/of bosstrooisel die wordt toegepast; g. afmetingen van de werkzaamheden; h. start- en einddatum van de werkzaamheden; i. of grond wordt gestort volgens het principe zand op zand, klei op klei, veen op veen; j. of bij het verspreiden en egaliseren de aardkundig, archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten en geulen, in stand worden gelaten; en k. of de percelen eens in de 5 jaar worden opgehoogd met maximaal 10 centimeter na uitvlakking.

Artikel 3.101 Specifieke eis bij werk De activiteiten bedoeld in Artikel 3.92 duren niet langer dan noodzakelijk.

Artikel 3.102 Specifieke eisen bij agrarisch perceel

38

1.

Bij een stortplaats of rommelterrein is het te storten of opgeslagen materiaal afkomstig uit het eigen agrarisch productieproces of bestemd voor de verwerking in dat productieproces.

2.

Bij een stortplaats of rommelterrein is het aanwezige materieel benodigd voor het eigen agrarisch productieproces.

3.

Op een stortplaats of rommelterrein zijn rijkuilen, sleufsilo's en hooi- en kuilgrasbalen afgedekt of gewikkeld in plasticfolie.

4.

Op een stortplaats of rommelterrein ligt niet meer dan één hoop grond van maximaal 50 m3.

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

5.

In het Landelijk gebied worden binnen een natuurparel, waterparel, natuurnetwerk Nederland en Groene contour zonder omgevingsvergunning geen agrarisch gebruikte weide- en akkerpercelen opgehoogd en geëgaliseerd.

6.

Voor het zonder omgevingsvergunning ophogen en egaliseren van agrarisch gebruikte weideen akkerpercelen binnen het Landelijk gebied buiten een natuurparel, waterparel, natuurnetwerk Nederland en Groene contour geldt dat: a. alleen grond, heideplagsel en bosstrooisel wordt gestort; b. grond wordt gestort volgens het principe zand op zand, klei op klei en veen op veen; c. grond, heideplagsel en bosstrooisel na het storten daarvan zo spoedig mogelijk wordt uitgevlakt; d. terreingedeelten, zoals laagten en geulen, in stand worden gelaten; en e. de percelen maximaal een keer in de 5 jaar opgehoogd worden met maximaal 10 centimeter na uitvlakking.

7.

Het ophogen of egaliseren van agrarisch gebruikte weide- en akkerpercelen wordt binnen vier weken na aanvang afgerond.

Afdeling 3.5 Gesloten stortplaats Artikel 3.103 Oogmerk gesloten stortplaats De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de bescherming van het milieu.

Artikel 3.104 Toepassingsbereik gesloten stortplaats Deze afdeling is van toepassing op activiteiten op een Gesloten stortplaats.

Artikel 3.105 Omgevingsvergunning activiteiten op gesloten stortplaats Het is op een Gesloten stortplaats verboden zonder omgevingsvergunning: a. een bouwactiviteit te verrichten; b. een milieubelastende activiteit te verrichten; of c. een boom of houtopstand te kappen.

Artikel 3.106 Beoordelingsregels omgevingsvergunning gesloten stortplaats De omgevingsvergunning voor een activiteit op een Gesloten stortplaats wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria: a. er worden maatregelen genomen die strekken tot het in stand houden en onderhouden, het herstellen, verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van de bodem; b. voorzieningen ter bescherming van de bodem worden regelmatig geïnspecteerd; en c. de bodem onder de stortplaats wordt regelmatig onderzocht.

Artikel 3.107 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning gesloten stortplaats In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld Artikel 3.105, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een beschrijving van de activiteit; a. een tekening met de locatie van de uit te voeren activiteit; en b. een beschrijving van de maatregelen die genomen worden om beschadiging van de voorzieningen ter bescherming van de bodem te voorkomen.

Artikel 3.108 Omgevingsplanactiviteit gesloten stortplaats Een omgevingsplanactiviteit die plaatsvindt op een Gesloten stortplaats is een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang.

Hoofdstuk 4 Bereikbaarheid en mobiliteit Afdeling 4.1 Bereikbaarheid

39

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Artikel 4.1 Instructieregel bereikbaarheid 1.

Een omgevingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien, waarborgt dat knelpunten in de bereikbaarheid niet toenemen en bij voorkeur afnemen.

2.

De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van het aantal verplaatsingen die deze nieuwe ontwikkelingen tot gevolg hebben; b. een beschrijving van de wijze waarop het plangebied wordt ontsloten voor de verschillende vervoerwijzen; c. een analyse of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het omliggende (regionale) verkeers- en vervoersnetwerk voor de diverse vervoerwijzen kunnen ontstaan; en d. een analyse of de bereikbaarheid door de beoogde ontwikkelingen verslechtert en of de reistijd significant toeneemt.

3.

Indien uit de Bereikbaarheidsscan blijkt dat er mogelijk sprake is van verslechtering van de bereikbaarheid of toename van knelpunten op het omliggende verkeers- en vervoernetwerk, wordt een bereikbaarheidsonderzoek als bedoeld in de Bijlage XIV Bereikbaarheidsanalyse bij deze verordening uitgevoerd. Binnen dit bereikbaarheidsonderzoek worden mogelijke oplossingen voor de geconstateerde knelpunten uitgewerkt, waarbij ook realisatie en financiering van deze maatregelen aan bod komen.

Artikel 4.2 Instructieregel behoud provinciaal OV-netwerk 1.

Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen die het Provinciaal OVnetwerk belemmeren, wordt het belang van de ongewijzigde instandhouding en mogelijkheid tot uitbreiding van het provinciaal OV-netwerk in acht genomen.

2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop het belang van de ongewijzigde instandhouding en mogelijkheid tot uitbreiding van het Provinciaal OVnetwerk in acht is genomen.

Artikel 4.3 Instructieregel behoud provinciaal bereikbaarheidsnetwerk 1.

Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen die het Provinciaal bereikbaarheidsnetwerk belemmeren, wordt rekening gehouden met het belang van de ongewijzigde instandhouding en uitbreiding van het provinciaal bereikbaarheidsnetwerk.

2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop met het belang van de ongewijzigde instandhouding en mogelijkheid tot uitbreiding rekening gehouden is met het Provinciaal bereikbaarheidsnetwerk.

Artikel 4.4 Instructieregel behoud regionaal fietsnetwerk 1.

Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen die het Regionaal fietsnetwerk belemmeren, wordt rekening gehouden met het belang van de ongewijzigde instandhouding en uitbreiding van dit regionaal fietsnetwerk.

2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop met het belang van de ongewijzigde instandhouding en mogelijkheid tot uitbreiding rekening gehouden is met het regionaal fietsnetwerk.

Afdeling 4.2 Provinciale weg Paragraaf 4.2.1 Algemene bepalingen provinciale weg Artikel 4.5 Oogmerk provinciale weg

40

1.

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg behoort.

2.

Taken en bevoegdheden op grond van deze afdeling kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de provinciale weg is gelegen: a. het beschermen van landschappelijke en aardkundige waarden; b. het beschermen van ecologische waarden en natuur;

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

c. d.

het beschermen van cultuurhistorische en archeologische waarden; en het beschermen van recreatieve en toeristische belangen.

Artikel 4.6 Aanwijzing beperkingengebied provinciale weg Een provinciale weg bestaat uit: a. het Beperkingengebied bouwwerken provinciale weg; b. het Beperkingengebied vrij zicht provinciale weg; en c. het Beperkingengebied beheer provinciale weg.

Paragraaf 4.2.2 Instructieregels provinciale weg Artikel 4.7 Instructieregel bouwwerken bij provinciale weg 1.

Voor zover een omgevingsplan voorziet in het realiseren of wijzigen van bouwwerken binnen het Beperkingengebied bouwwerken provinciale weg, wordt rekening gehouden met het belang van de ongewijzigde instandhouding en uitbreiding van de provinciale weg.

2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de ongewijzigde instandhouding en de mogelijkheid tot uitbreiding van de provinciale weg.

Paragraaf 4.2.3 Regels over activiteiten provinciale weg Subparagraaf 4.2.3.1 Algemene bepalingen activiteiten provinciale weg Artikel 4.8 Toepassingsbereik provinciale weg 1.

Deze paragraaf gaat over activiteiten in het Beperkingengebied vrij zicht provinciale weg en het Beperkingengebied beheer provinciale weg die nadelig zijn voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.5.

2.

Paragraaf 4.2.3 geldt niet voor activiteiten die worden verricht door of namens de wegbeheerder in het kader van de aanleg, de wijziging of het beheer van een weg of de regeling van het verkeer over die weg.

Artikel 4.9 Specifieke zorgplicht provinciale weg

41

1.

Degene die een activiteit in het Beperkingengebied vrij zicht provinciale weg verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.5, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van wegen wordt verzekerd; b. het gebruik van de weg, in overeenstemming met haar functie als openbare weg, wordt verzekerd; c. het vrije zicht niet wordt beperkt; d. werkzaamheden op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat hieruit geen schade voor de weg kan ontstaan; e. geen vaste stoffen of voorwerpen worden gedeponeerd, anders dan bij werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen; f. het Beperkingengebied beheer provinciale weg niet wordt verontreinigd met hinderlijke of schadelijke vaste stoffen, hinderlijke of schadelijke vloeistoffen, en hinderlijke of schadelijke voorwerpen of met beplantingsresten; g. beplanting in een zodanige conditie wordt gehouden dat zij geen gevaar of hinder vormt voor de weggebruikers en geen schade veroorzaakt aan de weg; h. borden, spandoeken, vlaggenmasten, handelsreclame en licht- of geluidgevende voorzieningen op een zodanige plaats of wijze worden aangebracht dat de veiligheid van het verkeer niet in gevaar wordt gebracht;

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

i. j. k.

bermsloten in het Beperkingengebied beheer provinciale weg alleen worden gedempt, afgedamd of de afvoercapaciteit daarvan gewijzigd door of namens de wegbeheerder; aanleg of wijziging van de provinciale weg alleen geschiedt door of namens de wegbeheerder; en alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1 van de wet.

Artikel 4.10 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning activiteit provinciale weg algemeen In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit op grond van deze paragraaf ten minste de volgende de gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de activiteit plaatsvindt op tekening; b. de datum en het tijdstip waarop de activiteit wordt begonnen; en c. de duur van de activiteit.

Artikel 4.11 Specifieke eis verwijderen of verleggen van werk en object 1.

Met het oog op het belang van aanleg, verruiming of wijziging van een provinciale weg worden bouwwerken, werken die geen bouwwerken zijn of andere objecten, waarvoor geen omgevingsvergunning op grond van deze paragraaf is vereist, verplaatst of verlegd als die een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de aanleg, verruiming of wijziging van die weg door of namens de wegbeheerder.

2.

Als, ondanks een redelijke poging daartoe, met de rechthebbende op het bouwwerk, het werk dat geen bouwwerk is of het andere object geen schriftelijke overeenstemming is bereikt over de termijn waarop dat bouwwerk, werk of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.

Artikel 4.12 Specifieke eis uitsteken van beplanting 1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg steekt beplanting boven het Beperkingengebied beheer provinciale weg niet lager dan 4,50 meter boven de verkeersbanen en fietspaden uit en niet lager dan 3 meter boven voetpaden uit.

2.

In aanvulling op Artikel 1.5 geldt het eerste lid ook voor de rechthebbenden op de beplanting.

Artikel 4.13 Maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften 1.

Gedeputeerde staten kunnen maatwerkvoorschriften stellen of een vergunningvoorschrift aan de omgevingsvergunning verbinden voor de activiteiten genoemd in Paragraaf 4.2.3.

2.

Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in Paragraaf 4.2.3.

3.

Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in Paragraaf 4.2.3 kan worden verbonden.

Subparagraaf 4.2.3.2 Activiteiten uitweg bij provinciale weg Artikel 4.14 Omgevingsvergunning uitweg bij provinciale weg

42

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het Beperkingengebied beheer provinciale weg: a. het hebben of maken van een uitweg naar de provinciale weg; b. het maken van wijzigingen aan een bestaande uitweg naar de provinciale weg; c. het veranderen van het gebruik van een bestaande uitweg naar de provinciale weg van particulier naar bedrijfsmatig gebruik; en d. het intensiveren van het gebruik van een bedrijfsmatige uitweg.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op verkooppunten als bedoeld in Artikel 4.35.

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Artikel 4.15 Beoordelingsregel omgevingsvergunning uitweg bij provinciale weg Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien: a. de uitweg bij een perceelsplitsing voor het nieuwe perceel wordt aangesloten op de provinciale hoofdrijbaan indien er sprake is van een gebiedsontsluitingsweg; b. de uitweg kan worden aangesloten op een parallelweg of op een weg van een gemeente, een waterschap of op een andere weg van lagere orde; c. de aanvraag betrekking heeft op een tweede uitweg van het perceel, tenzij een tweede uitweg in het belang van de verkeersveiligheid noodzakelijk is; d. de uitweg wordt aangesloten op een stroomweg; e. de uitweg wordt aangelegd op minder dan 50 meter van bochten, kruispunten, splitsingen, rotondes of verkeersregelinstallaties; of f. de verkeersveiligheid door de verkeersaantrekkende werking van het gebruik van het te ontsluiten perceel onevenredig wordt aangetast.

Artikel 4.16 Beoordelingsregel omgevingsvergunning tijdelijke uitweg bij provinciale weg Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een tijdelijke uitweg wordt, aanvullend op Artikel 4.15, in ieder geval geweigerd indien: a. de uitweg niet noodzakelijk is voor het verrichten van werkzaamheden van tijdelijke aard; of b. het werkverkeer kan worden ontsloten via een bestaande uitweg.

Artikel 4.17 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning uitweg bij provinciale weg In aanvulling op het in Artikel 4.10 bepaalde wordt bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, ten minste aangegeven of er obstakels zijn die voor de beoogde aanleg of wijziging van de uitweg verwijderd moeten worden.

Artikel 4.18 Specifieke eis uitvoering en onderhoud uitweg Uit oogpunt van verkeersveiligheid, doorstroming en een uniforme inrichting van de provinciale weg bepalen gedeputeerde staten in de voorschriften van een omgevingsvergunning voor een uitweg dat: a. de aanleg en het onderhoud van de uitweg in het Beperkingengebied beheer provinciale weg door of in opdracht van de provincie wordt uitgevoerd; en b. een financiële vergoeding verschuldigd is voor het onder a. genoemde aanleg en onderhoud.

Subparagraaf 4.2.3.3 Activiteiten kabels, leidingen, lasgaten, huisaansluitingen, duikers, goten, buizen, afrasteringen en andere werken Artikel 4.19 Omgevingsvergunning kabels, leidingen, lasgaten, huisaansluitingen, duikers, goten, buizen, afrasteringen en ander werken Het is verboden zonder omgevingsvergunning kabels, leidingen, duikers, goten, buizen, afrasteringen en andere werken te hebben, op te richten, aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen in het Beperkingengebied beheer provinciale weg, tenzij een meldplicht geldt.

Artikel 4.20 Beoordelingsregel omgevingsvergunning kabels, leidingen, lasgaten, huisaansluitingen, duikers, goten, buizen, afrasteringen en andere werken Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien er een aanmerkelijke kans bestaat op schade of aantasting van het veilig en doelmatig gebruik van een weg.

Artikel 4.21 Intrekking of wijziging van omgevingsvergunning kabels en leidingen In aanvulling op het bepaalde in Artikel 1.9 kan een omgevingsvergunning voor kabels of leidingen worden ingetrokken of gewijzigd indien: a. een kabel of leiding of een deel daarvan, moet worden verlegd als gevolg van werkzaamheden van de provincie of derden, en er geen ruimte is om de kabel of leiding te laten liggen of terug te plaatsen; b. de vergunninghouder niet voldoet aan het verzoek tot het nemen van maatregelen of het doen van aanpassingen, die nodig zijn voor de realisering van provinciale infrastructurele maatregelen of voor de uitvoering van beheer en onderhoud.

43

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Artikel 4.22 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning kabels en leidingen In aanvulling op het in Artikel 4.10 bepaalde worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, aanleggen, plaatsen, in stand houden, slopen of verwijderen van kabels en leidingen, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding: 1. een beschrijving van de soort kabel of leiding; 2. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding; 3. de kilometrering, het wegnummer en de ligging van de kabel of leiding op tekening; 4. als een gestuurde boring wordt gebruikt: een boorplan; 5. als wordt geboord bij de fundering van een viaduct: een beschrijving van de invloed van de boring op de fundering; b. voor het in stand houden van een kabel of leiding: 1. een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; 2. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen op tekening; en c. voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding: 1. een beschrijving van de wijze van verwijderen; 2. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen op tekening.

Artikel 4.23 Meldplicht lasgaten en huisaansluitingen 1.

Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg lasgaten en huisaansluitingen voor de watervoorziening, de energievoorziening of de telecommunicatie te hebben, op te richten, aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen als daarvoor geen verhardingen van de weg worden opgebroken of gekruist.

2.

De melding wordt ten minste drie weken en ten hoogste twee maanden gedaan voordat de activiteit wordt verricht.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de gemelde gegevens, wordt een nieuwe melding gedaan.

4.

De melding met alle daarbij behorende stukken zijn tijdens de werkzaamheden op het werk aanwezig. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt deze melding onmiddellijk getoond.

5.

De activiteit bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd met in achtneming van de regels van Bijlage VIII Specifieke eisen Kabels en Leidingen bij deze verordening.

Artikel 4.24 Meldplicht telecom en laag- of middenspanning elektriciteit kabels en leidingen

44

1.

Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg kabels en leidingen in de zin van de Telecommunicatiewet of laag- en middenspanning elektriciteitskabels te hebben, op te richten, aan te leggen, te wijzigen of te verwijderen als daarvoor geen verhardingen van de weg worden opgebroken of gekruist, met inbegrip van: a. het bouwen, in stand houden en slopen van bouwwerken die daarmee samenhangen; en b. het aanleggen, plaatsen, in stand houden en verwijderen van werken die geen bouwwerken zijn, die daarmee samenhangen.

2.

De melding wordt ten minste vier weken en ten hoogste zes maanden gedaan voordat de activiteit wordt verricht.

3.

Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de gemelde gegevens, wordt een nieuwe melding gedaan.

4.

De melding met alle daarbij behorende stukken zijn tijdens de werkzaamheden op het werk aanwezig. Op verzoek van het bevoegd gezag wordt deze melding onmiddellijk getoond.

5.

De activiteit bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd met in achtneming van de regels van Bijlage VIII Specifieke eisen Kabels en Leidingen bij deze verordening.

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Artikel 4.25 Meldplicht gedenkteken 1.

Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg een gedenkteken naar aanleiding van een dodelijk ongeval te plaatsen.

2.

Het gedenkteken naar aanleiding van een dodelijk ongeval wordt onder voorwaarden door de provincie ter beschikking gesteld en wordt alleen in overleg met de directe nabestaanden geplaatst.

Artikel 4.26 Specifieke vereisten melding lasgaten en huisaansluitingen Een melding bevat naast de in Artikel 1.12 gevraagde gegevens ten minste een tekening met wegnummer en kilometrering van de beoogde ligging van de lasgaten en huisaansluitingen.

Artikel 4.27 Specifieke vereisten melding telecom en laag- of middenspanning elektriciteit kabels en leidingen In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. voor het aanleggen of plaatsen van een kabel of leiding: 1. een beschrijving van de soort kabel of leiding; 2. een beschrijving van de wijze van aanleg van de kabel of leiding; 3. de kilometrering, het wegnummer en de ligging van de kabel of leiding op tekening; b. voor het in stand houden van een kabel of leiding: 1. een beschrijving van de werkzaamheden aan de kabel of leiding; 2. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen op tekening; en c. voor het slopen of verwijderen van een kabel of leiding: 1. een beschrijving van de wijze van verwijderen; 2. de kilometrering en de ligging van de kabel of leiding en van objecten die daarmee samenhangen op tekening.

Artikel 4.28 Specifieke vereisten melding gedenkteken [Gereserveerd]

Subparagraaf 4.2.3.4 Activiteiten borden en vergelijkbare objecten Artikel 4.29 Omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning borden, spandoeken, vlaggenmasten, handelsreclame, kunstuitingen, licht- of geluidgevende voorzieningen of vergelijkbare objecten te hebben, plaatsen of wijzigen in het Beperkingengebied beheer provinciale weg, tenzij een meldplicht geldt.

2.

Het verbod geldt niet voor verkeerstekens en onderborden als bedoeld in artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 4.30 Beoordelingsregel omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien: a. niet voldaan wordt aan Artikel 4.9, tweede lid, sub h; b. er sprake is van commerciële aanduidingen; c. het object in zichthoeken komt te staan; d. het object botsgevaarlijk is; e. het object bevestigd wordt aan wegmeubilair.

Artikel 4.31 Beoordelingsregel omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten ter aanduiding van objecten en terreinen Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor borden of vergelijkbare objecten ter aanduiding van objecten en terreinen, al dan niet met een toeristisch karakter, wordt, aanvullend op Artikel 4.30, in ieder geval geweigerd indien:

45

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

a.

b.

er op basis van de algemene geografische bewegwijzering kan worden gereden naar een geografische bestemming waar het terrein of object is gelegen of waarmee het terrein of object wordt geassocieerd; of hiermee geen verkeersveilige afwikkeling en geen ongehinderde doorstroming van het verkeer bevorderd wordt.

Artikel 4.32 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning borden en vergelijkbare objecten In aanvulling op het in Artikel 4.10 bepaalde worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bord of vergelijkbaar object, bedoeld in Artikel 4.29, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de borden of vergelijkbare objecten worden geplaatst op tekening; b. de datum en het tijdstip waarop met de plaatsing wordt begonnen; en c. de duur van de periode waarin de borden aanwezig zijn.

Artikel 4.33 Meldplicht borden en vergelijkbare objecten 1.

Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg borden, spandoeken, vlaggenmasten, handelsreclame, kunstuitingen, licht- of geluidgevende voorzieningen of vergelijkbare objecten te hebben, plaatsen of wijzigen buiten het Gebied landschappelijke waarden.

2.

De melding wordt ten minste twee weken voor het gplaatsen of wijzigen van het bord gedaan.

3.

De in het eerste lid genoemde objecten moeten voldoen aan het bepaalde in Artikel 4.30.

Artikel 4.34 Specifieke vereisten melding borden en vergelijkbare objecten Bij een melding voor een bord of vergelijkbaar object, bedoeld in Artikel 4.33, worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de borden of vergelijkbare objecten worden geplaatst op tekening; b. de datum en het tijdstip waarop met de plaatsing wordt begonnen; en c. de duur van de periode waarin de borden aanwezig zijn.

Subparagraaf 4.2.3.5 Activiteiten standplaats en verkooppunt Artikel 4.35 Omgevingsvergunning standplaats en verkooppunt Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten in het Beperkingengebied beheer provinciale weg: a. een standplaats voor handel of bedrijf in te nemen en te hebben; of b. een verkooppunt voor het leveren van energie aan voertuigen of andere goederen in te richten en te hebben.

Artikel 4.36 Beoordelingsregel omgevingsvergunning standplaats en verkooppunt Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien: a. er een aanmerkelijke kans bestaat op overlast, hinder of onveiligheid voor het verkeer en de omgeving; of b. toestemming van de desbetreffende gemeente ontbreekt.

Artikel 4.37 Beoordelingsregel omgevingsvergunning standplaats en verkooppunt op carpoolplaats Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een standplaats of verkooppunt op een carpoolplaats wordt, aanvullend op Artikel 4.36 in ieder geval geweigerd indien: a. op de carpoolplaats op hetzelfde tijdstip al een standplaats of verkoopplaats van de betreffende productgroep vergund is; of b. onvoldoende parkeerruimte overblijft.

46

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Artikel 4.38 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning standplaats en verkooppunt In aanvulling op het in Artikel 4.10 bepaalde worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 4.35, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. omschrijving van de aanleiding, doelstelling en doelgroep van de standplaats of verkooppunt; b. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan een duurzame opzet van de standplaats of verkooppunt; c. de wijze waarop het terrein zal worden schoongehouden; d. de wijze waarop zorg wordt gedragen voor toezicht en sociale veiligheid; e. de vereiste diploma's voor en de opgedane ervaring met het exploiteren van een standplaats of verkooppunt; f. indien van toepassing: de wijze waarop een energievoorziening wordt gerealiseerd; en g. indien van toepassing: de wijze waarop de standplaats of verkooppunt wordt gepromoot.

Subparagraaf 4.2.3.6 Activiteiten evenement Artikel 4.39 Omgevingsvergunning evenement Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied beheer provinciale weg een evenement te houden waarbij de doorstroming van het verkeer wordt belemmerd of de verkeersveiligheid op de provinciale weg in gevaar wordt gebracht.

Artikel 4.40 Beoordelingsregel omgevingsvergunning evenement 1.

Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een evenement wordt in ieder geval geweigerd indien: a. een evenement onaanvaardbare verstoring van of schade aan natuur en landschap tot gevolg zou hebben; b. de route van een evenement binnen het natuurnetwerk Nederland ligt; c. de bereikbaarheid van het verkeer, waaronder het openbaar vervoer en hulpdiensten, en de verkeersveiligheid onvoldoende geborgd zijn; of d. de politie of hulpdiensten negatief adviseren over de gevolgen van het evenement voor het gebruik van en de veiligheid op de provinciale weg.

2.

Indien voor dezelfde datum meerdere evenementen aangevraagd worden die gelijktijdig plaatsvinden en die in verband met situering, schaalgrootte en verkeersaantrekkende werking niet gelijktijdig kunnen plaatsvinden geldt de volgende rangorde: a. internationale evenementen; b. nationale evenementen; c. regionale evenementen; d. lokale evenementen

Artikel 4.41 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning evenement In aanvulling op het in Artikel 4.10 bepaalde worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 4.39, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam en Kamer van Koophandel inschrijving van de vereniging die het evenement organiseert; b. een kopie van de verzekeringspolis waaruit blijkt dat de organisatie verzekerd is tegen de wettelijke aansprakelijkheid voor schade, die uit (het organiseren van) het evenement kan voortvloeien; c. de doelgroep van het evenement; d. het verwachte aantal deelnemers; e. het verwachte aantal bezoekers; f. een indicatie van vanwaar de bezoekers afkomstig zijn (plaatselijk, regionaal, landelijk of internationaal); g. het aantal volgauto's indien van toepassing; h. een verkeersplan met de te treffen verkeersmaatregelen conform de CROW-publicatie/richtlijn 96b: 1. de benodigde afsluitingen van wegen; 2. de benodigde en geregelde parkeergelegenheid; 3. de benodigde en geregelde fietsenstallingen; 4. de benodigde omleidingen van het openbaar vervoer en het overige verkeer indien van toepassing; 5. De benodigde verkeersregelaars; en

47

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

6. De beoogde locaties voor verkeersregelaars; de organisatie die de verkeersmaatregelen uitvoert; het aantal, de soort en de plaats waar objecten zoals podia, kramen en tenten worden geplaatst; een topografische kaart waarop de plaats van het evenement is aangegeven of waarop de gehele route van het evenement is aangegeven, inclusief rijrichting en eventuele controleposten; l. een routebeschrijving met tijdschema, waarin alle wegen die binnen de provincie Utrecht bereden worden staan vermeld, evenals de gemeenten waarbinnen ze gelegen zijn, indien van toepassing. Bij provincie overschrijdende evenementen moeten ook de wegen in de andere provincie(s) vermeld worden; m. een verklaring waaruit blijkt dat de betrokken gemeentelijke overheid bereid is medewerking te verlenen aan het te houden evenement, indien een dergelijke verklaring vanuit de betrokken gemeentelijke overheid noodzakelijk is; n. een verklaring waaruit blijkt dat er overeenstemming is met betrokken wegbeheerders over de eventuele omleidingsroutes; o. een verklaring van de beheerder(s) van in de route opgenomen onverharde weggedeelten of eigen wegen, dat tegen het berijden daarvan geen bezwaren bestaan, dan wel een verklaring van de organisatie dat bedoelde verklaring van geen bedenkingen mondeling is verkregen; en p. de wijze waarop de belangen van aanwonenden zijn meegenomen. i. j. k.

Artikel 4.42 Meldplicht tijdelijk verwijsbord evenement 1.

Het is verboden zonder melding in het Beperkingengebied beheer provinciale weg tijdelijke verwijsborden kort voor en tijdens een evenement te plaatsen.

2.

De melding wordt ten minste twee weken voor het begin van het evenement gedaan.

3.

Tijdelijke verwijsborden moeten voldoen aan het bepaalde in Artikel 4.30.

Artikel 4.43 Specifieke vereisten melding tijdelijk verwijsbord evenement Bij een melding voor een tijdelijk verwijsbord worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de kilometrering en het wegnummer van de locatie waar de borden of vergelijkbare objecten worden geplaatst op tekening; b. de datum en het tijdstip waarop met de plaatsing wordt begonnen; en c. de duur van de periode waarin de borden aanwezig zijn.

Artikel 4.44 Specifieke eis tijdelijk verwijsbord evenement 1.

Met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg zijn tijdelijke verwijsborden uitsluitend maximaal 24 uur vóór en tijdens een evenement aanwezig.

2.

De borden zijn niet groter dan 1 meter bij 1 meter.

3.

De borden worden binnen 24 uur na afloop van het evenement verwijderd.

4.

Er worden niet meer dan twee borden bij elkaar op een locatie aangebracht.

5.

De borden worden geplaatst in de onverharde buitenberm op een afstand van ten minste 2,5 meter uit de kant van de verharding.

Afdeling 4.3 Lokale spoorweg Paragraaf 4.3.1 Algemene bepalingen lokale spoorweg Artikel 4.45 Oogmerk lokale spoorweg De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en werking van een lokale spoorweg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die spoorweg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die spoorweg behoort.

Artikel 4.46 Aanwijzing beperkingengebied lokale spoorweg Het Beperkingengebied lokale spoorweg bestaat uit: a. de Kernzone lokale spoorweg; en b. de Beschermingszone lokale spoorweg.

48

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Paragraaf 4.3.2 Instructieregels lokale spoorweg Artikel 4.47 Instructieregel beperkingengebied lokale spoorweg 1.

Voor zover een omgevingsplan voorziet in het realiseren of wijzigen van bouwwerken binnen het Beperkingengebied lokale spoorweg, wordt rekening gehouden met het belang van de instandhouding en uitbreiding van de lokale spoorweg.

2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de instandhouding en uitbreiding van de lokale spoorweg.

Artikel 4.48 Instructieregel hinder lokale spoorweg 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen binnen het Beperkingengebied lokale spoorweg bevat regels voor bestaande gebouwen die getransformeerd worden tot geluidgevoelige gebouwen mits zij een binnenwaarde van maximaal 33 dB Lden hebben.

2.

Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op locaties gelegen binnen het Beperkingengebied lokale spoorweg: a. zijn nieuwe geluidgevoelige gebouwen in buiten de bebouwde kom toegestaan tot een geluidbelasting van maximaal 60 dB Lden op de gevel; en b. nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen de bebouwde kom toegestaan tot een geluidbelasting van 65 dB Lden op de gevel.

3.

De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat wordt voldaan aan: a. de voorwaarden in het eerste en tweede lid; en b. er maatregelen worden genomen om de hinder van geluid, trillingen, elektromagnetische straling of emissies van koper- of ijzerslijpsel, veroorzaakt door de lokale spoorweg, nu en in de toekomst te voorkomen.

Paragraaf 4.3.3 Regels over activiteiten lokale spoorweg Artikel 4.49 Toepassingsbereik lokale spoorweg Deze paragraaf gaat over activiteiten in het Beperkingengebied lokale spoorweg, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.45.

Artikel 4.50 Vrijstelling vergunningplicht beschermingszone lokale spoorweg Het verbod, bedoeld in artikel 9.48, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een activiteit in een beperkingengebied met betrekking tot een lokale spoorweg te verrichten, geldt niet voor activiteiten in de Beschermingszone lokale spoorweg, met uitzondering van: a. het bouwen en in stand houden van bouwwerken en het plaatsen en behouden van objecten, met inbegrip van bomen, met een hoogte die groter is dan de kortste afstand van het bouwwerk of object tot de bovenleiding; b. het planten en behouden van bomen waarvan de kroon binnen een afstand van 5 meter vanaf de bovenleiding kan groeien; c. het gebruiken van een ladder, hijskraan of hoogwerker met een hoogte die groter is dan de kortste afstand van de locatie waar de hijskraan of hoogwerker wordt gebruikt tot de bovenleiding; d. het uitvoeren van heiwerkzaamheden; e. het uitvoeren van graafwerkzaamheden met een diepte van meer dan 1/10 van de afstand tot buitenste spoorstaaf; f. het onttrekken van grondwater; en g. andere activiteiten die van invloed zijn op het lokale spoor.

Artikel 4.51 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning lokale spoorweg In aanvulling op paragraaf 7.2 van de Omgevingsregeling, worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een werkplan waarin wordt beschreven hoe de activiteit wordt verricht, inclusief risico-inventarisatie en -evaluatie;

49

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

b.

c. d. e.

f. g.

een beschrijving van de locatie en de inrichting van het werkterrein waarop in ieder geval is aangegeven de locatie van bouwketen, werkmaterieel inclusief draaicirkels en (werk)hoogte, opslagtanks en aan- en afvoerwegen; een omschrijving van de gevolgen van de werkzaamheden voor de toegankelijkheid, de veiligheid en het doelmatig gebruik van de spoorweginfrastructuur; een Veiligheid & Gezondheid plan Uitvoeringsfase (V&G U-plan) conform het Kader Werkzaamheden Tramweg (KWT); een uitvoeringsplan waarin wordt aangetoond dat de baan veilig berijdbaar is tijdens en na de werkzaamheden en indien van toepassing een Plan Veilige Berijdbaarheid conform het Kader Werkzaamheden Tramweg (KWT); een werktekening met diepteligging onder trambaan, route en diameter of diameters van te boren of persen leidingen) en een kraterberekening indien van toepassing; en een monitoringsplan als graaf-, hei- of bronneringswerkzaamheden worden verricht.

Afdeling 4.4 Vaarweg Paragraaf 4.4.1 Algemene bepaling vaarweg Artikel 4.52 Oogmerk vaarweg 1.

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. de instandhouding en de bruikbaarheid van Vaarweg en en de bijbehorende werken; en b. de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op vaarwegen.

2.

Taken en bevoegdheden op grond van deze afdeling kunnen ook worden uitgeoefend met het oog op de volgende belangen in het gebied waar de vaarweg is gelegen: a. het beschermen van landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden; en b. de natuurbescherming.

Paragraaf 4.4.2 Algemene bepalingen vaarwegbeheer Artikel 4.53 Toedeling vaarwegbeheer 1.

De provincie Utrecht is belast met het vaarwegbeheer van de Vaarweg in beheer bij provincie Utrecht, bedoeld in lijst A van Bijlage IX Vaarwegbeheer bij deze verordening, onder de nummers 1 tot en met 4 opgenomen regionale wateren en sluizen.

2.

Het vaarwegbeheer van Vaarweg niet in beheer bij provincie Utrecht bij provincie Utrecht , bedoeld in lijst A van Bijlage IX Vaarwegbeheer bij deze verordening, onder de nummers 5 tot en met 13 opgenomen regionale wateren en sluizen, wordt uitgevoerd door de in deze lijst aangegeven bestuursorganen.

3.

Met het vaarwegbeheer van de in lijst B en C van Bijlage IX Vaarwegbeheer bij deze verordening, opgenomen regionale wateren en sluizen zijn belast de op de betreffende lijst aangegeven bestuursorganen.

4.

Het nautisch beheer van de in lijst A, B en C van Bijlage IX Vaarwegbeheer bij deze verordening, opgenomen regionale wateren en sluizen ligt bij het op de betreffende lijst aangegeven bestuursorgaan.

Artikel 4.54 Vaarwegonderhoud door vaarwegbeheerder

50

1.

De vaarwegbeheerder draagt zorg voor het onderhoud van de vaarweg. Het onderhoud omvat: a. het behouden of realiseren van de vaarwegdiepte en vaarweghoogte, zoals vastgesteld in het Besluit minimaal benodigde doorvaarthoogten en het Besluit minimaal benodigde vaarwegdiepten; b. het in goede staat houden of brengen van oevers, oevervoorzieningen en kunstwerken; en c. het schoonhouden van de vaarweg.

2.

Ontheffing van het realiseren van de vaarweghoogte wordt alleen verleend als bij de bouw van een vaste brug redelijkerwijs niet aan die vaarweghoogte kan worden voldaan.

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Artikel 4.55 Bediening bruggen en sluizen De vaarwegbeheerder draagt er zorg voor dat de bruggen en sluizen worden bediend op de door gedeputeerde staten vastgestelde tijden.

Artikel 4.56 Verhaalplicht 1.

Schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen worden op aanwijzing van de vaarwegbeheerder verhaald, als onderhoud van een vaarweg of bijbehorend werk dat nodig maakt.

2.

Behoudens in spoedgevallen wordt de zakelijk gerechtigde of de gebruiker van een schip, een samenstel van schepen of van een drijvend voorwerp ruimschoots van tevoren door de vaarwegbeheerder schriftelijk in kennis gesteld van de te verrichten onderhoudswerkzaamheden aan een vaarweg of bijbehorend werk.

Paragraaf 4.4.3 Regels over activiteiten vaarweg Artikel 4.57 Toepassingsbereik vaarweg Deze paragraaf gaat over activiteiten in het Beperkingengebied vaarweg, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.52 .

Artikel 4.58 Specifieke zorgplicht vaarweg 1.

Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 4.52, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

2.

Deze plicht houdt in ieder geval in dat: a. geen stoffen of voorwerpen in het Beperkingengebied vaarweg worden gebracht die schade toebrengen aan de vaarweg of de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer; b. houtopstand zo wordt onderhouden dat geen hinder voor de scheepvaart wordt veroorzaakt; en c. bij het verrichten van activiteiten geen belemmering of hinder voor de scheepvaart wordt veroorzaakt.

Artikel 4.59 Omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit vaarweg 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Beperkingengebied vaarweg de volgende activiteiten te verrichten: a. het veranderen van de loop of de vaarwegdiepte van de vaarweg; b. het aanbrengen, hebben, veranderen of verwijderen van werken of objecten; en c. het aanbrengen, hebben of veranderen van een ligplaats of afmeervoorziening.

2.

Het verbod geldt niet voor activiteiten door of namens de provincie in het kader van het vaarweg- of nautisch beheer.

Artikel 4.60 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit vaarweg [Gereserveerd]

Artikel 4.61 Intrekking omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit vaarweg Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning intrekken, als de omstandigheden aanmerkelijk zijn gewijzigd.

51

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Paragraaf 4.4.4 Regels over activiteiten vaarwegen varend ontgassen Artikel 4.62 Verbod ontgassen 1.

Het is de vervoerder en de schipper in het gebied Verbod varend ontgassen verboden een ladingtank met restladingdampen van de volgende stoffen vanaf een binnenschip op een vaarweg te ontgassen: a. benzeen (UN-nummer 1114); b. ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 1267); c. aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268); d. brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863); e. brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993); en f. koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295).

2.

Van een restladingdamp als bedoeld het eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp in de ladingtank groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens.

Artikel 4.63 Vrijstelling om veiligheidsredenen Het verbod, bedoeld in Artikel 4.62, is niet van toepassing, wanneer het ontgassen plaatsvindt: a. voor drukverevening die om veiligheidsredenen moet plaatsvinden; b. tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, als het ontgassen om veiligheidsredenen noodzakelijk is.

Artikel 4.64 Vrijstelling voorafgaande belading Het verbod, bedoeld in Artikel 4.62, is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat: a. de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in dat artikel; of b. de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan bedoeld in dat artikel.

Afdeling 4.5 Luchthavens Artikel 4.65 Instructieregel luchtvaartterrein Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Luchtvaartterrein bevat geen regels die voorzien in nieuwvestiging van een luchtvaartterrein voor gemotoriseerde luchtvaartuigen.

Artikel 4.66 Instructieregel Buffer luchtvaartterrein 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Buffer luchtvaartterrein bevat geen regels die voorzien in nieuwvestiging van een luchtvaartterrein voor gemotoriseerde luchtvaartuigen tenzij uit onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting onder de grens, genoemd in de Bijlage XVII Luchtvaartterrein bij deze verordening, blijft.

2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing en de onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan.

Afdeling 4.6 Externe veiligheid basisnet Artikel 4.67 Instructieregel externe veiligheid basisnet [Gereserveerd]

Artikel 4.68 Veiligheid rond basisnet [Gereserveerd]

Afdeling 4.7 Geluid provinciale weg

52

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

Artikel 4.69 Oogmerk geluid provinciale weg De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behouden van de staat en werking van de provinciale weg.

Artikel 4.70 Aanwijzing weg waarvoor een geluidproductieplafond geldt Voor alle openbare wegen in beheer bij de provincie met een verkeersintensiteit van meer dan 1000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde worden geluidproductieplafonds vastgesteld.

Artikel 4.71 Instructieregel geluidcontour van provinciale wegen 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen binnen de Geluidcontour van provinciale wegen bevat regels voor bestaande gebouwen die getransformeerd worden tot geluidgevoelige gebouwen mits zij een binnenwaarde van maximaal 33 dB Lden hebben.

2.

Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op locaties gelegen binnen de Geluidcontour van provinciale wegen: a. zijn nieuwe geluidgevoelige gebouwen in de Geluidcontour buiten de bebouwde kom toegestaan tot een geluidbelasting van maximaal 60 dB Lden op de gevel; b. nieuwe geluidgevoelige gebouwen in de Geluidcontour binnen de bebouwde kom toegestaan tot een geluidbelasting van 65 dB Lden op de gevel;

3.

De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan.

Afdeling 4.8 Ontgrondingen voor infrastructuur en waterstaatswerken Artikel 4.72 Oogmerk ontgrondingen voor infrastructuur en waterstaatswerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de doelmatige uitoefening van taken en bevoegdheden voor infrastructuur en waterstaatswerken.

Artikel 4.73 Vrijstelling van omgevingsvergunning voor ontgrondingsactiviteit 1.

In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving is geen omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit vereist voor het ontgronden, aanleggen, verbeteren, onderhouden of wijzigen van wegen, spoorwegen of andere grote infrastructurele werken als: a. de activiteit plaatsvindt door of vanwege het Rijk, de provincie, een gemeente of een waterschap; b. de grondlagen dieper dan 3 meter onder het maaiveld niet worden ontgraven; en c. de activiteit plaatsvindt ter uitvoering van een omgevingsplan.

2.

In afwijking van artikel 16.7, onderdeel g, onder 1o, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder alleen zonder omgevingsvergunning verricht als de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.

3.

In afwijking van artikel 16.7, onderdeel h, onder 2o, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het uitvoeren van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit alleen zonder omgevingsvergunning verricht als de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.

Artikel 4.74 Afwijken van vergunningvrije gevallen ontgrondingsactiviteiten

53

1.

In afwijking van artikel 16.7, onderdeel g, onder onder 1o, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens de waterbeheerder alleen zonder omgevingsvergunning verricht als de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.

2.

In afwijking van artikel 16.7, onderdeel h, onder 2o, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden ontgrondingsactiviteiten voor het uitvoeren van een maatregel uit een omgevingsplan,

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

projectbesluit of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit alleen zonder omgevingsvergunning verricht als de grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven.

Hoofdstuk 5 Energie Afdeling 5.1 Wind, zon en biomassa Artikel 5.1 Toepassingsbereik nieuwe functies voor energie Deze afdeling is van toepassing op nieuwe functies voor energie uit wind, zon en biomassa.

Artikel 5.2 Afwijking van instructieregel verstedelijkingsverbod landelijk gebied In afwijking van Artikel 9.3 kan een omgevingsplan verstedelijking in het Landelijk gebied toestaan om nieuwe functies voor energie en transformatorstations mogelijk te maken.

Artikel 5.3 Instructieregel kleine windturbine 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Kleine windturbine kan regels bevatten die de realisatie van windturbines tot een ashoogte van 20 meter toestaan onder de voorwaarde dat de windturbines worden geplaatst op of in aansluiting op bestaande bouwpercelen.

2.

In afwijking van het eerste lid is een windturbine tot een ashoogte van 30 meter toegestaan indien dat noodzakelijk is om volledig of bijna volledig in eigen energiebehoefte van de bestaande bouwwerken te voorzien.

3.

De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt: a. dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; en b. dat de energieopbrengst van die windturbine opweegt tegen de impact die de turbine heeft op de omgeving.

Artikel 5.4 Instructieregel windenergielocatie 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Windenergie kan regels bevatten die de realisatie van windturbines met een vermogen van 3 MW of meer toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de windturbines worden in een in de omgeving passende combinatie van meerdere windturbines opgesteld; en b. er wordt voorzien in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit.

2.

Wanneer een omgevingsplan windturbines met een vermogen van minder dan 3 MW toestaat, wordt onderbouwd waarom windturbines met een vermogen van 3 MW of meer niet mogelijk zijn.

3.

Wanneer een omgevingsplan een solitaire windturbine toestaat, wordt onderbouwd waarom meerdere windturbines niet mogelijk zijn en dat de energieopbrengst van die solitaire windturbine opweegt tegen de impact die een solitaire turbine heeft op de omgeving.

4.

De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; b. een beeldkwaliteitsparagraaf; en c. een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken.

Artikel 5.5 Instructieregel zonneveld 1.

54

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Zonneveld kan regels bevatten die de realisatie van opwekking van zonne-energie toestaan door middel van zonnevelden, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de structuren in het landschap herkenbaar blijven en voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing; b. de zonnepanelen in een opstelling worden geplaatst die ruimte biedt voor een bij het gebied passende bodemkwaliteit en waterkwaliteit; en

Provinciaal blad 2024 nr. 2766

29 februari 2024

c. 2.

voorzien wordt in een opruimplicht na beëindiging van de activiteit.

De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan; b. een beeldkwaliteitsparagraaf; c. een beschrijving van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken; en d. een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid inzake de mogelijkheden voor kavelruil vanwege het behouden en verbeteren van een goede landbouwstructuur.

Artikel 5.6 Instructieregel energie uit biomassa landelijk gebied 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties voor Energie uit biomassa landelijk gebied kan regels bevatten die de realisatie van ontwikkelingen op het gebied energie uit biomassa toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de vestiging van kleinschalige biomassa-installaties vindt plaats in het landelijk gebied in aansluiting op bestaande bebouwde agrarische bouwpercelen of bestaande legale halfverhardingen of verhardingen op landgoederen, in overeenstemming met de schaal van de bebouwde omgeving, tenzij op een andere nabijgelegen locatie een betere landschappelijke inpassing kan worden bereikt; b. bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast of beperkt; en c. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing.

2.

Regels die de realisatie van ontwikkelingen op het gebied van energie uit biomassa toestaan op grond van het eerste lid zijn voor bio-energie installaties met een met een nominaal ingaand thermisch vermogen groter dan 500 kilowatt slechts mogelijk als: a. redelijkerwijs geen alternatieve hernieuwbare energiebronnen beschikbaar zijn; b. de biomassa niet voor hoogwaardigere toepassingen kan worden ingezet; c. de biomassa is gecertificeerd; en d. de biomassa een aanmerkelijk lagere CO2-emissie heeft dan gangbare fossiele brandstoffen

3.

De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Een beeldkwaliteitsparagraaf maakt onderdeel uit van de onderbouwing.

Artikel 5.7 Instructieregel energie uit biomassa stedelijk gebied 1.

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Energie uit biomassa stedelijk gebied bevat geen regels die de realisatie van ontwikkelingen op het gebied energie uit biomassa toestaan, tenzij: a. redelijkerwijs geen alternatieve hernieuwbare energiebronnen beschikbaar zijn; b. de biomassa niet voor hoogwaardigere toepassingen kan worden ingezet; c. de biomassa is gecertificeerd; en d. de biomassa een aanmerkelijk lagere CO2-emissie heeft dan gangbare fossiele brandstoffen.

2.

De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

Afdeling 5.2 Transformatorstation Artikel 5.8 Omgevingsvergunning transformatorstation Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit een transformatorstation met niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren en een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, op te richten of te wijzigen.

Artikel 5.9 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning transformatorstation In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 5.8, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een beschrijving van de activiteit; b. een situatietekening en een detailtekening met de locatie van de uit te voeren activiteit; c. een geluidrapport; en d. een beschrijving van de maatregelen die genomen worden om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen of te beperken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15167404/2