2.h Omgevingsverordening provincie Utrecht prb-2024-2766 definitief vastgesteld
Tekst van het document
het aanbrengen van een constructie of uitvoeren van andere werkzaamheden op of in de bodem, gericht op behoud van de natuurfunctie of ten dienste van extensieve recreatie en mits hiermee geen verspreiding onstaat van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan; j. aanleg en onderhoud van kabels en onderhoud van leidingen en; k. evenementen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van voorzieningen die een risico vormen voor verontreiniging van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater en waarvoor voorafgaand schriftelijk toestemming is verkregen van het betreffende drinkwaterbedrijf.
Artikel 3.18 Vrijstelling riolering Waterwingebied Bethunepolder waterleidingkanaal Het verbod, bedoeld in Artikel 3.16, eerste lid, geldt niet voor het aanleggen en in stand houden van rioleringen in Waterwingebied Bethunepolder waterleidingkanaal die aansluiten op bestaande rioleringen.
Artikel 3.19 Vrijstelling gebruik kunstmest Waterwingebied Lexmond, Woerden en Vianen Het verbod als bedoeld in Artikel 3.16, eerste lid, geldt niet voor het gebruik van kunstmest in Waterwingebieden Lexmond, Woerden en Vianen.
Artikel 3.20 Meldplicht activiteiten Waterwingebied 1.
20
Het is verboden zonder melding in Waterwingebied de volgende activiteiten te verrichten: a. het toepassen van grond of baggerspecie met een kwaliteit die voldoet aan de achtergrondwaarde; b. het uitvoeren van civiel- en bouwtechnische werken nodig voor regulier beheer en onderhoud van bestaande bebouwing, infrastructuur en waterbeheer;
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
c.
d. e. 2.
het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het met inachtneming van paragraaf 3.2.26 van het Besluit activiteiten leefomgeving; het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving; buitengebruikstelling van een boorput.
De melding wordt gedaan ten minste vier weken voorafgaand aan het verrichten van de activiteit.
Artikel 3.21 Specifieke vereisten melding bij toepassing grond of baggerspecie in Waterwingebied In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden, bij een melding ten behoeve van het toepassen van grond of baggerspecie in Waterwingebied als bedoeld in Artikel 3.20, eerste lid, onder a, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht; b. de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. of het grond of baggerspecie betreft; d. de hoeveelheid grond of baggerspecie in m3; e. de herkomst van de grond of baggerspecie; f. of de grond of baggerspecie voldoet aan de achtergrondwaarde; g. de klasse van de baggerspecie; h. bij toepassing op land, het doel waarvoor de grond of baggerspecie wordt toegepast: 1. landbouw en natuur; 2. wonen; en 3. industrie; i. bij toepassing op de waterbodem, de klasse van de baggerspecie: 1. klasse A; of 2. klasse B; j. een gemotiveerde schriftelijke verklaring dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; en k. start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.22 Specifieke vereisten melding bij civiel- en bouwtechnische werken voor regulier beheer en onderhoud in Waterwingebied In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden, bij een melding ten behoeve van civiel- en bouwtechnische werken in Waterwingebied als bedoeld in Artikel 3.20, eerste lid, onder b, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht; b. straatnaam en huisnummer, plaats, kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. een beschrijving van het civiel technische en/of bouwtechnische type van de activiteit; d. de oppervlakte van de werken (lengte, breedte); e. indien wordt ontgraven, tot welke diepte de werken worden uitgevoerd; f. een gemotiveerde schriftelijke verklaring dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; en g. start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.23 Specifieke vereisten melding bij verspreiding baggerspecie uit watergang in Waterwingebied In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden, bij een melding ten behoeve van het verspreiden van baggerspecie uit watergang inWaterwingebied als bedoeld in Artikel 3.20, eerste lid, onder c, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht; b. straatnaam en huisnummer, plaats, kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. de hoeveelheid grond of baggerspecie in m3; d. de herkomst van de grond of baggerspecie; e. of de baggerspecie voldoet aan artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving; f. de klasse van de baggerspecie;
21
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
g.
h.
i. j.
bij toepassing op land, het doel waarvoor de grond of baggerspecie wordt toegepast: 1. landbouw en natuur; 2. wonen; en 3. industrie. bij toepassing op waterbodem, de klasse van de baggerspecie: 1. klasse A; of 2. klasse B. een gemotiveerde schriftelijke verklaring dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; en start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.24 Specifieke vereisten melding bij onderzoek en sanering van bodem in Waterwingebied In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding ten behoeve van onderzoek en sanering van bodem in Waterwingebied als bedoeld in Artikel 3.20, eerste lid, onder d, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht; b. straatnaam en huisnummer, plaats, kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. de herkomst van de (verwachte) verontreiniging; d. de omvang van de (verwachte) verontreiniging in m3; e. de maximale diepte van de verontreiniging in meter beneden maaiveld; f. een beschrijving van de te gebruiken saneringstechniek; g. een gemotiveerde schriftelijke verklaring dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; en h. start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.25 Specifieke vereisten melding buitengebruikstelling boorput in Waterwingebied In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden, bij een melding ten behoeve van de buitengebruikstelling van een boorput in Waterwingebied als bedoeld in Artikel 3.20, eerste lid, onder e, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht; b. de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. het aantal boorputten dat wordt afgedicht; d. het te gebruiken afdichtmateriaal; en e. de start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.26 Specifieke eis buitengebruikstelling boorput in Waterwingebied Bij buitengebruikstelling van een boorput in Waterwingebied laat de eigenaar of exploitant binnen twee weken na buitengebruikstelling de boorput(ten) afdichten door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101.
Paragraaf 3.2.5 Activiteiten in Grondwaterbeschermingsgebied Artikel 3.27 Verboden activiteiten in Grondwaterbeschermingsgebied 1.
Het is verboden in Grondwaterbeschermingsgebied een milieubelastende activiteit uit te voeren, bedoeld in de lijst verboden activiteiten in Bijlage V Lijst verboden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden bij deze verordening.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het hebben en houden van gastanks voor niet-bedrijfsmatig gebruik.
Artikel 3.28 Verbod opslag van schadelijke stoffen in Grondwaterbeschermingsgebied
22
1.
Het is verboden in Grondwaterbeschermingsgebied een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof voorhanden te hebben, bedoeld in Bijlage VI Lijst niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stoffen bij deze verordening.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor een kleine werkvoorraad van maximaal 25 liter of kilogram.
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 3.28a Verbod opslag van potentieel schadelijke stoffen in Grondwaterbeschermingsgebied 1.
Het is verboden in Grondwaterbeschermingsgebied een potentieel voor het grondwater schadelijke stof voorhanden te hebben, als de hoeveelheid meer is dan: a. de in Bijlage VII Tabel hoeveelheidsdrempel voor stoffen aangegeven hoeveelheidsdrempel bij deze verordening; of b. in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof: 1. 5 m3 per opslageenheid bij een tot vloeistof gekoeld gas of een vloeistof; en 2. 5.000 kilogram per opslageenheid bij een viskeuze of vaste stof.
2.
Bij het voorhanden hebben van een potentieel voor het grondwater schadelijke stof met een hoeveelheid die minder is dan de hoeveelheid als bedoeld in het eerste lid, worden bodembeschermende voorzieningen en maatregelen toegepast, die de hoogst mogelijke vorm van bescherming bieden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan dat de opslag bovengronds en boven een vloeistofdichte bodemvoorziening plaatsvindt en dat processen of overslag boven een vloeistofdichte of vloeistofkerende bodemvoorziening plaatsvinden.
Artikel 3.29 Verbod boorputten, boren en grond- of funderingswerken in Grondwaterbeschermingsgebied 1.
Het is verboden in Grondwaterbeschermingsgebied Bethunepolder, Bilthoven, Bunnik, Cothen, Groenekan, Linschoten, Zeist en in Waterwingebied Bethunepolder: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 40 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 40 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de grondwaterbeschermingszone.
2.
Het is verboden in Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 3 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 3 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de grondwaterbeschermingszone.
3.
Het is verboden in Grondwaterbeschermingsgebied Driebergen, Leersum en Rhenen: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 10 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 10 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de grondwaterbeschermingszone.
4.
Het is verboden in Grondwaterbeschermingsgebied Beerschoten: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 30 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 30 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de grondwaterbeschermingszone.
Artikel 3.30 Verbod aanleggen buisleiding in Grondwaterbeschermingsgebied 1.
Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied een buisleiding voor het transport van olie, chemicaliën en gassen niet zijnde aardgas of een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën, aan te leggen, te vervangen of te verleggen.
Artikel 3.31 Verbod energietoevoeging en -onttrekking in Grondwaterbeschermingsgebied Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied werken tot stand te brengen of activiteiten te verrichten met als doel het direct of indirect warmte of koude aan de bodem te onttrekken of toe te voegen.
23
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 3.32 Verbod meststoffen in de bodem brengen in Grondwaterbeschermingsgebied 1.
Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied meststoffen op of in de bodem te brengen.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het op of in de bodem brengen van: a. dierlijke meststoffen; en b. anorganische meststoffen, compost of kalkmeststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
Artikel 3.33 Verbod diepinfiltratie in Grondwaterbeschermingsgebied Het is verboden in een Grondwaterbeschermingsgebied afstromend hemelwater via diepinfiltratie in het grondwater te lozen.
Artikel 3.34 Vrijstelling boorputten, boren of grondwerken in Grondwaterbeschermingsgebied De verboden in Grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in Artikel 3.29, gelden niet voor: a. boorputten voor de controle van het grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening; b. het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater voor een noodvoorziening; c. bronbemalingen; d. het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. sonderingen; en f. ontgrondingen in het kader van paragraaf 16.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.35 Omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering in Grondwaterbeschermingsgebied Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een Grondwaterbeschermingsgebied een open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering aan te leggen en te gebruiken
Artikel 3.36 Beoordelingsregel omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering in Grondwaterbeschermingsgebied Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering in Grondwaterbeschermingsgebied wordt in ieder geval geweigerd als niet is aangetoond dat een significante bijdrage wordt geleverd aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit door een koppeling te realiseren tussen duurzaam gebruik van bodemenergie en de gekozen saneringsaanpak.
Artikel 3.37 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering in Grondwaterbeschermingsgebied In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering in Grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in Artikel 3.35 ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755; b. een beschrijving van het open bodemenergiesysteem, waarbij in ieder geval inzicht wordt gegeven in de bronnenconfiguratie, filterstelling, verpompte hoeveelheid water en energie per bron en in totaal en effecten op de omgeving; c. een beschrijving van de saneringstechniek; d. de te gebruiken boortechnieken om negatieve effecten van doorboring van de in de bodem voorkomende beschermende lagen zoveel mogelijk te voorkomen, en; e. een risicobeoordeling van de effecten van de aanleg en het in gebruik hebben van een open bodemenergiesysteem in combinatie met de grondwatersanering, waarbij in ieder geval inzicht wordt gegeven in: 1. de te verwachten verbetering van de grondwaterkwaliteit; 2. monitoring van de effecten; 3. te treffen tegenmaatregelen, mocht niet de verwachte verbetering van de grondwaterkwaliteit optreden.
24
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 3.38 Meldplicht horizontaal gestuurde boring in Grondwaterbeschermingsgebied 1.
Het is verboden zonder melding in Grondwaterbeschermingsgebied beneden de in Artikel 3.29 genoemde dieptegrenzen horizontaal gestuurde boringen te verrichten. De gemelde activiteit moet daarbij voldoen aan de volgende voorwaarden: a. andere werkmethoden zijn aantoonbaar niet toepasbaar; b. de benodigde aanlegdiepte beneden de dieptegrens vormt geen noemenswaardig risico voor de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; c. de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het in- en uittredepunt overstijgt de achtergrondwaarde niet; d. indien het boortracé een ernstige bodemverontreiniging passeert of doorboort, worden afdoende maatregelen getroffen om verspreiding tegen te gaan; e. de boorvloeistof wordt samengesteld met schoon leidingwater; f. de boorvloeistof bevat voldoende bentoniet om uitwisseling met de ondergrond zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij wordt het gebruik van additieven zoveel mogelijk beperkt; g. de vrijkomende grond wordt niet zonder bodembeschermende maatregelen opgeslagen of verspreid over het perceel; en h. indien de horizontale boring voor de aanleg van een riool is, wordt de mantelbuis voorzien van verklikkers die een zodanige werking hebben dat bij een eventuele breuk de inhoud van het riool aan het maaiveld uittreedt via deze verklikkers.
2.
De melding wordt ten minste vier weken gedaan voordat aan de activiteit wordt begonnen.
Artikel 3.39 Meldplicht boorputten en grond- en funderingswerken in Grondwaterbeschermingsgebied 1.
Het is verboden zonder melding in Grondwaterbeschermingsgebied beneden de in Artikel 3.29 genoemde dieptegrenzen de volgende activiteiten te verrichten: a. het verrichten van grondwerken, voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat ten minste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; b. funderingswerken, voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van: 1. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; 2. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht; of 3. voorgevormde of in de grond gevormde schroefpalen; en c. het buitengebruikstellen van een boorput.
2.
Het is verboden zonder melding in Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden heipalen te verwijderen.
3.
De melding wordt ten minste vier weken gedaan voordat aan de activiteit wordt begonnen.
Artikel 3.39a Meldplicht aardgas- en buisleidingen in Grondwaterbeschermingsgebied 1.
Het is verboden zonder melding in Grondwaterbeschermingsgebied de volgende activiteiten te verrichten: a. aardgasleidingen aan te leggen, te verleggen of te verwijderen; b. een buisleiding voor het transport van olie, chemicaliën en gassen niet zijnde aardgas of leidingen voor het transport van elektriciteit die worden gekoeld met olie of chemicaliën aan te leggen, te verleggen of te verwijderen, zonder dat met een risicoanalyse van een deskundige overeenkomstig Handreiking “Publicatiereeks gevaarlijke stoffen” is aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging door het aanleggen, verleggen of verwijderen gelijk blijft of vermindert ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie.
2.
De melding wordt tenminste vier weken gedaan voordat aan de activiteit wordt begonnen.
Artikel 3.40 Specifieke vereisten melding horizontaal gestuurde boring in Grondwaterbeschermingsgebied In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde, worden bij een melding ten behoeve van de realisatie van een horizontaal gestuurde boring in Grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in Artikel 3.38, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht;
25
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
b. c. d. e. f. g. h.
kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; doel van de horizontaal gestuurde boring; het diepste punt van de boring; de lengte van de boring tussen in- en uittredepunt; de totale lengte van de boring; een (boor)plan waarin de in Artikel 3.38 genoemde voorwaarden nader zijn uitgewerkt; en de start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.41 Specifieke vereisten melding aanleg van aardgasleiding in Grondwaterbeschermingsgebied In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde, worden bij een melding ten behoeve van de aanleg van een aardgasleiding in Grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in Artikel 3.39a, onder a, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht; b. kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. de lengte van de aardgasleiding; d. het diepste punt van de aardgasleiding in meter beneden maaiveld; e. het te gebruiken afdichtmateriaal; f. indien van toepassing, de gebruikte funderingstechniek; en g. de start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.41a Specifieke vereisten melding aanleg, verleggen of verwijderen van een buisleiding, niet zijnde aardgas, in Grondwaterbeschermingsgebied In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde, worden bij een melding ten behoeve van de aanleg van een buisleiding, niet zijnde aardgas, in Grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in Artikel 3.39a, onder b, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht; b. kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. de lengte van de buisleiding; d. het diepste punt van de buisleiding in meter beneden maaiveld; e. het te gebruiken afdichtmateriaal; f. de start- en einddatum van de activiteit en; g. een door een deskundige uitgevoerde risicoanalyse als bedoeld in de Handreiking “Publicatiereeks gevaarlijke stoffen”, waarin is aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging door het aanleggen, verleggen of verwijderen gelijk blijft of vermindert ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie.
Artikel 3.42 Specifieke vereisten melding grondwerken in Grondwaterbeschermingsgebied In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden, bij een melding ten behoeve van grondwerken in Grondwaterbeschermingsgebied, als bedoeld in Artikel 3.39, eerste lid, onder b, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht; b. kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. doel van het ontgraven; d. oppervlakte van de ontgraving in m2; e. diepte tot waar wordt ontgraven in meter beneden maaiveld; f. de wijze waarop het bodemprofiel wordt hersteld zodat tenminste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; en g. de start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.43 Specifieke vereisten melding funderingswerken in Grondwaterbeschermingsgebied In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde, worden bij een melding ten behoeve van funderingswerken in Grondwaterbeschermingsgebiedals bedoeld in Artikel 3.39, eerste lid, onder b, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht; b. de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. het doel waarvoor de fundering geplaatst wordt;
26
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
d.
e. f.
de te gebruiken funderingstechniek: 1. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; 2. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk is verbreed en grondverdringend wordt ingebracht; 3. schroefpalen; de diepte tot waar de fundering komt in meter beneden maaiveld; en de start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.44 Specifieke vereisten melding buitengebruikstelling boorput in Grondwaterbeschermingsgebied In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde, worden bij een melding ten behoeve van de buitengebruikstelling boorput in Grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in Artikel 3.39, eerste lid, onder c, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht; b. de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. aantal boorputten dat wordt afgedicht; d. het te gebruiken afdichtmateriaal; en e. de start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.45 Specifieke vereisten melding verwijdering heipaal in Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde, worden bij een melding ten behoeve van de verwijdering van heipalen in Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden als bedoeld in Artikel 3.39, tweede lid, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht; b. de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. aantal van de te verwijderen heipalen; d. diepte tot welke de heipalen worden verwijderd; e. het te gebruiken afdichtmateriaal; en f. de start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.46 Specifieke eis buitengebruikstelling boorput in Grondwaterbeschermingsgebied Bij buitengebruikstelling van een boorput in Grondwaterbeschermingsgebied laat de eigenaar of exploitant binnen twee weken na buitengebruikstelling die boorput afdichten door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101.
Artikel 3.47 Specifieke eis verwijdering heipalen in Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden Bij verwijdering van heipalen in Grondwaterbeschermingsgebied Amersfoort-Berg, Doorn, Langerak, Soestduinen en Woerden wordt het ontstane gat zoveel mogelijk afgedicht met bentoniet.
Artikel 3.48 Specifieke eis lozen afstromend hemelwater in Grondwaterbeschermingsgebied 1.
Bij het lozen van afstromend hemelwater in Grondwaterbeschermingsgebied wordt mogelijke verontreiniging van het grondwater zoveel als redelijkerwijs mogelijk is beperkt.
2.
Aan het gestelde in het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de Leidraad Afkoppelen en infiltreren afstromend hemelwater provincie Utrecht wordt gevolgd.
Artikel 3.49 Specifieke eis aanleggen parkeerplaats in Grondwaterbeschermingsgebied 1.
27
Een ieder die een verharde of onverharde parkeerplaats voor motorrijtuigen in Grondwaterbeschermingsgebied aanlegt of in stand houdt, treft zoveel als redelijkerwijs mogelijk is maatregelen om verontreiniging van het grondwater te voorkomen.
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
2.
Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan als de Leidraad Afkoppelen en infiltreren provincie Utrecht wordt gevolgd.
Paragraaf 3.2.6 Activiteiten in Boringsvrije zone Artikel 3.50 Verbod mijnbouwactiviteiten in Boringsvrije zone Het is verboden in Boringsvrije zone mijnbouwactiviteiten te verrichten bedoeld in artikel 3.320 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.51 Verbod boorputten, boren en grond- of funderingswerken in Boringsvrije zone
28
1.
Het is verboden in Boringsvrije zone Bilthoven, Benschop-ondiep, Bunnik, Cothen, De Meern, Eempolder, Leidsche Rijn, Langerak-Noord, Lexmond-Noord, Linschoten, Nieuwegein, Vianen en Vianen-Panoven: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 40 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 40 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone.
2.
Het is verboden in de Boringsvrije zone Amersfoort-Koedijkerweg, Rhenen en Woudenberg: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 10 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 10 meter of meer onder het maaiveld , met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone.
3.
Het is verboden in de Boringsvrije zone Langerak en Lexmond: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 3 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen, grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 3 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone.
4.
Het is verboden in de Boringsvrije zone Veenendaal: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 30 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen, grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 30 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone.
5.
Het is verboden in de Boringsvrije zone Tull en t Waal: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 55 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 55 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone.
6.
Het is verboden in de Boringsvrije zone WCB Nieuwegein: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 60 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 60 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone.
7.
Het is verboden in Boringsvrije zone Benschop-diep: a. boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 80 meter of meer onder maaiveld; en b. boringen of grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 80 meter of meer onder het maaiveld, met inbegrip van schuine boringen, uitgevoerd vanaf een locatie buiten de boringsvrije zone.
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 3.52 Verbod energietoevoeging en -onttrekking in Boringvrije zone Het is verboden in Boringsvrije zone op een diepte groter dan de in Artikel 3.51 genoemde dieptegrenzen werken tot stand te brengen of activiteiten te verrichten met als doel direct of indirect warmte of koude aan de bodem te onttrekken of toe te voegen.
Artikel 3.53 Vrijstelling boorputten, boringen en grondwerken in Boringsvrije zone De verboden in Boringsvrije zone, bedoeld in Artikel 3.51, gelden niet voor: a. boorputten voor de controle van het grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening; b. het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater voor een noodvoorziening; c. bronbemalingen; d. het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving; e. sonderingen; en f. ontgrondingen in het kader van paragraaf 16.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.54 Omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering in Boringsvrije zone Het is verboden zonder omgevingsvergunning in Boringsvrije zone op een diepte groter dan de in Artikel 3.51 genoemde dieptegrenzen een open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering aan te leggen en te gebruiken.
Artikel 3.55 Beoordelingsregel omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering in Boringsvrije zone Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering in Boringsvrije zone beneden de in Artikel 3.51 genoemde dieptegrenzen, wordt in ieder geval geweigerd indien niet is aangetoond dat een significante bijdrage geleverd wordt aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit door een koppeling te realiseren tussen duurzaam gebruik van bodemenergie en de gekozen saneringsaanpak.
Artikel 3.56 Omgevingsvergunning boorput voor industriële winning voor menselijke consumptie in Boringsvrije zone Het is verboden zonder omgevingsvergunning in Boringsvrije zone boorputten op een diepte groter dan de in Artikel 3.51 genoemde dieptegrenzen op te richten en te hebben voor het onttrekken van grondwater voor industriële winningen ten behoeve van menselijke consumptie.
Artikel 3.56a Beoordelingsregel omgevingsvergunning boorput voor industriele winning voor menselijke consumptie in Boringsvrije zone Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een boorput voor industriële winning in Boringsvrije zone beneden de in Artikel 3.51 genoemde dieptegrenzen, wordt in ieder geval geweigerd indien niet is aangetoond dat het grondwater wordt ingezet binnen een onderdeel van het productieproces voor menselijke consumptie waarvoor een dergelijk hoge waterkwaliteit noodzakelijk is.
Artikel 3.57 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning open bodemenergiesysteem in combinatie met een grondwatersanering in Boringsvrije zone In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem in combinatie met grondwatersanering in Boringsvrije zone als bedoeld in Artikel 3.54 ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755; b. een beschrijving van het open bodemenergiesysteem, waarbij in ieder geval inzicht wordt gegeven in de bronnenconfiguratie, filterstelling, verpompte hoeveelheid water en energie per bron en in totaal en effecten op de omgeving; c. een beschrijving van de saneringstechniek; d. de te gebruiken boortechnieken om negatieve effecten van doorboring van de in de bodem voorkomende beschermende lagen zoveel mogelijk te voorkomen, en; e. een risicobeoordeling van de effecten van de aanleg en het in gebruik hebben van een open bodemenergiesysteem in combinatie met de grondwatersanering, waarbij in ieder geval inzicht wordt gegeven in:
29
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
1. 2. 3.
de te verwachten verbetering van de grondwaterkwaliteit; monitoring van de effecten; te treffen tegenmaatregelen, mocht niet de verwachte verbetering van de grondwaterkwaliteit optreden.
Artikel 3.58 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning boorput voor industriële winning voor menselijke consumptie in Boringsvrije zone In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een boorput voor industriële winning voor menselijke consumptie in Boringsvrije zone als bedoeld in Artikel 3.56 ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. inzicht in de proceswaterstromen, waarbij wordt aangetoond dat het onttrokken grondwater wordt gebruikt voor, of in aanraking kan komen met producten voor menselijke consumptie, waarvoor water van drinkwaterkwaliteit noodzakelijk is; b. een verklaring dat het gebruik van grondwater voor de bereiding van producten voor menselijke consumptie bekend is bij de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA); c. benodigde hoeveel water in m3/u, m3/kwartaal en m3/jaar; d. waterbesparingsplannen, waarbij wordt aangetoond dat zo zuinig mogelijk met het water wordt omgegaan; e. de te gebruiken boortechnieken om negatieve effecten van doorboring van de in de bodem voorkomende beschermende lagen zoveel mogelijk te voorkomen.
Artikel 3.59 Meldplicht horizontaal gestuurde boringen in Boringsvrije zone 1.
Het is verboden zonder melding in Boringsvrije zone beneden de in Artikel 3.51 genoemde dieptegrenzen horizontaal gestuurde boringen te verrichten. De gemelde activiteit moet daarbij voldoen aan de volgende voorwaarden: a. andere werkmethoden zijn aantoonbaar niet toepasbaar; b. de benodigde aanlegdiepte beneden de dieptegrens vormt geen noemenswaardig risico voor de bodem en het zich daarin bevindende grondwater; c. de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het in- en uittredepunt overstijgt de achtergrondwaarde niet; d. indien het boortracé een ernstige bodemverontreiniging passeert of doorboort, worden afdoende maatregelen getroffen om verspreiding tegen te gaan; e. de boorvloeistof wordt samengesteld met schoon leidingwater; f. de boorvloeistof bevat voldoende bentoniet om uitwisseling met de ondergrond zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij wordt het gebruik van additieven zoveel mogelijk beperkt; g. de vrijkomende grond wordt niet zonder bodembeschermende maatregelen opgeslagen of verspreid over het perceel; h. indien de horizontale boring voor de aanleg van een riool is, wordt de mantelbuis voorzien van verklikkers die een zodanige werking hebben dat bij een eventuele breuk de inhoud van het riool aan het maaiveld uittreedt via deze verklikkers.
2.
De melding wordt ten minste vier weken gedaan voordat de activiteit wordt verricht.
Artikel 3.60 Meldplicht boorputten, grond- en funderingswerken in Boringsvrije zone
30
1.
Het is verboden zonder melding in Boringsvrije zone beneden de in Artikel 3.51 genoemde dieptegrenzen de volgende activiteiten verrichten: a. grondwerken, voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat ten minste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; en b. funderingswerken, voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van: 1. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; 2. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht; of 3. voorgevormde, of in de grond gevormde schroefpalen.
2.
Het is verboden zonder melding in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond: a. heipalen te verwijderen; b. boorputten buiten gebruik te stellen.
3.
De melding wordt ten minste vier weken gedaan voordat de activiteit wordt verricht.
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 3.61 Specifieke vereisten melding horizontaal gestuurde boringen in Boringsvrije zone In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde, worden bij een melding ten behoeve van het uitvoeren van een horizontaal gestuurde boring in Boringsvrije zone als bedoeld in Artikel 3.59 ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht; b. de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. het doel van de horizontaal gestuurde boring; d. het diepste punt van de boring; e. de lengte van de boring tussen in- en uittredepunt; f. de totale lengte van de boring; en g. de start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.62 Specifieke vereisten melding grondwerken in Boringsvrije zone In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde, worden bij een melding ten behoeve van het uitvoeren van grondwerken in Boringsvrije zone als bedoeld in Artikel 3.60, eerste lid, onder a ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht; b. de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. het doel waarvoor wordt ontgraven; d. de aard van het oppervlak van de ontgraving; e. de diepte tot waar wordt ontgraven in meter beneden maaiveld; f. de aard van het bodemprofiel ter plaatse; g. de wijze hoe het bodemprofiel hersteld wordt zodat ten minste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken; en h. de start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.63 Specifieke vereisten melding funderingswerken in Boringsvrije zone In aanvulling op het in Artikel 1.12 bepaalde worden bij een melding ten behoeve van het uitvoeren van funderingswerken in Boringsvrije zone als bedoeld in Artikel 3.60, eerste lid, onder b, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. naam, adres, postcode vestigingsplaats, telefoonnummer, e-mailadres, naam van een contactpersoon en een bewijs van de certificering van het bedrijf dat de activiteit verricht; b. de kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht; c. het doel waarvoor de fundering wordt geplaatst; d. de aard van de te gebruiken funderingstechniek: 1. grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; 2. in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk is en wordt ingebracht; of 3. voorgevormde, of in de grond gevormde schroefpalen; e. de diepte tot waar de fundering komt in meters beneden maaiveld; en f. de start- en einddatum van de activiteit.
Artikel 3.64 Specifieke eis verwijdering van heipalen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond Bij verwijdering van heipalen in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond wordt het ontstane gat zoveel mogelijk afgedicht met bentoniet.
Artikel 3.64a Specifieke eis buitengebruikstelling boorput in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond Bij buitengebruikstelling van een boorput in Boringsvrije zone Langerak en Lexmond laat de eigenaar of exploitant binnen maximaal twee weken na buiten gebruikstelling de boorput afdichten door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101.
Afdeling 3.3 Grondwaterverontreiniging Paragraaf 3.3.1 Algemene bepaling grondwaterverontreiniging
31
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 3.65 Oogmerk grondwaterverontreiniging De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het beschermen van de kwaliteit van de bodem.
Paragraaf 3.3.2 Instructieregels grondwaterverontreiniging Artikel 3.66 Instructieregel programma gebiedsgerichte aanpak grondwaterverontreiniging 1.
Een programma gebiedsgerichte aanpak grondwaterverontreiniging is gericht op: a. het zoveel mogelijk voorkomen van de risico’s van verspreiding van verontreiniging buiten het aangewezen gebied; b. het zoveel mogelijk verminderen van de vracht van de verontreiniging; c. de bescherming van bestaande en beoogde functies van, in en op de bodem binnen het aangewezen gebied; en d. het verbeteren van de mogelijkheden om doelmatig gebruik te maken van de ondergrond in verontreinigd gebied.
2.
Het programma wordt vastgesteld door gedeputeerde staten.
3.
Het programma bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. de doelstellingen van de gebiedsgerichte aanpak binnen het beheergebied en de maatregelen die ter verwezenlijking hiervan worden genomen; b. de termijn waarbinnen deze doelstellingen zullen worden verwezenlijkt; c. een beschrijving van de verrichte onderzoeken; d. de wijze waarop het plan past binnen het omgevingsplan, het regionale waterprogramma en het waterbeheerprogramma; e. een begroting van de kosten van de sanering en een overzicht van de daarvoor beschikbare middelen; f. de wijze waarop belemmeringen voor een doelmatige gebiedsgerichte aanpak zullen worden weggenomen; en g. de verontreinigingen in het grondwater binnen het aangewezen gebied.
4.
In het programma wordt rekening gehouden met de gevolgen van de gebiedsgerichte aanpak voor locaties die daarvan geen onderdeel uitmaken, en worden zo nodig voorzieningen opgenomen om voor die locaties optredende gevolgen te monitoren en te beheersen.
5.
Het programma kan betrekking hebben op gevallen van ernstige verontreiniging waarop op grond van artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, van toepassing is.
Paragraaf 3.3.3 Grondwatersanering Artikel 3.67 Toepassingsbereik grondwatersanering Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van verontreinigd grondwater met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico in het Gebied saneringsregels voor grondwater, als bedoeld in Annex 2 van het Water en Bodemprogramma voor zover dit niet valt onder de activiteit zoals gedefinieerd in artikel 4.1241 en artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 3.68 Omgevingsvergunning grondwatersanering Het is verboden zonder omgevingsvergunning verontreinigd grondwater met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico te saneren.
Artikel 3.69 Beoordelingsregel omgevingsvergunning grondwatersanering
32
1.
Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het saneren van verontreinigd grondwater wordt alleen verleend als: a. het risico van verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel als redelijkerwijs mogelijk is wordt beperkt; en b. nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen zoveel mogelijk beperkt kunnen blijven.
2.
De aanvraag wordt getoetst aan de saneringsdoelstellingen uit hoofdstuk 4 van de Circulaire bodemsanering 2013.
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 3.70 Specifieke aanvraagvereisten omgevingsvergunning grondwatersanering In aanvulling op de aanvraagvereisten in de wet worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.68, ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een vooronderzoek bodemonderzoek bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving; b. een verkennend bodemonderzoek bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving; c. een nader bodemonderzoek bedoeld in artikel 5.7d van het Besluit activiteiten leefomgeving; d. een beschrijving van de te treffen saneringsmaatregelen en een motivering van de keuze voor deze maatregelen; e. een beschrijving van de effecten die met de maatregelen worden beoogd, waaronder een aanduiding van de terugsaneerwaarde; f. een beschrijving van een andere methode om de beoogde effecten te bereiken, voor het geval de maatregelen niet tot die effecten zouden leiden; en g. een beschrijving van de nazorgmaatregelen die naar verwachting moeten worden getroffen.
Artikel 3.71 Specifieke gegevens en bescheiden start en locatie grondwatersanering 1.
Ten minste twee weken voor het begin van de sanering verstrekt de vergunninghouder aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden over: a. de begrenzing van de locatie waar de sanering wordt verricht; en b. de startdatum van de sanering
2.
Gewijzigde gegevens worden onverwijld aan gedeputeerde staten verstrekt na het wijzigen van: a. een wijziging van de startdatum van de sanering; b. een wijziging van de begrenzing van de te saneren locatie; c. een verandering van de locatie van de sanering.
Artikel 3.72 Specifieke gegevens en bescheiden uitvoerder en milieukundige begeleider grondwatersanering 1.
Ten minste vijf werkdagen voor het begin van de sanering worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt over uitvoerder en milieukundige beheerder die bij de sanering zijn betrokken.
2.
De gegevens en bescheiden bevatten ten minste: a. de naam en het adres van de persoon die de sanering gaat verrichten; en b. de naam en het adres van de natuurlijke persoon en de onderneming die de milieukundige begeleiding gaan verrichten.
Artikel 3.73 Specifieke eis uitvoering van de activiteit grondwatersanering 1.
De sanering wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000 en wordt begeleid door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.
2.
De sanering wordt verricht overeenkomstig de beschrijving van de te treffen saneringsmaatregelen, bedoeld in Artikel 3.70, onder d.
3.
Als blijkt dat de maatregelen niet tot de beoogde effecten zullen leiden, wordt de sanering verricht overeenkomstig de andere methode om de beoogde effecten te bereiken, bedoeld in Artikel 3.70, onder f.
Artikel 3.74 Specifieke eis evaluatieverslag grondwatersanering
33
1.
Binnen vier weken na afronding van de activiteit wordt een evaluatieverslag opgesteld volgens BRL SIKB 6000 en aan gedeputeerde staten verstrekt.
2.
Het evaluatieverslag bevat in ieder geval: a. een beschrijving van het resultaat van de milieukundige begeleiding bestaande uit processturing met daarbij in ieder geval een opsomming van bijzondere omstandigheden die zich tijdens de activiteit hebben voorgedaan;
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
b. c.
d.
een beschrijving van de resultaten van de milieukundige begeleiding, indien van toepassing, bestaande uit verificatie van het eindresultaat van de activiteit; als na de activiteit nog verontreiniging in het grondwater aanwezig is en daardoor beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn: een beschrijving van deze beperkingen; en als na de activiteit nazorgmaatregelen nodig zijn: een beschrijving van deze nazorgmaatregelen.
Artikel 3.75 Specifieke eis beperkingen en nazorgmaatregelen grondwatersanering 1.
De eigenaar, erfpachter of gebruiker van het grondgebied waar na de sanering een verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven, neemt de beperkingen in het gebruik van de bodem in acht die zijn beschreven in het evaluatieverslag.
2.
Degene die de sanering heeft verricht, dan wel degene die daartoe is aangewezen in het evaluatieverslag, is belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen.
Artikel 3.76 Maatwerkvoorschriften activiteit grondwatersanering Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over het bepaalde in de artikelen 3.70 tot en met 3.75.
Paragraaf 3.3.4 Onderzoek en maatregelen grondwaterverontreiniging bij bouwen Artikel 3.77 Toepassingsbereik onderzoek en maatregelen grondwaterverontreiniging bij bouwen Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen van een bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Artikel 3.78 Specifieke eis vooronderzoek grondwaterverontreiniging 1.
Voordat een bodemgevoelig gebouw wordt gebouwd, wordt op het perceel een vooronderzoek grondwater uitgevoerd, dat voldoet aan NEN 5725.
Artikel 3.79 Specifieke eis verkennend onderzoek grondwaterverontreiniging 1.
Als uit het vooronderzoek grondwater blijkt dat er een verdenking bestaat van de aanwezigheid van een verontreiniging in de verzadigde zone van de bodem, wordt een verkennend grondwateronderzoek uitgevoerd, dat voldoet aan NEN 5740.
2.
Bij dit verkennend grondwateronderzoek worden betrokken: a. de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage VC bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; en b. de omgevingswaarden voor de goede chemische toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in bijlage IV bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.
3.
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.
4.
De laboratoriumanalyse wordt verricht door een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 3.80 Specifieke eis nader onderzoek grondwaterverontreiniging
34
1.
Als het verkennend grondwateronderzoek daartoe aanleiding geeft, wordt een nader grondwateronderzoek uitgevoerd.
2.
Het nader grondwateronderzoek voldoet aan NTA 5755.
3.
Het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of een inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000 .
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
4.
De laboratoriumanalyse wordt verricht door een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000.
Artikel 3.81 Specifieke eis risicobeoordeling grondwaterverontreiniging 1.
Als uit het nader grondwateronderzoek blijkt dat sprake is van inbreng van een significante verontreiniging in het grondwater als bedoeld in Annex 2 bij het Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht, wordt een risicobeoordeling grondwaterverontreiniging uitgevoerd, als bedoeld in Annex 2 bij het Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht.
Artikel 3.82 Specifieke eis maatregelen grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico 1.
Als uit de risicobeoordeling grondwaterverontreiniging blijkt dat er een onaanvaardbare risico voor verspreiding van verontreiniging in het grondwater is en de bronzone zich deels of geheel bevindt binnen het perceel waar de bouwactiviteit wordt verricht, wordt voorafgaand aan de bouwactiviteit: a. een bodemsanering voor de bronzone uitgevoerd; b. een grondwatersanering voor de bronzone uitgevoerd; en c. een grondwatersanering voor de verontreinigingspluim uitgevoerd.
2.
De bodemsanering en grondwatersaneringen worden uitgevoerd: a. op het perceel waar de bouwactiviteit wordt verricht; en b. buiten het perceel waar de bouwactiviteit wordt verricht, voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevergd.
3.
Voor zover de bronzone of verontreinigingspluim zich bevinden buiten het perceel waar de bouwactiviteit wordt verricht, belemmert het te bouwen bouwwerk de bodemsanering van de bronzone en de grondwatersaneringen van de bronzone en verontreinigingspluim niet.
Artikel 3.83 Maatwerkvoorschriften maatregelen grondwaterverontreiniging Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld over Artikel 3.82.
Paragraaf 3.3.5 Grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico Artikel 3.84 Toepassingsbereik verdenking grondwaterverontreiniging met onaanvaardbaar verspreidingsrisico Deze paragraaf is van toepassing als een redelijk vermoeden bestaat van grondwaterverontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico.
Artikel 3.85 Informatieplicht initiatiefnemer, eigenaar of erfpachter Een initiatiefnemer, eigenaar of erfpachter van een locatie is verplicht de informatie die bij hem over de grondwaterverontreiniging bekend is te verstrekken aan de provincie Utrecht.
Artikel 3.86 Informatieplicht gemeente De gemeente die een redelijk vermoeden heeft van of wordt geïnformeerd over een grondwaterverontreiniging met een onaanvaardbaar verspreidingsrisico, geeft van de verstrekte informatie onverwijld kennis aan: a. gedeputeerde staten; en b. andere bestuursorganen of overheidsdiensten, die belang hebben bij een onverwijlde kennisgeving.
Afdeling 3.4 Grondverzet en rommelterrein Artikel 3.87 Oogmerk grondverzet en rommelterrein De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoud van landschappelijke, natuurwetenschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden.
35
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 3.88 Toepassingsbereik grondverzet en rommelterrein 1.
Deze afdeling is in het Landelijk gebied van toepassing op het: a. storten van materialen; b. inrichten of hebben van een stortplaats; c. ophogen of egaliseren van gronden; en d. inrichten of hebben van een rommelterrein.
2.
Deze afdeling is niet van toepassing op: a. een rommelterrein dat in geen enkel seizoen zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats; en b. stortplaatsen die zijn aangewezen in een omgevingsplan of zich bevinden in een gebouw.
Artikel 3.89 Specifieke zorgplicht grondverzet en rommelterrein Degene die stort, een stortplaats inricht of houdt, gronden ophoogt of egaliseert of een rommelterrein inricht of houdt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot nadelige gevolgen voor de belangen, bedoeld in Artikel 3.87, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Artikel 3.90 Verbod rommelterrein Het is verboden in het Landelijk gebied een rommelterrein in te richten of te hebben, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van Artikel 3.93 en wordt voldaan aan de specifieke eisen in Artikel 3.102.
Artikel 3.91 Omgevingsvergunning grondverzet Het is verboden zonder omgevingsvergunning in het Landelijk gebied materialen te storten, een stortplaats in te richten of te hebben of gronden op te hogen, of te egaliseren, tenzij de activiteit is toegelaten op grond van de artikelen 3.92 tot en met 3.97 en wordt voldaan aan de specifieke eisen in Artikel 3.88 en Artikel 3.89.
Artikel 3.91a Omgevingsvergunning grondverzet Een omgevingsvergunning voor grondverzet wordt verleend voor zover het oogmerk van Artikel 3.87 niet onaanvaardbaar wordt geschaad.
Artikel 3.92 Vrijstelling activiteiten bij werken 1.
Voor het uitvoeren of onderhoud van infrastructurele openbare werken en werken van groot maatschappelijk belang wordt alleen gestort, opgehoogd en geëgaliseerd als: a. de activiteiten plaatsvinden binnen het uitvoeringsgebied van een vergund bestek; of b. de werken zijn aangewezen in het omgevingsplan.
2.
Voor onderhouds-, herstel-, bouw- of sloopwerkzaamheden op bouwpercelen wordt alleen gestort, opgehoogd of geëgaliseerd als het bouwperceel is aangewezen in het omgevingsplan.
Artikel 3.93 Vrijstelling activiteiten bij agrarische perceel
36
1.
Op agrarische weide- en akkerpercelen wordt alleen gestort en opgehoogd als dat nodig is voor het aanleggen van rijpaden op die percelen.
2.
Op of onmiddellijk aangrenzend aan een agrarisch bouwperceel wordt alleen een stortplaats of rommelterrein ingericht of gehouden als dat noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering.
Provinciaal blad 2024 nr. 2766
29 februari 2024
Artikel 3.94 Vrijstelling activiteiten bij normaal onderhoud van oppervlaktewaterlichaam 1.
Als baggerspecie vrijkomt uit normaal onderhoud van oppervlaktewaterlichamen wordt deze baggerspecie alleen gestort, geëgaliseerd en gebruikt om op te hogen als: a. losse plantenresten bovenaan het talud van het oppervlaktewaterlichaam worden neergelegd; b. het oorspronkelijke maaiveld met niet meer dan 10 centimeter wordt opgehoogd; c. de baggerspecie niet wordt gestort op gronden die in agrarisch natuurbeheer zijn of zich bevinden binnen een natuurparel, waterparel of natuurnetwerk Nederland; d. losse plantenresten en baggerspecie zo spoedig mogelijk worden uitgevlakt; en e. de baggerspecie gelijkmatig over een perceel, dat gelegen is naast het oppervlaktewaterlichaam, wordt verspreid, waarbij aardkundige waarden en archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten en geulen in stand worden gelaten.
2.
In het Landelijk gebied wordt binnen een natuurparel, waterparel, natuurnetwerk Nederland en Groene contour zonder omgevingsvergunning geen bagger in een baggerdepot gestort.
3.
In het Landelijk gebied buiten een natuurparel, waterparel, natuurnetwerk Nederland en Groene contour wordt alleen zonder omgevingsvergunning bagger in een baggerdepot gestort als: a. het depot niet is of wordt aangelegd op een locatie, die in de kwaliteitsgidsen landschap van de provincie Utrecht als open of extreem open is aangeduid; b. het depot voor inklinken maximaal 1,50 meter hoog is ten opzichte van het laagste naastgelegen maaiveld; c. de kaden ten minste 2 meter vanuit de oever van oppervlaktewaterlichamen worden aangelegd en zowel eind juni als in november worden gemaaid; d. het perceel waarop het baggerdepot zich bevindt na ophogen, inklinken, verspreiden en egalisatie niet meer dan 10 centimeter hoger ligt dan het oorspronkelijke maaiveld van de dichtstbijzijnde naastgelegen niet opgehoogde percelen; en e. na inklinken, dan wel maximaal na 3 jaar na de activiteit, de bagger en de om het depot opgeworpen kaden zo spoedig mogelijk gelijkmatig worden verspreid tot ten minste 1 meter vanuit de oever van oppervlaktewaterlichamen, waarbij aardkundige waarden en archeologisch of landschappelijk waardevolle terreingedeelten zoals laagten en geulen in stand worden gelaten.