2.h Omgevingsverordening provincie Utrecht prb-2024-2766 definitief vastgesteld
Tekst van het document
55
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Afdeling 5.3 Energietoets Artikel 5.10 Toepassingsbereik energietoets Deze afdeling is van toepassing op nieuwe functies die tot een overbelasting van de elektriciteitsinfrastructuur kunnen leiden.
Artikel 5.11 Instructieregel weging elektriciteits-infrastructuur 1.
Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe functies, niet zijnde minder dan tien woningen, die tot een aanvullende belasting van de elektriciteits-infrastructuur kunnen leiden, wordt rekening gehouden met de aansluitbaarheid op de elektriciteits-infrastructuur.
2.
De motivering van een omgevingsplan bevat een energieparagraaf met daarin een verslag van het inventariserend overleg tussen de netbeheerder en de initiatiefnemer of de gemeente, waarin weergegeven wordt dat de ontwikkeling past binnen de energie-infrastructuur van de netbeheerder en andere relevante ontwikkelingen voor energiebeheer in de leefomgeving.
Hoofdstuk 6 Natuur Afdeling 6.1 Natuurnetwerk Nederland, Groene contour en Weidevogelkerngebieden Paragraaf 6.1.1 Algemene bepaling natuurnetwerk Nederland, Groene contour en Weidevogelkerngebieden Artikel 6.1 Oogmerk natuurnetwerk Nederland, Groene contour en Weidevogelkerngebieden De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming, het in stand houden en versterken van een robuust netwerk van natuurgebieden en het behouden en versterken van de biodiversiteit. Daartoe is het uitgangspunt van deze regels en bij de toepassing daarvan, dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk Nederland wordt behouden.
Paragraaf 6.1.2 Instructieregels natuurnetwerk Nederland, Groene contour en Weidevogelkerngebieden Artikel 6.2 Instructieregel bescherming natuurnetwerk Nederland 1.
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het natuurnetwerk Nederland bevat regels die strekken tot bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kwaliteit, de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het natuurnetwerk Nederland.
2.
De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan.
Artikel 6.3 Instructieregel geen aantasting natuurnetwerk Nederland
56
1.
De instructieregel opgenomen in Artikel 6.2, eerste lid houdt in ieder geval in dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het natuurnetwerk Nederland geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maakt die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in Bijlage XI Wezenlijke kenmerken en waarden van deze verordening, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het natuurnetwerk Nederland.
2.
In een omgevingsplan kan uitsluitend van het eerste lid worden afgeweken om nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk te maken als: a. sprake is van: 1. een groot openbaar belang, waarbij er geen reële alternatieven zijn die het natuurnetwerk Nederland niet of minder aantasten; 2. een plan waarop de meerwaardebenadering wordt toegepast; of 3. een beperkte wijziging, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande activiteiten;
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
b.
c. d. e.
nadelige gevolgen voor het natuurnetwerk Nederland door deze nieuwe activiteiten of deze wijziging van bestaande activiteiten zoveel mogelijk worden voorkomen, door deze in het omgevingsplan alleen mogelijk te maken op een locatie waar het Natuurnetwerk Nederland zo beperkt mogelijk kan worden aangetast en door het toegestane ruimtebeslag, de toegestane bebouwing en het toegestane gebruik zoveel mogelijk te beperken; de aantasting tijdig wordt gecompenseerd en de te realiseren compenserende maatregelen, zowel ontwikkeling, instandhouding en beheer, voldoende zijn verzekerd; de motivering van het omgevingsplan een onderbouwing bevat waaruit blijkt dat aan deze voorwaarden is voldaan; en de tijdige realisatie van de compenserende maatregelen zeker wordt gesteld door in de regels van het omgevingsplan een voorwaardelijke verplichting op te nemen waarin is bepaald dat deze maatregelen zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval gegarandeerd binnen drie jaar na de nieuwe activiteit of de gewijzigde bestaande activiteiten, zijn uitgevoerd en daarna in stand worden gehouden.
3.
In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Militaire terreinen of terreinen met militaire objecten binnen het Natuurnetwerk Nederland regels bevatten die terreinverharding of bouwactiviteiten toestaan, mits is verzekerd dat nadelige gevolgen voor het natuurnetwerk Nederland tijdig worden gecompenseerd. De motivering van het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan deze voorwaarde is voldaan.
4.
Onder de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval niet de bestaande legale bebouwing, en de daaraan direct grenzende strook grond die bestaand en legaal is ingericht ten dienste van die bebouwing, en bestaande legale halfverhardingen of verhardingen begrepen.
5.
Voor zover een locatie binnen Waardevolle Houtopstanden - oude bosgroeiplaatsenbinnen hetNatuurnetwerk Nederlandligt, geldt voor die locatie de instructieregel opgenomen in Artikel 6.13 van deze verordening.
6.
De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
Artikel 6.4 Instructieregel bescherming Groene contour ter omvorming naar natuur 1.
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene contour strekt tot het beschermen en creëren van de mogelijkheden om op de gronden gelegen binnen de Groene contour nieuwe natuur te realiseren.
2.
De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
Artikel 6.5 Instructieregel ontwikkelingen binnen de Groene contour
57
1.
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene contour maakt geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op die gronden worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het natuurnetwerk Nederland, tenzij sprake is van nieuwe activiteiten en wijziging van bestaande activiteiten in verband met groot openbaar belang en: a. reële alternatieven die een verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren voorkomen of beperken, ontbreken; b. het verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren, zoveel mogelijk wordt beperkt; c. het overblijvende verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren wordt gecompenseerd met de realisatie van nieuwe natuur binnen de Groene contour met een oppervlakte van ten minste de oppervlakte van het verlies aan mogelijkheden om nieuwe natuur te realiseren.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de uitbreiding van agrarische bouwblokken.
3.
De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 6.5a Instructieregel borging realisatie nieuwe natuur door verstedelijking en compensatie Groene contour 1.
De realisatie van de compensatie, de ontwikkeling, de instandhouding en het beheer zijn verzekerd op het moment van vaststelling van het besluit waarmee de activiteit mogelijk wordt gemaakt.
2.
De realisatie van de compensatie wordt in het omgevingsplan zeker gesteld door middel van een voorwaardelijke verplichting waarin de aard en omvang van de compensatie is vastgesteld en waarin is bepaald dat de uitvoering van benodigde compensatie zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval gegarandeerd binnen drie jaar na de ruimtelijke ontwikkeling, is gerealiseerd en daarna in stand wordt gehouden.
3.
In afwijking van tweede lid geldt voor de realisatie van nieuwe natuur als compensatie voor de plaatsing van zonnevelden dat de inrichtingsmaatregelen uiterlijk 25 jaar na plaatsing van de zonnepanelen worden uitgevoerd.
Artikel 6.6 Instructieregel realisatie nieuwe natuur binnen Groene contour door verstedelijking 1.
In afwijking van artikel 9.3 kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene contour ten behoeve van de realisatie van nieuwe natuur regels bevatten die verstedelijking toestaan, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de verstedelijking vindt plaats in samenhang met de realisatie van nieuwe natuur; b. de omvang van de verstedelijking staat in evenwichtige verhouding tot de oppervlakte en kwaliteit van de te realiseren nieuwe natuur; c. de nieuwe natuur wordt gerealiseerd binnen de Groene contour; d. de verstedelijking vindt plaats binnen de Groene contour of, indien dit vanuit ecologisch of landschappelijk oogpunt beter is, op een locatie daarbuiten, bij voorkeur aansluitend bij een kernrand of een bestaande bebouwingsconcentratie; e. de in samenhang ontwikkelde verstedelijking en nieuwe natuur gezamenlijk leiden tot een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; en f. de omliggende agrarische bedrijven worden door de activiteit niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.
2.
In aanvulling op het eerste lid kan uitsluitend toepassing worden gegeven aan de realisatie van opwekking van zonne-energie op locaties binnen de Groene contour door middel van zonnevelden met een procedure die de opruimplicht borgt, zoals een omgevingsvergunning, waarbij aan de omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn en bedraagt ten hoogste 25 jaar; b. na het verstrijken van de termijn worden de zonnevelden verwijderd.
3.
De motivering van een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
Artikel 6.7 Instructieregel ontwikkelingen weidevogelkerngebied 1.
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Weidevogelkerngebied kan nieuwe ontwikkelingen toestaan, onder voorwaarde dat de kwaliteit van het leefgebied van de weidevogels aantoonbaar per saldo minimaal wordt behouden.
2.
Het eerste lid is niet van toepassing op de uitbreiding van agrarische bouwblokken.
3.
De motivering op een omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarde is voldaan.
Paragraaf 6.1.3 Regels over activiteiten compensatie aantasting natuurnetwerk Nederland en Groene contour Artikel 6.8 Toepassingsbereik compensatie aantasting natuurnetwerk Nederland Deze paragraaf is van toepassing op de uit te voeren compensatie die vereist is op grond van Paragraaf 6.1.2.
58
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 6.9 Specifieke eisen compensatie aantasting natuurnetwerk Nederland 1.
Compensatie vindt zodanig plaats dat deze de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk Nederland versterkt.
2.
De compensatie vindt in de nabijheid van de aantasting plaats indien het functioneren van het natuurnetwerk dat vereist.
3.
Indien sprake is van activiteiten als bedoeld in Artikel 6.3, tweede lid, sub a onder 3, vindt de compensatie in de directe nabijheid van de aantasting plaats en eerst op het terrein van de bestaande activiteit. Indien deugdelijk is onderbouwd dat compensatie op het terrein van de bestaande activiteit blijvend onmogelijk is, volstaat het dat de compensatie in de directe nabijheid van de aantasting plaatsvindt.
4.
Indien sprake is van activiteiten als bedoeld in Artikel 6.3, tweede lid, sub a, onder 1, of 2, vindt de compensatie van het verlies in oppervlakte plaats: a. buiten het natuurnetwerk Nederland en in directe aansluiting op het natuurnetwerk Nederland; b. buiten het natuurnetwerk Nederland en binnen de groene contour; of c. binnen agrarische gronden gelegen in het natuurnetwerk Nederland ( Agrarisch binnen NNN) waar geen nieuwe natuur is beoogd volgens kaart 1 behorende bij het Natuurbeheerplan.
5.
In afwijking van het vierde lid is compensatie van het verlies in oppervlakte binnen het natuurnetwerk Nederland mogelijk, indien gedeputeerde staten de begrenzing van het natuurnetwerk Nederland uitbreiden met een oppervlakte gelijk aan de compensatie wanneer die buiten het natuurnetwerk Nederland zou plaatsvinden, en compensatie in de directe omgeving plaatsvindt op een locatie waar volgens het Natuurbeheerplan nog nieuwe natuur moet worden ontwikkeld en de compensatie leidt tot een versnelling van de realisatie van het natuurnetwerk Nederland ter plekke van deze natuur.
6.
De oppervlakte ter compensatie van het verlies van oppervlakte natuurnetwerk Nederland wordt bepaald aan de hand van Bijlage XII Berekenen oppervlaktecompensatie natuurtypen bij deze verordening.
7.
Aan de compensatie ligt een compensatieplan ten grondslag, gebaseerd op recent uitgevoerd ecologisch onderzoek ter plaatse, waarin worden beschreven: a. de natuurwaarden van de locatie en de directe omgeving waar het natuurnetwerk Nederland wordt aangetast en het belang van deze waarden voor het functioneren van het natuurnetwerk Nederland in de omgeving; b. de maatregelen die worden genomen om de aantasting zoveel mogelijk te beperken; c. de overblijvende aantasting na het treffen van de maatregelen; d. de maatregelen die worden uitgevoerd ter compensatie van de overblijvende aantasting; e. de compensatieoppervlakte ten gevolge van de aantasting, als bedoeld in Bijlage XII Berekenen oppervlaktecompensatie natuurtypen bij deze verordening; f. de wijze waarop de ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de maatregelen genoemd onder d, plaatsvinden; en g. indien compensatie van verlies van oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland met de realisatie van nieuwe natuur plaatsvindt: een inrichting- en beheerplan, waarin in ieder geval is opgenomen: 1. de uitgangssituatie van het terrein waarop de nieuwe natuur wordt gerealiseerd; 2. de te treffen inrichtingsmaatregelen; 3. de motivering van de te treffen maatregelen; 4.
de met de maatregelen beoogde eindsituatie van het terrein, waarbij de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen en de oppervlakten daarvan worden aangegeven; en 5. de wijze waarop na de inrichting de verdere ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de beoogde beheertypen plaatsvinden.
8.
Bij de keuze van de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen in het inrichtings- en beheerplan wordt het Natuurbeheerplan in acht genomen.
Artikel 6.10 [Gereserveerd]
59
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 6.11 Specifieke eisen aan realisatie nieuwe natuur door verstedelijking en compensatie Groene contour 1.
Aan de realisatie van nieuwe natuur als bedoeld in de Artikel 6.5 en Artikel 6.6 ligt een inrichtings- en beheerplan ten grondslag waarin in ieder geval wordt beschreven: a. de uitgangssituatie van het terrein waarop de nieuwe natuur wordt gerealiseerd; b. de te treffen inrichtingsmaatregelen; c. de motivering van de te treffen maatregelen; d. de met de maatregelen beoogde eindsituatie van het terrein, waarbij de beoogde natuuren landschapsbeheertypen en de oppervlaktes daarvan worden aangegeven; en e. de wijze waarop na de inrichting de verdere ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de beoogde beheertypen plaatsvindt.
2.
Bij de keuze van de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen in het inrichtings- en beheerplan wordt het Natuurbeheerplan in acht genomen.
Artikel 6.12 [Gereserveerd]
Afdeling 6.2 Houtopstanden en beschermde kleine landschapselementen Paragraaf 6.2.1 Instructieregels houtopstand Artikel 6.13 Instructieregel bescherming waardevolle houtopstanden - oude bosgroeiplaatsen 1.
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Waardevolle Houtopstanden oude bosgroeiplaatsen bevat regels die strekken tot bescherming en instandhouding van op de locatie van die oude bosgroeiplaats aanwezige waarden.
2.
De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de op de oude bosgroeiplaats aanwezige waarden én een beschrijving van de wijze waarop in het plan met deze waarden rekening is gehouden.
Paragraaf 6.2.2 Regels over activiteiten houtopstand Artikel 6.14 Toepassingsbereik houtopstand Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten die het gebied Houtopstand betreffen.
Artikel 6.15 Vrijstelling meldplicht vellen houtopstand De meldingsplicht vellen houtopstanden, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor: a. het maken van verjongingsgaten, als: 1. deze niet groter zijn dan 10 are; 2. deze gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel; 3. dit maximaal één keer per vier jaar plaatsvindt op dezelfde locatie; en 4. dit plaatsvindt voor duurzaam bosbeheer. b. het verwijderen van houtopstanden voor natuurherstel, als de te verwijderen houtopstand: 1. ontstaan is door spontane boomopslag op natuurterreinen of geregistreerde tijdelijke natuur; 2. niet ouder is dan 20 jaar; en 3. niet diende ter compensatie van herbeplanting.
Artikel 6.16 Specifieke gegevens melding vellen houtopstand De melding, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bevat ten minste: a. als degene die de activiteit verricht geen eigenaar is van de grond waar de houtopstand staat: contactgegevens van de grondeigenaar; b. een situatietekening van de locatie van de te kappen houtopstand, waaronder ten minste een topografische kaart schaal 1:25.000 en de kadastrale percelen; c. de oppervlakte van de velling in are en, als het rijbeplanting betreft, het aantal bomen; d. de boomsoort; e. de leeftijd van de houtopstand;
60
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
f. g.
de reden van de velling; en de wijze van herbeplanting.
Artikel 6.17 Specifieke eisen aan herbeplanting Een bosbouwkundig verantwoorde herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. de oppervlakte van de herplant is ten minste even groot als de gevelde oppervlakte; b. herplant vindt plaats door het aanplanten van voldoende vitaal plantmateriaal of door natuurlijke verjonging; c. de nieuwe houtopstand kan, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand, gericht op houtproductie, natuur, landschap, cultuurhistorie of beleving; d. de nieuwe houtopstand kan binnen een periode van vijf jaar een kronendak met een bedekkingsgraad van ten minste 60% vormen; e. de herplant kan op termijn in ieder geval, gelijkwaardige ecologische en landschappelijke waarden vertegenwoordigen; f. naast boomsoorten worden alleen inheemse struiksoorten toegepast; en g. herplant binnen Natura 2000 gebieden vindt plaats op een wijze en met soorten die geen schade kunnen toebrengen aan de voor dit gebied geldende instandhoudingsdoelstellingen.
Artikel 6.18 Specifieke eisen aan herbeplanting op andere grond 1.
De aanvraag om met een maatwerkvoorschrift herbeplanting op andere grond dan de grond bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, toe te staan wordt uiterlijk zes maanden na het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand ingediend.
2.
Herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldoet aan de volgende vereisten: a. de grond is vrij van houtopstand en van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. het gebruik van de grond past binnen bestaand natuur- en landschapsbeleid van de provincie en de gemeente; c. de grond is vrij van compensatieverplichtingen; d. de herbeplanting vindt plaats binnen drie jaar nadat de verplichting tot herbeplanting ontstaat; en e. de herbeplanting voldoet aan Artikel 6.17.
3.
De herbeplanting op andere grond vindt bij voorkeur plaats in de provincie Utrecht in de directe nabijheid van de velling. Indien dit niet mogelijk is, vindt de herbeplanting elders in de provincie Utrecht plaats. In uitzonderingsgevallen kan, indien hiermee vergelijkbare natuuren landschapswaarden kunnen worden teruggebracht als die door de velling verloren zijn gegaan, de herbeplanting in de directe nabijheid van de velling in een aangrenzende provincie plaatsvinden.
4.
De oppervlakte van de herbeplanting op andere grond bedraagt ten minste de gevelde oppervlakte aangevuld met de volgende toeslag per hectare die geveld is: Tijd dat ter plaatse van de velling een houtopstand aanwezig is geweest (c.q. ouderdom bosgroeiplaats)
Toeslag per hectare
< 10 jaar
0,1
10-25 jaar
0,3
25-50 jaar
0,5
50-100 jaar
0,75
100-200 jaar
1,0
> 200 jaar
1,5
Artikel 6.19 Vrijstelling plicht tot herbeplanting De plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor houtopstanden die verwijderd zijn voor natuurherstel, als de verwijderde houtopstand:
61
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
a. b. c.
ontstaan is door spontane boomopslag op natuurterreinen of geregistreerde tijdelijke natuur; niet ouder is dan 20 jaar; en niet diende ter compensatie van herbeplanting.
Artikel 6.20 Maatwerkvoorschriften herbeplanting op andere grond Gedeputeerde staten kunnen aan de activiteiten, bedoeld in Artikel 6.18, maatwerkvoorschriften verbinden.
Artikel 6.21 Specifieke gegevens en bescheiden aanvraag maatwerkvoorschrift herbeplanting op andere grond Een aanvraag tot het stellen van een maatwerkvoorschrift voor herbeplanting op andere grond gaat vergezeld van een beplantingsplan voor de herbeplanting met een locatieaanduiding voor de herbeplanting.
Paragraaf 6.2.3 Regels over activiteiten beschermd klein landschapselement Artikel 6.22 Toepassingsbereik en aanwijzing beschermd klein landschapselement 1.
Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten die Beschermd klein landschapselement betreffen.
2.
Gedeputeerde staten kunnen besluiten kleine landschapselementen, die voldoen aan de door hen vastgestelde beleidsregels, aan te wijzen en toe te voegen aan Beschermd klein landschapselement.
Artikel 6.23 Specifieke zorgplicht beschermd klein landschapselement Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een beschermd klein landschapselement, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen.
Artikel 6.24 Verbod aantasting beschermd klein landschapselement 1.
Het is verboden om: a. aan een beschermd klein landschapselement onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is; b. een beschermd klein landschapselement boven- of ondergronds te beschadigen, te vernielen, te vernietigen, te bewerken of te gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of het voortbestaan direct of op de langere termijn in gevaar wordt gebracht; c. een beschermd klein landschapselement te vellen of te rooien.
2.
Het eerste lid geldt niet voor: a. het uitvoeren van noodzakelijk onderhoud gericht op kwaliteitsverbetering of duurzame instandhouding van het landschapselement; b. het periodiek vellen van griend- en hakhout voor onderhoud; en c. het vellen of rooien van een houtopstand op grond van de Plantgezondheidswet en ter bestrijding van boomziekten.
Artikel 6.25 Meldplicht aantasting beschermd klein landschapselement om dringende redenen
62
1.
Het is verboden zonder melding in het Beschermd klein landschapselement activiteiten te verrichten, vanwege dringende redenen anders dan bedoeld in Artikel 6.24, tweede lid.
2.
De melding wordt ten minste acht weken en ten hoogste 24 weken gedaan voordat de activiteit wordt verricht.
3.
De activiteiten mogen niet worden verricht tot de acceptatie van de melding onherroepelijk is geworden.
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 6.26 Specifieke vereisten melding aantasting beschermd klein landschapselement om dringende redenen In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding, bedoeld in Artikel 6.25, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. elementnummer; b. contactgegevens grondeigenaar; c. een situatietekening van de locatie van het beschermd klein landschapselement, waaronder ten minste een topografische kaart met een schaal van 1:25.000; d. een kaart met de kadastrale gegevens; e. indien van toepassing de oppervlakte van de velling in are en voor zover het een rijbeplanting betreft het aantal bomen; f. indien van toepassing de boomsoort; g. indien van toepassing de leeftijd van de houtopstand; h. indien van toepassing de reden van de velling; i. is melder voornemens het element op dezelfde locatie te herbeplanten of herstellen en indien dit niet het geval is, wat is de motivering daarvoor; j. is melder voornemens het element elders te compenseren; k. maatvoering en indien van toepassing soort plantmateriaal; l. start- en einddatum van het werk.
Artikel 6.27 Maatwerkvoorschriften beschermd klein landschapselement 1.
Gedeputeerde staten kunnen aan de activiteiten, bedoeld in Artikel 6.25, eerste lid maatwerkvoorschriften verbinden.
2.
Het maatwerkvoorschrift kan in ieder geval inhouden dat compenserende maatregelen worden getroffen.
Artikel 6.28 Herstel- en herplantplicht beschermd klein landschapselement 1.
Als in strijd met Artikel 6.23, Artikel 6.24, Artikel 6.25 en Artikel 6.26 is gehandeld, is de zakelijk gerechtigde van de grond, dan wel degene, die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, verplicht om binnen een jaar na de overtreding het beschermd klein landschapselement op dezelfde locatie zo veel mogelijk in de oorspronkelijke staat te herstellen of te herbeplanten.
2.
Niet aangeslagen herbeplantingen of andere mislukte herstelmaatregelen worden voor 1 april van het opvolgende jaar vervangen of hersteld.
Afdeling 6.3 Faunabeheer en wildbeheer Paragraaf 6.3.1 Faunabeheer Artikel 6.29 Oppervlakte en begrenzing faunabeheereenheid 1.
Er is één faunabeheereenheid waarvan het werkgebied zich uitstrekt tot het grondgebied van de provincie Utrecht.
2.
De binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid gelegen gronden waarop de in de faunabeheereenheid samenwerkende jachthouders gerechtigd zijn tot de jacht vormen ten minste 75% van de totale oppervlakte van het werkgebied van de faunabeheereenheid.
Artikel 6.30 Samenstelling bestuur faunabeheereenheid 1.
63
In het bestuur van de faunabeheereenheid worden de bestuurszetels als volgt ingevuld: a. één bestuurszetel door een vertegenwoordiger vanuit de landbouw; b. één bestuurszetel door een vertegenwoordiger vanuit de jacht; c. één bestuurszetel door een vertegenwoordiger vanuit het particulier grondbezit; d. één bestuurszetel door Staatsbosbeheer; en e. twee bestuurszetels door maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren.
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
2.
In ieder geval wordt één van de bestuurszetels, bedoeld in het eerste lid, onder e, ingevuld door een organisatie die zich tot doel heeft gesteld het dierenwelzijn of het milieu te beschermen en te bevorderen.
3.
Elke organisatie kan één vertegenwoordiger voordragen voor een bestuurszetel.
4.
De organisaties kunnen, in onderling overleg, een vertegenwoordiger voordragen die namens meerdere van deze organisaties deelneemt aan het bestuur van de faunabeheereenheid.
5.
Het bestuur van de faunabeheereenheid benoemt, met instemming van gedeputeerde staten, een onafhankelijke voorzitter die: a. geen dienstverband bij één van de in het bestuur vertegenwoordigde partijen heeft; b. geen bestuurslid van één van de in het bestuur vertegenwoordigde partijen is; en c. niet in het bezit is van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit.
Artikel 6.31 Procedure uitbreiding bestuur faunabeheereenheid 1.
De organisaties of jachthouders, bedoeld in Artikel 6.29, eerste lid, eerste lid, dragen op verzoek van de voorzitter een kandidaat voor het bestuur van de faunabeheereenheid.
2.
Als meer kandidaten worden voorgedragen dan er bestuurszetels zijn, selecteert de voorzitter de meest geschikte kandidaten.
Artikel 6.32 Werkzaamheden faunabeheereenheid 1.
De faunabeheereenheid is verantwoordelijk voor: a. de coördinatie van de uitvoering van het door haar vastgestelde faunabeheerplan; b. de informatievoorziening aan de leden van alle in haar bestuur vertegenwoordigde organisaties over ten minste de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, de aan de faunabeheereenheid toegestane activiteiten en actuele ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer; en c. het opstellen van telprotocollen voor trendtellingen als bedoeld in Artikel 6.39, eerste lid, onder a.
2.
De faunabeheereenheid adviseert gedeputeerde staten over faunabeheer.
3.
Besluitvorming door het bestuur vindt plaats bij gewone meerderheid van stemmen, waarbij iedere in het bestuur vertegenwoordigde organisatie één stem heeft. Als de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag.
4.
De faunabeheereenheid kan in haar statuten opnemen dat besluitvorming over daarbij te bepalen onderwerpen plaatsvindt bij een gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
Artikel 6.33 Verslaglegging faunabeheereenheid
64
1.
Het jaarlijkse verslag, bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van het Omgevingsbesluit, bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. cijfermatige rapportages over de uitvoering van de vrijstellingen, opdrachten en vergunningen op basis van de paragrafen 11.2.2, 11.2.3 en 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren en geraapte of onklaar gemaakte eieren, onderverdeeld naar diersoort en naar wildbeheereenheid; b. rapportages van het gebruik van preventieve en alternatieve middelen voor het voorkomen van schade; en c. cijfermatige rapportages over de uitvoering van de jacht, waarin opgenomen het aantal gedode dieren, onderscheiden naar wildsoort.
2.
Het verslag wordt uiterlijk op 1 mei van het daaropvolgende kalenderjaar aan gedeputeerde staten verstrekt.
3.
Het verslag wordt door de faunabeheereenheid ook op een openbaar toegankelijke website geplaatst.
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 6.34 Faunabeheerplan algemeen 1.
De faunabeheereenheid stelt voor het werkgebied van de faunabeheereenheid één faunabeheerplan op.
2.
Het faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van maximaal zes jaar.
3.
De faunabeheereenheid kan het faunabeheerplan gedeeltelijk wijzigen gedurende het tijdvak waarvoor het is vastgesteld.
4.
Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de faunabeheereenheid de geldigheidsduur van het faunabeheerplan eenmaal met maximaal één jaar verlengen.
Artikel 6.35 Inhoud faunabeheerplan algemeen Het faunabeheerplan bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. een topografische kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven; b. kwantitatieve gegevens over de in het wild levende dieren binnen de provincie, waarop het faunabeheerplan van toepassing is over een periode van minimaal zes jaar voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft en een beschrijving van de trend van deze soorten over deze periode, zowel binnen de provincie als landelijk; c. een beschrijving van de aanwezigheid van deze diersoorten gedurende het jaar; d. een beschrijving van passende en doeltreffende maatregelen die kunnen worden ingezet om schade aan de belangen, bedoeld in artikel 11.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te voorkomen; e. een beschrijving van de wijze waarop de planmatigheid en de coördinatie van de uitvoering van de maatregelen ter voorkoming van die schade is gewaarborgd; f. een overzicht per diersoort, onderverdeeld naar de verschillende wildbeheereenheden, van de op basis van de toepasselijke vrijstellingen, ontheffingen, opdrachten en bij de uitoefening van de jacht gedode dieren en geraapte en onklaar gemaakte eieren in de periode van minimaal zes jaar voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft; en g.
een omschrijving van de wijze waarop geborgd wordt dat de te treffen maatregelen de gunstige staat van instandhouding van de soorten waarop het plan betrekking heeft niet negatief beïnvloeden.
Artikel 6.36 Inhoud faunabeheerplan, specifiek, beheer en schadebestrijding Het faunabeheerplan bevat ook de volgende gegevens over beheer en schadebestrijding van diersoorten: a. per diersoort en gewas een beschrijving van de schade in, minimaal, de zes jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, onderverdeeld naar de verschillende wildbeheereenheden; b. per diersoort een beschrijving van de activiteiten die in, minimaal, de zes jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft zijn verricht om schade te voorkomen of beperken en, als daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een beschrijving van de effectiviteit van deze activiteiten; c. per diersoort een topografische kaart waarop is aangegeven waar zich in, minimaal, de zes jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, gevallen van belangrijke schade hebben voorgedaan en waar in het kader van beheer- en schadebestrijding bestrijdingsacties hebben plaatsgevonden; d. per diersoort een onderbouwing van de aard en de noodzaak van activiteiten om schade te voorkomen of te beperken en een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar, en de perioden in het jaar waarin, deze activiteiten plaatsvinden; e.
een onderbouwde inschatting van de effectiviteit van de voorgenomen activiteiten en een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van deze activiteiten zal worden bepaald; f. de gewenste stand van de diersoorten waarvoor populatiebeheer wordt voorgestaan; en g. als het faunabeheerplan betrekking heeft op het populatiebeheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen: een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen.
Artikel 6.37 Inhoud faunabeheerplan, jacht Het faunabeheerplan bevat ook in ieder geval de volgende gegevens over de jacht:
65
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
a. b. c.
een beschrijving van de samenhang tussen de jacht op de wildsoorten, het beheren van de populaties van deze soorten en het bestrijden van schade door deze soorten; een omschrijving van de redelijke wildstand, bedoeld in artikel 11.65 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en een onderbouwing van de wijze waarop de jacht hieraan zal bijdragen; en een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens, onderverdeeld naar diersoort, per wildbeheereenheid, in de zes jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft.
Paragraaf 6.3.2 Wildbeheereenheden Artikel 6.38 Oppervlakte, begrenzing en rechtsvorm wildbeheereenheden 1.
Het werkgebied van de gezamenlijke wildbeheereenheden strekt zich uit tot het grondgebied van de provincie Utrecht.
2.
Het werkgebied van een wildbeheereenheid: a. heeft een aaneengesloten oppervlakte van ten minste 5.000 hectare; b. strekt zich niet uit tot het grondgebied van een andere provincie; c. overlapt niet met het werkgebied van een andere wildbeheereenheid; en d. wordt in overeenstemming met alle betrokken wildbeheereenheden gewijzigd.
3.
Bij wijziging van een begrenzing dragen de betrokken wildbeheereenheden zorg voor: a. het schriftelijk informeren van gedeputeerde staten; en b. het plaatsen van de begrenzing op de website van de faunabeheereenheid.
4.
Een wildbeheereenheid heeft de rechtsvorm van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid.
Artikel 6.39 Werkzaamheden wildbeheereenheden 1.
Het secretariaat van een wildbeheereenheid informeert de leden van de wildbeheereenheid op adequate wijze over de uitvoering van de aan de wildbeheereenheid toegestane activiteiten, regelgevende en ecologische feiten en ontwikkelingen op het gebied van faunabeheer.
2.
De wildbeheereenheid coördineert voor haar werkgebied: a. de trendtellingen van diersoorten voor het faunabeheerplan; b. de verstrekking van de resultaten van deze trendtellingen aan de faunabeheereenheid; en c. de verstrekking van het overzicht van gerealiseerde afschotgegevens, onderverdeeld naar diersoort, aan de faunabeheereenheid.
Artikel 6.40 Lidmaatschap wildbeheereenheden 1.
Uitgezonderd van artikel 8.2, eerste lid, van de wet zijn: a. medewerkers van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten en de Stichting het Utrechts Landschap, als de organisatie die zij vertegenwoordigen deel uitmaakt van het bestuur van de faunabeheereenheid, en zij hun activiteiten uitvoeren voor die organisatie; b. medewerkers van het Ganzenbeheerteam Utrecht en medewerkers van in opdracht van de faunabeheereenheid of gedeputeerde staten handelende professionele schadebestrijders.
2.
Aan lidmaatschap van een wildbeheereenheid worden alleen eisen gesteld die van belang zijn voor de uitvoering van het faunabeheerplan.
3.
De wildbeheereenheid houdt een register bij van aangesloten leden.
Artikel 6.41 Geschillen lidmaatschap wildbeheereenheden
66
1.
Het lidmaatschap van een wildbeheereenheid kan worden geweigerd of beëindigd als het lid bij de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 11.64 van het Besluit activiteiten leefomgeving handelt in strijd met de voor deze activiteiten geldende voorschriften.
2.
In de statuten van de wildbeheereenheden wordt hiervoor een regeling getroffen.
3.
Door de gezamenlijke wildbeheereenheden wordt, in overeenstemming met het bestuur van de faunabeheereenheid en gedeputeerde staten, een geschillenregeling vastgesteld voor geschillen die betrekking hebben op het lidmaatschap van een wildbeheereenheid.
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
4.
Geschillen worden voorgelegd aan een geschillencommissie, die bestaat uit een vertegenwoordiger namens: a. het bestuur van de wildbeheereenheid; b. het bestuur van de faunabeheereenheid; en c. gedeputeerde staten.
Afdeling 6.4 Flora- en fauna activiteiten Paragraaf 6.4.1 Beoordelingsregels omgevingsvergunning flora- en fauna activiteiten Artikel 6.42 Beoordelingsregel omgevingsvergunning afschot paarvormende ganzen Een omgevingsvergunning, bedoeld artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet gelezen in samenhang met artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, betreffende afschot van paarvormende grauwe ganzen of brandganzen, wordt alleen verleend als de periode waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend is beperkt tot: a. de periode van 1 februari tot 1 april voor grauwe ganzen; b. de periode van 15 maart tot 1 mei voor brandganzen.
Paragraaf 6.4.2 Vrijstelling vergunningplichtige flora- en fauna activiteiten Subparagraaf 6.4.2.1 Vrijstelling soorten in verband met asbestsanering Artikel 6.43 Vrijstelling soorten in verband met asbestsanering Het verbod bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, in samenhang met artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 11.54, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten waardoor van de vogelsoorten huismus, kerkuil en steenuil opzettelijk nesten en rustplaatsen worden vernield of beschadigd dan wel opzettelijk nesten worden weggenomen, of van de diersoorten steenmarter en boommarter opzettelijk vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen worden beschadigd of vernield, geldt niet indien: a. de te verrichten flora- en fauna-activiteit het vervangen van asbesthoudende dakplaten door asbestvrije dakplaten op een ander bouwwerk dan een woning binnen Landelijk gebied betreft; b. aan de voorwaarden opgenomen in de Bijlage XX Vrijstelling soorten in verband met asbestsanering bij deze verordening is voldaan.
Subparagraaf 6.4.2.2 Vrijstelling voor ganzen Artikel 6.44 Vrijstelling verjagen met ondersteunend afschot van schadeveroorzakende ganzen
67
1.
Het verbod bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, gelezen in samenhang met artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor activiteiten die dienen voor het verjagen met ondersteunend afschot van de grauwe gans, kolgans en brandgans met het oog op het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de activiteiten worden uitgevoerd door of in opdracht van de grondgebruiker; b. de activiteiten worden uitgevoerd op de gronden die bij de grondgebruiker in gebruik zijn; c. de activiteiten vinden plaats met het oog op het voorkomen van schade die in het lopende of daarop volgende jaar door de grauwe gans, kolgans of brandgans dreigt op te treden op deze gronden; d. de activiteiten vinden plaats in de periode van 1 november tot 1 maart; e. de activiteiten vinden plaats op percelen met grasland of nog oogstbare akker en tuinbouwgewassen of direct daaraan grenzende percelen; en f. er wordt voldaan aan de specifieke eisen opgenomen in de artikelleden 2 tot en met 6 van dit artikel en in de Artikel 6.44 en Artikel 6.45.
2.
Er vinden geen activiteiten voor verjaging met ondersteunend doding door afschot plaats: a. op grasland dat is ingezaaid of doorgezaaid vóór 1 augustus voorafgaand aan de winterperiode van dat jaar; b. op grasland dat is ingezaaid of doorgezaaid na 1 augustus voorafgaand aan de winterperiode van dat jaar, met een oppervlakte kleiner dan 1 hectare; c. op percelen die zijn ingezaaid als afvanggewas op geoogste percelen.
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
3.
Activiteiten voor verjaging met ondersteunend doding door afschot vindt alleen plaats als een groep van meer dan vijf ganzen op het schadeperceel, of op een direct hieraan grenzend perceel, aanwezig is of hier invalt.
4.
Per verjaagactie worden maximaal twee ganzen gedood.
5.
Metalen ringen die zich aan gedode vogels bevinden worden binnen 48 uur naar het Vogeltrekstation, Postbus 50, 6700 AB Wageningen, gezonden onder vermelding van plaats en datum van het afschot, of worden gemeld via het Geautomatiseerd Ring Invoer en Export Loket (GRIEL) via de website www.griel.nl.
6.
Kleurringen en halsbanden worden doorgegeven via de website www.geese.org.
Artikel 6.45 Specifieke eis middelen verjagen schadeveroorzakende ganzen 1.
Activiteiten die dienen voor het verjagen van grauwe gans, kolgans en brandgans met ondersteunend doding door afschot, als bedoeld in Artikel 6.44 zijn alleen toegestaan nadat eerst een preventief akoestisch middel en een visueel middel zijn ingezet conform de voorwaarden voor effectief gebruik die zijn opgenomen in de faunaschade Preventie Kit, module ganzen.
2.
De grauwe gans, kolgans en brandgans mogen alleen worden gedood met een hagelgeweer of kogelgeweer.
3.
Er wordt geen gebruik gemaakt van lokmiddelen.
4.
Indien ganzen van de soorten genoemd in het eerste lid, door het ondersteunend afschot gewond zijnVerjagen en verstoren van ganzen geraakt en in nood verkeren, is het toegestaan deze te doden met slag- en steekwapens.
Artikel 6.46 Specifieke gegevens en bescheiden schadebestrijding ganzen Uiterlijk twee weken na het verrichten van een activiteit, bedoeld in Artikel 6.44, worden de resultaten hiervan gerapporteerd in het door gedeputeerde staten aangewezen systeem.
Artikel 6.47 Geen schadebestrijding bij bijzondere weersomstandigheden Gedeputeerde staten kunnen de werking van Artikel 6.42 en Artikel 6.44 opschorten als weersomstandigheden daar naar hun oordeel aanleiding toe geven.
Artikel 6.48 Verbod opzettelijke verstoring ganzen in ganzenrustgebied Het is verboden in Ganzenrustgebied: a. schadeveroorzakende ganzen opzettelijk te verstoren en verjagingsactiviteiten met ondersteunend doding door afschot te ondernemen in de periodes: 1. van 1 november tot 1 april voor grauwe gans en kolgans; en 2. van 1 november tot 1 mei voor brandgans. b. de foerageerfunctie van het gebied opzettelijk teniet te doen; c. jacht, beheer en schadebestrijding te verrichten tot 12:00 uur, met uitzondering van jacht maximaal drie dagen per jachtveld per seizoen, mits deze acties niet in hetzelfde gebied plaatsvinden en een afstand in acht wordt genomen van minimaal 300 meter tot groepen foeragerende ganzen van minimaal 100 stuks; en d. jacht, beheer en schadebestrijding te verrichten vanaf 12:00, tenzij een afstand in acht wordt genomen van minimaal 300 meter tot groepen foeragerende ganzen van minimaal 100 stuks.
Subparagraaf 6.4.2.3 Vrijstelling voor veldmuis Artikel 6.49 Meldplicht vergunningvrije bestrijding veldmuis
68
1.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet gelezen in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt niet voor het doden, vangen, verstoren of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de veldmuis, als deze activiteiten plaatsvinden door of in opdracht van de grondgebruiker met als doel om schade op diens gronden of in het omringende gebied te voorkomen.
2.
Het is verboden zonder melding de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, te verrichten:
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
a. b.
ter voorkomen van belangrijke schade aan gewassen; of in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid.
3.
Voor de bestrijding wordt alleen gebruik gemaakt van de methode inundatie.
4.
De melding wordt door de grondgebruiker ten minste drie dagen gedaan voordat de activiteit wordt verricht.
Artikel 6.50 Specifieke vereisten melding vergunningvrije bestrijding veldmuis In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding als bedoeld in Artikel 6.49 ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. locatie van de bestrijding; b. datum en tijdstip van het uitvoeren van de bestrijding; c. frequentie van de bestrijding; d. manier van de bestrijding; e. uitvoerder van de bestrijding.
Subparagraaf 6.4.2.4 Andere vrijstellingen Artikel 6.51 Vrijstelling vergunningplicht andere soorten Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet gelezen in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor de soorten, genoemd in de bijlage X Uitzondering vergunningplicht andere soorten bij deze verordening, als de activiteit nodig is: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer van of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, luchtvaartterreinen, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; of e. in het kader van bestendig beheer van of onderhoud aan de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.
Artikel 6.52 Vrijstelling bezits- en vervoersverbod en ander bevoegd gezag De verboden, bedoeld in de artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet gelezen in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, en artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet als voor het onder zich hebben of vervoeren van de soort een vrijstelling of vergunning is verleend door een ander bevoegd gezag.
Artikel 6.53 Vrijstelling ten behoeve van bescherming vogels tegen landbouwwerkzaamheden De verboden, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet gelezen in samenhang met artikel 11.37, eerste lid, onder b, c en d, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor activiteiten bestemd en geschikt voor de bescherming van vogels, hun nesten en eieren en hun niet-vliegvlugge jongen tegen landbouwwerkzaamheden en vee.
Artikel 6.54 Vrijstelling ten behoeve van veiligstellen amfibieën tegen verkeer
69
1.
De verboden om in het wild levende dieren te vangen en opzettelijk te verstoren, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet gelezen in samenhang met artikel 11.46, eerste lid, onder a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het verbod om dieren onder zich te hebben of te vervoeren, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet gelezen in samenhang met artikel11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving en het verbod om amfibieën te vangen, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet gelezen in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor amfibieën als die activiteiten plaatsvinden om deze dieren veilig te stellen tegen het verkeer.
2.
Het eerste lid is alleen van toepassing op het vervoer van de dieren over een afstand van ten hoogste 100 meter vanaf de vangplaats.
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 6.55 Vrijstelling vangen amfibieën voor onderzoek en onderwijs 1.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet gelezen in samenhang met artikel 11.54, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vangen van de Meerkikker (Pelophylax ridibundus), de Middelste groene kikker (Pelophylax kl. esculentus), de Bruine kikker (Rana temporaria) en de Gewone pad (Bufo bufo), voor zover dit plaatsvindt met het oog op gebruik van deze dieren of eieren van deze dieren bij onderzoek of onderwijs.
2.
Het eerste lid geldt niet voor dieren waarvan de metamorfose is voltooid.
Artikel 6.56 Vrijstelling bezits- en vervoersverbod braakballen, losse veren, e.d. De verboden op het vervoeren en onder zich hebben, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet gelezen in samenhang met artikel 11.39, eerste lid, en artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelden niet voor keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot voor gebruik van deze producten bij onderzoek of onderwijs.
Artikel 6.57 Vrijstelling uitzetten diersoorten Het verbod op het uitzetten van dieren of eieren van dieren, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet gelezen in samenhang met artikel 11.61, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor dieren of eieren die zijn gevangen of geraapt op grond van artikel 6.51, mits het uitzetten van soorten of hun eieren binnen acht uur plaatsvindt in voor de soort geschikt habitat op zo kort mogelijke afstand van de locatie van het vangen of rapen.
Artikel 6.58 Maatwerkregel sluiten jachtseizoen In afwijking van artikel 11.68 van het Besluit activiteiten leefomgeving, kunnen gedeputeerde staten de jacht op wildsoorten als bedoeld in dat artikel in de gehele provincie of een gedeelte daarvan, sluiten zolang bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken.
Afdeling 6.5 Invasieve exoten, bestrijding Aziatische duizendknoop Artikel 6.59 Specifieke zorgplicht bestrijding Aziatische duizendknoop Degene die op of in de grond activiteiten verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door die activiteiten planten of delen van planten die behoren tot de Aziatische duizendknoopsoorten kunnen worden verspreid, is verplicht om: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die verspreiding te voorkomen; b. de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken; en c. indien de verspreiding niet kan worden voorkomen, de activiteiten achterwege te laten.
Artikel 6.60 Verbod verspreiding Aziatische duizendknoop Het is verboden om planten of delen van planten die behoren tot de Aziatische duizendknoopsoorten, door maaien, grondverzet of anderszins te verspreiden.
Artikel 6.61 Meldplicht gevolgen verspreiding Aziatische duizendknoop 1.
Het is verboden zonder melding maatregelen bedoeld in Artikel 6.59 uit te voeren.
2.
De melding wordt ten minste 10 dagen gedaan voordat de maatregelen worden uitgevoerd.
3.
Gedeputeerde staten sturen de melding zo spoedig mogelijk door aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de verspreiding zich voordoet.
Artikel 6.62 Maatwerkvoorschriften maatregelen Aziatische duizendknoop
70
1.
Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over de maatregelen, bedoeld in Artikel 6.59.
2.
Gedeputeerde staten kunnen een perceeleigenaar, gebruiker of andere zakelijk gerechtigde van grond bij maatwerkvoorschrift verplichten om de grond te ontdoen van planten of delen van planten die behoren tot de Aziatische duizendknoopsoorten, als dit nodig is vanwege:
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
a. b. c. 3.
het behouden en versterken van de biodiversiteit; het niet voldaan hebben aan de zorgplicht die geldt op basis van Artikel 6.59; of het niet uitvoeren of laten uitvoeren van de maatregelen genoemd in Artikel 6.59 .
Het maatwerkvoorschrift bevat: a. een kaart van de grond met de plaats waarop de te bestrijden planten of delen van planten van Aziatische duizendknoopsoorten zich bevinden; b. de termijn of termijnen waarbinnen aan de opruimplicht moet zijn voldaan; en c. de geschikte methode of methoden voor bestrijding van de Aziatische duizendknoopsoorten.
Artikel 6.63 Specifieke vereisten melding beperken verspreiding Aziatische duizendknoop In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding, bedoeld Artikel 6.61, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. de locatie van de maatregelen; b. de datum en het tijdstip van het uitvoeren van de maatregelen; c. de frequentie van de maatregelen; d. de aard en de manier van de uitvoering van de maatregelen.
Hoofdstuk 7 Cultuurhistorie en landschap Afdeling 7.1 Cultuurhistorie Paragraaf 7.1.1 Werelderfgoed Artikel 7.1 Oogmerk UNESCO Werelderfgoed De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de instandhouding en versterking van de uitzonderlijke universele waarde van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en het UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (kernzone) en UNESCO Werelderfgoed NederGermaanse limes (bufferzone).
Artikel 7.2 Aanwijzing UNESCO Werelderfgoed Het UNESCO Werelderfgoed bestaat uit: a. het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies; en b. het UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (kernzone) en UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (bufferzone).
Artikel 7.3 Instructieregel instandhouding en versterking UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies 1.
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies: a. neemt de uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies in acht en bevat regels ter instandhouding en versterking daarvan; en b. bevat geen regels die activiteiten toestaan die die waarde aantasten.
2.
Als uitzonderlijke universele waarde Hollandse Waterlinies gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage XV Cultuurhistorie bij deze verordening en de Gebiedsanalyses Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies.
3.
De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies; en b. een beschrijving van de wijze waarop die waarde in acht is genomen.
Artikel 7.3a Instructieregel instandhouding en versterking UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (kernzone) 1.
71
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen UNESCO Werelderfgoed NederGermaanse Limes (kernzone): a. neemt de uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes in acht en bevat regels terinstandhouding en versterking daarvan; en
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
b.
bevat geen regels die activiteiten toestaan die die waarde aantasten.
2.
Als uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage XV Cultuurhistorie bij deze verordening.
3.
De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de in het plangebied aanwezige uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes; en b. een beschrijving van de wijze warop die waarde in acht is genomen.
Artikel 7.4 Instructieregel instandhouding en versterking UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (bufferzone) 1.
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen UNESCO Werelderfgoed NederGermaanse Limes (bufferzone) bevat regels ter instandhouding en versterking van de uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes.
2.
Als uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in de Bijlage XV bij deze verordening.
3.
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen UNESCO Werelderfgoed NederGermaanse Limes (bufferzone) bevat in ieder geval een verbod op het zonder omgevingsvergunning uitvoeren van activiteiten met een oppervlakte van 100 m2 of meer, waarbij de bodem tot meer dan 30 centimeter onder maaiveld wordt geroerd.
4.
De oppervlakte- en dieptemaat kunnen zowel naar boven als naar beneden worden bijgesteld, voor zover archeologische gegevens hier aanleiding toe geven en de bijstelling ondersteund wordt door een motivering, opgesteld door een archeologisch deskundige.
5.
Het archeologisch onderzoek en ex-situ behoud in de vorm van een opgraving wordt uitgevoerd conform de geldende kwaliteitsregels in de Nederlandse archeologie, door een daartoe op grond van artikel 5.3 Erfgoedwet gecertificeerd bedrijf.
6.
De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de in de directe omgeving van het plangebied aanwezige uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes; en b. een beschrijving en motivering van de wijze waarop die waarde wordt beschermd.
Artikel 7.5 Beoordelingsregel ontheffing het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies Ontheffing van Artikel 7.3, eerste lid, kan alleen worden verleend als: a. er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang; b. reële alternatieven die de Hollandse Waterlinies niet of minder aantasten ontbreken; c. de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt; en d. er op of nabij de locatie waarvoor ontheffing wordt gevraagd voldoende compenserende maatregelen worden genomen, in de vorm van versterking van de resterende uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies.
Artikel 7.5a Beoordelingsregel omgevingsvergunning UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (kernzone) De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de voorgenomen activiteit de uitzonderlijke universele waarde van de Neder-Germaanse Limes niet aantast.
Artikel 7.6 Beoordelingsregel omgevingsvergunning UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes (bufferzone) De omgevingsvergunning wordt alleen verleend: a. als door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de voorgenomen activiteit geen archeologische waarden van de Limes zal aantasten; of b. op voorwaarde dat de archeologische waarden van de Limes ex-situ, in de vorm van een opgraving, behouden blijven, wanneer in situ behoud niet mogelijk is.
72
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Paragraaf 7.1.2 Cultuurhistorische hoofdstructuur Artikel 7.7 Oogmerk Cultuurhistorische hoofdstructuur De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen en benutten van de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur.
Artikel 7.8 Aanwijzing Cultuurhistorische hoofdstructuur 1.
De Cultuurhistorische hoofdstructuur bestaat uit vijf gebieden: a. de Historische buitenplaatszone; b. het Militair erfgoed; c. het Agrarisch cultuurlandschap; d. de Historische infrastructuur; en e. de Archeologisch waardevolle zone.
2.
Deze vijf gebieden bestaan uit deelgebieden: a. de Historische buitenplaatszone bestaat uit de deelgebieden Stichtse Lustwarande, Langbroekerwetering, Vecht, Amersfoortseweg (Wegh der Weegen), Laagte van Pijnenburg, Valleilandgoederen, Amelisweerd, Kasteel de Haar, Landgoed Linschoten, Maarsbergse Flank en Prattenburg-Remmerstein; b. het Militair erfgoed bestaat uit de deelgebieden Nieuwe Hollandse Waterlinie, Oude Hollandsche Waterlinie, Grebbelinie en Soesterberg en omgeving; c. het Agrarisch cultuurlandschap bestaat uit de deelgebieden Lopikerwaard, KockengenKamerik-Zegveld, Westbroek, Linschoten, Ronde Venen, Soester Eng, Cope-ontginningscomplex Hei- en Boeicop e.o. en Zouweboezem; d. de Historische infrastructuur bestaat uit de deelgebieden Route Impériale, Via Regia en Wegh der Weegen; en e. de Archeologisch waardevolle zone bestaat uit de deelgebieden Utrechtse Heuvelrug, Limes en Dorestad.